Krachten van het ‘ik’

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het IK tot beheersing’ (hoofdstuk 3) – december 1960

Krachten in het ‘ik’.

In de mens zijn twee krachten. Zij slingeren zich als slangen langs de ruggengraat. Zij vormen gezamenlijk het totaal van de levenskracht, het totaal van het menselijk vermogen, zolang de menselijke geest in het mense­lijk lichaam verblijft.
Wij onderscheiden deze krachten in: de kracht van vuur of licht en de kracht van leven of eenheid. De kracht van vuur of licht, ook wel eens kundalini-vuur genoemd, is te gebruiken om in het ‘ik’ buitengewone kwaliteiten van stoffelijke geaardheid te ontwikkelen. Met kundalini-vuur kun­nen wij o.m. grote stimulansen geven aan het totaal van de menselijke organen. Wij kunnen de hersenen actiever doen worden; wij kunnen ze met zoveel activiteit en zoveel kracht doordrenken dat zij in staat zijn hun totale inhoud aan ons bewustzijn terug te geven. Helaas kunnen wij een dergelijke prestatie slechts een korte tijd volhouden. Wegens de concentratie, welke voor het opwekken van het kundalini‑vuur noodzakelijk is en ook de concen­tratie op meer abstracte waarden, als regeling van ademhaling en lichaams­stromen, kunnen wij meestal niet komen tot het direct gebruiken van alle capaciteiten, die dit vuur ons zou kunnen verlenen.
Ook in de oude tijd heeft men daarover reeds veel nagedacht en is men tot het gebruik van bepaalde technieken gekomen. Deze technieken zijn toegepast om het ‘ik’ (althans wanneer de mens zich van zichzelf bewust is) zo te ontwikkelen en te ontplooien, dat hij zonder grote concentratie te allen tijde over een deel van deze kracht de beschikking kan hebben.
U zult begrijpen dat een dergelijke kracht niet zonder meer door iedereen en ten volle kan worden opgewekt. Toch wijs ik u er op dat voor elk uwer praktisch de mogelijkheid bestaat dit te volbrengen. Daarbij mogen wij geen gebruik maken van voor de leek gevaarlijke yoga-oefeningen. Dit zou voor velen tot mislukkingen en zelfs ongevallen kunnen leiden. Wat wij ech­ter wel doen is dit­:

  1. Wij ontspannen ons wederom en stellen ons in op harmonie, zoals dit in de vorige les is omschreven bij oefening 1. Dan trachten wij door een ge­regelde ademhaling ‑ waarbij de uitademing zo diep mogelijk is (de inade­ming interesseert ons niet) ‑ onszelf in een zeker ritme a.h.w. te laten wiegen. Wij denken hierbij aan dat deel van het lichaam, waar de primitie­ve mens een stuk staart als appendix droeg. Wij trachten daar bij de aan­zet van de staartwervel gloed te gevoelen. In de praktijk blijkt dat de­ze gloed zich iets hoger openbaart. Het is over hot algemeen een milde warmte, geen werkelijke gloed en ook geen vlammen die langs de ruggengraat opstijgen. Deze warmte zullen wij telkenmale weer trachten op te wekken.
    Regelmatig. Wij stellen hieraan geen bepaalde voorwaarde. Dit zou ver­keerd zijn. Het zou het ons onmogelijk maken deze kracht regelmatig op te wekken. Op de duur zal u blijken dat de warmte zich ‑ ook zonder con­centratie of voorstelling uwerzijds ‑ tot ongeveer lendenhoogte, verheft.
    Er ontstaat hier een plaats, waar u een zeer aangenaam warm gevoel krijgt; en deze bijna tintelende warmte schijnt door een deel van uw lichaam te gaan. Wanneer u dit hebt bereikt, behoeft u niet verder te gaan en is het voldoende deze oefening voortdurend te herhalen, laat ons zeggen eens per 2 à 3 dagen. Hierdoor komt voor de mens een grote hoeveelheid zenuwkracht beschikbaar. Deze zenuwkracht wordt o.a. gebruikt voor bepaalde organen en voor de hersenen. Wanneer wij deze oefeningen enige tijd hebben gedaan, zullen wij merken dat het denken gemakkelijker gaat.
    Ook blijkt dat de gedachtegang meer logisch is en bepaald meer harmonie in zich draagt met al hetgeen rond ons is. De mens, die minderwaardigheidsgevoelens heeft, zal deze ‑ zoals in de vorige lessen reeds werd gezegd ‑ moeten trachten te overwinnen; want deze kunnen een belemmering zijn. Wanneer u nu voelt dat deze kracht uw denken verscherpt, kunt u bepaalde geheugenoefeningen beginnen. De eenvoudigste daarvan is de associatie‑oefening.
    Neem een willekeurig beeld, voorval of voorwerp. Tracht u alles te herinneren wat daarmee vroeger in uw leven in verband stond. Wanneer u dit een paar maal hebt gedaan, zult u ontdekken dat de herinnering zich zeer ver uitstrekt en soms zelfs schijnt door te dringen in de korte periode, dat u leefde vóór de geboorte en mis­schien in het geestelijk leven dat daaraan vooraf ging. Houdt u met die herinneringen uit het verleden niet te veel bezig; dit is een oefening. Door deze oefening wordt een groot gedeelte van uw bewust­zijn ‑ en zeker van uw denkvermogen ‑ zozeer gestimuleerd, dat u niet alleen al uw herinneringen en kennis praktisch voortdurend als paraat moogt beschouwen, maar dat u tevens een steeds kleiner deel van uw eigen denken aan het onderbewustzijn overlaat.2. Bewuster leven houdt in, dat wij kunnen zorgen voor een voortdurend beter, zuiverder en harmonischer leven. Want als ik mijn eigen beweegredenen be­sef, kan ik daaruit en uit mijn kennis de conclusies trekken om zo te le­ven als voor mij noodzakelijk is. Als noodzakelijk wordt voor de mens in dit opzicht geacht:
  • Vrijheid van denken, dus ondogmatisch.
  • Besef van eigen persoonlijkheid, ook zoals deze stoffelijk op de omgeving is gebaseerd.
  • Het inzicht dat er contacten bestaan tussen u en andere mensen en het gebruikmaken daarvan. (Hierbij komt telepathische begaafdheid op de voorgrond.)
  • Het beheersen van de ademhaling (zoals reeds is geleerd) en het ge­bruiken van de kracht, scheppen tezamen voor ons de mogelijkheid in een toestand van verhoogde sensitiviteit a.h.w. sneller in de we­reld te reageren en sneller uit die wereld kennis te putten. De gemiddelde leessnelheid kan b.v. alleen al op deze wijze en zon­der verdere training, vervijf‑ tot verzesvoudigd worden. Mét trai­ning kan dit tempo nog aanmerkelijk worden verhoogd.
  1. Het feit dat wij de beschikking hebben over kracht (een zenuw‑ en le­venskracht), die alle organen kan stimuleren, maakt het ons mogelijk tekorten, waarvan wij ons bewust zijn, zeer snel en doelmatig aan te vullen. Wanneer wij ergens pijn bespeuren of wanneer wij ons onaangenaam of zwak gevoelen, dan is het voldoende deze kracht op die lichaamsdelen te rich­ten, zonder daarbij ook maar enige fout van te voren aan te duiden.
    Het resultaat zal zijn, dat wij door de verhoogde levenskracht in staat zullen zijn de pijnen te verdrijven, kwalen te overwinnen, onszelf ongevoe­lig te maken voor van buitenaf komende storingen, zowel als voor door anderen veroorzaakt lijden. Wij krijgen de algehele beheersing over onszelf.
  1. De kracht, die wij op deze wijze uit dit levensvuur putten, kan ook gebruikt worden om onze eigen uitstraling of aura aanmerkelijk te versterken. Deze versterking zal men zich niet in een bepaalde kleur of tint mogen voorstellen, want zij is slechts een versterking van de bestaande uitstraling, meer niet. Deze uitstraling krijgt hierdoor een semi‑fysiek effect en zou door meer geschoolden kunnen worden gebruikt o.m. voor het afwijzen van vuil, water, vuur en aarde. Zij zou eventueel zelf kunnen wor­den gebruikt tegen mensen, die niet met het ‘ik’ harmonisch zijn. Deze wor­den daardoor automatisch afgewezen.

Wat de tweede of donkere slang betreft, die ‑ zoals ik u reeds zei ‑ in ons leeft, zij is een symbool van eenheid. En ik denk hierbij zeker niet in de eerste plaats aan de seksuele contacten of seksuele eenheid, die er soms door kunnen worden uitgedrukt. Deze zwarte invloed is niet demo­nisch, ofschoon zij voor óns vaak demonisch schijnt, want wij zijn gericht op het lichte.
Onthoud echter dat licht ook in de mens niet zonder duister en duister niet zonder licht bestaat.
Uw ‘ik’ bestaat uit twee delen. Zij worden uitgedrukt in de twee slangen, die zich omhoog kronkelen in uw wezen. Beide zijn niets anders dan lichtschichten van de kosmos. Wanneer één daarvan ons donker toeschijnt, dan is dit omdat zij in haar oorsprong zozeer naar de oermaterie en de oergeest toe streeft, dat voor ons ‑ die in een vormenwereld leven en die de sterren willen zien uitzaaien over het Al ‑ dit ‘schijnbaar Niet’ onaan­vaardbaar is. De kracht, welke hierin schuilt, is echter een volledige oerkracht. Zij kan niet worden gebruikt om onszelf te versterken. Het vuur kan dit; dat is positief. Maar de wereld, die rond ons bestaat, zowel nu in de stof als later in de geest, is grotendeels oerkracht en oervorm, die slechts tijdelijk door ons voorstellingsvermogen, door onze persoonlijke gedachten en invloed worden gevormd of gewijzigd. Alles wat buiten ons ligt, is echter harmonisch met die duistere slang. Onthoudt u dat.
Wij kunnen de kracht hiervan gebruiken om tot harmonie met alle waarden te komen, die geen zuiver persoonlijke wil hebben op ons eigen vlak of niveau.
Voor het opwekken van deze duistere kracht gebruiken wij uit de aard der zaak enigszins andere methoden. Inspanning treedt in de plaats van ont­spanning. Lichaamsoefeningen, die vermoeien, hard werken en voortdurende en geforceerd‑snelle bezigheden in de buitenlucht, voor zover het lichaam dit kan verdragen, zijn hierbij zeer nuttig. Wij mogen ons hier niet ontspan­nen, wij moeten ons inspannen. Door de inspanning nl. vergeten wij alles behalve de stoffelijke contacten en resultaten. De mens zal de hieruit voort­vloeiende eenheid in zichzelf aanvoelen als een soort uitputting; er ont­staat een soort onverschilligheid. Het is deze onverschilligheid, waarvan wij uitgaan. Eerst wanneer wij deze noodzakelijke vermoeidheid voelen, kunnen wij ons richten op het contact met het ‘schijnbaar Niet’. Wij gaan op in de gedachtegang van een kosmos zonder vorm of wezen. Het AL is amorf.
Wij trachten te rusten. Er wordt een zekere prikkelende kilte in ons merk­baar. Deze kilte is eigenaardig genoeg zeer begrensd en vaak niet groter dan een gulden. Is eenheid voor u geestelijk een stimulans, die warmte geeft, die u innerlijk verhit, doet branden als een kaars a.h.w., zo is dit iets, wat u op een bepaalde plaats zo afkoelt, dat die plaats bijna dood schijnt te zijn. Zij ligt eigenaardig genoeg ook bij de ruggengraat en kan verschuiven; bij de beginneling ligt zij wederom bij aanzet van het staartbeen en bij de ver gevorderden tot ongeveer bij de aanzet van de nekwervel.
Het is niet aan te bevelen zonder goede leiding door te gaan, want dit is voor degeen, die niet ver gevorderd is in het beheersen van het levensvuur, zeer gevaarlijk.
Indien wij deze eenheid ervaren, ontstaat echter ook de passiviteit, die nodig is voor contact met geesten ( zoals ik ben, dus); met bepaalde goden (geesten, die voeren en leiding geven); bepaalde demonen (geesten, die alleen als geest leven, maar niet in uw wereld werkzaam zijn. Zij behoren tot een nevenwereld.) Al dezen zijn voor ons bruikbaar. Zij kunnen ons kennis verschaffen. Zij kunnen ons inleiden in een rijk, waarin wij nieuwe macht verwerven. Het is echter af te raden te veel te doen aan de zwarte slang zon­der eerst de eerste slang te beheersen, de slang van het levend vuur, het kundalini‑vuur dus. Probeer alleen de eerste en laagste impuls van koude te wekken; en ga eerst verder, wanneer ge de vlam kunt laten gaan langs de gehele ruggengraat. Dit betekent dat voor een groot gedeelte van hetgeen ik nu ga zeggen, u verder moet gaan dan in deze les werd aangeduid.
Ik zal u echter eerst duidelijk maken wat kan gebeuren, als u alleen dit punt van koude, dit idee van chaos, weet op te wekken.
U kunt daarin volledig deel worden van het totale bewustzijn rond u. Dit is nl. in wezen chaotisch, een afdruk van oerkracht, oermaterie, oergeest. Deze afdruk wordt in u gewekt. U bent zelf een gevormd principe. U hebt zelf een bepaald bewustzijn, een bepaalde inhoud. U weerkaatst deze in gedachten. Zo kunt u contact krijgen zowel met uw eigen mensheid (het bovenbewustzijn ofwel het bewustzijn van de wereld) als met het geestelijk bewustzijn van de meest verschillende werelden en sferen, ongeacht of deze op de uwe gelijken of niet. Tracht nooit deze als stem te vernemen. Laat ze in u groeien als gedachten. Een gedachte, op de juiste wijze ontvangen uit dit harmonisch begrip met de oerkracht, groeit als een plant. Eerst langzaam en ongezien, ontwikkelt zij zich steeds sneller, tot zij zich ontvouwt en ons een volledig en afgerond geheel toont. Er is nooit sprake van een onvolledigheid van raadgevingen of besef. Steeds is het geheel afgerond. U gelieve dit te onthouden!
Wij kunnen natuurlijk verdergaan. Als u in staat bent deze kracht voldoende te beheersen, dan zal het u mogelijk zijn b.v. als medium te fungeren. U bent dan niet slechts een onbeheerst medium, u bent een volkomen beheerst medium. U weet precies wat u doet, waar u begint en aan welke kracht u zich overgeeft. U weet precies wanneer u de verbinding kunt verbreken en moet verbreken en waar u vrijelijk een ander zijn taak kan laten volbrengen. U kunt in deze omstandigheden zien. U kunt zien door middel van andere krachten (dus mediamiek) maar op eigen wens; u kunt dit evenzeer doen door uzelf te projecteren in de ongevormde kosmos en daaruit de associaties uit de ogenblikkelijke toestand tot u te laten komen. U bent verder in staat door deze kracht ‑ indien zij goed wordt gebruikt en beheerst ‑ de elementen te beheersen. Het beheersen der elementen, mijn vrienden, is niet zo moeilijk als u denkt. Als wij weten wat vuur is, kan vuur ons niet deren. Indien ik vuur ben met het vuur, ga ik ongedeerd dóór het vuur. Want vlammen worden niet door vlammen verteerd. Indien ik water ben met het water, zal het mij niet verstikken of meeslepen. Een druppel water is te midden van de oneindigheid van druppels steeds zichzelve en kan, indien zij bewust is, haar eigen baan kiezen, zelfs tegen elke stroming en elk getij in. Met aarde is het precies hetzelfde. Een korrel aarde heeft een eigen leven. Dit eigen leven kan zij volledig behouden. Zij kan ‑ als zij er de tijd voor neemt ‑ bepalen, of zij op de bodem van de zee zal liggen of op de hoogste top van een berg zal blijven. Alles gaat uit van het oerwezen. Gij zijt niet aantastbaar door de aarde. De aarde kan u niet doden, indien u één bent met de aarde. Zij voedt u. Zij geeft u datgene, wat de zuurstof vervangt, die u nodig hebt. Zo kunt ge alle elementen beheersen, tot zelfs de lucht. En dit alles via de duistere of tweede slang, die ons in directe harmonie, brengt met de groot‑kosmische krachten, die geboren zijn uit oerkracht, oermaterie en eerste vorming of oergeest.
Wij gaan nu echter een schrede verder, want in onszelf sluimeren niet alleen deze krachten. Deze krachten, die vaak ongebruikt blijven, dat geef ik gaarne toe, vormen het hoofdbestanddeel van het menselijk leven. Zij zijn zeker tevens de volledige uitingsmogelijkheid van de geest.
In het menselijk lichaam, dat gevormd is, bevinden zich verder nog de volgende krachtbronnen: In de eerste plaats ontstaat uit het ‘ik’ de vorming van licht of bewustzijn. Al het bewustzijn, dat in u leeft, is harmonisch met al het gelijke bewustzijn. Zo kan bewustzijn gebruikt worden als een kracht, mits wij innerlijke harmonie kennen. Als wij in onszelf ‑ al is het voor nog zo’n kort ogenblik ‑ vredig en in harmonie zijn met de wereld, dan zal al wat in ons bewustzijn ligt in de wereld kunnen worden uitgestraald. In de vorige les heb ik geleerd dat al, wat door u wordt uitgestraald, tot u terugkeert. Maar wat terugkeert, is verrijkt met wat buiten u bestaat. Zo versterkt u al uw eigen vermogens en bewustzijn alleen al door in een toestand van harmonie uw bewustzijn in de wereld uit te zenden.

Dit doet men als volgt:

Ik heb een bepaalde gedachte. Desnoods een enkel woord. Terwijl ik rustig ben en mijzelf beheers, laat ik dit woord uitgaan in de we­reld. Het keert tot mij terug verrijkt met vele associaties, mijn harmonie is dan tijdelijk verstoord. Door alle associaties te verwerken wordt er een beeld voor mij opgebouwd, complexer, grootser en meer omvattend, dan ik het zelf zou kunnen scheppen. Een meditatievorm voor ver gevorderden is dan ook het uitzenden van het woord ‘God’ in eindeloze herhaling. God vindt overal Zijn echo en alleen door het op deze wijze uitzenden van het woord ‘God’ zal zelfs het menselijk bewustzijn de volledige schepping in zich kunnen bevatten.
Er zijn er maar weinigen, die dit kunnen. Maar ongetwijfeld bestaat er in uw leven, in uw eigen denken iets, wat voor u zeer belangrijk is. Het kan zijn liefde. Het kan zijn harmonie of verdraagzaamheid. Het kan zelfs een probleem zijn: is dit geoorloofd of niet? Zend uw gedachten uit in de we­reld. U krijgt dan niet een eenzijdig antwoord maar een uit het Al komende belichting, waarin alle voor u belangrijke aspecten van het probleem wor­den beschenen. Door het overzicht is het u mogelijk te handelen en bewust te reageren.
Naast het bewustzijn leeft in ons verder nog een kracht, die ik moeilijk kan aanduiden. Men noemt haar soms geest, soms verbinding met de geest, soms zilveren of gouden koord. Uit de levenskracht, die in de mens bestaat plus de kracht van de geest, die in die mens leeft, wordt nl. een verbinding geweven. Dit gebeurt volkomen natuurlijk en geschiedt kort na­dat het kind is ontstaan, U zult begrijpen, dat deze verbinding, die gehandhaafd blijft zolang het leven bestaat en de eigenschappen van geest en stof in zich draagt, praktisch onverbreekbaar is en zich kan wij­zigen in elke verlangde vorm.
In de magie worden deze krachten ook gebruikt om uit zichzelf bepaalde figuren voort te brengen. De z.g. toverleeuwen, waarvan men soms spreekt, als het over bepaalde goede kluizenaars gaat, de z.g. monsterlegers, waar­van zelfs in de Oepanishads voor een ogenblik sprake is, komen op deze wij­ze vaak uit de mens voort. Wanneer wij deze menging van menselijk zijn en geestelijk wezen met onze gedachte vullen, kan zij voor ons elke vorm aan­nemen. Deze vorm is onverwoestbaar, zolang het leven in de stof blijft ge­handhaafd. Het leven in de stof kan echter niet worden aangetast (en dat is zeer belangrijk) door de vorm, die men in het koord heeft gelegd, tenzij men deze vorm, bewust van het gevaar, blijft handhaven. De realisatie van ge­vaar neemt meestal deze vorm terug. Hieruit volgt dat wij hier dus iets hebben, wat wij als voertuig voor onze gedachten kunnen gebruiken en ze op deze wijze uitzenden. Wij kunnen hieruit een volledig reëel dubbel projecteren dat niet meer etherisch, is volledig menselijk. Alleen, dit vraagt oefening en rust.
Voor de leek, degene die op dit pad begint, is dit natuurlijk niet direct bruikbaar. Wat kan hij echter wel doen? Een mens wordt door bepaalde dromen belaagd. Mensen in uw omgeving voelen de dreiging van geesten, van demonen rond zich. Gij neemt uw eigen kracht en denken; gij bouwt nu in uw gedachten ‑ zo sterk als u kunt ‑ een wachter.
(De tempelwachters van Indië b.v. werden op deze wijze gebouwd.) Gij geeft deze wachter een opdracht nl. als gevaar van aantasting van uw leven be­staat, al het demonische, al het kwade af te weren. Dit geschiedt door een­voudig uw gedachten te projecteren, nadat deze scherp zijn gevormd waarbij gij uw stof en uw geest betrekt, zult gij uzelf kunnen beveiligen. U kunt meester worden tot zelfs over uw droomwereld. U zult althans voor een groot gedeelte ‑ met uitzondering van de lichtende krachten ‑ uw eigen milieu kunnen reinigen en zuiveren van elke geestelijke invloed. Ook dit is voor het meesterschap zeer belangrijk.
U ziet, er zijn zeer vele krachten in de mens en in het menselijk li­chaam. Het gebruik ervan eist voortdurende oefening. Het vraagt een voortdurend zoeken naar volmaaktheid.
Waar de meeste mensen zich wel bewust zijn van deze krachten, maar deze niet in het dag- of waakbewustzijn kun­nen overbrengen, is het voor ons zeer belangrijk dat wij allereerst toe­gang vinden tot het onderbewustzijn. Ik gaf u reeds een methode om dit onderbewustzijn langzaam maar zeker in het bewustzijn over te brengen. Zelfs wanneer dat niet mogelijk is, zal elke concentratie op een probleem, gevolgd door een absolute ontspanning, reeds uit het onderbewustzijn de gewenste impulsen wekken. Elke mens, die weet wat onderbewustzijn is en begrijpt dat elke impuls in zijn wezen ook in dit onderbewustzijn werkzaam is, kan ‑ zij het niet altijd en geheel volledig ‑ wel degelijk een gemid­delde beheersing van het onderbewustzijn tot stand brengen. Door u hierop te beroepen kunt u alle reeds genoemde eigenschappen en kwaliteiten ver­werven.
Nu stelt men in zeer vele landen, en m.i. niet ten onrechte:
De mens, die leeft en wil heersen, zal moeten leven in overeenstemming met de heerschappij, die hij nastreeft. Indien u de maatschappij wilt be­heersen, zult u u geheel aan die maatschappij moeten wijden en niets voor uzelf vragen. Dan zult ge dit meesterschap verwerven; dan zult ge die macht verkrijgen en uitoefenen. Als u beheersing over uzelf verlangt, zult ge in alle dingen en te allen tijde bewust moeten zijn. Hierdoor komt men tot een reeks van leefregels. Deze leefregels, terug­gebracht tot eenvoudige en voor het Westen aanvaardbare vormen, luiden als volgt:

Artikel 1. U zult beseffen dat man nimmer meer is dan vrouw en vrouw nimmer meer is dan man, doch dat beiden elkander voortdurend behoeven. Elke verwantschap moet gebaseerd zijn op de geeste­lijke inhoud. Eerst dan heeft een stoffelijke bevestiging werkelijk nut. Huwen wil zeggen: geestelijk één worden. Het ware huwelijk, de geestelijke éénwording, is voor elke bewuste het grote machtsmiddel, waardoor hij tot beheersing van zichzelf komt, een begrip van de wereld krijgt en zal doordringen in de gebieden der geheimen. (Of zoals u het misschien uitdrukt: het occulte.)

Artikel 2. In alle leven zult ge nimmer een ander beheersen. Indien het uw taak is een ander te leiden en tot een bepaald doel te voeren, dan zult ge dit doen in overeenstemming met zijn wezen en uw eigen wezen daarbij niet laten domineren. Alleen zo zult ge vrij blijven van anderen. Alleen zo zult ge uw innerlijke een­heid kunnen behouden, meester blijven over uzelf en ten goede kunnen werken voor uzelf en voor anderen. Daarom: heers nim­mer over slaaf, vriend of kind, op een wijze die in overeenstem­ming is met uw wezen, maar erken steeds het wezen, dat in hen schuil gaat.

Artikel 3. In de mens leeft een wereld van begeerte. Vele begeerten kunnen door begrip worden overwonnen. Andere begeerten echter niet. Begeerten, die door begrip niet kunnen worden overwonnen, kun­nen slechts door de praktijk worden overwonnen. Daarom, indien uw begeren onblusbaar is, blus dan uw begeren door u daaraan over te geven. Het is beter in dronkenschap te gaan, dan uit honger naar wijn niet te kunnen streven. Dit klinkt voor een westerling misschien dwaas. Daarom wil ik aan dit artikel meer commentaar verbinden. Het is zeer logisch dat wij een bepaalde honger in ons voelen. Deze honger kan soms zijn naar voedsel, soms naar vermaak of licht, soms naar wijn, soms naar eenzaamheid. Deze begeerten zijn heel vaak geboren uit ons eigen voorstellingsleven. Wanneer dit het geval is, dan kunnen wij zeker het gebruik van voornoemde technieken, deze voor een groot deel beheersen. Wij kunnen ze omvormen tot iets dat voor ons bruikbaar is. Maar het blijkt dat er in elke mens bepaalde begeerten zijn, die niet kunnen worden onderdrukt, die niet geheel kunnen worden verklaard of beredeneerd. Men neemt in het Oosten aan (en voor een groot deel onderschrijf ik dit) dat derge­lijke ervaringen, ongeacht het aangename of onaangename karakter ervan, noodzakelijk zijn voor de aanvullende ontwikke­ling van de geest, zodat deze in een voller bewustzijn de een­heid met de schepping kan vinden. Het is duidelijk dat, wanneer een dergelijke honger bestaat, wij haar niet volledig mogen onderdrukken. Integendeel, wij moeten trachten daaraan zo ver tegemoet te komen, dat deze honger overwonnen kàn wor­den. Heel vaak is daarvoor een enkel toegeven voldoende. Dit toegeven moet natuurlijk zo geschieden, dat ge daarbij de achting voor uzelf niet verliest. Besef dat wel! De mens, die zichzelf niet acht, heeft alle beheersing verloren. Voor hem is alle macht teloor gegaan, hij wordt de slaaf van de schepping in plaats van de heerser. Het Oosten bedoelt hier zeker niet mee: libertarisme. Het bedolt daarmee slechts dat daar, waar geen overwinning mogelijk is, de praktijk (dus de rechtstreekse aanval) de enige oplossing kan geven. Ik weet uit ervaring, dat dit meestal het geval is.

Artikel 4. Indien ge uzelf wilt beheersen en meester zijn over uzelf, zo zult ge nimmer mogen ontkennen. U mag soms wel ontzeggen of meermalen ontzeggen, maar nooit altijd. Hij, die volledig ont­zegt, erkent slaaf te zijn. Hij is niet meer de slaaf van het­geen hij vreest en daardoor ontkent, maar nu van zijn eigen vrees. Dit is een tweeledig slaaf zijn en daarom verwerpelijk. Meester­schap wordt bereikt door een bewust beheersen en een bewust kiezen.

Artikel 5. Alle harmonie van de kosmos vindt haar uitdrukking in alle werelden en sferen. Ik behoor tot één van die werelden of sferen volgens mijn eigen bewustzijn. Daarom kan ik deel zijn van de kosmos. Ik kàn dit echter slechts zijn, indien ik mijzelf zover beheers, dat ik mijn wereld nimmer zie als de voornaamste, de enige of iets wat ondergeschikt is. Mijn wereld mag voor mij te allen tijde slechts zijn: een enkel facet van het levende; een op zichzelf belangwekkend en noodzakelijk verschijnsel. Een droom waaruit ik zal ontwaken, een droom die ik nog eens zal beleven, indien dit noodzakelijk is. Als ik de waan van de huidige vorm niet zoek noch de noodzaak van de huidige vorm ontken, zal ik meester blijven over mijzelf en over mijn wereld en bewust harmonisch kunnen zijn met het totaal van de kosmos.

Onze weg naar beheersing van het ‘ik’ is altijd ook een weg van het experiment. Niet eenieder kan elk experiment volbrengen. Maar dit kan men eerst vaststellen, nadat men de poging heeft gewaagd. Het is voor eenieder, die streeft naar de beheersing van het ‘ik’, belangrijk dat hij ook experimenten doet, dat hij tracht zichzelf te kennen en zijn eenheid met micro‑kosmos en macro‑kosmos te ervaren. De eenheid met het zijnde, zelfs zonder zich in het bijzonder tot een deel van de schepping te wenden, innerlijk te ondergaan. Een drietal experimenten in die richting heb ik u een vorige maal voorgelegd. Nu verstout ik mij als goeroe u wederom enkele proeven voor te leggen.

Eerste experiment

Zet u neer, zo ontspannen mogelijk. Beschouw iets wat leeft, bij voor­keur een plant. Geen gesneden bloemen; deze leven niet, zij zijn stervende. Tracht die plant in u te laten doorwerken, tot zij alles rond u uitschakelt.
Zijn de ogen vermoeid, sluit ze. Laat uw gedachten in die plant ingaan. Tracht als deze plant te voelen warmte en koude, welbehagen en onbeha­gen, zonder werkelijk te zien. Tracht als die plant gevoelig te zijn voor elke gedachteuitstraling rond u, zonder ooit één gedachte te kunnen ontcijferen in woorden of begrippen. Tracht deze toestand enige tijd vol te houden. Wanneer u deze toestand eindelijk los moet laten (hij laat ú los, als u hem tracht vast te houden), dan wendt u zich tot deze plant. Stel u in op het grootste ervaren van welbehagen, dat u gedurende deze proef heb ondervonden. Zet dit in gedachte om op onverschillig welke wij­ze en richt dit sterk op de plant. Geef vervolgens de plant een weinig vocht en ‑ indien dit is toegestaan ‑ ook enig vocht op het blad.
Richt uw aandacht er weer op. (Laat dus weer dezelfde gedachten uitstro­men.) Rust. Na enkele uren (desnoods een dag, maar niet langer dan 72 uren na dit eerste deel van de proef) zult u als volgt handelen: U gaat nu bewust naar de plant toe. U beschouwt haar wederom, maar tracht nu niet één met haar te zijn, maar de uitstraling van de plant op te vangen.
Wanneer u enkele malen op deze wijze vocht hebt gegeven, gedachten hebt uitgestraald en eenheid hebt gevoeld, dan zult u ontdekken, dat de plant u antwoord geeft. Het is alsof de plant ‑ zelfs misschien door een enkele langzame bladbeweging ‑ op u reageert.
Deze reactie maakt u duidelijk dat u een zekere eenheid met de plantenwe­reld hebt bereikt. Hebt u dit met één plant verkregen, dan zal u blijken dat u met vele andere planten precies hetzelfde kunt doen. U dringt door in de wereld van het plantaardige en kunt via het plantaardige op de duur leren de taal van de elementalen te verstaan, die voor mensen onzicht­baar zijn.
Belangrijk is bij dit experiment: doe het, wanneer u tijd heb. Doe het, wan­neer u zich fris gevoelt, dus niet na een avond van studie. Doe bij voor­keur een dergelijke proef kort nadat u in de buitenlucht bent geweest en niet in een oververhitte kamer. Zorg voor een gematigde temperatuur.
Verder: Wanneer u de proef hebt beëindigd, was dan even de handen en de slapen. Dat heeft bepaalde voordelen, waardoor u gemakkelijker het contact zult blijven behouden, wanneer het noodzakelijk is en gelijktijdig niet te zeer zult worden beïnvloed door het plantenleven rond u.

Tweede experiment:

Wanneer u met de plant één bent geweest, tracht u dan te richten op iets dat leeft. Voor dat levende kunt u nemen een vogel, als u tenminste een vogel ziet, die u regelmatig kunt beschouwen. De beschouwingsperiode voor de vogel moet onafgebroken 7 tot 10 minuten zijn. De vogel mag zich wel bewegen. Probeer u voor te stellen, hoe die vogel zich op dat ogenblik voelt. (of wanneer u dat liever doet, een hond, een kat, een paard, een koe, een schaap.)
Wanneer u meent voldoende eenheid van gevoelens te krijgen, tracht dan de­ze vogel u voor te stellen in de vlucht; de kat of hond in lopen of spelen. In het begin krijgt u daarop geen reactie. Maar als u dit enkele malen hebt herhaald, zult u tot uw verbazing ontdekken, dat uw gedachte aan vliegen de vogel doet vliegen; uw gedachte aan lopen uw hond, kat, paard etc. doet gaan, doet bewegen. U krijgt dus een zekere beheersing over het dierlijk le­ven. Maar u zult dan ook leren uw eigen bewustzijn zozeer aan het dier te koppelen, dat u mèt het dier a.h.w. bepaalde bewegingen kunt meemaken.
Tracht echter niet door de ogen van een dier te zien. Er is een te groot verschil tussen het beeld van het dierenoog en uw eigen oog. Het direct ontvangen van visuele prikkels van het dier zou een zeer grote vervorming van uw wereld betekenen en daardoor waarschijnlijk het verbreken van de een­heid. Tracht van een dier eerder de gevoelens, de emoties te ondergaan.
Hieruit volgt een zekere eenheid met het dierlijk leven. Het experiment, meermalen herhaald, stelt u in staat elk vreemd dier vredig jegens u te stemmen, ook het wilde dier. Ge zult het dier, dat ge zo kent, niet vrezen; gij zult weten, dat gij zo nodig de meester ervan kunt zijn. Maar ge zult gelijktijdig beseffen dat ge door gedeelde ervaring eerder vrienden behoort te zijn.
Deze methode, welke langs verschillende wegen van meditatie en contemplatie soms wordt bereikt, heeft voor zeer vele z.g. heilige mannen het leven met ongelijksoortige dieren mogelijk gemaakt. U leest daarover in uw eigen Bijbel van mensen, die leven met raven, met leeuwen in de woestijn enz. Het beheersen van slangen, zoals in het Oosten geschiedt, gebeurt op dezelfde wijze. Te leren leven met het dierlijke in de natuur is een zeer belangrijk iets.

Derde experiment:

Stel u in op een beeld of een foto van een mens. Kies daarvoor bij voorkeur een levend mens, die u niet bekend is. Een grof beeld of een grove foto is voldoende, mits het bepaalde kentekenen van die mens weer­geeft. Stel u daarop in met volledige concentratie. Sluit alles buiten.
Tracht niet over de persoon te denken, maar ontleed a.h.w. diens vormen en diens gelaat. Het ontleden van een gelaat is goed, maar beter is het, als het beeld volledig is. (Volle lengte.)
Wanneer u dit hebt gedaan en dus meent precies te weten hoe die figuur of persoon er uit ziet, moet ge trachten de ogen te sluiten en u deze per­soon voor te stellen. Het zal u blijken, dat hij of zij in vele gevallen in uw voorstelling handelend optreedt, vaak ook tot u of anderen spreekt, die ge niet kunt zien. Door dit meermalen te herhalen, bij voorkeur met verschillende beelden of foto’s (dus niet steeds van dezelfde persoon om niet in zijn levensvrijheid in te dringen), zullen wij leren ons door een korte concentratie in het leven van anderen in te schakelen.
Het eerste, dat wij daaruit gewinnen, zijn emoties. Daarna kunnen wij er ech­ter een gevoel voor hun denken uit verkrijgen en in beperkte mate het ge­sproken woord, hoewel wij nooit in staat zullen zijn precies de uiting en de gedachten van elkaar te scheiden. Het is ons hierdoor mogelijk mensen, die wij ontmoeten, aan te voelen en te begrijpen en onze gedachten in hen te leggen, ook als onze talen verschillen.

Deze drie experimenten vragen elk voor zich een lange tijd van oefe­ning. Zij worden u dan ook niet gegeven, opdat ge deze in de korte tijd van één of enkele maanden geheel zult beheersen, maar om u ‑ in verband met deze cursus en haar inhoud ‑ in staat te stellen door bepaalde experimenten verder meester te worden over uzelf. En door het meesterschap over uzelf en de kracht in uzelf langzaam maar zeker een bewust handelend en reagerend deel van het Al te worden.
Deze experimenten en oefeningen kunt u jarenlang herhalen. Zij zullen u langzaam maar zeker steeds beter gelukken. Zij zullen u steeds intenser deel maken van het AL en u in staat stellen uw taak daarin op de meest juiste wijze te vervullen.

Terugblik in het ‘ik’.

Elke mens, die op de aarde wordt geboren, zal vóór deze incarnatie vele andere bestaansvormen hebben gekend. Het is ook zeer wel mogelijk dat hij reeds in vroegere tijden een menselijk lichaam heeft gehad en dus als mens op aarde leefde.
Velen op aarde willen graag terugzien in het verleden. Zij zouden graag willen weten, of zij het misschien waren, die handel dreven in Ba­bylon, dansten voor de goden in Egypte, filosofeerden met de wijsgeren in Griekenland of zelfs in de Stoa met filosofen een gelijkwaardig gesprek konden voeren.
Dit zoeken in het verleden is eigenlijk een uitdrukking van ontevre­denheid met het heden en in vele gevallen een minderwaardigheidsbesef.
Want waarom zou de mens naar het verleden terug willen zien? Indien wij in het ‘ik’ naar het verleden terugzien, zullen wij daar zeker geen incar­naties en geen opeenstapeling van historische en andere feiten vinden.
Integendeel. Wat wij wel in het ‘ik’ vinden, is een reeks complexe waar­den, die het verloop van ons leven a.h.w. voor ons uitstippelen. Wij vinden daar de geestelijke tekortkomingen. De fouten, waardoor wij op bepaalde stoffelijke gebeurtenissen en verschijnselen te veel nadruk leg­gen. Wij vinden daarin ook ongetwijfeld bereikingen als een begrip, dat het ons mogelijk maakt de kleuren in de lucht te zien en te genieten van de natuur zelf, of ons in muziek uit te leven, misschien zelfs te schil­deren en te scheppen. Wij vinden in onszelf de mogelijkheid tot beschouwing, de mogelijkheid door te dringen in begrip van onszelf en onszelf te ver­staan.
Deze dingen zijn dan ook niet het gevolg van één leven. Zij zijn wel degelijk uit het verleden meegekomen. Want elke gang, die een mensenziel gaat, is er één van ontwikkeling. De geest, het bewustzijn‑dragende van de persoonlijkheid, ontplooit zich meer en meer; en elke fase in de stof en in de geest zal die geest iets leren. Zij beseft meer en meer wat haar eigenlijke plaats in de schepping is. Op het ogenblik dat een ziel dan ook op aarde wordt geboren, zal zij met zich brengen het totale geestelijke bewustzijn, dat uit haar verleden is ontstaan. Zij zal elke behoefte vervullen, die uit dit verleden in haar werd geboren. Zij brengt met zich alle gaven en mogelijkheden, die het verleden haar reeds schonk en zal deze in het huidig leven kunnen gebruiken. De terugblik naar het verleden in het ‘ik’ betekent niets anders dan de erkenning van dat, wat je bent. Daar hebben Rome, Babylon of oudere steden niets mee van doen. Het is alleen de reeks van eigenschappen, die ge nu bezit. Daarmee ben je uit de geestelijke sferen gekomen; met een bepaald doel voor ogen, met een zekere honger, een zekere behoefte in u. Zo hebt ge dit leven gekozen om daarin rijker te worden, vooral van geest.
Wanneer wij dus willen spreken van terugblik in het ‘ik’, dan is dit geen zien in tijd maar een zoeken naar onze ware persoonlijkheid. De terugblik is niets anders dan het constateren: Zo ver zijn wij gegroeid. Dit leeft nu in ons. Dit zijn onze mogelijkheden. Zo staan wij tegenover wereld en medemensen. En heel vaak zal, wanneer ge doordringt in het ‘ik’, het verleden zich aan u kenbaar maken in dromen. Beelden van een volmaaktheid, die nog niet is verwerkelijkt. Uw eigen voorstelling van een hemel, van een perfecte wereld. En deze zijn geboren uit uw vroeger leven. Deze zijn uit vroegere fasen van bestaan langzaam maar zeker gerijpt om nu als openbarstende zaadknoppen aan uw eigen leven een bepaalde bedoeling te geven en u te leren uw daden te richten.
Wanneer ge dan verder wilt teruggaan in dat ‘ik’, dan vindt ge ergens een geheimzinnige kern, een kracht die ge niet kunt omschrijven en een toestand van onbewustzijn. En dan spreekt ge over de hogere sferen. Maar is het niet tevens het verleden? Want toen het eerste woord werd gesproken en het eerste licht uitging in de kosmos, toen was je één met die grote Kracht. En u bent uitgegaan in het duister. Ge hebt gespeeld met het licht, ge hebt gezocht naar een bewustzijn. En ten slotte hebt ge vermoeid tot uzelf gezegd: Zie, ik ben.
Zo bent u verder gegaan. En nu keert ge terug. Alles wat vàn God af tot dit stoffelijk doel heeft gevoerd, alles wat uit het menselijk doel voortvloeit en ons weer brengt tot het Goddelijke, is gelijk.
Onze terugblik in het verleden is tevens een vooruitzien in de toekomst. Deze dingen zijn één. Dat wat ik was, zal ik zijn. Dat wat ik geweest ben, word ik. Dit geldt altijd weer. Natuurlijk verandert er veel in ons. Wat wij eens waren, onbewust of ongewild, zullen wij nu doelbewust zoeken en vol-bewust ervaren en ondergaan. Maar het was in het verleden en het zal zijn in de toekomst.
Daarom zou ik hen, die willen terugblikken in het ‘ik’, de raad willen geven: zoek niet te veel naar wat u bent geweest. Misschien dat dit alles u een enkele maal een verklaring kan zijn voor wat ge nu doormaakt: het hoe en waarom. Maar dat gebeurt zelden. Dat, wat ge doormaakt, het hoe en het waarom van het heden, zult ge echter altijd kunnen verklaren uit uw eigen wezen.
Zoek niet naar de verleden tijd, zoek naar uw persoonlijke werkelijkheid. Laat uw terugblik in het ‘ik’ worden tot een inzicht in het eigen ‘ik’. Dit omvat verleden en toekomst tegelijk. Dit maakt u bewuster, sterker en doet u sneller teruggaan tot die toestand uit het verleden, die elk voor zich begeert: de eenheid met God in de voleinding der dagen.

Geestelijke overheersing bij incarnatie.

Wanneer wij in de geest leven, is het niet zeker dat wij altijd zul­len vertoeven in een sfeer, die onmiddellijk aan de stoffelijke grenst. Het is eigenlijk zeer gelukkig dat wij dus hogere geestelijke mogelijkheden hebben. Want daardoor kunnen wij geestelijk vaak onnoemelijk veel leren en worden van de treurige taak ontheven dit alles b.v. in een stofwereld te ondergaan.
Nu zullen wij echter ontdekken dat ‑ wanneer wij gaan incarneren ‑ wij daartoe toch alle nodige voertuigen moeten opbouwen; dus ook de voer­tuigen, die behoren tot een sfeer, die onmiddellijk aan de aarde grenst. Een geest, die dit doet, zal van zijn eigen bewustzijnssfeer (de sfeer, waarin hij dus thuis hoort) een voertuig voor een lagere sfeer bouwen en daarin kort vertoeven, tot hij voldoende energie heeft gevormd om weer naar een lagere sfeer te gaan. Op deze wijze omhult hij zich met steeds meer voertuigen, totdat het astraal voertuig geheel is opgebouwd en men met dit astraal vermogen een stoffelijk lichaam in wording kan aanvaarden. Het is dus duidelijk dat het hoogste bewustzijn, dat wij op het ogenblik bezitten, dat wij een voertuig moeten kiezen, daarbij de hoofdrol speelt. Want vergeet niet: in ons zijn mogelijkerwijze nog vele sferen geborgen. Maar de wereld, waarin wij leven ‑ of dit nu een wereld is van licht of duister ‑ zal altijd overheersen. Het bewustzijn, dat wij daarin hebben ver­worven, bepaalt onze keus. Ik wil hiervan een voorbeeld geven. En ik doe dit in een vergelijking.

Wij hebben twee personen, A en B. A vertoeft in een wereld van louter licht en wel licht in de meest verschillende kleuren. B vertoeft daarentegen in een vormwereld als b.v. Zomerland. Wanneer A incarneert, zal hij zich allereerst een voertuig moeten schep­pen, waardoor een lagere trilling kan worden ervaren (ten opzichte van licht ongeveer klank). Daarna zal hij verdergaan en afdalen tot wat wij noemen de hoogste sfeer van Zomerland, waarbij dus een persoonlijk bestaan wordt gevoerd, maar gedachten hoofdzaak zijn en vormuitdrukking weinig of niet bestaat. Is hij hier tot rust gekomen, dan kiest hij zich vanzelf de lagere voertuigen en daalt af tot de stof. Maar het doel, de richting waarin hij gaat, wordt bepaald door deze kleursfeer. Deze domineert. En nu ziet hij hierin de noodzaak om b.v. ‑ het is maar een vergelijking ‑ een kleur violet te leren ondergaan. Want dit violet ontsnapt hem steeds. Die taal spreekt in zijn wereld nog niet. Dit ontbreekt aan zijn geluk en daarom keert hij tot de stofwereld terug.
Nu kan dit violet b.v. worden uitgedrukt in lijden. Voor de incarnerende geest ‑ ongeacht de voertuigen, die hij rond zich heeft verzameld ‑ is er echter van lijden geen sprake, doch slechts van een tekort in eigen wereld. Zo stelt hij: Al wat op aarde het begrip violet uitdrukt, wil ik beleven. Dat is duidelijk.
Hij kiest nu een voertuig, wat volgens de mensen ongelukkig is. Laat ons stellen dat dit voertuig b.v. zwaar erfelijk belast is en daardoor mis­schien misvormd is. Of dat het op enigerlei wijze door milieu enz. een leven wacht van louter armoede, ellende en ziekte. Voor een mens lijkt dan een dergelijke keuze dwaas, maar voor deze geest is het één grote rijkdom. Want alle ervaringen van lijden, van onvervuld blijven, van ongeluk, die hierin zijn begrepen, vormen een begrip voor de kleur violet. Het is een taal, die hij erbij leert. En zo kiest hij heel nuchter een leven, dat elke mens zou verwerpen.
Bij B staat de zaak enigszins anders. Hij leeft in een vormenwereld. In die vormenwereld droomt hij van grootse tuinen, van spiegelende vijvers en verre bergen. Hij droomt van witte huizen, grootse villa’s, schoon beeldhouwwerk, zingende en dansende mensen. En ook deze gaat zich een voertuig kiezen om te incarneren. Voor hem is de behoefte alleen hiervan méér te ervaren. Hij is nog niet verder gekomen. Hij heeft nog niet begre­pen dat lering ‑ door deze waarden verkregen ‑ voor hem het enige is.
Zo zal hij b.v. trachten te incarneren waar een gezond lichaam kan worden verwacht, in een familie die b.v. aan de Rivièra een grote villa bezit; in een buurt waarin feesten zijn. Zo wordt het kind daar geboren en leeft nu inderdaad met lachen, dansen en zingen in rijkdom.

De mensen zeggen: Wat is deze mens gelukkig. Maar wat is nu het eindresultaat?
A heeft inderdaad a.h.w. een nieuwe taal geleerd. Zijn wereld is uitge­breid en nu hij het totale scala van licht in kleuren kan beleven en beheer­sen, vloeien deze samen en treedt hij binnen in de wereld van het Witte Licht.
De andere echter heeft slechts op aarde datgene gezocht, wat hij in de sfe­ren reeds bezat. Wanneer hij terugkeert, is zijn wereld leeg. Hij vindt daar niets nieuws en er treedt al heel snel verveling op. Zo zal B dàn moeten kiezen om te leren. Waaruit voortvloeit dat hij waarschijnlijk een volgende maal zal trachten op aarde kennis te verwerven, ofwel onmiddellijk opnieuw te incarneren en opnieuw, volgens menselijk inzicht, buitengewoon prettig te leven maar wederom geen schrede voorwaarts te doen.
A is hier wel degelijk degene, die de beste keuze heeft gedaan. Toch zou het onverstandig zijn om B een verwijt te maken van verkeer­de keus. Want B had blijkbaar geen voldoende geestelijk bewustzijn om de lering, die ook in Zomerland wordt gegeven, volledig te verwerken.
Hij bleef hangen aan het uiterlijke. Zijn sfeer was er nog één van uiterlijk­heden. En door deze gedomineerd deed hij met zijn incarnatie op aarde eigen­lijk een verkeerde keus. Want hij had geen problemen, kon niet wijzer worden en ging dus onder.
Het kan nu echter voorkomen dat B wordt geholpen, wat bij A niet zo snel het geval zal zijn. Nu wordt B geholpen door iemand, die weet dat hij lijden nodig heeft, of dat hij moet leren (b.v. léren te werken of léren te denken). En nu zal deze hem dus helpen en zeggen: “Zie, daar in die villa moet je zijn. Zie, dat beantwoordt volkomen aan wat jij je droomt.”
Maar wanneer die ziel is geïncarneerd en het kind is opgegroeid ‑‑ misschien 12 of 14 jaar is ‑ dan blijkt plotseling dat de vader failliet gaat. De villa is weg, de hardheid van het leven begint. Zo léért het kind dan en kan dus een volgende maal het onderricht in de vormhoudende sferen aan­vaarden en misschien vandaar naar een minder vormkennende sfeer overgaan, of in elk geval bij een hernieuwde incarnatie meer bewust kiezen.
Uit dit vergelijkend voorbeeld kunnen wij lering trekken. En wel in de eerste plaats dat bij elke incarnatie op aarde het stoffelijke lot en het stoffelijk voertuig gekozen wordt in overeenstemming met de wensen en inzichten van het hoogst bewus­te geestelijke voertuig. Dit is de kern van het ‘ik’. Alle bereikingen, geestelijk en stoffelijk, worden door deze kern voorgeschreven, zelfs wanneer de mens zich tijdens zijn stoffelijk bestaan niet van die kern bewust is.
In de tweede plaats kunnen wij uit het voorbeeld van B de conclusie trekken dat, wanneer een geest zelf niet bewust is, hij door een hoger‑bewuste kan worden geholpen. Daarbij blijkt echter dat zijn keuze altijd tijdens de incarnatie in overeenstemming moet zijn met zijn eigen voorstelling of wens.
Hij zal daarbij echter ‑ dank zij het groter inzicht, dat de helper heeft ‑ zo worden geleid, dat niet aan zijn verwachtingen wordt voldaan.
De derde conclusie: Lijden, ongeluk, allerhande onaangenaamheden in de wereld, kunnen zeer waardevol zijn. Maar het is niet hoofdzakelijk alleen dit, wat waarde heeft. Want indien A de behoefte zou hebben ge­had om b.v. het rode goud van een volmaakte liefde te beleven, dan zou hij zeer waarschijnlijk rijker zijn geïncarneerd en met zijn rijkdom onnoeme­lijk veel goed hebben gedaan.
Het hoogste voertuig bepaalt; maar wij zijn niet gebonden aan een bepaalde rang of stand in het leven. Het gaat de geest steeds om de er­varing, die hij kan opdoen, de verwerkelijking van zijn eigen gedachten.
Naast deze conclusies zou ik nog het volgende willen citeren:
De dode, die weerkeert en zijn leven verwisselt voor de dood van de stof, kiest zijn lot altijd zelf. Omdat hij volgens zijn bewustzijn kiest, zal zijn begrip van het leven bepalen in hoeverre hij het gewenste tijdens het stoffelijk leven inderdaad zal verwerkelijken. De gebondenheid, die de geest ertoe brengt het stoffelijk leven een ‘dood’ te noemen of een ‘ge­vangenis’, maakt het hem onmogelijk tijdens het stoffelijk leven van de weg, die hij heeft gekozen, af te wijken. Hij kan wel innerlijk veel veran­deren, maar hij zal nooit zijn gehele levenslot of doel kunnen wijzigen.
Uit dit citaat volgt dan weer dat wij dus verkeerde keuzen kunnen doen en heel vaak worden geleid door oppervlakkige beschouwingen, waardoor het essentiële van het stoffelijk bestaan in een bepaald milieu of met bepaalde mogelijkheden ons ontgaat.
In plaats van hierover te treuren, zullen wij er ons echter ook over mogen verheugen. Want al datgene, wat niet in overeenstemming is met ons begeren, maar ons ertoe brengt onze begeerten juister en meer passend voor ons wezen te bepalen, brengt ons tot een hoger geestelijk inzicht, de mogelijkheid verder in geestelijke sferen door te dringen en een hoger voer­tuig bewust te maken. Hieruit volgt weer dat ‑  indien wij moeten incarne­ren ‑ wij meer overlegd, met meer inzicht en dus juister het voertuig, de omstandigheden en de tijd zullen kiezen, die ons zo snel mogelijk naar de vervolmaking van ons eigen wezen zullen voeren.
Ten laatste: U zult allen uit het voorgaande hebben beseft dat geen mens op aarde volkomen in staat is de redenen van zijn eigen incarna­tie na te gaan. Want in het menselijk bewustzijn dringt het hoogste geeste­lijke voertuig ten hoogste door als een emotie, maar nimmer als een gevorm­de gedachte. Er is een te groot verschil in uitdrukking en beleving tussen het hoogst bewuste geestelijke voertuig en de stofvorm, waarin de mens op aarde leeft.
Elke mens kan echter weten, of hij goed leeft. Je leeft goed, als je naast de innerlijke onrust en honger, die nu eenmaal alle mensen eigen is, zo nu en dan de bevrediging voelt goed te doen, een taak goed te volbren­gen. Kort gezegd: Innerlijk geluk en innerlijke rijkdom, vaak mede stoffelijk tot uitdrukking gekomen, zijn voor ons voortdurend aanwijzingen, dat wij het innerlijke pad juist volgen en volgens het hoogst geestelijke voertuig (het hoogst geestelijke bewustzijn in ons) leven, handelen en werken. Dit gevoel is in staat zeer vele onaangename gebeurtenissen in de stof voor ons on­belangrijk te doen zijn en vele kleine gebeurtenissen, die voor anderen slechts onbetekenende meevallers zijn, voor ons te maken tot een bron van werkelijk stralend geluk, stralende levenskracht en in zich steeds grotere warmte.

Innerlijke symbolen

Het is bekend dat wij in de droombeleving een bepaalde reeks symbolen regelmatig zien terugkeren. Wanneer wij ons wenden tot de psychiaters, de onderzoekers van de verborgen mens zoals b.v. Freud, dan krijgen deze symbolen alle een vaste betekenis. Persoonlijk meen ik dat dit niet geheel juist is. Toch blijkt er een soort innerlijke geheime taal te bestaan, die zich b.v. uit in de droomwereld maar ook in de voorkeur voor bepaalde voorwerpen of bepaalde kleuren. Een reeks innerlijke symbolen, die het de mens mogelijk maakt zichzelf beter te leren kennen; een soort stenografie van de ziel, waardoor ‑ zelfs binnen de beperkingen van de stof ‑ de kosmische waarden, die in hem leven, kunnen worden uitgedrukt.
De symbolen kunnen allereerst worden onderscheiden in mannelijke en vrouwelijke symbolen. Zeer zeker zijn deze niet afhankelijk van de sekse van de dromer of de denker. Maar er bestaan nu eenmaal twee functies in elke mens, nl. die van de strijdende of gevende, en die van de ontvangende of barende. De vrouwelijke factor blijkt buitengewoon belangrijk in symbolen, die met onze behoefte tot scheppen samenhangen. Wanneer wij menen dat wij in de wereld weinig betekenen, zullen wij regelmatig het vrouwelijk symbool gebruiken, dat meestal een cirkelvorm heeft of althans een holte vertoont, waardoor het zich aanpast bij de menselijke voorstelling van de meest belangrijke vrouwelijke functie. Hiermee trachten wij dus voor onszelf duidelijk te maken dat wij de behoefte hebben tot scheppen; wij deugen niet in onze wereld; er is meer in ons, dan wij aan die wereld mogen openbaren. Opvallend is verder dat de normale mens deze symbolen kan onderscheiden bij eenvoudige voorwerpen. Wij zien b.v. huisraad, en dan heel vaak potten, pannen, kannetjes, bloempotten, vazen etc. Deze drukken een behoefte uit, die eigenlijk op stoffelijk niveau ligt. Dit behoeft niet een seksueel niveau te zijn, maar het ligt in elk geval in uw eigen wereld. Een ontevredenheid b.v. in eigen bestaan.
Daarnaast kennen wij een tweede reeks. Deze toont zich in gestalten. De gestalten kunnen lichtend zijn of donker, maar zij hebben één kenteken: zij zijn ofwel zeer vaag van vorm en hebben dan een sprekend gelaat; of hun vorm is zeer duidelijk, maar het gelaat is a.h.w. gesluierd. Hierdoor drukt de dromer of denker in het symbool de behoefte uit dat, wat in hem leeft, te baren. Hij draagt in zich een werkelijkheid, waarvan hij slechts een deel beseft; maar hij voelt dat er meer in hem leeft. Dit moet hij uiten. Hij moet a.h.w. een muur van onbegrip doorbreken, opdat hij op een nieuwe en vrijere wijze in het leven kan staan.
De derde reeks symbolen is misschien wel de meest vreemde, omdat wij hier niet te maken hebben met één klasse van figuren maar met verscheidene, die echter tot één reeks van begrippen behoren. Voorbeelden hiervan zijn klaarblijkelijk: Jezus; b.v. een kruis. Een heilig symbool; dat kan zelfs een Egyptisch kruis zijn of een Boeddhabeeld. Dan kennen wij licht in verschillende kleuren, heel vaak uitgedrukt als een bundeling, soms ook als een deken van wit of gouden licht, die zich uitspreidt over hetgeen wij kort tevoren in onze omgeving dachten te zien. Hier erkennen wij, dat in ons een grote kracht aanwezig is. Wij voelen dat wij deze kracht ook in het huidige leven kunnen openbaren. Wij weten echter niet hoe. Ons zoeken naar de weg wordt in deze symbolen uitgedrukt. Wij zoeken nog een openbaring, een ingrijpen van hogere kracht.
De vierde en laatste symbolenreeks heeft feitelijk zoveel mogelijkheden, dat ik ze niet alle kan omschrijven. Maar er is één kenteken: Er is altijd een element, dat zich uitstort. Hieronder vallen: beken, een zee, bomen die in de wind waaien, een graanveld dat deint. Er kan ook in voorkomen licht, dat neerstraalt op de wereld of op een persoon. Er kan in voorkomen een soort projectie van opeenvolgende figuren, die echter steeds edeler en schoner worden. Hier symboliseren wij voor onszelf de behoefte om de kracht, die in ons leeft en die wij reeds gebruiken, te ontdoen van de hinderpalen, die zij nu ondervindt. U zou zeggen: in dit laatste geval symboliseert de mens voor zichzelf dus zijn innerlijk wezen, dat uit de huidige mens in volle vrijheid en volle kracht moet ontstaan.
Het mannelijk element heeft natuurlijk ook zijn eigen reeksen. Ook deze komen bij beide seksen voor en ‑ indien wij de seksuele symboliek even uitschakelen ‑ bij beide seksen precies evenveel. Want er is in dit opzicht geen werkelijk verschil tussen man en vrouw. Zij delen dezelfde symbolenreeksen, ook wanneer hun keuze daarvan misschien wel door hun eigen geslacht en leven zal worden beïnvloed.
Eerste reeks: pilaren, bezems, stokken, sabels, zwaarden, kanonnen, geweren, pijpen, schoorstenen, kerktorens hebben alle een enigszins phallische inslag. Zij tonen dat wij aanvoelen in het stoffelijk leven op de een of andere wijze ontevreden te zijn. Wij voelen innerlijk aan dat wij meer zouden moeten doormaken, dan wij eigenlijk doen. Het is een soort zelfverwijt op symbolische wijze uitgedrukt. Ik ben in de wereld niet agressief genoeg; ik zoek niet genoeg het beleven; ik vlucht te veel voor datgene, wat het leven mij als mogelijkheid biedt.
Het is duidelijk, dat hierdoor de geest (dus het innerlijk wezen) aan de mens kan tonen, dat hij tekort schiet. Veelal worden die dingen weggere­deneerd. Maar toch is het een zeer typisch verschijnsel, dat dus de uit­drukking is van een tekort en wel speciaal van een tekort in eigen daad­kracht.
De tweede groep symbolen, die wij hier vinden, is ‑ ik mag haast zeggen ‑ beweeglijker. Voorbeelden: wij zien dieren, maar vaak agressief. Een jagende hond; een steigerend paard; een krijgsman met wapens; een ster die ver­schiet en zich dus snel beweegt en meestal naar ons toe.
Deze reeks symbolen geeft aan dat wijzelf bepaalde krachten, die in ons leven, intensiever willen gebruiken. Wij zijn dan meestal ‑ soms uit stoffelijk belang, soms ook uit angst ‑ niet in staat onze vermogens en krachten precies zó te gebruiken, als wij voelen dat noodzakelijk is. Dit geldt vooral, wanneer wij bepaalde geestelijke gaven hebben, die wij misbruiken of niet durven gebruiken. Wij geven voor onszelf aan, dat wij onze geestelijke mogelijkheden niet benutten en daardoor een tekort aan geestelijke ervaringen opdoen.
De derde reeks bestaat ook uit licht. Hier vinden wij veelal lichtende zui­len maar ook lichtende raderen. In enkele gevallen ook dansende licht­vlekken. Deze lichtende zuilen kunnen worden onderscheiden in vaste en bewegende, terwijl de raderen zich soms voordoen als zonnen, soms als wie­len met spaken en heel vaak de oude figuren, die Indië b.v. kent (de oude runen, als gedeeld zonnerad, de swastika met naar links omgebogen haken, de soe‑swastika met naar rechts omgebogen haken, enz.) dus navolgen.
Hiervan kan worden gezegd dat in ons de mogelijkheid bestaat tot contact met of tot het ontvangen vàn geestelijke krachten en deze door te geven.
Wij zijn wederom geremd, wij uiten ons niet sterk genoeg. Wij zouden in de wereld meer van onszelf moeten geven. Wij weten dat we het bezitten, maar er ligt ergens een rem.
In dergelijke gevallen zou het droomsymbool dus de aanleiding kunnen zijn tot het gebruikmaken van bepaalde experimenten, het doen van oefeningen, het zoeken naar een nieuwe geestelijke rijkdom en alles, wat erbij hoort. Want wij moeten leren de krachten, die in ons bestaan, op de juiste wijze te gebruiken als een wapen tegen al hetgeen in de wereld niet past voor ons innerlijk wezen. En dat is meestal alles wat disharmonisch, alles wat chaotisch is.
Ook hierin bestaat een vierde reeks. Deze vierde reeks is wederom zeer veelsoortig, evenals de vierde reeks in het vrouwelijk element. De eigenaardigheid is hierbij dat het bewegend element toch behouden blijft. Wij dromen van jagende wolken; wij zien hele kudden trekken; wij zien optoch­ten; wij zien menigten die zich bewegen. Daarnaast zien wij b.v. ook reek­sen van lichtzuilen, waaruit figuren worden geboren. Een typisch verschijn­sel dus.
Zo’n lichtzuil schijnt steeds weer figuren voort te brengen van veelsoortige gestalten, die als een soort leger handelen en wegtrekken. Wij zien in andere gevallen ook ‑ en dat is wel een zeer eigenaardig symbool ‑ de gehele sterrenhemel, waarbij de sterren zich buitengewoon snel rond hun as wentelen. (Een soort planetarium‑verschijnsel) In enkele maar slechts zeer weinige gevallen treedt ook een vaak bijna verblindend lichtende figuur op, die een boodschap brengt of een taak oplegt. In deze reeks vinden wij de uitdrukking van kosmische kracht en kosmische eenheid. Wij behoren tot een bepaalde groepering, wij behoren tot een bepaald deel van het Al en hebben daarmee reeds een volledige eenheid bereikt. Wij moeten die eenheid nu uitdrukken (dus het is wederom het naar buiten brengen van iets) en wij moeten zoveel mogelijk helpen deze eenheid op aarde te verwerkelijken. Dit kan dus aanleiding zijn tot sociaal werk, maar evengoed tot groot‑geestelijk werk als b.v. dat van de leden van de Witte Broederschap.
U ziet, er zijn dus bepaalde klassen van symbolen te vinden, die inderdaad een geestelijke inhoud bezitten. Het symbool, waarvan wij dromen, het symbool dat ons steeds in gedachten komt, heeft dikwijls een zeer grote en belangrijke betekenis, mits wij het begrijpen. Daarom mogen wij nooit vergeten, dat alles wat op deze wijze als symbool in ons ontstaat, de uitdrukking is van een behoefte (bij de vrouwelijke) of van een in gebreke blijven (bij de mannelijke). De erkenning van behoefte zal ons tot streven voeren; de erkenning van in gebreke te blijven brengt ons tot plichtsvervulling.
De symbolen zijn natuurlijk niet altijd gehéé1 te vertalen. De doorsneemens is over het algemeen niet in staat precies te weten wat het symbool voor hem betekent, maar hij kan ongetwijfeld de enkele, door mij vermelde klassen gebruiken om althans ongeveer vast te stellen, waarmee hij te maken heeft. Het mannelijk aspect of het vrouwelijk aspect zijn dan ook eenvoudig genoeg te onderscheiden. Het gevolg is, dat praktisch iedereen alleen aan de hand van de gegeven voorbeelden in staat zal zijn te zien in hoeverre zijn eigen leven niet juist is of onvolledig.
Bij de beheersing van het ‘ik’ behoort m.i. wel degelijk ook een zekere beheersing van het lot. En dit lot kunnen wij het best en het meest juist regeren, wanneer wij alles, wat in ons als mogelijkheid ligt, verwerkelijken; wanneer wij alles, wat wij in ons als noodzakelijk voelen, verwerven. Elke mens op aarde heeft het stoffelijk leven gekozen om geestelijk beter en volmaakter te worden. De boodschap, die de geest hem in deze symboliek geeft, mag door hem wel degelijk worden beschouwd als een zeer eenvoudige en snelle methode om, aan de hand van hetgeen door de geest wordt verlangd en bestemd, een zo groot mogelijk resultaat in een zo kort mogelijk stoffelijk bestaan te bereiken.

Noot.
In verband met de psychologie en vooral ook de psychiatrie zij nog het volgende opgemerkt:
Er is natuurlijk voor het genezen van neurosen, psychosen e.d. een wat verdergaande en nauwkeuriger ontleding van de symbolen noodzakelijk, als hier in kort bestek kon worden gegeven. Toch is de indeling als zodanig voldoende om een inzicht te geven in de geestelijke achtergronden, die ongetwijfeld bij de vele negatieve en positieve punten, die wij uit de patiënt en zijn symbolen kunnen lezen, te verklaren.
Wij mogen nimmer vergeten dat elk droomsymbool, elke psychotische en/of neurotische afwijking, die wij ontdekken, niet alleen zuiver materiële waarden of wereldbegrippen uitdrukken. Altijd is hiermee een bepaald geestelijk element verweven. Juist daardoor wordt de analyse vaak onnodig bemoeilijkt. Want ofschoon wij de symboliek van beide seksen in beide seksen aantreffen en slechts de verbeelding ietwat door eigen milieu en omgeving kan worden beheerst, zo zal het geestelijk aspect, dat wij vinden, zeer zeker directe conclusies toelaten omtrent de eigenlijke tekorten en de daaruit dikwijls voortvloeiende overcompensaties van de patiënt. Zo is dit niet alleen voor zelf‑analyse maar wel degelijk ook voor de techniek der psychiatrie en psychologie van belang. Men mag nimmer vergeten dat in elke mens naast het aan de oppervlakte liggende (het stoffelijke en het mentale dus) ook de verborgen waarden van bovenbewuste en geestelijke werkingen een grote rol spelen. Slechts indien men de ziel van de mens en de daaruit voortvloeiende verschillende lagen van geest en bewustzijn erkent, zal men in staat zijn snelle en goede resultaten te bereiken.
Ik hoop met deze noot duidelijk te hebben gemaakt, dat het door mij gestelde dus praktische waarde heeft op velerlei gebied en zeker een nadere beschouwing waard is.

Verbeeldingskracht

Verbeeldingskracht is het vermogen je vele dingen voor te stellen. In jezelf werelden op te bouwen, die voor de buitenwereld niet werkelijk zijn. Jezelf te zien in toestanden, die nog niet bestaan, maar misschien mogelijk zouden zijn.
De mens meent dat dit alleen het wilde spel van de gedachten is. Maar is er iets in ons, mens of geest, dat niet reeds bestaat in de schepping?
God is eeuwig en alomvattend, almachtig. Hij is alle dingen en niets kan zijn zonder Hem. Niets van dat wat door ons wordt beseft, bestaat niet reeds als volmaaktheid in Hem. Door onze verbeeldingskracht trokken wij bepaalde delen van Gods schepping naar ons toe, waarvoor wij niet rijp zijn of die ons niet passen. Wij trachten een wereld te scheppen, die niet een werkelijke wereld is, niet onze wereld. In die verbeeldingskracht zijn wij vaak bevreesd, omdat wij voor hetgeen wij scheppen angst hebben. Toch staat er geschreven dat ‘God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis’. Dit houdt in dat God de mens liefheeft. God is het Denken, God is de Kracht, God is het Scheppende. Dan moet ook de mens zijn het denken, de kracht en het scheppende.
Nu zijt ge misschien nog gebonden aan de wereld rond u. Nu nog moet ge het kruis dragen voor anderen. Nu nog moet ge door het lijden uzelf veredelen en tot een kracht voor anderen worden. Nu nog moet ge putten uit de beperking van vreugde en het onbesef van de toekomst. Maar ééns zult ge zijn Gods beeld en gelijkenis. Eens zal die verbeeldingskracht veranderen in een scheppingsvermogen. Dan zult ge in u scheppen een wereld.
Een wereld met planten en mensen en dieren; een hemel met sterren en met een zon, die stralend staat en de dag schept, of ondergaand de rust van de nacht mogelijk maakt. Zo zult ge scheppen in plaats van slechts te ver­beelden.
Wat is, zal leven. In al wat ge schept zult ge zelf leven. Maar zeg mij: Zo Gods wereld een grootse en een liefdevolle wereld is, waarin sferen en werelden samenvloeien tot een oneindig akkoord, tot een kosmische klank, die ons verdooft en doet duizelen in haar volle schoonheid, hoe zal het dan zijn als gij uw wereld schept? Zult gij uw schepselen de vrijheid laten om langs de wetten van uw wezen en uw schepping zelf te zoeken naar de eenheid met u en door u met de grote Godheid? Hoe zult gij zijn, wanneer uw verbeeldingskracht wordt tot schepping?
Toch zullen wij zijn Gods beeld en gelijkenis. Want onze God is een grote God. Onze God is een machtige God, maar Hij is bovenal een liefdevolle God. Omdat ‑ wanneer wij hunkeren naar Hem en Zijn kracht en Zijn wezen, ook als wij Zijn naam niet kennen ‑ Hij in ons is en mét ons is door alle sferen, alle tijd en ons nooit alleen laat.
Wij noemen deze kracht van onze God: Kristos, Christus. Liefdevolle open­baring van het volle wezen Gods. Niet slechts eenmaal en in één mens, maar te allen tijde en in àlle mensen, die het willen aanvaarden.
Onze God is een liefdevolle God. Zullen wij dan niet putten uit Zijn lief­de? Kracht putten uit Zijn kracht? Zullen wij niet trachten één te zijn met Hem op onze wijze, door ons leven en denken? Zullen wij niet zelfs de beel­den, die in ons geschapen worden en die wij door onze verbeeldingskracht stellen in ons, of als schijn buiten ons in de wereld, met die kracht van liefde moeten doordringen?
Alleen dan zal onze God waarlijk zijn voor ons in alle sferen, in alle werelden, in alle beleven het liefdevolle Licht zelf, dat ons omhult en draagt. Alleen dan zullen wij ‑ scheppende volgens Zijn wil ‑ met ons wezen, dat deel is van Zijn wezen, kunnen geven liefde en inhoud in het micro-kosmisch zijn, dat mensen niet beseffen en waarvan de geest aarzelend droomt.
Ons is de taak gegeven eens te scheppen. Eens. Maar nu reeds is het onze plicht om de liefdekracht Gods, de vreugde van het goddelijk Licht, de eenheid met de werkelijke God te ondergaan, wanneer wij kunnen. Daarvoor te werken, te leven en te streven. Tot wij weten: Geen grens bestaat er meer tussen ons en de Kracht, die ons voortbracht. Eén zijn wij, en uit deze eenheid gelijk in alle dingen. Gelijk met Hem, één met Hem, tot uit Zijn wil de schepping dooft en wij in het versterven van de schepping de volmaaktheid van Zijn gedachte met ons dragen als een juweel van licht, dat nimmer te doven valt.
De Schepper geeft uit Zijn liefde, uit Zijn wezen voor degene, die dit beseft, de kracht, niet alleen om leed te dragen maar om leed te stelpen.
Hij geeft het inzicht, niet alleen om tot weten te komen maar om door wijs­heid ook anderen weten te brengen. Hij geeft ons bovenal het begrip van onze taak, waardoor wij ‑ tegenover anderen Zijn wil vervullende ‑ de kosmische taak en de goddelijke Gedachte in ons dragen als het zegel van Zijn goedkeuring, als een vreugde en een licht door alle dagen en alle bestaan.
Dat, vrienden, is mijn overweging. En daarmee moet ik afscheid van u nemen. Want uiterlijkheden kennen niet de eenheid, die bestaat voor hen, die het innerlijk weten omtrent de Eenheid bezitten. Afscheid neem ik van u in deze vorm maar niet in werkelijk wezen, indien in u de liefde leeft tot de Schepper.
Vrienden, in deze vorm dan, goedenavond. Een lichte avond en een vreugdevolle kracht in het leven.