Kwaliteiten van het “ik”

uit de cursus ‘Inzicht 2’ (hoofdstuk 7) – april 1964

Wanneer wij het ego ontleden en de vele daarin bestaande strijdigheden zien, dan zijn wij geneigd om de mogelijkheden, die er in het “ik” schuilen, over het hoofd te zien. De doorsnee‑mens gebruikt een zeer gering deel van zijn werkelijke mogelijkheden. Deels komt dit door zijn onbegrip voor de geestelijke achtergronden van zijn ego, deels komt het ook voort uit een zich strak inpassen in een maatschappelijke structuur, die nu eenmaal de nadruk slechts legt op enkele aspecten van het ego. Wij kunnen de bijzondere kwaliteiten van het “ik” onderscheiden in stoffelijke, astrale en geestelijke.

De stoffelijke capaciteiten zijn o.m. de volgende:

  1. Het vermogen om eigen kracht te vergroten;
  2. Het vermogen om eigen reactievermogen te versnellen;
  3. Het vermogen om het eigen lichaam aan te passen aan de noodzaken, die er innerlijk bestaan.

Hierover kunnen we dan het volgende vertellen:

Het vergroten van eigen kracht.

Wanneer wij het “ik” zien, zoals het uiterlijk lijkt en zoals wij het misschien ook bij een summiere ontleding zelf erkennen, dan zijn daaraan grenzen gesteld. Grenzen t.a.v. stoffelijke reacties, stoffelijke vermogens en verstandelijke capaciteiten. Op het ogenblik echter, dat het “ik” niet meer door het denken wordt belemmerd, blijkt het plotseling grote krachtreserves te kunnen aanspreken. Soms worden die uit het lichaam zelf geput. Wij kunnen hier denken aan de paniekreactie, waardoor een mens plotseling over onnoemelijk meer krachten beschikt, mede door een vergrote adrenaline‑afscheiding en nog zo het een en ander.

Maar er zijn ook gevallen, waarin een mens alleen door in een zekere situatie te geraken, die voor hem niet aanvaardbaar of niet redelijk is, plotseling in staat blijkt te zijn zowel met zijn denkvermogen als door zijn lichamelijk uithoudingsvermogen prestaties te volbrengen, die hij voordien onmogelijk zou hebben geacht en die men aan het “ik” ook niet als normale capaciteiten zou toeschrijven.

De conclusie die hieruit volgt is deze: Onder alle omstandigheden zullen de erkende grenzen van het “ik” een deel van de kwaliteiten van dat “ik” buiten beschouwing laten. Op het ogenblik, dat men binnen zijn erkende mogelijkheden niet in staat is tot bereiking, is het noodzakelijk buiten deze grenzen te treden en een beroep te doen op de totale persoonlijkheid, ook op die delen ervan welke men niet kent.

Het reactievermogen.

De normale reactie gaat via de cortex, dus via het verstand. Hoe groter het verstand is en hoe groter de ervaring, des te sneller zullen wij zien dat de reactie in een gewoonte-baan loopt en daardoor weliswaar onder vaststaande omstandigheden redelijk snel is (gewoontevorming), maar bij elke afwijking daarvan te traag.

Het lichaam kan snel reageren. Het doet dit over het algemeen alleen, indien het verstand niet ingrijpt. Een verwarring in begrip kan onder omstandigheden de reactietijd zo sterk verlengen, dat dit voor de mens onaangename of zelfs fatale gevolgen kan hebben. Laat hij echter zijn instincten (dus buiten het redelijke om a.h.w.) overnemen, dan blijkt hij plotseling zeer snel, zeer concreet en op elke variant van omstandigheden juist te kunnen reageren.

Hieruit volgt: Wanneer men niet zeker is, dat men langs de verstandelijke weg snel en juist genoeg kan beslissen, zal men door zijn rede uit te schakelen het aan zijn lichaam en onderbewustzijn moeten overlaten om de juiste manipulaties te verrichten en de juiste reactie te vinden.

De vergroting van het verstandelijk vermogen.

Het verstand is in staat om een zeer groot aantal impressies op te nemen en deze te rangschikken. Normalerwijze bestaat er in die rangschikking een voorkeursvolgorde. Hierin wordt bijzondere nadruk gelegd op sommige aspecten van het ego en van de wereld. Zolang de mens vasthoudt aan deze beperking en dus de relatie “ik” – ego van uit één en hetzelfde standpunt wil bezien, zal zijn persoonlijke prestatie verstandelijk beperkt zijn. Naarmate hij echter de verhouding “ik” – ego verandert en zichzelf ziet als deel van de wereld en denkt en reageert als deel van die wereld, dan blijkt het aantal feiten dat hij kan opnemen en correleren aanmerkelijk groter te worden, terwijl er bovendien – zonder dat hiervoor een bijzondere inspanning nodig is – een totaal herinneringsvermogen ontstaat binnen het kader van elke associatie. U kunt dus zuiver lichamelijk veel meer dan u over het algemeen doet en u zou door training zelfs ertoe kunnen komen om met uw lichaam en in uw lichaam veel meer tot stand te brengen dan gebruikelijk is.

Hier kunnen wij dan nog even wijzen op de verschillende trainingsmethoden die er bestaan; waaronder bepaalde vormen van yoga, bepaalde vormen van mentale gymnastiek en sommige vormen van geheugentraining, die een zeker uitschakelen van het directe bewustzijn trachten te bevorderen en daardoor een recall (een herhalingsmogelijkheid) krijgen, waardoor veel meer feiten kunnen worden herinnerd dan in een redelijke waarneming zouden kunnen worden opgenomen.

Dan krijgen wij de kwestie van de astrale wereld, waarin het “ik” krachtens zijn voertuigen ook een bepaalde plaats inneemt.

Elke mens heeft een astraal voertuig. Daarnaast blijkt dat er in de mens een aantal werkingen of stralingen bestaan, die op het astrale gebied een directe invloed hebben. En hier kunnen wij dus stellen:

  1. Het denken van de mens geeft in de astrale wereld gestalte aan zijn denkbeelden;
  2. Zijn geestelijk bewustzijn en de inwerking ervan van uit hoger “ik” op het stoffelijke “ik” vindt een weerkaatsing, waardoor er wederom vormen of krachten in de astrale wereld ontstaan;
  3. De mens als geheel zal zijn emoties omzetten in krachten, die van uit elke harmonische factor via de astrale wereld inwerken op anderen en op henzelf.

Het lijkt ingewikkeld wanneer wij dit zo stellen, maar eigenlijk is het eenvoudig genoeg.

U heeft een astraal voertuig. Dat astraal voertuig beantwoordt aan uw voorstelling van eigen “ik”. Aan die voorstelling kunt u niets toevoegen en u kunt er niets afnemen. Zoals u uzelf denkt, zo bent u astraal. U hebt echter delen van het “ik”, die – niet erkend zijnde – toch deel uitmaken van uw gedachten. U reageert op een wereld die u als deel van uzelf beschouwt, maar die u toch niet helemaal in het “ik”‑begrip durft opnemen. Dan zult u naast de eigenlijke “ik”‑gestalte (het astraal‑dubbel) een aantal secundaire voertuigen opbouwen, die elk bepaalde eigenschappen of niet‑erkende kwaliteiten van dit “ik” bevatten.

De doorsnee‑mens heeft naast het astraal‑dubbel twee à drie afzonderlijke voertuigen. Wanneer nu in de astrale wereld een van die voertuigen een tijdlang de totale levenskracht krijgt, wordt dit even sterk als het astraal‑dubbel dat op het “ik”‑begrip is opgebouwd. De invloed op het “ik” wordt dus ook gelijk. Wordt die invloed groter, dan kan van hieruit zelfs een aantal verschijnselen worden ingeleid, die veel verwantschap vertonen met schizofrenie, omdat de mens ook in het denken tegen zichzelf is verdeeld.

Op het ogenblik dat de mens in eigen begrip tekort schiet en gelijktijdig zich bewust is dat die mogelijkheid voor het “ik” bestaat, kan hij een gestalte opbouwen, die in staat is zijn eigen tekortkomingen aan te vullen. Hij kan dus een beroep doen op een eigenlijk imaginaire figuur, die hij zelf astraal heeft gevormd en de daarin gelegen krachten en harmonieën om zo zijn eigen vermogens te vergroten, zijn krachten aan te vullen en al wat dies meer zij. Dit is een zeer belangrijk punt. We zouden dit dus kort als volgt kunnen samenvatten:

Op het ogenblik dat men zich in eigen wezen van bepaalde tekortkomingen te zeer bewust is en desondanks een taak wil aanvaarden, waarbij men dus over grotere kracht of mogelijkheid moet beschikken, zal men goed doen zich te realiseren dat het “ik” een tweede vorm kent. Een vorm, waaraan men desnoods de naam voorouder, godheid of beschermgeest kan geven, welke de verdere kwaliteiten van het “ik” zal activeren en daarin de eventueel in de astrale wereld aanwezige krachten kan uiten plus eventueel harmonische krachten daaraan kan toevoegen, die via het astrale vlak kunnen worden betrokken.

Hierdoor worden de mogelijkheden van het “ik” alweer veel groter, want het schijnbaar onmogelijke is in de astrale wereld voor de mens mogelijk. Daar regeert de gedachte. Men kan dus als mens de grens van het onmogelijke in vele gevallen overschrijden door gebruik te maken van deze astrale werking.

Dan moeten wij ons verder nog even realiseren, dat ons denken werkt op de astrale wereld en daar vormen opbouwt. Maar er zijn zeer vele gedachten, die wij met anderen gemeen hebben. Dit wil zeggen, dat astrale vormen worden opgebouwd, die als krachtsreservoir dienen en waaruit wij door ons deel‑zijn ervan daaruit kunnen putten. Hier geldt: de overgave aan een bestaand idee maakt het mogelijk om uit dit idee én haar astrale krachtbron zoveel energie te putten, dat men zichzelf overtreft en soms zelfs de menselijke mogelijkheden overschrijdt.

Dan moeten wij rekening houden met de geest zelf. Uw eigen geest communiceert met uw stoffelijk “ik” praktisch direct. In deze directe communicatie zijn dus ook uw levenslichaam, astraal‑dubbel e.d. opgenomen. Maar soms is een beeld dat in de geest bestaat, groter dan datgene wat door het beperkte “ik” kan worden ontvangen. Vergeet niet: het astrale beeld is dus ook uw denkbeeld omtrent uzelf. Op het ogenblik dat een grotere kracht of een meer omvattend begrip dan u kunt aanvaarden of als deel van uzelf kunt zien wordt afgezonden, zullen er dus in de astrale wereld (in de stoffelijke wereld ontdekt men dat zo gauw niet) weer vormen ontstaan. Soms is het een versterking van vormen, die u misschien reeds door een zekere sublimatie-drang heeft geschapen. Soms zijn het totaal nieuwe vormen. Hiervan kan worden gezegd, dat zij wederom optreden als een directe invloed in uw leven. Eenvoudig gezegd is het eigenlijk dit:

De motiveringen plus de krachten van de geest, die niet binnen de “ik”‑voorstelling van de mens onmiddellijk kunnen worden geprojecteerd, worden in de astrale wereld verwerkelijkt en vormen van daaruit een vaak niet‑gerealiseerde invloed, die de stofmens stuwt in richtingen die hij zelf verstandelijk en volgens zijn “ik”‑voorstelling misschien niet zou verkiezen.

Hier is het geloof ik wel tijd om even iets te zeggen over die astrale wereld.

De astrale wereld op zichzelf is niets anders dan een medium, een overbrengingsgeheel. Wanneer een vorm in een astrale wereld ontstaat, dan zal zij niet alleen maar behoren bij het “ik”, waaruit zij is voortgekomen. Zij reageert nl. op de gedachteninhoud, de wezensinhoud van de mens; en een ieder, die dus een gelijke instelling heeft, is deel van deze gestalte. Men kan bij wijze van spreken een astrale Scheingestalt (dus in feite een complex beeld) opbouwen, dat specifiek voor het “ik” was bedoeld. Maar alle anderen, die voor hun leven en denken een soortgelijke gestalte nodig hebben, bouwen die gestalte voor zichzelf niet nog eens afzonderlijk op, maar geven hun kracht a.h.w. aan die door u geschapen gestalte en onttrekken kracht daaraan voor zover dat nodig is. De harmonische waarde is beslissend voor contact, voor zover het de astrale wereld betreft. Het denkbeeld is bepalend voor de harmonische waarde, voor zover het de mens of het menselijk‑bewust handelend astraal voertuig of levenslichaam betreft.

En dan komen wij aan de geest. De geest zelf is moeilijk te omschrijven als een gestalte. Het best kunnen wij haar uitdrukken als een complex van energieën in verschillende trillingswaarden, welke één basiskracht hebben.

Deze geest heeft mogelijkheden tot waarneming, beleving en reactie, die aan een mens en zelfs aan de lagere geestelijke voertuigen vreemd zijn. Het “ik” kan geestelijk dus leven buiten de tijd. Er bestaat voor dat “ik” wel een ruimtelijk besef maar geen ruimtelijke beperking. Er is dus in feite een bestaan buiten ruimte en tijd, waarin het “ik” alleen datgene uit het zijnde voor zich realiseert wat wordt begeerd. Wij zien dat dit o.m. gepaard gaat met een mogelijkheid tot prognostiek (voorspelling), een terugzien in het verleden en zelfs een herbeleven van het verleden.

Het zal u duidelijk zijn dat een geest, die in zich deze waarden draagt, ze ook ergens in de stof zal projecteren. Maar de andere definitie van “ik” en leven, die men in de stof kent, maakt het vaak onmogelijk de gegevens op de juiste wijze te verwerken.

Dan blijkt verder dat de geest – zeker de meer bewuste geest – leeft in een wereld, waarin de energie die haar omringt gelijk is aan haar, zodat een tijdelijke openstelling van haar begrenzing betekent, dat ze een oneindige hoeveelheid energie kan opnemen en die zolang binnen het “ik” te bergen of via het “ik” te spuien.

Ten laatste kunnen we dan nog over de geest zeggen, dat zij in haar vele verschillende voertuigen (het lijkt wel een beetje op een ui, als je het goed bekijkt) altijd dezelfde waarde hanteert, ofschoon het trillingsgetal van die waarde – van boven naar beneden gerekend – lager ligt. Dan kan op basis van dit laatste worden gezegd, dat alle geestelijke energie of kracht – ongeacht van welke sfeer of wereld – in de stof direct uitdrukbaar is, zolang het bewustzijn van een lagere sfeer daar geen definitieve beperking aan oplegt.

Nu wij deze punten over de geest hebben gesteld, moeten we ook eens bekijken: wat zijn de kwaliteiten van het “ik”, wanneer wij de geest mede daarin betrekken. En dan blijkt:

  1. Voor zover het redelijk “ik”‑bewustzijn en het wereldbewustzijn niet beperkend werken, is het voor de mens in de stof ook mogelijk om beperkingen van ruimte en tijd in zijn bewustzijn en onder omstandigheden zelfs volkomen reëel en stoffelijk te overwinnen.
  2. De kracht, ook de levenskracht, waarover een mens beschikt, is slechts beperkt door zijn bewustzijn en zijn behoefte. Indien bewustzijn en behoefte een onbeperkte energie toestaan, kan hij daarover beschikken.

En dan kunnen wij ook nog zeggen en dat is misschien ook wel zeer interessant:

  1. Alle waarden die er in de geest bestaan zijn, althans theoretisch, voor de stof te ontvangen of te verwezenlijken. Wat betekent dat laatste? Allereerst, dat de normale mens alle kwaliteiten van de geest bezit, of hij ze openbaart of niet. Theoretisch gezien is iedere mens helderziend, mediamiek, heeft hij de mogelijkheid tot genezing, tot het doen van wonderen, tot teleportatie en al wat erbij behoort. Er is daaraan geen enkele limiet gesteld, behalve die ene: eigen begrip.
  2. De mens overschrijdt zijn redelijk “ik”-bewustzijn over het algemeen slechts dan, indien hij – ongeacht op welke basis of waarde – het onredelijk als volledig waar kan accepteren. En dat betekent weer, dat bv. een geloof (zelfs een bijgeloof of een illusie) ertoe kan bijdragen dat de mens meer capaciteiten vertoont dan normaal.
  3. Op het ogenblik dat er in een mens – ongeacht door welke bron of oorzaak – een toestand wordt gewekt, waarin een deel van de geestelijke krachten meer dan normaal worden ontvangen, zal hij dit uiten in een vergroting van paranormale vermogens en eigenschappen. Op het ogenblik echter, dat de mens meer van zijn wezen en van zijn wereld verwerpt dan normaal, ontstaat er een toestand, waarin zowel bewustzijn, levensmogelijkheid als handelingsmogelijkheid worden beperkt. Een voorbeeld van dat laatste kunt u soms vinden in een z.g. shocktoestand, waarin de eigen levenskracht, handelingsbekwaamheid, denkmogelijkheid van de mens wordt aangetast.

We hebben nu in het eerste gedeelte van mijn betoog slechts drie hoofdwaarden besproken van het “ik” en op grond daarvan reeds moeten constateren, dat de capaciteiten waarover men beschikt, over het algemeen niet volledig worden gebruikt. Het lijkt mij goed om ook de redenen daarvan nog even op te sommen.

Men gebruikt in de eerste plaats zijn werkelijke capaciteiten niet, omdat deze niet passen in eigen wereldbeeld. Men heeft een voorstelling van zichzelf, van zijn betekenis in de wereld en van zijn aansprakelijkheden.

Zolang men daaraan tegemoet kan komen, voelt men zich tamelijk gelukkig. Op het ogenblik dat men ergens een grens overschrijdt, voelt men zich ongelukkig. Men wenst gelukkig te zijn, dientengevolge wijst men al het andere af.

Dan zien wij als beperkende factor optreden: de rede.

Op het ogenblik dat men tracht alles waarvan men gebruik maakt en alles wat men zelf doet volledig verstandelijk te verklaren, blijkt het dat maar een beperkt gebied nog mogelijkheden biedt. Hoe verstandelijker de mens is, hoe scherper zijn mogelijkheden worden begrensd. Rationaliteit wordt echter in de stof zelf over het algemeen niet gebruikt. De meest rationeel denkende mens is in zijn verhouding tot zijn medemensen, tot de voorwerpen die hij gebruikt en in zijn stoffelijke handelingen vaak onlogisch en onredelijk.
Hij eist echter van al datgene, wat voor hem theoretisch is (dus buiten het direct stoffelijk demonstreerbare vlak ligt), een absolute logica. Het resultaat is, dat hij de geest uitsluit.

Dan kennen wij de mens, die verantwoordelijkheid schuwt en gelijktijdig consequenties vreest. Wanneer je iets doet, onverschillig wat dat is, dan kun je misschien heel veel bereiken, indien je de juiste intentie erachter zet. Maar dan moet je dus niet kijken naar de feitelijke waarde der dingen en de feitelijke gevolgen die eruit zouden kunnen voortvloeien, maar je moet kijken naar de intentie die je hebt en de mogelijkheid, dat die intentie wordt verwerkelijkt. Er is een zekere mate van overdrachtelijkheid.

De meeste mensen kennen die niet. Ze zeggen: Wanneer ik iets doe van uit een ideëel standpunt, wat materieel niet aanvaardbaar is, dan zal ik de materiële gevolgen daarvan ervaren en de resultaten ervan zijn twijfelachtig. Hierdoor beperken zij de kracht, die in en door hen werkzaam kan zijn. We zien dat die beperkingen, waarvan ik alleen weer de voornaamste noem, algemeen zijn.

Wanneer wij enig inzicht krijgen in onze persoonlijkheid, zonder dat wij direct tot de ontleding ervan overgaan (absolute ontleding is voor het “ik” namelijk heel moeilijk mogelijk), dan zullen wij op een gegeven ogenblik constateren, dat wij sommige dingen eenvoudig vrezen of afwijzen, omdat zij in strijd zijn met ons stoffelijk concept. Dit wetende, kunnen wij ons stoffelijk concept aanpassen aan onze geestelijke behoefte. Er bestaat voor de materie nimmer enige vaste regel, behalve de regels die direct uit het Goddelijke voortkomen. Geen menselijke regel en zelfs geen natuurwet kan zonder uitzonderingen bestaan; dat kan alleen de goddelijke wet. En dit houdt in, dat zij niet te allen tijde geldt. Begrip hiervoor en voor je eigen vermogen en mogelijkheid houdt dus in, dat je – ongeacht de schijnbare consequenties of onmogelijkheden – kunt komen tot een volledig aanvaarding van een taak, een noodzaak, een kracht of een mogelijkheid; en nu – niet belemmerd zijnde – alle astrale en geestelijke capaciteiten kunt inschakelen om deze te verwerkelijken.

Het komt er op neer, dat de doorsnee‑mens in zijn leven altijd wel momenten heeft, waarin enige helderziendheid tot uiting komt; dat hij soms inderdaad helderhorend is, dat hij intuïtief vooruit loopt op ontwikkelingen, omdat hij helderziend in ruimte of tijd is.

Wij zien verder, dat de mens tot prestaties kan komen, die zover buiten zijn eigen vlak liggen, dat je je afvraagt hoe dit mogelijk is; en dat gebeurt meestal ook maar één keer. De één doet dit misschien door een stofzuiger te repareren, terwijl hij er absoluut geen verstand van heeft.
Een ander door intuïtief geneeskundige hulp te bieden, omdat het niet anders kan, terwijl hij niet eens weet waarom hij eigenlijk doet wat hij doet.
En weer een ander vindt misschien ergens een geestelijke waarde en een kracht, waardoor hij iemand sterkte geeft, die het nodig heeft, zonder te weten hoe het mogelijk is. Het onbewuste speelt in uw aller leven altijd weer een rol. En zodra de spanningen rond u de begrenzing van uw bewuste persoonlijkheid verbreken, blijkt u tot vele dingen in staat te zijn, die u te voren niet kende.

Er blijkt echter ook een nadeel aan verbonden te zijn. In vele gevallen reverteert de mens gelijktijdig tot een lager bewustzijnspeil, zodat zijn handelingen zich om de menselijke relatie a.h.w. niet meer bekommeren en men soms zuiver dierlijk wordt in zijn reactie, soms zelfs nog onder het dierlijke blijft. Dit komt omdat de mens zich niet bewust is van hetgeen hij doet. Hij wordt bevangen door emoties, hij put krachten, maar is gelijktijdig bang zowel voor die kracht, als voor die emotie. Er is dus een zekere aanvaarding nodig om de capaciteiten van het “ik” nog te doen bestaan binnen een enigszins beheersbaar en menselijk geheel.

Nu zouden wij natuurlijk nog een uurtje kunnen vullen met voorbeelden, maar ik laat het aan u over om deze zelf in uw eigen leven en omgeving te zoeken. Belangrijk is voor ons op deze avond het inzicht, dat wij altijd meer zijn dan wij schijnen, meer kunnen dan wij vermoeden, dat onze taak meer omvat dan wij menen aan te kunnen, kortom: dat ons leven uitgebreider en vollediger is dan wij beseffen.
Zolang wij ons hiertegen verzetten of het niet kunnen aanvaarden, maken wij het onszelf onmogelijk gebruik te maken van de werkelijke capaciteiten van het “ik”. Wij moeten dus een zekere mate van zelfvertrouwen bezitten, die niet alleen maar gebonden is aan redelijkheid. Wij moeten begrip hebben voor eigen emotionaliteit, omdat de emotie op zichzelf als een zeer grote kracht kan worden gebruikt, mits de juiste intentie aanwezig is, om de eigen capaciteiten in het spel te brengen en krachten te putten uit de verschillende vlakken, waarmee wij in verbinding staan.

En ten laatste moeten wij heel goed begrijpen dat een ander, die daarop een beroep doet, altijd onze meerdere is, ook wanneer wij qua instelling beter zijn dan hij of qua bewustzijn hoger staan.

Een mens, die zich beperkt tot zijn stoffelijk vlak en denken, zal nooit kunnen ontkomen aan de kracht en het overwicht van iemand, die van de werkelijke capaciteiten van het “ik” een intenser gebruik maakt. Dit geldt zowel op stoffelijk peil, waar alle remmen van eigen krachtsontwikkeling en van actie en reactie worden weggenomen, als voor de overtuigingskracht, ja zelfs de haast wonderdadige kracht van iemand, die een beroep doet op de astrale vlakken of misschien een harmonie met zijn geestelijk wezen in een hogere sfeer heeft bereikt.

Eindconclusie: Zolang wij het “ik” moeten zien als het middelpunt van ons Al (en dat is het voor ons allemaal), zullen wij moeten trachten om een aanvaardbaar beeld van dat “ik” te verwerven, daaraan een aanvaardbaar aanvullend beeld toe te voegen, waaruit wij kunnen putten om de beperkingen van eigen bewustzijn te overwinnen en moeten wij streven naar een zo groot mogelijke aanvaarding van een actie met de krachten, die ons onredelijk bereiken en die toch binnen het redelijk kader van onze wereld wel degelijk tot uitdrukking kunnen komen.

De achtergronden van het bewustwordingsproces

Het woord bewustwording wordt vaak gebruikt, doch zelden gedefinieerd. Bewustzijn kennen wij allen. Het proces van bewust worden kunnen wij ons allen voorstellen. Maar wat de achtergrond is van deze bewustwording en hoe zij in wezen verloopt, blijft voor de doorsnee‑mens een raadsel.

Het eerste bewustzijn ontstaat spontaan. Het is het gevolg van de wisselwerking tussen het begrensde “ik” en de Oneindigheid. Het erkennen van deze grenzen plus de invloeden, die van buitenaf het “ik” bereiken, zijn de eerste fasen van bewustwording die wij ons kunnen voorstellen. Tot op zekere hoogte is het een proces van verdere bewustwording, afhankelijk van krachten buiten het “ik”.

Allereerst leeft men in een gemeenschap, in een milieu, dat door een ander wordt bepaald. Het resultaat is dat die ander op uw denken, uw realisaties een grote invloed heeft. Daarna ontstaat er een leven in vormen, die door anderen worden opgebouwd en waarin overheersende invloeden werken, die eveneens door anderen – vaak weer via het milieu – worden bepaald. Hier kan het proces van bewustwording alleen worden beschouwd als een automatisme; iets, waaraan wijzelf slechts deel hebben door het feit dat wij bestaan.

Zodra men echter in staat is zichzelf te gaan beschouwen, wordt het anders. Er is geen noodzaak meer tot een realisatie, die verder gaat dan het bereikte niveau. En wanneer wij dan toch zoeken naar een verdere ontplooiing van ons wezen, zo moeten wij de verklaring hiervoor zoeken het zij in ons eigen wezen, het zij in de kosmos, waarvan wij deel zijn. Volgens mij en volgens vele grote oude leraren, aan wie ik mijn mening waarschijnlijk mede ontleen, verhoudt de zaak zich ongeveer als volgt:

Het bestaan is voor ons afhankelijk van de realisatie van feiten. Onverschillig, of deze feiten in ons van stoffelijke of geestelijke aard zijn, zij moeten een zekere diversiteit vertonen, willen wij het gevoel hebben van leven. Zelfs vrede is voor ons niet stilstand, maar slechts een ontwikkeling zonder te grote tegenspraken. Leven is dus eigenlijk de eerste drijfveer. Alle bewustwording vloeit voort uit het feit dat leven is: verandering van omstandigheden.

Zodra wij ons uiten, blijkt ons wezen echter beperkingen op te leggen. Wij kunnen zelf niet meer zijn, denken of doen dan volgens ons huidig milieu plus onze vorige ontwikkeling in het “ik” is gefixeerd. Het blijkt echter dat ons denken wel in staat is om andere dingen, die een eigen ontwikkeling hebben gehad, mede op te nemen binnen eigen “ik”‑begrip.

De mens doet dit in den beginne voornamelijk t.o.v. zijn gezin. Hij voelt zich dus verbonden met of één met zijn vrouw en zijn kinderen. Deze hebben toch een enigszins verschillende vorming, een verschillende geestelijke achtergrond en door zijn identificatie met deze anderen groeit zijn begrip voor wat mogelijk zou zijn.

De volgende fase van bewustwording zouden wij dus kunnen noemen: het besef voor mogelijkheden. Uit dit besef van de mogelijkheden ontstaat de gedachtenwereld, waarin die mogelijkheden kunnen worden verwerkelijkt.

Het is een wat primitieve wereld, ofschoon zij ook heden ten dage nog in velen bestaat. Het is de wereld, waarin de gedachten en de waarheid, de fantasie en de feiten door een worden gemengd. Door de interpretatie die men aan de feiten geeft, kan men nu aan één en hetzelfde feit tien of twaalf verschillende belevingswaarden geven. Men selecteert; en in deze selectie maakt men dus voor zichzelf uit wat de wereld zal zijn. Er is niet slechts een leven, maar een leven, dat – vooral ook door het zich bewust worden van andere mogelijkheden – zijn eigen interpretatie gebruikt om de voor het “ik” begeerlijke belevingsmomenten te scheppen.

Hiermede zijn wij aan een zuiver menselijk bewustzijn gekomen. Maar dit menselijk bewustzijn leert langzaam maar zeker meer. De verschijnselen, die deel zijn van het eigen milieu, kunnen worden ontleed. De oorspronkelijke gedachte, dat de bliksemstraal slechts de lans van een toornige god zou zijn, maakt plaats voor het begrip van statische elektriciteit tussen twee wolken of tussen wolken en aarde. De mens begrijpt de wetten en de krachten. Bij dit begrip ontwikkelt hij opnieuw andere visie. Zijn wereld wordt een meer mechanische wereld. De eerst animistische beleving wordt een technische. En door de techniek ontstaat er begrip voor de samenwerking. Men ziet nu de samenhang tussen zonneschijn, wind, neerslag, wolken en bliksem. En zoals men dit buiten zich leert kennen, gaat men ook voor zichzelf werkingen van oorzaak-en-gevolg beter erkennen.

Indien men wenst, kan men dus nagaan wat eigen wezen eigenlijk betekent. Men ziet de verschillende mogelijkheden, die in eigen handelen gelegen zijn. Een veel groter terrein van feiten wordt reeds omvat. Het leven wordt intenser. Hoe meer men begrijpt wat de samenhangen zijn, hoe meer men deel heeft aan alle dingen. In de plaats van een bijna stupide angst voor een toornige godheid of van de wanhopige uitroepen om die godheid ertoe te brengen alleen vijanden te treffen, krijgen wij het begrip voor het verschijnsel en het daarin schuilend gevaar, waardoor wij niet slechts zekerheid vinden voor het gevaar, maar het verschijnsel kunnen waarderen. De realisatie gaat dus steeds meer waarden in hun onderlinge samenhang zien. Het “ik” blijft het middelpunt, maar het bewustzijn heeft rond zich een wereld geschapen; en wanneer die wereld volledig genoeg is, en een redelijke evenwichtigheid vertoont, kunnen wij ons in deze eigen wereld toestanden denken die niet feitelijk bestaan.

Wij kennen het mechanisme of in feite de goddelijke wetten. Wij kunnen dus voor onszelf beelden scheppen, die – hoe irreëel ook op aarde – voor ons belevingen inhouden. De verrijking gaat niet alleen meer uit van de gebeurtenissen buiten het “ik”, maar wordt verder gestimuleerd door de associatie‑mogelijkheden, de ontwerpen en denkbeelden, die binnen het “ik” aanwezig zijn. Het bewustzijn is nu niet meer gebonden aan invloeden van buitenaf. Het kan zich zelfs terugtrekken van die uiterlijke invloeden, zoals sommige wijzen doen die in de Himalaya, in China, in India langs de wegen zitten, roerloos onder een boom langs de weg, onttrokken aan alle gebeuren. Het lijkt alsof zij niet leven, maar in hen is wel degelijk leven. Ze hebben niet alleen de wereld ingedronken, maar zij doen deze wereld nu juist en evenwichtig herontstaan in zichzelf. Zij erkennen daardoor het grotere plan, zoals zij dit noemen.

Nu is dit plan niet onvermijdelijk het enig juiste. Maar het bewustzijn heeft de scheppende functie herwonnen; en dat is zeer belangrijk.

Leven is de basis van het bewustzijn. Maar het in jezelf scheppen is de basis van de bewustwording. Want alleen door in jezelf te scheppen kun je de mogelijkheden leren kennen van het eigen “ik”. En dan komt de volgende fase. Wanneer ik in mij een werkelijkheid draag en ben geïsoleerd van de wereld rond mij, zo zal ik dit als mens of als geest niet geheel kunnen volhouden. Ergens is een grens aan mijn mogelijkheden. Ik moet dat, wat in mij leeft, toetsen aan de wereld buiten mij. Als resultaat ga ik de wereld in mij ordenen en de werking van die ordening naar buiten toe uitdrukken.

In het begin is dat zeer moeilijk. Men ziet de werkelijke samenhangen niet. Maar op de duur dringt men zo sterk door in de relaties die er bestaan, dat men in een mens het spel der verschillende cellen en organen t.o.v. elkander ziet en de kleine, maar toch belangrijke kracht uitwisselingen die daarin plaatsvinden. U dringt misschien nog verder door en beziet niet alleen meer een gedachtenproces, maar ziet ten slotte zelfs de vloed van elektronen, de ontbinding die chemisch tot stand komt, de verandering van moleculaire waarden die ermee gepaard gaan, de microkosmos plooit zich open als een perfect organisme, of nog beter: als een perfect uurwerk. En in dit uurwerk erkennen wij de vaste verhoudingen der raderen. Deze is de verhouding die voor ons wezen geldt. En voor het eerst is de bewustwording zover gevorderd, dat zij haar eigen wereld door anderen kan laten delen.

Een bewustzijn, dat niet slechts deel kan hebben aan anderen, maar anderen ertoe kan brengen om deel te hebben aan het “ik”, is bijna Goddelijk. Het ontbeert slechts het zelf scheppen van leven, het zelf origineren van kracht om waarlijk God te mogen heten. En zo kunnen wij stellen dat op het ogenblik, dat het eigen denken voldoende scheppende waarden omvat om deze buiten het “ik” als feitelijke waarden in anderen kenbaar te maken, wij de werkelijke harmonie van de kosmos beseffen. Het gaat niet meer alleen om de samenhangen, het gaat om de interpretatie ervan, om de scheppende gedachte die wij daaraan verlenen.

En daarmee is de bewustwording praktisch voltooid. Want zij heeft zelf geleerd om de erkenning “ik besta” om te zetten in de erkenning “de eeuwige samenhang in mij is rond mij volgens mijn erkenning”. Deze realisatie wordt dan nog wel gevolgd door andere fasen, maar ik zou deze geen bewustwording meer willen noemen. Het zijn slechts veranderingen van bewustzijn.

Het leven blijft nl. precies hetzelfde omvatten. De mogelijkheden, die in dit leven worden erkend en afwisselend door het “ik” kunnen worden gerealiseerd, veranderen niet. Alleen integreert men zich meer met de kracht waaruit deze dingen zijn voortgekomen. Men neemt misschien wat meer afstand van eigen schepping, maar het leven blijft gelijk. Daarom meen ik het proces der bewustwording te mogen definiëren in de volgende termen:
Bewustwording is een “ik”‑erkenning, die – voortkomend uit het niet door het “ik” gewenste of uit het “ik” ontstane proces leven – komt tot de beheersing van dit “ik” plus van al datgene rond dit “ik” volgens vaste regels.

Dan heb ik hiermee misschien vele abstracte waarden behandeld. Maar de praktijk ligt hier toch wel zeer dichtbij.

De relatie, die men in het begin heeft, is er één waaraan persoonlijkheid eigenlijk vreemd is. Alle dingen zijn eenvoudig een gebeuren. Zolang alles rond ons alleen maar gebeurt, mogen wij niet rekenen op een hoog bewustzijn.

Dan volgt er een periode, waarin alles rond ons een persoonlijkheid krijgt. De wind is een persoonlijkheid, een huisgod, een meubelstuk, de gong waarop wij slaan, de lamp die brandt, zij hebben allen hun eigen geest, hun eigen persoonlijkheid. Ik ben persoon tussen personen. Ik leer dan pas het onderscheid tussen mijn eigen persoonlijkheid en dat andere.

En dan komt het ogenblik,dat ik mijn persoonlijkheid kan leggen in het meubelstuk, in de lamp, in de elementen. Ik ben dan de machtige. Eens was de huisgod een kracht, een persoonlijke kracht, die mij tegemoet trad. Thans ben ik de kracht die de huisgod bezielt. Ben ik zover gekomen, dan zal ik alles, wat die huisgod eens voor mij waar maakte volgens mijn denken, voor mijzelf kunnen waar maken. In plaats van in een onbeheersbare wereld sta ik in een beheersbare. En op het ogenblik dat ik dit besef, is het slechts een vraag hoever ik durf doordringen in de samenhangen. Want indien ik weet wat moleculen en atomen doen, dan kan ik deze maken tot brood of tot steen, tot water of tot wijn. Ik kan alles maken wat noodzakelijk is. Ik kan de lucht maken tot de gestalte van een levend wezen en ik kan een mens doen vervluchtigen tot een stofwolk. Er is geen grens meer behalve die ene: ik kan dit slechts doen, indien ik volledig in dat andere leef.

De menselijke beperking hiervan wordt door vele Meesters gedemonstreerd. Ze zijn niet in staat de andere mens te beheersen. Ze kunnen hem genezen, ze kunnen hem terugwerpen, ze kunnen hem domineren, maar ze kunnen hem niet tot deel van het eigen “ik” maken. Er is nog geen mogelijkheid tot voldoende associatie. Men kan niet zijn wezen zover uitbreiden, dat het de ander geheel en met alle eigenschappen omvat.

Dus het proces der bewustwording houdt in: het erkennen van anderen als deel van jezelf met een volledige aanvaarding van de daarin gelegen waarden.

De voleinding der bewustwording is de erkenning van de volledige samenhang, waarin men zelf wel deel is, maar die men ook als geheel begrijpt en omvat. Dus….het einde der bewustwording is gelegen in het vermogen het geheel van het bestaan samen te brengen, binnen eigen begrip en eigen wezen, in alle delen te uiten.

Hier hebt u dan een korte samenvatting omtrent het begrip bewustwording.

De steen der wijzen

De Steen der Wijzen is de steen, die alle krachten en alle machten zou omvatten. Een magisch symbool, geboren uit het alchemistisch arsenaal. Maar het is ook het begrip voor de juiste samenwerking van de krachten.

De Steen der Wijzen wordt voorgesteld als een juweel, waarin alle facetten – in feite aan elkander gelijk zijnde door hun groepering – de zon zelf in zich tot leven schijnen te brengen en de eeuwigheid doen herleven in dat wat nog tijd kent.

“Zo gij de Steen der Wijzen zoekt,” zo roept een wijze uit, “delf in uzelve.”

En men vraagt zich af, of hij hier geen stenen voor brood geeft.

“Zo gij de Steen der Wijzen wilt maken,” roept een ander uit, “zult gij moeten zoeken naar de putten der wijsheid, naar de bronnen der eeuwige jeugd. Gij zult het water des levens moeten vermengen met het goud. Gij zult het moeten smelten met het kwik. Gij zult het moeten vermengen met de sulfer. En alles tezamen zult gij het verhitten. En mediterend en overwegend zult gij in uzelf de smeltkroes beschouwen, totdat er 4 uren voorbij zijn. En het uitstortend zult gij zien, dat midden in de onaanzienlijke korst de geslepen Steen der Wijsheid, het kristal der eeuwigheid voor u ligt.”

Het klinkt als een recept. Maar de Steen der Wijzen is het begrip voor de vele dingen die ons bewegen.

Wij zijn zelf smeltkroes en materiaal. Wij zijn het eeuwige leven; want in ons is de eeuwige Kracht waaruit wij bestaan in stof en in sferen.

Wij zijn zelf het goud; want wij zijn zelf het product dat het edelste in de schepping kan worden: het vol‑bewuste. En wij moeten het volle bewustzijn voegen bij ons begrip van eeuwigheid.

Wij zijn zelf de elementen. Wij zijn de zwavel, het element dat uitgaat uit de krochten der aarde en opstijgt tot de hemelen.

Wijzelf zijn het kwikzilver, dat – metaal en vloeistof tegelijk zijnde – steeds weer een eigen vorm zoekt en niet wenst gedeeld te zijn.

Wij zijn al die dingen zelf en ons wezen is de smeltkroes, die de gedachte in ons en het besef in ons moet voortbrengen.

Maar hoe kan een Steen der Wijzen ontstaan, wanneer ons begrip slechts één vlak kent? Wanneer wij alleen maar kennen onze eigen wereld of alleen onze eigen rechtvaardigheid of alleen maar onze eigen waarheid?

Want deze dingen zijn eenzijdig. Wij moeten facet naast facet leggen, driehoek aan driehoek rijen, tot de cirkel van de eeuwigheid ermede is gevuld. En pas wanneer wij die vlakken van bewustzijn hebben gevonden, kan de werkelijke materie van ons wezen (de eeuwige Kracht) weerspiegelen wat ons heeft voortgebracht. En waar een bewustzijn is van het scheppend Vermogen, de eeuwige Adem, waaruit wij leven, daar is onsterfelijkheid.

Zegt men niet, dat de Steen der Wijzen onsterfelijk maakt? Daar, waar wij de eenheid van alle dingen beseffen en aanvaarden alle verschillende uitingen van het Ene, daar is de grote Wijsheid, die alles beseft; daar is de Kennis, die alles omvat.

En zo men de goddelijke Kracht in zich kent, wanneer men de levende Adem in zich kan oproepen en doen uitgaan van eigen wezen, bezit men dan niet de macht van alle leven? Het is deze kracht, die alles vormt en al bepaalt. Wie deze kracht beheerst, beheerst alle elementen. En zegt men niet dat de Steen der Wijzen deze dingen doet?

Der Steen der Wijzen is de mythos, de legende van het eeuwig menselijk verlangen. Want iedere mens zoekt buiten zich te bereiken wat hij alleen in zichzelf kan vinden. Elke mens zoekt uit zijn wereld en zijn bezit saam te voegen datgene wat alleen in hen, eeuwige waarde heeft. En zo mogen wij zeggen:

Buiten zich zoekt de mens te verwezenlijken; en buiten zich streeft hij, omdat hij de moed niet heeft de waarden in zichzelf opnieuw te groeperen.

Maar ik zeg u dit: Zo gij de Steen der Wijzen begeert, zo zult ge eerst moeten leren alle andere begeren terzijde te stellen. Er mag geen bezit, er mag geen recht, er mag geen waardigheid en zelfs geen hemel belofte u dierbaar zijn, behalve dit ene: het Eeuwige in uzelf.

U kunt zoeken naar kennis. Maar ik zeg u: Geen enkele kennis mag voor u werkelijke waarde hebben, tenzij door hetgeen ge daarmee voor een ander kunt doen, dan de kennis in uzelf van het Eeuwige, de macht van het Eeuwige.

En dan komt misschien het ogenblik, dat ge in uzelf het ritme vindt, waarin het hart der werkelijkheid klopt: de vreemde en eeuwige vibratie, waaruit de oneindigheid spreekt. En dat uw vragen en raadselen vervliegen, omdat gij weet dat ge leeft en in uw leven de eeuwigheid zijt. Er is geen beperking aan eeuwigheid, noch in vorm, noch in wezen, in denken, in kennis of macht.

En dan misschien wordt de oude spreuk waar. De spreuk, die men stelde voor iets, wat aan uw Steen der Wijzen wel gelijk komt: de waarheid van het magisch elixer van Benares.

“Roept tot de velden en roept tot de wateren.
Roept tot de luchten en spreek:
Ziet, ik ben de hemelboog die zich spant.
Ziet, ik ben de wind die door de luchten raast.
Ziet, ik ben de boom die wuift in de wind.
Ziet, ik ben het water dat zich voortspoedt, golvend en kabbelend.
Ziet, ik ben de aarde die draagt.
Ik ben de zon.
Ik ben de kracht van het licht.
En ik ben de nacht, het duister waaruit het licht wordt geboren.
Ik ben de onwetendheid van het onbesefte.
En ik ben de kennis van alle dingen.
Want waarlijk, machtig ben ik, erfgenaam der Eeuwigheid.
En ziet, in mij zijn de krachten samengevloeid tot de stroom des levens.
En uit de stroom des levens openbaar ik dat, wat mijne waarheid is.”

Het is een onvolledige vertaling. U kunt het in gewijzigde vorm ook terugvinden in de spreuken van de Druïden. En zo ge naar Ierland gaat, dan klinkt een dergelijk lied nog in de oude mystieke zangen van Kildare.

Altijd heeft de mens beseft: wanneer ik mij één kan maken met dat wat rond mij is, dan ben ik eerst waarlijk eeuwig, bezit ik eerst waarlijk wijsheid en heb ik mijn eindbestemming bereikt.

Nu blijft mij alleen nog over om te sluiten. Ik wil dit zeer kort doen.

Wie twijfelt aan zichzelf, zal niet bereiken.
Wie twijfelt aan zijn God, kan zichzelf niet vertrouwen.
Maar wie vertrouwt op zichzelf en op de kracht waaruit hij leeft,
bereikt de kennis van zichzelf en het ware leven.