Laudate Dominum

image_pdf

8 december 1986

We hebben vanavond natuurlijk weer een gastspreker. U kent het verhaal. Deze keer een dominicaan, ongeveer 1500, zoiets. In zijn tijd een beetje een geleerde, handschriften, klassieken en zeevaartkunde. Een rare combinatie in een klooster, maar ja, waarschijnlijk had hij een hoop stellingen waar hij geen land mee kon bezeilen.

Toen ik hem vroeg waar hij over ging praten zei hij: “Ja, waar kun je anders over praten dan over laudate dominum?”

Ik zeg: “Ja, maar we moeten geen preek hebben.”

Zijn antwoord was: “Als je de waarheid zegt over het leven prijs je de Heer zonder te preken.”

Toen dacht ik bij mijzelf: ik wou dat vele predikanten in mijn tijd dat hadden geweten. Maar goed, we zitten dus feitelijk met het idee van, laat ik zeggen: het leven.

Het leven is een verschijnsel, dat weet u allemaal. In de periode dat je leeft, denk je allemaal dat je heel wat bent. En dan denk je dat je doodgaat en dat je niemand meer bent en vervolgens ontdek je dat je minder bent dan je had gedacht, maar meer dan je had kunnen verwachten

Dat is een heel eigenaardig procedé, Als je je dan realiseert dat er een kracht is waar al die dingen uit voortkomen, ja, dan wordt het toch wel een beetje interessant. Want ik weet niet of onze ex‑geestelijke, zo zal ik hem toch maar noemen, de neiging zal hebben zeer vroom te zijn, maar voor alle zekerheid zou ik toch het “tegengif” alvast willen vinden. Want aan vroomheid hebben we niets.

Als alles uit God is, is de atoombom ook uit God. En de vervuiling van de Rijn. Ook uit God. De mensen doen het wel, maar God maakt het mogelijk. Dus zitten we in een situatie waarbij we moeten zeggen: is het nu goed of is het kwaad?

De meeste mensen zullen zeggen: ja, maar het is toch erg? Vermoedelijk denkt God: ach, als ze niet verstandig genoeg zijn het zo te kunnen redden, laten ze elkaar dan maar uitroeien, dan kunnen ze ergens anders opnieuw beginnen.

Dat heb je bij een groot bedrijf ook. Als de vestiging het niet doet, dan hef je haar op en de werknemers hevel je zo veel mogelijk over naar andere bedrijven. En er zijn nogal wat levende vormen in de kosmos waar je toch heel aardig bewust bij kunt worden.

Ik denk zo dat een God loven gewoon is: kijken naar het bestaan. Het is nu bijvoorbeeld de periode van Sinterklaas. Sinterklaas is voorbijgegaan, de middenstandsbaard is uitgewapperd en langzaam maar zeker draaien we naar het kerstfeest toe. Ik hoor het weer overal zingen: ‘stille nacht heilige nacht’ en al wat er verder bij hoort en dan denk ik wel eens: mensen, weten jullie waar je eigenlijk mee bezig bent?

Het kerstfeest is ontstaan juist uit de midwinterzonnewende en dat is een Keltisch‑Germaans gebruik. Maar omdat het een eredienst was aan de herrijzende zon, hebben ze feitelijk van Jezus een soort herrijzende zon gemaakt: het licht wordt op aarde geboren.

Dan krijg je Pasen erbij en dan ‘uit de schijnbare dood is hij opgestaan’, zoals Balter, uiteindelijk gewond door Loki’s twijg, de mistletoe, wel in de onderwereld vertoeft, maar elk jaar weer naar buiten komt om het leven opnieuw te geven.

Het kerstfeest is ook het feest van de continuïteit. De meeste mensen lopen daar overheen. Die zijn druk bezig met advent. Allemaal zijn ze dan bezig met de voorbereiding. “Dit is de tijd van de profeten” en “dit is de tijd van dat” ‑ en “dat” was de aankondiging van de geboorte aan Maria. Ja, tegenwoordig hebben ze er gewoon een buisje voor, een beetje urine erin, schudden, en je kunt het zien, maar daar hadden ze nog een engel nodig. Op die manier hebben ze de werkelijkheid een beetje vervalst. De eeuwige kringloop van het jaar, maar ook de kringloop van de ziel. De ziel, die haar eigen wegen gaat en die probeert elke keer weer voor zich een gestalte te vinden waar ze nu werkelijk totaal deel aan kan hebben. Het lukt nooit, hoor, tenminste niet op aarde, zover ik weet, op een enkeling na.

Maar goed, je zoekt naar een gestalte, naar een vorm, naar een mogelijkheid. Wanneer je dan zogenaamd doodgaat heb je een hoop bijgeleerd en kun je veel meer dingen zien. Je zou kunnen zeggen: je gaat de stof in om vakkennis op te doen voor het begrip in de geest.

Zit je een tijdje in de geest en kom je niet meer verder, nu huppakee, dan ga je terug naar de wereld, weer bijleren. Net zo lang tot het niet meer nodig is.

Als het niet meer nodig is houdt het ook nog niet op, want dan ga je weer op een andere manier werken. Meestal eerst met de materie en met de levenskrachten en daarna ga je voornamelijk in geestelijke werelden werken. En uiteindelijk, ja, dan verdwijn je een beetje uit het zicht.

Nu komen dan weer de dagen van Kerstmis. 0, ik gun u uw kerstboom, overigens ook een heel heidens motief, hoor. De eeuwig groene boom, het altijd bestaande jaar. Dat weten de meesten ook niet. En de lichtjes in de bomen. U denkt: die kaarsjes met kerstmis, hè, gezellig, maar die lichtjes staan eigenlijk in die boom om aan te geven wat er voor krachten zijn. Het is de kracht van het licht dat herboren wordt. Dat wordt gevierd.

Daarom moet je er ook niet, zoals ze zeggen, 16 of 15 van die kaarsjes in zetten. Oorspronkelijk hoorden er 7 kaarsjes in. Die 7 kaarsjes vertegenwoordigen de 7 planeten die tezamen het leven op aarde mede mogelijk maken. Wel zat er een grote ster meestal bovenaan, die het licht van al die kaarsen ving en dat stelde dan de zon voor.

Als je erover nadenkt, is het eigenlijk krankzinnig. Vroeger was het een heel religieuze plechtigheid. Het kappen van de boom zelf was al een heel ritueel. Tegenwoordig sta je alleen maar af te dingen als je de kans krijgt. De rest? Nou ja, die wordt met nieuwjaar wel verbrand.

Maar het leven zelf houdt niet op. De schijn van het leven houdt op. In dat leven heeft alles zijn zin en zijn betekenis. Je kunt niets uitzonderen. Je kunt niet zeggen: ja, maar ziekte is verkeerd. Neen, ziekte heeft ook zijn zin. Je kunt niet zeggen: werken is erg, of lastig. Het kan wel zo zijn, maar het heeft zijn betekenis. Het geeft inhoud, zin aan je bestaan.

Ze kunnen tegen je roepen: je moet bezig zijn met het leven na de dood.

Mag ik u eens wat vragen? Als u bezig bent met een ingewikkelde som, bijvoorbeeld het optellen van een rijtje met veel getallen. Kunt u dan tegelijkertijd met iemand bezig zijn over het weer? Ik denk dat er maar weinig mensen zijn die het kunnen. En zo is het met het leven ook. Je moet niet bezig zijn met het hiernamaals, je moet bezig zijn met het hier. Al het andere hoort erbij. Alles bestaat uit de goddelijke kracht, alles is deel van de goddelijke kracht. Best. Maar dan moeten we al die dingen ook aanvaarden zoals ze zijn en moeten we voor onszelf steeds het beste maken van datgene wat nu voor ons beheersbaar is.

Er zijn een hele hoop predikaties die erop neerkomen dat de mens wikt en God beschikt. Dat kan wel waar zijn, maar als de mens wikt moet hij toch ook wel proberen te beschikken, dacht ik. Het is heel vreemd. De meeste mensen wikken wel maar ze wegen niet, alleen als het om andermans geld gaat. Dan wikken ze en dan handelen ze.

We moeten gewoon begrijpen dat elk ding, elk gebeuren, elk beleven zinvol is. Het is niet altijd even gemakkelijk, het is niet altijd even prettig, maar het heeft gewoon zijn betekenis. Zonder dat zouden we niet kunnen worden wat we uiteindelijk worden wanneer we aan de andere kant komen, zoals u dat tenminste noemt. Als ik het over de andere kant heb, denk ik aan u en dan doe ik dat meestal met medelijden. Totdat ik denk: 1, 2, 3 in godsnaam, daar gaan we weer.

God loven? Ja, ik vind dat het er ergens wel bij hoort, maar niet in de zin van zware gezangen zingen en zo. Het is gewoon de erkenning: overal is het leven, overal is de kracht, overal is God. En dan (ik weet niet of onze gast het ermee eens zal zijn, maar laat ik het dan toch maar zeggen): u bent ook deel van God. Natuurlijk. Waarom zou u het niet zijn? Als alles uit God is, bent u het ook, maar als u uit God bent, dan bent u deel van God en hoeft u zich toch helemaal niet bezig te houden met wat anderen u vertellen wat God wil? U moet het gewoon van binnen weten.

Er zijn geen waarheden die worden verkondigd, er zijn waarheden die in u open bloeien, waarvan u zich bewust wordt.

De mens is een soort microkosmos. Wanneer je in jezelf gaat zoeken tot aan de grenzen van je weten en je kennen en je ervaren, zal je een hele wereld aantreffen. En wat die wereld is en wat die wereld doet? Ach, je wordt van buiten beïnvloed: “denk er zus en denk er zo over.” Maar vraag je nu maar gewoon af: ben ik het zelf? Wanneer je iets doet, vraag je dan af: doe ik het zelf of wordt het door mij gedaan door dwang van buitenaf, conditionering of wat dan ook. Vind jezelf terug. En als je jezelf terugvindt dan vind je ook je eigen kracht terug.

Dat is helemaal niet gek, hoor. De meeste mensen zeggen: “Ja, maar ik kan dat niet!” Je kunt enorm veel, maar dan moet je een beroep doen op de kracht in jezelf. Dan moet je weten dat het die kracht is die het doet en verder niets.

Je hoeft heus geen laudate dominum te zingen of een Te Deum. Maar je kunt heel gewoon tegen jezelf zeggen: God, wat ben ik blij dat ik er ben! God, ik ben blij dat je me de kans geeft en ik zal het hier zo goed mogelijk doen. En als ik het niet goed doe, nou, doe jij dan maar wat. .

0 ja, ik weet het, het is niet vroom genoeg, natuurlijk niet. Het is misschien niet esoterisch genoeg. Maar aan de andere kant, esoterie is naar binnen toe richten. In jezelf woont God en als je nu licht hebt in jezelf, moet je er dan in aanbidding naar staren of moet je je omdraaien en het van je uit laten gaan?

Ik heb wel eens gezegd: liever dan een innerlijk licht dat niet tot uiting komt ben ik een kaars die opbrandt. Dit is al een tijdje geleden, hoor, maar goed ik heb het gezegd. En waarom? Omdat het geven van licht, het leven van licht is. Het geven van genegenheid, van steun, van gevoel, van hulp, is leven. Alleen maar kijken wat er gebeurt en kennis in jezelf opslaan en bezig zijn met jezelf en je innerlijke processen, nou ja, dat is voor de spiegel staan smoezen met jezelf, terwijl je doof bent voor alles wat de hele wereld, inclusief de schepping, je toeroept.

Maar dat is ook geen esoterie, hé? Dat is hatelijk. Maar zou echte esoterie misschien niet een beetje hatelijk zijn? Echte esoterie is niet de leer van de illusie, het is niet de heerlijke fantasie van onze eigen hoogheid. Het is niet het heerlijke gevoel dat wij boven anderen verheven zullen uitzweven. Het is gewoon het weten: in mij is de kracht. Die kracht laat ik uit mij voortkomen, die kracht zal op mij antwoorden. En daardoor heeft alles zijn zin en zijn betekenis.

Er zijn mensen die zeggen: “maar wij zijn tot onze beproeving in dit tranendal geplaatst!” Nu, als dit een tranendal is, dan is het dat voor driekwart door de krokodillentranen en het medelijden dat je met jezelf hebt, bewust of onbewust. En als je een ander ziet en je bent erdoor bewogen, dan is het toch stom om te huilen als je je handen uit de mouwen kunt steken? Waar of niet?

Kijk, dat is nu mijn gevoel van esoterie. Het is niet: “in mijzelf het Hoogste ontdekken, in de tempel van mijn innerlijk staan voor het Eeuwige Licht.” Het is gewoon de deuren opengooien dat het licht naar buiten kan. Het is een dwaas die zijn licht onder de korenmaat plaatst. Dat heeft zelfs Jezus gezegd en die kon het weten.

Natuurlijk, je hebt je innerlijke gesprekken, ongetwijfeld. Misschien met jezelf, misschien met iets hogers, en misschien ‑ als je even ademloos stil bent ‑ met God. Maar die dingen zijn op het ogenblik toch bijkomstig? Je moet leven. Je moet werken. Je moet alles wat je doet zo goed mogelijk doen, voor anderen zo goed mogelijk doen, en je gelijktijdig zelf zo weinig mogelijk in een keurslijf laten persen van “Wat moet ik denken en wat moet ik doen?” Je moet leren vrij zijn door jezelf meester te worden. Dat is de ware esoterie.

Als dan iemand God wil prijzen zeg ik: best. Want er zijn geen woorden waarmee de kracht die alles heeft voortgebracht ten genoegen geprezen kan worden. Wel zeg, ik er gelijktijdig achteraan: maar zij die proberen hem te prijzen, misprijzen zijn werken door ze niet te beachten.

Dit is in een paar woorden wat ik zie als “tegengif” tegen al wat misschien toch te zweverig is en los staat van de wereld waarin je leeft, van de persoonlijkheid die je bent, van datgene wat zich in je afspeelt en datgene wat er uit jezelf kan voortkomen.

Ik zal het niet te lang meer maken, want je weet het niet, zo’n ex‑predikant kan misschien nog een hele tijd nodig hebben. Mijn ervaring is namelijk dat de predikatie langer wordt naarmate de predikant zichzelf gewichtiger voelt. Deze gastspreker is in ieder geval geestelijk van hoog gewicht. Hij is iets, hij is deel van het gouden licht, hij is deel van allerlei grote lichtkrachten. Hij pakt zijn bewustzijn terug en projecteert zich weer in de gestalte van die bepaalde incarnatie. Als hij dat doet, hoop ik maar dat hij die kracht weet te geven. Die kracht is belangrijk, want als u die kracht voelt dan herkent u haar ook in uzelf. U kunt namelijk nooit iets herkennen wat niet in uzelf leeft.

Als u daarna naar huis gaat, moet u niet zeggen: ze hebben krachten uitgestraald, o wat was het mooi! Dat vind ik altijd verschrikkelijk. Dan komen ze uit de kerk of van een seance en bij het naar huis gaan is hun lijflied: 0, wat was het mooi! Daar heb je niets aan. Als je nu zou zingen: 0, wat ben ik sterk, wat kan ik toch veel! Ja, dan ben ik het ermee eens.

Als ik het kort mag samenvatten:

Besef dat je deel bent van de Al-kracht. Besef dat de Al-kracht in je leeft. Besef dat het uiten van die Al-kracht de zin is van je bestaan en probeer dan de kracht te herkennen om ze te uiten.

Tracht niet meer of minder te zijn dan een ander, maar probeer intenser één te zijn met de kracht die in je leeft.

Probeer niet de wereld te veranderen, want dat kun je niet. Maar probeer jezelf los te maken van die wereld tot je in staat bent werkelijk alle kracht die in je leeft, uit te stralen en tot uiting te brengen.

Als die gastspreker zo dadelijk komt, hoop ik alleen dat u niet denkt: “wat hangt ons boven het hoofd? of “Nu wordt het mooi”, maar dat u gewoon denkt: eigenlijk ben ik dat ook. Want pas als je de ander aanvaard als deel van jezelf, kun je de werkelijkheid van de ander ervaren en gelijktijdig kun je kenbaar maken wat je bent.

Niets is zieliger dan een mens die aan het einde van zijn leven moet zeggen: ik heb mijzelf niet kenbaar gemaakt. En niets is zieliger dan een geest die moet zeggen: ik heb maar heel weinig begrepen, want ik was zo druk met mijzelf bezig.

Vrienden, bedankt voor uw aandacht. Ik wens u een zegenrijke avond toe. Als ik misschien, in uw denken, hier en daar een beetje tekortgeschoten ben, och, dan zal de gastspreker het wel goedmaken. En als u denkt: misschien heeft hij een klein beetje gelijk, stel u dan eens op de juiste manier in.

Gastspreker

“Looft de Heer, want ziet, Hij is in alle dingen.” Dat geloof je niet wanneer je net bent over gegaan.

Aankomende ‑ mij van mijn zonden bewust ‑ meende ik een vagevuur te moeten betreden met uitzicht op een hemel. Er was geen hemel zoals ik mij die dacht, er was geen vagevuur zoals ik het vreesde. Er was alleen een weidsheid.

Uit het bijna benauwende duister ontsnap je naar een licht dat groter en groter wordt en ik zag velden, ik zag bomen, ik zag een wereld. En ik prees mij gelukkig hier te mogen vertoeven. Deze wereld verbleekte en er was een andere, een veel grotere wereld. Een nevel over de grond, kleuren aan de hemel, een gouden licht dat onbestemd uit alle dingen scheen te stralen. Ik vroeg mij af: is dit de Hemel? Ergens antwoordde iets mij: dit ben je zelf.

Zo begon mijn gang uit de vroomheid naar de werkelijkheid. Mensen dromen. Ze bouwen goden, ze bouwen hemelen, ze bouwen het diepste vuur van de hel en de slijmerigste krochten van vergetelheid. Maar het zijn mensen die ze bouwen, want het werkelijke, het onnoembare, is eigenlijk al tegelijk en toch maar een klein deel van al wat je zou kunnen beseffen.

Toen ik dat voor het eerst besefte riep ik (oude gewoonten sterven moeilijk): Laudate Dominum, loof de Heer. En de echo klonk in mijzelf en de wereld bleef stil. Toen zei ik tot mijzelf: wat is nu waar? De echo antwoordde vragend: waar? Want waarheid is niet, omdat waarheid niet beseft wordt.

Zo heb ik daar lange tijd in het gouden licht gedreven, bijna vergetende wat ik was geweest, tot in mij een besef wakker werd dat het licht in mij was, dat het uit mij straalde, maar niet alleen uit mij. Toen, voor het eerst, besefte ik dat “loof de Heer” niet wil zeggen: loof iets wat ver weg is, maar dat het de glorieuze, de juichende erkenning is van wat je bent en van al wat rond je bestaat. Voor ik het wist, was ik bekeerd tot atheïst. Overal God en nergens een specifieke.

Dat maakt het een beetje moeilijk om te denken, een beetje moeilijk om te reageren en toen heb ik tot mijzelf gezegd: waarom zou je nog vragen naar werkelijkheid?

Straal gewoon maar uit wat je bent. Probeer licht te zijn. Laat het licht van het andere zich met jouw licht vermengen en dan zullen we wel begrijpen wat het doel is.

Veel grootser dan ik kan beschrijven, is mijn wereld geworden. Het gouden licht is iets waar ik deel van ben.

De nevelen zijn verzonken, de bodem is verdwenen en wat overblijft is de kleurenpracht van een onbekende zon, waarin ik straal, waarin ik leef. Nu pas besef ik dat als ik de Heer loof, ik al loof wat hij geschapen heeft. De rabauw, de krijgsknecht, de priester, de arme, de pestlijder, de melaatse, al wat is. Want door al wat is te eren, te erkennen, erken ik mijn God.

Oude eerzucht is verdwenen. Ik heb altijd gedacht: eens zal ik nog wel abt worden van het klooster. Maar nu besef ik dat ik de sterkste aap in de kooi wilde worden. Om dat te bereiken, predikte ik vurig. En mijn woorden waren zo leeg als mijn begrip van de werkelijkheid.

Maar er is leven. Er is een leven dat alle grenzen overschrijdt. Er is een licht dat in alle werelden gelijkelijk is. En dat is de enige werkelijke wereld, die niet door de dromen van mensen wordt bepaald. Maar zoals er stromingen zijn in de oceanen, zoals er verschillen zijn van temperatuur in het water, van de vissen en de dieren die je er ziet, zo zijn er verschillen in deze eenheid.

Wij worden gedreven door een stroming als mens en we zeggen: dit is mijn wereld, zoals de nautilus, zeilend aan de oppervlakte, van zich zou denken: ziet, de zee is mijn wereld en ik bepaal waarheen ik ga. Want zo dwaas zijn wij. Zo dwaas ben ik nog steeds. Want wie spreekt over die dingen die alleen beleefd kunnen worden, behalve door een dwaas? En toch, vaak zegt een dwaas een waarheid die de wijze niet beseffen kan. Daarom probeer ik te spreken als de dwaas die ik ben.

In u leeft een goddelijk licht. Al wat u is, wat u geweest bent, dat wat u worden zult, is deel van één geheel, van een werkelijkheid. De gang van de tijd is een droom, maar het bestaan is een werkelijkheid. De werelden waarin je leeft, de dingen waarnaar je streeft, ze zijn een droom, maar de dromer is een werkelijkheid. Te weten dat je droomt zonder jouw droom te verwerpen, maar te beseffen dat de werkelijkheid de dromer is, is de eerste stap die je bevrijdt uit landschappen en werelden, schoon of hatelijk; die je voor het eerst doet beseffen dat rond je de voortdurende trilling is van licht, van licht, van licht.

U leeft. U bestaat. Dan bent u ook kracht en de kracht bestaat in u. Dan bent u deel van alle kracht en alle leven bestaat in u. Slaaf ben je van je dromen, maar meester ben je van je werkelijkheid. Wij moeten ons bevrijden van de slavenketenen van de illusie. Niet ontkennende wat leeft, niet verwerpende wat is, maar zoekende te zijn wat we kunnen zijn, te leven wat in ons leeft, de kracht te worden waarvan we toch deel zijn.

Onze Heiland en Verlosser heeft gezegd: “Ik ben de weg en de waarheid en niemand komt tot de Vader dan door mij.” En ieder heeft gezegd: ziet, je moet in Jezus geloven. Maar hoe kun je geloven in een weg die je niet gaat? Want de weg van Jezus was niet een weg van Meester zijn, maar van een dienend zijn, kracht geven waar het mogelijk was; van een delen van wat in hem leefde ook door woorden, waar het doenlijk was. Dat is de weg. En de waarheid is dan: in jezelf te weten één te zijn met al die krachten, met deze goddelijke liefde, die ‑ om het oude woord te gebruiken ‑ alle dingen in stand houdt en omgeeft, die alle dingen erkent en die klaarblijkelijk wordt voor alle dingen die haar erkennen.

Eens heb ik verworpen dat een mens tweemaal op aarde zou leven, tenzij hij een uitverkorene zou zijn. Nu weet ik dat het een rondegang is, een dans van vormen, waardoor het Ik probeert zichzelf te beseffen. En dat zijn ook vaak menselijke levens. Maar ik zeg niet dat reïncarnatie het belangrijke is; belangrijk is het begrip. En het is het onbegrip dat u opnieuw op aarde doet leven.

Ik zeg niet dat de oude leer waardeloos is of dat een nieuwe leer beter is. Jezus heeft in zijn openbare leven in liefde de mensheid gediend tot het uiterste, kunnen wij dat ook? Want de wonderen die hij deed, kwamen niet voort uit de almacht van de Vader zonder meer, zij waren een deel van Jezus. Het was ook zijn kracht die hij gaf, het was zijn leven, dat hij meedeelde aan anderen. Niet vragende: zal ik sterker zijn of zwakker worden, maar gevende. Het geheim van zijn liefde was, zich steeds weer herkennen in alle dingen. Dat is de weg. En de waarheid is dat in de erkenning van alle dingen als deel van jezelf, de erkenning ontstaat van een totale kracht die alle werelden van alle voorstellingen omvat: de Vader.

Leven uit de Vader is niet leven in zwakheid of in onderworpenheid. Het is leven uit een innerlijke kracht die zo sterk is, dat zij alles kan weerstaan, dat zij zich bevrijden kan van alle twijfel en dat zij in zich het belangrijke doel kan zien en waarmaken.

Wie hunkert terug naar de dagen dat monniken lettertekenend de oude geschriften opnieuw kopieerden en zichzelf in hun trots van werken wel vergaten, maar in alle nederigheid trots waren op hun werk?

Wie kan terugverlangen naar de kamers met de vele boeken, met de globes, waarin studerenden voortdurend hun wijsheid proberen te vergroten, maar vergeten dat de eerst noodzakelijke wijsheid van zijn is? Gesprekken over de ouden, Aristoteles, Plutarchus, over de leer van de stoïcijnen, wat heeft het voor nut gehad? Wij die lerarend optraden, namen onze dorre kennis en verdorden vaak jonge geesten. Maar dat besef ik eerst nu. Want leven is deel‑zijn. Deel zijn van alle dingen en van de kracht.

Leven dat is opgaan in alle gebeuren. Niet om het gebeuren, maar om het deel-zijn.

Leven is niet: oude denkbeelden afstoffen en trots tentoonstellen. Of, nieuwe speculaties op een voetstuk plaatsend, uitroepen: hier is de nieuwe waarheid! Leven is gewoon leven.

Ik besef nu dat wij, de geleerden, de gewijden, de heiligen, de minderen waren van de broeders die mest kruiden in de stallen; die de vloeren boenden en die de armen de aalmoezen van het klooster uitdeelden zonder zich af te vragen of het klooster het wel kon missen en zonder zich af te vragen aan wie zij gaven.

Het is moeilijk terug te gaan naar wat je bent geweest, want wat je bent geweest was een droom. En wie ontwaakt zal zich de droom niet geheel herinneren. Zo gaat het mij en zo zal het ook u gaan. U bent niet hier omdat u meer uitverkoren bent dan anderen, of omdat u wijzer bent, maar gewoon omdat u wilt, omdat u bent.

U bent het leven, u bent de kracht, u bent in uw tijdelijkheid het oneindige, het eeuwige. In uw beperking bent u deel van de archieven die alle feiten van alle werelden in zich dragen, voor altijd waar, tot de laatste jota, de laatste tittel.

Wees deel van de kracht en van het licht. Maak u geen beelden van wat zal zijn, maar wees licht. Vraag u niet af wat mogelijk is, maar geef uw kracht. Beroem u niet op wat u volbracht hebt, maar zie naar hetgeen u nog kunt doen. Dan zult u waarlijk weten: in u leeft de Christus, de eeuwige kracht, het licht en de waarheid, de vervulling van al wat mensen, aarzelend, soms dromen of nastreven. Looft de Heer in al zijn werken, zijn openbaringen en de geheimen die in ons leven. Die uit Al waarheid maakt. Die in en met ons is indien wij ons niet op hem beroepen, maar trachten zijn wezen uit te dragen. Waarheid in menselijke zin bestaat niet, waarheid in goddelijke zin bestaan niet, want waarheid impliceert onwaarheid. Maar waar de werkelijke kracht is, waar de Vader werkt in alle dingen, is er alleen besef, de beleving, de erkenning. Geen leugen en geen waarheid.

Eens zult u de paden treden die ik getreden ben en zult ook u staan in vragende eenzaamheid misschien, of in verrukking jubelen over een landschap, zonder te beseffen dat het al vergaat terwijl u jubelt. Want wanneer één die weg gaat, zullen allen, zal Al die weg gaan, omdat het de weg is die voert van de onwetendheid naar het weten, van de droom naar het onveranderlijke, van het streven naar het erkennen.

Ik erken dat God in en rond mij is en in en rond u is; dat de vervulling van uw dromen uit kan blijven. Maar erkent gij dan dat wat werkelijk in u is als een waarheid op zal bloeien, zelfs wanneer u kijkt in de wereld buiten u. Er zijn geen grenzen. In het begin voel je je verloren zonder grenzen, zoals de edelman zonder vesting zich belaagt acht. En toch is juist het onbegrensde ons ware leven Waarom zouden wij ons opsluiten binnen dikke muren van wat we denken, weten en geloven, van wat we vrezen en haten? Waarom, alles bannen wat in ons is als deel van ons verleden, als deel van wat we onze toekomst noemen? Waarom zouden wij in onszelf niet één zijn? Waarom zouden wij niet de grenzen beschouwen als aanduidingen, niet als wetten of onmogelijkheden? Want dit zeg ik u: zo waar als de kracht van de Christus heeft geleefd in Jezus, zo leeft de kracht van de Christus in u, zo leeft de kracht van God in u. Zij is in en met u en versmelt in en uit u al tot het enig ware waartoe gij behoort en waarvan ge deel zult zijn.

Omdat we geen naam hebben voor Hem die deze waarheid maakt, zeg ik u: loof de Heer, prijs het leven, prijs de dood, prijs al wat bestaan is, opdat wij in onszelf vrij zullen worden van onze dromen, wijs zullen worden door ons beleven en vrij zullen zijn ons licht te delen met al wat rond ons is.

Laudatie omnium.

image_pdf