Legende, overlevering en literatuur in heden en verleden

image_pdf

10 februari 1961

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Ik hoop dan ook, dat u zelfstandig na zult denken. Mijn onderwerp voor heden is: Legende, overlevering en literatuur in heden en verleden.

Wanneer wij spreken over sprookjes en legenden, zal de moderne mens geneigd zijn te stellen, dat hij in zijn tijd geen sprookjes en legenden meer kent. Hij maakt een scherp onderscheid tussen het sprookje en de literatuur. Een Jules Verne wordt niet als een sprookjesverteller beschouwd; andere groten als bv. Vestdijk, noemt men bij voorkeur romanciers. Sprookje en legende blijken directe voorgangers van de huidige romans te zijn. Om dit duidelijk te maken zullen wij eens nagaan, hoe deze verhalen eigenlijk tot stand gekomen zijn.

In de oudheid was alles overlevering. Een schrift, dat bruikbaar was om grotere verhalen vast te leggen, bestond niet. In de eerste periode is er hoofdzakelijk sprake van magische tekeningen en beelden; later komen er tekens, die hoofdzakelijk dienen voor boekhoudingen en kortere berichten. Deze tekens lezen, konden slechts enkelen. Toch diende de jeugd onderricht te worden en wensten ook de ouderen bezig gehouden te worden. Van een schoolstrijd en een Mammoetwet was in die dagen natuurlijk geen sprake. De mammoet was er misschien nog wel, maar een werkelijke wet was meestal nog heel ver te zoeken.
De oudere stamleden gaven aan de jongeren mondeling onderricht, waarin niet alleen de kennis van bepaalde, voor de mens belangrijke vaardigheden, maar ook de geschiedenis van de stam een grote rol speelden. Hierbij ontmoeten wij reeds elementen, die ook in de huidige romans een grote rol spelen. De mensen tekenen alles zwart – wit en zijn het gewoon heerlijk te overdrijven. Alles, wat het eigen begrip te boven gaat, wordt aan bovennatuurlijke krachten toegeschreven; alles, wat binnen eigen begripsmogelijkheden valt, wordt vertekend tot grotere heerlijkheid van de stam en het stamhoofd.
Verbaast u er zich niet over, dat vooral het stamhoofd en diens geslacht in de oude overleveringen een zo grote rol speelden. De verteller was al te vaak geheel of grotendeels van dit stamhoofd voor zijn onderhoud afhankelijk. Ook in uw dagen kennen wij schrijvers, bv. Simenon, die vanwege hun levensonderhoud plegen te schrijven. Misschien produceren deze wel literatuur en creëren zij een bepaalde stijl, maar hun eerste gedachte is toch steeds weer de beloning, de goedkeuring van het publiek.

Laat mij u een voorbeeld geven van het ontstaan van een oude overlevering:

Er is een betrekkelijk kleine stam, die te kort aan voedsel heeft. Deze stam ontdekt door een toeval, dat een naburige stam een groot feest zal houden. Deze naburige stam heeft wel voldoende voedsel. Men besluit dan ook een overval te plegen. Met de werkelijke aanval wacht men natuurlijk tot tijdens het feest, daar door een te veel aan voedsel en drank de tegenstanders enigszins beneveld zijn. Dan stormt men met vervaarlijk lawaai er op los en maakt zich met de buit uit de voeten, eer men ook maar enige weerstand of achtervolging kan organiseren. Dit zijn de feiten.
De hofzanger, de bard, kan dit niet zondermeer zo weergeven. Dit klinkt niet romantisch. Hij begint dan ook te vertellen over een zeer lange en moeizame tocht en fantaseert over de vele gevaren, die men heeft moeten overwinnen. Daarna tekent hij het dorp van de vijand. Hij tekent de tegenstanders als waakzaam, krachtig en zwaar bewapend. Dan eerst vertelt hij, hoe men zonder aarzeling op de vijand is aangestormd en als een minderheid van 1 tegen 1.000 – ofschoon geen der beide stammen ooit 1.000 mensen tezamen hebben gezien – overwint. Uitvoerig verhaalt hij achtereenvolgens, hoe een ieder heeft gestreden en hoe men geheel het dorp heeft uitgemoord, om, met grote en rijke buit, terug te keren tot eigen huis.

Steeds weer roemt hij daarbij de knappe en moedige leider van de stam, die zijn volk tot deze heldendaad in staat heeft gesteld.

U zult begrijpen, dat tijdens het bewind van een bepaald stamhoofd, meerdere dergelijke  strooptochten voor kunnen komen. Indien deze allen even gunstig kunnen worden voorgesteld, is het wel zeker, dat dit verhaal vele geslachten lang zal worden bewaard en altijd weer naverteld. De overdrijving neemt steeds toe, steeds meer tracht men de mensen van heden aan te moedigen het oude voorbeeld te volgen. Op de duur zou dit niet meer mogelijk zijn. Daarom tekent men het stamhoofd in kwestie als een soort reus, die met flitsende wapens en een dodende blik de vijand in verwarring brengt en zijn legers naar de overwinning voert.
Al na 10 à 12 geslachten overheerst dan vaak het bovennatuurlijk element, zodat de strooptochten tot een Goddelijke zending en het stamhoofd van eens een soort Godheid is geworden. De hinderpalen, waarover de eerste bard zong, zijn geworden tot een ingrijpen van duistere machten, die, dank zij de hulp van de held en mogelijk ook nog verdere bovennatuurlijke wezens, die hij tot zijn leger roept, worden overwonnen.

Wanneer men eenmaal dergelijke verhalen op schrift gaat stellen, is het bovennatuurlijke het hoofdelement geworden. U kunt dit zien in het Gilgamesj-epos. Daarin vinden wij de menselijke elementen als vriendschap en een zoeken naast vele andere eigenaardige verschijnselen als een Meer des Doods, Grotten van de Onderwereld. Wanneer men over dit verhaal nadenkt, komt men tot de conclusie, dat een dergelijk verhaal zich wel eens in werkelijkheid, maar dan vereenvoudigd, afgespeeld zou kunnen hebben. Alle beschrijvingen worden namelijk zó gegeven, dat zij blijken te slaan op een bepaalde streek. Van een meer vol dodelijk zuur is natuurlijk geen sprake. Maar een meer is er wel degelijk en dit klopt ongeveer met de beschrijving. Ook grotten zijn daar inderdaad te vinden, al is er geen ingang tot de onderwereld. Hier staan wij aan het begin van het sprookje.

Uit de legenden komen leerverhalen voort. Deze verhalen staan vol symbolen en verklaren bepaalde waarden van het leven door gelijkenissen. Dan krijgen wij te maken met een held, die een volk, dat door een grote stier geteisterd wordt, bevrijdt. Overigens kon dit verhaal wel eens samenhangen met de invloed van het sterrenbeeld “de Stier”. De held verslaat de stier. Uit de stier komt een witte koe te voorschijn. Vanaf dat ogenblik zijn er rijke kudden in het land en er heerst weer welvaart. De witte koe blijkt voor deze overvloed aansprakelijk te zijn. Waarschijnlijk is zij een beeld van de hemel-koe die wij ook in Babylon aantreffen. Deze koe zou, volgens het verhaal, tevens de stammoeder zijn van een geslacht van heilige dieren. Een soort kosmologie dus?
Wanneer wij dit sprookjesachtige verhaal vergelijken met de ons bekende feiten en soortgelijke overleveringen, zo komen wij tot de conclusie, dat in het verleden de mensheid – misschien wel door de invloed van de sterren – in een zeer grote verwarring leefde. De bron daarvan werd niet begrepen, daar zij uit krachten voortkwam, die de mensen in die dagen nog niet kenden. Gezien de verhalen kan men aannemen, dat een of enkele mensen ontdekten, hoe ze de krachten onschadelijk konden maken en daardoor dus vrede en mogelijk hernieuwde welvaart wisten te bereiken. Deze overvloed is dan later geassocieerd met de hemel-koe, de Witte Koe in het sprookje.

Deze overleveringen zullen wel mede aanleiding zijn geweest tot de stierverering en de stieroffers, die wij steeds weer in de mythologie en de oude godsdiensten ontmoeten. Overigens is het opvallend, dat, hoe verder wij komen in de tijd, de complexiteit van het verhaal toeneemt. Ondertussen hebben waarschijnlijk de priesters en tovenaars hun kunsten verder ontwikkeld. Het is waarschijnlijk aan het toenemende gebruik van magische rituelen en dergelijke te danken, dat wij – naast bovennatuurlijke wezens – ook tovenaars en heksen als deus ex machina op zien treden. Zij zijn het, die de veranderingen tot stand brengen en de toekomst bepalen in het verhaal. Als held van het verhaal komt dan steeds de domme mens naar voren. Ook wordt vaak de nadruk gelegd op de afstamming: de zevende zoon van een zevende zoon en dergelijke komen steeds terug.

De nadruk op de lijst van de geslachten en de afstamming vinden wij overigens niet alleen in  sprookjes; onder meer vinden wij deze beelden in de eerste tien boeken van de Bijbel sterk terug. Ook in de Upanishaden, de heilige boeken van India, vinden wij een verwijzing naar de afstamming als verklaring van de mogelijkheden van de held en zijn magische bereikingen terug. Deze boeken behoren wel tot de oudste literatuur, die tot op heden is overgeleverd. Ook de gedachte, dat bepaalde mogelijkheden na een bepaalde tijd of een aantal geslachten terug zullen keren, speelt klaarblijkelijk een grote rol. Wanneer de maatschappelijke vormen meer ingewikkeld worden, zien wij vooral Goden optreden als helden – of ingrijpende machten – in het verhaal. De Goddelijke krachten krijgen steeds meer invloed, krijgen meer te doen en grijpen op aarde volgens hun eigen denken in.

Deze traditie schenkt de mens verschillende machtige drama’s, maar ook zeer goede kluchten. Hierbij kunnen wij denken aan Apuleius. Ongeacht inhoud en verloop tonen deze verhalen ons altijd weer de mens, die leeft in een wereld, die geheel doordesemd is met het bovennatuurlijke.  Dit geloof in wonderlijke machten en Goden vindt zijn weg tot in de Christelijke tijden. De eenvoudige mensen en hun volksgeloof vinden in het sprookje weer een uitweg, een mogelijkheid om het oude te bewaren.
In de literatuur zien wij dan ook na Christus een eigenaardige vermenging tot stand komen van heidens geloof, Christelijke overleveringen en volkswijsheid. Langzaam wordt het sprookje, als bv. bij Andersen, tevens een vorm van bellettrie. Ook hier tekent men in dichterlijke beelden voor kind en volwassene onvoorziene situaties. Bovennatuurlijke krachten spelen nog steeds een rol.

De sprookjes van uw dagen worden meer en meer een symbool van de menselijke behoefte nog eens in een wereld te vertoeven, waarin het paranormale heerst. Het sprookje, maar ook de roman van deze dagen, kunnen dan ook worden gebruikt om aan te tonen, dat de moderne mens hongert naar het bovennatuurlijke aspect in zijn leven, doch, gezien de maatschappelijke mogelijkheden, daarvoor alleen een uitweg kan vinden in droomverhalen, die, ook wanneer zij door de meest boeiende schrijvers worden voortgebracht, zich in feite bezig houden met een soort Goddelijke rechtspleging, waarbij de naam van God niet wordt genoemd en de werking van de bovennatuurlijke machten maar al te vaak vervangen wordt door de meer stoffelijke heroën, die over niet-menselijke eigenschappen of mogelijkheden blijken te beschikken.
Denk aan Lemmy Caution. Hierin zoekt de mens naar een verbintenis met hogere krachten die hem uit eigen onvolkomenheid en alledaagsheid tot een hoger peil kan verheffen. Wel is de keuze van held zeer veranderd en is er weinig of geen overeenkomst met de vroegere dommeriken en zonen van zevende zonen, die voor bovennatuurlijke hulp in het bijzonder in aanmerking schenen te komen. Meer dan in het verleden is er sprake van een steeds toenemende levenshonger, die in het sprookje, zowel als in de verdere literatuur van deze tijd, naar voren treedt.

Nu blijkt ons, dat sprookjes en verhalen verder onder te verdelen zijn aan de hand van de cultuur, waarbinnen zij ontstaan. Opvallend is hierbij, dat de sprookjes de bovennatuurlijke krachten en wezens, plus het overwinnen daarvan door listen, als hoofdmotief plegen te kiezen. In andere verhalen zien wij de strijd van deugd tegen ondeugd, waarbij het bovennatuurlijke ook weer ingrijpt. In de hedendaagse literatuur worden daarbij Goden en andere machtige wezens vaak vervangen door het toeval. De legende legt minder de nadruk op het bovennatuurlijke dan wel op het geweld. Geweld, dat weer door een slagen gerechtvaardigd wordt. Dit element van rechtvaardiging zien wij bv. in heiligenlegenden optreden, maar ook in meer romantische verhalen als Koning Arthur, of St. Georgius en de Draak. Wanneer wij in deze tijd nagaan, welke inhoud de voor het volk geschreven roman kent – dus de niet primair literaire prestatie – dan blijkt, dat deze praktisch gelijke beelden en mogelijkheden beschrijft als het vroegere sprookje, maar deze mogelijkheden baseert op, of aanpast aan, de hedendaagse wereld.

De uitwerking van de verhalen is zeer duidelijk, evenals in het verleden, door het cultuurbeeld sterk beïnvloed. In uw dagen vinden wij wel bijzonder sterk het strijdelement, onmiddellijk gevolgd door de seksualiteit. Ook sadisme, moord en doodslag vormen belangrijke factoren in het hedendaagse verhaal. Ook de minder appetijtelijke afwijkingen van de nu geldende normen en zeden worden veelal op een schijnbaar zedige, maar in feite voor velen prikkelende wijze geëtaleerd in de letteren. Nu blijkt, dat alle vertelkunst een aansporing voor de toekomst inhoudt, of een beroep op het verleden. In deze dagen mag dan ook worden gesproken van een steeds toenemend verzet tegen bestaande condities, uitgedrukt in de graag gelezen verhalen van deze dagen. Er zijn in het verleden maar weinige perioden aan te wijzen, waarin sprookje, legende en verhaal een zo sterk en alomvattend protest inhielden tegen de maatschappij.

Dat het verhaal, naast de wensdromen en angsten van de mens, ook zijn lust tot vernietigen van het bestaande weergeeft, is zeldzaam. Voorbeelden in het verleden van een dergelijke mentaliteit vinden wij het beste in de zogenaamde bevrijdingslegenden. Hun inhoud is altijd praktisch gelijk: In een berg, een onbekend graf, in oceaan, of rivier verborgen, ligt een sprookjesachtig paleis. Daarin woont een held, of wonen meerdere helden met hun gevolg. Wanneer de tijd rijp is, zullen zij de verdrukte en vervolgde mensen op aarde bevrijden, beschermen en opnieuw een gouden tijd brengen. Of men zich hierbij baseert op het juist in bepaalde tijden sterk op de voorgrond komen van de Messiasbelofte, de legende van Barbarossa, of zelfs een legende, die langere tijd rond Napoleon werd geweven, is minder belangrijk. Ook Alexander de Grote, Thoetmosis en andere vorsten uit de oudheid zouden terugkeren. Dit element van verwachting, van terugkeer en gouden tijden ontbreekt in deze dagen bijna geheel.

In het verleden trachtte het verhaal, het sprookje, dan verder vaak een bepaalde wet te illustreren, zodat het tevens een gelijkenis was. Veel van de oude literatuur hield ook verdere leringen in. Men trachtte de mens duidelijk te maken, dat men aan de wetten van de Goden niet kan ontkomen. De mens neemt daarbij nooit zelf het recht in handen. De helden van deze dagen nemen juist wel zelf het recht in handen. Denk hierbij aan Mickey Spillane met zijn “I, the Jury” en dergelijke werken. Men tracht in vele romans de mens duidelijk te maken, dat hij eigenlijk zelf maar voor rechter moet gaan spelen. Ook vele in de meer ernstige literatuur bekende schrijvers als Graham Greene ontzien niet – de Darkness-serie – het geweld te verheerlijken als een doel op zich. Geweld, seks en ‘eigen rechter zijn’ blijken dan ook wel kentekenende thema’s te zijn voor de periode, waarin u leeft. Het is deze tendens, die ook in andere soorten van z.g. ontvluchtingslectuur wordt voortgezet. Hier vindt men de suggestie, dat andere dan aardse wezens of hogere krachten zullen ingrijpen en dat men dankzij deze krachten zichzelf geheel zal kunnen uitleven. Van aansprakelijkheid is weinig of niet sprake. Het geestelijke en godsdienstige element blijft verre achter bij de zogezegde psychologische beschouwingen en het voor vele klaarblijkelijk interessantere en meer prikkelende effect van felle zinnelijkheid en dood.

Dit alles is een inleiding, die u duidelijk maakt, dat er wel degelijk een overeenkomst bestaat tussen hetgeen u nu kent als amusementslectuur en de uit het verleden stammende, vaak met eerbied klassieke werken, die uiteindelijk evenzeer voor het volk en in een tegemoet komen aan de wensen en dromen van die dagen geschreven werden.
Tot in de oudste overleveringen en sprookjes vinden wij hetzelfde element terug: een beroep op de mens, een onwillekeurig weergeven van de wensen, leefwijze en achtergronden van de mensheid in die dagen. Bloeddorst speelt in vele oude overleveringen een zeer grote rol. Wanneer wij de Edda nagaan, blijkt deze hoofdzakelijk uit strijdverhalen te bestaan. De oude Ierse legenden tonen hetzelfde aspect. Er is een verschil met de bloeddorst in deze dagen. In de oude verhalen gaat het de mens erom te bewijzen, hoe zeer hij bekwaam is. De held bewijst zijn mannelijkheid, maar boet voor zijn strijdlust, door a.h.w. overwinnende, te sterven. Er is steeds weer sprake van een soort balans tussen de machten. Van overwinningen horen wij veel, maar van een daaruit voortvloeiende blijvende machtsuitoefening horen wij in verhouding weinig.

In deze dagen valt het op, dat velen zich schijnen te bezatten aan van bloed druipende beschrijvingen in de prettige zekerheid, dat het hen niet zal gebeuren. Ik denk hierbij aan romans als “Stalingrad”, “Moskou”, “Wij vochten in de Zuidzee” e.d. De bloeddorst in vroegere verhalen komt meestal voort uit de behoefte van de mens zichzelf waardig te tonen, aan te tonen, dat hij als strijder een plaats bij de Goden waardig is. Godsdienstig dus. Dit vinden wij ook in de Walkuren verhalen sterk terug, ofschoon hiervan slechts enkelen zijn overgeleverd tot uw tijd. Deze verhalen tonen aan, hoe de mens er naar hongert eens – door de gevleugelde paarden berijdende boden van Thor en Wodan – te worden uitverkoren en het Walhalla binnen te gaan. In deze verhalen valt ook op dat deze boden van de Goden soms uitdrukkelijk van hun normale wegen afwijken, om helden vóór hun dood nog bij te staan en het tot een volvoering van hun belangrijkste heldendaad te brengen.
De mystieke invloed die men in dergelijke verhalen eveneens meent te erkennen, is eerst door latere interpretaties ontstaan. Het is interessant te zien, hoe de hedendaagse literatuur een opvallend hiaat vertoont, wanneer zij bij dergelijke verhalen vergeleken wordt. In alle oude verhalen en sprookjes komen bovennatuurlijke krachten, Goden en demonen voor.

In de middeleeuwen spreekt men niet meer van de Goden, maar daarvoor in de plaats vindt men het verbond met de duivel, het persoonlijk ingrijpen van Jezus, Maria en heiligen. God, die op aarde wandelt. Nu echter is van God, Goden, paranormale krachten, als beslissende factoren, weinig of niet sprake. Zo deze dingen reeds naar voren treden, bv. in enkele voor het grote publiek geschreven romans onder de naam “Sax Rohmer”, zo blijkt uiteindelijk, dat de werkingen daarvan toch nog aan de mens en het menselijke vernuft toegeschreven worden. Dit wettigt de gevolgtrekking, dat, zo de mens vroeger vertrouwen had in en vertrouwen op de bovennatuurlijke krachten, de moderne mens deze machten en krachten eerder als onaangenaam ervaart en deze tracht te beheersen. De moderne mens ziet de bovennatuurlijke kracht, God inbegrepen, niet in de eerste plaats als mogelijkheden tot het verwerven van steun, als helpers, die hem in staat zullen stellen een bepaalde taak te volvoeren, maar eerder als iets, wat hem belet om een eigen leven te voeren.

Ten tweede is de benadering van het seksuele interessant. In de oude overleveringen speelde dit element een grotere rol dan men tegenwoordig wel vermoedt. Daarbij ligt de nadruk niet zozeer op het “elkaar krijgen” dan op het voortbrengen van een rijk nageslacht. Kinderen zijn de zegen der Goden, een gave Gods. Zelfs in Griekenland kunnen wij nog lezen, hoe een groot denker opmerkt: “Wie zou niet blij zijn, wanneer hij een Plato of Democrites de vader van zijn kinderen mocht noemen”. M.a.w.: het nageslacht zelf speelt een veel grotere rol dan geslachtelijke bezits- en eigendomsbegrippen, zelfs dan nog. I
In deze dagen wordt het elkaar vinden op een andere wijze geïnterpreteerd: “Men bezit elkaar”, is daarin gelukkig en laat kinderen verder maar buiten beschouwing. Wordt aan kinderen al een belangrijker rol toegedeeld naast de helden van een modern verhaal, zo is dit in het meest voorkomende geval alleen het scheppen van ontroerende situaties, waarbij het kind de werking van de held kan verhogen. Nooit wordt het kind in deze dagen gezien als een einddoel op zich, een bekroning. Hieruit maak ik op, dat de instelling van de mens t.o.v. zijn eigen leven, nageslacht en de betekenis van een voortzetten van het geslacht aanmerkelijk is veranderd. In zijn wensleven zal hij zich vaak van de aansprakelijkheid, die nageslacht met zich brengt, trachten te ontdoen.

In het oude sprookje is er altijd wel iemand, die op zonderlinge wijze een onderlinge strijd wint. Voorbeeld: de zwijnenhoeder, die met een fee in contact komt, van deze bepaalde krachten of gaven verwerft. Hij heeft in het sprookje bv. haren van goud, beschikt over magische paarden en wapenrustingen, kan met een enkel fluitsignaal legers uit de grond stampen, of zelfs zich door de koning van de vogels op een ontoegankelijke berg laten brengen, waar de boze tovenaar de koningsdochter heeft verborgen.
Hierbij is de gedachte aan de gave en het je juist door de gave verheffen belangrijk en keert dan ook steeds weer. Is een dergelijke held eenmaal koning geworden, dan regeert hij zijn volk rechtvaardig en goed. Allen loven hem. Eerst daarna leven de koning en zijn prinses lang en gelukkig. In deze dagen schijnt men eerder te hopen op een lang en gelukkig leven tot een scheiding noodzakelijk of onvermijdelijk is, maar de rest van de wereld zoveel mogelijk aan zichzelf over te willen laten. In de plaats van het begrip ‘gave’ wordt ‘handigheid’ of ‘schoonheid’ geplaatst.
De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat de droomwereld van deze dagen en zelfs de overleveringen van deze tijd in hoofdzaak egomaan zijn. Er is sprake van een steeds toenemend egoïsme, waarbij gedachten als zending, gave, een taak vervullen, minder belangrijk zijn in de ogen van de mensen, dan wat men noemt gelukkig zijn. Dat het geluk vaak eerder in de taak dan in de bereiking schuilt, schijnt men niet meer te beseffen.

Voorgaande conclusies rechtvaardigen dan ook m.i. de stelling, dat de moderne mens geen tekort aan rechtvaardigheid of wet kent, maar wel aan geluk. De mens van heden is dus niet gelukkig. Veel van hetgeen hij geluk noemt, berust op schijn. Hij verzet zich in zijn romantiek sterk tegen de nog heersende zeden. In de oude tijd was het sprookje, het verhaal, veelal eerder een bevestiging van de heersende zeden. Dan past de hedendaagse mens niet in de maatschappij, die hij zich heeft gebouwd; dit volgt logisch uit het voorgaande. Zijn dromen zijn geheel van de werkelijkheid afgeweken. Waar de mens in de meeste gevallen zal trachten naar zijn dromen te leven en niet naar de werkelijke condities, waarin hij zich bevindt, zal de toekomst een steeds sterkere strijd van de mens als dromende eenling tegen de maatschappij inhouden.

Om de oorzaken hiervan te begrijpen, moeten wij ons wenden tot de Godsgedachte. Deze is immers in sprookjes en overleveringen even duidelijk te vinden als in de openbaringen. De God van de oudheid is een despoot. Hij doodt, waar het hem belieft, grijpt in, waar het hem belieft en nooit, omdat de mens hem hiertoe aanleiding heeft gegeven. Deze God wreekt zich ook vaak op de mensen en wel, omdat daarvoor een menselijke reden bestaat. De God van de oudheid, de Goden, zijn in feite mensen met verderstrekkende mogelijkheden. De verschijnselen van die tijd zijn al evenzeer persoonlijkheden met eigen wil en mogelijkheden. In vele sprookjes ontmoeten wij bv. de Ruiters van de Tijd. De Ruiter van de Nacht met zijn donkere mantel, de Ruiter van de Dageraad in vlammend rood, de Witte Ruiter van de Dag en soms zelfs nog een Ruiter met vele juwelen op zijn mantel, die dan de Ruiter van de vallende Avond is. Alle winden hebben persoonlijkheden. De gedachte, dat alles een persoonlijkheid heeft, dat alles werkt met of tégen de mens, maar daarbij beantwoordt aan bepaalde menselijke begrippen en wetten, is teloor gegaan in deze dagen.

De mens staat tegenwoordig ver af van hetgeen er rond hem in de natuur gebeurt. Ofwel tracht hij de natuur te herleiden tot wetten, die men zelf hanteren en ook regelen kan, dan wel hij ontkent alle bezieling of werking. Wanneer de moderne mens in zijn sprookjes het bovennatuurlijke naar voren brengt, krijgen wij te maken met de wat verwrongen symboliek van een Bram Stoker, een Freytag e.a. Deze schrijvers confronteren u met van bloed druipende vampiers, zich tot spinnen omvormende vrouwen, door geesten vergiftigde grotten en huizen. Deze dingen worden om zich beschreven en dit is niet gezond.
Vroeger kende men dergelijke dingen wel in verhalen, maar zij hadden altijd een functie en verschenen alleen om de held te beproeven. Tegenwoordig bestaan dergelijke geesten en verschijnselen om op wetenschappelijke wijze verdreven te worden, dan wel om slachtoffers te maken, die een onverwacht einde aan het verhaal aannemelijk maken. Hieruit kan men de gevolgtrekking maken, dat de doorsnee mens van heden – zo hij al met het bovennatuurlijke te maken krijgt – zich eerder daardoor bedreigd dan gesteund gevoelt. Nu is een dergelijke literatuur een weergave van hetgeen de lezer vraagt, niet een zuiver en onvervormd beeld van de bewuste gedachten op de wereld.

Vanuit ons geestelijk standpunt zouden wij willen stellen, dat de mens deze verhalen nodig heeft om voor een ogenblik aan zijn werkelijke problemen te ontsnappen. De ontsnapping van een probleem brengt de mens veelal tot het zoeken van het tegengestelde, waaruit af te leiden valt, dat de werkelijke problemen van deze tijd tegengesteld zijn aan de problemen, die de mens voor zijn ontspanning begeert. Nog steeds uitgaande van hetgeen voor ons geestelijk hieruit is af te leiden, stel ik, dat de mens van heden wel allereerst en vooral met zichzelf worstelt om een God te vinden, een gave te verwerven, een taak te vinden die bij het Ik past, een bereiking te voltooien. Hij komt hier al niet voor uit. Toch wordt hij in alle handelingen en reacties door dit gevoel mede gedreven. Ten tweede blijkt de mens in deze dagen zeer veel aandacht aan de stoffelijke lusten te besteden. Of deze nu moordlust, seksuele lust, of zelfs tafelgenot betreft, hij zoekt steeds weer de lusten, die hem onbereikbaar schijnen. De tafelgenieting speelt een vreemde en door de lezer maar zelden besefte rol in werken van bv. Wallace en Oppenheimer. De nadruk ligt steeds op genot, rijkdom, welvaart.

De mens voelt klaarblijkelijk, dat hij in eigen leven veel te kort komt. Wanneer hij deze tekorten tracht aan te vullen door te lezen over hogere standen en weelde, kunnen wij er wel zeker van zijn, dat hij deze dingen niet werkelijk zoekt. Deze beschrijvingen van uiterlijke genietingen dienen meestal om een pijnlijk gevoeld tekort aan geestelijke spijzen te verbergen. Vele mensen in deze dagen hebben dan ook klaarblijkelijk een groot gebrek aan geestelijk inzicht, geestelijke leiding en voor de mens nog bevattelijke en te begrijpen filosofische of esoterische gedachtegangen en lessen.

Opvallend is ook de grote plaats, die het bewijs inneemt in de hedendaagse letteren: de schrijver bewijst, dat bepaalde mensen alleen gelukkig kunnen zijn, wanneer zij anders doen dan de massa. De detective bewijst de schuld van de misdadiger, die niemand tot blz. 188 ook maar heeft kunnen verdenken. De avonturier rechtvaardigt zichzelf weer door bv. te bewijzen, dat hij agent is – en altijd is geweest – van de Geheime Dienst, terwijl iedereen dacht, dat hij de misdadiger was. Romantische verwikkelingen, plus het ingrijpen van een der romanfiguren zijn klaarblijkelijk noodzakelijk om de trouw van Mej. A aan de heer B te bewijzen. De roman- professor bewijst stralend zijn gelijk en de dwaasheid van anderen. Van een zonder meer aannemen is praktisch geen sprake meer. Alles moet in het verhaal voldoende aannemelijk worden gemaakt, voldoende bewezen en verklaard worden.

In de oude tijd deed men dit niet. Daar aanvaardt men de situatie en oordeelt naar de vruchten, die zij afwerpt. Nergens is een psychologische verklaring van het feit, dat bv. Gideon voor een overval op het kamp van de vijand maar enkele mensen uit zijn leger meeneemt. De Heer zegt hem immers dit te doen? Meer is niet nodig. Ook de held van de sprookjes gaat eenvoudig af op de woorden van de fee, de koning van de dieren, de vogels enz. Hij heeft geen verklaring meer nodig. Hij vertrouwt en handelt.
Klaarblijkelijk had men in de oudheid geen behoefte aan uitleggingen en verklaringen. Tegenwoordig wordt men juist met bewijzen en overtuigende redeneringen overstelpt.

Conclusie: de hedendaagse mens kan zijn eigen gedragsregels en gedachten niet verklaren. In de oudheid aanvaardde de mens zijn persoonlijkheid, leefde naar zijn instelling en noemde dit voldoende. De mens van heden weet niet meer, wie en wat hij eigenlijk is, wat hij moet denken, wat hij zal doen. Aan zijn innerlijke onzekerheid tracht de mens te ontsnappen door de redelijkheid en de bewijzen in zijn lectuur. Deze bewijzen zijn in feite vaak niet meer dan drogredenen, maar zij worden door de lezer altijd haast zonder kritiek aanvaard. M.i. betekent dit alles verder, dat de mens van deze dagen er innerlijk sterk naar verlangt eens zichzelf te zijn, eens iets te doen zonder daarvoor eerst een noodzaak of reden te kennen. Een groot protest tegen de rede en redelijkheid meen ik dan ook uit de hedendaagse literatuur te kunnen af leiden.

Vinden wij in de oudheid motieven als het indringen in geheimzinnige dodenrijken of wonderlijke hemelsferen regelmatig terug, zo blijkt mij, dat in deze dagen dergelijke voorstellingen praktisch niet meer worden gebruikt. In de plaats daarvan komen de meer stoffelijke monsters van andere planeten – Wells heeft als een van de eersten hiervan een goed staaltje doen zien –  door zijn vreemde werelden, die, wetenschappelijk aannemelijk gemaakt of niet, zich ergens in ondoordringbare oerwouden, of in het binnenste van de aarde bevinden – zie Conan Doyle, Burroughs, e.a. – terwijl het werkelijk bovennatuurlijke wordt vermeden. De enkele keer, dat deze elementen nog op de voorgrond treden, is er eerder sprake van een verwarde symboliek, of een pogen de lezer te doen gruwen, dan wel te verbazen, dan van een werkelijk ingrijpen van hogere machten.
Wanneer de lectuur het bovennatuurlijke op deze wijze naar voren brengt of verwaarloost, houdt dit m.i. in dat de mens innerlijk aan dergelijke krachten nog zeer sterk gelooft, maar het bovennatuurlijke vreest. Zelfs zou men de conclusie kunnen rechtvaardigen, dat de moderne mens steeds weer hoopt op het te zijnen voordele ingrijpen van welwillende bovennatuurlijke wezens, maar deze hoop voor zich niet toe durft te geven.

U bent in een wereld geboren, waarin uiterlijk bestaan en innerlijk leven zeer sterk van elkaar verschillen. Verder pleiten vele feiten voor de stelling, dat de mens hieraan niet werkelijk iets tracht te doen, maar slechts in een waanwereld, een droomwereld, zo vaak mogelijk aan een niet aanvaardbare wereld met haar problemen ontvlucht. Nu vind ik in de oude verhalen eigenaardige gebeurtenissen: in de tijd, dat de Goden-sprookjes een strijd tussen de Goden als hoofdmotief kennen, dat er inderdaad voor bepaalde volkeren en rijken een ondergang dreigt. In de tijd, dat het ingrijpen van heksen en bovennatuurlijke wezens als normaal wordt voorgesteld en dus steeds weer het kernmotief van sprookje en legende vormen, wordt de maatschappij geteisterd door niet te bestrijden euvelen als bv. natuurrampen en besmettelijke ziekten. Wanneer wij later de sprookjes krijgen, waarin pelgrimstochten een grote rol spelen – meestal van Russische origine, met als tweede motief Baba Jaga en haar zusters – of tochten door wonderlijke onderaardse rijken zonder strijd; Goud Elsje, de Wereld in de Put, de Soldaat die bij de Duivel ging dienen (in Europa) – of bovenaardse rijken, blijkt de beschaving van de volkeren, die deze vertellingen in het bijzonder appreciëren voor een totale verandering te staan. Het pelgrimsmotief gaat meestal vooral aan grote ontdekkingen, sociale omwentelingen en in vele gevallen kort daarna volksverhuizingen.

Ten laatste wil ik er nog op wijzen, dat wij in sprookjes en legenden vaak een schaduw vinden van hetgeen de mensen verwachten. Deze schaduw houdt dan tevens een poging in eigen leven te verklaren, door zich met de held van het verhaal te vereenzelvigen, en meent men de moeilijkheden te kunnen overwinnen. Vandaar de voorkeur voor verhalen, waarin de jongste zoon, de arme, de domme, de grootste winsten boekt en de grootste resultaten behaalt. Voornaamste geloofspunt: er zijn krachten, die altijd weer juist de hulpelozen beschermen. Overigens zullen deze verhalen in vele gevallen tevens een omwenteling aankondigen, die de sociale orde, de godsdienst, maar heel vaak ook het klimaat betreft. Uit de gegeven beelden trek ik nu de conclusie, dat het verhaal, de literatuur, zowel als de legende en het sprookje in de meeste gevallen, de mens tevens weer tracht te geven, wat hij reeds weet of aanvoelt omtrent de toekomst en deze wijziging reeds nu aanvaardbaar tracht te maken.

Mag deze stelling als een redelijke aanvaard worden, zo houdt de huidige literatuur, inbegrepen de pogingen tot vernieuwing van de dichtkunst e.d. in, dat de mens reeds nu de noodzakelijke veranderingen aanvoelt, die, door de chaotische tijd, waarin hij leeft, haast onvermijdelijk worden. Gezien het trek-element in vele van zijn verhalen meent hij, niet voor altijd aan een bepaalde stad, of zelfs een bepaald land gebonden te kunnen blijven. De beschrijvingen van heerschappij over de elementen geven m.i. aan, dat de mens zeer zeker beseft, dat de elementen in feite niet beheerst kunnen worden met nu bekende middelen en binnen niet al te lange tijd de mensheid dan ook zullen kunnen bedreigen. Zijn voortdurende nadruk op het wetenschappelijk element toont verder aan, dat een groot deel van de mensheid een ingrijpen verwacht van krachten, die met de huidige wetenschap niet verklaard kunnen worden, misschien zelfs tot het bovennatuurlijke gerekend mogen worden.

Aan de hand van voorgaande oppervlakkige beschouwingen en vergelijkingen volgt dan ten  laatste, voor mij nog: de mens van heden verwacht – en soms zelfs wat ongeduldig – in feite alles, wat hij vreest: de totale omwenteling, die een einde of gehele verandering van zijn leven in zal houden. Hij is ervan overtuigd, dat hij deze alleen goed zal kunnen doorstaan, indien hij een geestelijke steun en hulp heeft en verlangt innerlijk naar de steun van een kracht, die sterker is dan hijzelf. Hij weigert dit toe te geven, uit angst het gevreesde werkelijk te maken, en zal om dezelfde redenen weigeren op hogere krachten werkelijk te vertrouwen. De doorsnee mens tracht zich te beschermen tegen de gevaren, die hij aanvoelt door zich te isoleren van anderen. Verder tracht hij door een voortdurend vasthouden aan hetgeen hij de redelijke samenleving van de mens noemt, de chimaera van een niet meer meester zijn, over iets meer dan het eigen Ik, te ontkennen.

De vrees en het aangevoelde doen reeds uit de verhalen van de mensheid een beeld van de komende nieuwe tijd rijzen. Deze nieuwe wereld zal, indien wij op de literatuur af mogen gaan, toch nog in vele opzichten aan de dromen van de mens kunnen beantwoorden. Want ergens in het geloof klinken reeds nu weer stemmen, die spreken over een 1.000 jarig rijk en een eeuwig gericht, terwijl in vele verhalen en romans een onbestemd einde toch de gloed van hoop, de verwachting van een betere, toekomst schijnen te dragen, ondanks alle negatieve elementen daarin. Ik betrek hier een bepaalde vorm van het geloof bij mijn betoog, waar dit een weergave is van een gedachte, die onder de mensen leeft en in een bijzondere soort geschriften uitdrukking en verbreiding pleegt te vinden.
De mensen geloven ergens aan een bovennatuurlijke of bovenmenselijke kracht, die zal ingrijpen en de wereld hervormen, onverschillig of men deze nu de toornige en wrekende God noemt, de nieuwe Verlosser, of iemand van Mars of Venus. Deze beelden zijn een ontwijking van de werkelijkheid, maar houden tevens in, dat de mens op de een of andere wijze zelf de noodzakelijke hervormingen tot stand zal weten te brengen, zodat een 1.000 jarig rijk niet slechts een droom is, maar iets, wat in feite door de mensen zelf bereikt en verwerkelijkt kan worden.

  • Bestaan water- en luchtgeesten, kabouters, gnomen, elfen enz.?

In zekere zin wel. Zij zijn een voorstelling van de bezielende krachten in de natuur. Maar zoals deze in het sprookje beschreven worden, bestaan zij zeker niet. Kinderen spelen soms wel met dergelijke wezens. Vaak is het waarnemen van een dergelijk wezen fantasie. Zo het feitelijk wordt waargenomen, zal het kind dit wezen uitdrukken in bekende beelden en zo over de sprookjesfiguren spreken, ook wanneer de werkelijkheid geheel anders wordt waargenomen.

  • In deze dagen brengt men klassieke werken en wetenschappelijke werken goedkoop onder de mensen en vindt hiervoor een grote afzet.

De afzet van populair, wetenschappelijke werken wordt bevorderd door het feit, dat de moderne mens zijn zekerheid alleen in weten meent te kunnen vinden, doch dit weten helaas niet omschrijft als een innerlijk aanvoelen, maar als een stoffelijke kennis. Het teruggrijpen naar het oudere, het klassieke, drukt de hoop uit het al te conservatief maatschappelijk bestel verder in stand te kunnen houden.
De mensen, die deze dingen lezen, hunkeren in feite naar een handhaven van het heden, of zelfs een terugkeer naar het verleden. De bewerkingen van de klassieke werken maken deze feitelijk deel van deze tijd, niet van de oudheid, waarin zij ontstonden. Alleen in de originele woordkeuze hebben dergelijke werken hun grote betekenis ook werkelijk, anders blijft alleen de intrige over, die vaak zozeer gemoderniseerd wordt, dat haar gehele inhoud verandert. In dat geval kunnen wij spreken van een poging het verleden dichter bij te brengen om zo een onzekere toekomst beter te kunnen beheersen. Velen zoeken in deze dagen de geheimen van het verleden te doorgronden in de hoop daardoor een meesterschap over hun huidige wereld te kunnen verwerven. Dit is ook het geval, wanneer zij dit zelf niet heel beseffen.

Ten laatste: bij het lezen van de meer inhoudsvolle, of zelfs esoterische schrijvers uit het verleden zullen op de 1.000 lezers er slechts 1 of 2 zijn, die de werkelijke inhoud begrijpen. Voor anderen is het prestige belangrijk, de inhoud niet. De vlucht uit het heden wordt in deze dagen wel bijzonder sterk bevorderd door het goedkope of pocketboek. De uitgevers rekenen er mee, dat het uitgeven van schrijvers goedkoper komt, naarmate zij langer dood zijn, terwijl zij zich tevens een cultureel tintje aan kunnen meten, dat ook prestige geeft. Zie dus de prestigevraag niet over het hoofd in dit geval. Verder meen ik alleen een bevestiging hierin te vinden van het voorgaand gezegde.

  • Is de sciencefiction dan een aanduiding van het verlangen eigen peultjes te kunnen doppen?

Eerder zou ik stellen, dat deze vorm van letteren haar ontstaan dankt aan het besef, dat je eigen peultjes moet doppen. Men brengt in de literatuur tot uiting, dat men op een ingrijpen van anderen hoopt, evenals op snelle en vergaande wetenschappelijke vorderingen, maar aanvoelt, dat deze nog op zich zullen laten wachten en eerst door de mensheid veroverd zullen moeten worden. Overigens past dit geheel in het voorgaand gezegde, waar wij ook hier de wensdroom aantroffen van de betere en sterkere mens, die uiteindelijk toch alles overwint, ondanks alle moeilijkheden. De helden handelen tegen de regels en voorschriften van wet of maatschappij in en bereiken alleen daardoor hun uiteindelijke bevrijding: beeld van gebondenheid en verlangen naar vrijheid. De honger naar vrijheid is bij zeer velen zeer groot. De welwillende vreemdeling, die de aarde helpt, hebben wij reeds aangeroerd, maar komt hierin niet vaak voor. Hier projecteert men eigen erkende aansprakelijkheden, problemen en verantwoordelijkheden op anderen, die zullen helpen. In feite een besef van een komende taak.

Een van de meest voorkomende science fiction verschijnselen: de Benn’s, de geheimzinnige monsters, die gebruikt kunnen worden om alle mislukkingen te verklaren, zoals men in de andere tijden daarvoor demonen gebruikte. Eveneens dus vergelijkbaar met het voorgaande reeds besproken. Het sterke vluchtmotief, dat juist hierbij optreedt, wijst erop, dat de mensen beseffen, dat wetenschap niet voldoende is. De mens beseft tevens, dat hij een grotere verantwoordelijkheid heeft te dragen, dan hij wenst en deze toch niet kan delegeren aan anderen. Elke poging, verantwoordelijkheden in literatuur te ontkennen, of af te wijzen, is een aanduiding, dat besef van de verantwoordelijkheid in feite reeds bestaat. Overigens kunnen wij science fiction boeken niet tot de grote letterkunde rekenen, terwijl het aantal belangstellenden niet zo groot is en alleen bij de kinderen aanmerkelijk mag worden genoemd.

Mag ik u tot afscheid nog de volgende tip geven? Het soort boeken, dat u bij voorkeur leest, de verhalen, waartoe u zich aangetrokken voelt, zijn een weergave van de tekorten, die u in uzelf  erkent, plus de verwachtingen, die u voor de toekomst nog koestert. Indien u aan de hand van het voorgaande dus uzelf eens nagaat, kunt u daaruit zeker nut en zelfkennis putten.

Vragen

  • Hoe is het verloop van de verhouding tussen menselijk bewustzijn en geestelijk  bewustzijn tijdens het bewustwordingsproces?

 Over het algemeen kan worden gesteld, dat de geestelijke bewustwording, die grotendeels uit het gevoelselement bij de mens voortkomt, aanmerkelijk vooruit loopt op de redelijke bewustwording. Het waakbewustzijn zal dan ook gemiddeld ten hoogste 1/10 van de geestelijke vooruitgang merkbaar maken. Is men een zeer verstandelijk type en tracht men steeds en bovenal redelijk te denken, dan zal dit percentage kleiner zijn. Eerst wanneer een geestelijke verlichting van tenminste één sfeer is bereikt, kan worden gesproken van een werkelijke en ook kenbare neerslag hiervan in het waakbewustzijn. Onder een sfeer verstaan wij: een wereld, een geestelijk vlak van bewustzijn. Wanneer iemand geestelijk boven het Zomerland uitstijgt, betekent dit tevens een zo groot verschil tussen waakbewustzijn en geestelijk bewustzijn, dat een uitdrukking van het nieuw verworven geestelijk bewustzijn in het stoffelijke wezen moet worden neergelegd. Hiermede vindt ook in meer stoffelijke en niet slechts redelijke zin een realisatie van de verandering plaats. De mogelijkheid tot het verkrijgen van lichamelijke veranderingen op deze wijze blijft beperkt.
Ten laatste merk ik nog op, dat alleen die redelijke bewustwordingen voor de geest belangrijk kunnen zijn, die voortkomen uit een redelijk besef, dat gepaard gaat met stoffelijke handelingen en een emotioneel zich daarmee geheel één gevoelen. Waar buiten het Ik om, of buiten elke emotionaliteit, wordt gehandeld, zal de geest daarvan niets bemerken.

  • God is slechts de Schepper van Zichzelf in alles. Wat is, en het wezenlijk zijnde, is zijn van Zijn zijn – Bô Yin Râ -. Verder staat er nog: God is de Voortbrenger van Zichzelf en niet, zoals u meent, van de mensen en de dingen enz. Na lezing van de brochure ‘Raadsel der beperkte Oneindigheid’ meen ik: alle materie en alle geest is slechts een partikel van de gedachte: God enz. Kunt u over God als “Voortbrenger van Zichzelf “nog iets meer zeggen? (Vraag zeer bekort)

Ik kan alleen dit zeggen: Of God Zichzelf voortbrengt of niet, kan ik niet bepalen. Dat kan niemand bepalen buiten God Zelf. Als zodanig is dit slechts een stelling. Wel kan met zekerheid het volgende worden gesteld: Indien God het enige Wezen is, dat is vóór alle tijd en alle ruimte, en deze uit Zichzelf de Schepping voortbrengt, zullen alle tijd en alle ruimte steeds geheel deel zijn van het Goddelijke, uit het Goddelijke bestaan en niet zonder het Goddelijke werkelijk kunnen zijn.

Als zodanig is de uitlegging, door u gegeven, goed: alles komt uit God voort, alles keert terug tot God. Verder kan worden opgemerkt, dat tijd en ruimte klaarblijkelijk elementen zijn, die alleen binnen de Schepping bestaan, maar geen deel uitmaken van God en als zodanig slechts door ons en dan in verhouding tot het persoonlijke bewustzijn, ervaren kunnen worden.

Conclusie: het totaal van de verschijnselen is het gevolg van het bewustzijn, dat slechts delen van de Schepping waarneemt. Het totaal van de Schepping is. De reis door de Schepping brengt voor ons de illusie van tijd, ruimte, gescheiden werelden en sferen e.d. Dit alles is altijd deel van God en zal steeds deel van God blijven, zoals wij in alle tijden en alle ruimtelijke omstandigheden, die ooit voor ons werkelijk leken, of zullen schijnen, één zullen zijn met ons werkelijke Ik en daardoor met God.

  • Wat te denken over de tegenstelling tussen een geestelijke wereld, die ons verder  wil helpen en een morele leidraad wil geven, en grapjes over de affaire Socrates op 13-1-61, die mij weinig hoogstaand aandoen?

Alle gebeuren van hogere en lagere, evenals in de stoffelijke sferen, behoort tot dezelfde werkelijkheid. Een grapje over een laag-stoffelijk gebeuren kan als zodanig tevens een aanduiding zijn van bepaalde geestelijke mogelijkheden of gebreken, belicht vanuit een hedendaags standpunt. De scheiding, die tussen geest en stof veelal wordt gemaakt, berust alleen op menselijke voorstellingen van het Al en een gebrek aan waarnemingsmogelijkheden bij de mens. Vanuit de geest gezien is het doorvoeren van een dergelijke scheiding irreëel. Het zou voor de geest niet van werkelijkheidszin getuigen, indien zij zich geheel boven het stoffelijke zou willen stellen, zich van de stoffelijke gebeurtenissen niets aan zou trekken en niet voldoende humor zou bezitten om grappen te maken over het stoffelijke, wanneer dit naar haar inzicht ter zake dienend is.
Wel is bewustwording voor de mens, gezien zijn bewustzijn en de binding aan de stof, alleen binnen de stof mogelijk tijdens zijn aardse leven. Dit vergt zowel van de geest als de mens bij een helpen en leiding geven: begrip voor eigen leven en eigen wereld, begrip voor het leven en de wereld van anderen en zeker ook een gezonde zin voor humor, daar alleen op deze wijze een redelijk onderling begrip zonder misleidingen mogelijk is. Eerst daarnaast pas zal de geest natuurlijk ook de aandacht van de mens dienen te vragen voor die aspecten van geestelijk leven, die niet in de stoffelijke wereld kunnen worden aangevoeld, of tot uitdrukking gebracht.

  • Houdt volgens u dan God ook van grappen?

Volgens mij is God Iemand, die een groot gevoel voor humor heeft, anders zou Hij op deze wereld de mens en de aap niet naast elkaar laten leven. Beschouw dit niet alleen als scherts. Ik meen dit precies, zoals ik het zeg. Wanneer je de mensen alleen reeds beziet met hun waan, kun je niet anders aannemen, dan: God heeft humor en is bovendien eerder goeder- tierend.

  • M.i. maakt de mens een fout, wanneer hij rijkdom ziet als juwelen, olie, goud e.d. Ik vrees, dat het hen zal vergaan als de koopman, die met een zak vol juwelen in de woestijn van dorst omkwam. Het lijkt mij niet waarschijnlijk, dat de mensen spoedig tot bezinning zullen komen, tenzij hogere machten ingrijpen.

Hogere machten kunnen alleen ingrijpen volgens de Goddelijke wetten en op verantwoorde wijze, waar de mens zelf reeds een mogelijkheid en een behoefte erkent. Ik ben het met steller eens, dat een hechten van allerhoogst belang aan materiële rijkdommen uitermate dwaas is, daar dit nimmer de mens de gaven kan brengen, die hij zoekt: geluk, innerlijke vrede en rust. Ik meen ook, dat het verwerpen van het stoffelijke ten bate van het geestelijke alleen plaats mag vinden, wanneer men binnen het stoffelijke leven geestelijk bewust is, een geestelijk doel kent en dit geestelijk bewust weet te dienen. De mensheid zal eerst moeten leren zich een edeler en meer geestelijk doel te stellen dan een zuiver stoffelijke welvaart, voor zij, al dan niet door de geest geholpen, kan komen tot groter inzicht, grotere vrede en een beter begrip voor kosmische waarden.

  • Is Jezus ongeveer 300 jaar na het begin van het Vissentijdperk opgetreden, of is de huidige meester rond 300 vóór het begin van de Aquariusperiode in actie gekomen?

De tijd van Aquarius is aangebroken. Wanneer u het zo stelt, kunnen wij nog opmerken: Het is onmogelijk in de menselijke geschiedenis, of in de betrekkingen tussen de mens en de kosmos, een nauwkeurige weergave van astrologische perioden te vinden en een scherpe scheiding te maken tussen de invloed van Vissen en Aquarius. Er is altijd sprake van een overgangsperiode, waarin beide invloeden optreden. In deze dagen is Aquarius’ invloed sterk rijzende. De invloed van Aquarius neemt op het ogenblik zó sterk toe, dat gesproken kan worden over een afsterven van de Vissen-invloed. Ofschoon de tijd van 300 jaren niet geheel zuiver kan worden genomen en rekening moet worden gehouden met kosmische invloeden en mogelijkheden, is het gestelde niet geheel onjuist.

  • Wat zijn elementalen? Zijn deze een deel van ons wezen?

Elementaal is een naam, die wij geven aan een bewustzijn, dat leeft op een geestelijk of astraal vlak, maar gebonden is aan krachten van de natuur, leven in de natuur, of werkingen binnen de natuur. Elementalen zijn dus geen deel van de mens, maar kunnen soms wel als bezielende krachten deel uitmaken van zijn omgeving. Het woord “elementaal” drukt reeds de binding aan de elementen volgens de definitie van de ouden uit, te weten: aan aarde, vuur, water en lucht. Soms wordt dit aangevuld door een vijfde en hoogste kracht, de ether, waarin geen elementalen plegen voor te komen.
Spreekt men over elementalen in het lichaam, dan misbruikt men dit woord. Meestal bedoelt men daarmee een lager zenuwknooppunt of centrum binnen het lichaam, dat bepaalde, meer instinctieve reacties zonder direct ingrijpen van de hersenen kan volbrengen. Wel heeft een dergelijk centrum een persoonlijk deel aan de aura en kan daarin eigen toestand als afwijkend van andere delen van het lichaam kenbaar uitstralen.

  • Wat zijn de z.g. kattenfeesten?

Kattenfeesten zijn feesten, die vooral dáár voorkomen, waar men uitbundig carnaval viert. Zij zijn een herinnering aan de vroegere z.g. heksenfeesten. In de oudheid nam men aan, dat de kat de geliefde vorm was van heksen en tovenaars, die in deze vorm wel samen pleegden te komen om bepaalde vruchtbaarheidsriten te volbrengen. Bij deze heidense feesten, die tot in de middeleeuwen op vele plaatsen werden gehouden, gebruikten de deelnemers zelden een kattenmasker, maar gaven de voorkeur aan honden-, geiten- en koeienmaskers. Men volvoerde in deze maskers ook bepaalde dansen met het doel zich voor het komende jaar van vruchtbaarheid bij oogst en vee te verzekeren. Deze samenkomsten werden, ondanks het protest en later verbod van de clerus, voornamelijk in de lente gehouden. Het maskergebruik werd binnen het kader van de Christelijke Carnavalsviering – een soort Saturnaliën aan het begin van de Grote Vasten – overgenomen. Als herinnering aan de “heksen” van vroeger vinden wij nu nog vaak onder de deelnemers aan dergelijke feesten, als katten verklede groepen. Vertaal dit nooit in het Engels. Een  -party betekent in grote delen van Engeland en de U.S.A. een los feestje van nozems, waarbij vrouwelijke soortgenoten aanwezig zijn en het middelpunt zijn. Men gaat zich daarbij te buiten aan drank en opzwepende muziek.

 Het schone woord : Horoscoop

Twaalf huizen, twaalf tekens vol planeet en ascendant alles saam gedreven. Oppositie,  vierkant, driehoek: dit is ongunstig, dát is gunstig, dit is leven, dát is dood.

In de hemelen beschreven aards gebeuren? Wij kunnen zo het leven kleuren.

Maar is de God, die alles leven bood, wat leven heeft, dan niet machtiger dan mens en hemelteken?

Bezie uw horoscoop, houd uw wezen  nieuw ten doop en zeg:  zó ben ik dus geschapen.

Maar ontken niet: in mij leeft de geest, het lichtend sterke wapen, dat onbevreesd  de kracht weerstaat, de doem der horoscoop verslaat en vrij je maakt om in te gaan tot hoger, beter leven, waarin geen invloed staat van horoscoop, geen beeld van sterren wordt gegeven als lot en oordeel van de mens.

Zoek de grens van het leven, die in je ligt.

Zoek de grote plicht, die machtiger is dan al, wat stof berekent en regeert.

Zorg, dat, wat in je leeft, leert één te zijn met hoge kracht. Dan wordt tegen de horoscoop en de sterren het wonder toch volbracht.  Dan zeggen de sterren niet: leven of dood, noodlot,  invloed, geluk of smart. Dan is er een hogere invloed, die lichtende het menselijke kennen tart.

Dan is er een leven. Dat leven blijft,  ongeschonden door  het dreigende graf.

Dán ben je waarlijk je zelve, zoals God je je leven gaf: niet meer bedrogen  door beperkingen van het stoffelijke zijn. Een horoscoop bepaalt hoogstens de stof, de stofwereld is altijd schijn.

image_pdf