Leraren in de sferen 

9 november 1958

Op de wereld heeft het christendom een grote betekenis evenals de leer van de onvergelijkelijke Boeddha en de sterke Mohammed. Maar daarboven bestaan weer andere leringen. Want elke wereld trekt haar eigen conclusies, komt tot haar eigen opvattingen en denkwijzen.  Laat ons eens aandacht besteden  aan de gedachtewereld, die voor onszelf zo belangrijk is.

In sommige sferen bestaan er scholen. Een school, anders dan op uw wereld is opgebouwd uit de gedachten van alle deelnemers, alle leerlingen. En zij worden daarbij geleid door een leraar. Wanneer je daar komt, dan is het eerste, dat je moet leren begrijpen: Ware leerling is hij, die leert om gedachten saam te vatten, te ondergaan zonder oordeel en vooroordeel. Want slechts zij, die ondergaan, kunnen oordelen. Er stromen krachtige gedachten op je toe. Langzaam maar zeker zie je een vervlechting van feiten, een vervlechting van stellingen en openbaart zich de wereld van uit een geheel nieuw standpunt.

De grote vragen, waarmee we ons bezighouden, zijn over het algemeen vragen, die u op de wereld ook kent. Jezus zegt u: “Ik ben u de weg en de waarheid.” Maar wij vragen ons af: “Wat is de weg, wat is de waarheid?” Want het is niet voldoende, dat er een weg bestaat, een innerlijke weg, die iedereen zou kunnen gaan. leder mens, ieder wezen, iedere geest, zoekt zijn eigen weg, zoekt zijn eigen oplossing van de grote problemen. En dan begint het langzaam in je te leven en te roeren, tot je komt tot een interpretatie van hetgeen een leraar zegt. Het is je eigen reactie.

U moet goed begrijpen, dat wat ik u hier in woorden probeer weer te geven vandaag, mijn reactie is. Er bestaan honderden andere mogelijkheden om ditzelfde te beleven en enigszins anders te interpreteren. Zo echter heb ik dan deze vraag beleefd: Wat is de weg, wat is de waarheid?

Er bestaat altijd een bewustzijn van plicht. Een bewustzijn, waardoor je genoopt wordt oplossingen te vinden voor jezelf en anderen in een bepaald kader, in een bepaald raam. Elke weg is niets anders dan het zoeken van een persoonlijke uitdrukking binnen de grote wetmatigheid van het Al, zodat in perfecte evenwichtigheid het “ik” zich verder kan ontplooien en kan komen tot bewustzijn niet van zichzelf of een buitenwereld maar van de kosmische wet en kracht, die hem brengt juist tot deze wijze van handelen.

En wat is de waarheid? Waarheid is al datgene, wat zich aan ons openbaart, zonder te veranderen. Al wat verandert is een leugen. Alle verandering is n.l. verschijnsel. Verschijnsel kan nooit feitelijk zijn. Eerst datgene, wat geen verschijnsel zijnde voortdurend vaststaat in dezelfde waardering en elk verschijnsel begeleidt in zijn aanwezigheid, kan waar zijn. Voor ons is de waarheid niet hoe wij ons gedragen, hoe wij leven. De waarheid is hoe wij beantwoorden aan wetten. Want de wetten zijn het verschijnsel, dat wij in ons erkennen. De waarheid is datgene, wat ons onveranderlijk de wetten in onszelf doet stellen.

Als je deze les probeert te leren en ze is vaak zeer zwaar dan vraag je je wel eens af: Waarom is er in die wereld zo’n chaos? Wat kan het principe chaos te maken hebben met de perfecte harmonie van God? Want ik stel mij harmonie voor als een volkomen ordening. Totdat je begrijpt: chaos en ordening beide zijn onwerkelijk. Zo min als er orde bestaat in feite, bestaat er chaos in feite. Beide zijn sequenties van gebeurtenissen. In het ene geval wild dooreen gaande, in het andere geval samengevlochten tot een ordelijk en zuiver geheel. Maar de kracht, die ze veroorzaakt, is er werkelijk. Er is geen zin in chaos. Er ligt geen zin in ordening. Zin ligt er slechts in het bestaan, met minachting van de verschijnselen.

Deze laatste stelling is voor u onmogelijk. Ik weet dat zeer goed. Maar ik hoop, dat u ook ons standpunt zult willen begrijpen. Want u leeft op het ogenblik in een wereld, die u aan alle kanten omspoelt. Een wereld, waarin de leringen van de grote meesters, van Jezus en alle anderen, in feite een interpretatie zijn van de mogelijkheden. Maar stel u voor, dat al die vormen kunnen verbleken; dat de aarde onder uw voeten verzinkt en zelfs het duister van de hemel gedoofd is; dat er alleen maar gedachten overblijven, Als u zo zoudt kunnen bestaan, dan zoudt u een mogelijkheid hebben die in de sferen reëel is. Zoals uw wereld zou verbleken, zo verbleekt voor de denker de wonderbaarlijke schoonheid van Zomerland. Zoals voor u de nachthemel zelfs in duisternis nog sterven moet, zo sterven klanken en kleuren uit in een verblindend wit licht, dat op de duur zichzelf verliest en licht noch duister blijkt te zijn. En eerst daar, waar niets meer is buiten het ervaren en het aanvaarden, daar vinden wij God pas.

Toen ik zelf deze leringen doormaakte, heb ik mij de vraag gesteld: “Ja, maar waarom ga je dan terug naar de wereld om daar te leraren? Waarom streef je vooruit naar werelden, die je nog niet kunt betreden? Wat is dan de zin van dit alles?” En mijn leermeester gaf mij toen een antwoord, dat waarschijnlijk ook voor u nuttig en belangrijk kan zijn. Want hij voerde mij in zijn gedachten mee tot de conclusie: Nutteloos is dit alles, indien wij het willen zien als een handelen of een gebeuren in de buitenwereld. Maar ín ons is het een noodzaak. In onszelf zoeken wij naar een realisatie van eenheid, die ons volledig verbindt met al het zijnde, ons beschermt tegen al het gedroomde kwaad. Die kunnen we alleen vinden door de handeling, door de daad. Ons gaan naar een lagere wereld, ons helpen van anderen, dit scheppen van inhoud en rust in ons eigen wezen, het is onze benadering van een toestand, waarbij wij ten slotte het verschijnsel kunnen verwerpen.

Soms vluchten de gedachten voor het gevaar, zoals een hert vlucht voor de onbekende dreiging van de tijger in de wouden, Wij weten niet waar het gevaar schuilt, maar het jaagt ons voort. Het is een angst, die ons verteert. En wij willen weg, ook al weten wij niet waarom.

Welaan, dit is het, dat ons doet vluchten naar hogere wereld en sfeer. Want zoals onze meesters ons hebben doen inzien; Er is geen verschil tussen werelden en sferen. Er kan geen lijn worden getrokken, die ons aangeeft op grafische wijze: het bewustzijn der aarde gaat tot zover en dan volgt een volgende sfeer en daarop verder. Het trapsgewijze bouwsel is slechts een symboliek voor het onbegrepene van ons eigen wezen. In elke wereld, in alle sfeer bestaat volmaaktheid gelijk, want alle wereld en sfeer is een. Onze ogen, die niet zien, onze oren, die niet horen, onze mond, die de juiste woorden niet spreekt, zij zijn het, die ons verwijderen van anderen.

Misschien is het stoutmoedig van mij, dat ik van uit mijn vroegere beschaving en standpunt nu toch ook weer een christelijke leer hierbij wil nemen. Jezus heeft geleerd: Heb uw naaste lief gelijk uzelf en de mensheid. Maar wat leerde hij aan zijn geliefde leerling? “Eerst indien gij uzelf vergeet in anderen, zult gij uzelf kunnen zijn.” Is dat niet in overeenstemming met wat de sferen ons meer en meer openbaren? Is dit niet de uitdrukking van een wereld, die een wordt? Wanneer wij de naasten liefhebben, kan dat een sentimentaliteit zijn. Het kan ook een bewustzijn in ons baren, waardoor wij zeggen: Dit, wat voor mij verschrikkelijk en onaangenaam is, dat mag ik geen ander opleggen, tenzij hij het vrijwillig en zelf aanvaardt. Het erkennen van een band, maar, op de duur gaat het verder. Want eerst wanneer je jezelf terzijde zet, jezelf vergeet – hoe moeilijk dit ook moge zijn – kun je begrijpen wat anderen in feite zijn en beleven. En eerst dan zul je werkelijk bestaan.

Is niet de wereld een sjabloon, waarin ongeletterden en onwetenden zich bewegen zonder inzicht van betekenis? Is de wereld niet als een reeks van letters, neergeschreven door de grootste Schrijver, het zuiverst gedicht, symmetrisch opgesteld, doch dan gegeven in de handen van een analfabeet? Men moet de wereld en het leven leren lezen. Men moet ze leren begrijpen. Men moet zien, dat al die afzonderlijke mogelijkheden zijn als de letters, die zich samenplooien tot woorden om ten slotte bouwen het beeld van een onmetelijke schoonheid, een oneindigheid. Een westerling zou misschien zeggen: De kristallen kathedraal van wijsheid, waarin het licht van de Eeuwige brandt.

Om onszelf te overwinnen zover, dat wij vergetend het “ik zijn” die wereld rond ons beleven, is moeilijk. Maar in de sfeer leer je, dat het de enige weg is. Er komt een ogenblik, dat eigen wezen niet meer in staat is om de volle uitstorting van kracht en wijsheid te ontvangen, die van uit het zinderende licht op je neerkomt. En dan merk je, dat het met tweeën wel gaat. De twee binden zich tot een en zijn onverbrekelijk. Maar ook dezen kunnen misschien niet méér bevatten en wederom vergeten deze eenheden het eigen “ik” en smelten samen; en zijn dan in staat te accepteren en op te vangen. Er is de verbondenheid, die een uitbreiding betekent van capaciteit voor allen.

Gij hebt misschien wel eens gezien, hoe mensen een tempel bouwen. Stel u voor, dat zij die tempel moeten bouwen, zoals in de oudheid. Steen na steen dragend met mensenkracht. Elke stenen pilaster opbouwend, elke houten paal richtend met de kracht van mensen alleen. En vraag u af, hoe een mens een tempel kan bouwen. Gij zult ervaren, dat het onmogelijk is. De grootheid van Egypte, de wonderen van zijn bouwwerken zijn geboren uit de noodzakelijke eenheid van streven van honderden en duizenden. De grote beelden, ontstaan misschien in het denken van de een, konden slechts worden uitgevoerd door het werk van vijftig. En duizend waren er nodig om ze te stellen op de plaats, waar ze thuis hoorden.

Zo is het met onze tempel. Wij kunnen niet alleen een tempel bouwen, waarin wij God kunnen ontvangen, waarin we één kunnen zijn met God. Wij moeten de eenheid zoeken door de samenwerking, door het begrip, dat wij voor elkaar hebben, het gemeenschappelijk streven. En de eerste stap daarvan is de naastenliefde. De eerste stap daarvan is het begrip van zelfvergetelheid

Ge zult zeggen; Dan zullen wijzelf toch teloor gaan? Wanneer wij onszelf zozeer vergeten, dan put men ons uit en waar blijft onze kracht en ons wezen? Hoe goed is het voor de wereld, dat de wolken niet denken, want anders zouden de water zwangere wolken, gaande over het dorstende land tot zichzelf zeggen; Laat ik mijzelf behouden ten koste van alles. Want als ik de vruchtbaarheid, die ik in mij draag, uitstort, opdat de aarde leve, zal ik ondergaan.

Wolken denken niet. Wanneer de zware regens komen over de dorstende aarde, wanneer het groen zich plotseling weer kan ontplooien uit een dorheid, die dood scheen, dan juicht de mens. En de wolk? Zij trekt door het diepst van de aarde. Zij dampt in de morgenuren van uit de plant omhoog. Ze spoedt zich met de rivieren en beken naar de zee. Maar herrijst. Zoals gij herrijzen zult altijd, wanneer gij leven en kracht geeft aan anderen. Want uit die kracht en het leven zult ge zelf versterkt en hernieuwd opstaan, met nieuwe mogelijkheden.

Zolang gij uzelf wilt zijn, zijt ge gebonden aan vorm. Maar vorm voor de mens is dwaasheid. Vorm voor de geest is misdaad. Vorm moet er zijn in het Al zelf. Er moet ergens een vorm of regelmaat bestaan, die de scheppende Wil openbaart aan ons. En dat kunnen wij bevatten. Maar wijzelf? Hebben wij vorm? Of zijn wij essence van het Goddelijke, slechts juist geopenbaard in dat ene, wat Gods Zijn volledig uitdrukt? Ons leven mag geformaliseerd zijn, maar nooit ons concept van het “ik”.

Onze meesters leren ons: Het is goed de vorm, die je was, te behouden, wanneer zij een middel wordt om je uit te drukken aan anderen. Want zelfs de allerhoogsten, de geesten, die vertoeven daar, waar zelfs geen licht meer is noch duister, zij keren tot ons en zij nemen een vorm aan. Zij zijn ons licht en klank en gestalte; een wezen als een mens misschien. Maar in zich zijn zij onmetelijk groot en verbonden. Leer de uiterlijke vorm en de noodzaken van je wereld te paren aan een innerlijke onbegrensdheid. Dan eerst weet je, wat leven is, wat God is.

Maar ach, misschien dat ik u verveel met deze wijze van betogen. Laat ik dan voor ik afscheid neem trachten om een leerstelling van mijn meesters nog weer te geven, die ik zo buitengewoon belangrijk vind, ofschoon deze belangrijkheid misschien gelegen is in mijn eigen dwaasheid.

Alle leven en alle kracht is een en ondeelbaar. Wij ervaren echter leven en kracht als verdeeld en beperkt. Het kennen van de beperking is onze weg. Het is ons middel om onszelf te kennen als deel van een eenheid. Laat ons daarom niet verwerpen wat onze sfeer ons biedt, maar ons verheugen in de volheid van belevingen, die zij ons openbaart. Opdat wij eens verzadigd van het verschijnsel zonder honger en drang kunnen verlaten, wat eens kostbaar scheen. Want het willen behouden van een verleden, het willen behouden van een beperking is de rem, die het ons onmogelijk maakt tot God over te gaan, in God op te gaan.

Zo leef in je sferen, zing en lach. Zie de vreugde van een landschap vol van de wonderlijkste bloemen, als je gaat door de ruisende wouden, in de eenzaamheid van de blauwe gletschers. Ga door een wereld van zon en van licht. Luister naar de zang van de engelen, en wees gelukkig. Maar verzadig u, opdat die schoonheid in u ruste, opdat zij deel zij van uw wezen en uw weten. Want dan zal geen honger u verteren en geen verlangen u terug doen gaan naar een wereld, die te klein word Dan zult ge de smart niet kennen van een verlaten of van een teleurstellend weervinden. Door de schoonheid te nemen en u daarmede te verzadigen, verzadigt ge u ook met het Oneindige. En wie verzadigd is van het Oneindige kan alles achterlaten en daarin waarheid vinden.

o-o-o-o-o

Ja, als het westen tegen het oosten op moet met woorden, dan is het of iemand met een breekijzer aan de gang gaat, nadat een fijn gestileerd lancet aan het werk is geweest. Het heeft zijn nadelen, maar het heeft ook z’n voordelen. Want als je nu de wereld zo eens bekijkt – daar bedoel ik onze wereld zo goed als de uwe mee – dan kom je tot de conclusie, dat we ons over het algemeen niet gedragen tegenover het leven als chirurgen. We halen er niet alleen de deeltjes uit, die absoluut ongezond of hinderlijk zijn. En dat doen we bij onszelf ook niet. We gaan niet zeggen; Dit in mij is onjuist, dus dat ga ik elimineren. We zeggen: Neen, we gaan onszelf helemaal verbeteren. Of: Die wereld is niet mooi, we slaan haar helemaal tot gruis.

Wat dat betreft schijnt de geest van Eisenbard nog steeds levend te zijn in de wereld. U weet, Eisenbard had een kiespijnpatiënt, die ongeneeslijk scheen te zijn. Maar hij heeft hen genezen. Hij schoot n.l. met een pistool alle kiezen eruit. De patiënt had geen tijd meer om kiespijn te hebben.

Dat is de manier, waarop de wereld over het algemeen uw fouten wil genezen. Je kunt het hun niet kwalijk nemen. Per slot van rekening; primitiviteit openbaart zich altijd en in een stofwereld ben je zeker primitief. Maar als je dan daarnaast gaat nadenken en je wilt verfijnd en simpel de waarheid erkennen en geestelijk omschrijven, dan zul je tot de conclusie moeten konen, dat dat niet samengaat. Je kunt niet een hele tijd met een pneumatische hamer aan het werk zijn en dan even naar binnen gaan om fijn technisch en volledig juist een blindedarm te verwijderen. Die twee dingen gaan niet samen. Je hebt de bibberatie van de hamer en die maakt het je onmogelijk om fijner werk te doen.

Zo gaat het hier met je leven ook. Je kunt nu wel zeggen: Ja, maar ik wil dit doordringen in de waarheid tot een perfectie in de fijnheid doorvoeren. Maar potverdorie, hebben jullie dan de moed om je leven in de steek te laten? Durf je dit rumoer van alle dagen, deze kleine ergernissen en die grote teleurstellingen, de noodzaak om op te schieten en te jachten en te volbrengen, durf je die achter te laten?

Je hoort altijd vertellen, nietwaar dat weet ik, zelfs in mijn tijd op aarde hoorde je dat: Ergens in de bergen, heel ver weg – tegenwoordig weten we dat het de Karakorum is – daar wonen wijsgeren, die zijn zo groot, zo verstandig. Dat zijn wonderdoeners zonder meer. En dan zucht de simpele mensheid en zegt: Ach, waren wij maar zover. Maar ze vergeten er iets bij. Kijk eens, die lui zitten daar helemaal in de eenzaamheid. Die hebben niets. Die maken zich zelfs geen zorg om hun eten. Want als de boeren het niet brengen, nu ja, dan lijden ze honger. Punt. Kun u zo leven?

Als die mensen zitten na te denken over een woord, dan blijven ze dat net zolang omdraaien, totdat ze denken, dat ze weten wat dat betekent, ook al duurt het vijf maanden. Heeft u tijd om vijf maanden over een woord na te denken? Neen, nietwaar? Nou ja, goed, dan kun je ook niet verwachten, dat je bereikt, wat die andere geesten bereiken.

Natuurlijk, je kunt fantaseren, dat je het toch doet. Dan fantaseer je soms een gunstig hulpmiddel, maar….mag ik er even op wijzen, dat verwaandheid meestal het product is van zelfoverschatting plus voldoende fantasie en blindheid voor de meningen van anderen? Op dezelfde manier zal heel veel, wat we geestelijk hoog noemen, buiten het bereik vallen van de doorsneemens. Niet omdat hij het niet bereiken kan. Maar om de doodeenvoudige reden, dat hij zich de toestand niet wil scheppen, waarin het te bereiken is.

Als je dus op aarde leeft, dan ben je eerlijk gezegd wel voor het breekijzer geboren. En als je een breekijzer hebt, wat doe je daar dan mee? Breken, slopen. Je zou kunnen zeggen; Wanneer je gewoon leeft, zoals u dat nu allemaal doet, dan doe je eigenlijk niets dan slopen. Je bent bezig om je illusies te verliezen, je bent bezig om je mening over jezelf te herzien. Je breekt voortdurend iets af. Dan zeg je: Ja, maar bouwen we dan ook niet iets op? Nou, eigenlijk niet. Je legt meer de kern bloot.

Het is nou eens kijken ik denk een 120 jaar geleden, dat in een oud kerkje in Lincolnshire de priester begon met te breken. Het kerkje zag er allesbehalve gezellig uit. Het was zo’n gepleisterd geval met steunberen en van binnen zat er dan inderdaad een mooi houten plafond in, maar dat was alles. Maar toen hij begon te breken, ontdekte hij, dat achter de kalklaag hier en daar beeldhouwwerk naar voren kwam. Toen ze aan de binnenkant bezig waren en ook daar de verzamelde lagen witkalk van eeuwen begonnen weg te halen, toen kwamen er zelfs muurschilderingen naar voren. Wat zo simpel en eenvoudig had geleken was inderdaad edel. Het was een verzameling van schoonheden, in vele jaren van 1100 af tot zeg 1700 toe bijeen gebracht. Toen had de mensheid ze ingekapseld. Op het ogenblik is het weer een vreugde voor het oog, een aantrekkelijk punt voor menige toerist, die daarvan weet.

Maar hoe staan wij er nu eigenlijk voor in het leven? Is het niet precies hetzelfde? In het begin hadden we de grote, de simpele schoonheid van het leven in God, het geleid worden door God. Wij waren deel van de wereld en als zodanig harmonisch. Maar toen begonnen we na te denken. En als een mens begint na te denken een eigenaardig feit dan gaat het in negen van de tien gevallen eerst verkeerd, voordat het goed gaat. Als je het niet gelooft, kijk je maar naar de verslagen van de Volkenbond en de UNO, dan kun je zien, dat ik gelijk heb.

Altijd weer begin je met je gedachten eerst het mooie en het eenvoudige a.h.w. weg te metselen. Je gaat zeggen; Ja, we moeten dat zus doen en zo. Je schept regels en reglementen. Je verbergt de hele eenvoud onder de kalk van redelijkheid. Maar je leeft en je hebt behoefte aan wat aardigs en wat moois, nietwaar? En dan bedoel ik het zeker niet in de stoffelijke zin maar eerder in dat innerlijke gevoel van tevredenheid. Ja, en dan deugt het niet. Dan is het enige wapen, dat je hebt, het breekijzer. Want je kunt kijken of je kunt de kalk eraf slaan. Maar ga je zeggen; Ik wil weten, wat er achter dat leven zit, wat doe je in feite? Denk je, dat je er ooit achter komt wat er achter zit?

O, natuurlijk, er zijn van die mensen, die hoog vergeestelijkt rondzweven. Maar weet u, wat die doen? Poppetjes tekenen op de kalk, net als de kinderen. Maar degenen, die proberen door te dringen, die halen stukje bij brokje hun fantasietjes weg. Die breken die kalk weg. Die laten de vorm van het God gewilde weer doorkomen in zichzelf. En als je dat doet in je leven, dan hoef je helemaal niet “hoog” te staan.

Men hoort altijd op aarde: O, maar het is zo’n hoogstaand mens. En als je nu nagaat hoeveel mensen en hoeveel landen ten val zijn gekomen door juist die hoogstaande mensen, dan begrijp je wel, dat dat ook maar een heel betrekkelijke kwestie is. Je hoort: Ja, maar die is zo hooggeestelijk bewust! Nou, neem me niet kwalijk, het kan zijn, dan is het om wat te bereiken in de praktijk. Woorden alleen zeggen niets. Dus…. zeg niet; Ik wil hooggeestelijk of wereld ontrukt zijn. Probeer alleen eens in jezelf te vinden, wat die waarheid is. Probeer om die kalk van alle fantasie en alle gebruiken een beetje weg te halen.

En voordat nou hier iemand in zijn gedachten weer gaat uitspreken, dat dit een herhaling is van het “Ken uzelf,” wil ik toch even corrigeren. Dat is wat anders dan “Ken uzelf.” Het wil zeggen; Ken God in jezelf, om te weten wat jezelf bent. Maar begrijp de harmonische kracht, die God in je heeft neergelegd, dan ben je er. En als je dat weet, dan leef je eenvoudig. Het is eigenlijk gek, als je het goed nagaat. Maar al die grote ingewijde figuren, die op aarde zijn geweest, die waren eigenlijk maar eigenaardige jongens. Helemaal geen hoogstaande mensen van uit het standpunt: in de maatschappij hoogstaand, enz.

Per slot van rekening. kijk nou eens naar die Siddharta. Dan mag je zeggen: Het was een aardige jongen, maar per slot van rekening hij liet daar zijn hele familie in de steek, hij liet een heel land zonder kroonprins zitten; hij liet z’n vrouw rustig achter. En wat ging hij doen? Bedelen, zwerven. Nou, een mooie jongen! Weet je, als dat tegenwoordig gebeurt, dan zou men misschien gaan spreken over jeugdcriminaliteit en een toenemende psychose in de jonge jeugd. Maar hij vond er de verlossing in.

Mohammed, nou, ongetwijfeld een groot profeet. Maar was hij eigenlijk geen kameeldrijver, die bovendien nog opstandeling werd? Heeft hij met zijn heerscharen eigenlijk niet allerhande eigenaardige dingen uitgehaald? Rooftochten gehouden en zo? Oorlogje gespeeld tegen de wettige overheid? Hij was eigenlijk een roverhoofdman, als je het goed bekijkt. En toch tegelijk een brenger van een geestelijke waarheid.

En laten we dan maar helemaal niet meer over Jezus spreken. Want in zijn tijd was hij toch eigenlijk niet veel anders dan een ietwat prullige timmerman, die klaarblijkelijk zo weinig vakbekwaamheid en kennis had, dat hij probeerde om het te redden met imitatiewonderen en met predikingen. Zo zag het er voor de wereld uit. Een opstandeling. Een vent die nu ja, leefde van wat het land opbracht. Op dezelfde manier zoudt u hen ten minste vandaag bezien, als u niet door de openbaringen en de godsdienst aan hun grootheid gebonden was.

Neem Apollonius, nietwaar, die goeie Appie. Die had ruzie met Jan-en-alleman en met iedereen. Dat was een oplichter, zeiden ze, een bedrieger. Hij brak de vrede en hij beledigde de goden. Een straatschender. Toch was hij een groot ingewijde. En zo kun je verdergaan. Noem ze maar allemaal op. Of het nu gaat over de Comte de Saint-Germain of over een ander allemaal precies hetzelfde. Rare kerels, als je hen zo ziet. Luitjes, die helemaal niet schijnen te passen in het beeld, dat de mens zich maakt van geestelijk hoogstaande. De reden? Wel, dat kan ik je gauw vertellen. Om de doodeenvoudige reden, dat degene, die de inwijding zoekt, werkt met de praktijk en niet alleen met de hoogstaande theorie.

Ik heb in mijn tijd – wat misschien onredelijk is – een hekel gehad aan een dominee. Als je de goede man hoorde, dan was er maar één oplossing: Bekeert u, gij, zondigen! Laat u niet verleiden door de demon! De Satan gaat rond als een briesende leeuw….en de rest. Zo stond hij dan twee en een half uur en jij moest luisteren. Maar dat was dezelfde, die als hij de kans zag om een dubbeltje van je achterover te drukken het deed. Hij had het erover, dat wij gul en royaal moesten zijn. Maar een kind, dat een appeltje jatte uit z’n tuin, nou, nou, als hij die te pakken kreeg, dan voelde die het. Dan noemde hij dat opvoedkunde, maar het was in feite, dat hij de appels zelf wilde hebben. Toch noemde iedereen die dominee een geestelijk hoogstaand man, want hij wist veel over theologie, had een paar prekenboeken geschreven en nog zo wat.

Kijk, in de meeste gevallen gaat het in de wereld zo, lui, dat jullie geestelijk hoogstaand noemen, wat theorie heet. Als iemand een vergeestelijkt boekje schrijft, dan deugt hij. En als hij het niet doet, nou ja, goed, dan kan hij misschien goed praten daarover. Dan deugt hij. Ook een hoogstaand mens. En er zijn nog maar weinigen, die proberen om de daden te ontleden. En toch is geestelijk hoogstaand zijn een kwestie van daden, niet van wat anders. Begrijp je? De verf moet eraf, het breekijzer moet erop. En omdat de meeste mensen heel wat minder goed zijn, dan zij zich voordoen, is het begrijpelijk, dat juist degenen, die het eerlijkst, het zuiverst leven, een beetje eigenaardige figuren worden.

En nu kun je daar natuurlijk de conclusie aan gaan verbinden ik moet ook zo langzamerhand weer plaats gaan maken voor een ander en dan zou ik die conclusie maar zo willen stellen: Denk niet dat je het met mooie gedachten of woorden alleen afkunt. Meen ook niet, dat je met handelingen en daden zonder meer iets bereiken kunt. Pas wanneer je de werkelijkheid Gods, zoals je die in jezelf beleeft, kunt openbaren door je daden en consequent kunt handelen naar hetgeen je voelt als een goddelijke wet, een goddelijke inhoud in je wezen, dan deug je. En voor de rest deug je niet. Als je dat niet doet, hoef je niet te zeggen: Ik ben geestelijk hoogstaand, ik ben verlicht, of wat anders. Want dan zal ik ook eens bijbels worden: “Er zijn velen, die Here, Here roepen, maar slechts weinigen zijn uitverkoren.” Het is begrijpelijk. De meesten zijn zo hard bezig met “Here, Here,” te schreeuwen, dat zij er niet toe komen om wat behoorlijks te doen. Laten wij die fout vermijden.

Laat ik dan op mijn manier het tegenwicht eens geven tegen al die esoterie. Wij hebben geen stippel, geen jota, geen puntje en geen titteltje aan alle wijsgerige gedachten, tenzij wij ze voor onszelf kunnen omzetten in iets praktisch. Als we leren om ze in de praktijk te brengen, dan deugt het. Zolang de praktijk erbuiten blijft, nou ja, dan hoop ik, dat je je ermee amuseert, kwaad kan het niet maar veel zal het niet uithalen, ongeacht de vergeestelijktheid, die je misschien in jezelf meent te ontdekken.