Lessen van de Meesters

Er zijn heel wat verschillende Meesters op deze wereld geweest. Als je spreekt, over de lessen van de Meesters, dan is het niet juist om alleen stil te staan bij de laatste, nu nog onbekende Wereldleraar en Wereldmeester. Als we ver teruggaan, dan komen we terecht in Atlantis. Daar woon­de een zekere Menep. Deze Menep is één van de eerste Meesters, die in de menselijke historie van invloed zijn geweest. Hij was het namelijk, die leerde dat het leven uit de zee kwam (wetenschappelijk gezien juist), en verder dat de mens daarom juist in harmonie moest leven met alle dingen, ook met de zee. Hij moest zijn medemensen dus goed behandelen, anders zou de zee dat wreken door leven terug te nemen. Een typische leer voor een eilandenrijk. Er zitten echter twee elementen in die interessant zijn.

In de eerste plaats: heb uw naaste lief. Dat zit er al in. De reden: anders verstoort u de harmonie. In de tweede plaats: er komt leven uit de zee. Dit heeft overigens later aanleiding gegeven tot allerlei eigenaardige vereringen van zeeGoden. Zelfs een God als Dagon heeft zeer waarschijnlijk zijn ontstaan te danken aan deze leerstellingen. Gaan we kijken naar Esir (later ook wel verkeerd Osiris genoemd), dan hebben we in feite te maken met een kleine vorst, die ook priester is en die de mensen leert zoeken. Een van zijn belangrijkste leerstellin­gen is wel die van de selectie. Hij zegt letterlijk tot zijn mensen:

“Zoekt en beproeft”

behoudt het goede, voeg het samen en beproef het opnieuw. Daarnaast zegt hij ook tot zijn mensen:

“Er is een wisseling van tijden en getijden. Zo, kijk naar de zon, naar de sterren en naar de natuur, opdat gij leeft in overeenstemming daarmee.”

Hij is daardoor aansprakelijk geweest voor o.a. een bepaalde landbouwme­thode welke in die tijd ongetwijfeld een grote vernieuwing was. Gaan we kijken in India, dan vinden we ook daar allerlei eigenaar­dige leraren, die elk voor zich proberen de mens iets nieuws te geven, maar vooral iets beters. De leerstellingen ervan kunt u terugvinden in de Veda’s, die tezijnertijd wel uitvoeriger behandeld zullen worden. Ik citeer maar weer een paar leerstellingen daaruit:

“Indien gij uw bestemming in uzelf kent, ga die weg wat er ook gebeure.”

“Hij, die leeft in trouw aan de Goden, wordt als de Goden.”

“Hij die het geheim kent van het werkelijke leven, kent ook geheim van zichzelf.”

Het zijn drie spreuken waar je weer van alles kunt denken. Het opvallende is hierbij: je moet het goede doen. Het goede ken je in jezelf. Als je op die manier leeft, dan komt er misschien een ogenblik dat je beter een andere weg kunt kiezen. Maar als je toch verdergaat, dan alleen kun je de voltooiing van je leven vinden op een juiste manier. Hij die leeft volgens het goede, wordt als de Goden. Daar komt het eigenlijk op neer. Wij zijn klein omdat we besloten zijn in de materie en eigenlijk ook nog in een wereld vol illusies. Het goede dat we in ons kennen is de enige richtsnoer. Indien we verder daaraan gehoorzamen, dan komen we als vanzelf op een punt waar wij ons kunnen ontdoen van onze begrenzingen. Wij zijn dan als de Goden, omdat we het overzicht en de kennis bezitten. Let wel, dit zijn allemaal zaken die 8 à 10.000 jaar geleden reeds zijn gezegd. Ik vertel u dit om duidelijk te maken dat er altijd een leer is geweest en dat er altijd lessen van Meesters zijn geweest. Het is misschien een beetje moeilijk te zeggen wie nu wel een Meester is en wie niet. Je kunt zeggen: De Gautama Boeddha is toch zeker wel een Meester geweest. Maar het wonderlijke van deze Meester is dan toch wel dat hij alleen maar zegt: op die manier leef je juist. Verder zegt hij niets. Wat men vertelt over het Hiernamaals heeft de Boeddha zelf nooit gezegd. Integendeel, hij heeft het voortdurend over iets wat we tegenwoordig relativiteit noemen. Een van de bekendste gelijkenissen is die van de olifant en de vijf blinden. Het komt hierop neer: ieder bekijkt het op zijn eigen manier. Wij kennen de hele waarheid niet, maar door juist te leven leren we die waarheid begrijpen.

Bij Jezus komen we ook tot de conclusie dat hij heel wat anders heeft geleerd dan de mensen tegenwoordig schijnen te geloven. Jezus heeft nooit gezegd dat hij de Zoon van God was. Hij heeft alleen, toen hem in het Sanhedrin werd gevraagd, of hij dat had gezegd, geantwoord: dat zeggen jullie (Gij zegt het). Zelf heeft hij het nooit gezegd. Hij sprak over zichzelf als de zoon des mensen. Jezus leert naastenliefde, zeker. Maar het is een naastenliefde die niet selectief is. Jezus leert de mens eerbied, maar niet op de mozaïsche manier. Alleen voor zijn eigen volk. Jezus leert de mens eerbied voor alle leven. Hij is helemaal niet zo in­genomen met de maatschappij: dat blijkt ook uit allerlei spreuken. Neem nu maar dat bekende gezegde:

“Kijk naar de bloemen en de vogels. Ze weven, ze spinnen en ze werken niet en toch zijn ze schoner gekleed dan Salomo in al zijn heerlijkheid.”

Dat wordt tegenwoordig gebruikt om te laten zien dat God het toch maar goed heeft gemaakt. In feite zegt Jezus hier: wat heb je aan al je werken, als je daarmee zelf niet geluk­kig bent. Want te werken om mooi te zijn, dan kan je beter een bloem zijn. Dus ook Jezus is iemand die anders is. De verlossing die hij predikt is niet de algehele verlossing van zon­den zonder meer. Hij probeert het oude (het erfdeel) ongedaan te maken. Hij doorbreekt a.h.w. het taboe door een ieder bewust te maken van God. Elke mens kan voor God treden. God is evengoed op de heuvels van Samaria, zoals hij zelf eens heeft gezegd, als in de tempel in Jeruzalem. Ook het beeld van God maakt hij anders. Hij maakt er een vader van en niet een heerser, een potentaat, een jaloerse, toornige koning, die zijn volk wel eens mores zal leren. Alweer, het is het ingaan tegen de geplogenheden.

Laten we even teruggaan in de tijd naar Ichnaton, zoals hij zichzelf heeft genoemd: de zoon van de Zon. Wat leert deze zijn mensen? Hij zegt:

 “Kijk naar de zon. Hij geeft het leven. Besef, dat hij leven geeft. Verheug u dat hij er is en dat hij leven geeft. Zo vindt ge de eeuwigheid. Niet door de Goden, maar door de erkenning van het leven zelf.“

En zelfs degene, die zijn overgeleverde gezangen aan de zon naleest, (er zijn er enkele die nu nog bestaan) komt tot de conclusie dat er eigenlijk in de termen van de tempel, in de termen van die dagen wordt gezegd: “mens, je bent gewoon deel van de zon. Je bent deel van God, leef daarnaar. Altijd weer zien we, dat de leerlingen proberen zoiets te vernietigen, indien hun eigen concept van eredienst, van waardigheid teniet wordt gedaan. Ofwel in andere gevallen, dat ze steeds meer woorden zodanig gaan uitleggen dat zij daardoor op den duur de macht over anderen krijgen. Dat is onvermijdelijk. Soms is er iemand die probeert de zaak samen te voegen. Denk eens aan Baha Ullah die zeker volgens mij ook een Meester is geweest. Hij zegt:

“De werkelijkheid, de waarheid kan niet liggen in één leer, maar moet liggen in alle Leringen.”

Wanneer wij juist leven en de waarheid leven, dan kunnen we dat doen door uit alle Wijsheid van alle meesters te leren. Hij leert a.h.w. de synthese in tegenstelling tot anderen zoals bv. Mohammed. Mohammed is ongetwijfeld, wat men ook, van hem denkt en zegt, wel de­gelijk een ingewijde. Hij is een Meester. Maar hij kan alleen werken in de termen van het volk, van het land. Hij leeft ook op die manier. Hij is helemaal niet bang voor een vrouwtje meer of minder, dat blijkt elke keer weer. Mohammed vindt het heel goed oorlog te voeren. Dat is logisch, hij leeft temidden van mensen voor wie het wapen als het ware een verlengstuk is van hun eigen persoonlijkheid. Het gebruik van het wapen is het uitdrukken van hetgeen je bent. En als je nu maar kunt leren dat je dat alleen rechtvaardig kunt doen, dan zijn de moeilijkheden voorbij. Hij zegt zelfs nadrukkelijk tegen zijn leerlingen dat zij respect moeten hebben voor de volgelingen van Jezus en de nakomelingen van Abraham: het jodendom. Dat dit niet zo direct wordt gedaan omdat het niet voordelig is, behoeft ons niet te verwonderen. Wat Mohammed doet is: proberen om een niet geregelde samenleving, die van willekeur aan elkaar hangt, een zekere ordening te geven waarin res­pect voor de medemens, de naastenliefde, een rol speelt. Hij zegt:

“Geven is de gunst, die de arme de rijke bewijst. Want door te geven aan een ander geef je aan God.”

Naastenliefde.

Gaan we kijken bij de Wereldleraar, dan treffen we weer vergelijkbare inhouden aan. Het gaat hem kennelijk ook om het bereiken van een doel. Wat zegt hij nu?

“Wie zijn doel kent en het beseft, zal niemand daardoor mogen schaden. Maar het is een dwaas, die niet alle middelen gebruikt die hij zonder anderen te schaden kan hanteren.”

Als iemand hem vraagt hoe je deugdzaam moeten leven, dan zegt hij: “maak iedereen gelukkiger.” Dat is een heel rare opvatting, zelfs voor deze tijd. Het is amoreel, zou men haast zeggen. Toch heeft hij volkomen gelijk. De naastenliefde kan niet gelegen zijn in het betuttelen van zijn medemensen. Het kan alleen gelegen zijn in het scheppen van alle condities waardoor elke mens gelukkiger kan worden.

De Wereldmeester bekijkt het uit de aard der zaak wat meer vanuit de kosmische kant. Hij is vaak wat minder praktisch. Maar zegt hij niet op een gegeven ogenblik, dat wij in de ander onszelf moeten erkennen en dat het een dwaas is die zichzelf schaadt. Het is weer een andere manier te zeggen dat er naastenliefde nodig is. Waar ik ook ga door de historie, of ik ga naar de landen van Zuid-Amerika of naar de oude beschavingen zoals ze hebben bestaan in Afrika, of ik ga zoeken in de moderne tijd, in de moderne richtingen, altijd weer vind ik dat gebod van eenheid, van harmonie hoe het ook wordt uitgedrukt. Als ik dus spreek over de lessen van de Meesters, dan moet ik in de eer­ste plaats hieraan mijn aandacht wijden.

Wat is die veel geroemde, veel geprezen naastenliefde in feite? Het is het besef van de bestaande wederkerigheid. Ik kan niets doen zonder dat ik het ook mijzelf aandoe. Als ik een ander verlaat, dan ver­laat ik ook een deel van mijzelf. Als ik een ander dwing, dan schep ik voor mijzelf een dwang. Als ik een ander onrecht aandoe, dan schep ik een situatie waardoor ik mijzelf geen recht meer kan doen. De naasten­liefde is niet, zoals de mensen denken, een zoet gefemel van: wees toch alsjeblieft goed voor je medemensen. Het is het erkennen van het feit dat je, alleen dank zij het geheel waarin je bestaat, bent wat je bent. En hoe meer je het andere in stand helpt houden, hoe meer je ook jezelf in zijn ware betekenis kunt beleven en daardoor een hogere waarheid vinden. De situatie van een Koninkrijk der Hemelen e.d. wordt over het algemeen een beetje penibel. Als een Meester het heeft over een onderwereld (Bardo bv.), dan zijn er heel veel mensen die dat letterlijk nemen. Zij zeggen: ergens onder de aarde is een hellewereld, ingedeeld in een groot aantal compartimenten en daar ondergaat de ziel haar straf.

Zoiets als Jezus zei over de “buitenste duisternis”. De mensen begrijpen de term niet. Wat is buitenste duisternis, wat is Bardo? In feite is dat een toestand, niet een plaats. Als je dat leert begrijpen, dan worden hun lessen ook veel begrijpelijker. Jezus zegt het trouwens met nadruk: Het koninkrijk der Hemelen is in u, lieden. Niet er buiten, in u. Het is iets waar je deel van bent: iets wat in jezelf bestaat. In de oude leer (dan komen we terecht in het Mahayana) wordt gezegd:

“Indien gij rust en vrede in uzelf kent en de juiste basis hebt gevonden (die wordt verder gestipuleerd volgens de boeddhistische leer), dan zult gij in uzelf licht zijn en licht erkennen: en licht is onsterfelijk. Maar indien gij daarvan afwijkt, zo zult gij niet het licht aanschouwen (duis­ternis) en terugkeren tot wat ge zijt geweest (wedergeboor­te)”

Het is opvallend, dat zovele van de leringen van de Meesters eigen­lijk opzij worden geschoven alsof er niets aan de hand is. Hoe men veel­zeggende woorden wegvaagt door te zeggen: dat is een uitzondering, Jezus zegt: “Voor Abraham was, was ik.” Een duidelijke weergave van een vorig bestaan. Neen, zegt men: Hij was in God. Dat heeft hij niet gezegd. Als iemand als een Bahaullah op zijn manier zegt:

“Mediterend besef ik een verleden en weet ik dat er een toekomst is.”

dan duidt hij eveneens op het feit van een persoonlijk verleden en een persoonlijke toekomst. Want hoe kan een mediterende het totaal beseffen, als hij niet eens zichzelf beseft? Als je al die dingen nagaat, dan blijkt dat al die Meesters eigenlijk heel andere dingen hebben gebracht dan de mensen wel willen aanvaarden. Als ik nu overga tot het samenvatten van enkele leerstellingen zonder precies te vertellen waar ze vandaan komen, dan moet u mij maar geloven als ik zeg: Meesters hebben deze lessen gegeven. Deze lessen zijn zo goed, ik kan naar waarheid verklaard. Waar ik het niet zeker weet, zal ik het u zeggen. Laten we dan beginnen met één les, die heel erg belang­rijk kan zijn voor vele mensen.

“Wat ik ben, is datgene wat ik ben geweest, datgene wat ik wil zijn en de angst, die ik in mij heb voor beide.”

Het is duidelijk, wat je vandaag bent, is niet alleen wat je uiterlijk bent. Je hele innerlijk hangt daarmee samen. Alles wat je doet, doe je om een bepaalde reden. Die reden ligt in het verleden, maar ze bouwt ook je toekomst. Als je niet kunt aanvaarden wat is geweest en bang bent voor wat komen gaat, dan zul je n ooit kunnen loskomen van jezelf, van dit “ik” beeld dat niet eens waar is. Van de Wereldmeester is het volgende:

“Wanneer je leeft, blijf je deel van de kracht waaruit je bent ontstaan. Daarom moet het leven de openbaring zijn van de kracht die in je is.”

Is het niet heel eenvoudig, wat ik ook ben, wat ik ook doe, waar ik ook ben en hoe ik ook besta, in welke vorm of in welke rang, ik ben deel van de Goddelijke Kracht. Als ik nu die Kracht terzijde stel en mij alleen maar aan de vorm wijd, dan ben ik hulpeloos. Maar als ik besef dat die Kracht deel van mij blijft wat er ook aan de hand is, dan kan ik al het andere gemakkelijker verwerken. Ik zal niet meer zo door uiterlijkheden, tijdelijke gebeurtenissen en verschijnselen worden beroerd, maar ik zal eerder de eenheid van alle dingen terugvinden in alles wat ik ben en wat ik doe. Het is niet alleen maar een kwestie van God erbij halen. Neen, het is een kwestie van jezelf aanvaarden. Dat kun je, omdat je beseft dat je deel bent van het grote geheel. Jezus heeft naast zijn vele andere leringen, waarvan een deel is vastgelegd, ook een aantal magische leringen gegeven. Daarin komen wonderlijke uitspraken voor waarvan ik er twee wil citeren.

“Wendt u naar alle richtingen en erken alle elementen. Want slechts hij, die het gehele zijn aanvaardt en tot zich trekt, bezit de kracht om vanuit zich de wil in het zijn uit te drukken.”

(De wil des Vaders zal er waarschijnlijk hebben gestaan, maar dat is niet zo overgeleverd.) Ik kan geen volledige verklaring hiervoor geven. Mijn persoonlijke visie is de volgende: als ik naar alle richtingen groet en in alle richtingen een oproep doe in de magie, dan is dat een erkenning van dat andere. Ik betrek het bij datgene wat ik ben en wat ik doe. Eerst daardoor word ik mij bewust van de mogelijkheden, die ik bezit. Die mogelijkheden alleen kunnen weer de uitdrukking zijn van de kracht waaruit het geheel bestaat. Zo kun je de eeuwigheid gestalte geven in de tijd. De tweede lering, die erg belangrijk is volgens mij, luidt:

“Al wordt u vergeven, indien gij hebt lief gehad. Maar, indien gij niet hebt liefgehad, wat baat u al het andere.”

Aanvaarding. Liefde is een aanvaarding waarbij je niet alleen aan jezelf denkt. Liefgehad hebben is niet de rechtvaardiging. Niet omdat daarmee dan alles één, twee, drie in orde is, dat moet je voor jezelf uitmaken, maar omdat het feit dat je het niet voor jezelf heb gedaan, er een betekenis aan geeft die kosmisch is. Daardoor, heeft het eeuwigheidswaarde. Maar datgene wat je alleen doet voor jezelf of om een beredenering of een berekening, dat blijft beperkt tot wat je bent. Dat is zo sterk gebonden aan de vormen, aan de tijd waarin je leeft dat het a.h.w. uitgewist is. Het is niet bruikbaar, het is nutteloos. Hopelijk beschaam ik uw verwachtingen niet. De meesten van u hebben misschien gedacht dat we ons zouden bezighouden met de Wereldleraar en zijn lessen. Maar als u werkelijk inzicht wilt hebben in wat Meesters zijn en wat lessen van de Meesters betekenen, dan moet u niet bang zijn om ook naar het verleden te kijken en desnoods naar de toekomst. Want er zullen altijd Meesters zijn.

In de theosofie is het aantal Meesters bekend. Nu geef ik graag toe, dat die namen in feite symbolismen zijn: ze zijn niet volledig reëel. Als je spreekt over de Heer Maitreya, dan spreek je niet over een naam, maar over een functie, een symbool dat als persoonlijkheid zich eens zal manifesteren of zich reeds manifesteert. Dus begrijp mij wel: Meesters zijn de invloeden die in elke periode optreden. Ze zijn de verpersoonlijking van de mensheid, niet van iets anders.

Men denkt wel eens: een Meester is iemand die uit hoge werelden komt. De ziel heeft meestal hoge werelden gekend voordat ze in staat is de taak op zich te nemen van een meesterschap. Maar dat is iets anders. De Meester zelf representeert de mensheid, de ontwikkeling, de vernieuwing in de mensheid. Want als we de evolutie zuiver stoffe­lijk en historisch m.i. wel kunnen ontkennen (binnenkort vallen er misschien atoombommen en dan zit u weer in het stenen tijdperk), dan moeten we zeggen: het is een geestelijke evolutie waar het om gaat. Het is de voortdurende verandering van “ik”-besef en de daarbij inha­kende harmonie (de kosmische waarde) die in het leven ‑ waar en hoe dan ook ‑ kan worden uitgedrukt. Apollonius van Tyana, ook een van die Meesters, waar men heel vreemd tegenop kijkt en die men voor een theorie heeft willen vergeten, doet een heel kosmische uitspraak als hij zegt:

“Waar ik ben zijn mijn gedachten en waar mijn gedachten niet zijn, daar ben ik niet. Maar overal waar ik ben, is heel de wereld. Daarom zal ik in de hele wereld zijn en toch ben ik hier en spreek tot u (tot zijn leerlingen).”

Hij wilde zeggen: mijn besef is de werkelijkheid, al het andere is maar een verschijningsvorm daarvan. Er was een Meester, die nog alleen bekend is onder de naam Apol­lion. Hij was van Griekse origine en leefde ongeveer in 300 v. Chr. Deze maakte de volgende opmerking:

“De enige waarheid is het licht dat in mij leeft. De Goden zijn slechts de schaduwen, die het licht in mijn wezen werpt op de wand van onbegrip.”

Een heel fijn gezegde. Goden zijn alleen de projectie van mijzelf. Dan zou ik onwillekeurig willen inhaken op een van de grote kabbalisten van + 1200. Deze Meester zegt:

“Als ge alle engelen hebt benoemd en alle hiërarchische ook hebt vastgesteld, dan hebt ge alleen maar uitgetekend wat er in uw ziel leeft.”

Typerend. De Meesters hebben het altijd weer over datgene wat er in ons is en dat we projecteren. Misschien is het ook goed de man te citeren, die als Graaf de St. Germain een lange tijd beroemd is geweest o.a. in Frankrijk, al is hij voor velen meer een oplichter geweest dan een Meester. Deze man is bekend om zijn magische grapjes en ander vertoon zei eens:

“Hoe kan een plant weigeren te groeien, wanneer de lente in mijn hart is? Want wat ik ben en wat ik doe, is de werkelijkheid en al het andere ‑ niet werkelijk zijnde ‑ zal mij gehoorzamen.”

Een typische opvatting. Deze eigenaardige figuur heeft ook in zijn Poolse periode een paar vreemde uitspraken gedaan. Een ervan was deze:

“Zolang een christen de heidenen bestrijdt, sterft Christus.”

Dat was kort voordat hij er toch tussenuit moest trekken. Eén ding moe­ten we zeggen van de man die bekend is als de Graaf de St. Germain, dat hij altijd weer, als hij voelde dat het toch tijd werd om te vertrekken nog even een paar hartige waarheden heeft gezegd. Deze hartige waarheden zijn soms bijzonder interessant. Hij zei eens tot een Duitse vorst:

“Gij zoekt naar goud dat ge reeds bezit. Indien gij goud moet maken, zult ge het nooit hebben. Maar indien gij beseft dat ge het reeds bezit, zult ge het niet nodig hebben.”

Dat werd natuurlijk niet in dank aanvaard, dat zult u begrijpen. Die vorst had een aantal alchemisten voor zich aan het werk en deze waren natuur­lijk niet direct populair, zeker niet bij iemand die zag hoe ze hem bezwen­delden. De Comte de St. Germain had de gave van het korte, ware woord. Van hem wil ik één citaat in het bijzonder brengen:

“Als niet in je hart alles groeit en bloeit, zal de wereld altijd dood zijn.”

Of om het te zeggen met Jezus woorden: het Koninkrijk der Hemelen is in u, lieden. Altijd weer dezelfde boodschap in duizend en één vorm. Als we denken aan Von Hohenheim die bekend is geworden als Paracel­sus, dan vragen we ons af wat deze man toch eigenlijk deed. Hij werkte met zegeltjes tegen ziekten. Hij heeft het over de manier waarop je de alruin­wortel zou moeten opgraven. Hij heeft het over transmuteren van elementen. De mensen zeggen: die man was wel een genie, maar eigenlijk was hij toch niet helemaal goed snik. Dat zegt de wetenschap en de nuchtere mens altijd, als hij iets niet begrijpt. Nu is Paracelsus niet erg bekend geworden in de vorm van directe lering. Het meeste dat hij onderwees was meer van prakti­sche aard, maar hij heeft één ding gezegd dat ik in deze lessen van de Meesters toch absoluut even moet noemen:

“Ik kijk naar de sterren om te weten waar de ziekte schuilt. Ik kijk naar de zieke om te weten hoe de sterren hebben gestaan. Want in beide vind ik een omschrijving voor datgene wat in mij leeft en wat ik zonder dit niet kan uitdrukken.”

Over de symbolen, die hij gelijktijdig aan de leerlingen geeft, zegt hij:

“Wat ik neerschrijf is niet de magische dwang die de hel beheerst of de natuur dwingt. Het is mijn besef, dat ik neerschrijf en dat ik overdraag, want mijn besef geneest.”

Dat zou men in deze tijd ook kunnen gebruiken: je besef geneest. Als je op de juiste manier het leven beschouwt, de belangrijkheid van de dingen op de juiste manier ziet en komt tot een aanvaarden van het onbelang­rijke omdat je de essentie in jezelf kunt bouwen, dan ben je in staat om alles wat er maar bestaat over te dragen aan iedereen. Dan ben je inderdaad Meester. Meesters geven hun lessen over het algemeen niet op een manier die ieder­een zonder meer kan verklaren. Men heeft dat eens voorgelegd aan een zekere Meester André, een kaballist‑alchemist. Men heeft hem gevraagd: Waarom spreekt u altijd in raadselen? Hij antwoordde:

“Voor hen, die voldoende begrijpen, is mijn raadsel verstaanbaarder dan wat u redelijkheid noemt. Maar voor hen, die daarin raadselen vinden, is het niet goed te weten wat ik zeg.”

Jezus haalt ook dergelijke streken uit, neem me niet kwalijk dat ik het zeg. Jezus begint op een keer een aantal zaligsprekingen naar voren te brengen, ­waarmee men vandaag de dag nog niet goed raad weet. Zalig zijn de armen van geest. De geestelijkheid studeert zich te barsten om ge­leerd te worden. Wat willen ze nu eigenlijk? Met de goede daden gevangenen bevrijden. Hoe moeten we dat interpreteren, als men zegt: de mensen moeten gedwongen worden om de juiste moraal en de juiste zeden te aanvaarden. Ik geloof niet dat minister Van Agt er veel voor voelt om gevangenen te bevrijden. Als je het zo gaat bekijken zit er ergens een geheim, een sleutel, die voor alle lessen zou moeten gelden. Dan kunt u nog kijken in de verschillende Grimoires (de boeken van magie) want ook daarin zijn er vele Meesters geweest. De sleutel blijkt dan heel een­voudig te zijn: Alles waarover wordt geschreven, alles wat wordt gezegd is deel van je­zelf. Er is geen sprake van knekels, gevonden op het kerkhof en tot stof vermalen. Het is je eigen besef van de dood teniet gedaan en als nietigheid toegevoegd aan de rest van je gedachten. Dat is de basis van de bezwering. Die zinsnede kunt u o.a. in de Albert Magnus boeken vinden. Er wordt altijd weer een beroep gedaan op de innerlijke mens. Ik geef u mijn visie van die sleutel waarmee u de lessen van alle Meesters kunt ontraadselen, indien u althans die sleutel eerst deel van uzelf kunt maken.

Alles is met elkaar verbonden. Daardoor is alles voor mij alleen uit te drukken in de verbinding die ik er zelf mee heb. Dan zal alles wat in mij bestaat aan besef, aan erkenning worden uitgedrukt in mijn relatie met al het andere. Als ik dus mijzelf verander, dan verander ik mijn relatie met het andere en daarmee de betekenis die het andere heeft. Zodra ik in staat ben in mij de toestand te creëren, ben ik ook in staat, om al het andere te wijzigen en overeenstemming met die toestand. Daar waar ik in mij de waarheid vind, kan ik buiten mij de waarheid overal ontdekken en kan ik niemand afstoten omdat hij niet waar is. Ik kan alleen zeggen: er zijn wezens, voorwerpen en toestanden waarmee ik mij niet één kan gevoelen. Er bestaat geen grotere wet dan die van de innerlijke waarheid. Zij vormt geen verontschuldiging om alle wetten terzijde schuiven. Het betekent slechts dat die waarheid altijd meer geldt dan elke wet op het ogenblik, dat ik deze volledig in mij erken en gedwongen ben vanuit mijzelf op grond van mijn relatie met het andere iets tot stand te brengen.

Dat is de sleutel voor alle magisch werken. Het is de basis van de talisman, van het magische zegel zo goed als het kenmerk van elke Meester. Elke Meester leert u steeds weer uw relaties met al wat rond u is beseffen. Elk zegt u: zoek de waarheid, de kern in uzelf. God is de Vader. Welke zoon vraagt aan zijn vader of hij mag? Hij vraagt alleen, of pa wil bijspringen wanneer hij het zelf niet kan redden. Zelf de relatie met alle dingen beseffen, dan wordt de Vader vanzelf kenbaar. Ik meen, dat we daarmee al een redelijk overzicht hebben van lessen van de Meesters. Misschien dat u er anders over denkt. U kunt zeggen dat ik heel belangrijke Meesters heb overgeslagen. Zeker, dat heb ik.

Ik heb b.v. bepaalde Chinese Leraren en Meesters, die niet zo bekend zijn geworden in het Westen, eenvoudig niet genoemd. Ik heb slechts een kleine bloemlezing gegeven van de lessen van vele Meesters om u duidelijk te maken wat de kern ervan en de sleutel daartoe is. Want het is niet zo belangrijk dat u de leringen van alle Meesters afzonderlijk gaat bestuderen. Het is veel belangrijker dat u de sleutel daartoe heeft. Dan kunt u uit elk van de uitspraken van elke Meester komen tot een waarheidsbesef dat algemeen geldt, dat kosmisch is. Je zou het misschien zo moeten uitdrukken:

Wij zijn door onze innerlijke toestand en besef de wet waaraan onze we­reld gehoorzaamt, zoals wij gehoorzamen aan het besef dat in ons bestaat.

De Meester kent geen willekeur, omdat zijn wil altijd het geheel omvaamt. Maar hij, die nog geen Meester is, kent willekeur omdat hij kiest naar zichzelf en niet naar het geheel waarvan hij toch een deel is.

Besluit:

Ik heb getracht u duidelijk te maken wat er zo allemaal bestaat aan lering. In mijn inleiding heb ik juist de nadruk gelegd op de essentie, de sleutel, die je moet toepassen. De sleutel, die uitgaat van jezelf als deel van het geheel: het is een belevenis.

De werkelijkheid van de kosmos kan niet met de rede worden uitge­drukt, omdat daarin een groot aantal elementen spelen die eenvoudig niet met de rede als zodanig registreerbaar of hanteerbaar zijn. Zoals uw eigen leven, ook al denkt u dat u redelijk bent, steeds ook wordt bepaald door gevoelens, ja zelfs door zaken die tot uw bewust­zijn niet helemaal doordringen. Het geheel van ons bestaan voert ons dus, hoe wij ook zullen werken en streven en welke weg wij ook volgen, volgens mij tot deze eenheid die beleefbaar wordt. En als we dit erken­nen, dan is het ook niet zo belangrijk welke weg we gaan. Het is belangrijk dat we op weg zijn.

Alle Meesters geven een weg, dat is waar. Alle Meesters geven u de hulpmiddelen die u nodig heeft om boven uzelf uit te stijgen. Maar ze geven zelden die middelen alleen in woorden. Altijd weer ‑ of we nu kijken naar het verleden (Jezus) of naar het heden – geeft een Meester u de kans om zelf te werken. Een Meester zegt niet: het is mogelijk om te genezen. Hij zegt: u kunt genezen. Een meester zegt niet: het moet moge­lijk zijn door te dringen tot God. Hij zegt: God is in u. Denk met mij mee en ik zal u God laten beleven. En dan beleeft u Hem ook.

U moet begrijpen, dat elke Meester gebruikt en misbruikt kan worden. Wat moeten we denken van een priester, die wapens zegent in de naam van Jezus Christus, de Vader en de H. Geest? Wat moeten we zeggen van iemand, die zijn enge morele principes aan anderen opdient als een eeuwige plicht, gevolgd door de zegen “Urbi et Orbi’. Dat past ergens niet in het geheel.

Mensen hebben het leven heilig verklaard en ze hebben God alleen maar beschouwd als de rechtvaardiging van het leven. Maar het is de eeu­wige Kracht die heilig is, de eeuwige waarheid. Het leven is slechts een nevenverschijnsel, een bijproduct van een werkelijkheid.

Ook u leeft. Laten we dan die Meesters niet alleen beschouwen als de pessimisten die ons de ondergang verkonden of die ons vertellen dat het hoog tijd wordt om onze zielen te redden. Per slot van rekening, als je daar nu nog aan moet beginnen, dan ben je meestal toch te laat. Laten we het liever zo zien: De Meesters zijn elk op hun eigen wijze de weerkaatsing van één grote waarheid waarvan ook wij deel zijn.

Er is een kracht. Die kracht kunnen we allemaal op onze tijd hanteren. Er is één leven. Dat leven is onomstotelijk in ons. Hoe wij daarmee werken? Ach, dat is onze eigen zaak. Hoe wij precies proberen bewuster te worden? Dat is heel vaak alleen maar een kwestie van bang zijn voor de dood of ho­pen een eeuwige zaligheid te krijgen in plaats van iets duisters. Wij zullen allemaal, dat is de ervaring, een ogenblik het duister moeten proeven na de dood. Al is het alleen maar, omdat we nog niet bereid zijn het licht te beseffen. Er komt een ogenblik, dat wij het licht ook bij ons leven beseffen en dan bestaat er voor ons geen dood. Dat is de werkelijk­heid. De werkelijkheid is onze verbondenheid met alle dingen.

Ik heb geprobeerd u een paar sleutels te geven in de hoop, dat u daarmee al die geschriften van Meesters en Leraren, die u op uw eigen manier wilt bestuderen, zult zien in hun ware betekenis. Er is één waarheid die altijd blijft bestaan. God heeft ons niet lief in de zin waarin wij liefde beschouwen. Maar God houdt ons in stand, aanvaardt ons, erkent ons als déél van Zijn wezen. En dat is meer dan liefde.

Wij kunnen zeggen dat God ons oordeelt, ongetwijfeld. Maar Hij oordeelt niet de kern van ons wezen, maar hij oordeel het besef, in dier voege dat wij beleven wat wij hebben beseft, dat wij waarmaken datgene wat wij om­trent onszelf ‑ ook al is het maar onderbewust ‑ hebben gedacht. Dat is de werkelijkheid. Daarom is er altijd licht en vreugde. Ondergang is alleen maar voorbijgaand, zoals het ondergaan van de zon. Maar leven is een werkelijkheid, die oneindiger is dan de sterrennevel die je soms ‘s nachts als een Melkweg aan de hemel ziet.

Wij zijn onsterfelijk, zeker. Wij zijn anders en meer dan we denken, zeker. Maar bovenal, we kunnen gelukkiger worden dan wij nu beseffen, indien wij niet voor onszelf eisen, ons niet in een exclusiviteit af­zetten tegen het verdere bestaan, naar indien we onszelf voortdurend weer beseffen als deel van al het bestaan, ook als het ons schijnbaar verwerpt. Dat is het ware leven, dat is de ware inwijding, dat is de kracht voor zover ik het kan bekijken.

Ik heb vele Meesters gekend en gesproken. Er zijn er bij die u zeer hoogacht, die ik nog regelmatig in de geest kan zien en soms ontmoeten. Ik weet wat Meesters zijn. Ik weet wat ze voor mij betekenen. Maar wat ik niet kan zeggen, is wat u daarvan kunt begrijpen. Dat kunt u alleen in uzelf waarmaken. In uzelf ligt de sleutel. In uzelf ligt de kracht. Ontsluit haar en u heeft kracht.

Als u dan genezen wilt, kunt u genezen. Als u wilt waarnemen op afstand, dan kunt u op afstand waarnemen. Als u de werelden van de stof en van de geest (de begripswerelden die schijnbaar zo verschillend zijn) gelijktijdig wilt beleven, dan kunt u ze beleven, want uw werkelijkheid is met alles verbonden. Daarom behoeft u niets te vrezen, want alles is tijdelijk, behalve uw bestaan en datgene wat u door uw besef bestendigt uit dat bestaan.

De wereld zal veranderen. Of ze beter wordt? Nu ja, dat is een kwestie van mening. Maar wij, al veranderen we uiterlijk mee, blijven het­zelfde. Kortom, als u het christelijk wilt formuleren: wij allen zijn kin­deren van God en geen van ons wordt door Hem verloochend. Als u het wijsgerig wilt uitdrukken: wij allen zijn slechts stralen van de eeuwige Zon, levend uit die Zon, terugkerend daartoe op het ogenblik dat hij zijn aangezicht wil afwenden. Dat is de werkelijkheid. Laten wij het daarbij laten.

Ik hoop, dat ik hiermee mijn aanpak van het onderwerp voor u gerechtvaardigd heb. Als het niet het geval is, zou ik het betreuren. Ik hoop, dat u desalniettemin daarin enkele punten voor uzelf vindt om nader te overwegen en dat u op grond van die overweging volgens uw eigen bewust­zijn en uw eigen systeem ook zult proberen door te dringen tot de kern van waarheid, licht en kracht die in u allen besloten ligt.