Leven en dood

8 oktober 1973

Vanavond hebben wij een gastspreker die zal ingaan op de relatie leven-dood.

Wanneer wij spreken over God, dan praten wij in feite over dingen die wij niet kunnen begrijpen. Wanneer wij praten over een engel of een heilige, dan spreken wij over dingen, die wij proberen te begrijpen. En spreken we over de geest, dan spreekt men over dingen, die men denkt te begrijpen. D.w.z. dat wij, wanneer wij op aarde zijn, geconfronteerd worden met een onbekend terrein rond ons. Wij weten er iets van, begrijpen er soms iets van, maar over het algeheel genomen staan wij toch een klein beetje met de handen in het haar wanneer wij reëel en redelijk moeten zeggen: zo is het. Dat kunnen wij eenvoudig niet.

Mijn commentaren zullen vanavond een beetje gebaseerd moeten zijn op datgene, wat ik van de gastspreker verwacht. En wanneer je iemand hebt, waarvan je weet dat voor hem de overbrugging tussen leven op aarde en leven in een andere sfeer een van de belangrijke dingen is geweest in zijn eigen bestaan en ook nu nog is, zij het van een andere kant uit, dan kun je niet anders zeggen dan: dat onbekende moeten wij dan maar een beetje benaderen.

De situatie ligt ongeveer als volgt. Wanneer wij met een waterval te maken hebben, dan hebben wij te maken met een stroom. De stroom betekent de eigenlijke potentie. Die waterval wordt gesplitst, valt uiteen en wanneer je beneden kijkt, dan zie je dat er een groot aantal verschillende stralen zijn. Sommige van die stralen zijn halverwege de hoogte van de val gebroken, andere hebben de rechtstreekse val gemaakt, weer andere zijn wel 7 of 8 maal gebroken en zijn eigenlijk alleen maar een soort fonteintje dat beneden nog een keer opspuit van een paar stenen.

Ik dacht dat wij, wanneer we het probleem leven willen benaderen, daar moeten beginnen. Er zijn krachten, die ons onmiddellijk beroeren en bereiken, maar ze hebben een dermate grote doorslagskracht, dat wij niet in staat zijn die inwerking te verwerken. Ze gaan gewoon te vlug. Het is net als met een straaljager, wanneer je hem hoort, zie je hem al niet meer. Op het ogenblik dat je denkt: is die kracht er, dan is de kracht al voorbij.

Verder hebben wij te maken met wat wij hogere entiteiten noemen. Die hogere entiteiten zijn engelen, rassengeesten, planeet- en zonnegeesten e.d., Heren van de verschillende stralen. We hebben dan met een breking van kracht te maken. Er is al een keer tempo uitgehaald. Er is een omvormingsproces op gang gekomen en daardoor is het water iets trager. Je merkt meer hoe het valt. En wanneer wij te maken hebben met lichtende krachten uit de geest die dichtbij zijn, dan is dat het fonteineffect, zoals ik u dat beschreef. Want in dat geval zijn er vele tussenfasen. Elk van die fasen betekent een aanpassing. Elke aanpassing betekent een beter kenbaar worden.

Nu zult u begrijpen, dat wanneer wij te maken hebben met één van de Heren van een straal, dat wij dan geconfronteerd worden met een kracht die voor ons begrip nog enorm fel is en die ook soms een bijzonder groot tempo heeft. Het gebeurt eigenlijk toch nog overrompelend als die kracht ingrijpt. Maar aan de andere kant liggen de Heren van Stralen dichter bij ons begripsvermogen, omdat we iets van hun werken en bewegen kunnen volgen. Wil je nu een verbinding maken tussen leven en dood, tussen mens en geest, dan is het duidelijk dat de beste resultaten altijd weer behaald worden bij diegenen die nog maar net een steentje hoger staan dan jijzelf. Daar heb je het effect het gemakkelijkste, daar kun je het gemakkelijk verdragen. Omgekeerd voor u: u kunt daar een hand in het water steken en dan gebeurt er niets. Doet u dat onder een heel grote val, dan is die hand er al niet meer. Die is naar beneden of u bent zelf helemaal weg.

Daarom geldt voor ons: in een contact met de werelden van de geest zijn de lagere werelden voor de mens het gemakkelijkst bereikbaar. Dan geldt verder: overdracht van waarden en boodschappen, vooral op een meer authentieke wijze, kan het best geschieden door lagere entiteiten.

Nu zal u duidelijk zijn, dat we als mens of als geest vaak niet willen volstaan met juist die heel kleine sprongetjes. Ik kan mij een mens voorstellen die zegt: “Ik heb eindelijk uitgevonden tot welke straal ik behoor en nu wil ik met de oerkracht die in die straal aanwezig is a.h.w. communiceren.” Dat kan hij niet direct doen, maar hij kan wel iets anders doen. Hij kan n.l. zorgen, dat hij zelf van wezen verandert. En die verandering van wezen in een mens wordt soms bereikt door meditatie, soms bijna spontaan. Het impliceert alleen, dat een groot gedeelte van de redelijke vermogens wordt uitgeschakeld op zuiver mentaal vlak en daarvoor redelijke vermogens van geestelijke geaardheid worden ingeschakeld.

Nu wil ik naar die hogere kracht toe. Ik heb nu een ander vermogen van waarneming. Het element tijdservaren dat bij de mens normalerwijze zijn contact met de geest sterk onder druk zet, kan ik uitschakelen. Zodra mijn eigen gevoel tijdloos is, kan ik mij aanpassen aan het gebeuren, zoals het zich in zo’n hogere entiteit voltrekt. Ik kan dan die hogere entiteit aanschouwen, ik kan hem soms beleven. Maar op het ogenblik dat die entiteit meer omvat dan ik kan benaderen, kan ik altijd maar een klein deel van die entiteit begrijpen.

In de totale opzet zien wij God als een kracht die, daar zij vele facetten heeft, voor ons als persoonlijkheden schijnen te bestaan, waarin facetten die voor ons harmonisch zijn en facetten die voor ons niet harmonisch zijn. Het niet harmonisch zijn van een facet betekent niet dat het minder Goddelijk is, het betekent doodeenvoudig, dat wij op dit moment niet de mogelijkheden en de middelen hebben om daarmede harmonisch te zijn.

Uit de vele facetten die in het Goddelijke bestaan, moeten wij dus altijd proberen juist dat facet te vinden dat voor ons bruikbaar en hanteerbaar is. Hoe kunnen we dat bereiken? Als mens en ook als geest kun je dat het beste doen door te werken op je eigen manier. De ene mens heeft een tempeldienst nodig en een ander alleen een ogenblikje om rustig adem te halen. De ene mens heeft een voorstelling nodig, een beeld van een God. Een ander kan het af met een symbool of eenvoudig door wat hij noemt: een zich openstellen. Dat betekent niet dat iedereen precies hetzelfde kan doen; het betekent wel, dat elke mens een mogelijkheid heeft zijn eigen wezen tijdelijk uit te schakelen, voor zover het de stoffelijke tijdsdwang betreft. En de tijdsdwang – laten we dat niet vergeten – is een besefsdwang. En het gaat zelfs zo ver, dat wanneer uw tijdsbesef sterk geprikkeld is, uw lichaam op die tijdsmaatstaf gaat reageren, ook wanneer dit op cellulair niveau eigenlijk helemaal niet noodzakelijk is.

Je kunt je oud denken door te denken dat de tijd toch maar vlug voorbijgaat. Misschien wel goed voor de mensen die zeggen: “Wat gaat de tijd toch vlug”. Wanneer je dat nu werkelijk oprecht meent, dan moet je toch een keer nadenken, want zo vlug ging die tijd niet en hij gaat ook niet zo vlug. Je hebt tijd genoeg. En als je dat weet, blijf je langer vitaal. Je kunt meer doen, want ook je lichaam zal daarop reageren. Maar dat terzijde.

Nu kom ik in een toestand, waarin ik tijdloos ben en niet meer de normale tijdmaatstaven hanteer. Op dat ogenblik ontstaat er een beeld, waarin de tijd een afleesbare lijn wordt.

Voorbeeld: Stel u voor, dat de tijd een vierde dimensie is, dan kun je je die dimensie voorstellen als een lijn, die afwijkt onder 90° van alle andere lijnen, die voorstelbaar zijn. Dus een hoek maakt t.a.v. alle andere kenbare afmetingen. Dan hebben we dus een lijn. Een lijn is meetbaar. Waar een lijn is, is een afstand. Waar een afstand is, is een overzien van afstand mogelijk. Je kunt dus op een afstand staan en kijken en als je gewoon recht voor je kijkt, dan zie je iets wat voor een mens normaal een eeuw leven is. Doordat ik op een afstand van die tijd sta, kan ik zien wat in die tijd als onveranderlijke factor een rol op aarde speelt. Ik kan dus het verloop der dingen vooruit gaan zien. Maar alleen de waarschijnlijkheden, want er zijn heel veel dingen die naast elkaar liggen en waarvan er maar één gerealiseerd wordt, maar ik zie ze allemaal. Ik zie alle mogelijkheden. Ik kan niet zien welke door een bepaalde persoon gerealiseerd zal worden.

Nu kan ik natuurlijk ook in een andere richting kijken. Dan kijk ik naar energie, want een geest, een entiteit, een grote kracht, is energie. Die energie heeft een eigen ritme. Soms is dat ritme zo traag dat je het als mens eenvoudig niet kunt zien. Er zijn dan wel heel scherpe, kleine fluctuaties – dat is de energie-uiting – maar het hele wezen golft zo traag, dat je maar een klein stukje ziet. Je zegt dan: het beweegt niet. Nu je afstand genomen hebt, kun je beweging zien. En beweging, golving, is voor een entiteit een uitdrukking van zijn persoonlijkheid. Het is een persoonlijkheidswaarde.

En laten we nu i.p.v. een Heer van een straal een Heer van een kleur nemen. Dat is iets eenvoudiger. Wij nemen de Heer van Geel. Een mooie kleur, vol levenskracht enz. Wanneer ik zeg: die kleur geel, dan heb ik het over die kleine fluctuaties die overal bestaan. Dat is de eigenschap. De eigenschap kun je vlak bij het menselijke aflezen, want dat gaat heel snel. Maar wat die Heer zelf doet, dus zijn beweging, zijn poging een wereld te benaderen, te veranderen of iets dergelijks, dat gaat zo traag dat je dat niet kunt zien. Neem je nu afstand, dan zie je de gestalte, je ziet de werking. Je kunt je dan op die werking instellen en nu het wonderlijke: terugkerende naar je eigen tijdmaatstaf, zal je die besefte werking, die geestelijk-redelijk geabsorbeerd is, gebruiken in overeenstemming met de vibratie van de kracht, die randvibratie a.h.w. waar ik het over had en die dus wel kenbaar is. Nu spreekt plotseling uit die straling goud, voor mij niet alleen maar de aanwezigheid van energie, maar ook de aanwezigheid van een bepaalde actie, een bepaalde wil.

En dat is nu het mooie voor de mens: je kunt enorm hoog stijgen. Zolang je maar afstand kunt nemen van al datgene, wat je eigen leven bepaalt, zal je grote entiteiten kunnen zien en zal je ermee kunnen communiceren voor zover je in staat bent uit te drukken wat voor die geest eveneens kan bestaan. Dus je kunt nooit kleine dingen zeggen, je kunt alleen grote dingen zeggen.

Voorbeeld: Piet krijgt een ongeluk. Nu kan ik de genezende kracht – geel licht – gebruiken om Piet sneller beter te maken. Er is een oorlogje aan de gang. Nu kan ik dat licht wel gebruiken maar het helpt niet. Maar ik kan nu gaan begrijpen wat de harmonische intentie van de Meester van dat licht is. En kan ik die intentie begrijpen, dan kan ik dat licht zo pulseren en uitstralen, dat het precies dat verwezenlijkt wat nodig is om die levenskracht om te zetten in iets wat zowel leven als bewustzijn beïnvloedt.

Vraag: Wat heeft dat met die oorlog te maken? Dat is alleen een vergelijking. Een man – te klein. Een oorlog – omvattend genoeg.

Wanneer ik nu nog een stap verder wil gaan, dan kan ik zeggen: “Ik wil God zien,” maar het ritme van God is dermate traag voor ons. De vormbepalende beweging van het Goddelijke is zo traag dat wij gelijktijdig een afstand van misschien een paar miljoen jaar zouden moeten overzien. En daarvoor hebben we het gezichtsvermogen niet.

Dan mag ik hier enkele conclusies trekken:

  1. Naarmate de mens meer afstand weet te nemen van zijn eigen tijdsbesef en als het even kan ook van zijn eigen kleinere maatstaven, dan zal hij in staat zijn een bewustere waarneming te verkrijgen van hoge krachten en het begrip kunnen verkrijgen voor hun werkzaamheid en datgene wat zij tot stand willen brengen.
  2. Op het ogenblik dat de mens in zichzelf met een dergelijk begrip een boodschap kan uitzenden, overeenstemmend met het bewegingsritme van de hoge entiteit, dan is het mogelijk om die entiteit in zijn gedragingen misschien te beïnvloeden, althans de relatie tussen het ik van die mens in de stof en die geest in zijn grote algemene werkzaamheden te veranderen. Wanneer een dergelijke verandering plaatsvindt en het gaat hier om een hoge entiteit – b.v. één van de Heren – dan moeten wij zeggen dat hier sprake is van een hoogste inwijding.

Nu zal onze gastspreker zeggen: het verschil tussen leven en dood is toch nog iets anders. Hij zal daarbij waarschijnlijk uitgaan van besefsnormen e.d. Het grote verschil tussen een mens en een geest is, dat de mens gebonden is aan een vaste tijdsnorm, die hem niet eigen is. Niet eigen wil zeggen: niet een tijdsnorm voortkomende uit en behorende tot zijn eigen wezen, eventueel zijn stoffelijk voertuig ook, maar een tijdsnorm die van buiten uit wordt aanvaard, wordt opgelegd a.h.w. en waaraan hij probeert zich in zijn functies aan te passen, ofschoon dat niet helemaal mogelijk is. Vandaar de eigen norm. Degene echter die in de geest leeft, heeft een dergelijke vergelijkingswaarde niet meer. Hij leeft zijn eigen ritme. Ook zijn eigen tijdsbesef. Dit tijdsbesef kan met dat van de mens aanmerkelijk verschillen, maar het heeft het grote voordeel, dat hij zich daardoor gemakkelijker kan aanpassen aan de krachten die hij ontmoet.

Voorbeeld: U weet allemaal wat schaduwland is. In schaduwland loopt een geest te sjokken. Hij denkt, dat hij nog steeds op weg is naar wie weet waar. Nu denkt hij alleen dat hij de weg kwijt is, maar hij weet op den duur niet meer hoe lang hij onderweg is. Dat kan honderd jaar duren, maar voor hem kan dat zijn van: ik ben net een uurtje aan het wandelen. Zodra dit eigen tijdsbesef wegvalt, is er nog maar één ding nodig. Die entiteit moet aanvaarden wat de trilling is, de tijdsnorm, de belevingsnorm van een andere geest. Zodra dit gebeurt krijgen we ineens een andere wereldbeleving.

Het lijkt zo krankzinnig wanneer je dat als mens meemaakt. Wanneer u weleens een redding- seance hebt meegemaakt, dan hebt u kunnen constateren, dat zo’n entiteit werkelijk goed in de puree kan zitten. Zwaar in de modder. En wanneer hij even doorkomt, dan wordt er met hem gepraat – en dat praten is op zichzelf niet eens zo belangrijk -en dan ineens verandert er iets en dan horen we de uiting veranderen. Men merkt, dat hij blij is, hij ziet mensen. Hij weet: er is licht, er is contact. Dat is nu doodgewoon: men heeft een ander ritme aanvaard. Hij heeft zijn eigen besef omgesteld en daardoor ziet hij dingen, die hij eerst niet kon zien. Dit is kenmerkend voor het verschil tussen leven in de stof en leven in de geest, alle sfeer.

Dan zeg ik vanuit mijn standpunt: het maximum aan mogelijkheden dat we kunnen krijgen wanneer wij op aarde zijn is wel: het leren ons eigen ritme en tijdsbesef uit te schakelen. Hoe wij dat nu precies doen komt er eigenlijk niet eens zo erg op aan, maar wij moeten even dat gevoel van tijdloosheid hebben. Tijdloosheid plus afstelling op een bepaalde sfeer, op een bepaalde persoonlijkheid, schept een harmonie, waardoor overdracht van waarden op het niveau van de entiteit die je aanspreekt, mogelijk is. Ik zit hier nu te redeneren en dat doe ik op uw niveau. Ik probeer er wat extra bij te doen, logisch, maar ergens blijf ik gebonden aan niet alleen woorden, aan begripsnormen en tijdsnormen. Ik kan niet zeggen: Ik blijf honderd jaar doorpraten tot u het begrijpt. Ik moet dit in een tijdsbestek van ca.5 minuten doen.

Wanneer je als geest met een mens communiceert, dan zijn er bepaalde nadelen. Indien een mens echter op het niveau van die geest communiceert, dan is er een veel grotere overdrachtsmogelijkheid. Er is een veel grotere begripsmogelijkheid. Je kunt de dingen volledig duidelijk maken, terwijl je in een contact met de materie altijd ergens tegen die tijdsbegrippen aan zit, het verloop van tijd, de gebondenheid aan bepaalde vaste denkbeelden zelfs. En daarom is het voor mij erg begeerlijk wanneer de mens de uittredingstechnieken gaat beheersen en bij ons komt. Je kunt veel meer vertalen, maar dat is nog niet alles.

De mens zelf is een stoffelijk voertuig met daarin een aantal geestelijke voertuigen. Elk voertuig past a.h.w. bij een zeker afstand nemen van de materie. Hoe groter de afstand van de materie, hoe hoger het voertuig. Nu kan elke waarde, die in dat ik bestaat, bereikt worden. Er is een communicatie tussen stoffelijk besef en geestelijk besef mogelijk op het ogenblik dat de eigen tijdsnormen van het lichaam grotendeels, zo mogelijk zelfs geheel, worden uitgeschakeld. En denk nu niet, dat dat geheel alleen maar een woord is.

Wanneer u weleens hebt gehoord hoe grote ingewijden werken, dan hebt u ook weleens gehoord, dat ze de kans zien hun metabolisme zodanig te vertragen, dat het lijkt alsof ze dood zijn. Het lichaam functioneert wel, maar i.p.v. dat het iets doet in een minuut, doet het dat misschien nu in een uur of meer. En in een dergelijke situatie kan die geest zich nog veel gemakkelijker en veel vrijer bewegen. Maar ook in zichzelf is daardoor een communicatie mogelijk op een heel ander niveau. De hoogste voertuigen van de geest die in dat lichaam woont, kunnen in die periode optreden en kunnen bepaalde dingen vastleggen in de hersenen.

Esoterie wordt heel vaak gezien als een klauterpartij langs een soort louteringsberg die de mens ergens in zich draagt. Maar de praktijk is een beetje anders. Het is niet een kwestie van klauteren. Het is geen wringproces, het is geen stapje voor stapje. Dat vertellen we meestal wel om de mensen niet de moed te ontnemen, maar wij nemen aan dat u rijp genoeg bent om te begrijpen waar het om gaat. Het is een proces, waarbij je gewoon zoekt, je zozeer in jezelf te verliezen dat er op een gegeven ogenblik een uitschakeling ontstaat voor een deel van je stoffelijke wezen. Het besef functioneert niet meer met de stoffelijke wereld en op dat ogenblik zal één van je eigen voertuigen kunnen functioneren met je brein. Er komen krachten en gedachten in je, die zonder deze toestand nooit gerealiseerd zouden worden.

Nu zegt men wel: Ik moet steeds hogerop. Voor sommige mensen is het mogelijk enorm ver te komen, maar heel vaak ontdek je, wanneer je verdergaat, dat het de moeite eigenlijk niet eens zo waard is. De eerste keer dat je zoiets hebt zeg je: “Ik heb een kleine inwijding. Wat fantastisch”. En als je aan de 67e toe bent zeg je: “Gut, daar is er weer een.” Dan is het niet zo belangrijk meer. Maar wanneer ik gewend raak aan dit geestelijk functioneren op een ander niveau, dan bind ik me ergens ook weer een beetje aan het besef dat in die sfeer bij dat geestelijk voertuig van mij behoort. Ik moet nu ook dat voertuig tot verstilling brengen, wil ik hogerop kunnen gaan. En ook dat is een proces dat in het begin niet helemaal lukt en dan ineens klikt het, dan heb je weer een beleving en dan zeg je meestal niet eens meer: “Ik heb een inwijding gehad.” Dan zeg je alleen maar: “Tjonge, wat heb ik beleefd.”

Ergens diep in de mens zit God. Die God waar wij over praten, is niets anders dan ons hoogste voertuig waarin een dermate trage verandering kan optreden, dat een resonantie met facetten van het Goddelijke, met een kosmische waarde, mogelijk is. Wanneer wij dat hoogste niveau bereiken, dan zijn we in staat om op een zekere voet van gelijkheid te communiceren met b.v. de Heren van stralen of wat u aartsengelen noemt.

Esoterie is een zelfde proces. Het is het overbruggen van een kloof, door de bepaling van de kloof zelf. Het denkbeeld van tijd of van een zeker ritme te doorbreken en daarvoor een ander, schijnbaar trager maar veel sterker energie dragend ritme te aanvaarden.

Laat ik het in een paar heel eenvoudige termen zeggen:

U weet, dat u op aarde werkt met de psyche. De psyche bestaat uit: onderbewustzijn, invloeden uit het bovenbewustzijn, bepaalde geestelijke krachten, invloeden, plus datgene wat van buitenaf wordt aangevoeld of als directe prikkel en ervaring wordt ingevoerd. Die psyche heeft een reeks van voorstellingen en door die voorstellingen wordt het vermogen, dat die psyche zichzelf toekent, bepaald. Het is dat je denkt of overtuigd bent, dat bepaalde dingen niet kunnen en dan kan je ze niet. Van andere dingen ben je overtuigd dat ze wel kunnen, maar ze zijn niet volledig en dan gaat het ook niet. Maar je hebt soms het gevoel: dit is gewoon een situatie, waarin ik me beweeg. Dan is het helemaal normaal. Dan is het niet iets wat bereikt moet worden. Het is gewoon zo. Het maakt zich waar en dat wordt verwezenlijkt.

In die psyche worden allerlei denkbeelden afgedrukt en die denkbeelden zijn misschien helemaal niet juist. Ik weet b.v. dat iemand geestelijk een verbondenheid ervoer t.a.v. taak. En die mens heeft geprobeerd dat te interpreteren en zei tenslotte: “Ja, maar moet ik die idioot nu in zaken een compagnonschap aanbieden?” Dat was voor hem zijn term van denken: zaken. Dus daarin moest het gebeuren. Maar dat was helemaal de bedoeling niet. De bedoeling was, dat ze tezamen actief waren. Elk op hun eigen wijze in een soort programma, een grote actie, waarin grote geestelijke krachten bezig waren. We moeten dus erg uitkijken. Die psyche vervormt de zaak nogal eens.

Aan de andere kant kunnen wij door die psyche een groot aantal geestelijke waarden op aarde overbrengen. En juist op de grens van de dood wordt dat heel vaak zichtbaar. Denk maar eens aan de vele mensen, die plotseling iemand die overleden was – en waarvan ze het niet wisten – aan hun bed zagen of iets dergelijks. Hier is een enorm sterke impuls die vertaald kan worden, waarbij de rede wordt uitgeschakeld en toch een op zich weer redelijk geheel tot stand komt.

Nu kan dat ook wanneer je dood bent. Je kunt dan ook op dezelfde manier iets zeggen, iets laten zien. Maar het kan alleen voor zover een mens daarin geïnteresseerd is. Als iemand bezig is met een schaakprobleem, dan kan ik hem interesseren voor een bepaalde zet. Ik zou hem ook nog kunnen interesseren voor een reeks van logische ontwikkelingen die naar de toekomst wijzen. Maar ik zal hem nooit kunnen interesseren voor een zuiver gevoelsmatige kwestie, want daarop is hij op dat moment niet ingesteld.

Wanneer als ik als geest werk, dan moet ik dus uitgaan van wat de mens is en doet op een bepaald moment. Je eigen actie, je eigen denken als mens, is medebepalend voor de mogelijkheid van een geest om op die psyche in te werken. Datgene wat je aan innerlijk besef en bewustzijn bezit, het niveau waarop je je geestelijk kunt bewegen, is bepalend voor de waarheid van hetgeen je krijgt. Naarmate je eigen niveau van geestelijke mogelijkheid lager ligt, is er meer kans dat de zaak te ver uit elkaar spat om te zien wat het betekent.

Dit alles brengt ons toch weer terug bij het onderwerp leven en dood.

U leeft. Op het ogenblik dat uw tijdsbesef ophoudt te functioneren volgens de normen van uw wereld, bent u tijdelijk dood. Ook wanneer uw lichaam daarna weer normaal kan functioneren en uw bewustzijn wederom in dat lichaam geplaatst kan worden. Want dood is in wezen niet de klinische toestand van een lichaam. Dood is een besefswaarde. Iemand, die aardgebonden is kan overleden zijn, maar is voor de aarde niet dood. Want die zal op die aarde actief proberen te blijven. Hij zal proberen om voortdurend in het tijdruimtelijk geheel, dat hij stoffelijk heeft gekend, verder te functioneren. Op het ogenblik, dat hij dat niet doet, is hij dood. Dan bestaat hij in een andere wereld. En leven is steeds actief zijn in een bepaalde wereld, waarvan de samenhangen en de ritmen door jezelf vertaald worden als een natuurlijke sequentie van gebeurtenissen, een opeenvolging van tijdmomenten.

Wanneer u dat nu dadelijk van de gastspreker hoort, gaat dat met veel emotie en pushing power gepaard en mede met geestelijke pressie en dan klinkt het allemaal meer vertaalbaar en eenvoudig. Maar om te begrijpen hoe eenvoudig iets is, moeten wij ook weten hoe het functioneert. Een auto besturen is eenvoudig, maar om een auto te kunnen bouwen of te kunnen repareren, moet je weten hoe de motor en alles in elkaar zit. Ik probeer u op dit moment iets te vertellen van de motor, over de opbouw van het voertuig en wanneer u nu eens zou uittreden en u zou naar een hoger niveau toe willen en u weet niet hoe, dan bent u van een ander afhankelijk.

Maar wanneer u weet: ik zit nu in een bepaald denkbeeld van gebeurtenissen, dan zegt u: “Ik wil die gebeurtenissen niet hebben, ik wil een contact hebben.” U schakelt dan de gebeurtenissen uit en dan maakt u een hoger contact mogelijk. Het kan ook zijn, dat u helemaal niet wilt uittreden, maar ontvankelijk wilt zijn op een bepaald terrein. U stelt dan weer in op dat deel van uw wezen, met uitschakeling van de tijd en de buitenwereld zoveel mogelijk, als u daarvoor gevoelig bent. En wat meer is: wanneer u handig bent, zegt u tegen uw hersenen: “bepaalde acties worden volgens gewoonte automatisch volbracht” en u trekt uw bewustzijn terug. Dan kunt u op aarde schijnbaar normaal verder functioneren, terwijl u gelijktijdig op een ander geestelijk niveau functioneert waarbij hogere waarden en krachten kunnen worden gezien, opgedaan, verklaard enz. terwijl op aarde de tijd verdergaat, maar in dat beleven voor u een schijnbare tijdloosheid optreedt.

Ik heb het nu over de mogelijkheden gehad. Ik ga het nu over de middelen hebben. Wanneer ik een mooie auto heb, weet hoe de machine in elkaar zit en ik heb geen brandstof, dan kom ik nog niet verder. Wat kan ik persoonlijk doen? Welke kracht heb ik nodig? En dan gaan we weer uit van een heel normaal menselijk standpunt. Een mens heeft levenskracht. Die levenskracht is zijn levenskracht omdat ze in zijn wezen pulseert volgens bepaalde banen en functioneert. De mens kan van buitenaf levenskracht opnemen, hij kan vanuit zich levenskracht uitstralen en die mens kan zelf levenskracht verbruiken en verliezen. Zolang ik met een gesloten circuit werk, dus niet uitstraal en niet ontvang, kan ik de levenskracht, die in mij is, gebruiken om daar een constructie van te maken, die mij persoonlijk past. Denkt u maar eens aan yoga. Veel van de asana’s in yoga zijn gebaseerd op het op een bepaalde manier doen verlopen van die levensenergie, het maken van bepaalde kortsluitingen, b.v. door bepaalde zenuwknooppunten aan te raken met een ander lichaamsdeel enz. Het is dus mogelijk. Nu kan ik dit zuiver lichamelijk doen en ik dan dit geestelijk doen. D.w.z. door een mentaal beeld plus wilskracht. Op het ogenblik dat ik een mentaal beeld neem, moet ik een beeld pakken dat past bij hetgeen ik tot stand wil brengen.

Bijvoorbeeld: wanneer u over een roos gaat mediteren dan moet u dat zeker niet doen wanneer u een wapen wilt afweren. Dan moet u over een schild of misschien een zegel mediteren. U neemt een voorstelling en die gebruikt u om u aan te passen. Het beeld dat u hebt, vertegenwoordigt voor u niet alleen een voorstelling. Het is een geheel. Er zitten emoties aan vast, verschillende begrippen. Wanneer ik een schild heb, dan heb ik automatisch een gevoel van afweer, van zekerheid. Hebt u een roos, dan is het: snuf, snuf, wat ruikt die lekker, wat is die roos mooi. Dus dit beeld leg ik aan mijzelf op. Als ik nu in dat beeld zo geconcentreerd raak, dat mijn tijdsbesef wegvalt, dan zal mijn functie geestelijk, de gerichtheid die ik bezit, bepaald zijn. Wanneer ik mij daarbij richt op mijzelf, dan zal ik altijd een voorstelling nodig hebben die op mijzelf, op mijn leven, mijn ervaren betrekking heeft. U kunt dus niet gaan mediteren over iets anders.

Er zijn mensen die zeggen: “Als ik over het kruis mediteer, dan komt het in orde.” Dan is dat alleen waar voor zover je zelf ooit op dat kruis hebt gelegen, vastgespijkerd. Anders is het eerder een persoonlijkheidsaanduiding: het begrip Christus. Je kunt je daar dan op instellen, maar u kunt een kruis niet gebruiken om in jezelf een meditatieve hoogte te bereiken. U kunt het wel gebruiken om u af te stellen op een kosmische kracht, die wij in een bepaalde functie als Christus aanduiden.

Het richten van jezelf betekent gelijktijdig een reguleren van de zenuwstromen, de levensstromen in het lichaam. Wanneer ik mij richt op krachten buiten mijzelf, dan zal ik geneigd zijn om voortdurend enige energie toe te voegen aan de in mij pulserende levensenergie. Dan is er dus sprake van energie-opname. Wanneer ik mij bezighoud met mijzelf, dan is er een gesloten circuit, er wordt geen energie opgenomen en uitgestraald, er wordt ten hoogste enige energie verbruikt.

Wanneer ik mediteer voor een ander, mij richt op een ander, dan zal ik in ieder geval uitstralen. Ik zal mijn eigen levenskracht uitstralen in de richting van datgene, wat ik mij voorstel: de persoonlijkheid. Wanneer ik daarbij het besef blijf behouden van een kosmische band, zal ik waarschijnlijk ook energie kunnen opnemen. Of dat in dezelfde mate geschiedt of niet is afhankelijk van mijn voorstellingswereld; niet van een kosmische wet. De kosmische wet zegt, dat rond mij altijd kracht is, dat ik alle kracht tot mij kan nemen, die ik nodig heb en dat ik daarom alle kracht kan uitstralen, die ik wil weggeven. Maar alleen wanneer ik dit volledig besef, functioneert het voor mij.

Nu kan ik mij voorstellen, dat er mensen zijn die zeggen: “Ik wil graag kennis maken met het leven na de dood.” Wij hebben ergens een doel. Het doel waarvan wij dromen bepaalt niet alleen wat wij kunnen, maar ook wat wij zijn. Door de keuze van een bepaald doel, een bepaald symbool naar buiten toe, om uit te treden naar die sferen, beperk ik in de eerste plaats mijn mogelijkheden van beleving, in de tweede plaats richt ik mijn energie op een heel bepaald punt. Wanneer dat punt niet overeenkomstig mijn denkbeeld bestaat en er toch een trilling is die daarmee gelijkkomt, dan zal ik die trilling aanboren en zal ik ervaringen verkrijgen, die niet aangenaam voor mij zijn, die niet stroken met hetgeen ik mij heb voorgesteld. Wanneer je kennis wilt maken door uittreding met leven na de dood, contact wilt hebben met de geest, dan kun je kiezen uit twee procedés:

  1. Misschien wel de eenvoudigste is: Stel je in op een bepaalde geestelijke structuur of wil. Verbind daar verder geen condities of voorwaarden aan. U zult ontdekken, dat die contacten dan inderdaad ontstaan. Wat eruit overblijft is een vaak warrige of gebroken droom, maar in die droom zitten elementen die je met jezelf confronteren. Die vorm van uittreding en geestelijke beleving komt ook onwillekeurig veel voor, ook zonder dat u dat wil.
  2. Dit procedé vergt voorstelling van een persoonlijkheid, een kracht of een eigenschap. Deze voorstelling moet dan zo compleet mogelijk zijn. U kunt bij wijze van spreken naar vader of moeder in de sferen gaan wanneer u in staat bent een beeld op te bouwen waarin niet alleen de gestalte een rol speelt, maar ook wat u emotioneel voor die ouder voelde en wat u meende dat deze voor u voelde.

Dan zijn die contacten te maken. Het is overigens niet raadzaam om met deze middelen een entiteit tot u te roepen. U moet proberen daar zelf heen te gaan. Hier ontstaan dromen, waarin ook nog wel zonderlinge elementen voorkomen, maar die een veel grotere samenhang hebben en waarin altijd een boodschap verborgen is. Die boodschap leest u of hoort u. Het is de boodschap die dan het essentiële is wat u overbrengt. Al het andere is bijkomstig en meestal ook waardeloos.

Je kunt als mens met de sferen een contact hebben. De boodschappen die je krijgt, moet je werkelijk bewaren, want heel vaak ontstaan twee of drie boodschappen op verschillende tijdstippen die toch een geheel zijn. Dat is te danken aan het verschil aan tijds-beleven dat in een sfeer bestaat en op uw eigen wereld. Dit betekent ook, dat u soms eerst het einde van een zin ontvangt en dan pas de voorgaande delen. Die verwisseling is mogelijk, houdt hier rekening mee.

Hebt u eenmaal een boodschap waarvan u zeker bent en die ontcijferd is, gebruik die dan als concentratie en u zult zien dat u daardoor contact met de betreffende entiteiten kunt opnemen, terwijl langzaam maar zeker een vervolgdroom, een soort droomfeuilleton kan ontwikkelen waarin je voortdurend met dezelfde entiteiten te maken hebt en op den duur hun wereld, al is die dan wat stoffelijker getekend dan ze reëel is, ook voldoende kent om u naar bepaalde delen daarvan volgens eigen wil te bewegen.

Nu nog een laatste raad. Ga niet naar een geestelijke sfeer uittreden zolang u nog het gevoel hebt, dat u hier op aarde nog iets te doen hebt. Zorg dat u absoluut vrij bent van het denkbeeld dat u tekort zou schieten door langere tijd aan een uittreding te besteden. Het is voor een mens daarom misschien beter hiervoor een normale rustperiode te kiezen, terwijl de bewuste belevingen die fragmentarisch zijn en die u ook spontaan kunt krijgen, heel vaak gewoon tijdens het dagelijks bestaan kunnen doorlopen. Maar als u heel bewust naar een bepaalde sfeer, naar bepaalde entiteiten wilt, dan moet u zorgen dat u alle tijd hebt om dat te doen volgens uw eigen begrip. En daarmee heb ik u een en ander verteld.

Met al deze dingen voor ogen met u nu gaan luisteren naar onze gastspreker

  • Wanneer ik me wil richten op de broederschap in de wereld, kan ik dan de gedachte “broederschap” vasthouden?

Wanneer dat woord voor u gepaard gaat met een emotie en u eventueel een symbool kent dat eveneens voor die broederschap geldt, voor mijn part een mathematische figuur, dan hebt u inderdaad de kans dat u met datgene wat “broederschap” uitdrukt in harmonie komt. Maar dat wil niet zeggen dat u dan een beantwoording krijgt van uw beeld van broederschap. Het kan heel goed zijn dat dan in u invloeden wakker worden en dat u later beelden gezien meent te hebben, die helemaal niet met broederschap stroken. Het kan dat u denkt aan broederschap en dat u terechtkomt in een tornooi of in een oorlog. Want broederschap kan ook daar bestaan en misschien is ze daar veel belangrijker dan in het gezellige sfeertje dat u voor ogen hebt.

  • Wat bedoelt u met het instellen op een geestelijke structuur of wil?

Een geestelijke structuur is dat u het idee hebt dat iemand of iets er op een bepaalde manier uitziet. Misschien denkt u aan een bepaalde geest als een bamboe. Knooppunten dus verbonden door holle ruimten waardoor iets pulseert. Dat is dan de structuur. Het is een voorstelling waarbij frequenties een rol kunnen spelen – als u ze ervaren hebt – en voor u zal dat dan heel vaak zijn een schijnbaar idiote voorstelling waar echter veel emoties mee gepaard gaan. U kunt u instellen op een sfeer, d.w.z. op een bepaald wereldconcept. Daar hebt u een bepaald gevoel of een bepaald denkbeeld over. Dat denkbeeld probeert u te herleiden tot een krachtwoord, (broederschap). Een woord dat zoveel mogelijk omschrijft en als het even kan een voorstelling daarbij. Dan zegt u: Dit wil ik beleven. Dit wil ik waarmaken. Dan verandert er iets in ons begrip, ons besef en u verandert. En dat is in dit geval iets wat u volgen moet, omdat u niet bewust naar een bepaald punt toe wilt. De emotie en het symbool dat u hebt gaan zich dan wijzigen. Laat dit rustig gebeuren. Er komt een ogenblik, dat die verandering tot stilstand komt en op dat ogenblik heb je contact met een sfeer. Dat is dan een wederkerige actie.

  • U zei niet “sfeer”. U zei “wil”.

Geestelijke wil is een sfeer. Dat is een wereldconcept. Wanneer een geest voort bestaat, dan drukt ze haar wil tot bestaan uit door een reeks van uitwisselingen of vormen te veronderstellen. In een zomerland is dat altijd een vormveronderstelling. En zij wil deze dingen beleven. Door haar wil maakt ze ze waar. Door ze waar te maken is er een contactmogelijkheid met anderen tot stand gekomen, waarbij het wederkerig beïnvloeden een verandering van wil tot stand brengt en daaruit resulteert dan een nadere werelddefinitie. Wanneer u zich nu instelt, dan kunt u dat wel op die vormen doen, maar dat weet je nooit precies, want een mens kan zich de vorm van een bepaalde sfeer niet voorstellen. Maar hij kan wel uitgaan van een wil. Hij kan uitgaan van het willen beleven op een bepaald niveau.

  • Kun je de tijdloosheid ook in je meditatie aanvaarden, zodat je niet meer weet waar en hoe laat het is?

Dat gaat die kant uit. Tijdloosheid is het niet meer weten dat er tijd is.

Je bent. Als je dan terugkeert in de tijd heb je dat gevoel van verwarring en dan denk je dat je oneindigheden hebt beleefd en dan zijn het maar een paar minuten geweest of omgekeerd. Dat kan.

De gastspreker zal zich heel anders uitdrukken dan ik doe. Maar het gebied, waar deze mens zich op aarde mee bezig heeft gehouden, was deze communicatie met de sferen en zelfs ook de projectie van zijn persoonlijkheid naar andere plaatsen op aarde, waar hij in een voor anderen zichtbare vorm kon optreden. Nadat hij is overgegaan heeft hij zich intens beziggehouden met het probleem leven-dood om uit te maken, waar eigenlijk de scheidslijn zou liggen. Ik denk niet dat hij u dat zal kunnen vertellen, maar hij kan het u misschien ergens een beetje laten aanvoelen. En alle gegevens die ik heb gespuid zullen naar ik hoop zo nu en dan een associatie wekken, wanneer u naar deze spreker luistert, zodat u denkt: Hé, dat zou zo kunnen zijn. En dan kunt u meedenken, meeleven en is de kans groot dat hij met 5 woorden meer voor u doet dan ik met een betoog van nog een uur tot stand zou kunnen brengen. Dan is er een communicatiemogelijkheid op niet-stoffelijk niveau mogelijk. Ik weet, dat de persoon in kwestie dit altijd weer probeert te doen en ik kan alleen maar voor u en voor hem hopen, dat het zal slagen.

Gastspreker

U leeft, maar u bent ook dood. Leven en dood zijn verschijnselen, die wij beoordelen vanuit de wereld, die de onze is. U leeft, omdat u in de wereld die u als de uwe beschouwt, bewust bestaat. U bent ook dood, omdat u in de werelden die u niet beseft, niet bewust bestaat. Leven en dood zijn in wezen een kwestie van bewustzijn.

Nu is het mogelijk om over leven en dood te spreken met alle plechtigheid die men daar op aarde steeds aan verbindt. Maar wanneer mijn lichaam rust, volledig ontspannen – en ik heb deze toestand meegemaakt – dan kan mijn besef elders een evenbeeld van dat lichaam opbouwen en dan is de vraag: leef ik nu of ben ik dood? Het lichaam, dat ik hier achterlaat, functioneert praktisch niet meer. Het houdt zich alleen minimaal in stand. Het andere lichaam dat niet het mijne is, beweegt zich, spreekt met mensen, doet dingen. Leeft het nu omdat mijn bewustzijn bij dit tweede voertuig is? Dan ben ik geneigd om te zeggen: Dat laatste voertuig leeft en het andere is tijdelijk dood. Het is voor mij wat moeilijk u precies duidelijk te maken waar de gaping ligt tussen de werelden, de gaping tussen wat u leven noemt en wat u dood noemt.

Wanneer je als mens droomt dan kun je soms een wereld betreden die vanuit stoffelijk besef niet bestaat. Toch is die wereld op dat moment voor jou werkelijk. Wat daarin gebeurt, dat vindt zijn weerspiegeling en ervaren in je denken. Leef je dan niet eigenlijk in je droomwereld? Nu zult u mij waarschijnlijk – u bent westerlingen – voorwerpen, dat een droom in je onderbewustzijn zetelt of in de hersenen. Maar of ik nu leef in mijn eigen hersenen of in een wereld die anderen ook kunnen betreden, ik leef toch? Ik ben toch bewust? Ben ik meer bewust, dan zal mijn wereld groter zijn. Ben ik mij bewust van vele mogelijkheden, dan zullen mijn mogelijkheden in het leven groter zijn. En hoe groter mijn wereld wordt, hoe kleiner de kans dat ik sterf. Niet omdat ik onsterfelijk ben, maar omdat een zo groot gedeelte van mijn besef en mijn weten blijft voortbestaan zonder verandering, dat ik voor mijzelf het gevoel niet meer kan hebben een wereld te verlaten. Ik ga voort in de wereld waarin ik leef, ik laat misschien iets achter, maar dat is niets belangrijks en het besef bestaat voort.

Het hiaat tussen leven en dood is er dus een van begrip. Maar daar staat tegenover, dat een mens op aarde sterft en dat zijn lichaam achterblijft. Dat dat lichaam vervalt, dat krachten die in dat lichaam een rol speelden, eenvoudig ophouden te bestaan. En dan zeggen de mensen: “Maar hoe kan dat dan?” Dan kun je toch niet zeggen, dat die mens leeft? Want dat lichaam is dood. Wanneer ik een zak of een buidel of een beurs heb en ik heb daar geld in zitten, dan kan ik die jas tijdelijk weghangen, het geld blijft erin. Maar stel nu dat ik zeg: Ik neem dat geld mee naar binnen, dan is er niets meer. Wanneer die jas dan verdwijnt dan is er geen geld verdwenen, maar die jas wel.

Levenskracht is iets wat ik nodig heb. Ook als geest heb je levenskracht nodig. Het is datgene wat je plukt uit de kosmos en waarmee je voor jezelf de mogelijkheid schept om te ervaren, om een wisselwerking, een uitwisseling van krachten en mogelijkheden met anderen tot stand te brengen. Wanneer je nu denkt: ik heb dat lichaam dadelijk nog nodig, dan laat je daar wat levenskracht in, want ach, je hebt dadelijk die jas toch weer nodig en het geld wat erin zit. Maar wanneer je denkt: ik heb alles nu nodig, dan neem je het mee. Dan haal je het uit je zak, maar dan is die kracht weg.

Wat nu gebeurt bij het sterven van een mens is niet anders dan het gevoel hebben: ik heb alle krachten nodig, zodat hij alle kracht in dat ik opzuigt en daarmede het lichaam en een groot gedeelte van zijn zenuwkracht en daarmede van zijn reactiemogelijkheden ontneemt. Het lichaam kan dan toch nog even verder leven, maar aangezien de aanvulling, de stimulans, achterwege blijft, zal het op den duur geen energie meer nodig hebben. Dan zeggen we: Dat lichaam is dood. Zelfs sterven is een kwestie van het al of niet meenemen van je levensenergie.

Er zijn bewuste mensen geweest – ik heb er enkele gekend – die zeer lang hadden geleefd en die zeiden: “Nu is het tijd voor mij om te sterven.” Ze gingen zitten, zonden hun geest uit en die geest nam alle levensenergie mee. En prompt stierf het lichaam. Daarom waren ze vrij in die andere wereld; voor u de grotere wereld, voor hen om verder te gaan.

Ik heb altijd geprobeerd – op aarde reeds – de brug te vinden Die levensenergie is iets wat je al heel vlug ontdekt en waar je betrekkelijk weinig last van hebt. Maar dan vraag je je af: hoe kan ik het bewustzijn veranderen? Nu blijkt dat levenskracht wanneer je het intenser maakt, groter maakt, het bewustzijn beïnvloedt. Iemand die veel geestelijk bewustzijn heeft, heeft gemeenlijk veel vitaliteit. Iemand die veel vitaliteit heeft, kan daarmede – wanneer hij zich daarop richt – een geestelijk bewustzijn verkrijgen. En dan kom ik vanzelf tot de vraag: is leven en dood niet iets wat gescheiden wordt door ons besef in de eerste plaats? Maar als dat het geval is, dan moet ik leven en dood kunnen overbruggen.

Dan moet u niet denken, dat ik hier groot wil doen. Dat heb ik in mijn tijd weleens gedaan, maar het is overbodig. Maar ik heb ontdekt, dat wanneer een lichaam dat van alle levensenergie ontbloot is, terwijl het nog kan functioneren – en dat kan vaak nog zijn enkele uren nadat iedereen zegt: Die is dood – dan kun je je eigen levensenergie nemen en aan dat lichaam geven. Dan blijft dat lichaam functioneren. Nu moet je echter die geest nog duidelijk maken, je moet hem dus opzoeken, dat dat lichaam bruikbaar is. Ik heb dat in mijn leven een drietal malen gedaan. Men noemde het, opwekken uit de dood, maar het was eenvoudig een geest duidelijk maken dat zijn lichaam nog deugdelijk is. En dan zie je als vanzelf dat hier alleen reeds het geven van de kracht, een verandering maakt.

Zeker, een bewustzijn is noodzakelijk, zonder bewustzijn gaat het niet. Maar dat bewustzijn kan je vaak bereiken. Want wie het lichaam kent, weet hoe degene die weggedoold is, zichzelf ziet. Stel je op die vorm af en je kunt die persoon meestal wel vinden.

Hier blijken leven en dood, mijne vrienden, eigenlijk niets anders te zijn dan wat meer of wat minder besef, wat meer of wat minder energie. Zover gekomen heb ik mij afgevraagd of sterven noodzakelijk is. Ik ben tot de conclusie gekomen, dat het zeker niet onvermijdelijk is, ongeacht wat men zegt. Maar dat het ik in vele gevallen – zonder dat het lichaam daarvan geheel op de hoogte is – het bestaan in de stof afwijst. Er is geen verlangen naar het stoffelijk leven.

Er is een ander leven, dat meer inhoud biedt, dat meer beleving heeft, meer kracht en wanneer het ik dan die wereld betreedt – meestal een enkele maal – dan komt er een ogenblik dat ik zeg: En nu wil ik al mijn energie gebruiken om hier te blijven. Nou en dan ben je dood. Dus u behoeft niet dood, maar de tijd komt dat het voor u beter is, voor uw eigen besef, dat u dood bent.

Misschien zal een westerling hier een beetje cynisch lachen en zeggen: “Ach, wie wil sterven?” Ik antwoord u: Welke mens weet wat hij of zij werkelijk verlangt? In ons is een wereld die veel groter is dan wat de mens zich daarvan voorstelt. Veel van de verlangens die wij kennen, zijn alleen maar de weerkaatsingen in de ongeregelde beweging van wat wij wereld noemen, van werkelijke begeerte, werkelijke verlangens, van werkelijke bewustzijnsvormen. En omdat we alleen in die weerkaatsing, die weerspiegeling zien, misvormd vaak, denken we dan: Dat kan alleen door het leven waar worden gemaakt. Het leven dat wij kennen. Maar ons “ik” weet beter. Ons “ik” weet dat de weerkaatsing niets is, maar dat het licht zelve bron is, werkelijkheid en beleving. En wat wij verlangen is daarin waar te maken.

Wie van u – u behoeft niet te antwoorden, ik wil u niet in verlegenheid brengen – wie van u heeft soms niet verlangd naar een eeuwige jeugd? Eeuwige jeugd heb je. Want het “ik” veroudert niet wanneer wij de stoffelijke vorm buiten beschouwing laten. Maar het bewustzijn van een mens is niet groot genoeg om de levensenergie zo te gebruiken, dat dat lichaam voortdurend alles reinigt en alles vernieuwt, en niet de slijtage kent. Dus het lichaam veroudert. En dan komt er één die zegt: “Ik heb nog zoveel te doen in het leven, maar hier is de jeugd. Ik wil die jeugd.” Die jeugd, die je misschien met activiteiten in de stof tracht terug te vinden, die heb je, hier! En dat weet je, ook al kan dat stoffelijk besef dat niet helemaal aanvaarden. Dan komt er een ogenblik, dat je die jeugd een ogenblik beleeft en dan wil je niet meer.

O, er zijn andere dingen. Er is de dood door geweld. Een voorbijganger werd gedood door een luipaard, een tijger of een leeuw. Een mens wordt getroffen door het wapen van een medemens. Het organisme kan niet meer functioneren. We zeggen dan: dat is onvermijdelijk. Die mens is dood. Maar de wonderlijke situatie die zich voordoet is deze: de mens die dit ondergaat, vlucht ervoor weg. Hij kan het feit van zijn lichamelijke beschadiging niet aanvaarden en hij trekt zich met al zijn energie terug en sterft daardoor, terwijl hij – wanneer hij de geestelijke levenskracht zou gebruiken – gewoon in een ogenblik zou kunnen genezen. Maar hij doet het niet.

Nu kunt u natuurlijk hier dadelijk zeggen: “Dit alles is theorie.” En dat is het in zekere zin voor u, omdat u nog niet zover bent, dat u weet wat er in u leeft. Dat u weet wat u werkelijk beleeft en begeert. Omdat u nog gebonden zit aan de zin van eindigheid, die elk mensenleven schijnt te doortrekken als de geur van knoflook. Maar of het theorie is of niet, u komt in een toestand waarin u die levenskracht zult meenemen, waarin uw besef ontdaan wordt van de weerkaatsingen, die in stoffelijke begrippen, vormen en idealen ontstaan. En daarom bent u eigenlijk onsterfelijk.

Nu is het gebruikelijk dat men zover gekomen zijnde, de mens wijst op de hogere machten, op de juiste pijlers van bewustzijn, de juiste paden van leven. Maar waarom eigenlijk? Er is een hogere kracht en die vinden wij vanzelf wel. Er zijn bepaalde paden die wij moeten gaan, omdat dat de enige manier is om onszelf waar te maken. Maar die paden zullen wij toch moeten gaan. Waarom zouden wij daar zoveel drukte over maken? Er zijn idealen en denkbeelden, die ons helpen de juiste instelling te vinden, de juiste kracht te verkrijgen, maar als wij die kracht nodig hebben, vinden we de denkbeelden wel die daarbij horen. Het lijkt mij niet zo noodzakelijk bang te zijn voor de eeuwigheid om te zoeken naar de juiste woorden, de juiste wegen, de juiste ontsnapping. Ik dacht dat het veel eenvoudiger was. Maar ja, wat is een monnik die wegloopt om te leren wat leven en dood is? Wat is iemand die een stoffelijk leven opgeeft, omdat het zinloos is geworden?

Ik ben anders dan u, ik was anders dan u. En daarom zal veel van hetgeen er voor mij waar is voor u een beetje vraagwaardig lijken. Toch ben u onsterfelijk of u wilt of niet, of u het gelooft of niet. Toch is de kloof tussen leven en dood er een die in uw bewustzijn ligt en die met de werkelijkheid van bestaan maar betrekkelijk weinig van doen heeft. Het enige wat u nodig hebt, is wat meer levenskracht. Levenskracht is er zolang je aanvaardt dat ze tot je komt.

U bent wat oud geworden? Ik ben ook oud geworden, in uw jaren 134. Ik moet zeggen: ik zag er nog heel goed uit op die leeftijd. U bent wat zwak en wat ziek? Ik had het kunnen zijn wanneer ik mijzelf had toegestaan om het te zijn. Er is kracht. Gewoon hier, rond u, is die kracht en die is overal waar u gaat. Niet alleen hier maar overal. Je hoeft niet ergens te lopen zoeken van: poes, poes, waar is de kracht? De kracht is geen aap, die kwetterend door de bomen heengaat en die je niet vangen kunt. Kracht is de lucht, die je inademt. Kracht is het besef wat rond je is en wat voortdurend op je inwerkt.

Aanvaard die kracht en wees levend. En wees niet bang om een andere wereld te kiezen wanneer de tijd komt. Let wel, je moet het in jezelf voelen. Je moet gaan zonder geweld, natuurlijk. Iemand, die denkt dat het nodig is om zelfmoord te plegen, is een dwaas. Want door te denken dat het noodzakelijk is dit te doen, bindt hij zich in wezen aan een vorm en wereld en een besef, die hij wil ontgroeien.

Als je zegt: “Het leven is genoeg. Zodra ik in mijzelf geluk vind, neem ik mijn levenskracht mee”, ben je vrij. Als je denkt: ik wil nog zoveel betekenen op de wereld, grijp dan de kracht die rond je is. Laat die kracht gewoon in je trekken. Baad je erin alsof het een heilige rivier is. En voel dat ze de onvolmaaktheden langzaam maar zeker langs je afneemt, verteert; dat fouten worden opgevreten door de levenskracht als ijzer door een zuur. Voel het gewoon en u zult weten dat er meer mogelijkheden zijn om te leven, intenser te leven, sterker te leven dan u ooit hebt gedaan.

Maar grijp dan nog een keer verder en zeg: “Deze kracht kan mij overal dragen. Die is overal in mij.” Maak dan voor jezelf maar een zonnetje en noem het hemel of Nirwana of zoals u wilt en stuur je kracht naar die zon en besef daar en keer dan terug naar je lichaam. Dan weet je wat leven is en wat dood is. Dan weet je wat de werkelijkheid van de straal is.

Nog een ding. Een poging u iets te zeggen: Werkelijk leven is als een glimlach. Een lichte vreugde die zich nooit geheel ontvouwt, maar die in zich de warmte kent van eenheid met de dingen, van begrip voor de dingen. Een sterven is die glimlach die wordt tot een spitspel van vonken. Een glimlach van kracht en het blijft een glimlach. Glimlach wat meer en leef wat meer. Niets wat in die tijd van u gebeurt is blijvend. Niet het goede, niet het kwade. Laat het gaan en glimlach, want er is leven, er is kracht. Adem die levenskracht in die rond je is en glimlach, want alles wat nutteloos en zinloos schijnt zal zijn betekenis hebben. Diep in jezelf weet je welke weg je zult gaan.

Glimlach, neem jezelf niet te ernstig. Laat de krachten komen. Je bent niet iemand, die een wereld moet veranderen. Je bent een verandering die wereld heet. Glimlach een beetje, adem de kracht in en ontplooi je besef in de wereld, waarin je wezen weerkaatst wordt, steeds weer. Dan heb je leven en dood tot een geheel gemaakt.

Dan heb je de levende kracht gevonden, die de kern is van alle verschijnselen. Wie deze kern bezit kan glimlachen omdat elk verschijnsel niet meer is dan een letterteken in het boek van de werkelijkheid.

Dat is mijn betoog. Ik heb mij zo goed mogelijk aan u aangepast. Ik heb getracht iets meer over te dragen zelfs en ik kan u wel wat kracht geven; maar waarom? Waarom moet ik u lucht inpompen wanneer u kunt ademhalen?

Er is kracht hier. Neem ze. Er is een zin en een kern van leven in jezelf. Geef die kracht daaraan en leef. Dan komt er misschien een dood. Lach om de dood, want het leven is de werkelijkheid. En als je wilt, kun je tegen de dood zeggen: “Wacht even.” Maar het is vaak prettiger een voertuig achter te laten en de wereld te vinden waarin je thuishoort.

Weest bewust van uw kracht. Weest bewust van de kracht rond u. Baadt uzelf wat in dat witte leven, dat mensen soms God noemen.