Leven in perioden

image_pdf

 7 april 1961

Allereerst wil ik u er nog aan herinneren dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Als onderwerp voor vandaag koos ik: Leven in perioden.

Leven in perioden is een onderdeel van een onderwerp dat door ons vaak werd besproken: reïncarnatie. Wij hebben dit onderwerp vaak van vele kanten belicht, maar zijn toch in omvattendheid hier en daar wel eens iets tekort geschoten. Vandaar, dat er weinig nadruk werd gelegd op de wijze, waarop men leeft en de gevolgen, die dit mee kan brengen voor een volgende incarnatie.

Leven in een periode wil zeggen, dat je in een bepaalde reeks van – buiten je controle zijnde – condities en omstandigheden op aarde leeft. Deze omstandigheden zijn – zij het summier – nog wel astrologisch te berekenen. Voor een verklaring van eigen leven vind je aan dergelijke berekeningen weinig of geen houvast. De perioden, waarop men incarneert, liggen niet regelmatig in de tijd. Het is niet mogelijk te zeggen: “Ik leef nu, dan heb ik 700 jaren daarvoor ook als mens op aarde geleefd en waarschijnlijk voordien – nogmaals 700 jaren – nog eenmaal…”.

Daar het bewustzijn en vermogen van de geest steeds weer bepalend zijn voor alle incarnaties en alle verder daarmee samenhangende omstandigheden, zal de periode tussen twee incarnaties de ene maal misschien vele duizenden jaren, in een ander geval misschien 100 jaar bedragen. De incarnatie is in feite een keuze. Daarom zullen wij allereerst een antwoord zoeken op de vraag: Waarom kiest de geest voor incarnatie in een bepaalde periode en voor een bepaalde reeks van ervaringen?

In de eerste plaats zal een geest incarneren, wanneer zij rijp hiervoor is, doordat het haar onmogelijk wordt in eigen wereld nieuwe ervaringen op te doen. De wereld van de geest wordt dan immers somber en traag, men heeft last van verveling. Door deze verveling komt men tot zelfbeschouwing, en een vaststellen van de tekorten, die men in zich draagt. Men wenst dan veelal af te dalen om zo de erkende tekorten op te heffen. Men kan niet altijd zo maar incarneren. Je hebt in jezelf bepaalde eigenschappen, bepaalde ontwikkelde delen van bewustzijn. Eerst wanneer voor deze eigenschappen en delen van bewustzijn een redelijk harmonische situatie bestaat, zowel in de toestanden op aarde, als in het voertuig, waarin men wil incarneren, zal men er toe kunnen komen inderdaad een leven in de stof te aanvaarden. Conclusie: men incarneert in een bepaalde periode, omdat daarin voor het Ik voldoende harmonische ervaringsmogelijkheden zijn, terwijl de belevingsmogelijkheden tijdens de periode van stof bestaan, ook in overeenstemming zijn met wat de geest verlangt.

Waar – zover dit de geest betreft – de belevingsmogelijkheden over geheel de aarde ongeveer gelijk zijn, rijst de vraag, waarom men dan juist in Griekenland, Nederland, of bij de Eskimo’s incarneert. Ook hiervoor bestaat weer een redelijke verklaring: wij hebben altijd weer te maken met z.g. groepsincarnatie. Dit betekent niet, dat steeds weer vaste groepen op dezelfde ogenblikken zullen incarneren, maar wel, dat er tussen bepaalde groepen en entiteiten een band bestaat, die er een kan zijn van genegenheid of haat, kan liggen op religieus vlak, of op zeer materieel vlak. Gedeelde ervaringen vormen veelal een band, die ook tijdens het geestelijke leven blijven voortbestaan. Wanneer een groot aantal van uw vrienden of bekenden geïncarneerd is op aarde en wel in een bepaalde omgeving, zo zal uw geest zeker bij voorkeur zoeken om, wanneer het ogenblik van incarnatie voor haar blijkt aangebroken te zijn, in die omgeving ook zelf een lichaam te vinden. Zo ontstaat een samenvloeien van alle geesten en entiteiten, die reeds eerder met elkaar verbonden waren gedurende het aardse bestaan.

Toch is de geestelijke ontwikkeling van al die geesten niet geheel gelijk. Het kan voorkomen, dat een bepaalde geest in één enkel leven reeds een zo grote bewustwording doormaakte, dat deze de eerste 1.000 jaren niet meer terug hoeft te komen en – zo hij dit na deze 1.000 jaren doet – een zending op aarde zal aanvaarden, die verder gaat dan eigen leven alleen. Een dergelijke zending zal overigens vaak een leraarsambt zijn of een opdracht om het menselijke ras zich in een bepaalde richting te doen ontwikkelen.
Uiteindelijke beroepen van dergelijke geesten op aarde zijn dan ook meestal wetenschapsmensen, uitvinders, theologen enz. Een dergelijke geest zal niet incarneren op de ogenblikken dat andere geesten – eens met hem verbonden, maar minder snel bewust geworden – wel zullen incarneren. Daarom spreken wij dan ook voor de mensen van volledige en niet volledige incarnatieperioden. Een volledige incarnatie treedt op, wanneer praktisch alle entiteiten, die binnen een bepaalde eerste incarnatie met elkaar in contact zijn gekomen, gelijktijdig en als gezamenlijk allen een stoffelijk voertuig hebben aanvaard en dus ook in de stof weer met elkaar in contact kunnen komen. Een dergelijke volledige periode treedt op het ogenblik voor vele incarnatiegroepen op.

Van een onvolledige periode spreken wij, wanneer bv. 3/4 of de helft van het aantal entiteiten, dat binnen de eerste incarnatie met elkaar gebonden raakte, gelijktijdig in de stof leeft, terwijl de anderen nog in de geest leven, of zelfs in een andere periode zullen moeten incarneren. Men kan dus tot meerdere incarnatiegroepen behoren, indien men niet als criterium voor het behoren hiertoe stelt dat de eerste incarnatie beslissend is. In de praktijk zal dit niet gebeuren. De staffeling van incarnaties, die wij zo zien, maakt het dan ook mogelijk om te stellen, dat slechts weinige perioden op aarde geschikt zijn voor een volledige ontwikkeling van een groep en het in de stof afhandelen van de voorgaande fasen van menselijk bestaan.

Dit uit te werken in voorbeelden wordt lastig, daar ik ongetwijfeld geneigd ben daarbij dramatisch of sensationeel te zijn. Ik wil trachten enkele mogelijkheden toch te schetsen.

Stel als eerste incarnatie de band van een aantal leerlingen op esoterisch of magisch terrein. Zij leefden samen in bv. de vroeg Egyptische periode. Gezamenlijk werd een bepaalde reeks van bewustwordingsmogelijkheden beleefd. Nu blijkt, dat enkelen onder hen veel trager zijn in geestelijke bewustwording dan de anderen. Degenen, die snel zijn, incarneren 500 jaren later in elkaars omgeving, bv. in India – en zetten daar hun bewustwording voort. De anderen daarentegen incarneren eerst nog eens in de glorietijd van het Egyptische rijk, daarna nog eens in Babylon. Daarna zien wij de groepen, die leefden in Babylon én in India beiden naar Griekenland incarneren. De volledigheid van de groep blijkt dus in Griekenland aanmerkelijk groter. In India zijn er enkelen reeds zover gekomen, dat zij eerst in bv. de huidige tijd met een zending op aarde terug hoeven te keren. Er zullen er zijn, die met kleine sprongen tot het heden zijn gekomen. Zij hebben bv. in het vroege Rusland geleefd, daarna in Spanje, of Frankrijk rond Karel de Grote, in de middeleeuwen in Italië, daarna misschien nog eens in Duitsland en uiteindelijk ook in het heden. Er zijn dus vele verschillende mogelijkheden en het aantal beleefde incarnaties kan niet gebruikt worden om de groep, waartoe men behoort, te leren kennen.

Wel kan worden gesteld, dat degene, die met de grote bewustwording en in verhouding weinige incarnaties deze periode heeft overbrugd, belangrijker is voor de geestelijke bewustwording van de groep dan de anderen. Een dergelijke mens heeft tijdens alle incarnaties zoveel geleerd, dat hij in staat is op aarde geheel bewust en doelbewust handelend op te treden. Zijn eigen bewustwording gaat over het algemeen – gezien het voorbeeld – zover, dat hij met bepaalde kosmische krachten in contact kan treden.

Hierbij hebben we aangenomen, dat elke incarnatie voor alle leden van de groep op aarde plaats vond.

Het proces van bewustwording kan ook nog anders verlopen. Wij nemen een groep uit dezelfde periode als voorbeeld. Enkelen van deze groep worden reeds in het eerste leven zover bewust, dat voor hen geen onmiddellijke incarnatienoodzaak meer bestond, ofschoon er wel een behoefte aan bepaalde activiteiten bestond. Dan kunnen deze bv. in de laat Egyptische periode als orakels, geleidegeesten, Goden e.d. fungeren. Ook kunnen zij in plaats daarvan een tijdlang werkzaam zijn in lagere sferen, bv. door het vrijmaken van geesten, die in het duister verward zijn geweest. Op de duur leert men hieruit voldoende en volgt een periode van geestelijke rust, verhoging van bewustzijn enz. Nu blijkt de geestelijke wereld niet meer alle begeerde mogelijkheden te bieden. Men incarneert dan een keer naar de aarde.

Laat ons voor de afwisseling stellen, dat dit in Denemarken gebeurt rond 1.000 na Chr. De bedoelde bewusten van de gestelde groep hebben dan meerdere duizenden jaren alleen in de geest gewerkt. Nu komen zij tot een aanpassing aan de mensheid en zullen, in hun stoffelijke incarnatie behoren tot de wijsgeren van hun tijd, of tot de groepen, die aan anderen leiding geven. Ná deze incarnatie trekken deze meer bewusten zich weer terug in de wereld van de geest. Met genoemde twee incarnaties, plus geestelijke arbeid, is de noodzaak tot verdere incarnaties verdwenen.
Toch kunnen enkelen uit deze bewustere groep, ook in deze dagen op aarde incarneren. Niet omdat daartoe een noodzaak bestaat, want ook zonder deze incarnatie zouden zij op het pad van de bewustwording geestelijk verder kunnen gaan. Door een stoffelijke vorm aan te nemen zijn zij in staat op aarde meer werk te verzetten en een bepaalde taak of opdracht sneller en beter te vervullen. Voor alle anderen, die met hen gebonden zijn geweest, is het wel erg moeilijk deze reeks van belevingen na te volgen. Ongeacht het aantal incarnaties, dat de andere leden van deze incarnatiegroep doormaakten, kunnen wij er zeker van zijn, dat tenminste 50% van hen die in Denemarken geleefd heeft in de tijd, dat ook de meer bewusten daar geïncarneerd waren en zo de invloed van deze leden van de eigen incarnatiegroep ondergaan hebben. Bij een incarnatie van enkelen in deze tijd is dan de mogelijkheid groot, dat tenminste 80 tot 90% in de stof op aarde aanwezig is.

De gegeven voorbeelden zullen u duidelijk maken, hoe wij komen tot het onderscheiden van volledige en onvolledige incarnatieperioden. Er is natuurlijk nog wel meer te zeggen omtrent de levensperioden, want alles werkt aan de hand van een kosmisch schema. Dit schema bevat niet de voor ons verplichte incarnatieperioden, maar veelal het aantal taken, in andere gevallen het aantal ontwikkelingen die voor ons noodzakelijk zijn, willen wij tot algehele bewustwording in de kosmos kunnen komen. Deze taken en ontwikkelingen zijn voor ons van buitengewoon groot belang, daar zij aan de hand van de Goddelijke wetten duidelijk maken hoe wij ons kunnen en moeten ontwikkelen. Om u ook hiervan een voorbeeld te geven, er zijn twee geesten van volkomen gelijke ontwikkelingen en met volkomen gelijke bewustwordingsmogelijkheden. Beiden staan in geestelijke vooruitgang boven het gemiddelde, reïncarneren enkele malen op aarde om een taak te volbrengen. Daarnaast volvoeren zij taken in de geest. Dan kan er nog een verschil bestaan in het levensschema van deze beiden.

Geval A kan er bv. als volgt uitzien: eerste incarnatie in de stof als slaaf. Innerlijke bewust- wording gedurende deze periode. Incarnatie als priester in de stof. Uiterlijke aanvulling van de bewustwording, grotere harmonie tussen innerlijke en uiterlijke mogelijkheden. Langere periode van werken en leren, hoofdzakelijk in vormkennende sferen. Terugkeer tot schaduwland, tijd van activiteit in schaduwland. Vandaaruit progressie naar niet meer vormkennende sferen. Hier uiteindelijke bewustwording met als gevolg een laatste incarnatie in de stof, met een geheel andere reeks van stoffelijke neigingen, een ander beroep dan op grond van vorige stoffelijke levensperioden verwacht zou mogen worden.
Dit laatste leven heeft niet meer met slaaf, priester, of leraar zijn te maken. Zo iemand kan even goed een heilige, als iemand van lichte zeden zijn, met dien verstande, dat hij/zij de totale omgeving gedurende deze periode positief beïnvloedt. Terugkeer naar de vormloze sferen en stijging aldaar tot de hogere vorm van deze werelden, die wij wel de sferen van kleur noemen. Hier contact met verschillende Kosmische Heersers als beleving. Aansluiting van de persoonlijkheid bij een van de Kosmische Heersers. Werkzaamheden op aarde en in de aardgebonden sferen in geestelijke vorm om bv. een daar komende Heerser te helpen deze wereld te ontwikkelen. Van daaruit, wanneer de tijden rijp zijn, een incarnatie op aarde, waarbij de aanvaarde taak verder zal worden volbracht. Vandaar eenwording met de Heerser en opgang naar nog hogere geestelijke gebieden.

Geval B. Eerste incarnatie: kleine vorst. Rechtsgevoel en redelijk bewustzijn voeren tot bepaalde overgang, met grote behoefte tot geestelijke leiding. Aanvaarding van geestelijke leringen in de geestelijke sferen, waardoor geen onmiddellijke behoefte bestaat tot terugkeer op aarde. Daarna langere periode, waarbij het Ik werkzaam is in de grensgebieden van het schaduwland en tevens nog leringen ontvangt. Van hieruit een incarnatie naar de stof als filosoof, gepaard gaande met het ontwikkelen van belangrijke stellingen, vergroting van eigen mensenkennis en begrip voor de Schepping. Daarna overgang en scholing in de vormkennende sferen op meer wetenschappelijk gebied, waarbij ook op aarde bekende wetenschappen worden bestudeerd.
Aanvulling van oorspronkelijke filosofieën met feitenmateriaal, waardoor een verdere ontplooiing van de gedachtewereld mogelijk wordt. Daarna progressie naar een vormkennende sfeer van hoog niveau. Van daaruit voortdurende bezoeken aan niet vormkennende sferen, afgewisseld met activiteiten in lagere gebieden. Daarbij wordt o.m. naar de aarde toe als geestelijk leraar of meester opgetreden. Bij een uiteindelijke bewustwording in de vormloze sferen, een reïncarnatie op aarde, waarbij men evengoed staatshoofd als straatveger kan zijn. De invloed op de omgeving wordt uitgeoefend, maar daarnaast ontwikkelt men in de anderen doelbewust bepaalde eigenschappen, waardoor in die omgeving een wijziging van denken en ook vaak van zeden tot stand zal kunnen komen. Na deze incarnatie een directe opgang naar hogere, vormloze sferen, waarbij geen contact met een bepaalde kosmische heerser opgenomen wordt, maar een vooruitgang van innerlijke bewustwording een gelijktijdig contact met vele Kosmische Heersers mogelijk maakt. Op de duur komt hieruit in het Ik verwerven van alle kosmische kennis van deze heersers voort, gevolgd door een opgang in het onbekende, ofwel – wat een tweede mogelijkheid is – een laatste incarnatie in de stof, waarbij men dan een profeet is, een stichter van een levensleer, maar nu ook uiterlijk. Het optreden is dan vergelijkbaar met dat van een Boeddha e.a. Beide voorbeelden geven aan, hoeveel verschillende mogelijkheden een reeks wel in kan houd

Voor een mens op aarde is dit vaak moeilijk te begrijpen. Menigeen denkt dan ook: het klinkt alles wel mooi, maar wat hebben wij er eigenlijk aan?
De praktijk van de geest leert ons, dat deze dingen van belang zijn. Wanneer je op aarde leeft, zo geschiedt dit om een zekere aanvulling van eigen wezen te verwerven. Deze aanvulling wordt niet alleen in een bepaalde vorm van leven en denken gezocht, maar vooral in een zich steeds verder ontwikkelende reeks van belevingen en gedachten. Hoe beter je tijdens een aards bestaan beantwoordt aan hetgeen de geest zoekt – het doel, waarvoor zij haar voertuig op aarde heeft gekozen – hoe beter dit voor geest en stof is, want ook op aarde ben je daardoor gelukkiger. Daarnaast geldt: hoe juister je de geestelijke beginselen in de praktijk brengt en de ketenen van oorzaak en gevolg – die binnen de incarnaties ook voor u wel degelijk bestaan – voor jezelf leert egaliseren, hoe sneller en waarschijnlijk ook zonder verdere onnodige stoffelijke incarnaties, de geestelijke bewustwording tot haar einddoel komt.

U zult zich nu weer af gaan vragen, wat u op aarde wel moet doen in verband met de kwestie oorzaak-gevolg. In de eerste plaats dient u zich te realiseren, wat het eigen kenteken is van de periode, waarin u nu bestaat. De kentekenen van de huidige periode vindt u in de vormen van de maatschappij: niet in de wetten en regels, maar wel in algemeen bestaande vormen van omgang en problemen. Daarnaast vindt u de tendenzen van de tijd weergegeven in het geloof, dat voor u mogelijk blijkt, plus de kennis, die u in deze tijd kunt verwerven. Ook dit is kentekenend voor de periode, die u beleeft. Ten derde dient men zich te realiseren, dat de incarnatie niet alleen met de wereld te maken heeft, maar ook met eigen persoonlijke mogelijkheden en problemen.

Vraag u daarom af, welke contacten met mensen in u leven zonder dat zij door u werkelijk werden gezocht en tot stand kwamen. Vraag u verder af, hoe deze zich ontwikkelen. Vraag u af, of in uw leven bepaalde en kennelijk verschillende perioden optreden, waarbij de mensen, met wie u omgaat, de mensen ook, die invloed uitoefenen op uw denken en leven, veranderen in geaardheid en kwaliteit, maar daarnaast ook in geestelijke inhoud en achtergronden. Door dit te doen, realiseert u zich enigszins, wat op het ogenblik de grondslag van uw leven is. Uit wat u door hebt gemaakt, kunt u ongeveer afleiden, met welk doel u geïncarneerd bent.

Verder dient men zich nog de vraag te stellen: hoe leef ik eigenlijk in deze periode? M.a.w., welke gevolgen kunnen mijn daden nu hebben, zover ik die gevolgen kan overzien? Ik zal moeten proberen elk overzienbaar gevolg, dat mij – vanuit mijzelf – onaanvaardbaar lijkt, ook voor anderen zo volledig mogelijk te voorkomen. Daarentegen moet ik ook trachten elk gevolg van daden, dat mij voor mijzelf begeerlijk lijkt, ook voor anderen zonder dwang evenzeer mogelijk te maken. Doet men dit, dan schakelt men in het leven oorzaak en gevolg in, volgens eigen hoogste en beste bewustzijn. Daarbij spreekt de innerlijke stem – of het geweten – een woordje mee, en heeft ook de geest via het onderbewustzijn ongetwijfeld de mogelijkheid het hare te zeggen. Het resultaat hiervan is een redelijk en verantwoord stoffelijk bestaan.

Van de afwisselende optredende perioden van beleven tijdens één enkel stoffelijk leven wil ik hier nog een voorbeeld geven:

U ontdekt, dat u tot het 30e jaar hoofdzakelijk geleefd en bevriend waart met mensen, die het met de eerlijkheid niet zo buitengewoon nauw namen. U was in die dagen geneigd handig te zijn en aan de grenzen van de wet te opereren. Daarna blijkt, dat een groot deel van deze kennissen en ook van deze bekwaamheid teloor is gegaan. Wat daarvoor in de plaats komt, is ernst. Uw vrienden in deze tijd zijn geneigd alles volgens een vaste discipline en volgens vaste regels te volbrengen. U hebt uzelf daarbij enigszins aangepast. Uw mentaliteit is daarbij aanmerkelijk veranderd. Rond het 42e, 43e jaar komt u in contact met mensen, die de discipline steeds weer terzijde schuiven, maar daar tegenover een groot geestelijk verantwoordelijkheidsgevoel stellen. Deze mensen denken binnen een bepaalde godsdienst, of – haast even vaak – binnen de regels van een bepaalde esoterische scholing. Enkelingen zullen wel uw gehele leven met u in contact blijven, maar dit zijn maar enkelingen. De meesten verdwijnen steeds weer in bepaalde perioden en worden dan door andere vrienden en interesses opgevolgd. In een dergelijk geval kan worden gezegd, dat men binnen één menselijk leven 5 of meer perioden afwerkt. Al die perioden hebben één ding gemeen: de achtergrond is steeds weer de wereld, waarin u leeft.

Indien ik de verschillende fasen nu uitzet als waarden op mijn eigen levenslijn, zo kan ik zien, in welke richting het gaat met mijn leven. Wat feitelijk eigen streven is, wordt hierbij eveneens kenbaar. Men kan deze kennis nog aanvullen door eigen neigingen daarbij mede te verwerken. U kunt dit voor het verleden moeilijk doen. Wanneer een van de dames nu nog zou moeten gaan beschrijven, hoe zij zich werkelijk gevoelde, toen zij als meisje van 15 jaar voor het eerst de aandacht van de jongen wekte, zal dit niet meer werkelijk mogelijk zijn. Men interpreteert nu aan de hand van de huidige gevoelens. Vraag je aan een jongen, hoe hij zich gevoelt nu hij voor het eerst zelf geld verdient, zo kan hij u dit misschien kenbaar maken. De man van 30 is deze gevoelens reeds lang ontgroeid en fantaseert maar iets, wanneer hij tracht deze oude situatie opnieuw te beleven.

Het is daarom alleen mogelijk de gevoelsachtergronden van enkel het heden in waarheid te kennen. Het samenvoegen van deze gevoelsachtergronden plus de in het leven ontdekte lijn, maken het u mogelijk te zeggen: ik streef in dit leven kennelijk naar dit of naar dat punt. Het punt, waarnaar men op het ogenblik werkelijk schijnt te streven, is tevens de aanduiding van de hoofdtendenzen, die deze periode van incarnatie beheerst. Wanneer dit punt eenmaal bereikt is, eindigt de lopende periode en kan, ook tijdens het stoffelijke leven, een geheel nieuwe fase beginnen. Scheiding tussen perioden tijdens het stoffelijke leven kunnen nooit zo scherp worden gesteld, als ik in het voorbeeld aanhaalde.
Er zijn fasen in het mensenleven, waarbij de eerste golf van mee-geïncarneerden nog blijft hangen en invloed op eigen bestaan heeft, terwijl een tweede golf reeds lang aanwezig is en reeds aanmerkelijk invloed op het leven heeft gekregen. Tussen het gaan van een eerste groep en het volledige aanvaarden van een tweede groep mee-geïncarneerden, kan een periode van 3, 6, 10 jaren liggen. Deze overgangsperioden zijn geheel van uzelf en uw wijze van leven afhankelijk. Al is een geheel beheersen van deze dingen onmogelijk, toch is het gemakkelijker bewust te leven en met de waarden van het leven te werken, wanneer men deze dingen weet.

Er zullen wel vele mensen zijn, die stellen: u leert ons dat alles nu wel, maar wat hebben wij er aan? Wij komen daarmee niet verder. Toch kunt u er veel aan hebben, maar dan moet u ook zelf met het u verschafte materiaal gaan werken en niet alleen binnen de theorie blijven hangen. Met de incarnaties is het al precies zo: u incarneert lang niet altijd met een werkelijke zending op aarde. Lang niet iedereen, die op aarde incarneert, heeft daarbij een werkelijke en geheel het leven eisende taak te vervullen. U wordt gedreven tot de aarde door een zekere, in de geest bestaande, behoefte. Wanneer u het behoefte-element desondanks door een taak kunt leren vervangen, wanneer u in dit leven een taak weet te verwerven, die u geestelijk en stoffelijke voldoende bevredigt, zo hebt u daarmee ongetwijfeld de noodzaak tot een volgende incarnatie voor langere tijd verschoven en kunt als gevolg van de verrichte arbeid, geestelijk heel wat verder komen. Alles, wat je aan oorzaak en gevolg schept in deze levensperiode, zal in de geest verwerkt worden, maar ook ondergaan worden.

Wanneer u overgaat, zal men heel vaak een periode van bezinning door maken. Dit gebeurt ook vaak, wanneer het eigen wezen naar een Lichtsfeer verder zal gaan. Gedurende deze tijd speel je voor jezelf toneel. Je verbeeldt daarbij zelf alle figuren, die in het eigen leven belangrijk zijn geweest en leeft en voelt in deze wezens evengoed als eens in je eigen persoon. Zo realiseer je precies, wat voor anderen – zij het gezien vanuit een eigen standpunt – de verhouding, daad, gevolg enz. is geweest. Heb je daarbij oorzaak en gevolg voortdurend ten goede gehanteerd en zo bewust mogelijk gebruik gemaakt van de verschillende fasen in het leven, dan zal hierdoor een grote bewustwordingsmogelijkheid geschapen zijn en zal men zich zeer snel bewust worden van bepaalde gebreken in het eigen Ik. Ben je dan eenmaal vrij in de geestelijke sfeer gekomen, bv. in Zomerland, dan ben je in staat ook precies die leringen en ervaringen te zoeken, die voor een aanvullen van het eigen Ik noodzakelijk zijn. Er is dan geen kwestie meer van een langere tijd daadloos zich aan de nieuwe wereld te gewennen. De leringen, die men er zoekt, zijn aangenaam, maar zij blijven leringen en brengen een mogelijkheid tot verdere bewustwording reeds ogenblikkelijk met zich. Waar je bovendien de belangrijkste tekorten in eigen wezen wel degelijk hebt leren kennen, kun je door werken en studeren een groot deel van deze tekorten opheffen, zonder daarvoor naar de aarde terug te gaan. Het gevolg is dan ook niet alleen een langer en prettiger verblijven in de geestelijke sfeer, maar bovendien een promotie, het bereiken van een nieuw bewustzijnsniveau.

Nu zijn er vele mensen op aarde, die zullen stellen: die geestelijke werelden interesseren mij op het ogenblik helemaal niet. Wanneer ik maar niet weer op aarde terug hoef te keren, want daarvoor voel ik niets. Begrijpelijk, maar u kunt niets veranderen aan uw behoefte tot volledige bewustwording, evenmin als u iets kunt veranderen aan de u ingelegde conditie voor bewustwording. U kunt weinig of niets veranderen aan de periode, waartoe u behoort, dit met inbegrip van alle persoonlijke contacten, die daaruit voort zullen komen. Met persoonlijke contacten bedoel ik hier alle wederkerige beïnvloeding, zij het, dat dit zonder persoonlijke ontmoetingen en op grote afstand geschiedt, dan wel in nauw persoonlijk contact. Het enige, wat u wel kunt beheersen, is het gebruik van alle mogelijkheden, die de huidige incarnatie u biedt.

Wanneer u niet op aarde terug wilt komen, zult u wel zeer bewust tijdens deze incarnatie, naar het hoog geestelijke moeten streven en daarvoor geheel moeten leven. Anders komt u niet verder. Door in de incarnatie zo bewust mogelijk te leven, met een zekere wetenschap omtrent de Goddelijke wetten en de meer persoonlijke achtergronden, is het dus mogelijk:

  1. Nu reeds gelukkiger, intenser en vruchtbaarder te leven.
  1. Door de innerlijke vrede, het geluk, dat voortkomt uit het juiste handelen, kunt u uw eigen verhoudingen tot personen, die tot uw incarnatiegroep en levensperiode behoren, op de juiste basis brengen.
  1. U kunt, dank zij deze handelingen en gedachten, er zorg voor dragen, dat u niet vaker in de stof terug zult keren, dan voor de algehele bewustwording onvermijdelijk en hoogst noodzakelijk is.

Verder wijs ik u nog op het volgende: wanneer ik mij in de geest bewust word van een fout, die ik gemaakt heb, zo zal het mij niet mogelijk zijn deze onmiddellijk en geheel te compenseren t.o.v. de persoon, die onder deze fout moest lijden. Daar het hier niet alleen om de ander gaat, maar ook om de evenwichtigheid in het Ik, is het mogelijk door uitingen in de sferen aan anderen – die geheel buiten de zaak staan zelfs – toch een zekere vergoeding te geven voor de gemaakte fout. Ik kan hem de juiste compensatie geven, die ik aan de persoon, die lijden moest, nu nog niet geven kan. Dit houdt in, dat binnen mijzelf een gevoel van onvolkomenheid en schuldbewustzijn is afgedaan. Ik word hierdoor niet verder meer beïnvloed, waardoor het mogelijk zal zijn in herwonnen innerlijke harmonie ook hogere leringen te aanvaarden.

Nu begint het tweede deel van mijn betoog.

Waar de perioden van incarnatie voor groepen op een eigenaardige manier gestaffeld zijn, kan er een ogenblik komen, dat praktisch alle belangrijke groepen – of tenminste vele belangrijke groepen – haast gelijktijdig op aarde incarneren. Verder is het mogelijk, dat gedurende deze periode een aantal wezens, dat nog niet eerder in menselijke vorm de stoffelijke wereld betrad, voor het eerst incarneert, waar de bestaande verhoudingen in deze periode, zowel beantwoorden aan de eisen van de laagste en haast nog dierlijke entiteiten, als aan de eisen, die gesteld worden door de hoogst bewuste geestelijke groeperingen.

Wanneer een dergelijke periode op aarde voorkomt, wordt deze veelal een conflictperiode genoemd. Het waarom zal u duidelijk zijn. De grote en uitgebreide belevingsmogelijkheden, die er voor alle geesten bestaan, plus de grote aantallen bevoertuigingen, die daaruit voortkomen, scheppen een wereld, die in zich sterk verdeeld zal zijn. Zij zal, meer dan in andere tijden, elke incarnerende geest met de vraag confronteren: wat wil je eigenlijk doen? Hoe groter immers het aantal mogelijkheden in het leven, hoe noodzakelijker ook een persoonlijke keuze wordt. Hoe noodzakelijker ook, dat een dergelijke keuze, vrijelijk en zonder rekening te houden met de massa, geschiedt. Alleen zó is een juiste keuze mogelijk. Dit zal in de stof tot grote conflicten voeren, waar elke groep geïncarneerden op eigen wijze reageert op de vele mogelijkheden en eigen principes, op eigen wijze zal trachten, voor het geheel van de mensheid, door te voeren.

Verder zal u duidelijk zijn, dat juist in een dergelijke incarnatieperiode bij de meeste geïncarneerden een bijzondere mentaliteit in de stof zal ontstaan. Deze zal aanmerkelijk verschillen, naarmate de groep bv. uit Griekenland, uit Egypte, uit India, of uit de Indiaanse beschavingen voortkomt. Het gevolg is, dat tijdens een conflictperiode meerdere groepen, elk met een eigen mentaliteit, een eigen wijze van denken en streven, met elkaar in botsing zullen komen. Dergelijke botsingen veroorzaken natuurlijk grote spanningen, die tot uiting zullen komen in de sociale verhoudingen, zowel als in de economie en kenbaar worden door oorlogen op de meest verschillende niveaus en andere vormen van strijdbaarheid. Door deze conflicten ontstaat dan meestal een zeer snelle stoffelijke vooruitgang. Een vooruitgang als u in eigen tijd hebt kunnen zien op het gebied van de geneeskunde, van de elektronica, de atoomchemie, de mechanica, en verwante gebieden. Hierbij wil ik nog niet gaan spreken over de grote omwentelingen in politieke en staatkundige structuren. Het totaal van deze veranderingen gaat verder dan elke groep voor zich – incarnatiegroep dus – zou willen gaan.

Uit de pogingen van de vele groepen ontstaan verschillende elementen van streven, die door de mensheid samen zullen worden gevoegd. Opvallend is hierbij, dat het samenvoegen van het bereikte meestal geschiedt onder leiding van de meest dierlijke incarnatiegroep, die op dat ogenblik op aarde leeft. Dan zou men kunnen stellen, dat de hoogste incarnatiegroepen de principes geven, de verwerkelijkingsmogelijkheden ook, maar alleen de lagere groepen er toe komen deze waarden om te zetten in stoffelijke macht, stoffelijk geweld enz. De hogere groepen hebben echter een mentaliteit, die het hen niet zo gemakkelijk maakt tegen de lagere groepen vastberaden en vastbesloten op te treden. Hun overzicht van mogelijkheden is te groot, zodat zij liever op toeval en status zou blijven vertrouwen, dan in te grijpen.

Elke conflictperiode kent hierdoor een aantal brandpunten. Een brandpunt is in dit geval de incarnatie van kleinere groepen en soms zelfs van enkelingen, die in een dergelijke periode rond zich zowel geestelijk vermogen als dierlijk geweld weten te verzamelen en zo aan het stoffelijk streven van meerdere groepen gelijktijdig richting weten te geven. In de nu lopende periode zou men figuren als Napoleon, Hitler, Roosevelt als brandpunten kunnen aanspreken. Deze persoonlijkheden zijn omringd door een groep, die een zeer bepaald doel kent en wetenschap, macht, economie, dienstbaar tracht te maken aan de door deze groep erkende principes. Ook Stalin is een dergelijk brandpunt geweest. Het aantal brandpunten op aarde neemt toe. Dit suggereert een steeds sterker naar voren tredend verschil van niveau tussen de verschillende incarnatiegroepen. Oorspronkelijk werd dit niveauverschil alleen maatschappelijk uitgedrukt, maar op de duur moet dit wel ontaarden in een strijd tussen verschillende groepen.

Elke groep heeft dan de neiging sterk dogmatisch te worden, zich daarbij baserend op de vaak niet begrepen achtergronden van een vroegere reeks incarnaties, die een mystieke vorm binnen het praktische streven plegen aan te nemen. Elke groep zal trachten met de haar uit vele incarnaties bekende middelen haar dogma’s te handhaven en op te leggen, waarbij het weinig of geen verschil uitmaakt, wanneer haar basis magie of techniek is, dan wel bruut geweld blijft. Zodra een aantal brandpunten aanwezig is en de spanningen tussen de groepen in de conflictperiode kritiek gaan worden, treedt een coördinator op. Deze is een incarnatie van een hogere geest, die langere tijd niet stoffelijk op aarde heeft vertoefd, niet genoodzaakt is tot deze incarnatie en in zijn stoffelijke vorm pleegt op te treden als de drager van een boodschap, een nieuwe weg of leer, waardoor de wereld haar structuur zal kunnen veranderen en aanpassen aan de mogelijkheden van een nieuwere tijd. Indien u hiervan een voorbeeld wilt zien, doet u er goed aan de structurele veranderingen in de maatschappij na te gaan, die door het christendom werden veroorzaakt. Overigens is het niet de bedoeling, dat u aan de hand van uw vaststellingen een oordeel over het christendom zult uitspreken.

In de dagen, die u nu beleeft, is duidelijk behoefte aan het op aarde optreden van een coördinator. Wij kennen deze onder de naam “De Wereldleraar”. Ook deze wereldleraar is niet alleen, maar maakt deel uit van een groep, die als doel heeft in opeenvolgende manifestaties en opeenvolgende vergrotingen van leergezag een samenvoeging van de nu schijnbaar nog strijdige elementen in de wereld mogelijk te maken. Dit houdt in, dat de conflictperiode groter is in haar invloed en werkingen, dan de afzonderlijke incarnatieperioden, waardoor u beïnvloed zou kunnen worden.

Het gevolg voor de mens, die in een dergelijke tijd leeft, is wel, dat achtereenvolgens en tijdens één enkel stoffelijk leven, meerdere banden met verschillende incarnatiegroepen op kunnen treden. Deze mogelijkheid is hoofdzakelijk aanwezig in de tijd, dat het conflict vorm aanneemt en tot uiting gaat komen. In Openbaringen wordt hierover wel gesproken als een veldslag tussen Gog en Magog, een veldslag tussen Lichtende wereld en onderwereld. Een dergelijke veldslag wordt in feite altijd gestreden, maar in de conflictperiode spitst die zich toe en wordt tot een strijd vol geestelijk geweld. Incarnatiegroepen, die op aarde hebben geleefd en daar op het ogenblik geen directe mogelijkheid tot bevredigende bevoertuiging vinden, zullen in een dergelijke periode geneigd zijn dicht bij de aarde te leven en om van daaruit, vooral werkende met mensen in de stof, bij te dragen tot de omvorming van de wereld, de menselijke maatschappij en zelfs de eigenschappen van het menselijke ras als geheel.

U leeft in een tijd, waarin dit alles reeds werkelijk is geworden.

Het begin van deze tijd toonde ons incarnatieperioden van zogenaamde conservatieve of rustige groepen, meestal van middelmatig geestelijk peil. De wereldbevolking neemt nu wel sterk toe, maar wordt als geheel nog gekenmerkt door een blijvende behoudszucht en een ruw individualisme, dat veelal gepaard gaat met een redelijk goed geestelijk bewustzijn bij individuen, zonder dat dit tot werkelijke ontplooiing kan komen.

De volgende reeks van incarnatiegroepen brengt dan een consolidatie van stoffelijke begeerlijke toestanden met zich, vaak langs de weg van revolutie, gepaard gaande met een toenemende roep om geestelijke vernieuwing.

De derde golf is wederom revolutionair. Zij valt de gehele bestaande materiële structuur aan en tast daarbij tevens alle bestaande geestelijke instellingen aan.

De vierde groepsincarnatie brengt met zich een poging tot stabiliseren van de bestaande toestanden, gepaard gaande met een voortdurend streven, het op meer geestelijk gebied bereikte om te zetten in materieel hanteerbare waarden. In deze tijd is de coördinator veelal reeds stoffelijk op aarde aanwezig.

Daarna volgen nog twee belangrijke golven van incarnaties, waarbij twee verschillende reek- sen van groepen snel achtereen trachten de wereld te betreden. Dit betekent een herstellen van machtsevenwicht, een verbreken van begrenzingen door het erkennen van nieuwe geestelijke wegen, mede dank zij het ingrijpen van de coördinator, en het hergroeperen van de sociale en stoffelijke groepen. Daarbij doorbreekt men tevens bepaalde stoffelijke beperkingen, vooral op technisch terrein. Het totale begripsvermogen en vermogen tot leren van het menselijke voertuig wordt, na een periode van onrust, hierbij aanmerkelijk uitgebreid.

Wanneer deze laatste groepen eenmaal op aarde geïncarneerd zijn, kan de toestand inderdaad wel met Armageddon worden vergeleken. Hier is namelijk een slagveld tussen Licht en duister op aarde concreet geworden. De strijd gaat daarbij niet alleen tussen Licht en duister, maar tevens tussen behoudzucht en vernieuwing. De vernieuwing zal uiteindelijk altijd wel zegevieren, maar heeft daarvoor toch werkelijk alle hulptroepen nodig.

Het gevolg is, dat in een dergelijke periode weinig incarnatiemogelijkheden geschapen zullen worden in vergelijking tot de direct voorafgaande tijd. Gelijktijdig worden de voertuigen, die nog geboren worden, over het algemeen licht gewijzigd. Er komen bv. veranderingen in de hersenmassa, lichte veranderingen in het zenuwstelsel en de reactiesnelheid daarvan, terwijl in sommige gevallen ook het uiterlijk van bepaalde rassen in korte tijd, binnen enkele geslachten, kan veranderen. Deze nieuwe mens is nu voor de hoger geplaatste groepen een perfecte incarnatiegelegenheid. Waar dergelijke groepen in zich een grote reeks van beperkingen zullen kennen binnen de stof – zowel op grond van stoffelijke als geestelijke eigenschappen – zullen zij als een kleine op de aarde regerende groep, een langere tijd op aarde bijna alleen staan. Een dergelijke periode loopt vaak 700 tot 800 jaren. Gelijktijdig vormt deze enkelingengroep dan een nieuwe openbaringsleer. Zij komt dan ook meestal met een nieuwe godsdienst, op de achtergrond waarvan, vooral in het begin, een esoterische of magische inwijdingsgedachte bestaat. Het einde is dan een wereld, waarin de bevolking weer ruimte heeft door het afnemen van het gemiddelde geboortecijfer.

In die wereld zijn voor alle incarnerenden de mogelijkheden om zich vrijelijk te plaatsen en te ontwikkelen. Dan blijft een technische beschaving, soms magisch, soms zuiver technisch, over. Veelal is deze techniek of magie eerst de mogelijkheid tot ondergang geweest van de groepen tijdens het hoogtepunt van de strijd. Deze werkwijze heeft dan tot gevolg, dat in de nieuwe maatschappij praktisch geen stadsverzamelingen van mensen meer voorkomen, maar ten hoogste sprake zal zijn van zeer kleine steden dan wel dorpen. De mens in een dergelijke maatschappij bekommert zich hoofdzakelijk om het directe levensonderhoud en reserveert veel tijd, voor wat men nu nog niets doen noemt, maar wat in wezen een mogelijkheid tot meditatie en contemplatie inhoudt. Dan ontstaat ook weer een nieuwe mondelinge overlevering, waaruit dan later weer een nieuwe mythologie geboren wordt.

In dit tweede deel van mijn lezing heb ik getracht u duidelijk te maken, dat niet alleen u, maar ook uw gehele wereld met de incarnatieperioden heeft te maken. Uw wereld is immers niets  anders dan het toneel, de achtergrond voor het totaal van geestelijke gebeurtenissen. Wanneer de geestelijke scene zich wijzigt, zal dus ook de achtergrond overeenkomstig gewijzigd worden.

U kent – naar ik meen – allen de gulden regel: kies altijd voor jezelf de weg van het midden, doe niemand kwaad, doe een ieder goed, waar het je mogelijk is. Leef zo gelukkig en zo rustig mogelijk, maar tracht ook anderen hetzelfde geluk en dezelfde rust te verschaffen. Wanneer u, zoals op het ogenblik het geval is, leeft in een reeds ontwikkelde conflictperiode, is het buitengewoon belangrijk, dat u buiten een onderzoek naar eigen incarnatieverschijnselen e.d., ook de gulden regel en de uitbreiding daaraan, die ik u gaf, te gebruiken. Dit heeft naast groter geluk, betere rust en groter geestelijk inzicht ook nog het voordeel, dat men zich, door steeds naar deze regel te leven, hecht aan de coördinator en de hem vergezellende incarnatiegroep, zo zal men tot een samenwerking kunnen komen met de beste elementen in het nieuwe, zonder daarom het oude onmiddellijk te moeten verlaten, of zelfs te moeten bestrijden. In deze geleidelijke vernieuwing vindt de geest dan ook vaak de rust, die het haar mogelijk maakt reeds onmiddellijk na de overgang deel te nemen aan verdere en belangrijke veranderingen van de incarnatiemogelijkheden op aarde.

In dit tweede gedeelte heb ik een bij u bestaande vraag reeds ten dele beantwoord.

Ik zal het verdere antwoord nu geven op de vraag, of het op de wereld wel eens eerder zo erg is geweest met overbevolking e.d., dan kan ik antwoorden, dat, gezien de mogelijkheden tot leven en het verwerven van levensonderhoud op aarde er reeds een viertal malen een dergelijke overbevolking is opgetreden. Het totale aantal van nu aanwezige mensen op aarde is – zover mij bekend – groter dan in de geschiedenis ooit voorkwam.

Nog een klein aanhangsel: het feit, dat reïncarnatie belangrijk is voor u, moge uit het voor- gaande reeds gebleken zijn. Toch moet ik u waarschuwen: u kunt zich in het huidige leven nooit alleen op de voorgaande levens baseren. Zelfs een volledig kennen van alle voorgaande incarnaties zal u in het heden niet meer geschikt of minder geschikt maken voor een verdere ontwikkeling. Meen ook niet, dat alle antipathieën en sympathieën zonder enige twijfel kunnen worden teruggebracht tot een al of niet behoren tot eenzelfde incarnatieperiode. Ook dit is lang niet altijd zeker. Verder wijs ik u er op, dat, gezien de staffeling van incarnatieperioden, het mogelijk is dat in één enkel leven, één, maar ook meerdere groepen op kunnen treden van entiteiten, met wie u reeds in vorige incarnaties te maken hebt gehad. Zodra men namelijk een incarnatie doormaakt met een volledige groep, zullen daarin elementen als aanvulling van het milieu optreden, die niet bij uw eigen ontwikkelingsfase behoren, maar in verdere levens steeds weer met u gebonden kunnen blijken, ofschoon zij uit een eigen groep en met een andere periodiciteit van incarnatie op aarde terugkeren.

Denk niet, dat deze dingen zo gemakkelijk te overzien en te verklaren zijn. Een begrip van de incarnatieperioden op aarde en inzicht in de vorming van het menselijke lichaam als voertuig voor de geest is belangrijk. Belangrijker dan dit alles is, om in deze periode zo goed en zo harmonisch mogelijk te leven, daarbij jezelf zoveel mogelijk vervullen, zodat geen hiaten in ervaring ontstaan en het stoffelijk leven een geestelijke leegte achter kan laten. Bovenal is het belangrijk om in dit leven – ongeacht alles, wat u in vroegere levens reeds hebt geleerd of gekozen – een zo groot mogelijke verstandelijke kennis te verwerven, die ook esoterische en geestelijke zaken omvat, om daarnaast door in de gevoelswereld te zoeken, ook de occulte en mystieke belevingen na te streven. Deze dingen zijn voor uw vorming van groot belang en zullen u, juist wanneer u niemand op aarde tracht te schaden, maar steeds zelf zo gelukkig mogelijk tracht te zijn, zeker helpen bij het kiezen van de juiste plaats in de wereld, en na de overgang betekenen, dat u de juiste kennis en gevoelsinhouden bezit voor een snelle verdere geestelijke bewustwording.

Esoterische beschouwingen

Dit tweede deel van de avond wordt weer gewijd aan esoterische beschouwingen. Nu zijn er natuurlijk duizenden wijzen, waarop men over esoterie kan spreken. Ik doe dit graag op een eenvoudige wijze. Misschien, dat ik daardoor het verstandigste doe met als begin een gelijkenis te gebruiken, die ik van een collega heb gehoord.

Zoals u weet, was er in de dagen dat Jacob nog op aarde leefde, een grote ladder naar de hemel. Ieder, die bewust wilde worden, moest trede na trede opklimmen. Was hij dan eenmaal boven gekomen, dan kon hij even uitblazen, om daarna als een engel weer naar beneden gestuurd te worden met de opdracht goed toe te zien, dat de mensen op aarde niet teveel dwaasheden uithaalden. Sinds Jacob’s tijd is de periode van rust steeds kleiner geworden, omdat de mensheid steeds groter werd en er steeds meer dwaasheden konden worden begaan.

Nu kwam er op een goede dag een ingenieur in de hemel, die tot God sprak:

“Vader, die trap van U is zeer mooi, maar onpraktisch en ouderwets. Ik ben vakman. Laat u mij nu eens een goede lift bouwen”.

“Lijkt u dat wel nodig?”

“Natuurlijk, Vader, dan komen de mensen direct naar de hemel en duurt het niet zolang, voor zij Uw heerlijkheid hebben aanschouwd.”

God gaf Zijn toestemming. Want degenen, die zover zijn gekomen, dat zij de hemel kunnen betreden, laat Hij graag alles doen wat zij willen. Lange tijd is de ingenieur toen met vele engelen bezig geweest een grote lift te construeren, die zo maar 100 personen naar de hemel kon opheffen met een vaart van tientallen meters per seconde. Die lift functioneerde heel aardig rond de jaren 1900, maar het was pas 1920, toen Petrus bij zijn Heer kwam klagen.

“Heer, het is geen doen meer bij de hemelpoort. Wat er allemaal voor rommel met die lift naar boven komt, is haast niet te geloven. Alle mensen denken, dat het alleen maar instappen en op de knop drukken is om zalig te worden. Dan moet ik ze allemaal maar weer afwijzen. Eerst schelden zij mij dan uit en bovendien blijven zij dan op de treden van de grote trap zitten ook”. “Dat is inderdaad waar”, sprak de Vader. “Ik zal er eens over nadenken.”

Toen de Heer werkelijk over dit probleem goed had nagedacht, was het rond 1950. Hij riep de ingenieur bij Zich en sprak:

“Ik vind het erg mooi van je, dat je die lift hebt gebouwd, maar is er nu geen installatie bij,  waardoor wij dat ding een tijdje buiten bedrijf kunnen zetten? Er komen veel te veel onrijpe zielen naar boven op deze manier. Wanneer zij weer naar de aarde teruggaan, gaan zij vaak de trap af en worden dan door de andere mensen nog als engelen ontvangen ook!”

Zo werd de lift buiten bedrijf gesteld. De anekdote is aardig. Hoeveel mensen zijn er eigenlijk hier op aarde ook al niet moe vóór het begin, wanneer het er om gaat de trappen van innerlijke bewustwording te beklimmen? Als u wist, hoeveel mensen er met een hoog geestelijk gezicht rondlopen, steeds maar vragende, of er niet ergens een lift is om hen meteen en zonder moeite naar de hoogste geestelijke sferen te brengen, dan zou u schrikken. Dat zijn er alleen in Nederland al meer, dan er in het gehele bouwprogramma 1961 kunnen worden gehuisvest.

Zo eenvoudig als men zich de geestelijke bewustwording voorstelt, is zij niet. Wat wij de hemel noemen, is in feite een toestand van één-zijn met God en de kosmos, terwijl men daardoor ook één wordt met al het geschapene. Wanneer men die eenheid nu opeens zou willen bereiken en daarbij bovendien nog aan de eigen geldende persoonlijkheid vast willen blijven houden, zou er ongetwijfeld menig ongeluk door worden veroorzaakt. Want ook, wanneer je het hoogste gezien hebt, maar de werkelijke eenheid niet leert kennen, waardoor alle eenheden in het Al organisch ineen sluiten, zullen zelfs de hoogste openbaringen alleen maar verwarring in u kunnen veroorzaken. Daarom is dan ook de regel gesteld, dat degenen, die esoterisch willen streven, trede na trede zullen moeten stijgen. En de trap der bewustwording is als Jacobs’ ladder: zij lijkt oneindig lang. Voor de meeste mensen is het daarom ook gevaarlijk naar beneden te kijken. Zodra je in een esoterische ontwikkeling naar anderen gaat kijken, zeg je tegen jezelf: wat sta ik al hoog… . Dan ga je er maar eens even op je gemak bij zitten. Je bent immers reeds zó ver gestegen? Dan kan de rest wel even wachten. Het gevolg is een gebrek aan vooruitgang. In de esoterie geldt dan ook – evenals bij het alpinisme – kijk niet naar beneden terwijl je stijgt, maar houdt de ogen steeds op het nabijgelegen doel gericht….

De trappen van de bewustwording zijn nogal eens verschillend van elkaar. Er was lange tijd geleden eens een Azteekse inwijdingstempel. Dat was lang vóór de tijd, dat de Tolteken met hun verschrikkelijke bloedoffers begonnen. Daar had men rond de piramide een trap gebouwd, die niet – zoals vaak gebruikelijk – in het midden stijl omhoog liep, maar als een rechthoekige spiraal rond de gehele toren liep. Een van de leerlingen meende, dat dit nooit een juiste inwijdingsweg kon zijn. “Ik begin naar het zuiden te gaan, maar dan opeens moet ik naar het westen. Van daar moet ik mijn doel veranderen, naar het oosten, naar het noorden en dan ben ik weer, waar ik begonnen ben: in het zuiden. Ik loop maar in een kringetje rond. Wanneer dit de voorstelling is van uw geestelijke inwijding, deugt deze niet”. Nu waren de leermeesters in die tijd wel wat hardhandiger dan heden. Zij spraken dan ook: “Wij zullen je bewijzen, dat de spiraalvorm van de weg wel degelijk een doel heeft”. Daarop lieten zij de jongeling geblinddoekt vier zijden van de piramide langs de trap gaan. Daarna spraken zij: “Volgens jij zou je je nu op het punt van uitgang moeten bevinden” en lieten hem langs de helling van de piramidetoren naar beneden glijden. De leerling kwam op een pijnlijke wijze tot de overtuiging, dat hij werkelijk op een behoorlijke hoogte was gekomen, zelfs al leek het misschien een ogenblik, dat hij op zijn punt van uitgang terug gekeerd was.

Deze overlevering geeft ook weer een bruikbaar lesje. Wanneer je begint met een esoterisch streven, lijkt je de weg vaak dwaas, omdat je nog steeds overtuigd bent, dat alles rechtlijnig moet zijn. Je gaat naar een bepaald punt toe en denkt: “Dat is de waarheid”, maar juist wanneer je meent het einddoel nu te moeten benaderen, houdt de trap op en moet je in een andere richting verder klimmen. Zo gaat het steeds weer, zodat je soms werkelijk meent in een kringetje te lopen. Dat komt, omdat men zich niet realiseert, dat men stijgt. Maar elke keer wanneer je een andere richting in moet slaan, word je je weer bewust van andere facetten van het leven en ook van je eigen wezen. Dat is noodzakelijk, want als de top van de piramide ook de weergave van het werkelijke Ik is, dan moeten wij langs de piramide van feiten en mogelijkheden voort blijven klimmen, tot wij ons werkelijke Ik ook werkelijk bereikt hebben.

Een andere weg van de bewustwording van de mens begint over het algemeen met een bepaalde vorm van geloof. Want de mens heeft innerlijk nu eenmaal meer drang tot het hogere dan verstandelijk. Pas wanneer hij in het geloof tot denken is gekomen en zo reeds enige treden van de trap heeft beklommen, wordt het hem moeilijker in dit geloof verder te gaan. Hij ontdekt, dat er geen uitzicht is. Ergens lijkt de trap van het geloof af te breken. Het geloof schijnt in de lucht te hangen. Gedurende deze periode heeft de mens een band met zijn God gezocht en tevens getracht deze verhouding zo rationeel mogelijk uit te drukken. Hij heeft een deel van zijn geloof ongetwijfeld ook omgezet in de praktijk. Op een gegeven ogenblik kan hij niet verder gaan. Hij kan stil blijven staan en uitroepen, dat het geloof nu maar de rest moet doen. Maar er is geen lift naar de eeuwigheid en ook geen lift naar de zelfkennis. In een dergelijk geval wordt dan de houding gewijzigd en wordt er verder gestudeerd.

Dan gaat men vaak de richting uit van de filosofie, het denken. Een scholing in denken brengt met zich het opbouwen van velerlei thesen, een zoeken naar steeds grotere betekenis en inhoud in het leven. In jezelf wordt je dan ook meer en meer bewust van je werkelijke verhoudingen t.o.v. de kosmos. Het kost heel wat moeite en heel wat zweet, voor je ook deze trap beklommen hebt. Een tijdlang meen je, dat je nu alles, waar het op aan komt, toch wel gevonden hebt. Maar dan laat de filosofie de reeks van stellingen, die je opbouwde, je geen verdere uitweg. Je moet weer van richting veranderen. Dan begint opeens de gevoelswereld belangrijker te worden dan al het andere. Het gevoel gaat je leven beheersen. Vaak zal je in een dergelijke periode uitroepen: “Wat heb ik eigenlijk aan al die kennis. Dat is alleen maar ballast, rommel. Wat ik in mijzelf als juist gevoel, is het voornaamste. Door het gevoel zal ik mijn werkelijke wezen veel beter en juister kunnen beseffen”. Ook zo vergroot je dan je begrip van de wereld, je band met de kosmos wordt steeds intenser. Maar steeds wil je verder, steeds blijkt er nog meer noodzakelijk te zijn. Zo komt het ogenblik, dat in het gevoel alleen geen voldoende uitzicht meer te vinden is. Je bemerkt, dat je in de richting, waarin je zo lang hebt gestreefd, niet verder meer kunt komen. Dan maak je weer een wending en stelt: ik wil het innerlijke leven beter leren kennen.

Dan begin je met een redelijk esoterische weg. Geloof, kennis en gevoelsleven bundel je samen tot een soort mystiek. In dit mystieke beleven kom je nu weer verder. Steeds weer ga je de rede met de gevoelswereld vergelijken, steeds weer tracht je jezelf te verheffen boven het normale bestaan, om zo God beter te leren erkennen en in jezelf steeds meer krachten te leren putten. Enige tijd bevredigt dit, maar dan kun je ook hier niet meer voort. Dan blijft er nog maar één enkele weg over: het geloof. En zo begint de kringloop opnieuw. Je beseft dit niet en stelt: nu ben ik weer gekomen op het punt van uitgang, maar als je dit zegt, maak je een grote fout. Let wel, de esoterie, het pad van innerlijke bewustwording, begint altijd met geloof. Om los te komen van de materie en verder te komen dan een denken, dat zich baseert op toevalligheden, houdt dit in, dat men zich in het leven op onbewezen feiten moet gaan baseren. Je kunt alleen het eigen wezen benaderen, wanneer je ook krachten durft bevelen, die je niet redelijk en kenbaar in je eigen wereld steeds geheel kunt constateren. Daarnaast bouw je misschien aan een structuur van feiten of redenen, die het je mogelijk maakt je geloof ook verstandelijk te verklaren, maar de nadruk ligt toch steeds op de innerlijke aanvaarding.

Indien het geloof in jezelf al aan een behoefte voldoet, zo blijkt het niet aan geheel je wezen en alle daaruit voortkomende wensen en eigen kunnen te voldoen, zodat er altijd weer een ogenblik zal komen, waarop je verder moet gaan. Dan kun je jezelf niet alleen meer volgens het geloof bezien en het ware Ik niet enkel meer via deze weg bereiken. Er is een gebrek aan mogelijkheid tot begrip. Daarom stel je de noodzakelijke weg als een aan jezelf verklaren van alle feiten, een in overeenstemming brengen van feiten en geloof. In het geestelijke wezen bestaan enkele voertuigen, die nog tot de vormenwerelden behoren. Deze voertuigen tot harmonie brengen met het Ik betekent dan ook voor u, dat u de feiten van de vormenwereld met de innerlijke noodzaken zo goed mogelijk in overeenstemming moet brengen. In feite betekent dit, dat je alles, wat met vormen samenhangt, langzaam maar zeker weet terug te brengen tot het Goddelijke. Alleen daarin kunnen de tegenstellingen met elkaar verzoend worden. Voor jezelf moet je de relatie tussen God en materie, tussen God en vorm vaststellen. Alleen zo kan je voor jezelf en ook voor deze voertuigen het noodzakelijk begrip van eenheid krijgen, dat een verdere vooruitgang mogelijk maakt.

Heb je uiteindelijk deze eenheid ongeveer bereikt, zo moet je verder gaan, máár waar de krachten van de vormenwereld in jezelf al één geworden zijn, is er niets meer op het gevolgde pad, dat je verder helpen kan. Het redelijke element, hoe goed het je ook geholpen heeft tot nu toe, laat je in de steek. Het geloof heb je achter je gelaten, daar de ervaring je nu wel heeft doen beseffen, dat de aanvaarding, die je eens leerde, te kinderlijk en misschien zelfs dwaas was. Je hebt niets anders meer om op terug te vallen dan het gevoel. Wat is het gevoel? Het gevoel is in vele gevallen een pogen vanuit de geest om de stof te beïnvloeden. Omgekeerd is de emotie het contactpunt, waarbij de hogere voertuigen vanuit de stof nog mededelingen kunnen ontvangen. Zo zal de emotie, de wereld van het gevoel, u kunnen helpen om meer te begrijpen. Zij alleen is niet voldoende, omdat de gevoelswereld toch in de stof weer een rationalisatie met zich brengt en zo de geschapen gevoelswereld steeds verder af doet wijken van de werkelijkheid, die je kent. Je vindt God niet meer, maar eerder innerlijke verdeeldheid en verwarring. Dan ga je vanzelf over naar de mystiek. Daarin zul je het denken, het gevoel en het geloof met elkaar vermengen.

Op deze manier lukt het je inderdaad aan de beperkingen van de vormenwereld en alles, wat daarmee verbonden is, te ontkomen. De voertuigen van de geest, die op een hoger plan liggen, worden nu eveneens geactiveerd en komen tot een zekere harmonie met de lagere. Daardoor vergroot men de innerlijke harmonie, maar ook het begrip voor het eigen totale wezen. Hierin vindt de mens dan ook vrede, zolang hij niet tracht verder te gaan als het incidentele beleven van de mysticus. Je leeft in een wereld, waarin God tot je spreekt. Maar verlang je meer dan het zo nu en dan het horen van een verre stem, meer dan een plotselinge en onverwachte openbaring, dan moet je weer verder gaan. Dit is vanuit de stof alleen mogelijk door bepaalde verschijnselen als vaststaand te aanvaarden, zonder dat hiervoor een uitleg mogelijk is, zonder dat deze verschijnselen bewust langs mystieke weg alleen kunnen worden beleefd, of bewust veroorzaakt.

Op deze wijze ontstaat de voortdurende cirkelgang, die ons soms zo moeilijk lijkt en ons uiterlijk wezen, de stof, steeds bezig houdt en tot ontevredenheid voert.

In ons eigen wezen komen wij langs deze weg steeds dichter bij de werkelijke Godheid te staan, want elke keer dat wij hoger komen, is de fase van geloof, enz., korter. Ook dit is begrijpelijk. De fasen zullen elkaar sneller opvolgen, omdat wij dichter bij het Goddelijke staan, het onbegrepen element, dat tijdens een dergelijke fase overbrugd moet worden, is dan ook in verhouding steeds kleiner, de uitleg, die gevonden moet worden, omvat steeds minder ingewikkelde, en in onze ogen ontmoet u belangrijke stellingen en feiten, die wij eerst weer moeten herleiden tot een eenvoudiger en passender denkwijze. De mens, die zo streeft, slaagt er op deze wijze in voertuig na voertuig tot bewuste harmonie met het geheel te brengen.

Nu is het doel de eenheid, innerlijk, zowel als met God. Een andere wijze om dit uit te drukken, is wel het bouwen van een toren, die reikt van de aarde tot in de hoogste hemelen. In Babylon hebben zij dit geprobeerd. Babel bouwde een toren, die de kosmos voorstelde en – volgens de overleveringen, komende van mensen die daarvan niet te veel wisten – eens zou moeten reiken tot bij Gods troon. Dit leek een menselijke vermetelheid. Maar wat wij allen in ons leven doen, is eigenlijk niets anders dan dit. Wij bouwen altijd weer een niveau, een basis van leven, die iets komt te liggen boven voor ons dan alleen werkelijk schijnende materie, de voor ons alleen bepalend schijnende vormenwereld enz. Uiteindelijk zoeken wij iets, wat zijn basis vindt boven de differentiatie in kleuren van de scheppende kracht en zelfs boven het verblindende Licht, dat eens in onze ogen God Zelf was, maar bij een nader beschouwen ons eerder de sluier blijkt te zijn, waarmee de ware kosmos voor ons wordt verhuld.

Wanneer wij in onszelf een dergelijke toren bouwen, zo bouwen wij daarin mede een verbindingsweg. Wij moeten voor elke sfeer altijd weer een trap bouwen. Ook in onszelf is het niet mogelijk met een buiten-beschouwing-laten van alle tussenliggende fasen ineens tot de hoogste vorm te stijgen. Het is zelfs niet mogelijk, indien je God Zelf bereikt zou hebben, zonder verbinding, tussen alle delen van het wezen een lift te bouwen, waarmee wij prompt af kunnen dalen tot onze laagste sfeer en wij er terug kunnen keren tot de Goddelijke werkelijkheid. Zelfs voor de volbewusten is er altijd een zekere afstand, een zekere tijd, die verloopt tussen het aanvaarden van een Goddelijke kracht op hoog niveau en het openbaren daarvan in de stof.

Je kunt daarom van jezelf dit zeggen: trede na trede bouw ik vanuit de materie, die mij draagt, een trap tot de Godheid, Die mij schept. Elke trede, die in mijn wezen op de juiste wijze wordt gevonden en in het geheel wordt geplaatst, betekent een grotere band met de Goddelijke wereld, een zuiverder harmonie met de kosmos. Indien ik besef, waarom de aarde de basis is, vanwaar ik uitga, zo zal ik ook de werkelijke betekenis van de aarde moeten kennen. Deze betekenis in mij dragende, zal ik ook mijn eigen wezen in de stof kunnen doorgronden en er één mee zijn. Wanneer je eenmaal een bepaalde sfeer bewust hebt bereikt en haar tot basis kunt maken van een verder streven, zal je ook weer kunnen leren, wat die sfeer in wezen is, wat deze eigenlijk voor jou betekent. In jezelf bouw je zo de gehele structuur van de kosmos en de hemelen na.

Er zijn wel mensen, die stellen: je bouwt in jezelf de negenenveertig kristallijnen sferen na, die in zich alle menselijke en geestelijke werelden, plus alle sterren bevatten. Misschien is dit ook wel waar, maar ik zou liever zeggen: elke keer, wanneer je hoger stijgt, bereikt je een nieuwe wereld. Je mag dan niet vergeten, dat, zodra je in die wereld een nieuwe basis voor verder streven hebt gelegd, voor jou de lagere basis, waarvan je uitging, in deze betekenis teloor gaat, zij is geen basis meer. De mensen, die geestelijk willen stijgen, vergeten vaak, dat het altijd weer mogelijk moet blijven om tot de vroegere basis terug te keren, daar alleen zo een contact met eigen wereld behouden kan blijven. Op aarde kan men niet voor alle dingen en blijvend een geestelijke sfeer kiezen als punt van uitgang. Zolang de materie deel uitmaakt van je taak, je bewustzijn of je streven – en dat is voor de meesten van ons toch wel het geval – moet je altijd weer tot het peil van die materie terug kunnen gaan. Wanneer wij boven schouwen, lijkt het ons vaak moeilijk, zo niet onmogelijk, om verder te stijgen. Maar die moeilijkheid wordt groter, naarmate wij verder vergeten, wat er aan werkelijke werelden nog onder ons ligt.

Om het beeld duidelijker te maken, wil ik mij de toren uit het voorbeeld nu eens voorstellen als een telescoop. De delen kunnen in elkaar schuiven. Stel nu, dat ik zó bewust ben geworden, dat ik het eerste niveau bereikende en dus beginnende met een nieuwe basis, het eerste deel van de telescoop doe inschuiven. Ik kan dan, waar het punt van uitgang voor twee werelden op hetzelfde vlak is gekomen, twee werelden gelijktijdig tot basis van mijn leven maken. Van hieruit kan ik rustig verder streven. Uiteindelijk bereik ik een derde sfeer, maar breng ook deze wederom tot mijn eigen wereld. Op deze wijze voorkom ik, dat er een grote afstand komt te liggen voor mij tussen materie en hoge geest, of materie en God. Deze waarden breng ik tot een voortdurend grotere eenheid, die steeds geheel in mijn ogenblikkelijke leven tot uitdrukking kan komen. In de esoterie noemt men deze weg van éénwording der werelden wel “de weg der gouden synthese”.

Wanneer u op aarde in de stof leeft en aan esoterie wilt doen, zult u niet moeten trachten boven het huidige niveau uit te stijgen en een nieuw vlak van leven te aanvaarden, maar het bewustzijn, dat u steeds weer omtrent geestelijke waarden kunt verkrijgen, terugbrengen tot de materie en u daarmee in harmonie brengen. De werking is als die van het chemische huwelijk van de alchemisten: schijnbaar strijdige elementen worden tezamen gebracht en brengen het lichtende goud voort, baren gezamenlijk de essence des levens. Door de krachten van verschillende vlakken van bewustzijn met elkaar te doen samengaan en met elkaar te versmelten, ontstaat in de wereld, waarop wij ons baseren, voor ons een steeds grotere stuwkracht. Dit is belangrijk.

Steeds, wanneer je je losmaakt van het lagere en steeds alleen aan het hogere denkt, verwijder je je van een deel van je eigen wezen en bestaan. Ons wezen kan niet worden uitgedrukt als bijvoorbeeld ziel alleen. U bestaat op aarde uit geest en stof. Deze waarden maken tezamen uw ogenblikkelijk wezen uit. Niet één enkele sfeer is uw wezen, maar alle sferen, want alle sferen zijn in uw wezen, al dan niet geopenbaard, blijvend vertegenwoordigd. In uw wezen behoren zij tot eenheid te komen. Alleen wanneer alle werelden in u samenvloeien en uw bewustzijn alle werelden gelijktijdig kan omvamen, bent u inderdaad bewust en geschapen naar Gods beeld en gelijkenis in kosmische zin. In kosmische zin waarlijk Gods beeld en gelijkenis zijn, wil zeggen: God erkennen en de weg vinden tot de laatste fase van bewustwording, die wij noemen: Het Opgaan In God.

Indien men een deel van eigen wezen steeds weer blijft verwerpen, verwerpt men een deel van het eigen Ik. Degene, die niet een synthese tot stand weet te brengen tussen zijn geestelijke waarden en de wereld waarin hij leeft, zal dan ook voortdurend met dat deel van het Ik in strijd zijn, dat hij het lagere deel van zijn persoonlijkheid noemt. Deze strijd zal de bewuste mens kunnen verteren, maar deze strijd schept disharmoniën en vervreemdt de mens, zowel van de kosmos en zijn God, als van de wereld. Daarom alleen reeds is het noodzakelijk alles wat men geestelijk bereikt, steeds weer in harmonie te brengen met het wezen, dat men nu is en de wereld, waarin men nu leeft, zelfs indien deze het laagst voorstelbare voor je bevat. Dit alles is een beeld van de werkelijke esoterie, die niet streeft naar een uitbreiden van de kloof tussen u en anderen, maar u doet komen tot een steeds juister begrip van alles, wat in de andere waarden van de Schepping leeft. Alleen door vergroting van harmonie met al het geschapene komt men tot een ware en onvergankelijke bewustwording.

image_pdf