Wij leven meerdere werelden tegelijk

18 februari 1974

We hebben getracht om ook voor vandaag een passende gast te krijgen – we hebben zelfs gedacht aan een prins Carnaval; het is wonderlijk, dat carnavaleske figuren zich toch vaak in een lichtere sfeer bewegen – en zijn terechtgekomen bij een leraar die verzocht heeft om over zijn persoonlijkheid het zwijgen toe te doen. Hij meent dat zijn woorden voor hem moeten spreken. Dat maakt het voor mij tamelijk moeilijk omdat je altijd probeert een zekere sfeer op te bouwen, een inzicht te geven in datgene, wat de spreker naar voren zal brengen. Maar misschien mag ik zo beginnen:

Er is een God. Die God wordt pas belangrijk voor je op het ogenblik dat je niet meer gelooft in de duur van je eigen bestaan.

God is iets dat belangrijker wordt naarmate je dichter bij de dood komt. De mens probeert de hogere krachten te erkennen en tot zich te trekken, omdat hij zijn leven ziet als het enige bestaan dat hij heeft. En toch draagt diezelfde mens in zich een groot aantal verschillende mogelijkheden en kwaliteiten die buiten de stof voortbestaan.

Wat ben ik? Je kunt daar natuurlijk een antwoord op geven. Ik ben ik, zoals ik eruitzie. Met het lichaam dat ik heb. Met de eigenschappen die ik bezit. Of wanneer je in een sfeer bent: “Ik met mijn mededelingen, met mijn neiging om mij in een bepaalde vorm te manifesteren.” Maar dan ben je er eigenlijk toch niet. Ik, dat is het kraaltje aan het snoer van de oneindigheid. En het wonderlijke is dat wij het snoer zijn en het kraaltje. Dus beide.

Wij leven doordat wij voortdurend in andere vormen beleven. Dat is mogelijk een wat wonderlijke stelling. Maar het is esoterisch van belang en ik zal trachten om dat duidelijk te maken.

Het leven zelf, de existentie, is eigenlijk niet zo belangrijk. Het bestaan wordt voor ons pas kenbaar door hetgeen wij meemaken en er is altijd in elk bestaan een soort van tegenwicht. Zijn we gelukkig dan hebben wij toch ook weer ongeluk. Hebben wij ongeluk dan zijn er toch weer dingen die goed zijn. Wij leven altijd in een zeer precair evenwicht tussen uitersten en dat juist maakt ons beleven uit. Dat geeft de waarde aan ons bestaan. Al het andere is eigenlijk van geen belang.

Wanneer je voort wilt leven als mens – en ik mag hier wel uit mijn eigen ervaringen putten – dan wil je dat vooral omdat je meent dat je nog iets moet doen. m.a.w.: er zijn nog begeerten. Je wilt voortleven omdat je niet weet wat de dood is en wat er na de dood kan komen. Een angst. Tussen deze twee heen en weer geslingerd, beleven we. En dat beleven kan in een bepaalde vorm ophouden, maar het zet zich onmiddellijk voort tussen andere uitersten en andere mogelijkheden. En het zijn deze opeenvolgingen van beleven die eigenlijk de moeite waard zijn. Gaan we in onszelf kijken, ach dan hebben we ons geheimzinnige droomleven. De één droomt dat hij altijd jong en schoon is, de ander is magiër of dictator of misschien ook sloofje hier of daar. Eenieder heeft zo’n beetje zijn eigen keukenmeidenroman die hij of zij zichzelf pleegt te vertellen in de uren dat werkelijk niets anders meer inhoud schijnt te hebben.

Je droomt die dingen en menigeen vraagt zich niet af of dat toch niet een werkelijkheid zou kunnen zijn. Wij beleven niet alleen op één niveau. De existenties breiden zich uit over een groot aantal verschillende levens, maar ook verschillende werelden en verschillende wereldmogelijkheden. En altijd weer is er voor ons de keuzemogelijkheid. Wij kiezen op de wereld en heel vaak zullen wij dat verkeerd doen, maar wij hebben die keuze nu eenmaal gemaakt. In andere gevallen zijn wij bereid om alle offers te brengen en het is niet nodig. Dan voel je zo: besteld en niet afgehaald. Maar wat hier niet nodig is, is elders wel waar en nodig. Wat hier noodzakelijk is of onvermijdelijk, zal in een ander bestaan niet noodzakelijk of onvermijdelijk zijn.

Ga je diep in jezelf kijken, dan zie je dat dat droomleven eigenlijk niet alleen maar een droom is. Het is niet alleen maar de weerkaatsing van een aantal denkbeelden. Het is het opbouwen van al datgene wat je óók nog zou kunnen zijn. Dan zeg je als mens: “zou kunnen zijn”. Wat heb je daar nu aan? Maar stel nu eens, dat elk leven dat je zo in een droom aanduidt, ergens waar is. Vandaag sta je in een klinische koude wereld; morgen kniel je ergens in een tempel voor een hoogaltaar. Dat is niet in dit leven, maar het bestaat wel. Alle dromen die wij dromen en alle beelden en fantasieën die in ons bestaan een grote rol spelen, zijn deel van het beleven. Ze zijn deel van het werkelijke zijn.

Wanneer u uittreedt, komt u in een andere wereld. Men zegt altijd: “Dat is de wereld van de geest of het is onze eigen wereld.” Maar het kan net zo goed een wereld zijn met vormen, wetten en regels, net als uw wereld en toch een beetje anders. En wat daar gebeurt, is net zo waar als wat hier gebeurt. Alleen is het voor u, in deze vorm geen waarheid.

En dan blijkt verder, dat wij in deze droomwerelden en vooral in die zich steeds herhalende fantasieën en droomwerelden een compensatie scheppen voor wat we nu zijn en nu niet bereiken. En dat zou betekenen, dat de wereld die wij nu hebben, plus een andere wereld, eveneens weer uitersten zijn, waartussen vele variaties en varianten mogelijk zijn Wij leven meerdere werelden tegelijk. Heel mooi om te zeggen. In de praktijk heb je er misschien weinig aan. Maar nu blijkt – en dat is het wonderlijke – dat van de ene wereld voortdurend iets naar de andere doorsijpelt. Niet alleen de droom, die misschien het symptoom is van een reële beleving elders, maar daarnaast soms capaciteiten, ingevingen, mogelijkheden en denkwijzen. En nu kunt u dat ongelooflijk vinden, maar je kennen en je weten stamt dan uit die andere wereld. In die andere wereld is men misschien technisch lang zo ver niet of veel verder dan men hier is. Wanneer u technisch georiënteerd bent, dan zult u door wat in die andere wereld bestaat, in deze wereld worden geïnspireerd. Het is niet alleen maar de wereld van de geest. Het zijn een groot aantal stoffelijke werelden.

Hoe komen wij er nu toe om zoiets aan te snijden? Wel, onze gastspreker heeft onder meer gedoceerd over wat hij noemde “de multiple diversity of things”. En dat zou je misschien het beste kunnen vertalen als de veelvoudige verschillendheid der dingen. Maar voor hem was het niet alleen een kwestie dat de dingen zelf allemaal verschillen, maar hij zei b.v.: “Hier staat een plant, die uitgebloeid is. Maar er is een wereld waar die plant nog bloeit. Er is ook een wereld waar die plant nog een zaadje is. En een wereld waarin die plant verdord en verdroogd opgaat in de aarde.”

In het begin valt een dergelijke stelling je wat rauw op het lijf. Dan zeg je: “Wat heb ik aan een dergelijke fantasie?” Totdat je diep in jezelf gaat doorgraven en met enige bevreemding ontdekt dat je eigenlijk meerdere levens tegelijk probeert te leven. Niet dat je die andere werelden zo concreet kent als de wereld waarin je nu meent te bestaan. Maar je probeert a.h.w. steeds weer te ontkomen aan wat nu bestaat, door je te beroepen op iets wat volgens je eigen besef eigenlijk niet bestaat. Maar dat toch steeds weer – en dat is belangrijk -zich beeldend in je opdringt als een mogelijkheid of een droom. Wat? Ja, dan moet je nog verder in jezelf dringen en dan kom je tot de vreemde conclusie dat je niet alleen een groot aantal voertuigen hebt, maar elk voertuig dat in je bestaat, blijkt verwant te zijn met een hele reeks van vormen en niet met een enkele vorm. Misschien dat je dan zou moeten gaan spreken van een “multiple personality”, die op elk vlak aanwezig moet zijn. Ik ben niet alleen wat ik nu ben, ik ben ook andere vergelijkbare vormen die echter anders beleven.

De situatie wordt duidelijker wanneer wij boven- en onderbewustzijn even terzijde laten en zeggen: “Wat beweegt mij?” En dan blijkt dat hetgeen ons beweegt niet stamt uit de wereld die wij kennen. Het is ook niet uit een andere wereld te verklaren. Wij zijn in ons – zelfs in de geestelijke voertuigen die redelijk hoog zijn – een verdeeldheid, een reeks van strijdigheden. En die strijdigheden moeten een oplossing vinden. Wat wij zoeken is niet een werkelijkheid waarmee wij alle werkelijkheden kunnen uitsluiten – wij denken dat wel – maar we zullen er nooit gelukkig mee kunnen zijn. Wat wij zoeken is een bestaan, een werkelijkheid, een leven, waarin wij alle mogelijkheden van leven harmonisch ineen kunnen sluiten. Wij moeten worden tot een wezen, dat vele werelden gelijktijdig beleeft. (Dit zijn niet mijn woorden, ik heb hier geciteerd).

God is een woord. God is het beroep op de complexiteit van het bestaan waarvoor wij geen begrip en geen woorden hebben. Maar stel nu eens dat God volledigheid is. Dat kunnen de mensen meestal wel aanvaarden. Dan kunnen wij die God alleen in onszelf erkennen en beleven wanneer er volledigheid bestaat. Maar waarom dan – terwijl wij in onszelf die volledigheid beleven – al die misschien meditatief lijkende fragmenten van andere bestaansvormen en andere mogelijkheden? Omdat zij bestaan. Omdat zij deel zijn van de volledigheid van ons bestaan. Omdat voor ons God niet denkbaar is in een simpele, rechtlijnige verbinding tussen wat wij nu zijn en wat wij eens zullen zijn. God is de openbaring van een veelheid die toch één is.

En dan komt degene die zo verder nadenkt tot een paar conclusies. Ik wil u hiervan enkele voorleggen.

  1. Mijn werkelijkheid wordt begrensd door mijn voorstelling daarvan. Al datgene wat ik niet als werkelijk erken, bestaat voor mij niet werkelijk, maar kan desondanks een realiteit zijn.

God is een totaliteit. Wanneer wij in onszelf God ontmoeten, ontmoeten wij de totaliteit. Zelfs indien dit maar de totaliteit van ons eigen bestaan is. Wanneer wij een groot aantal beelden krijgen die niet passen bij onze wereld zoals wij die nu als werkelijk beschouwen, dan is dat geen bewijs dat het niet bestaat. Want anders zou het niet in ons Godsbegrip mee verweven zijn.

Dan stel ik dat de mens door zijn bewustzijn in het heden zijn werkelijk bestaan begrenst tot datgene hij werkelijkheid noemt. Dan stel ik verder dat deze werkelijkheid een bewustzijnskwestie is en dat hetgeen wij “werkelijk” noemen niet in overeenstemming is met de kosmische werkelijkheid die wij zijn en waaruit wij leven, ook op dit moment.

  1. Elk beeld dat in mijn besef bestaat, maakt deel uit van de werkelijkheid die ik ben. Er kan in mij niets bestaan dat niet tot mijn werkelijkheid behoort. Dientengevolge moet ik aannemen dat elk denkbeeld dat in mij bestaat, werkelijk is. Ook wanneer het nu niet voor mij als zodanig beleefbaar is.

Dit impliceert dat wanneer mijn bewustzijn verandert, ik in andere werelden kan leven. Dat mijn droom de werkelijkheid kan worden en mijn werkelijkheid mij dan als een droom kan voorkomen, (een gevaarlijke stelling, dit laatste). Maar dan kom ik als vanzelf tot datgene wat mij persoonlijk bij deze beschouwing geraakt heeft. Het is voor mij belangrijk dat ik niet alleen leef met de feiten, maar dat ik ook leef met mijn dromen. Want pas waar ik mijn dromen en de feiten zoveel mogelijk tot eenheid kan maken, zal ik de God die in mij is werkelijk benaderen en het wezen daarvan werkelijk beseffen.

En om tot die conclusie te komen, had ik het voorgaande proces doorgemaakt. Dit impliceert voor mij dat er een orde moet zijn. Een orde die misschien wel in een soort standenregiem is uit te drukken, zoals de Indiërs dat hebben gedaan. Of die in een maatschappelijke functiebepaling vastligt zoals de Chinezen in sommige systemen doen. Wanneer ik boer ben en ik droom dat ik koning ben, dan ben ik boer en koning tegelijk. Maar wanneer ik boer ben en ik droom van verschillende soorten van boer zijn, dan ben ik een boer. Duidelijk?

En nu komt er iets wat op een gedachtekronkel lijkt, maar het naar ik meen, niet is:

Het beeld van een wereld waarin de mogelijkheden van elk individu bepaald zijn. Het totaal dat het leven van een ego inhoudt, is bepaald. Alle denkbare functies, werelden en toestanden, hetzij stoffelijk of geestelijk, zijn daarin tezamen voortdurend aanwezig. Een ego kan niet komen tot een droom die niet bij dit ego past. Dan zal elke voorstelling die wij geven van b.v. een ontwikkeling, in tijd door ons besef bepaald zijn. Terwijl er mogelijk van een gelijktijdigheid sprake is, wanneer wij doordringen tot de hogere waarden van onze persoonlijkheid. (Dit is speculatief, denkt u daar wel aan.)

En nu kom ik tot iets dat mij als een zekerheid is geleerd en waarbij ik weer uitga van iets dat een ander heeft gezegd:

“Wanneer in de schepping de kracht zich manifesteert als ego, zal deze kracht niet kunnen bestaan zonder zichzelf gespiegeld te zien in andere ego’s. Waar een dergelijke spiegeling aanwezig is, is een blijvende band. Dit betekent dat de banden die tussen ego’s bestaan in den beginne zich in alle levens kunnen herhalen. Het betekent verder dat geen werkelijke banden tussen personen mogelijk zijn dan op grond van deze eerste spiegeling.”

We hebben het hier dus niet over tweelingzielen en dergelijke, maar doodgewoon: je hebt je in een aantal ego’s gespiegeld en hoeveel dat er zijn wordt er niet bij gezegd. Maar de manier waarop het gezegd werd, wekte bij mij de indruk dat het er net zo goed tienduizend kunnen zijn als twee. De situatie, die met het vorige samen voor mijn denken ontstaat, is: wanneer ik een band heb met bepaalde andere persoonlijkheden, onverschillig welke, dan zal die band zich voortdurend manifesteren. Niet alleen in een wereld b.v. bij verschillende incarnaties, maar wel degelijk ook in elke sfeer. Niet altijd zal ik alle persoonlijkheden ontmoeten en niet altijd zal de relatie zoals ik die erken met de ander gelijk blijven, maar de werking die tussen de ego’s bestaat is gefixeerd. Dat maak ik er tenminste uit op en het lijkt mij op grond van alles wat ik uit innerlijk onderzoek zowel als daarbuiten heb geconstateerd, aanvaardbaar.

Dan moet het dus zo zijn: Ik heb op het ogenblik in mijn sfeer een aantal vrienden. De gestalten van die vrienden zijn voor mij langzaam maar zeker onbelangrijk geworden. Zolang ik hun gestalte zou zoeken te ontmoeten, dan zou ik ze alleen in die sfeer kunnen treffen. Maar wanneer ik nu zoek naar de essentie die ze op dit moment zonder vorm voor mij zijn – een inhoud – (meer dan een vorm) dan zal ik ze kunnen ontmoeten in elke incarnatie, maar ook in elke sfeer. In elke mogelijkheid die voor mij bestaat, zijn ze voor mij aanwezig. En dat is curieus.

Als ik dit als voorbeeld even mag uitwerken: Wanneer er meer werkelijkheden zijn, dan kan het dus zijn dat je in de ene wereld elkaar bemint, in de andere wereld elkaar misschien haat. Maar er zal altijd een intense relatie zijn. Het kan zijn dat je in de ene wereld als een tegenstelling moet werken en in de andere wereld juist door je samenwerking iets betekent. Maar de betekenis die je hebt, zal altijd op beide ego’s en niet op één daarvan gebaseerd zijn. Of die relatie nu is: ouder – kind, broeder – zuster, leermeester – leerling, vriend- vriendin, of bekenden, vijanden, concurrenten, tegenstanders, dat is allemaal mogelijk tussen dezelfde ego’s. Zij kunnen zich echter niet ontdoen van deze band. Ze zijn voor elkaar noodzakelijk, onvermijdelijk.

En zo nazoekende heb ik toch heel wat voorbeelden gevonden, die mij daaraan doen denken. Ik wil dan ook maar de praktische conclusies trekken:

Elke mens die voor mij betekenis heeft, is een mens die als ego altijd betekenis voor mij heeft. Die voor mij een deel van zelferkenning betekent en daarnaast een voortdurende en noodzakelijke aanvulling is. De vorm waarin dit geschiedt, is niet belangrijk. Het feit dat het contact bestaat, is voor mij belangrijk en onvermijdelijk, daar alleen hierdoor mijn bestaan werkelijkheid is.

Wanneer u in uzelf bezig bent en denkt aan de mensen die u hebt ontmoet: wat heb ik verloren, wat heb ik gewonnen, wat doen ze mij aan, wat heb ik anderen aangedaan, wat is nu een leugen en wat is nu een werkelijkheid? (Want daar zit je steeds mee) dan moet je gaan zeggen: “Dat is helemaal niet belangrijk wat die ander is. Het is belangrijk wat die ander voor mij is.” En als ik zeg: “Het is een leugen” dan mag het waar zijn, maar dan is het voor mij op dit moment een negatieve factor. En die negatieve factor kan in mij alleen bestaan als er een andere tegenover staat. Welke is dat?

Bij een innerlijke erkenning kun je niet alleen maar rechtlijnig naar boven gaan. Je zult je steeds weer moeten realiseren: wat is mijn relatie met de kosmos en met het Al? En volgens de stelling van deze leermeester is dit dus een beperkt aantal zielen. Een beperkt aantal entiteiten waarmee je leeft. De rest is a.h.w. enscenering, aankleding van het geheel. Bijvoorbeeld de superuitvoering van Aïda. Het werkelijke aantal spelers beperkt zich tot maximaal 20. De rest doet eigenlijk niet ter zake. Ze zitten in de versiering.

En zo is het met deze wereld en met alle werelden voor ons. Al die wezens, die wij zien als figuranten, die hebben een eigen leven en eigen belangrijkheid, maar niet in ons bestaan. In ons bestaan ligt de zaak anders. Wij zijn gelimiteerd in een aantal persoonlijkheden waarmee wij werkelijk contact hebben en door die persoonlijkheden en het contact daarmee maken wij onszelf waar; bouwen we voor onszelf deze vorm van zijn op en wij kunnen daarnaast vele andere vormen van zijn denken, maar wij kunnen daar nooit personen ontmoeten die in dit bestaan ook ergens aanwezig zijn.

Nu is dat weer wat te ver gegrepen. Want het is duidelijk dat er personen kunnen zijn, die hier voor u niet meer in de stof bestaan. Maar dan zullen ze toch voor uw denken, voor uw leven, invloed hebben. Ze blijven medebepalend voor wat u nu bent en doet. En in deze zin geloof ik dat u het moet bekijken. Het is dus niet wat feitelijk rond u aanwezig is, maar wat in dit leven invloed op u heeft, waardoor u gestimuleerd wordt en waardoor u bent afgeremd. Dat is deel van uw werkelijkheid. En nu is volgens die leer de zaak niet zo, dat u beperkt bent tot één rol. U kunt elke rol spelen van één van de andere spelers. U kunt dus van plaats verwisselen. De types, die samenspelen, blijven toch voor het ego dezelfde.

En nu komt de meester – ik zou zover niet durven gaan – tot de conclusie: voor ons is God de weerspiegeling van de gemeenschap van persoonlijkheden, waarvan wij deel uitmaken. Wat daarbuiten bestaat is voor ons onvatbaar. Wat daarbinnen bestaat noemen wij als geheel God. Maar wij vergeten daarbij dat die God het totaal is van datgene wat onze wereld bepaalt. Wat ons leven bepaalt.

Nu ga ik aan het voorgaande zelf een paar beschouwingen ophangen. Ik kan mij voorstellen, dat je in een bepaald leven iemand ontmoet en dat die ontmoeting een betekenis heeft. Er verandert iets voor je. Het is die verandering die veel belangrijker is dan de ontmoeting. Sommige mensen zeggen: “Ja, maar wanneer die en die nu b.v. willen trouwen of samen in zaken willen gaan en het komt er niet van?” Maar doordat het contact met die andere persoon bestaat, is er verandering gekomen in je leven. En die verandering bepaalt de mogelijkheden die je bezit. Want met het beperkte bewustzijn dat je in deze vorm van het bestaan hebt, kom je tot een aantal conclusies, maar ook een aantal ontdekkingen.

Je verandert. Je gaat verder. En dat verdergaan houdt in dat je nieuwe eigenschappen en nieuwe kwaliteiten van die anderen ook weer kunt erkennen. Het besef, dat ik in deze wereld krijg t.a.v. al degenen die mij omringen, bepaalt de relatie die voor mij t.a.v. diezelfde persoonlijkheden in al die andere werelden mogelijk zijn. Ik zal altijd degenen bij wie ik behoor, terugvinden. Ik kan niet zeggen: zij gaan naar een lage sfeer en ik naar een hoge sfeer. Want zelfs wanneer dit voor de persoonlijke ervaring van de verschillende entiteiten juist is, blijft er tussen hen een band bestaan. Al zou maar degene die in de hogere sfeer is, eens proberen degene die in de lagere sfeer is eruit te halen. En zal hij, die in die lage sfeer zit, hopen op een kracht zoals die ander, omdat die in de hoogste sfeer bestaat. Waar je ook bent of gaat, deze relatie blijft gehandhaafd. Je kunt die banden niet verbreken.

En als je dat zegt, dan zeg je daarmee ook, dat het voor mij erg belangrijk is dat ik in mijn eigen bewustzijn die banden niet als negatief ga kwalificeren. Je kunt de dingen niet verwerpen. Je kunt ze misschien overleefd hebben. Dat je zegt: “Het is voor mij voorbij. Ik moet verder.” Maar je moet nooit zeggen: “Het is nutteloos geweest.” Die band kun je niet ontgaan. Hetgeen eruit voortkomt is bepalend voor alles wat je nu bent en wat je in eventuele anders werelden kunt zijn.

En dan zeggen de mensen: “Ja maar… wat heb ik er nu aan wanneer ik bewust in déze wereld leef? Al besta ik in 500 werelden. Ik leef in deze.” Daarin hebben ze volkomen gelijk. In je bewustzijn, ja, maar daar zit je maar mee. Je kunt ergens anders miljonair zijn, maar als je je hier alleen maar met een potscherf kunt krabben als Job, dan krab je verder en heb je ellende.

En die vraag heb ik ook geprobeerd te beantwoorden en toen kwam ik tot een vreemde conclusie. Ik heb die meester er even bijgehaald en ik heb zelfs met Theodotus zitten kletsen, en dat was dit: Op dit moment dat je leeft in deze wereld, is alleen deze wereld belangrijk. Maar op het moment dat je van deze wereld werkelijk vrijkomt, zal elke beleving en benadering van de stof kunnen gebeuren in alle uitingen die in de stof bestaan hebben. Niet alleen die waarin je bewustzijn volgens je eigen besef nu geconcentreerd is. En toen ik die conclusie had, stond ik weer met een nieuw vraagstuk. Want toen zei ik: maar kan het dan zijn dat een aantal mensen, die figuranten zijn, hier geen werkelijke rol spelen? Hier niet werkelijk leven? Maar dat die leven in een andere wereld en daar echt zijn? Zou dat kunnen? En toen was het vreemde antwoord: ja. En dat brengt je dan tot ontstellende conclusies, c.a. deze, dat het aantal geestelijk in een bepaalde wereld levende entiteiten aanmerkelijk kleiner is dan het aantal vormen van entiteiten, dat in diezelfde wereld bestaat. En ik kwam verder tot de conclusie dat dat ook niet belangrijk is, omdat het werkelijke leven en het werkelijke gebeuren bepaald wordt door de reacties van een beperkt aantal, bewust in die wereld bestaande, entiteiten.

En dan krijg je de eindconclusie die voor mij de meest belangrijke is: wanneer wij in deze wereld volkomen bewust en reëel leven, dan zullen onze relaties met de mensen ondanks alles beperkt blijven. We zullen vele mensen ontmoeten, die voorbijgaan. Die geen indruk maken. We zullen een beperkt aantal contacten met mensen hebben, die wel indruk maken. Datzelfde geldt kennelijk ook in de sferen.

Op grond daarvan neem ik aan dat een beperkt aantal, waarmee je die band hebt, de eerste spiegeling volgens de meester, gemeen hebt, je werkelijke wereld uitmaken. De rest komt er in wezen niet op aan. De rest bestaat alleen maar om je mogelijk te maken jezelf te verwerkelijken zoals je binnen die gemeenschap en weerspiegeling volgens je bewustzijn nu moet zijn.

En dan ben ik misschien meer praktisch dan vele meesters en heb ik mij afgevraagd: ja, wat kan dan en wat kan dan niet? En toen was het vreemde dit: Door mijn bewustzijn beleef ik een wereld als werkelijkheid en zal ik alles wat daarin bestaat ook als deel van mijn werkelijkheid moeten aanvaarden. Het is voor mij niet belangrijk of iets een schijnvorm of een werkelijkheid is, zolang ik het als werkelijkheid beschouw, beleef en daarmede werken kan. Omdat mijn eigen actie en interactie met anderen tezamen met mij werkelijk bestaande is, welke uitdrukking vindt in het geheel waarin ik besta.

God is het geheel van de bewuste en harmonische groep die in een bepaalde wereld of op een bepaald moment actief is en daarin een harmonie bereikt. Waar die harmonie niet is, is God niet. Waar die harmonie is, is God. En wat meer is: God is de uitdrukking van de macht die wij in het begin bezaten, de kracht, het wezen en de inhoud die wij zijn. En in elke wereld, elke sfeer waar wij bestaan, zal deze God dezelfde blijven, omdat ons harmonisch vermogen beperkt is. God is mogelijk niet beperkt, maar ons beeld van God zal beperkt blijven door de beperkte relatie met delen van de totaliteit die voor ons als werkelijkheid kan bestaan.

Denkt u hier maar eens over na. En als u wilt weten waarom dit belangrijk kan zijn:

  1. Alles wat er gebeurt in het leven is deel van de bestaande harmonie. Alleen de personen die indruk op je maken, hebben er iets mee te maken. De rest van het gebeuren is het resultaat van die anderen en van jezelf. De houding die je tegenover die anderen aanneemt, eventueel.
  2. Dat je de wereld niet kunt verbeteren is niet erg, wanneer je maar een harmonie tot stand weet te brengen tussen jezelf en degenen die voor jou wezenlijk belangrijk zijn. Waar je dus werkelijk door verandert en waarin je vanuit jezelf verandering kunt veroorzaken. Uiterlijke vormen doen niet ter zake. Het is de beperkte harmonie, die je tot stand kunt brengen.

Ik moet zeggen, dat ik in het begin door deze denkbeelden erg verrast ben geweest. Ik heb er wat tijd voor nodig gehad (en dat is in de sferen toch nog wat anders dan bij u) om erover na te denken. Toen ik geconfronteerd werd met de gastspreker die deze keer komt – dat is niet de meester die ik geciteerd heb – toen moest ik wel proberen om dit samen te vatten en in woorden uit te drukken.

Het meest belangrijke is het meest praktische. Alles wat wij bezitten, magie, kracht, onverschillig wat, is gebaseerd op een werkelijkheidsrelatie t.a.v. een ander ego. Waar deze relatie niet bestaat kunnen wij alleen maar fantasmagorieën tot stand brengen. Dromen, maar nooit werkelijkheden. Alleen t.a.v. degenen die met ons werkelijk verbonden zijn, kunnen wij werkelijke verandering veroorzaken. Wat wij doen is streven naar een optimale verandering in onszelf en in anderen. Wanneer het niet werkt, wanneer er geen reactie op komt, behoeven we er ons niets van aan te trekken, want dan is het eenvoudig geen deel van onze werkelijkheid. Door te beseffen dat onze werkelijkheid beperkt is, zullen wij inzien, dat ook onze verantwoordelijkheden in wezen beperkt zijn.

We zullen zo gemakkelijker ons eigen wezen en de resultaten van ons leven kunnen aanvaarden. En door deze aanvaarding ook gemakkelijker de grenzen van leven en dood overschrijden. We zullen onze begeerten en angsten niet meer gaan zien als datgene wat ons drijft, maar gelijktijdig als datgene wat voor ons noodzakelijke veranderingen in deze wereld tot stand brengt. Zodat wij in alle andere werelden waarin de andere varianten bestaan, zo dadelijk bewust kunnen registreren, zonder dat wij op den duur onderworpen zijn aan het geregistreerde.

Het is niet zo verward als u denkt. Het is heel nuchter en logisch. Maar ik heb de meeste moeite gehad met die gelijktijdigheid van verschillende werelden. Dat zal bij u ook wel zo zijn. Maar onthoud één ding. Het kan zo zijn. Maar wij zitten aan de werkelijkheid vast, die wij nu zijn volgens ons eigen bewustzijn. De rest mogen wij als bestaand erkennen en aanvaarden zonder dat het iets verandert. Maar wanneer wij de mogelijkheid van het bestaan verwerpen, dan blijkt dat in onze innerlijke ontwikkeling ergens een grens te zetten, een rem te plaatsen, die wij nodig hebben en die wij beter kunnen missen. Daarom zou ik zeggen: laat het als een mogelijkheid bestaan en ga rustig vanuit deze werkelijkheid verder.

Het voor mij ook moeilijke punt was: als ik hier op aarde spreek, spreek ik eigenlijk maar tegen enkelen. Want de enigen die mij kunnen begrijpen, zijn degenen met wie ik ergens al een relatie heb. En in het begin denk je: daar gaat mijn zending. Maar nu begrijp ik ook achteraf, dat alles wat ik doe een zelfvervulling is. Het is niet alleen maar iets voor een ander waarmaken. Ik maak mijzelf waar in de ander. En alleen waar dat bestaat, daar ontstaat de wereldverruiming, de kracht die ik nodig heb en al het andere blijft opzij. Na de teleurstelling dacht ik, dat het toch aanvaardbaar was. Ik hoop dat het voor u ook zo is.

Denkt u er eens over na en maak er geen al te grote problemen van. Maar wanneer u denkt dat het mogelijk is, registreer het dan als zodanig. Misschien zult u ontdekken; dat u in verschillende perioden van uw leven sterk beïnvloed bent door uw contact met bepaalde personen. Dat sommigen uw gehele leven beïnvloedden, sommigen een deel ervan. En dan zegt u: “Kijk, dat is nu die spiegelingskwestie. In al die anderen zit een deel van mijzelf. En wanneer ik dus reageer op die anderen, dan maak ik daardoor mijzelf meer waar.” Wanneer u zich dat nu maar alleen voorhoudt, dan komt u er, geloof ik ,gemakkelijker doorheen.

Wanneer u gaat beseffen dat het zo is, dan zal voor u de belangrijkheid van de dingen anders gaan liggen. Dan zult u begrijpen dat wat onvermijdelijk of noodzakelijk scheen, het niet kon zijn. Maar dat aan de andere kant datgene wat een mislukking scheen, in wezen vaak een vastleggen is van een contrast, een wederkerigheid, waardoor verschillende entiteiten, waaronder jijzelf, iets dichter bij de waarheid of de werkelijkheid komen.

Ik geloof dat je het deel van het leven op deze manier anders ziet en dichterbij ziet. En wanneer u “over” bent, dan zult u ontdekken dat die verbinding altijd blijft bestaan. Als u het in dit leven aanvaardt, dan maakt het u misschien wat gelukkiger. Maar alleen voor zover het op dit moment voor uw bewustzijn belangrijk is, speelt het wezenlijk een rol.

De Gastspreker

Men heeft mij gevraagd om het één en ander omtrent mijn ervaringen en filosofie te vertellen. Nu is dat erg moeilijk, want mijn ervaringen zijn eigenlijk mijn filosofieën en omgekeerd. Men heeft mij ook nog aangesproken als meester. Dat vind ik overdreven. Ik hoop binnenkort leerling te worden. Maar goed, mijn wereldbeeld.

Zoals de wereld is, zie je haar niet. En dat is maar goed ook. De wereld zelf is voornamelijk een indeling. Wanneer je op een gegeven ogenblik begint te leven, dan zit je in een vast spoor. Je kunt weleens een paar zijsprongen maken – en dat doen de meeste mensen dan ook – maar eigenlijk kun je niet veel meer veranderen aan dat wat je bent. Daar krijg ik altijd ruzie over. Er zijn altijd weer verlichte figuren die uitroepen: “Maar wij zijn op aarde om bewust te worden en dan moeten wij veranderen.” Nu, dat pleit misschien voor hun zelfkennis, maar niet voor hun wereldbeeld. Wanneer je leeft moet je je bewust worden van dat wat je bent. De meesten komen zelfs daar niet aan toe, ofschoon ze praten over bewust worden van de hele hemel enz.

Je begint in het leven gewoon met jezelf te leren kennen. Je verandert jezelf niet, maar je begrijpt beter wat je bent en daardoor beantwoord je beter aan de wereld en wat je in die wereld kunt zijn. Dat gaat er bij velen niet goed in. Er zijn ook mensen die dan onmiddellijk komen aandragen met de genade alsof het een vitaminepil voor de geest is die – mits elke dag genomen – de eeuwige gezondheid waarborgt. De genade is de kracht waaruit je leeft. Begrijp je die kracht, dan ben je jezelf. En ben je jezelf, dan is dat misschien wel een genade, omdat de meeste mensen zich bedriegen, voornamelijk over wat ze zijn.

Er zijn een aantal temperamenten in de wereld. En een temperament bepaalt voor een groot gedeelte beroepskeuze, de manier waarop je tegenover anderen optreedt. De wijze, waarop je jezelf probeert waar te maken. En daarom zeg ik dus: er is een vaste indeling. Want iemand, die eenmaal hypochondrisch (zwaarmoedig) is, blijft dat tot aan zijn dood. Een optimist kijkt naar de dood en zegt: “Wat heb je mooie botten.” Dus je verandert wat dat betreft niet.

Zo geloof ik dat je de wereld ook nog kunt indelen in groepen van temperamenten, die een wisselwerking met elkaar hebben. Uw wereld is zeer interessant en zeer belangrijk. Ik geloof dat het de beste goocheltruc is die God ooit bedacht heeft. Want de mens is altijd weer vlugger dan het verstand van de ander, maar daarbuiten sta je ook. Dat wil niet zeggen, dat je buiten de wereld staat. Maar je bestaat in wat de mensen “sferen” gelieven te noemen.

Nu zijn die sferen allemaal samen misschien wel het beste te vergelijken met een ei. De kip die ons uitbroedt, is de beleving. Wanneer wij beleven, dan is er warmte en dan wordt langzaam maar zeker daarbinnen het kuiken geboren. Dat wij deze vergelijking als juist kunnen aannemen is volgens mij klaarblijkelijk. Want wij, schepselen, kakelen zelfs wanneer wij menen tot bewustzijn gekomen te zijn.

Wat wij dus nodig hebben is ervaring. Niet om wat die ervaring is, maar omdat die ervaring de kracht vormt waardoor wij loskomen uit een embryonale beslotenheid en eindelijk wakker worden in de werkelijkheid.

Nu stel ik vanuit mijzelf altijd: Wanneer beleven belangrijk is, dan is het enige belangrijke, dat het mij helpt om vrij te komen van de beperking, waarin ik opgesloten ben. Ik heb mij zelfs afgevraagd: Wanneer ik een ei ben, wie heeft mij dan gelegd? Want als ik zeg: God, dan lijkt mij dit toch enigszins een sacrilege, een heiligschennis. Maar ik kan mij niet voorstellen waar ik anders vandaan ben gekomen.

In ieder geval: ergens ben ik ontstaan. En wat ik op het ogenblik doe in mijn leven, in welke wereld dan ook (dat vind ik ook zo mooi. Je leeft in de ene wereld en in de andere wereld. Ik zou zeggen: wat dondert het? Als je maar bestaat!) ben ik ook begrensd, net zo goed als u in uw wereld. En wanneer wij eenmaal volgroeid zijn, dan zijn er geen grenzen meer. Daarvan ben ik overtuigd.

Dan ga je vanzelf filosoferen. Dan zeg ik tegen mijzelf: Alles wat je ooit gedacht hebt, gedaan hebt, dat moet behoren tot de kracht waardoor je wordt wat je moet zijn. En dan vraag ik mij wel eens af: waar komt het dan allemaal vandaan? Want aan één wereld heb je ook niet veel. En wanneer ik terugkijk in het verleden – als het verleden genoemd mag worden – dan heb ik nogal wat gehad. Ik ben bijzit geweest, b.v. 7 kinderen. Heel veel aannemelijkheden, die in deze moderne tijd niet zouden kloppen, want een trouwboekje was er in die dagen niet bij. Ik had veel concurrentie in de naaste omgeving. Waarschijnlijk als gevolg van die ervaringen ben ik ook nog tempelmaagd geweest. Daarna heb ik het mannelijk geslacht gevonden en ben ik handelaar geworden. Dat heeft mij niet veel opgeleverd. Een volgende incarnatie ben ik rondtrekkend priester en profeet geweest. Ik heb zelfs mijzelf belazerd.

Daarna ben ik rijk op de wereld gekomen, als zoon van een vorstje – het was een kleintje – maar toen dachten wij dat het, het middelpunt van de wereld was. Heel verwaand geweest. Veel bereikt, veel gezworven. Hele mooie, grote woorden gesproken en langzaam maar zeker weer teruggekomen als tempelveger. Ik had kennelijk iets voor tempels. Dat heb ik dan een leven lang gedaan.

Ik ben gestorven aan een slangenbeet van een heilige slang, die mij niet heilig kon vinden. En zo heb ik nog wat levens afgesukkeld. Ga ik nog verder terug, dan schijn ik priesterlijke neigingen gehad te hebben in een primitieve stam. Ik ben nog eens een groot jager geweest, totdat het wild mij te grazen nam. Ik heb dus van alles meegemaakt.

Nu heb ik daarnaast ook andere dingen gedroomd. Ik heb van mijzelf gedroomd als de koning die ik nooit geweest ben. Ik heb van mijzelf gedroomd als de vorstin van een land en ik heb het nooit verder gebracht dan de bijzit van een ambtenaar. Maar dan wel intens, dat moet ik toegeven. Al die dingen, al die dromen hebben net zoveel ervaring betekend als al die werkelijkheid. En op een gegeven ogenblik vraag je je af: wat is nu echt en wat niet?

Misschien is het met het leven als met antiek: er is misschien meer namaak in gebruik dan echt. Maar als je denkt dat het echt is, dan ben je er gelukkig mee. We leven een leven vol illusie. Er is een tijd geweest dat ik meende dat ontzegging, het geen deelname kennen aan het leven, het belangrijkste was. Ik geloof nu, dat de deelname het belangrijkste is. En waarom eigenlijk? Omdat de mens, die bezig is zichzelf te ontzeggen, vaak vergeet om te leven. Want belangrijk is dat we bestaan, maar dat we ook weten dat we bestaan.

Wij hebben ons karaktertje, ons temperamentje. Wij hebben onze fixatie in een bepaalde wereld. Als het zo bestaat, dan moet het kennelijk zo. Helemaal niet erg. Maar op het ogenblik dat wij dan zeggen: dit neem ik niet, ik doe er niet aan mee, dan komen we niet verder. Ik heb een leerling gehad. Een heel lieve jongen die ook in ontzegging geloofde. En hij vergat, dat wanneer het om bewustwording gaat, ontzegging vaak nietszeggend is. Hij heeft vijf priesterlijke levens achtereenvolgens gesleten in een toenemende geur van heiligheid – die zeker niet reëel was – het was een andere geur en hij heeft op den duur begrepen, dat hij als levende boeddha geen cent waard was. Daarna is hij als een westers zakenman geïncarneerd en als figuur er misschien niet edeler op geworden, maar hoe leeft hij nu? Alle problemen waar hij mee worstelt, al die mensen die hij probeert te bepalen met hun reacties, maken hem met de dag wijzer.

Het is wonderbaarlijk wanneer je begint met leven, denk je aan heiligheid. Heiligheid is een naam voor onbeduidendheid. Het is net als – ik grijp onwillekeurig terug op mijn moederlijke fase – met de kinderen die het zoetste zijn, ze betekenen vaak het minst wanneer ze wat groter worden. Het zijn de ondeugende donders, die het het verst schoppen. Dat is kenmerkend voor uw wereld, vindt u niet?

Het schijnt geestelijk precies eender te zijn. We moeten natuurlijk het goede willen. Wij moeten een klein beeld hebben van het doel waar wij naar streven. Maar dat doel wordt voor een groot deel bepaald door wat wij zijn. Laten wij daar maar vrede mee hebben. Laten we dat doel nastreven, maar alsjeblieft niet proberen buiten de wereld te gaan staan of om buitengewoon goed te zijn. Laten wij eerst onszelf zijn. Ik heb heel wat mensen gezien die op aarde als buitengewoon goed … ik moet uitkijken. Ik mag u niet te veel ontmoedigen.

Laat mij het zo zeggen: Ik heb een man gekend, die door een hele stad als een heilige vereerd werd. In zijn volgende incarnatie heeft hij zichzelf hervonden. Komediant. Dat was hij namelijk geweest. Hij zette het alleen wat eerlijker voort. Misschien kunt u begrijpen wat ik bedoel.

We kunnen met z’n allen proberen om zó goed te zijn, maar dan bedrieg je jezelf en de wereld misschien. Maar in ieder geval jezelf. Je kunt ook proberen eerlijk jezelf te zijn en dan zoals je bent voor die wereld zo veel mogelijk te doen wat je voelt als juist. Maar eerst jezelf zijn, dan ben je eerlijker en wat je bent heeft veel meer directe relatie met die kern van je bestaan.

Dat ei waar ik het over had. Je moet wel voorzichtig zijn met zo’n vergelijking. Ik heb dat in de sferen geprobeerd in Zomerland. Daar luisteren ze ook weleens naar me. Er was er één die nog niet lang van de aarde af was – ik vermoed dat het een Barnevelder was of zoiets – die zei onmiddellijk: “En hoeveel stinkeieren zijn erbij?” Ik kon alleen maar zeggen: “Jongen, ik heb er niet aan geroken.” Ik dacht, dat het beeld van het ei ergens wel reëel was.

In onze tijd geloofden wij zelfs aan het wereld-ei. Dus dat ei, wat ik bedoel, kan alleen reageren op jezelf. Niet op datgene wat je speelt dat je bent. Je bewustwording is je vrijwording. Je vrijwording betekent dat je overal kunt gaan. En als ik de kippengelijkenis nog even mag doorzetten, dan kun je op het hele erf van de schepping een graantje pikken, waar je wilt.

Al wat je geleefd hebt, al wat je geweest bent, al wat je gedroomd hebt, is deel van de wereld waarin je rond gaat. Je angstdromen en je nachtmerries zijn zo goed werelden als je visioenen van een hemel. En heus, ik weet waar ik over spreek. Wees jezelf. Schrik niet van jezelf. Laat dat aan anderen over. Zoek eerlijk wat je voelt als juist en goed waar te maken en geloof de rest dan maar.

Je leeft in deze wereld – die jullie wereld noemen tenminste -en die wereld is meer denkbeeld dan feit. En een groot gedeelte van de feiten wordt alleen bepaald door de verdraaide denkbeelden. Dus die wereld van jullie is maar half echt. Daar heb ik nog eens een heel mooi verhaal over opgehangen. Omdat die wereld niet echt is – niet helemaal echt is – kan die nooit een maatstaf zijn. Je kunt nooit zeggen: wat die wereld mij voorhoudt is goed. Maar je kunt wel zeggen: wanneer ik naar die wereld kijk, dan zie ik tenminste ook mijn eigen illusies. Als ik mij daar nu aan houd, dan weet ik tenminste wat ik ben.

Er zijn mensen die op aarde ingewijd willen worden. Daar heb ik ook nog mee te maken gehad ergens in mijn voorgeschiedenis voordat ik een vrouwelijke rol ging spelen. Ik ben een tijdje tovenaar-priester geweest. Wij gingen dan inwijden en dat wilde zeggen, dat we dan de jongetjes bij elkaar dreven. We lieten ze flink hongerlijden, we gaven ze flink op hun donder, totdat ze niet meer wisten waar ze aan toe waren. En dan keken wij wie er het handigst was om er net tussenuit te komen. Dat werd de volgende tovenaar. Die werd ingewijd. En dat zit er nog wel een beetje bij.

Zo is het leven ook. Het leven wijdt niet degenen in, die zich onderwerpen. Het leven wijdt de mens in, die juist probeert om ondanks alles een klein beetje te hebben en te doen wat hij zelf goed vindt. Dat is natuurlijk grote ketterij. Driehonderd jaar geleden had ik dit niet kunnen zeggen zonder op zijn minst genomen in de gevangenis te komen. En nog honderd jaar daarvoor en ik was één van de feestelijke middelpunten geworden van een ketterverbranding. Dat is ook zo mooi. Ze verbrandden andere mensen om hun zielen te redden. Tegenwoordig verbranden ze geld om hun eigen ziel te redden. En vaak verbranden ze met het geld hun eigen ziel die ze hopen te redden.

Want kijk mensen, wat ik wil zeggen is dit: Je kunt alleen waarheid beleven wanneer je uitgaat van waarheid. En waarheid is wat je weet van jezelf. Want elke illusie die je hebt, elke droom die je koestert, heeft ergens te maken met dat ontwaken in de werkelijkheid. Dat is een deel van het Goddelijk erf waar je dadelijk je graantje mee mag pikken.

Alles wat je in jezelf doet om het hogere te begrijpen, moet deel zijn van jezelf. Bidt niet tot een God omdat je hoopt dat er één bestaat die misschien nog luistert ook. Want dan vind je alleen maar hardhorende schijngoden.

Als je bidt, moet je het doen omdat je voelt dat God er is en anders niet. En als je werkt voor God, moet je dat niet doen omdat je denkt dat er een God zou bestaan die dat wil, want dan blijkt dat meestal een vent te zijn, die een tijd geleden geleefd heeft. Ze hebben van mij ook een pseudo-god gemaakt ergens en ik kan niet zeggen dat het mij bevalt. Als je hoort wat ze in mijn naam prediken, dan is het maar goed dat ik er geen deel van ben, anders zou ik een appelflauwte krijgen en de rest. Maar gewoon, zo goed als je kunt, leven wat je bent.

Voel je God dichtbij, dan praat je met die God en tracht je op zijn antwoord. Voel je hem niet, ga dan je eigen gang. Als iemand je vertelt met welk recept je geesten kan oproepen zeg je: “Succes ermee.” En als je een geest dichtbij voelt en je wilt hem beleven, dan vraag je jezelf af: kan ik spreken tot die geest? En als je het gevoel hebt, dat je het kan, dan krijg je ook antwoord. Zo eenvoudig is het. Want de beperkingen waaronder wij lijden, zijn de beperkingen van ons besef.

De eischaal, die ons voortdurend omvat, is gebouwd uit onze begrippen. En onze begrippen van beperkt zijn, anders zijn. Verder niet. Wanneer wij een besef of een begrip kunnen overwinnen en daarvoor een stukje werkelijkheid, persoonlijke werkelijkheid kunnen aanvaarden, dan zijn wij ook wat vrijer in de totaliteit.

Er zijn mensen die hun lot in de sterren lezen. Ja, net een loterij. Het komt vaak uit, maar er zitten ook nieten tussen. Je kunt alles lezen uit alle dingen, omdat alle dingen voor jou een relatie zijn met de werkelijkheid van dat hoge ik. En als je de sterren niet goed vindt, dan neem je de theebladeren of je gooit de wichelstaafjes, of je neemt de stenen en de knoken of wat er voor andere methoden ook mogen zijn.

Je hebt toegang tot de toekomst en het verleden voor zover je er zelf bij betrokken bent en verder niet. Je hebt toegang tot alle werelden en sferen voor zover je er zelf deel van bent en verder niet. Maar als je toegang krijgt tot dat, waarvan je deel bent, dan kun je misschien ook begrijpen, dat de werkelijkheid niet alleen maar is (ik, dwaas, heb het weleens gedacht) een daadloos drijven in een voleinding. Het is bewust deel worden van een groter geheel.

Ieder van ons kent zijn banden, die gaan van begin tot einde. Ieder van ons heeft zijn werkelijkheden, die geen wereld zullen veranderen. Elk van ons is gelijktijdig de bewuste en de dwaas. Wij maken een fase door, waarin wij denken veel te zijn en daardoor beperken wij ons. En dan begrijpen we dat we niets zijn en dan beginnen we te leren.

Als wij leren dat niets noodzakelijk is, omdat het iets slechts kan bestaan waardoor een niets wordt gedefinieerd. Dan begrijpen we wat wij in wezen zijn. Wij zijn het niets, dat de Goddelijke gedachte vormgeeft. Wij zijn de ruimte, waarin de dromen van een onbekende zich kunnen afspelen. Wij zijn een totaliteit, die wanneer ze haar beperking tot een enkel punt verliest, explodeert tot er nieuwe melkwegstelsels uit ontstaan. Zo zijn wij. Groot en klein tegelijk.

Ik heb u gezegd dat ze mij soms als meester hebben aangesproken. Ik zie er niet naar uit – met dit lichaam helemaal niet, maar ook zonder niet – Ik ben geen meester. Een meester is iemand, die beheersen kan. Maar ik kan het Al niet beheersen. Ik begin pas te leren hoe ik de begrenzing van mijzelf zover beheersen kan, dat het Al toegang heeft tot mij. Daarom zeg ik: ik ben leerling. Ik hoop het te worden.

Zo is het met u. U leert en leert en leert. Soms denkt u dat u ver bent. Soms denkt u dat u niets bent, maar u leert verder. En steeds meer brokkelt iets af van die grens, die u hebt gesteld tussen uzelf en de werkelijkheid waarin alle dingen één zijn. Steeds meer besef je dat het niet het ik is dat het leven richt en produceert, maar dat het ik een kracht is die vorm geeft aan het denkbeeld van een onbekende.

Vele incarnaties heb ik gezocht naar mijzelf. Nu ik mijzelf een beetje vind, zoek ik naar de betekenis van dit zelf. En ik kom tot de ontdekking dat die betekenis gelegen is in het feit dat het niet wezenlijk bestaat, maar alleen als een besef in een totaliteit van besef. Ik ben één gedachte in het denkbeeld van een grote dromer. Ik ben één kant van een veelvlak dat fonkelt als een edelsteen. Ik ben misschien één lichtstraal. Maar ik heb begin noch einde als er geen bron is die mij voortbrengt. En iets waardoor ik tot de uiting van mijn kracht wordt gebracht.

Dat is de werkelijkheid van je leven. En daarom moet je proberen jezelf te zijn. Droom je dromen zoveel je wilt, maar begrijp dat je zelfs in je droom jezelf moet zijn. Want dat zijn de ervaringen, waardoor je iets kunt doen afbrokkelen van de scheiding die bestaat tussen jou en datgene wat het enig werkelijke schijnt te zijn wat er is.

Ik heb getracht u iets te vertellen van wat ik denk. Ik kan geen scheiding vinden tussen mijn leven en mijn denken. Die zijn aan elkaar gebonden. Probeert u dat ook maar niet. Je kunt je denken niet van je leven scheiden en je leven niet van je denken. Je denken moet zijn: de erkenning van je leven. Zo alleen vinden we de werkelijkheid.

Het was mij een groot genoegen hier te spreken, want het is weleens leuk als je hoort hoe onbeholpen je gedachten naar buiten komen.

Ik wens u het beste, want ik wens immers het Al het beste. En als het even kan, ook mijzelf. Ik hoop dat u dat ook doet.

Leef rustig verder. Neem de kracht die je overal in je vindt, om meer waar te zijn. Denk niet aan je mislukkingen, want die gaan voorbij. Denk aan wat je geleerd hebt, want dat gaat niet voorbij.

Leef dan in vreugde zo je kunt en als je het niet kunt met het besef dat de vreugde vlakbij is, ook al lijkt ze een droom.