Leven na de dood

12 juni 1978

Vandaag een gastspreker wiens bijnaam ik wel kan zeggen: Asha Lama Lim Poh‑Tzé. Een zogenaamde levende Boeddha, tijd ongeveer 1820. Een man die zich in zijn leven enorm geïnteresseerd heeft voor het leven na de dood en uit de aard der zaak ook voor reïncarnatie. Zijn leringen op aarde zijn volgens overlevering gekomen in drie achtereenvolgende levens. Hij zou dus driemaal geïncarneerd zijn en driemaal in hetzelfde klooster terecht zijn gekomen. Dat zijn verhalen, hij zelf zegt dat het waar is. Ik wil dat dan ook graag aannemen.

De grote moeilijkheid bij dergelijke personen is dat hun glimlach welsprekender is dan hun woorden. Ik heb geprobeerd erachter te komen wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Zijn opvatting is:

“Je kunt alleen dat zeggen wat past bij de tijd, bij de mensen en de toestand van de wereld. Want alles verandert voortdurend en hetzelfde woord is op verschillende ogenblikken niet hetzelfde waard.”

Daar kan hij weleens gelijk in hebben. Wanneer je dat in de politiek of in de economie bekijkt dan kom je, daar heel gauw achter. Het houdt echter wel in, dat ik met de inleider wederom een klein beetje in de ruimte zweef.

Wat is het leven na de dood? Leven na de dood is de confrontatie met je innerlijk, waarbij het geheel van je eigen angsten en begeerten, je erkenningen en je feilen tegenover elkaar voortdurend wordt afgewogen, omdat je denkt dat deze dingen een deel zijn van je werkelijkheid. Zo gaat de mens van hel tot hel, van hemel tot hemel en ontwaakt weer op het ogenblik, dat zijn rondgang beëindigd is. Je kunt dan niet meer verdergaan en je keert terug naar de aarde. Of je gaat verder in een volgende kringloop.

U ziet, ik heb wel mijn huiswerk gemaakt. Maar is dit regel? Voor een groot gedeelte wel, dacht ik, de dood is tenslotte altijd weer de confrontatie met jezelf.

Er zijn altijd een paar dingen, waar je wel even bij stilstaat als je met zo iemand contact opneemt.

Ik heb onze gast gevraagd; “Wat is volgens u het eerste na de dood?”

Antwoord:

“De stilte en het duister, waarin je naar jezelf kijkt en luistert naar wat je bent.”

Dat is misschien wel waar, want we kennen allemaal wel even een periode van bezinning, van je oriënteren, voordat we ons bewust worden van ons bestaan in een Zomerland of zelfs in een tussensfeer. Wanneer we echter beginnen te praten over hemelen en hellen lopen zijn opvattingen toch wel een klein beetje uiteen t.a.v. mijn ervaringen. Dat kan heel goed mijn fout zijn, dat geef ik graag toe. Hij stelt nl:

“Omdat een mens niet werkelijk vrede kan kennen, voor hij zijn angsten en zijn begeerten overwonnen heeft, zal hij na het sterven, geconfronteerd worden eerst met zijn angsten, dan met zijn begeerten en wanneer hij beiden overwonnen heeft, met zijn nieuwe werkelijkheid.”

Het is zoals ik reeds zei, een wonderlijk zwevend geheel. Maar is het zo vaag als het overkomt? Wanneer je de gedachte met zo iemand probeert te delen blijkt het allemaal geheel te kloppen. Er zit werkelijk houvast in. En wanneer je dan zo bezig bent zeg je: kijk, het lot van een mens is eigenlijk, dat hij voortdurend geconfronteerd wordt met de dingen, die hij vreest en de dingen die hij wil. Meestal zijn dat bovendien nog dezelfde dingen en daaruit komen de grootste moeilijkheden voort.

De onthechting die hij kennelijk heel erg belangrijk acht, ziet hij als iets waar monniken weinig vanaf weten. Hij gelooft dat onthechting eerder is het niet gebonden zijn aan, dan het niet deelhebben aan. Hij zegt: “Onthechting zou betekenen dat ik, wanneer men mij een plaats op een ossenwagen aanbiedt, verder ga lopen omdat ik mij niet wil binden aan het gemak van de ossenwagen. Maar mijn voeten zijn mij daarvoor niet dankbaar. Als een deel van mij niet dankbaar is, kan het geheel van wijn wezen niet in vrede zijn.”

Een typische benadering, ik geef het toe, maar er zit wel wat in. Je moet gewoon gebruik weten te maken van alles wat de wereld je biedt, maar je mag er geen slaaf van zijn. Wat meer is, je mag er ook niet aan terugdenken. De grootste ellende die zijns inziens na de dood ontstaat, is het herleven van herinneringen. Wanneer je geen afstand kunt doen van de beelden die je gedroomd hebt, van de wereld die je hebt gekend zit je ergens in de vernieling. Want het oude verliest wel zijn betekenis, maar de nieuwe betekenis die jij eraan geeft kun je er niet in opwekken. Je kunt niet vernieuwen zonder het eerst te laten vergaan. En dat is een feit, waar ik persoonlijk toch wel een beetje achter sta.

Ik heb hem ook gevraagd: “U bent zo’n heilige monnik geweest. Wat deden jullie nou eigenlijk?”

Hij antwoordde: “”Een groot deel van onze taak ‑ buiten het helpen om de geschriften op te zeggen, ieder zijn eigen deel, is wel dat je mensen zegent.”

Ik vroeg; “Hoe doet u dat?”

Antwoord: “Met een kwast.” Dat is waar, dat weet ik. Ik vroeg: “Altijd?”

Antwoord: “Neen, als iemand erg belangrijk is doe je het met een sjerp.”

Vraag: “Waarom doe je dat eigenlijk?”

Antwoord. “Omdat de aanraking de overdracht suggereert, maar de overdracht ligt in de gedachte.”

Vraag: “Dus u beweert dat als je daar zit en al die mensen komen langs je en je raakt ze allemaal even met die kwast, met die sjerp of wat je dan ook gebruikt aan, ze allemaal sterker worden?”

Antwoord; “Wanneer ze geloven dat ze sterker zijn, zullen ze sterker zijn.”

En dat is weer typerend. Hij zegt niet, het komt van mij af. Hij zegt: ik kan niets geven, maar wel iets zijn. Datgene wat ik ben kan een ander sterker maken of zwakker. Dat ligt aan die ander, niet aan mij.

Een filosofie waarbij je je onwillekeurig af gaat vragen hoe je dan tegenover de wereld moet staan. Ik kan er niets aan veranderen, dat doen de anderen. Wanneer je iemand leed toevoegt ‑ in de opvatting, van onze gast van vanavond ‑ dan ben jij het eigenlijk niet. Je bent wel de aanleiding, maar het leed doet hij zichzelf aan Wanneer je iemand vreugde geeft moet je niet zeggen; wat ben ik goed geweest, want, je hebt alleen maar de mogelijkheid geschapen. De verwezenlijking ligt bij de ander.

Het is een beeld van een leven, dat wordt opgebouwd door voortdurend uit al wat mogelijk is, alle omstandigheden die rond je zijn, die feiten bij elkaar te halen, waardoor je innerlijk een volledig mens bent. Maar die volledigheid ontstaat door het erkennen van je eigen tekorten. Je kunt uit de wereld dus alleen datgene aantrekken, wat jou meer vrede geeft wanneer je in jezelf weet waar de onvrede zetelt. Je kunt krachten aantrekken, maar je kunt die krachten alleen aantrekken wanneer je ook weet wat je eigen krachten zijn en waar je krachten tekort schieten. Het is of zelfkennis hier een heel belangrijke rol speelt.

Wanneer we te maken hebben met de wereld, met de kosmos zegt onze gast: je bent natuurlijk jezelf, maar ik ben ook een deel van het geheel, waardoor het geheel zichzelf beschouwt.

Mijn vraag: “Hoe wilt u dat dan zien?”

Antwoord: “Heel eenvoudig. Ik kijk naar de slang, de slang kijkt naar mij. Wij zien elkaar. Wij erkennen in elkaar dat wij tot dezelfde Kracht behoren en daarom zijn wij geen vijanden. Wij erkennen ook dat wij in vorm verschillen. Daarom zijn wij geen vrienden. Wij erkennen dat onze vorm voorbijgaand is, maar ons wezen blijvend, Daarom nemen wij aan, dat we eens verbonden zullen zijn.”

Het is wel een wat typische levensbeschouwing. Wanneer je probeert wat verder door te denken op alles wat hij heeft gezegd ‑ nu kom ik een klein beetje bij de dingen die ik zelf moet gaan zeggen, zelf helemaal moet gaan formuleren, dan zit het leven ongeveer als volgt in elkaar.

In elk leven wordt de mens geconfronteerd met wat hij teveel heeft en met wat hij te weinig heeft. Dat wat je teveel hebt kan de nadruk krijgen, maar dat betekent dan een lagere incarnatie. Wat je tekort hebt kan ook de aandacht krijgen, dat is een besef en dit betekent gemeenlijk een aangepaste hogere incarnatie.

Door voortdurend te incarneren vervolledigt de mens zijn eigen wezen. Maar op het ogenblik dat je volledig bent, heb je deel aan de gekende kosmos. De gekende kosmos op haar beurt is deel van de niet gekende kosmos. En zo komt er een punt, dat je eigenlijk tussen twee kosmische toestanden in zweeft. Je bent enerzijds niet meer gebonden aan het gebeuren van de kosmos die je nu overziet, anderzijds ben je nog niet opgenomen in het gebeuren van de kosmos die boven je zweeft. En dan komt er een ogenblik dat je behoefte om naast het gekende, het nieuwe te ervaren, je in het bereik brengt van de levensgang van de nieuwe kosmos. Die beantwoordt dan waarschijnlijk aan heel andere wetten en waarden. Ik kan dat niet overzien, maar ik neem wel aan, dat het in ieder geval anders zal zijn dan de levenscyclus, die je hier op aarde en in de sferen tot dan toe hebt volbracht en dan begin je opnieuw.

De visie van onze gast is verder deze: (in mijn woorden, dus met alle onbegrip die er eventueel in mag schuilen) Je begint aan de buitenkant van het bestaan en je dringt door tot de kern. Daardoor heb je het wezen van het bestaan doorgrond. Maar nu moet je het wezen van het bestaan kenbaar maken en daarom is de volgende cyclus die andere kosmos. Zeg maar: iets waarbij je leven naar buiten toe gaat. Was je in het eerste geval iemand, die door de vormen naar de essentie ging, nu ben je iemand, die vanuit de essentie de volmaakte vorm probeert voort te brengen.

Een visie die schijnbaar een oneindige herhaling mogelijk maakt, maar waarin het denkbeeld, dat je eerst de essentie moet kennen voor je de volmaaktheid kunt kennen, mij erg aantrekt. Want de oppervlakkige gebeurtenissen hebben alleen hun geestelijke betekenis. Het is die geestelijke betekenis waardoor we in een volgende incarnatie of ons bestaan in de sferen gedreven worden. Dat weet ik uit eigen ervaring.

Als je eenmaal gedreven wordt door wat er innerlijk gebeurt, dan betekent dat ook dat de innerlijke waarde van alles, niet alleen van jouw leven maar van alle erkenning van al het bestaande, essentieel is. Dat is hetgeen waartoe je je aangetrokken voelt, waarheen je gestuurd wordt. Dat is hetgeen waaruit je je kunt openbaren.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het voor mij een hele moeilijke zaak was om te begrijpen, waarom deze monnik lama driemaal naar hetzelfde klooster is teruggekeerd. Ik heb erover na zitten denken en ben tot deze conclusie gekomen. Omdat één leven of één ervaring volledig moet zijn voor we aan het volgende kunnen beginnen. Wanneer we een taak onafgemaakt achterlaten en het is een werkelijke taak voor ons, iets wat we als zodanig voelen en beseffen, dan zullen we terugkeren totdat die taak volbracht is.

Ik heb geprobeerd om dat een beetje op mijn manier te controleren en ik zie inderdaad heel wat incarnaties waarbij je zegt: hé, die zijn eigenlijk bezig om hun vroegere werk voort te zetten. Om hun vroegere reeks ervaringen verder voort te zetten. Er zit dus zeker iets in. Als iemand zo hoog is dan vraag je je ook weleens af: waarom doet hij dat eigenlijk? Vanuit zijn standpunt is het natuurlijk de verbondenheid of het erbarmen ‑ kun je ook zeggen ‑ waardoor hij ieder, die met hem verbonden is, probeert mee te voeren naar een bepaalde top. Maar ik dacht dat je het ook anders zou kunnen formuleren. Misschien heb ik het mis; hij zal mij dan wel corrigeren.

Ik dacht zo: Wanneer je door moet dringen tot de essentie van alles dan zijn alle relaties die je hebt erg belangrijk, want de essentie is niet alleen maar in jezelf gelegen maar in je relatie met het Al. Daarom is het noodzakelijk dat je alle verbintenissen en verbindingen die je hebt, hoe dan ook en waar dan ook, eerst afmaakt. Je kunt niet gewoon een aantal draden van je leven los laten hangen en zeggen; dat zoekt een ander maar weer uit, ik ga door de sferen naar een volgend en beter bestaan. Je moet eigenlijk alles een klein beetje in orde maken. En daarbij komen dan, volgens mij, verschillende graden van belangrijkheid voor. Wanneer je zelf bent, zal de verbinding die voor het verplichtingsbesef, het geluksbesef, het vredebesef, zelfs het schuldbesef van dit ik het belangrijkste is, eerst moeten worden afgewerkt voordat je aan het andere kunt beginnen.

Wanneer je dan het ene hebt afgedaan kun je wel overgaan naar het andere, maar ook dat moet weer afgewerkt worden. Je kunt niet zeggen: ik doe aan alles iets, want dan bereik je helemaal niets. Je moet deeltje na deeltje alle werkelijke belevingsnoodzaken afwerken en als je het allemaal hebt gehad komt er een ogenblik, dat je zeggen kunt tegen jezelf: nu is het niet meer nodig om te leven in de stof, omdat alles wat in die stof mogelijk is nu in mij als een besefte harmonie bestaat. Ik heb het niet meer nodig. Prachtig eigenlijk. Het zou veel prettiger zijn wanneer je onmiddellijk een paar vleugels kon pakken, de hoogte inwieken en voorlopig je intrek nemen in een of ander zomerhuisje in het hemels paradijs totdat er een paleis vrijkomt. Maar de dromen dat dat ooit mogelijk zal zijn, schijnen op bedrog te rusten.

Ik heb heel veel mensen gezien, die dachten dat ze in de hemel waren, maar ik heb er nog niet één gezien die eeuwig gelukkig was. Als ze lang genoeg in de hemel zitten lopen ze vanzelf weg. Het wordt zo oersaai, eentonig vervelend dat zelfs de vroomste geest op een gegeven ogenblik de ellende voelt dringen door het pantser van geestelijk eelt, waarmee je hart en knieën verdedigt tegen de aantasting door een demonische wereld.

Wat kan zo’n lama brengen? Als inleider probeer je na te gaan, wat kan hiervan komen. Wat kan dit worden. Soms lijkt dat heel erg ingewikkeld en blijkt het heel simpel te zijn. Soms denk je: dat zal wel een beetje oppervlakkig blijven en dan zit er een diepte in, die niet alle aanwezigen misschien beseffen, maar die er wel degelijk is. In dit geval moet ik gokken.

Als ik zo mijn geestelijk toto‑formulier invul komt er volgens mij ongeveer het volgende naar voren:

  1. Kracht van rust en van vrede is één van de belangrijkste dingen voor zo’n lama. Dit was zijn doel in het stoffelijk bestaan. Elke uiting die naar de stof terugkeert zal ongetwijfeld iets daarvan in zich dragen.
  2. Hij is blijmoedig omdat alles voor hem zinvol en volledig is. Hij zal proberen iets van die volledigheid en die zinvolheid aan u over te dragen denk ik.

De werkelijke uitstraling van de man is belangrijker dan zijn woorden. Dat is blijkbaar ook in het verleden zo geweest en zeker in zijn huidige situatie is die uitstraling het enige wat eigenlijk werkelijk wat zegt. De rest ‑ u heeft het in het begin al gehoord ‑ verzwemt steeds in vaagheden, waaraan je niet helemaal een houvast hebt.

Ik denk, dat onze gast zal proberen zijn uitstraling te gebruiken. Ik weet het niet zeker.

Wat zal de boodschap zijn die hij wil brengen? Ik geloof dat de tijd een illusie is. De tijd gaat voorbij maar u zelf gaat niet voorbij. Het is niet zo, dat u in de tijd zit en door het landschap heen toert, maar dat u stil staat en de tijd aan u voorbij ziet trekken. Ik meen dat dat een van zijn basisprincipes zal zijn, ‑ het gebeuren gaat langs ons heen en ons aanpassend aan het gebeuren blijven wij onszelf. Zoiets zou hij waarschijnlijk gezegd hebben.

Wanneer hij probeert dit allemaal over te dragen, komt natuurlijk ook de kwestie van harmonie weer om de hoek kijken. Voor hem een heel belangrijk punt, naar ik aanneem, zoals voor ons allen. Hij zal ongetwijfeld proberen ook dit harmonisch principe uit te stralen, maar hoe, is een vraag.

Persoonlijk denk ik dat het iets zal zijn van een glimlach, een joie de vivre. De erkenning dat, wat er ook gebeurt, er toch altijd weer licht en goedheid in zit. Dat je niet door de wereld wordt afgestoten, maar dat je gewoon die wereld beter moet begrijpen om er dan toch deel van te zijn.

Ik denk dat hij op dezelfde manier zal proberen om leed en nadeel een klein beetje in een juister verband te brengen. B.v. waar u tekort geschoten bent zullen er problemen en zorgen ontstaan. Door die problemen en zorgen te aanvaarden en er iets goeds van te maken breng je evenwicht in het geheel van je bestaan.

Of hij dat zal zeggen weet ik niet, maar zo zou ik het zeggen als ik zie wat zijn achtergrond en wat zijn kracht is.

En nu mag ik, voordat ik de inleiding besluit, toch wel een paar puntjes helemaal voor mezelf gaan zeggen. Ik heb namelijk vaak de indruk, dat mensen zoeken naar het hogere zonder te begrijpen wat het is. Je kunt nooit hoger zijn dan anderen. Je kunt alleen meer harmonisch zijn dan anderen.

Alle geestelijk ervaren en alle geestelijk zoeken brengt je steeds weer terug tot dat ene punt; hoe kan ik het leven zo harmonisch mogelijk érvaren? Hoe kan ik zoveel mogelijk van mijn eigen begrip en medegevoel overbrengen in die wereld? Hoe kan ik voor mijzelf het gevoel hebben, dat ik op een positieve manier deel uitmaak van die wereld? Ik geloof dat dat het meest belangrijke is. Als je die vragen positief kunt beantwoorden heeft je leven niet alleen inhoud en zin, maar dan is ook het gebeuren aanvaardbaar,

Een mens komt zo gauw in opstand. Hij zegt; Ja, maar het zou zus of zo moeten. Maar van dat zus of dat zo weet je niets. Wat er allemaal aan vast zit besef je niet eens. Je kunt het niet eens overzien. Waarom zou je je er dan mee bezig houden?

Keer terug naar de feiten. Keer terug naar de simpele eenvoud van vandaag: Wat ben ik? Wat kan ik? Wat doe ik? Als je dat goed bekeken hebt en je weet daar harmonie in te bewaren, dan geloof ik dat alle andere problemen van hoger geestelijk leven, diepere bewustwording en hogere inwijding als vanzelf opgelost worden.

Ik heb zo het gevoel, dat heel veel mensen niet eens begrijpen wat inwijding is. Inwijding is de wereld anders zien, verder niets. Het betekent niet, dat je ineens meer kunt of meer bent. Het betekent alleen, dat je anders beseft en uit dit anders beseffen kunnen dan dat is helemaal niet vaststaand, geen wet van meden en perzen bepaalde bekwaamheden, bepaalde mogelijkheden en inzichten voortkomen.

Maar nu het vreemde. Op het ogenblik dat jij zo’n inwijding, dus zo’n verruiming van besef ondergaat, zie je de samenhangen beter. Inwijding zou ik misschien zo kunnen omschrijven: het is een besef, waardoor je het geheel der gegevens zodanig vereenvoudigt, dat ze niet hun geaardheid verliezen, maar wel een zodanige structuur vertonen, dat een synthese met andere gegevens mogelijk is.

Alles wat u diep in uzelf bent zult u naar buiten brengen, hoe dan ook. Daaraan kunt u niets doen. Maar dat u het naar buiten brengt op de juiste manier, dat u er harmonie uit weet voort te brengen, dat is belangrijk. Want door die harmonie gaat u de essentie, dus de kern van uw eigen leven, maar ook dat van anderen beter begrijpen. Het is dat begrip, waardoor je harmonie tot stand kunt brengen waar ze oorspronkelijk niet bestond.

Dan heb ik nog een tip. Probeer vooral te begrijpen dat je nooit moet beoordelen of veroordelen, maar dat je alleen moet reageren. Kijk wat niet bij je past en ga daaraan voorbij. Zoek harmonie met wat wel bij je past. Dat is het enige.

Je kunt niet zeggen: dit is niet goed of dat is wel goed. Je kunt alleen zeggen: dit behoort tot een harmonie die voor mij mogelijk is, de andere niet. Door het opbouwen van die harmonieën komt er een ogenblik, dat je nog steeds niet beoordelend of veroordelend, maar actief anderen in die harmonie gaat betrekken. Laat me een heel eenvoudig ding als voorbeeld nemen, een wreed voorbeeld misschien, maar het is zo.

Stel u voor dat u zegt; “Concentratiekampen zijn onmenselijk.” Daar heeft u gelijk in. Nu kun je dat wel zeggen, maar je verandert er niets mee aan de situatie, zeker niet als het verleden tijd is. Concentratiekampen betekenen een bepaalde vorm van disharmonie. Wanneer ik eenieder die in die disharmonie verkeert, bereiken kan en bewust maken van de harmonie, die voor die persoonlijkheid ook mogelijk is, dan wis ik a.h.w. het verleden in zijn geestelijke betekenis uit. Wat meer is, wat toen disharmonie was en de beleving van ellende, nood en noemt u maar op, wordt weer omgevormd door degenen, die er deel aan hebben gehad en nu die harmonie hebben gevonden met het geheel, tot een positieve waarde, waardoor je eigenlijk al dergelijke stoffelijke verschijnselen onbelangrijk kunt maken. Dat bedoel ik er dus mee.

Voor mij is dus het onderwerp van de avond niet eens reïncarnatie of het leven na de dood. Ik dacht dat vanuit mijn standpunt het thema van de avond tenslotte zou gaan over de synthese. Het vermogen om de schijnbare strijdigheden, de schijnbaar niet bij elkaar passende waarden zodanig te leren beseffen, dat ze als eenheid beleefbaar worden en je vanuit die eenheid, met de kracht van het geheel desnoods, kunt handelen. Ik dacht dat dat het springen in de put was.

Dat was mijn inleiding. Ik hoop niet, dat ik u dingen heb gezegd die te onduidelijk waren, of dat u mij kwalijk neemt, dat ik bepaalde dingen op mijn manier en in een bepaald perspectief heb geplaatst. Ik hoop wel dat ik met dit alles toch iets heb kunnen opbouwen van de mogelijkheden en van de sfeer die onze gast zodadelijk nodig zal hebben. Ik hoop, dat we daardoor de persoonlijkheid van Lim Poh Tzé, beter en intenser zullen beleven en misschien begrijpen wat hij uitdrukt.

De Gastspreker.

Leven is voortdurend sterven. Sterven is voortdurend zien wat was en beseffen wat mogelijk wordt.

Het rad van leven wentelt voort en de mens, de geest, zij gaan mee door de vele werelden, die zij zelf geschapen hebben en ze beklagen zich over de gerechtigheid van de kosmos.

Leven bestaat voor de dood en na de dood. Leven kan terugkeren naar de stof; het kan verder gaan naar andere werelden. Waarom zou een mens zich dan zo haasten om in zijn leven te bereiken? Wat je bereikt vergaat. Wat je bent bestaat.

Alle krachten van een heelal kunnen samenvloeien in één mens. Wanneer een mens die kracht niet verdragen kan, zal hij zeggen, dat ze niet bestaat of hij gaat eraan ten onder. Maar het is een dwaas die zo veel probeert te dragen, dat hij zijn weg niet kan gaan. Het is een wijze die de last zover krijgt dat zij hem draagt.

Laat je dragen door de lasten van het leven. Je hebt alle kansen, alle mogelijkheden, alle krachten die je nodig hebt. Je kunt alle dingen bereiken die waarlijk van betekenis zijn. Alleen een dwaas zoekt de dingen te bereiken, die een ander mooi vindt.

Sommige mensen zoeken zichzelf. Maar wie zoekt nu naar datgene wat hij al heeft? Ze zitten aan de spiegel van de eeuwigheid, ze kijken en zien alleen hun eigen spiegelbeeld. Wat zij niet zien is hoe ze deel zijn van alle dingen. Hoe alles met hen verbonden is. Hoe de eenheid, waarvan ze deel zijn, veel meer en veel mooier is dan ze zelf zijn.

Een mens die zijn eigen schoonheid bewondert is blind. Een mens die de schoonheid van het Al bewondert begint te ontwaken.

Een mens die de kracht en de schoonheid van het Al ervaart is wakker. Hij leeft.

Je kunt niet iets achter je laten wanneer het deel is van jezelf. Je kunt dus niet je schulden of je deugden achterlaten. Je kunt ook niet de taak achterlaten, die je op je hebt genomen. De mensen waarmee je verbonden bent. De kracht waarvan je deel uitmaakt. Die dingen blijven doorbestaan. Je kunt deze dingen niet verlaten zonder jezelf uit te doven.

Wij gebruiken de kracht op die ons gegeven wordt. Hoe meer wij de tegenstellingen zoeken met de wereld rond ons, hoe meer kracht wij verbruiken en hoe minder wij vooruitkomen. De kunst van het leven bestaat uit het bereiken met zo weinig mogelijk kracht. Want hij, die zijn krachten probeert te gebruiken, zet zich af tegen de kosmos waarvan hij deel is. Maar hij, die weinig kracht gebruikt, wordt gedragen door die kosmos en zal altijd alles vinden op die tijd en die plaats, dat het voor hem en die kosmos het beste is.

Leven is beginnen te sterven. Sterven behoort te zijn: beginnen te leven. Maar als ik met een vraag zit en ik heb daarop geen antwoord kunnen vinden, terwijl ik het antwoord aan anderen beloofd heb, zal ik terug moeten keren om het antwoord te geven. Er zijn geen andere wegen.

Wanneer je verbonden bent met de wereld om je heen door gevoelens van genegenheid, van deernis, gevoelens van harmonie, dan weet je: mijn leven omvat meer dan is vast te leggen in de tijd. Zij, die trachten op de juiste wijze te sterven, dromen van een toestand waaruit geen terugkeer noodzakelijk is. Een eeuwige stille rust vol vreugde waarbij je blijft wat je bent. Wie zo moet bestaan is dood.

Leven is veranderen. Leven is steeds weer vandaag anders zijn dan gisteren. Morgen anders zijn dan vandaag.

Verandering is onze kracht, want door de verandering krijgen wij steeds weer nieuwe banden met die vreemde wereld waarin wij leven. Door die verandering vinden wij steeds duidelijker onszelf terug in alles wat om ons heen is. Maar laat ons dan geen afstand nemen.

Een oude monnik die voorbijziet aan de eenzaamheid, de hulpeloosheid van een leerling, faalt, want hij is zelf eens leerling geweest. Besef de leerling in de ander opdat je beseffen kunt wat hij zal worden. Besef de onvolkomenheid in jezelf, opdat je de volkomenheden in anderen niet over het hoofd zult zien.

Elke mens, elke geest is een deel van het werkelijke leven. Maar niet een losstaand deel. Het gehele werkelijke leven uit zich via elke vorm die in dit leven kan voorkomen, terwijl elke vorm van leven de volledigheid zal weergeven op zijn wijze.

Zeg dus nooit, dat een ander slecht of dwaas is. Zeg nooit dat jij wijs bent en een ander dom. Zeg niet dat de waarheid in de boeken ligt, of alleen in de bespiegeling dan wel alleen in de praktijk van het leven. Al deze dingen hebben hun zin en hun plaats. Voeg ze samen. Voeg samen wat verdeeld lijkt. Niet in tijdelijke banden. Niet uit angst of uit begeren, maar in erkenning van de volheid. De volheid is het één‑zijn achter de vorm. De volheid is meer dan licht.

De westerling spreekt over het licht, maar wat is het licht zonder wat het toont? Wat is het licht zonder het duister, zodat er tegenstellingen zijn? Werkelijkheid is meer dan licht.

Werkelijke kracht is veel meer dan wat uitstraling. Werkelijke kracht is uitwisseling. Wie waarlijk kracht heeft, geeft zijn kracht aan die ander. Maar wanneer die ander krachten heeft die verstoord zijn, die door angsten vertekend, door gedachten verwrongen zijn, dan neemt de bewuste de verwarring en geeft de eenheid.

De bewuste weet dat hij het geheel is, daarom vraagt hij niet welke lasten hij aanvaardt, noch vraagt hij zich af hoeveel hij geeft. Hij aanvaardt en hij geeft, want dat is het wezen van de eenheid.

Alle dingen hebben een eenheid, een band. Niets is waarlijk tegenstelling van het andere zonder gelijktijdig het complement daarvan te zijn. Verenig dan al wat u beseft tot het één is.

Uit alle klanken van de schepping komt die ene naam; die alle namen Gods omvat, de sleutel van kenbaarheid en onkenbaarheid. Wie de dingen samenvat en een brug weet te bouwen tussen zich en het andere, wie eerbied vraagt en eerbied geeft, wie leeft en toch beseft hoezeer leven sterven is, vindt de volledigheid. Hij aanvaardt de band van de eeuwigheid. Hij werpt ze om zich heen als een sieraad en hij is eeuwig, tijdloos, werkelijk.

Wat ik ben, is wat u bent. Wat in mij leeft, is wat in u leeft. De waarheid waaruit ik besta is de waarheid waarin u uw werkelijkheid kunt beseffen. Maar mijn werkelijkheid zal niet bestaan zonder de uwe.

Wie denkt, werpt schimmen voor de werkelijkheid. Wie niet denkt, ziet de werkelijkheid ook niet. Denk, maar weet dat gedachten schimmen zijn. Wie zijn gedachten juist waardeert, ziet dat zij een weergave zijn, als een schim van een werkelijkheid die boven alle feiten staat.

Niets is werkelijk zoals je het ziet. Want wat je ziet, is wat je denkt te zien. Niets is onwerkelijk, omdat geen gedachte kan bestaan die niet de werkelijkheid als schimmig beeld weergeeft.

Het bewustzijn is een kleinood, besloten in de kelk der illusie. Het leven is een zonnestraal, gevangen en gebroken in een druppel water die hangt aan het web van een spin. Is er daarom geen zon? Als de zon mij verblindt, laat mij dan genieten van de kleuren die een gebroken zonnestraal tekent in een waterdruppel.

Geniet het kleine leven, maar vergeet het grote leven niet. Onderga de kleine dood, maar besef dat zij slechts weerkaatst wat aan werkelijkheid in je bestaat.

Wanneer een mens sterft gaat zijn geest in een wereld van verwarring. Want de mens is verward omdat hij sterft.

Wanneer een mens door het duister gaat, zoekt hij naar een licht, een weg, een land. Maar die zijn er niet, want hij beseft ze niet. Als ik licht besef, hoe kan het dan duister zijn, want ik ben licht. Wie kan een vlam binnen brengen in de duisternis zonder dat de duisternis vlucht?

Een mens die sterft moet licht zijn. De schoonste zang van de dodenspraak kan de geest niet bevrijden van haar verwarring. Alleen zij zelf, door haar aanvaarding van wat is en haar besef van wat zij is.

Menige dode leeft tijdelijk in een hel. Hij wordt door de pijlen van erkende mislukking doorboord. Hij wordt gemarteld in het vuur van de bevrediging die hij niet vond. Hij wordt voortgesleept door de losgeslagen paarden van zijn verbeelding over de rotsige grond van de werkelijkheid.

Maar is hij dan gebonden aan dit lijden? Zolang hij denkt in de termen van zijn lijden zal hij lijden. Als hij denkt in termen van vreugde zal hij leven in tuinen van vreugde. Maar alles is gedachte. Een schim der werkelijkheid.

Uit het besefte moet je de werkelijkheid voortbrengen. Elk wezen dat leeft, kan uit zich, de werkelijkheid voortbrengen. Elk wezen dat leeft is volledig, zo het zichzelf erkent. Erkent het zich niet, zo zal het de onvolledigheid lijden die niet bestaat. Dat zijn de werelden van duisternis, de donkere sferen, de hel, Bardo.

Gedachten. Kijk naar uw gedachten. Zie achter uw gedachten de werkelijkheid. Ziet wat ge zoekt in het leven, niet uiterlijk maar in uzelf. Zie wat ge zijt in het leven, niet uiterlijk maar naar uw eigen oordeel, dan kent ge het leven na de dood.

Verander uw beeld van uzelf en u verandert het leven na de dood. Verander uw verbintenis met de kosmos door haar vollediger te beseffen en u verandert het leven waartoe ge terugkeert in de stof. In de gang die gij gaat. In de werelden waarin de stof niet bestaat. Gij zijt dit alles en de paden zijn slechts de wegen om uzelf te beseffen.

De machten u gegeven zijn slechts de uiting van de volledigheid en slechts als uiting van volledigheid, in volle aanvaarding, heeft zij betekenis.

Alle zijn is uitwisseling. Alle zijn is zoeken naar de werkelijkheid. Alle zijn is uit de veelheid der dingen de betekenis lezen in al zijn eenvoud.

De weg van leven tot leven is de eenvoudige weg naar de waarheid. De waarheid, door het sterven van de gedachten, wanneer de werkelijkheid als deel van jezelf begint te leven.

Wij allen falen. Ik faal, nu ik weet dat ik spreek in woorden en termen die niet van u zijn. Ik zou uw woorden moeten spreken, opdat u zichzelf zou herkennen in wat ik u tracht te geven. Het is moeilijk jezelf zover te vergeten, dat je waarlijk de ander bent. Toch is dit de voltooiing waardoor je de kern van het leven hebt leren beseffen. Het is de rust waarin je alle krachten in jezelf vergaart. Het is het begin van de weg, waarin je voortbrengt wat je geweest bent, maar nu in volmaaktheid.

Vergeef mij omdat ik tegenover u gefaald heb. Ik heb ook gefaald t.a.v. mijzelf.

Erken mij, want ik heb u erkend. Niet verwerpend, niet aanvaardend, maar als deel van mijzelf.

Laat de eenheid der dingen ons verbinden, wanneer de uiterlijkheid der dingen ons schijnt te scheiden.