Leven

9 juli 1973

De gastspreker komt in tegenstelling tot het normale vóór de pauze. Ik heb nog net even de tijd om een paar dingen over hem te zeggen.

Degene die wij vandaag ontvangen behoort tot de vroegchristelijke groe­peringen. Hij is een filosoof. Hij was bij zijn leven anti-Paulinisch; hij ging dus tegen de kerkstructuur van Paulus in. Zijn voorlichting t.a.v. het christendom was reeds in die tijd vaak gebaseerd op oosterse en vooral Griekse filosofie. De leringen die hij ook nu nog geeft – zij het in de sferen – zijn in de eerste plaats gericht op leven en levenskracht. In de tweede plaats ook op kosmische eenheid.

LEVEN

Alle leven is kracht. Het is wonderlijk te ontdekken dat het levende in al zijn vormen herleid kan worden tot één en dezelfde kracht. In deze kracht echter bestaan toch verschillen. Verschillen, die wij kennen als emo­ties, wanneer we in menselijke vorm leven. Sommige daarvan zou je kunnen om­schrijven als liefde, trouw of rechtvaardigheid. Andere zou je eerder moeten omschrijven als blijheid of als inzicht. Hierdoor valt voor ons deze oerkracht uiteen, omdat wij niet in staat zijn het totaal van haar eigenschappen als eenheid te ervaren.

De laatste grote Kracht wiens boodschap op aarde in ruime mate bekend werd was Jezus, zoon van Jozef, geboren te Bethlehem, levende te Nazareth totdat hij zijn openbaar leven begon. In hem was het karakter van die liefde aanwezig. Hij bracht daarmede een nieuw element in de wereld dat helaas door velen is misverstaan. Want wat is liefde?

Liefde is erkenning. Liefde is een gevoel van eenheid, van verbonden­heid. Het is iets wat je als mens alleen maar kunt omschrijven als een aan­voelen, waarvoor geen werkelijk stoffelijk-redelijke argumenten kunnen worden aangevoerd. Men heeft geprobeerd de leer van Jezus om te zetten in een meer rationele leer. Men heeft er een systeem in willen zoeken en daardoor heeft men de eenheid met de oerkracht uit het oog verloren.

Er zijn andere Meesters en Leraren geweest die elk voor zich een be­paald deel van de oerkracht hebben geopenbaard. Er zijn er bij die ons heb­ben geleid tot inzicht, die ons de weg tot het inzicht hebben getoond. Er zijn Meesters geweest die ons hebben geleerd wat trouw is. Er zijn er die ons hebben getoond wat de wezenlijkheid is van de levende kracht. Uit dit alles probeer ik – beperkt als ik moge zijn in dit opzicht – een verband te zien dat voor mijzelf, maar naar ik aanneem ook voor de gehele kosmos en de mensheid de werkelijkheid enigszins omschrijft. Ik wil trach­ten u van deze gedachten, want meer zijn ze niet, vanavond enkele voor te leggen.

Er is één Kracht. Deze Kracht verbindt ons allen. Wij kunnen niet leven zonder die Kracht. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de eigenschap­pen die daarin bestaan. Als wij die Kracht doorleven, zo proberen wij op onze eigen wijze daaraan uiting te geven. En het is goed dat wij dit doen, want er bestaat geen wet die zegt hoe de Kracht moet worden geuit. Er is wel een kosmische drang dat waar de Kracht aanwezig is zij haar uiting zoekt.

Verscheidenheid is het kenmerk van de schepping zoals wij die beleven. Dan dient er ook verscheidenheid te zijn in de wijze waarop de kosmische ge­dachten en de eigenschappen, die van de Oerkracht in ons overgaan, tot uiting zullen komen. Soms zijn wij in staat enkele daarvan te verenigen en komen wij b.v. door liefde tot inzicht, of door inzicht tot liefde. Maar altijd weer is er voor ons het andere, het nog niet bereikte. En juist dat niet-bereikte, dat toch in ons aanwezig moet zijn, krijgt dan een vreem­de, een nieuwe gestalte, die wij het Licht noemen dat in ons bestaat, of onze ware persoonlijkheid, onze ziel.

Deze ziel is deel van de levende Kracht. Zij draagt in zich als mogelijk­heid alle eigenschappen, welke in de levende Kracht aanwezig zijn. Maar wij­zelf zijn in onze uiting, in ons besef, in ons waarmaken van wat er in ons leeft, beperkt tot enkele delen van het geheel. Die delen moeten wij dan aanvaarden. En het is in de aanvaarding van hetgeen er in ons leeft waar wij het meest falen.

Indien ik geloof dat er een liefde is die God verbindt met Zijn schepping, die mij als geest en u als mens verbindt met die totaliteit van Kracht waaruit alles voorkomt, dan moeten wij ook geloven dat deze Kracht ons helpt, ons geleidt en ons duidelijk maakt hoe wij moeten gaan, waarheen wij ons moeten richten en ons de kracht zal geven om datgene te volbrengen wat noodzakelijk is.

Let wel, wij zijn delen van de Oerkracht, maar voor ons is het noodza­kelijk met die Kracht harmonisch te zijn, met die Kracht meer bewust of ge­voelsmatig verbonden te blijven om daaruit voortdurend te kunnen putten. En zeker de mens zal in dit opzicht vele moeilijkheden ervaren.

Licht is een term die wij gebruiken voor dit alles. Het licht is in u op het ogenblik dat gij het licht durft aanschouwen en aanvaarden. Waar wij onze blik afwenden, waar ons bewustzijn weigert te reageren, daar is het Niets.

Jezus heeft ons geleerd over een buitenste duisternis waarin “geween en tandengeknars” is. Dat is niet een door God geschapen hel, een verdoemenis die de ketters wacht, al hebben sommigen geprobeerd de mensen met dergelijke schrikbeelden hun eigen schaapskooi in te jagen, die volgens mij zeker niet de schaapskooi des Heren is. Maar indien wij het licht niet willen zien, is er niets. Indien wij het licht vrezen, dan verwerpen wij, dan wenden wij ons af en het is niets, maar waar wij het aanvaarden is het in ons als een kracht. Met deze kracht moeten wij werken. Maar die kracht kan alleen werken in ons wezen, indien ons gehele wezen dat aanvaardt.

In de geest is dat misschien eenvoudiger. Voor een mens betekent het dat hij ook in zijn denken en in zijn rede een richtsnoer moet hebben volgens hetwelk hij deze kracht manifesteert. En daar nu schuilt juist de adder onder het gras, want als wij denken dat wij niets kunnen, dan kunnen wij niets. Als wij veronderstellen te kunnen en wij bezitten de kundigheid niet, dan kunnen wij wel snel leren, maar wij kunnen niet zonder leren presteren. Als wij in ons leven een richting van streven kiezen – innerlijk of uiterlijk -zo is het deze die ons zegt wat wij moeten kennen. Het is niet voldoende om woorden te spreken. Het is noodzakelijk te weten, te kennen, aan te voelen.

Voor een mens is het vaak erg moeilijk om de paradox te begrijpen die geestelijk inzicht of aanvaarden scheidt van stoffelijk verstand. Het is één van de weinige voorbeelden waarin de wedloop tussen de haas en de iets vóór hem gestarte schildpad waarlijk gestalte krijgt. Want onze rede kan al­leen datgene bevatten wat onze ziel reeds heeft waargemaakt. Daarom kan onze rede wel steeds dichter bij de werkelijkheid komen, maar ze zal deze nooit geheel kunnen inhalen, want ze is afhankelijk van wat er in de ziel leeft.

Nu stel ik u het volgende voor als een eenvoudig beeld van wat de ziel voor ons doet: Ik geloof dat ik kan genezen of kan profeteren, Dan is dit geloof in mij een aanduiding van een eigenschap die in de ziel bestaat. Zonder dit is nl. geloven onmogelijk. De ziel moet in zich de aan­vaarding hebben bereikt van de gave van genezing of van profetie, voordat zij zich ooit stoffelijk kan manifesteren.

Nu heb ik deze kracht in mij en ik zal haar moeten uiten. Dan kan ik haar uiten door eenvoudig te zeggen: Ik werk. In dit werken zoek ik het ogenblik waarop de kracht tot uiting komt en dit leert mij hoe die kracht verder te uiten en zo nodig in mijn wereld voort te brengen. Maar ik kan ook zeggen: In mij komt er een steeds duidelijker begrip van hetgeen die kracht betekent. Dat begrip omtrent de kracht die in mijn ziel schuilt, houdt dan ook in dat ik wéét hoe die kracht kan worden ge­bruikt. Ik heb dan de kennis en moet deze dan omzetten in praktijk. Maar zeker is wel dat als ik niet wil uiten, alle kennis mij niet verder helpt. Zeker is dat als ik geloof en aarzel te uiten wat ik geloof, mijn geloof mij niet verder kan brengen.

Het innerlijk van een mens, waarin de kracht schuil gaat, is een won­derlijk geheel. Eerst als je afstand doet van de materie, begin je iets te begrijpen van het proces: leven in de materie.

Wie in de stof leeft, heeft denkbeelden nodig om zijn ziel een vorm te geven, want hij kan haar niet stoffelijk zien of begrijpen. Het lichaam spreekt in gelijkenissen over een waarheid die in het ‘ik” verborgen is. Indien de gelijkenissen nu voldoende beantwoorden aan de gevoelens en aan wat men weten of inzicht noemt in de eigen wereld, dan wordt de kracht manifest. De kracht corrigeert. De kracht maakt duidelijk dat de parabel niet identiek is met de werkelijkheid. De kracht maakt duidelijk dat het geloof onvolledig is of dat het verkeerde elementen bevat. Zo speelt zich dan in de stoffelijke wereld een wonderlijk proces van vervanging af.

Eerst is er het beeld van weten en geloven: een zekerheid. De zekerheid wordt verbroken en er bleven grote vragen over. Uit die vra­gen komt een nieuw aarzelend vermoeden dat zich uitkristalliseert in een gevoel van weten. Met dit weten wordt de kracht geactiveerd en het blijkt dat zij onjuist is; zo verliest men ook dit weten. Maar telkenmale bouwt men datgene op wat men reeds heeft geleerd. Het lijkt soms of je in jezelf een piramide van besef bouwt. Laag na laag erken je iets van jezelf, erken je iets van de waarheid en erken je iets van het leven. En dan komt het ogenblik waarop je moet besluiten wat je bent.

Een mens doet dat moeilijk. Want zelf besluiten wat je bent, betekent het prijs geven van alle illusies omtrent stoffelijke bereikingen en belangrijkheid. Het is jezelf zien als een manifestatie van een kracht; niet meer als iets waarin de kracht haar hoogste manifestatie vindt.

Het is voor ons ongelooflijk als wij horen hoe Jezus zijn lichaam over­levert aan priesters en beulen. Wij vragen ons af waarom hij deze kostbare tempel van een hemelse waarheid laat vernietigen. Maar dan wordt duidelijk waarom, want zonder het sterven geen herrijzenis.

Zo is het ook in ons. Eerst als ons begrip van stoffelijke belangrijk­heid sterft, wij ons hulpeloos voelen, gestuwd door de stromingen van krach­ten die wij niet begrijpen, verblind door een licht dat misschien rond ons is en wij wel aanvoelen maar niet kunnen aanschouwen, dan eerst verliezen wij de eigenschappen die ons hebben tegengehouden. Dan eerst herrijzen wij tot een nieuwe gestalte, tot een nieuwe mens.

Leven is deel zijn van de ene Kracht. Leven is een veelheid van mani­festaties die toch alle in wezen gelijk zijn ondanks de uiterlijke verschil­len. Als wij, zoals de christen dient te doen, als hoogste wat daarin de liefde aanvaarden, dan betekent dat een omhelzen van het leven zelve in zijn veelheid, omdat wij daarin een werkelijkheid vinden die de onze te boven gaat. Wij sterven misschien in ons oud geloof, in onze oude vorm, maar wij vinden een eeuwigheid in onszelf die wij niet prijsgeven. Die eeuwigheid is een persoonlijkheid die niet verandert.

Er kan gesproken worden over het noodlot dat in elke wedergeboorte de mens bepaalt. Er kan gesproken worden over de vele incarnaties, over de vele sferen, maar de waarheid die wij in ons dragen sterft niet. Zij gaat niet teloor, ze blijft in alle manifestaties op dezelfde wijze bewust aan­wezig. Waar de liefde ons verbonden heeft met de schepping, zijn ook deze banden deel van ons wezen. Ze zullen door alle tijden en alle vormen heen deel van ons blijven uitmaken.

Wij bouwen in onszelf eeuwigheid wanneer wij sterven in de tijd. Wij kennen geen tweede dood meer, omdat de zin van het leven in ons steeds bewust blijft bestaan en incarnatie na incarnatie, sfeer na sfeer bij ons blijft in alle vormen het bewustzijn weer wekkend zowel van het verleden dat was als van de eeuwige werkelijkheid van licht en kracht, die wij zijn.

Zo zoeken wij steeds verder te komen in aanvaarding. Want als wij de liefde hebben, dan hebben wij de toegang gevonden tot de totaliteit: de eenheid met het eeuwige Licht en de eeuwige Kracht.

Wij zijn gekomen tot een deelgenootschap van de Oerkracht. Een deel­genootschap dat niet ten gronde gaat Maar dat is niet genoeg. Wij moeten leren waarom de wet van de eeuwigheid ons steeds weer dezelfde band geeft, ons ook steeds weer dezelfde problemen geeft. Kortom, waarom wij zijn wat wij zijn en leven wat wij leven.

Dan zien wij dat trouw noodzakelijk is. Een verbondenheid, die niet gelegen kan zijn in uiterlijkheden, maar die uitgaat van een innerlijke aanvaarding van banden die berusten in de Oerkracht zelve en in die Oerkracht onvernietigbaar wordt in stand gehouden. Dan begrijpen wij hoe de verbonden­heid voortgaat. Maar nog zijn wij niet tot de bereiking gekomen, want wij moeten leren dat er een wet is, die zegt dat alles, elke vorm, elke inhoud, elk deel van de kracht zijn eigen balans heeft in de totaliteit.

Wij moeten leren wat rechtvaardigheid is. Rechtvaardigheid, die in het wezen ligt, niet in het oordeel. En zo verkrijgen wij dan aarzelend het inzicht dat het ons mogelijk maakt de zegels van de eeuwigheid te verbre­ken en door te dringen in sfeer na sfeer, wereld na wereld, totdat wij eindelijk komen in dat centrale punt waarin de Kracht zichzelf is en zich niet meer uit in verschijnselen. Daarin dreigen wij dan te verzinken, tot­dat wij beseffen dat de aanvaarding van het licht betekent: onszelf zien. Dan komt de wijsheid. En als deze wijsheid de onze is geworden, is de eenheid met de kosmos volkomen. Ik meende en meen ten dele nog dat Jezus, onze Heer, dit alles in zich bezat en ik heb mij afgevraagd: Hoe is het mogelijk, dat wat in de vol­ledigheid vertoeft, zich weer overgeeft aan de beperktheid van het onvol­ledige? Ik meen het antwoord hierop gevonden te hebben.

In al het onvolledige is de volledigheid aanwezig. De eeuwige Kracht is in de meest onvolmaakte manifestatie evenzeer aanwezig als in de kern, waarin alleen de volmaaktheid bestaat. En juist daardoor is het mogelijk dat grote krachten, Leraren en Meesters over deze wereld gaan en de mens een weg tonen, waardoor hij voortdurend de dood van wisseling en verande­ring kan vermijden en komen tot het besef van de eenheid van zijn wezen en daardoor tot het blijvend uiten van dit besef hoe en waar dan ook.

Er zijn dergelijke krachten. Jezus is voor mij de voornaamste, want hij is het geweest, die mijn leven inhoud en richting gaf. Zijn inhoud (de lief­de van het Goddelijke) is voor mij datgene geweest wat mij voerde tot de we­relden, die ik nu mag betreden. Maar er zijn ook anderen. Ik heb begrepen dat juist, omdat de Kracht alles omvat zonder uitzondering, zonder verwer­ping, voorbehoud of afscheiding, zij zich altijd zal uiten in al degenen die de Kracht in zich aanvaarden. Dat ieder, die de kracht in zich aan­vaardt en zich ervan bewust wordt, het voertuig van die Kracht wordt en van de eigenschappen, welke daarin berusten. Dan zal éénieder werken vol­gens zijn eigen wijze. De één zal prediken, de ander zal scheppen, weer een ander zal de mensen leren misschien hoe beter te leven. De één plukt het vuur uit de hemelen als een nieuwe Prometheus, de ander daalt af in de zeeën en leert de mens het geweld der wateren beheersen, zoals anderen hebben gedaan. En uit al deze, zo grote geesten zijn voortgekomen de weerspiegelingen van de eeuwigheid in de onvolmaaktheid: het rijk van de Witte Priesters, die in hun offerende erkenning van de totaliteit gelijktijdig deel van het Totale worden op het ogenblik, dat zij zichzelf vergeten.

Zo ontstaat de Broederschap, die vanuit het witte Licht haar werken baseert op haar erkenning van de totaliteit in de onvolmaaktheid van een menselijke wereld. Zo ontstaan er vele vormen en gestalten, die allen pro­beren het Licht en de Kracht manifest te maken in de wereld om de liefde te doen erkennen, om de rechtvaardigheid te doen zegevieren, om de trouw bewust te doen beleven. En al dezen zijn deel van dezelfde Kracht die in ons allen berust.

De werkelijke kracht van het leven, mijne toehoorders, is de kracht die in u bestaat. Gij kunt de kracht van het leven nog niet buiten u erkennen. Gij kunt u nog niet dompelen in de bron van de werkelijkheid. Daarom is de eeuwige Kracht voor u de kracht die in u is. Maar als er een kracht in u is, zijt ge dwaas om zwakte te aanvaarden. Indien er een kracht in u is, zijt ge dwaas u te onderwerpen aan de woorden van anderen en niet te luiste­ren naar het weten dat in uw wezen schuilt. Indien de kracht in u is, kunt ge met uw bewustzijn die kracht doen werken zoals en waar gij wilt.

Wij zijn niet allen geroepen om de Olympus te beklimmen en nectar en ambrozijn weg te halen van de tafelen der goden. Een enkeling zal daarin misschien slagen, anderen niet. Maar wij allen hebben door ons wezen een weg en de mogelijkheid om de kracht te uiten. Wij allen hebben voor onszelf en door onszelf een gerichtheid die voor ons de enige is waaruit de kracht voor ons kenbaar voortvloeit. Daarom wil ik u zeggen, dat het goed is te ge­loven in uzelf.

Geloof in God, maar geloof in uzelf als deel van die God. Geloof in datgene wat in u als van werkelijk belang leeft. Het is datgene wat ge door de goddelijke Kracht volledig kunt waarmaken. Richt uw krachten daarop en ge zult zien dat het waar wordt.

Vecht niet over de woorden waarin men moet geloven, maar vecht met uzelve om in uw leven en uw handelen elke strijdigheid met die kracht in u te voorkomen.

Zoals ik geloof in de weg van liefde die Jezus, onze Heer, ons heeft getoond, zo zult gij die liefde gebruiken om de mens te helpen en te steu­nen. Zo zult gij die liefde als een aanvaarding naar de Schepper zenden.

Want waarlijk, datgene wat wij zijn, dienen wij te uiten in onze wereld en te­genover de Kracht waaruit wij zijn voortgekomen. En zo wij leven uit die Kracht en haar waarmaken, niet onszelf voorhoudend dat het onbelangrijk is, dan is daar het kloppende hart van de werkelijkheid in ons, waardoor wij onszelf waarmaken.

Gij zijt niet meer dan anderen of minder dan anderen. Gij zijt uzelf. Gij zijt niet dwazer of wijzer dan anderen. Gij zijt uzelf. Maar zo ge in u draagt het inzicht, de liefde, de rechtvaardigheid, de trouw, de wijsheid of slechts één van deze, zo hebt ge daarmee de eeuwigheid a.h.w. in uw handen, dan hebt ge daarmee de macht van de totaliteit als werktuig voor uw leven.

Ik geloof in de levende Kracht, die de Vader is van al wat er be­staat.

Ik geloof in de weg van liefde, die Jezus ons heeft getoond.

Ik geloof in de weg van inzicht, die Siddharta heeft gewezen.

Ik geloof in de weg van trouw en aanvaarding, die anderen hebben ge­wezen.

Ik geloof in de vele wegen, die alle tezamen kenbaar maken de ene werkelijkheid waaruit wij zijn, En uit dit geloof leef ik en ben ik geluk­kig. Want wie zal ongelukkig zijn, indien hij weet dat achter de uiterlijk­heid der verschijnselen de oneindigheid en ook de oneindige liefde, de Oerkracht zelf, aanwezig is

Schep zelf wat ge wilt. Laat uw wezen de kracht dirigeren en geheel de kosmos zal u antwoorden. Spreek tot de engelen en zij geven u antwoord. Roep tot in de verten en de eeuwige echo weerkaatst u de waarheid van uw wezen.

Schepselen zijn wij, maar ook wonderen. Wonderen, omdat wij – geschapen zijnde – bevatten de Kracht die alles schiep. Machteloos zijn wij, geketend in een wereld van tijd. Almachtig zijn wij, indien wij de kracht beseffen, die in ons leeft. Verlaten en eenzaam zijn wij en afgedwaald, indien wij al­leen uitgaan van onze uiterlijkheden. Maar waarlijk altijd geborgen, altijd één met al zijn wij indien wij in onszelf de band vinden met de Kracht.

Ik weet niet, of ik mijn gedachten goed onder woorden heb kunnen bren­gen. Het is moeilijk, omdat ik nu slechts kan spreken in parabelen; omdat woorden geen gevoelens zijn en de trilling van de lucht hoogstens een zwak­ke karikatuur is van de trilling van licht, die de werkelijke communicatie draagt in het Al. Men heeft mij verzocht iets van mijn gedachten aan u mede te delen. Ik heb u slechts enkele van mijn gedachten voorgelegd.

Besef, dat u niet machteloos bent, dat niets onmogelijk is, indien ge streeft naar een voortdurend groter weten, een voortdurend sterker inner­lijk erkennen en een voortdurend groter aanvaarden van de waarheid die ge zijt als deel van het geheel. Ik hoop u de kracht, de vrede en de vreugde te hebben duidelijk gemaakt, die de uwe zijn rechtens uw bestaan. Ik hoop, dat u de weg zult vinden om uw recht op te eisen uit de levende Kracht en te zijn levende Kracht in de vele vormen, waarin de schepping zelf die Kracht voortdurend openbaart.

Moge het licht des Heren met u zijn op uw wegen. Moge de Kracht in u groeien tot ge haar bewust beseft en gebruikt. Moge uw inzicht u brengen tot aanvaarding van het uiterlijke om te komen tot beleving van het inner­lijke.

Commentaar op de gastspreker

Wij hebben vanavond een gastspreker gehad, die door zijn denken en op­treden, zijn behoren tot een bepaalde christelijke begingroep, u heeft ge­confronteerd met een visie van het ego van de mens op de kosmos, die aan de ene kant magisch is en aan de andere kant bepaalde esoterische en zelfs mystieke factoren bevat.

Nu is zo’n spreker iemand die vanuit een eigen gedachtewereld opereert. Dat doen wij ook. Als wij bewuster worden, dan hebben wij onze bewustwording doorgemaakt: en dat is de wereld van waaruit wij de mens, de kosmos en de sferen kunnen benaderen. Wij moeten dus altijd proberen er een paar kanttekeningen bij te plaatsen om te begrijpen hoe wij er eigenlijk over zouden kunnen denken. Ik wil u helemaal niet zeggen hoe u daarover moet denken, onthoudt u dat goed. Dat is uw zaak en niet de mijne.

In de eerste plaats: de voorstelling van Jezus is er één die wij be­schouwen als de drager van een goddelijke Kracht. Dat zou onze gast niet zo duidelijk formuleren en dat is begrijpelijk, want hij behoort tot een christelijke groepering. Zijn beeld van een zekere gelijkwaardigheid van andere Meesters met Jezus is op z’n minst genomen verrassend. Het beeld dat hij opbouwt, is er één van een aantal goddelijke eigenschappen die zich a.h.w. afwisselend manifesteren in bepaalde daarvoor geschikte voer­tuigen. Ik meen dat dat niet helemaal zo behoeft te zijn, ook al is er een enkele keer iets dergelijks gebeurd.

Ik geloof, dat het ook de mensheid zelf is, de situatie waarin ze verkeert, haar gedachtewereld, de sfeer waarin zij vertoeft met haar geestelijke waarden, die zal bepalen welke eigenschap van het Goddelijke – om die formulering nog even te handhaven – kan worden bevoertuigd.

Ik meen dat een Meester altijd mede het product is van de wereld waarin hij zich gaat manifesteren en dus niet zonder meer een abstracte goddelijke waarde is, die nu eenmaal op aarde komt om een weg te wijzen, ook als niemand in staat is die weg te gaan.

In de tweede plaats heeft u misschien wel bemerkt – ik had dat trouwens al in de inleiding aangestipt – dat onze gast erg tegen het Paulinisme is. U zult misschien hebben opgemerkt, dat hij niet in organisatie gelooft en dat is voor de Orde een punt, waarmee wij het heel erg eens zijn.

Als je nl. de mensen gaat organiseren, dan wil je ze gelijkschakelen. Maar de belangrijkheid van de mens ligt juist in datgene wat hij anders heeft dan een ander. Het is uit de veelheid van mogelijkheden dat de mens­heid groot wordt, niet uit de gelijkschakeling van mogelijkheden, of dat nu geestelijk is of stoffelijk.

De neiging die de gastspreker toch weer heeft om alles te rubriceren, gaat mij net iets te ver. Ik geloof niet dat de mens alleen op één deel van een goddelijke eigenschap kan zijn afgestemd en niet op andere delen, dat je de keuze hebt uit vaste eigenschappen waarvan je er desnoods twee of drie kunt krijgen, maar dat je niet voor jezelf een soort mixture van waarden kunt vormen, waarmede je harmonisch bent. Voor mijn gevoel – en ik geef hier toch wel een visie weer, die in onze Orde heel sterk vertegenwoordigd is -heeft elke mens zijn eigen contact met de Oerkracht, met God. Of je dat nu zo noemt, is niet belangrijk. Maar door datgene wat je wezen nu eenmaal in­houdt (het hogere “ik” en al die andere krachten), ben je met God verbon­den, maar op een manier die – en dat is ons denken – uniek is voor jouw wezen. Ik ben het dus op dat punt niet helemaal met de gastspreker eens. Misschien erg brutaal – een schooljongen, die het niet met de professor eens is. Maar waarom zou dat niet mogen? Het is zelfs mode in deze tegenwoordige tijd.

Als u mij vraagt wat voor de mens het unieke is, dan zou ik zeggen: Elke mens heeft een geestelijke achtergrond; en die is ergens al uniek. Er is geen enkel mens die geestelijk precies gelijk is aan een ander mens.

Dan hebben wij bovendien nog het stoffelijke. De ene mens komt welvarend ter wereld in een land waar veel onderricht is. De ander komt doodarm ter wereld in een land waar men niet eens weet wat lezen is. Dus de mogelijkheden zijn heel anders. Het zou heel erg onrechtvaardig zijn, indien we gelijkgeschakeld moesten worden door b.v. de kennis, die wij belangrijk vinden: het leren, het kennen, het beheersen. Want dat zou voor de één veel moeilijker zijn dan voor de ander, indien wij dat baseren op een vast schema.

Als wij nu eens zeggen dat elke mens in zich een basiskennis heeft en dat de manier waarop die kennis tot uiting komt helemaal niet ratio­neel behoeft te zijn. Als wij zeggen dat God of de Oerkracht of het Licht of hoe u het wilt noemen in eenieder kan worden geconcipieerd precies volgens de mens, dan komen wij wel tot een veel grotere diversiteit, maar gelijktijdig tot een veel grotere rechtvaardigheid. Ik meen dat dat door onze gastspreker ook als één van de grote eigenschappen van het centrum van alle dingen werd genoemd. Hij zegt: Je hebt veel kracht, dat is waar. Elke mens leeft; en door zijn leven heeft hij deel aan die kosmische kracht. Maar de vraag is alleen: Hoe verdeelt hij die, hoe gebruikt hij die?” Want ge kunt bepaalde krachten a.h.w. innerlijk verbruiken en je kunt ze ook meer uiterlijk gebruiken. De ene mens verbruikt enorm veel kracht, de ander doet het spaarzaam. En toch denk ik dat de hoeveelheid kracht waar­over je beschikt wel ongeveer gelijk zal kunnen zijn.

Nu is volgens de gastspreker voor eenieder alles precies hetzelfde. Ik zeg het anders: Er bestaat een methode (noem het inwijding of geef het een andere naam) waardoor een mens zijn bewustzijn vrijer kan maken; maar dan kan hij ook meer kracht ontvangen. Door omstandigheden kan hij ook dicht­slaan en dan krijgt hij weer minder kracht. Er is geen vast niveau van ener­gie. Neen, het is de wijze waarop je openstaat, waarop je kunt absorberen, de manier waarop je beleeft waardoor wordt uitgemaakt wat voor kracht je in je draagt. Dat bepaalt dan ook wat je met die kracht kunt doen. Niet al­le mensen hebben dus gelijke vermogens en gelijke mogelijkheden. Theoretisch hebben ze dat misschien wel, maar in de praktijk komt daar niet veel van terecht.

Ik geloof namelijk niet dat God een soort religieuze eenheidsstaat heeft willen stichten of een energie-eenheidsstaat; allemaal 5 ampère en verder niets. Neen, als u het mij vraagt, liggen de zaken ongeveer als volgt:

Een mens heeft toegang tot die krachten, welke hij kan aanvaarden en gebruiken. Als ik een kracht wel kan aanvaarden, maar ik gebruik haar niet, dan ontvang ik haar niet. Als ik een kracht wel kan gebruiken, maar niet kan aanvaarden, ontvang ik haar ook niet. Het is dus een kwestie van: hoe staat u innerlijk tegenover die kracht, de wijze waarop u ervoor openstaat, er deel aan heeft en ook de wijze waarop u dit met een zeker enthousiasme a.h.w. naar buiten brengt. Zonder enthousiasme, zonder een zekere overgave aan datgene wat u presteert, zult u volgens mij die kosmische krachten niet of nauwelijks kunnen bereiken en dus ook nauwelijks iets tot stand kunnen brengen.

Ik meen, dat u het ook nog zo zou kunnen zien: Wij zijn allemaal deel van die Kracht. Nu behoef ik zelf geen kracht aan anderen te geven, maar ik zou die anderen – op welke manier dan ook – tot een grotere aanvaarding van die kracht kunnen bewegen. Het resultaat zal uiterlijk hetzelfde zijn, ofschoon de procedure een andere is. Het is een andere manier van bezien.

Wij zitten hier tenslotte om een zeker bewustzijn op te doen (ja, ik ook, dat heeft u misschien niet gedacht) en dat kunnen we alleen verkrijgen door zelf te denken, door zelf te proberen iets waar te maken of iets duidelijk te maken. Daarvoor moeten we dan toch – of het nu een parabel is of niet – een denkbeeld hebben. Want we kunnen nu wel zeggen dat alles wat wij denken te weten omtrent ons innerlijk, menselijk gezien alleen maar een parabel is (een bepaalde sfeer is natuurlijk ook een parabel), maar dan zeg ik: Dat is best, maar zonder die parabel heb ik helemaal niets. Dus geef mij nu maar die parabel, dan zullen we later wel zien waar die over gaat. Laat mij haar nu eerst eens hebben. Het is misschien een beetje als volgt:

Er bestaan magische woorden. Zo’n woord kun je gebruiken en dan ont­staat er kracht. Die kracht ontstaat ook als je dat woord met de intentie om die kracht tot stand te brengen gebruikt, ook zonder dat je weet wat dat woord betekent. Nu ben ik heel erg practisch en zeg: Als ik die kracht nodig heb, is het belangrijk dat ik het woord kan gebruiken en niet dat ik weet wat het betekent? Dat leer ik vanzelf wel. Je moet ergens beginnen. En dat begin stel ik mij dan ongeveer zo voor:

Ik wil. Dat wil zeggen: ik richt mijzelf. Door dat richten beperk ik mij ook. Als ik een ding wil, kan ik niet gelijktijdig andere dingen willen. Door deze gerichtheid kanaliseer ik alles wat er in mij aan kracht is. Maar als ik nu geloof dat andere krachten mij zullen bijstaan, dan sta ik tevens voor die krachten open en ik ben afgestemd. Op het ogenblik dat ik b.v. hoofdpijn wil genezen en ik concentreer mij daarop, dan aanvaard ik:

  1. a) die hoofdpijn
  2. b) mijn vermogen er iets aan te doen.
  3. c) dat alle krachten die er iets aan kunnen doen – door mij of op een andere manier – ook kunnen optreden.

 Ik maak door mijn aanvaarding het mogelijk dat krachten zich manifesteren.

Nu is het natuurlijk ook nodig om te weten wie en wat je bent. Voor veel mensen is dat moeilijk, omdat je het altijd weer vertekent in aan­gename zin.

Wie en wat ben ik? Dat betekent niet: ben ik nu een grote zondaar of niet? Het gaat er doodgewoon om: wat ben ik? Wat is mijn wezen? Wat zijn mijn eigenschappen? Wat zijn mijn angsten, mijn begeerten, wat is mijn voorstelling van mijn innerlijk? Als ik dat nu maar precies weet, dan weet ik ook wat ik kan doen. Het is erg belangrijk dat de mens leert te werken met de mogelijk­heden die hij heeft.

Als u een fiets heeft, kunt u natuurlijk zeggen: Als ik nu maar een grote Mercedes had, dan zou ik vlugger op mijn bestemming zijn. Maar u trapt zich toch het lazarus. En het kan heel goed zijn dat wij in ons alleen maar het vermogen hebben voor een fiets. Laten we dan niet praten over een Mer­cedes, maar gewoon fietsen. Dus ik moet enigszins weten wat ik ben. Ik behoef mezelf niet te onderschatten maar ook niet te overschatten. Er zijn vele dingen waarvan ik niets afweet. Dan denk ik: heb ik het nu of heb ik het niet? Ik ga dan proberen, of ik het heb of niet heb.

Ik meen, dat zelfkennis niet slechts een kwestie is van innerlijke meditatie (het is meestal: hoe belazer ik mijzelf hoog-esoterisch?), het is gewoon een kwestie van: wat kan ik wel, en wat kan ik niet? Als ik het ge­voel heb dat iets mogelijk moet zijn, dan moet ik gewoon proberen of het mo­gelijk is. Als het behoort tot mijn wezen en tot de krachten die daar in zijn, zal als vanzelf ook de goddelijke Kracht of wat u noemt inspiratie en al die andere dingen mede een rol spelen. Dan kunt u veel meer op dat terrein, om­dat u wat probeert te doen met iets wat u aanvoelt als een mogelijkheid in uzelf. U moet gewoon de mogelijkheden, die u in uzelf vermoedt op de proef stellen. En als dat nu eens een keer niet gaat, dan moet u niet boos wor­den, maar zeggen: Dat knopje kan ik voortaan beter buiten gebruik stellen. Op deze manier bouwt u voor uzelf een beeld op van wat u kunt.

Maar wat ik kan, is gelijktijdig ook datgene waarmee ik harmonisch ben met het hogere. De totaliteit kan zich nu wel in en rond mij openbaren, maar alleen voor zover ze werkzaam is in en door mij is ze volledig deel van mijzelf voor mij.

Iemand heeft eens heel mooi gezegd: “Lieve God, als voor U de zon schijnt en voor mij niet, dan is het nacht.” En daarmee heeft hij groot gelijk. We gaan gewoon uit van wat wij kunnen. Dan blijkt er nog iets anders: Als wij een klein beetje weten wat we zijn, dan ontdekken we dat er dingen zijn die ons iets zeggen. Het is niet redelijk en je kunt het niet verklaren. De één reageert op een toon, een ander op een kleur of op een woord. Er zijn dingen die bij onze persoonlijke sfeer passen. Daarop reageren wij. Laten we dan heel goed uitkijken dat we niet zeggen: Dingen, waarin wij die erkenning vinden, zijn voor ons belangrijk. Neen, het is de sfeer. En als we die sfeer hebben erkend, dan kunnen we ze overal terugvinden, want die sfeer kan voor ons overal bestaan. Dus is het een kwestie van instellen.

Dan moeten wij ook nooit verwachten dat iedereen alles ziet zoals wij. Misschien heeft u weleens in een autobus gezeten. Dan zien de mensen alle­maal verschillende dingen. Er is van alles te zien, maar wat wij erin kun­nen zien is onze zaak. Laten we niet proberen hetzelfde te zien als een ander. Laten we proberen in het leven datgene te zien, door te maken, te beleven en zelf waar te maken, wat voor ons belangrijk is. Dan scheppen wij daarmede een harmonische sfeer. Als die harmonie er is, dan kan er steeds meer bij komen. Maar op het ogenblik, dat wij proberen ons te onderwerpen aan de belangstelling van een ander, dan zitten we op het laatst schapen te tellen, we vallen in slaap, terwijl we eigenlijk liever naar motorfietsen hadden willen kijken. En dat is helemaal niet de bedoeling.

Ieder van ons heeft een eigen gerichtheid en een eigen belangstel­ling. Laat hij dan op grond van die belangstelling en gerichtheid proberen alles uit de krachten rond hem te ontvangen Laat hij op die manier probe­ren van uit zich krachten te geven en vooral ook proberen niet te blijven bij de constatering, de waarneming alleen, maar om er iets mee te doen. Als je vuur hebt, moet je desnoods wat in brand steken, maar je moet niet zeggen: Dat brandt wel, want dan is het gauw uitgebrand.

Dan heb ik hiermee wel duidelijk gemaakt, dat ik iets in benadering verschil met de gastspreker. Ik meen, dat dat mijn volste recht is. Ik wil niet zeggen, dat wat de gastspreker bracht, slecht was. Integendeel, het was heel erg goed, voor hem en voor degenen die met hem volledig harmonisch zijn. Maar er zijn velen, die daaruit alleen bepaalde elementen aanvoelen. Zij moeten dan ook niet proberen dat geheel waar te maken. Laten zij de ele­menten die zij in zichzelf erkennen dan op de proef stellen en laten ze daar iets mee doen.

Narede

Als er liefde is in het heelal en als er een kracht is, die ons lief heeft, dan is dat niet alleen een vaagheid; dat is iets wat waar wordt in onszelf. Wij moeten dus proberen om al datgene waarin wij geloven in ons te beleven als een waarheid.

Als er een God is, ik geloof daarin en deze God heeft deel aan de we­reld en aan al wat er bestaat, dan is het niet voldoende aan die God te geloven, dan moeten wij die God beleven. Het heeft geen zin ons een ge­loof aan te praten dat geen beleving inhoudt. Wij zijn deel van een werke­lijkheid, maar wij zijn deel van een levende werkelijkheid. Wij moeten in ons­zelf beleven. Wij moeten vanuit onszelf waarmaken en niet alleen maar stil blijven staan bij mooie praat.

Wij hebben kracht. Soms is het veel, soms is het weinig. Die kracht is bestemd om daarmee het voornaamste, het belangrijkste te doen dat wij op een ogenblik menen te kunnen doen. Indien wij onszelf in die kracht geven zoals wij zijn, met alle fouten en alle goede dingen, dan zal die kracht wezenlijk buiten ons optreden. Maar op het ogenblik dat wij die kracht pro­beren te beperken aan de hand van een idee, blijft er niets van over. Wij hebben de goddelijke Kracht in ons, maar wij kunnen die alleen uiten zo­als wij zijn en niet zoals wij het misschien het liefst zouden willen.

Wij zijn deel van een werkelijkheid, niet van een droomwereld. In hoe­verre een stoffelijke werkelijkheid werkelijk is of niet, ach, daarover kun je vechten. In hoeverre de wereld van een sfeer waarin je vertoeft werke­lijk is, d.w.z. dat ze concreet en onveranderlijk bestaat, daarover kun je ook vechten, maar het is jouw werkelijkheid. Dat is de wereld waarin je leeft, dat is de wereld waarin de krachten kunnen werken. Dat is de wereld waaruit nieuwe inzichten kunnen voortkomen, waardoor je in je wereld, in je bestaan en in jezelf veranderingen tot stand kunt brengen.

Het is niet onze taak om voortdurend gelijk te blijven, dezelfde te blij­ven met steeds dezelfde mooie sfeer, altijd verdergaand in hetzelfde baan­tje totdat er niets meer gebeurt en alleen de sleur blijft voort denderen. Wij moeten werkelijk proberen om al wal wij zijn te uiten. Geen baan die wij snijden door deze wereld naar een andere wereld, maar een landschap dat wij concipiëren en beleven en dat steeds meer echt wordt, omdat het steeds meer deel blijkt te zijn van een totaliteit.

Wij zijn het centrum van onze wereld. En onze wereld moet onze werkelijk­heid zijn, geen droombeeld of illusie van ons, maar een werkelijkheid die wij waarmaken, steeds weer. Een werkelijkheid, waarin de kracht, die wij zijn en die wij kennen voortdurend tot uiting komt. Wij zijn voor onszelf het cen­trum van de wereld en wat meer is: wij zijn de wereld die wij kennen. Dan is de wereld die wij kennen de basis van de harmonie waarin wij kunnen leven en het uitgangspunt voor elke kracht die zich moet manifesteren. Dan is de wereld die wij kennen – al is het misschien een droom – voor ons het enige punt van waaruit wij verder kunnen gaan.

Zo zullen wij onszelf waarmaken, de beste krachten uit ons gestalte gevend buiten ons, totdat er in de wereld iets van onszelf blijft dat echt is. Dan mag de wereld die wij hebben geschapen verdwijnen, maar de werkelijk­heid die wij naar buiten hebben gebracht, zal voortbestaan. Het is de werke­lijkheid die voortbestaat die ons één maakt met alle werelden en sferen, die ons één maakt met de kracht waaruit wij voortkwamen zo goed als met elke uiting waaraan wij deel hebben gehad.

Ik geloof dat wij deel moeten hebben aan het leven. Niet altijd mis­schien zoals wij het ons voorstellen of zoals wij het prettig zouden vinden, maar zoals wij zijn, zoals de wereld is die wij kennen. Wij moeten geen dromen bouwen rond figuren en mensen en gedachten. Wij moeten ze nemen zoals ze zijn en ze beleven zoals ze zijn. En dan moeten wij de kracht die in ons is, delen met eenieder die rond ons is. Dan moeten wij die eenheid tot uiting brengen, doordat wij de krachten in ons, de werkelijkheid van ons wezen niet beschouwen als iets exclusiefs voor onszelf, maar als iets wat onze bijdrage is aan een onbekende totaliteit, waarvan ons wereldbeeld eigenlijk alleen nog maar een heel zwakke weerkaatsing is.

Zo zie ik het en zo geloof ik dat de kracht voor ons het best bruikbaar is. Het is wat jezelf uitstraalt, wat je zelf waarmaakt in je wereld dat de betekenis ervan bepaalt. Ik hoop dat u in uw wereld steeds meer beteke­nis zult hebben.