Levenslot = karakter

image_pdf

14 juni 1968

Het is mijn plicht u er allereerst aan te herinneren dat wij sprekers van deze groep niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden draagt, zoals u bekend, de titel:  Levenslot= karakter.

Het karakter kan worden omschreven als een geaardheid, voortkomende uit het lichamelijke, plus een conditionering die in het mentale vlak ligt. Dit betekent dat bij vele eigenschappen, die de mens als karaktereigenschappen pleegt te beschouwen, wij ons voor een verklaring in de eerste plaats zullen moeten wenden naar de lichamelijke omstandigheden.

Wij kunnen bijvoorbeeld dan constateren dat luiheid in vele gevallen mede veroorzaakt wordt door glandulaire afwijkingen, zodat zij niet een eigenschap is van de geestelijke of mentale persoonlijkheid. Toch bepaalt zij de geaardheid van de reacties op de wereld. Drift blijkt in vele gevallen eveneens van lichamelijke oorsprong te zijn en veroorzaakt te worden door een te snel optreden van een vergrote adrenalineafscheiding. Hier geldt alweer hetzelfde als bij luiheid. Ik haal deze enkele voorbeelden aan om duidelijk te maken dat zeer veel van hetgeen u als karakteristiek, dus als eigenschappen omschrijvend voor een mens beschouwt, van zuiver lichamelijke oorzaak is.

Dan is er de kwestie der conditionering. Iemand die is opgevoed met het denkbeeld dat het linkerhandje ‘vies’ is, zal op een gegeven ogenblik ‘vies zijn’ van dit linkerhandje. Zo hij op een bepaald ogenblik die linkerhand toch moet gebruiken, is het gevaar niet denkbeeldig dat de reactie, dankzij deze scholing, tegenover de als normaal geldende reactie vertraagd zal zijn.

Dit kan onder bepaalde omstandigheden ernstige gevolgen hebben. Een ander voorbeeld. Goed en kwaad worden de kinderen van jongs af aan ingehamerd, al dan niet met pedagogische en doorslaande argumenten. Het kind zal zijn wereld nu benaderen vanuit dit standpunt, geconditioneerd door het geleerde, ook wanneer daar geen verstandelijk argument verder bij te pas komt. Het verzet van de puber tegen de wereld is vaak gebaseerd op de scholing in ordening, die het kind heeft ondergaan. Omgekeerd kunnen wij stellen, dat bij de volwassenen een groot deel van de bestaande twijfels en onevenwichtigheden te herleiden is tot elementen tijdens de opvoeding, waardoor een conditionering ontstond, welke strijdig is met het mentale wereldbeeld of de werkelijke behoeften van het ik in de wereld.

U zult zich afvragen wat dit alles nu met het levenslot van de mens te maken kan hebben, met het noodlot zelfs. Ik zal trachten dit zo duidelijk mogelijk voor u te formuleren.

Noodlot of levenslot is niet alleen uit te drukken in gebeurtenissen. Het moet ook worden uitgedrukt in de persoonlijke reacties. Een mens die bijvoorbeeld lui is, zal iets nalaten of overbodig achten, wat voor zijn zelfbehoud in feite noodzakelijk is. Hij kan daardoor ongelukken krijgen, die voor hem zwaarder tellen, omdat hij zich hieraan zelf schuldig gevoelt.

Een mens die driftig is, zal al te snel, te fel, te onoverlegd op de omstandigheden reageren en zich zo allerhande problemen op de hals halen, die kunnen lopen van echtscheidingen en ontslag tot een halsmisdaad toe. Het is duidelijk dat het levenslot voor een groot deel dus grotendeels mede bepaald wordt door het karakter.

Men heeft getracht deze overeenstemming vast te leggen. In een ervarings- of pseudowetenschap als de astrologie vinden wij dan ook een directe samenhang tussen de reactie van de mens in de tijd, het lot, dat hem treft en de geboortedatum, die tevens zijn karakter weergeeft. Wij kunnen hierover nu verder uitweiden en constateren dat de astroloog het in vaagheden en algemeenheden meestal juist zegt, maar zich in de details veelal, en soms op ontstellende wijze, pleegt te vergissen. Maar de eventuele commentaren van de  astrologen in de zaal hierop hoop ik dan na de pauze te mogen beantwoorden. De zaak is in wezen deze: heb ik het karakter van de mens eenmaal gedefinieerd, dan weet ik ook ongeveer wat zijn preferente reactie op omstandigheden en invloeden zal zijn. Dit betekent niet dat ik alle reacties van die mens zonder meer ken, maar wel dat ik de gerichtheid van de reacties in meerderheid kan nagaan. Ook een lui mens kan per ongeluk eens ijverig zijn, zelfs wanneer voor die luiheid een lichamelijke oorzaak bestaat. Zoals een zeer driftig mens onder omstandigheden toch wel zeer beheerst kan optreden. De mens die zeer hartstochtelijk aangelegd is, kan heus wel eens koelberekenend reageren, terwijl de koelberekende mens ogenblikken zal kennen, waarin hij (of zij) vergeet te rekenen.

De mogelijkheid tot incidentele afwijkingen van het grondpatroon zal dus wel altijd blijven bestaan. Een levenslot of noodlot is echter niet slechts een reeks van kleine gebeurtenissen.

Het is een lijn, die door het leven loopt, waarbij wij steeds weer de gebeurtenissen voor een mens zich in een bepaalde richting zien ontwikkelen. Zodra dit het geval is, mogen wij aannemen dat, waar het karakter een bepaalde afwijking vertoont en het lot een soortgelijke gerichtheid vertoont ten aanzien van de te verwachten norm, er tussen deze beide waarden een band moet bestaan.

De constatering dat er een zekere overeenstemming is op zich, is niet voldoende om mijn stelling te bewijzen. Ik zal hierover nog meer moeten zeggen. In het diepste van het menselijke wezen vinden wij naast de ziel, de geest, of hoe men de niet substantiële waarden van het ik ook pleegt te benoemen, een gedachtewereld. Deze gedachtewereld bepaalt de visie die men heeft op alles wat er buiten het ego bestaat of plaats vindt. Een pessimist is niet iemand die al het duistere uit de wereld bewust zoekt om alleen daarnaar te kijken. Het is iemand die altijd eerst de duistere zaken en mogelijkheden beseft, omdat hij in zijn gedachtewereld juist daarmede het meest harmonisch is. Er is een overeenstemming tussen de innerlijke toestand en de reactie op de wereld, maar zo dit juist is (en ik meen, dat hiervoor door psychologen en zelfs andere wetenschapsmensen vele bewijzen zijn aangevoerd) zo mogen wij ook veronderstellen dat de wijze waarop de mens de wereld beschouwt, mede bepalend zal zijn voor de manier waarop hij in die wereld zal reageren en zal beleven.

De wijze waarop ik reageer in de wereld, bepaalt wederom (dit is een soort reeks) de persoonlijke betekenis van het gebeuren voor mij. Mijn gevoelsmatige reactie op de wereld en dientengevolge mijn beleving staat hiermede in direct verband. Mijn beleven is mijn lot, zoals ik dit onderga. Het lijkt misschien aardig aan deze logische reeks allerhande beperkingen toe te voegen. Wij kunnen gaan redeneren dat een mens zijn geaardheid immers kan wijzigen.

Maar is dit wel waar? De mens kan zijn karakter niet wijzigen. Hij kan wel aan de eigenschappen die hij, als karakteristiek voor het ego in zich draagt, wijzigingen aanbrengen, zodra het hun onderlinge verhoudingen (de relatie van de eigenschappen met elkander dus) betreft. Anders gezegd: een driftkop zal zijn drift behouden, maar kan leren die drift om te zetten in andere reacties, mits deze als eigenschap reeds deel uitmaken van de persoonlijkheid. Daarom zal (of wij dit nu leuk vinden of niet) een algemene bepaaldheid van lot op grond van karakter niet terzijde gesteld kunnen worden.

Wanneer ik het lot van een mens op aarde tracht te ontleden, ontdek ik steeds weer, dat alles, wat er met en rond hem gebeurt, een overeenstemming vertoont met het karakter van die mens. Zien wij bijvoorbeeld eens naar de kleine luitenant Bonaparte. Reeds dan zien wij in hem een klein mannetje, dat te zeker pleegt op te treden, omdat er in de persoonlijkheid een soort minderwaardigheidsbesef bestaat, dat middels bluf en daden weggewerkt moet worden.

Napoleon blijkt verder een mens te zijn met een zogenaamd mathematisch verstand. Dit is een eigenschap, want het mathematische denken kan niet worden aangeleerd, maar behoort tot de preferenties, die door geboorte geschapen kunnen worden. Door dit verstand plus de behoefte zich te laten gelden als gevolg van het minderwaardigheidsbesef, ontstaat de mogelijkheid zich steeds weer te laten gelden en op de voorgrond te treden, daar het geheel van de middelen waarover deze mens beschikt, gebruikt worden tot verheffing en bevestiging van het ego.

Een honger naar populariteit gaat met dit alles gepaard. Wij zien deze honger naar verering, erkenning, steeds weer in het leven van deze mens optreden, ofschoon kennelijk de mensen in het leven van Napoleon voor hem geen werkelijke mensen zijn. Hij stelt steeds weer het menselijke element achter bij de waarde, die een bepaalde persoon voor hem heeft op het schaakbord van het leven, waar hij zijn problemen pleegt uit te denken. Dit voert niet alleen tot een verhouding met zijn wasvrouw, die later dan wel trouwen mag met één zijner generaals, maar bepaalt eveneens zijn wat vreemde houding tijdens het triumviraat, waar de regering van Frankrijk wat meer geordend zal worden. En waarbij hij in feite zijn vrienden verraadt, om hen zijn wil op te kunnen leggen en zo zijn meerwaardigheid te bewijzen. Deze aspecten der persoonlijkheid verklaren de wijze, waarop hij, tegen eigen menselijke gevoelens in, Josefien behandelt. Zo ook de wijze, waarop hij het Russische probleem als noodzakelijke uitbreiding van grootheid concipieert en daarbij de werkelijke waarde van bet probleem onderschat, daar dit aan zijn voorstelling van eigen wezen bepaalde twijfels verbonden zou hebben, die hem onaanvaardbaar zijn.

Dit alles kan dus verklaard worden uit het karakter van Napoleon, die met een enigszins andere instelling, met slechts enkele andere eigenschappen, bijvoorbeeld een groter besef van eigenwaarde zonder bewijzen in de wereld, een geheel ander lot zou hebben gekend. De nederlaag van Napoleon na de beruchte 100 dagen, wanneer wij beseffen hoe Napoleon wel door zijn karakter gedwongen werd eigen mogelijkheden verkeerd in te schatten. Want indien hij bereid was geweest zich enige tijd te beperken tot een verdedigen van Parijs, Frankrijk zelf, daarmede desnoods tijdelijk, een meer mogelijkheden en misschien zelfs gelijkwaardige mogelijkheden en veldheerschap bij de hem bestrijdende vorsten en generaals te erkennen, zo garandeer ik u, dat hij een dynastie gesticht zou hebben. Maar door zijn karakter kon Napoleon niet afwachten en daarmede, al was het maar tijdelijk, de mindere zijn. Hij voelde zich gedwongen aan te vallen en te overwinnen, daar hij alleen op deze wijze het beeld van eigen persoonlijkheid, dat een tikje had gehad, weer op het eigen voetstuk in eigen denken kon plaatsen.

Wie de val van Napoleon bestudeert, zal zien hoe zijn uiteindelijke val in feite door kleinigheden tot stand komt, door een soort onontkoombaar noodlot bepaald schijnt te worden, zoals de misvattingen omtrent de sterkte van de vijand, het onverwachte gevecht bij de holle weg, het op tijd arriveren van versterkingen bij de vijand en wat dies meer zij. Zoekt men verder, dan blijkt dat Napoleon dergelijke mogelijkheden wel gezien heeft, maar eenvoudig terzijde stelde als te onwaarschijnlijk, omdat hij hierin een aantasting van eigen geluk, eigen waardigheid voelde. Door dergelijk gevoelens kwam een man ten val die alle lichamelijke mogelijkheden had gekregen om nuchter, overlegd en weloverwogen op alle feiten te reageren. Hij was een logisch en mathematisch denker, een groot strateeg, die echter onredelijk en gevoelsmatig begon te reageren zodra het ging om zijn populariteit, zijn macht, het verwerven van erkenning voor het uitzonderlijke van zijn persoonlijkheid.

Soortgelijke ontledingen kunnen wij bij alle mensen herhalen en steeds weer zullen wij zien dat hun lot mede werd bepaald door hun karakter. Kijken wij bijvoorbeeld naar bekende vredesapostelen zoals Jezus, Gandhi of desnoods King, dan zullen wij moeten constateren, dat deze mensen een aardige wezenstrek gemeen hebben. Aan de ene kant zijn zij agressief, zijn zij sterk emotioneel en doen zij steeds weer een beroep op de emoties van anderen. Zij zijn ook fantasten in die zin, dat zij een visie hebben, waarin het onmogelijke en onwaarschijnlijke eenvoudig niet erkend wordt. Jezus gaat tenonder aan zijn visie. Wij kunnen dit in het kader van een verlossingsdrama als noodzakelijk en onvermijdelijk stellen, maar daarmede blijft toch het feit bestaan, dat Jezus de kruisdood had kunnen vermijden, dat hij heen had kunnen gaan en zelfs door een wijziging van eigen gedrag de dood had kunnen vermijden. Ja, indien Jezus naar geweld had willen grijpen, zou hij tenminste een tijdlang vorst in het Joodse land kunnen geweest zijn.

Wanneer Gandhi, met zijn leerstellingen van geweldloosheid en nieuwe sociale filosofieën een eenheid schept in India, lijkt ook hij door zijn aard niet in staat geweld te aanvaarden waar dit onvermijdelijk is. Hij zal desnoods met geweld tegen zijn stoffelijk ik ageren, maar weigert enige felheid anders dan die van woorden tegen de buitenwereld te richten. Had hij geweld, zij het beperkt, willen aanvaarden, zo zou hij veel vroeger en op een geheel andere wijze de republiek India tot stand hebben gebracht en zou zijn dood niet gewelddadig geweest zijn.

Door zijn wijze van leven en denken was zijn noodlot als het ware bepaald. Hij wekte zodanige controversen zonder daarbij macht uit te oefenen door kracht, dat hij wel door moordenaarshand moest sterven. Het karakter van Gandhi maakte het onvermijdelijk, dat hij een gewelddadige dood zou sterven, of deze nu voortkwam uit een veroordeling dan wel door de hand van iemand, die zijn geweldloosheid niet langer kon aanvaarden. De eis die Gandhi aan de wereld stelde, zowel als aan zichzelf, was voor hem echter allesbepalend en daarmede de gewelddadige reactie op zijn persoonlijkheid onvermijdelijk. Ook hier kunnen wij stellen dat het geheel van het leven en denken van deze mens wordt bepaald door zijn eigen aard, zijn karakter plus de vorming, die hij in zijn jeugdjaren onderging. Met andere woorden: Jezus zowel als Gandhi moesten wel door geweld sterven, omdat zij zichzelf waren. Zoals de overwinningen en nederlagen van beiden voortkomen uit hun persoonlijk reageren op de wereld.

Van Martin Luther King zegt men: hij was een groot man, een goed denker een goed politicus en waarschijnlijk een goedgelovige, maar ook hier zien wij een mens die te zeer aan een  droom gelooft, die de feiten, de werkelijkheid van de mensen, niet werkelijk ziet en alles herleidt tot het ene beeld, dat voor hem de waarheid is en krachtens zijn karakter moet zijn: “In vrede kunnen wij eenheid vinden”. Hij vergeet dat de haat en de vijandschap door dergelijke stellingen en benaderingen van de werkelijkheid niet kunnen worden weggevaagd.

Hij blijft te zeer strijdig met de menselijke werkelijkheid van volgers en tegenstanders en komt zo in eenzelfde situatie te verkeren als wij bij Gandhi reeds zagen. Geen wonder dus, dat ook hij vermoord wordt.

Zo kun je verder gaan. Neen, u die daar denkt: in deze reeks kan ik Robert Kennedy niet onderbrengen. Niet onder deze reeks. Indien ik daarover iets zeggen moet, kan ik alleen stellen, dat de typering van deze Kennedy enerzijds een te grote en vaak te onbeheerste, ja, hartstochtelijke oprechtheid is, maar anderzijds steeds weer een grote weifelmoedigheid vertoont. Door deze beide strijdige elementen van zijn persoonlijkheid, is hij zelden in staat snel te reageren en is hij vooral niet in staat zich aan het apparaat te ontworstelen, waartoe hij op een gegeven ogenblik behoort. Hij is steeds weer gevangen in de werking van dit apparaat of dit nu een senaat is, een ministerie of iets anders. Het gevolg is dat deze mens de vijandschap die hij wekt, zelf niet juist kan begrijpen en waarderen. Hij kan gevaren en haat niet op zichzelf betrekken. Hij had, wat dit betreft, veel met zijn broer John F. K. gemeen. Ook deze kon zich dus gevaar voor of geweld tegen eigen persoon gewoonweg niet voorstellen.

Zoals de heldenmoed in het verleden van J.F. Kennedy duidelijk voortkomt uit zijn onvermogen in termen van persoonlijk gevaar te denken. Hij denkt in termen van verantwoordelijkheid, noodzaak. Robert Kennedy dacht in termen van mogelijkheden, maar voelde zich daarbij persoonlijk niet betrokken.

Dit zijn karaktereigenschappen, die deels voortkomen uit de conditionering tijdens de jeugd en door het milieu. Maar deze eigenschappen bepalen de mogelijkheden in het leven. Zij bepalen wat er gebeurt en kan gebeuren. Zij bestemmen het lot. Wij zouden hieraan nog beschouwingen vast kunnen knopen over karmische wetten en kosmische inwerkingen, die mede een rol spelen, maar zelfs indien wij deze waarden buiten beschouwing laten, kunnen wij, op grond van het karakter van een persoon (of het nu gaat om de groten dezer aarde of een eenvoudige mens) een beeld vormen van zijn ontwikkeling, het lot. Wij kunnen reeds vroeg zeggen: Deze mens zal gelovig worden en zal het zoeken in de mystiek. Of: Deze mens zal uit angst voor de innerlijk toch gevoelde mystieke mogelijkheden het zoeken in een verloochening van alle bovennatuurlijke waarden enzovoort. Dit alles kan men dus tevoren reeds vaststellen. Deze houding in het leven bepaalt echter weer de relaties, die de persoon zal kennen in en met de wereld. Het zal u duidelijk zijn dat uit het voorgaande de stelling die in de titel is gelegen reeds meer aanvaardbaar is geworden: karakter = levenslot, levenslot = karakter. Deze waarden, ofschoon in betekenis verschillend, zijn in feite gelijk, verwisselbaar.

Indien ik nu nogmaals terug mag grijpen naar de stellingen van de astrologen (hopelijk zonder protesten uit te lokken), zo denk ik in de eerste plaats wel aan het eigenaardige verschijnsel dat een mens bij het rijpen der jaren soms zijn oorspronkelijke geboortekarakteristiek schijnt te gaan verloochenen. Men kan dan spreken over een tijdelijk dominant worden van het ascendant-teken. In de praktijk zal men volstaan met de opmerking dat een dergelijke mens een verandering heeft ondergaan in zijn relaties met de buitenwereld. Maar hoe ontstaat dat?

Dit ontstaat, mijne vrienden, door de ervaringen die die mens opdoet. U wordt niet alleen in de jeugdjaren gevormd, maar voortdurend verder gevormd. Uw karakter bepaalt wel de mogelijkheden tot een dergelijke vorming (het basiskarakter dus) maar de uitingen van het Ik worden mede door de omgeving bepaald. De grondeigenschappen kunnen dus op verschillende wijzen tot uiting komen. Uw reactie, op hetgeen ik nu stel, wordt bijvoorbeeld bepaald door het leven dat u hebt gehad. Naarmate u meer overtuigd bent van uzelf, zult u waarschijnlijk hetgeen ik stel, minder aanvaardbaar vinden. Naarmate u meer met het onbegrepene in eigen Ik bent geconfronteerd, zult u meer voelen voor de stellingen, die ik u heden voorleg.

Dit is duidelijk: Alle menselijk denken en daarmede ook de menselijke reactie berust op een vorm van sublimatie. Als mens sublimeren wij onder meer de in ons bestaande eigenschappen, kwaliteiten en neigingen van meer dierlijke aard en voegen daaraan zodanige mentale en zelfs mentaal ideële elementen toe, zodat wij deze delen van het Ik kunnen aanvaarden, zonder in onze menselijke waardigheid tekort gedaan te voelen. De mens gaat hierbij vaak zo ver, dat hij zaken die eigenlijk minder mooi zijn, tot een soort glorie van het menselijke ras weet te maken. Het is opvallend hoe bijvoorbeeld van vorsten en filmsterren alles publiek wordt gemaakt, behalve natuurlijk hoe haar toilet met bril er uit ziet. Op al het andere wordt nadruk gelegd, maar van de mogelijkheid, dat een vorst of filmster hoge nood heeft, spreekt men niet.

Men weet wel beter, maar doet alsof dergelijke hoge menselijke wezens dergelijke functies niet meer kennen. Overigens is het voor deze mensen een geluk dat deze ontstentenis van een deel dierlijk-menselijke functies slechts officieel wordt aangenomen en geen feit is, anders zouden zij geen lang bestaan op aarde kennen.

Al is dit voorbeeld misschien niet het meest gelukkige, toch kan het u duidelijk maken, hoezeer de mensen bepaalde zaken in het leven plegen te vergeten, verzwijgen, ontwijken. En dit maakt dan toch wel reeds duidelijk hoezeer het algemeen aanvaarde beeld van de mens afwijkt van de werkelijkheid. Maar bij ‘liefde’ en ‘moed’ treffen wij een soortgelijke blindheid voor de daaraan verbonden feiten aan. Deze sublimatie, dit selectief beschouwen van enkele aspecten van het bestaan als belangrijk, dit verzwijgen van andere delen van het mens-zijn is van groot belang bij de mentale vorming van het karakter. Het karakter en daarmede het gedragspatroon vloeit immers niet slechts uit de grondeigenschappen van het stoffelijk voertuig voort, maar wordt wel degelijk mede bepaald door hetgeen men doet en denkt, om deze dingen voor zich en anderen aanvaardbaar te maken.

Ook bij algemeen erkende fouten zal een dergelijk optreden voorkomen. Zo zal de gierigaard u niet vertellen, dat oppotten zo aangenaam is, maar dat spaarzaamheid een deugd is. De verkwister zal u daarentegen vertellen, dat het oppotten van geld verkeerd is: het is een deugd geld te laten rollen. Dit is immers goed voor de economie en een mens is nu eenmaal verplicht ook anderen een kans te geven iets te verdienen? Overigens, de verkwister wenst dat anderen evenzo handelen als hijzelf, evenals de vrek. Wanneer u dus wilt weten of regeerders verkwisters zijn, moet u maar eens nagaan in hoeverre zij u de mogelijkheid gunnen en geven om geld te potten. Hoe meer zij de nadruk leggen op het feit, dat grote bedragen niet in uw handen behoren te blijven, hoe zekerder u ervan kunt zijn, dat zij verkwisters zijn. En daarbij geldt dan verder dat de verkwisters onder de regerende geneigd zijn meer verplichtingen aan te gaan dan zij in feite kunnen dragen, waardoor er een chaos ontstaat. De tegenstellingen binnen de gemeenschap nemen dan gestaag toe en ontevredenen zullen steeds meer het gezag van deze regerende en hun eventuele opvolgers in twijfel gaan trekken.

Dit klinkt misschien wat hatelijk, maar zoals het hij regeringen gaat, zo gaat het ook bij gewone mensen. Ook u verklaart dingen die u in het leven niet prettig vindt, voor uzelf weg, zeker als deel van eigen verantwoordelijkheden enzovoort. Daarbij kan men de schuld aan anderen geven, maar ook trachten via denkbeelden het verschijnsel ongedaan te maken. Zo zal een mens, die eenzaam is dat misschien proberen weg te praten door te stellen dat God of de geest altijd met hem is. Voelt men zich daardoor echter in feite minder eenzaam? Neen.

Men verdraagt het alleen beter. Of u reageert op eenzaamheid, verlatenheid, doelloosheid van eigen bestaan, mislukkingen in het leven, krachtens het materiële wezen, men beroept zich steeds weer op denkbeelden, waardoor ofwel de schuld aan anderen kan worden overgedragen, dan wel de in zich niet aanvaardbare toestand een zo hoge en goede betekenis krijgt, dat hij hierdoor aanvaardbaar wordt. Bijvoorbeeld: “Wie God liefheeft, die straft hij.”

Uw temperament, lethargisch, flegmatisch, sanguinisch enzovoort, zal daarbij uitmaken op welke wijze u de wereld met uw eigen problemen confronteert. Maar het denkbeeld bepaalt de wijze waarop voor uzelf deze uiting plaats zal vinden. Want naast uw stoffelijke eigenschappen hebt u een mentale wereld, die u de mogelijkheid steeds weer biedt de zaken te verdraaien, te ‘sublimeren’. Zo zal een mens die eenzaam is, er vaak toe overgaan zichzelf en anderen wijs te maken dat hij voortdurend contact heeft met engelen en misschien zelfs door de Heer zelf voortdurend wordt bezocht. Deze vorm van geloofshysterie kwam vroeger veel voor, ofschoon zij op het ogenblik wat af schijnt te nemen. Maar een andere maatschappelijke conditionering geeft ook andere maatschappelijke en uit het denken voortkomende compensatievormen voor erkende tekorten. Toch kwam een dergelijke vorm van lichte godsdienstwaanzin tot voor kort in Nederland veel voor. Zelfs nu kan men een dergelijke afwijking bij rond 10% van de Nederlandse bevolking constateren, zodra de leeftijd van 40 jaren overschreden wordt.

Deze mensen hebben iets nodig om zich in het leven aan vast te klampen. Zij kunnen echter de wereld niet aanvaarden zoals zij is. Temperament en karakter spelen hierbij een grote rol, maar vooral de mentale vorming in de jeugd speelt een grote rol, daar juist deze bepaalt welke belevingen en uitingen van de eigenschappen van het stoffelijke ik voor de mens aanvaardbaar en mogelijk zullen zijn. Het is zonder meer duidelijk, dat mensen met een dergelijke afwijking (zo mag men dit toch wel noemen, naar ik meen) op de wereld haar mogelijkheden en problemen niet meer normaal zullen reageren? Soms wordt de uitingsvorm onaanvaardbaar voor anderen, en spreekt men openlijk van waanzin. Bijvoorbeeld, wanneer iemand komt vertellen dat hij zijn buurvrouw heeft neergestoken, omdat God hem had gezegd dat dit goed was. Degene die dit doet, ervaart het bevel van God, dat tevens zijn rechtvaardiging is, als volkomen reëel. Daar echter normaal (dus in het gemiddelde leven) dergelijke vergaande projecties van een ‘goddelijke wil’ niet aanvaardbaar zijn, zal zo iemand in steeds verdergaande conflicten met de buitenwereld komen.

Zodra de reactie meer lerend wordt, bijvoorbeeld het verkondigen dat God zegt dat je dit of dat wel, dan wel niet moogt doen, neemt men dezelfde soort van visioenen vaak ernstig op.

Het sociale conflict en de wijze waarop je daarin past of als vijand daartegenover komt te staan, zal de eigen verhoudingen tot de mensen en eigen beleven in de wereld vastleggen.

Noodlot dus. Nu is het voor de mens vaak de eenvoudigste weg om alle gebeurtenissen waarbij hijzelf tekortschiet of een verkeerde houding heeft aangenomen, op een onafwendbaar noodlot, een karma enzovoort af te wentelen. Geen paling kan zich zo extreem kronkelen als de mens met zijn denkbeelden, wanneer hij de verantwoordelijkheid voor eigen beleven en daden wil afschuiven op anderen. De mens ziet veelal eigen fouten wel degelijk, maar kan die fouten voor zich niet aanvaarden. Dat is al de eerste fout. Hierdoor komt men er toe een toestand te scheppen of een verklaring te vinden, waarbij deze fouten niet meer uit het ik voortkomen, maar door anderen werden veroorzaakt dan wel door niet te beheersen omstandigheden buiten het ego aan dit Ik worden opgelegd.

Voorbeeld? Iemand is slordig en verliest hierdoor veel, maar kan krachtens zijn scholing en opvoeding niet toegeven dat hij of zij slordig is. Dit is immers minderwaardig, zo heeft hij geleerd. Dan moeten er dus oneerlijke mensen zijn, of, wanneer dit ook al niet mogelijk is, moeten er toch spotgeesten zijn, die alles uit kasten en laden wegnemen en op andere plaatsen verbergen. U zult dergelijke mensen regelmatig ontmoeten en misschien wat om hen lachen. Maar denk nu eens aan de frustraties, die op deze wijze voor deze mensen ontstaan.

Denk eens aan de eigenaardige wijze, waarop men hierdoor op den duur in het gehele leven gaat reageren. Veel van hetgeen deze mensen beleven, komt direct of indirect voort uit hun fout, die zij niet willen erkennen of middels een reageren op de wereld volgens de uitleg, die zij voor deze fouten gevonden hebben. Dan is alles wat hieruit voortkomt niet het gevolg van een noodlot, maar eigen schuld, daar men, al is het niet bewust, uit het leven voor zich juist die elementen waarmaakt en kiest, waar men zelf eigenlijk ongelukkig mee is.

De mens die zich dit niet wil herinneren, zal zich sterk binden, bijvoorbeeld religieus, politiek of anderszins. Men noemt dit een bereiking, maar in feite is het een gevolg van de onzekerheid in de mens zelf. Deze binding is voor de mens noodzakelijk, omdat hij alleen op deze wijze met eigen gedachten en eigenschappen voelt te kunnen leven. Wat inhoudt dat een dergelijke mens op het ogenblik dat dit gezag wegvalt of niet kenbaar meer aanwezig is, zich niet meer zal beheersen. In de onbeheerstheid veroorzaakt men dan voor zich het leed, dat later aan de wereld wordt geweten. Dus nogmaals, dit is geen noodlot, geen ingrijpen van buitenaf, maar iets wat men zichzelf aandoet. Het is echter ook duidelijk dat de mens, zelfs indien hij dit in feite weet, voor zich de waarheid van dit alles nooit zal kunnen aanvaarden. Waarmede mijn tweede stelling naar ik meen, voldoende duidelijk is gemaakt. De mens vormt eigen noodlot, daar hij door karaktereigenschappen enzovoort, uit het leven juist die ervaringen kiest en zelfs afdwingt, die hij ergens niet kan aanvaarden en daarom als noodlot omschrijft, zo de schuld en aansprakelijkheid van zich afwendende.

In het derde deel van mijn betoog zal ik toch enkele meer geestelijke elementen in het geding moeten brengen. Laat mij echter enkele punten vooropstellen, opdat u niet zult menen dat ik hier tracht de feitelijke wereld, de werkelijkheid, te verlaten.

Alles wat gezegd wordt over ziel, geest, kosmische krachten, is voor mij een reëel en bewezen feit, maar niet voor u. Voor u is het ten hoogste een mogelijkheid en ten hoogste een waarschijnlijkheid. Maar daar u als mens leeft, kan het nimmer een zekerheid, een vastgesteld feit zonder meer zijn. U kunt met deze mogelijkheden en waarschijnlijkheden rekening houden. Maar deze stellingen, welke voor mij op feiten berusten, blijven voor u zodanig onzeker, dat zij nimmer de factor kunnen zijn, die beslissend is bij uw reacties op de wereld of uw kiezen van een instelling tegenover die wereld. U moet altijd uitgaan van hetgeen u bent en weet. Daarom zeg ik onder dit voorbehoud: het ego dat als mens geboren wordt, is reeds gevormd. Uit de genetische mogelijkheden ontstaat door deze geest een selectie van de aanwezige stoffelijke eigenschappen, waarbij de verhouding van deze eigenschappen onderling, dankzij de gevormdheid van het geestelijk wezen, mede bepaald kunnen worden.

Dit is mogelijk door invloeden, die vanuit de geest op moleculair vlak kunnen worden uitgeoefend.

De tweede conclusie is hierbij zonder meer duidelijk, zij het dat deze voor u een veronderstelling is en geen zekerheid: de stoffelijke eigenschappen worden door het stoffelijk voorgeslacht bepaald. Het is niet mogelijk daaraan nieuwe eigenschappen toe te voegen of daaruit bepaalde eigenschappen geheel te elimineren. Maar de wijze waarop deze eigenschappen lichamelijk worden gefixeerd in bepaalde belangrijkheid, kan door de geest bij incarnatie worden beïnvloed. Wat betekent dat de geest door deze beïnvloeding haar mogelijkheden in de stof en haar stoffelijk noodlot voor een groot deel zal fixeren. Kosmische krachten treden op. Zij zijn niet engelen, maar kunnen eerder vergeleken worden met luchtdrukverschillen, met de barometerstanden van het mentaal beseffen en functioneren.

Ieder van u zal kunnen weten, dat de mens in ijlere luchtlagen een tijdelijke klaarheid van denken meent te ondergaan, maar gelijktijdig een toenemende traagheid van lichamelijke reactie ondervindt.

Wanneer ik in de plaats van atmosfeer spreek van kosmische straling en als voorbeeld de blauw-violette straling neem (wat een naam is die wij geven, een zichtbare eigenschap van de kosmische invloed) kan ik zeggen: Het mentale klimaat voor de gehele mensheid wordt hier beïnvloed door een scherper doorzien (of menen te doorzien) van de feiten, terwijl het doorleven eveneens genuanceerder zal worden. De reactiemogelijkheid op de wereld wordt echter gelijktijdig door deze invloed vertraagd. Dergelijke tendensen komen inderdaad vaak voor. De mens is echter aan die tendensen niet zonder meer gebonden. Hij kan zich aan hun inwerkingen zeker vaak onttrekken of voorzorgen nemen, waardoor zij hem niet kunnen beïnvloeden. Denk in dit verband eens aan de man, die de Himalaya beklom. Wij hebben hier te maken met iemand die, ondanks het steeds ijler worden van de lucht, geleerd heeft met gebruik van hulpmiddelen enzovoort, enzovoort, normaal te blijven functioneren.

Een mens kan dit evenzeer bereiken, wanneer kosmische invloeden op gaan treden. Het is niet zo dat de kosmos de mens dwingt tot een trager reageren (bijvoorbeeld), maar zij neigt u tot een vertraging van uw reacties. Kunt u uw eigen reageren helpen bepalen door uw wil, dan zult u, dankzij het helderder doorzien van de omstandigheden en mogelijkheden, dat de invloed met zich brengt, sneller en vooral juister kunnen reageren dan anderen. Dankzij training en het gebruik van geestelijke hulpmiddelen kunt u zelfs leren zonder een allereerst juist erkennen van de kosmische invloed, zo snel te blijven reageren, dat de reacties het gewenste onverwachte effect blijven resulteren. Op deze wijze kan men dus meer mogelijkheden vinden. Wat betekent dat de mens ook ten aanzien van de kosmische invloeden het eigen lot bepaalt en wel krachtens de eigenschappen, die hij bezit en het gebruik van die eigenschappen, dat hij weet te ontwikkelen.

Het ontwikkelen van eigenschappen in de mens wordt vaak, zeker zover het de mentale waarden betreft, door de geest en via de sferen mede beïnvloed. Er is sprake van een gemeenschappelijke gedachtesfeer waarin de mens zich beweegt, terwijl daarnaast een zijn verstandelijke sfeer rakende sfeer  bestaat, waarin geesten zich plegen te uiten.

Nogmaals, dit is voor u geen als feit bewezen zekerheid, maar toch in ieder geval een mogelijkheid, waarmede men rekening zou kunnen houden. Ik kan voor mij nu stellen: de mens met zijn denken (en daarmede zijn feitelijke benadering van zijn wereld) kan door de geest beïnvloed worden. Deze invloed zal groter worden naarmate de mens meer zijn toevlucht heeft gezocht in stellingen, die niet met de voor hem kenbare feiten in verband stonden. Geesten kunnen mij misleiden, zal de mens zeggen. Inderdaad, maar dan moet die mens door eigen overgave aan het onbepaalde en de weigering steeds weer de feiten voor ogen te houden, die misleiding zelf bevorderen. Zolang hetgeen de geest naar u projecteert voor u alleen een indicatie van mogelijkheid is, blijft u zelf beslissen en kan de geest niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele misleidingen. Zodra u zich overgeeft aan de geest, omdat u niet bereid bent de werkelijkheid te aanvaarden, is het uw eigen schuld dat de geest u kan misleiden. Ook hier wordt weer duidelijk dat de mens door zijn aard en karakter, zijn wijze van denken en reageren, zelf zijn levenslot of noodlot bepaalt.

Door één van mijn collega’s is eens gezegd: de duivel is een verleider die, wanneer hij dit wil, bijna iedereen ontrouw kan maken aan God, behalve mensen als Job, die met een potscherf en een vasthouden aan hun eigen voorstellingswereld plus de feiten de demon weg weten te krabben. Maar de mens is zelf de duivel. De stelling dat de duivel u kan verleiden, is natuurlijk wel eenvoudig en wijst veel verantwoordelijkheid af. Maar kan een demon u werkelijk verleiden? Volgens mij alleen maar dan, wanneer men innerlijk reeds verleid is. Dit wil zeggen dat de eigen denkbeelden reeds voordien de feiten niet wilden aanvaarden, maar speelden met mogelijkheden en gelijktijdig een begrip van eigen onvermogen kenden. Verleiding ontstaat door een toegeven aan eigen verlangen plus een erkennen van eigen zwakten. De verleider de schuld geven hiervan is gemakkelijk, maar zelden geheel juist. Vroeger heette het altijd weer dat de jongen het meisje had verleid. Menige getrouwde man weet echter op den duur wel, dat de vrouw in ieder geval toch in staat is te bepalen door wie en wanneer zij verleid wil worden.

Een zuiver materieel voorbeeld. Maar zou dit ook op minder materiële wijze niet kunnen bestaan?

Je kunt een illusie hanteren zoals de man in het verleden: hij was immers de sterke, de vrouw was maar een zwak wezen. Daarom kon de man wel, de vrouw niet verleiden. Maar de praktijk leert dat de man, naarmate hij meer hierin wil geloven, sneller zal vallen voor de trucjes van de vrouw. Wat logisch is. Wanneer ik stel dat ik een uitverkorene Gods ben, zodat niemand mij zal kunnen verleiden, verleid ik mijzelf wel. Ik word dan namelijk veel vatbaarder voor een onwerkelijke benadering, benadering van vertoeven, waardoor de feilen vervalst worden. Ik ben eerder geneigd op onwerkelijke wijze de waarde van mijn mogelijkheden en verlangens te zien. Anders gezegd: Heiligen zullen, als er een werkelijke duivel bestaat, ongetwijfeld zijn eerste en beste slachtoffers vormen. Alleen de heilige die heilig is, omdat hij leeft in de werkelijkheid en de feiten niet verwerpt of vervalst, maar daarin leeft vanuit een persoonlijk besef en door zijn karakter een uiting vindt waarbij hij de feiten ook tot deel van eigen wezen maakt, zal de meerdere van een demon of verleider kunnen zijn. Hier klinkt alweer de stelling door dat de mens zelf zijn noodlot maakt.

U zult zeggen dat ik over het karakter veel te weinig heb gezegd in dit verband. Karakter, mijne vrienden, is iets waarop men zich meer pleegt te beroepen, naarmate men het minder bezit in de ogen van anderen. Karakter is een vast leefpatroon. Iemand met ‘karakter’ is dan ook volgens de algemene opvattingen iemand, die een bepaalde richting kiest en in die richting blijft gaan, zonder zich ooit van zijn doel af te laten leiden. En zonder zich daarbij te realiseren dat wat hij bij anderen een zwakheid van karakter pleegt te noemen, alleen een deel van het karakter zelf is, waardoor een andere reactie op de feiten ontstaat, zonder dat dit noodzakelijkerwijze voor het ego een zwakheid hoeft te zijn. U kunt het karakter nooit geheel losmaken van de geest, van de lichamelijke condities. U zult tot uw verbazing kunnen constateren dat zelfs de voeding en leefwijze bij de uitingen van dit karakter een grote rol spelen. Zelfs de voeding! De communicatie en de sfeer van de omgeving werken allen mede aan de reactie op het leven, die men karakter pleegt te noemen. De grondeigenschappen van het wezen, die de basis van deze reactie vormen en volgens mij grotendeels het eigenlijke karakter uitmaken, zijn grotendeels onveranderlijk in het Ik gefixeerd. De uiting daarvan en de verhouding, waarin de verschillende grondeigenschappen naar buiten treden, kan veranderen. Niet de feitelijke eigenschappen in het ik zelf.

Daarmede heb ik gezegd dat een mens in zekere zin vanaf zijn geboorte op aarde reeds zijn menselijk noodlot met zich draagt. Denk nu niet, dat ik een voorbestemming wil prediken. Ik heb u immers reeds gezegd dat de geest in de groeiende vrucht reeds bepaalde eigenschappen kan bevorderen en andere eigenschappen der stof kan intomen. Daarbij kiest de geest min of meer bewust het voertuig, waarvan zij in de stof gebruik zal maken. Wij kunnen dus zeker ontkennen, dat de geest in de stof aan een toeval zonder meer gebonden of onderworpen is.

Nu heb ik reeds duidelijk gemaakt dat de conditionering van de mens (‘zijn opvoeding’), eveneens bij het zogenaamd karakter een grote rol speelt. Geheel waar is dit natuurlijk niet.

De waardering die men heeft voor bepaalde eigenschappen van het ik zal hierdoor worden bepaald en daarmede mogelijk ook de reactie op hetgeen uit deze eigenschappen voortvloeit.

Ik geloof echter niet dat de feitelijke aanwezigheid van de eigenschappen hiermede bepaald wordt. Ten hoogste kan een uiterlijke schijn worden bereikt. De lafaard kan, omdat eenieder hem zegt dat hij moedig moet zijn, doen alsof hij moedig is. Maar zijn moed is dan de moed der wanhoop, waarmede hij zijn feitelijke lafheid niet zozeer overwint als wel verbergt, terwijl op een gegeven ogenblik die lafheid dan toch naar buiten zal komen.

Men verandert niet, maar kan zich dus wel anders uiten. In het mentale beeld speelt de eigen geest, zowel als de andere geestelijke waarden in het zijn, een rol. Daar de conditionering dus niet geheel buiten het Ik om plaats vindt, kunnen wij zeggen dat de karakteristiek van de eigen persoonlijkheid, zelfs van geestelijke waarden, in de scholing en conditionering altijd nog een zekere dominantie behoudt. U ziet het: Karakter is de mens eigen. Het is gefixeerd, maar dit mede door de wil die de mens geestelijk heeft uitgeoefend en de keuze die hij geestelijk bij de incarnatie deed. De mentale houding ten aanzien van de omgeving bepaalt bewustwording, maar ook reactie, daar de mens uit de omgeving bepaalde (zijn reacties bepalende) denkbeelden heeft geabsorbeerd.

Wat blijft ons bij het inleiden van dit onderwerp dan nog over? In de eerste plaats een reeks van eenvoudige vaststellingen. Wanneer wij de mensheid op grond van haar karakter willen bepalen kunnen wij volstaan met een geheel van 144 typen, gebaseerd op 7 materiële hoofdtypen, elk voorkomende in 7 karakteristieken. Wat de eigenschappen van de 12 mogelijke varianten betreft, kunnen wij ons zelfs, indien wij dit wensen, houden aan de indeling zoals die gegeven wordt bij de dierenriem in de astrologie. De zeven hoofdtypen geven de verhoudingen in het menselijk wezen aan, daarbij onder meer de heersende glandulaire evenwichten aanduidende. Zouden wij deze tabel vervaardigen en een mens eenmaal volgens de daarop aangegeven indeling als type hebben bestemd, dan kunnen wij ook zeggen hoe de mens tegenover de werkelijkheid en wereld staat. Wij kunnen daardoor ook bepalen wat als geheel in het leven zijn gemiddeld lot zal zijn. Zo iemand zal zeker het geheel van dit ‘lot’ voor zich door geestelijke instelling en als gevolg van mentale beelden gelukkiger of minder gelukkig maken, maar de functie binnen de gemeenschap is alleen door de bepaling van het type reeds voldoende gefixeerd.

Daarnaast moeten wij dan constateren dat elke mens een deel van zijn eigen wezen tracht te onderdrukken. Dit deel van het Ik dat dus onderdrukt wordt (zij het dat hierbij lichamelijke eigenschappen worden onderdrukt, neigingen, denkbeelden, angsten enzovoort) zal in feite deze mens in zijn werkelijke betekenis en beleving sterker bepalen dan het deel van het ik, dat bewust wordt geuit. Een verdrongen eigenschap is in het karakter meer actief, omdat zij niet erkend wordt en daardoor niet bewust kan worden beheerst en afgeremd. Naarmate in het stoffelijke bestaan meer delen van het ego en het besef van het ego worden verdrongen uit het waakbewustzijn, zullen deze delen van het ik als sterker bepalend voor het levenslot op gaan treden.

Alle mensen die geloven aan geluk, zijn ergens gelukkig. Degenen die streven naar geluk, veronderstellen de afwezigheid van het geluk en zullen het, wanneer dit optreedt, niet tijdig erkennen. Zij zijn daarom veelal in hun leven over het geheel ongelukkig. Zij die stellen dat het geluk alleen voor anderen bestaat, zullen alleen door deze instelling reeds in een voortdurende staat van afgunst verkeren, waardoor een werkelijkheid ontkenning optreedt, die zelfs onder omstandigheden, die voor anderen het hoogste geluk schijnen te zijn, het ego zich ongelukkig doen voelen. Wanneer men de waarde van een menselijk lot wil bepalen aan de hand van de vraag: “Is er geluk, enig geluk of geheel geen geluk?”. Moet ik dus zeggen: Dit lot wordt geheel door de mentale instelling ten aanzien van de wereld bepaald en niet door de feiten.

Dan hebben wij historische bindingen, die voor de conditionering en mogelijke grondeigenschappen bepalend kunnen zijn. Wie als mens op de wereld komt, maakt onmiddellijk deel uit van een gemeenschap en van een gemeenschapsontwikkeling, die zich zowel in het Ik als rond het Ik stoffelijk voltrekt. De gewenning en stoffelijk heersende condities van het milieu bepalen eigen beleven voor een groot deel. Voorbeeld? In een land dat voortdurend in oorlog is, kan het Ik volgens anderen erg ongelukkig zijn. Voor hen is de oorlog en  al, wat daaruit voortkomt, immers een afwijking van hun norm. Voor het ik echter is de oorlog de normale toestand. Zij is deel van het leven. Men zal, ongeacht de verschijnselen van de oorlog, dus onder die omstandigheden, even gelukkig of ongelukkig kunnen zijn als de anderen in hun meer vredige omgeving: Geluk en ongeluk worden in hun intensiteit van beleving niet veranderd door het milieu, mits men vanaf het begin in een dergelijk milieu bestaat. De persoonlijke reactie blijft eveneens bestaan. Men zal evengoed flegmatisch, sanguinisch enzovoort zijn, wanneer men onder oorlogsomstandigheden wordt geboren als in vrede. De wijze waarop men in zijn omgeving ageert, wordt evenzeer bepaald door deze eigenschappen, ook al schijnt het milieu in de ogen van anderen misschien geheel andere, nieuwe eisen aan het ik te stellen. De rol die de mens binnen zijn gemeenschap speelt, zal door deze karaktereigenschappen bepaald worden. Evenzeer zullen de conflictsituaties waarin men komt te verkeren, vooral hierdoor vastgelegd zijn. Het tempo van beleving en de wisseling van situatie kan inderdaad in bijvoorbeeld oorlogstoestand aanmerkelijk feller zijn dan normaal, voor het ik blijft echter het geheel gelijk.

Noodlot wordt dus niet door het milieu bepaald, al worden wel de reeksen van waarschijnlijke belevingsmogelijkheden daardoor bepaald. Het noodlot is echter nooit het ondergaan van de feiten alleen, maar het persoonlijk verwerken en volgens eigen wezen ondergaan der feiten.

Persoonlijk betekent hier dat de eigen interpretatie van groter belang is voor de mens dan het gebeuren. Iets wat volgens mij eerder in het woord levenslot dan noodlot tot uiting komt.

Eeuwigheid is deel van ons aller wezen. Een stelling die voor mij juist is, voor u slechts een veronderstelling. Naarmate ik mij meer bewust ben van de geestelijke delen van het ik in het bestaan, zullen de geestelijke waarden, krachten en mogelijkheden van het ik een belangrijker aandeel hebben in de uitingen op aarde. Maar nog steeds zal men bij de uiting van geestelijke krachten, vermogens enzovoorts, uit moeten gaan van de feiten en zal men slechts volgens eigen karakter deze krachten, gaven enzovoorts, manifesteren in de feitelijke wereld.

Geestelijke krachten, geestelijk leven, de waarden van het grotere ego waarvan de mens deel is, kunnen in het lot geen veranderingen brengen, tenzij daarbij de mens uit kan gaan van het stoffelijk bestaand karakter plus de werkelijke, objectief ervaren wereld waarin hij leeft, wat betekent dat de conditionering hiertoe een mogelijkheid moet hebben gelaten.

Ten laatste: al hetgeen als lot wordt omschreven, ongeacht of dit een ontvluchten aan eigen verantwoordelijkheid is of een schijnbaar machteloos erkennen van feiten, zal in wezen door de mens kunnen worden benaderd en veranderd. Iemand kan dit in een krijgsgevangen – of arbeiderskamp (zelfs de Birma Road) evenals in de normale maatschappij, zodra hij dit geluk berekent aan de hand van eigen persoonlijk bestaan. De intensiteiten die op kunnen treden in concentratiekampen enzovoort, zullen voor het noodlot van het Ik uiterlijk weinig betekenen, maar het ik sneller vormen en daarmede het eindresultaat van het leven sneller helpen bepalen. Om het nog eens anders te zeggen: de waarde van de krachten en feiten op aarde voor het totale wezen veranderen dan, zodat het geheel van de mogelijkheden tot bewustwording ongeveer gelijk blijft.

Ook dit wordt op aarde vaak over het hoofd gezien. De feiten alleen kunnen niet onder meer als het noodlot van de mens worden omschreven. Zij zullen dit eerst dan zijn, wanneer de eigen gevoelens parallel lopen aan de voor anderen objectief kenbare verschijnselen en waarde van feiten. Vele omstandigheden, die negatief schijnen te zijn, zullen voor degene die daarin positief weten te leven, eerder een vormende en gelukbrengende (en daardoor in de toekomst ook winst brengende) situatie vormen, eerder dan een ondergang. Vergeet daarbij niet dat geluk en welvaart voor mensen die geen kracht hebben om persoonlijk te blijven denken en reageren, op den duur een onbeheerstheid en daarmede een vernietiging van geestelijke waarden zowel als een stoffelijke ondergang kunnen betekenen.

Ik hoop met dit alles duidelijk te hebben gemaakt dat: karakter = noodlot, in de persoonlijke zin van het bestaan, juist mag worden geacht. Wij kunnen deze begrippen natuurlijk ook verder uitbreiden tot groepen enzovoort. Ik wil hierop echter niet te ver ingaan. Ten hoogste wil ik u erop wijzen dat het karakter van een volk in vele gevallen bepalend is voor zijn betekenis in de wereld en het lot dat het ondergaat. De Nederlanders, langzaamaan gevormd tot ietwat twistzieke graag praters, blijken in de wereld van belang te zijn, zodra het op overeenkomsten en congressen aan komt. Daarbij kan men hen tot de belangrijkere invloeden in de wereld rekenen. Zodra het neerkomt op wensgezindheid en improvisatie blijken de  Nederlanders echter te traag te reageren, zodat zij eerst na lange tijd tot effectvolle reacties kunnen komen. Gaat het om charme, een zekere gierige élégance, dan zullen wij toe moeten geven dat de Fransen aanmerkelijk beter voor de dag komen en daardoor ook veel onmiddellijker reageren, maar dan vooral wanneer zij vrezen dat hun eigen belangen in het geding komen. Gaat het om de systematische opsomming en rangschikking van feiten of mogelijkheden, dan blijken de Duitsers het in Europa nog steeds te winnen. Zoeken wij een feitelijke onzekerheid, verborgen achter een schijn van ruwheid, hartstocht en sentimenten, dan moeten wij bij de Russen zijn. Dezen worden door ideeën veel meer en veel sterker beheerst als geheel dan andere volkeren. Het lot van het volk weerspiegelt deze eigenschappen door alle tijden. Alle volkeren hebben een eigen geschiedenis, die bepalend blijkt te zijn door het karakter, de aard van het volk. Men kan dit in de geschiedenis nagaan en zal zelfs in deze dagen aan kunnen tonen, dat de aard van een volksgroep voor een zeer groot deel haar beleven in de maatschappij bepaalt. Ik wil hierop niet te ver doorgaan, daar dit een onderwerp op zich zou vormen. Wel vraag ik u of wij ook op grond van dit alles niet mogen stellen: karakter = noodlot, terwijl omgekeerd noodlot gelijk komt aan karakter?

0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Is karakter gebonden aan de incarnatie, die op het moment wordt doorgemaakt? Houdt dit karakter op zodra men is overgegaan? Wat voor soort karakter krijgen wij dan?

Ik weet niet goed waar te beginnen. De zaak ligt namelijk zo: Dat, wat u als geestelijk karakter zou kunnen omschrijven, is geen reeks van gefixeerde eigenschappen, maar eerder een bewustzijnskarakteristiek. Anders gezegd: De evenwichtigheden en onevenwichtigheden van het bewustzijn vormen datgene, wat geestelijk de eigenschappen en reacties van het ego bepaalt. Indien u het wenst kunt u dit dan eventueel geestelijk karakter noemen. Maar het materiële karakter is, zoals ik reeds duidelijk maakte, voor een groot deel afhankelijk van onder meer glandulaire balansen en imbalanties (onevenwichtigheden), terwijl ook scholing en conditionering een grote rol daarbij spelen. Wanneer u dergelijke dingen mee zou moeten nemen na de overgang, zou ik u ten zeerste beklagen. Er zijn namelijk vele materiële eigenschappen en neigingen die tot het karakter worden gerekend in hun oorzaak, terwijl je daarmede geestelijk werkelijk niets zoudt kunnen doen. Wat dan weer in de geest tot  vergaande frustraties zou leiden. Een geest die zichzelf nog geheel als stoffelijk wezen wil beschouwen kent deze ellende wel, maar alleen door zijn voorstelling van het Ik, niet doordat deze waarden onontkoombaar deel uitmaken van zijn wezen.

Dan vraagt u zich af of de incarnatie en daarmede vermoedelijk het lopende karma, het karakter bepaalt. Ik meen dat de voorkeur van het bewustzijn van de geest (zowel voor als tijdens de incarnatie) bepalend is voor de wijze waarop een aanvaarden van de stoffelijke eigenschappen en mogelijkheden plaatsvindt. Ik verwijs naar hetgeen ik reeds zei omtrent invloed van de geest op de onderlinge belangrijkheid van de stoffelijke eigenschappen van een gekozen lichaam. De incarnatie is een wilsakte van de geest en heeft dus wel degelijk iets te maken met het karakter dat u in de stof hebt. De reden voor de keuze van eigenschappen enzovoorts, is de behoefte van de geest iets te bereiken door het leven in de stof of, wanneer zij van lager bewustzijn is, haar behoefte om zich in de stof uit te leven. De geest zal de eigenschappen mede richten in overeenstemming met de ervaringen die zij op wil doen en voor zich van belang acht.

Wanneer de incarnatie is afgelopen, zijn de zo gekozen eigenschappen uit de stof eveneens ten einde. Lichaam is voertuig. U bent een fietsende natie? U beklimt uw voertuig, dat u bepaalde mogelijkheden geeft om een doel te bereiken. Binnenshuis hebt u het echter niet nodig, nietwaar? Beschouw op deze wijze ook de eigenschappen, die in de stof noodlotsbepalend schijnen te zijn. Wat overblijft, is bewustzijn. Dit bewustzijn kan de mogelijkheid omvatten in een volgende incarnatie, wanneer het noodzakelijk is met soortgelijke eigenschappen beter te werken, zoals iemand die eenmaal heeft leren fietsen, een volgende maal met meer vaardigheid zijn tweewieler zal bestijgen.

  • Schept de geest zelf de eigenschappen in de stof, die zij voor het voortzetten van haar geestelijke taak van node heeft?

Maakt degene, die van plan is te gaan wandelen of dansen zelf het daarvoor noodzakelijke schoeisel of kiest hij uit het beschikbare zijn schoeisel zoveel mogelijk in overeenstemming met zijn voornemens? Zo kiest de geest uit de beschikbare stoffelijke mogelijkheden datgene wat voor het volbrengen van hetgeen de geest beoogt, het belangrijkste wordt geacht.

  • Gebeurt het niet vaak, dat een geest bemerkt toch het verkeerde schoeisel te hebben gekozen en dan in conflict daarmede komt?

Wie op dansschoenen een bergwandeling gaat maken, loopt op blaren. Daarom is er nog geen sprake van conflict met het schoeisel, maar wel van zelfverwijt en desnoods beklag. Een volgende maal zal men een beter schoeisel kiezen. Zo ook de geest: Het besef dat zij door een verkeerde of oppervlakkige keuze schade kan lijden zal haar bij volgende incarnatie helpen een juister voertuig te kiezen.

  • Die gefixeerde eigenschappen en het werken van de geest, hoe zit dat dan?

De lichamelijke eigenschappen, waaronder ook glandulaire balanties, pigmenteringen enzovoorts, enzovoorts, zijn vastgelegd in bepaalde nogal ingewikkelde moleculaire ketens, zowel bij de moeder als bij de vader. Deze ketens komen samen. Waar zij gelijke waarden bevatten, ontstaat een sterke, een dominante eigenschap. Bij tegengestelde waarde kan een eigenschap voorlopig als uiting wegvallen, maar blijft zij vaak genetisch aanwezig. Er zijn altijd weer twijfelgevallen, waarbij een eigenschap door kleine verschuivingen van de waarden van vader en moeder ten aanzien van elkander iets dominant kan worden of minder belangrijk kan worden. De geest kan dit langs bepaalde wegen doen. Op deze wijze fixeert de geest dus uit de genetische mogelijkheden bepaalde gewenste eigenschappen, zodat de mogelijkheden die bij de bevruchting aanwezig zijn, op geselecteerde wijze tot eigenschappen van de wordende vrucht worden gemaakt.

  • Een geest bezit dus alleen bewustzijn en bijvoorbeeld geen driften?

Zover de drift een lichamelijke eigenschap is, zal de geest deze niet bezitten. De mentale benadering van problemen kan echter ook zonder de stoffelijke imbalantie een zekere ferociteit hebben en deze, die uit het denkbeeld stamt, maar toch wel als een vorm van drift (ergernis bijvoorbeeld) kan worden beschouwd, kan bij een geest nog lange tijd blijven bestaan in de sferen, tot zij zich gerealiseerd heeft dat dit in haar wereld niet past en niet nuttig is.

Bewustwording elimineert bepaalde dwangmatige reacties vanuit en voor de geest. Maar op zich kan de dwangmatigheid van mentale oorsprong niet worden beschouwd als een het geheel van het wezen zonder meer dwingende kracht, zoals bij bepaalde afwijkingen van een lichamelijk evenwicht voorkomen. Zoals bij neurosen, is er in vele gevallen eerder sprake van een niet besefte onjuistheid in denken of herinnering die, wanneer zij eenmaal beseft wordt, haar werkzaamheid onmiddellijk kan verliezen.

  • Is door het inzien van de fout in de geest de fout meteen terzijde gelegd?

U stelt het te eenvoudig. Het besef van de fout doet mede het besef ontwaken van alle gevolgen, die in de fout gelegen kunnen zijn, zodat men vermijden kan dat deze fout domineert bij contacten in de buitenwereld en wel tot men in zich de oplossing van de fout gevonden heeft. Erkenning geeft dus beheersingsmogelijkheid, zover het contact met de wereld buiten het ik betreft, terwijl gelijktijdig het besef de fout binnen het ik langzaam doet verdwijnen.

  • Psychocybernetics is een nieuwe wetenschap in USA. Deze stelt dat de mens, in welke situatie hij zich ook bevindt, moet reageren volgens het selfimage, dat hij bij zich draagt. Er worden methoden aangegeven, volgens welke men het selfimage kan veranderen. Vele resultaten zijn hiermede bereikt. Toch zegt u dat de mens zijn karakter of levenslot niet of slechts zeer weinig kan wijzigen.

U citeert de stellingen uit mijn inleiding verkeerd. Ik heb gezegd dat men het noodlot ten aanzien van de feitelijke wereld of omstandigheden vanuit zichzelf, zover het de buitenwereld betreft, niet in handen heeft. U impliceert dat men de eigen reacties tegenover de wereld niet zou kunnen veranderen. Dat is iets anders. Psychocybernetics lijkt mij een modewoord, een fantasieterm, die het waarschijnlijk wel aardig doet. Nu is het juist dat het ik-beeld, dat men van zich heeft, bepalend zal zijn voor vele reacties naar buiten toe. Dit geldt echter slechts zover als de stoffelijk-lichamelijke eigenschappen van de mens deze uiting niet overspoelen.

Mijn voorbeelden in de inleiding maakten dit naar ik meen reeds duidelijk. Uw held zal zich zo lang als held gedragen, tot zijn lichamelijke angst tot een paniekreactie voert en het held zijn tijdelijk eenvoudig wordt vergeten. Wanneer men het beeld, dat de mens van zichzelf heeft in de wereld enigszins verandert, kan men de relatie tussen die mens en de wereld rond hem inderdaad qua uiterlijkheden enigszins wijzigen. Men kan zo, zoals in de psychiatrie voortdurend het geval pleegt te zijn, komen tot een aanpassing van het ik-beeld aan de wensen van de maatschappij. Hierdoor zullen de onbelangrijke uitingen inderdaad aan de normen gaan beantwoorden. Maar daarmede heb je de mens zelf met zijn lichamelijke mogelijkheden en feilen nog niet veranderd. Dit laatste kan men, en dan slechts tijdelijk, doen middels het inbrengen van verschillende stoffen in het lichaam, als enzymen, chemicaliën, enzovoort. Kort en goed, de resultaten waarover u spreekt, berusten op het veranderen van een persoonlijkheidsprojectie in verband met anderen, niet op een werkelijke verandering van karakter en persoonlijkheid, zoals wordt gesuggereerd.

Het geheel is in wezen een gemoderniseerde terugkeer naar de oudere systemen van zelfsuggestie en suggestie, waarbij wij spreuken als werkzaam horen omschrijven in de vorm van: Ik word elk ogenblik en steeds weer beter en beter. Maar als je tandpijn hebt, werkt zo een spreuk opeens niet meer. Iets dergelijks geldt ook voor dit systeem. Dominerende lichamelijke feiten en instellingen kan men hiermede niet tenietdoen. Zoals de  kiespijn of tandpijn te zeer domineert om de spreuk te doen werken, terwijl in gevallen van zenuwstoringen een dergelijke suggestieve methode wel vaak blijkt te werken. Of dergelijke suggesties nu van buitenaf worden gegeven of vanuit het ik voortkomen, of desnoods middels hypnose worden opgelegd, altijd weer blijkt dat het ik zelf niet verandert, maar dat wel de wijze, waarop men de wereld benadert en ervaart, hierdoor een wijziging kan ondergaan.

  • Karakterfouten kan men toch langs deze weg wijzigen.

Karakterfouten bestaan niet, daar een karakter in zich een gesloten geheel is, dat voor zichzelf een persoonlijkheidsuitdrukking vormt. Tot het constateren van fouten daarin, komt men eerst dan, wanneer de in het Ik behouden eigenschappen en eventuele waarden van conditionering worden vergeleken met de wenselijkheden, die buiten dit Ik bestaan of heten te bestaan.

Indien men al spreken wil over karakterfouten, zo zal blijken dat deze, als deel van het gesloten systeem dat een ik beseft en de uiting van een ego vormt, niet teniet kan doen.

Vuur blijft vuur. Wel kan men ertoe bijdragen, dat de mens dergelijke ‘fouten’ beschouwt op een wijze, waardoor de uitingen daarvan voor de wereld aanvaardbaar worden. Aanpassing aan de wereld dus. Voor de wereld is dan een bepaald aspect van dit karakter inderdaad schijnbaar verdwenen, maar in de mens blijft het bestaan en vormt het nog steeds een beperkende en zelfs beheersende factor voor het ik.

U spreekt van karakterfout, ik zal het dus ook maar doen: Deze fout die schijnbaar verdween, zal na verloop van tijd toch weer tot uiting komen. De omstandigheden kunnen  dan zover gewijzigd zijn, dat dit niet meer ernstig of storend is, maar zij komt weer tot uiting. Dit als gevolg van het feit dat de mentale wereld en bewuste ik-voorstellingen van de mens steeds weer doorkruist zullen worden door zijn emotionele werkelijkheid. Dit moogt u niet uit het oog verliezen. Misschien wilt u er nu op wijzen dat er toch een verdere conditionering plaats kan vinden. Dit ben ik met u eens: De conditionering is een deel van het maatschappelijk proces, dat bij voortduring plaats vindt. Dit is een feit, ook al zullen wij bijzondere waarde toekennen aan, en nadruk leggen op, de conditionering en vorming van de mens in de eerste 5 à 6 jeugdjaren. Let wel, deze jeugdbeelden kan men niet meer tenietdoen. Wel is het mogelijk aanvullende verklaringen, voorstellingen en rationalisaties te verschaffen, waardoor de wijze waarop de eerste conditionering zich aan de buitenwereld toont, een andere wordt. Je kunt een dergelijke vorming dus wel aanvullen, maar je kunt dat, wat eenmaal in de mens bestaat, niet meer teniet doen.

Nu wij aan het einde zijn gekomen van een voor mij, ik moet het toegeven, soms wat warrige conversatie, zou ik nog enkele woorden willen spreken.

Een mens heeft een karakter, een conditionering en daarmede een lot. Maar de waarde van dit lot of noodlot is daardoor niet zonder meer bepaald. De mogelijkheden zijn beperkt en gefixeerd, maar de wijze waarop ik van die mogelijkheden gebruik maak en deze onderga voor mijzelf, is daarmede nog niet vastgelegd.

Ik heb een beeld van mijzelf en met dit beeld leef ik. Als ik nu echter dit beeld aanpas aan een werkelijkheid, om zo mijzelf te aanvaarden en zo niet mijzelf dingen op te leggen die niet werkelijk deel zijn van mijn ego, zal ik de innerlijke en geestelijke waarden van dit ik moeten activeren. Dan kan ik misschien putten uit het beleven op een wijze, die mij persoonlijk een zekere veerkracht geeft, een gevoel van geluk, een gevoel van positiviteit vooral ook doet ervaren.

Ik zal de eerste zijn om toe te geven, dat u in de ogen van anderen als gevolg hiervan vaak een dwaas zult schijnen. Maar voor uzelf wordt u meer en meer realist en hebt u niet te leven met uw eigen werkelijkheid, met eigen werkelijke persoonlijkheid, ja, zelfs met uw conditionering, die u, of u het wilt of niet, met u zult dragen tot aan het einde van uw stoffelijke dagen.

Ik zou willen zeggen: Mens, tracht voor alles in alle dingen van het leven de vreugde te vinden, het geluk te ervaren. Niet door tegen eigen wezen in naar vreugden te zoeken, die men zo noemt maar die het voor u niet zijn, maar door datgene, wat voor u vreugde is en kan zijn, met bijzondere nadruk te ervaren, door niet te ontkennen dat er minder aanvaardbare dingen in de wereld bestaan, maar u toch steeds op de aanvaardbare dingen te richten.

Uw noodlot wordt bepaald door uw karakter. Indien u een misantroop bent, zal de grootste vreugde van de wereld u slechts een druppel gal meer in de beker des levens zijn. Maar indien u niet zo misantropisch bent aangelegd, niet voortdurend bevreesd bent voor onheil, kwalen, ellende, tracht dan niet in een dergelijke vrees weg te vluchten voor de mogelijkheden van het leven.

Positiviteit in het leven is binnen een karakter vaak een bestaande mogelijkheid naast het veel vaker geuite negativisme. Het negativisme komt voort uit het feit dat men zichzelf niet wil aanvaarden zoals men toch in feite is, omdat men het Ik niet wil erkennen met zijn fouten en vooroordelen, zoals het werkelijk bestaat. Wie zo reageert, vlucht voor een deel van het ik weg en kan de wereld niet meer positief beleven en zien. Men zal dan de delen van het ik, die men voor zich niet wil kennen, verwerpen, overal in de wereld gaan onderkennen en vanuit die wereld tot het ik zien terugkeren. Maar wie zichzelf aanvaardt, kan in het leven en de wereld altijd nog weer vreugde vinden, steeds weer belevingen ondergaan, waaruit het ik verder groeien en bloeien kan.

Ten laatste wil ik opmerken dat de mens, die in zichzelf komt tot een aanvaarding van zijn ego, niet de wereld, maar het ik met alle fouten, beperkingen en dwaasheden daarvan, in staat is geestelijke krachten in zich te ervaren, waardoor hij (ongeacht de beperkingen van karakter en conditionering) de werkelijkheid van eigen geest en de goddelijke waarden in het ik sterker, juister en vreugdiger tot uiting kan brengen. Beperkt natuurlijk, maar toch een voor het ik zeer verheugende manifestatie van het Hogere, dat in het ik bestaat.

Een mens moet realist zijn, uitgaan van feiten en eigen wezen, maar beseffen dat de wereld zo wordt beleefd en gezien, omdat men zelf zo is. Dan eerst begint men werkelijk te leven en daarmede begint de geestelijke bewustwording, de persoonlijkheidsintegratie zich door te zetten, zodat het doel van het leven vervuld wordt.

image_pdf