Levensrechtvaardiging

15 september 1969

Elke mens heeft de behoefte om, op welke wijze dan ook, het belang van zijn bestaan tegenover zichzelf te rechtvaardigen. Deze rechtvaardiging kan hij soms uit de feiten puren. In de meeste gevallen zal hij voor hem bijzonder passende theorieën opbouwen, waardoor het schijnt of zijn bestaan een veel grotere beduiding en betekenis heeft dan datgene wat hij materieel zou kunnen betekenen of overzien. Dat betekent dat wij de achtergrond, waartegen de mens deze bestaansrechtvaardiging zoekt, moeten beschouwen en het betekent daarnaast ‑ en dat is geloof ik wel grotendeels de taak van onze gastspreker van vanavond ‑ om een zin voor het bestaan te vinden, die niet afhankelijk is van een rechtvaardiging. Want deze rechtvaardiging is meestal een poging tot zelfverheffing of een zich onderscheiden van de ander of het andere.

Onze gastspreker zal u trachten voor te leggen wat volgens hem “het leven” is. Ik voor mij kan alleen zeggen: het feit dat ik besta is in zichzelf de rechtvaardiging van mijn bestaan. Ik behoef niet te bewijzen dat ik dit bestaan waardig ben. Wanneer er hogere krachten zijn, dan is zonder meer het bestaan ‑ dankzij deze hogere krachten ‑ het bewijs dat mijn bestaan zinrijk is en dat het betekenis heeft.

De grote moeilijkheid die wij steeds weer ontmoeten is dat wij trachten de bovennatuurlijke en religieuze of mystieke gevoelens die wij kennen en ervaringen die wij kennen, onder te brengen in de termen van onze eigen wereld. En daardoor de verhoudingen van onze eigen wereld willen gebruiken als een soort maatstaf voor onszelf t.a.v. hetgeen wij innerlijk beleven of mogelijk achten. Nu zult u begrijpen dat dat natuurlijk niet juist is. Wie wil leven zal moeten stellen: Het feit dat ik besta is de rechtvaardiging van dit bestaan. Het feit dat ik ervaar is de rechtvaardiging van de ervaring. Het feit dat niet alle ervaring gelijkwaardig is, betekent dat voor mij een selectiviteit mogelijk is t.a.v. het ervaren, zonder dat hierdoor de waarde van het ervarene in het geheel wordt bepaald. Ik kan alleen de waarde van een ervaring voor mij persoonlijk bepalen.

Ga je hiervan uit, dan wordt het heel erg moeilijk te werken met begrippen als: de wil Gods, de verborgen waarden van het leven, de eeuwigheid e.d. Je moet uitgaan van wat je bent. In dit zijn te zoeken naar betekenis is eigenlijk zoeken naar zelfbevrediging. De mens, die tracht in Gods ogen een goed mens te zijn, probeert niet alleen een goed mens te zijn, hij probeert in eigen ogen een beter mens te zijn, beter dan een ander. De mens, die probeert om rijker, zakelijker, sociaal bewuster of iets anders te zijn dan anderen doet dit niet in de eerste plaats ‑ hoezeer hij zich dit ook moge voorspiegelen ‑ omdat hij buitengewoon zakelijk of anderszins is ingesteld, hij doet dit om zichzelf te bewijzen, dat hij de moeite waard is. Ik meen dat een groot gedeelte van het menselijk leven in vele perioden van het leven wordt besteed aan dit bewijs. Ik ben iemand; ik ben de moeite waard. Zonder mijn bestaan zou de wereld armer zijn. Dat zeg je niet voor jezelf, dat zou verwaandheid zijn. En wie verwaand is, is natuurlijk minder dan iemand, die nederig is. Daarom zijn wij nederig en zeggen wij dat God bepaalt wat wij betekenen en zeggen dan ondertussen, dat wij toch heel wat meer betekenen dan anderen.

Het klinkt allemaal cynisch, een beetje pessimistisch misschien. Maar wanneer je een zijnsrechtvaardiging wilt vinden, dan moet je beseffen, dat deze vorm van zelfbevestiging nimmer enige absolute waarde of betekenis heeft.

Er zijn mensen, die in hun tijd door hun medemensen als zeer groot werden bewonderd, b.v. schilders of componisten. Ze zijn nu vergeten. Anderen, die eigenlijk maar als meelopers werden beschouwd of als zonderlingen, hebben nu eigen musea. Wij kunnen niet bepalen wat wij zijn. Dat kunnen de mensen rond ons ook niet. Wanneer wij toch proberen om een rechtvaardiging te vinden voor ons bestaan, kunnen wij dit ten hoogste vinden ‑ volgens mij ‑ in het uitbreiden van ons besef omtrent dat bestaan.

Nu zult u weten dat de wereld, waarin u leeft niet de enige is. U zult verder beseffen, dat al hetgeen u in die wereld waarneemt, niet het totaal is van de mogelijke waarden van die wereld. Anders gezegd: het leven, dat u bewust ervaart is maar een zeer klein deel van een werkelijkheid waarvan u deel uitmaakt. Stel dan heel eenvou­dig: wanneer ik voor mijzelf het bestaan wil rechtvaardigen, dan kan ik dit doen door mijn besef omtrent mijn wereld uit te breiden. Dat betekent niet dat ik meer omtrent mijzelf moet weten ‑ ofschoon dat erbij te pas komt ‑ het betekent gewoon: ik moet proberen mijn wereld te begrijpen.

Begrip vinden voor je wereld hangt samen o.m. met het vermogen om objectief te zijn. Hoe meer ik objectief kan staan – voor zover een mens objectief kan zijn ‑ tegenover een bepaalde leerstelling, een bepaald punt of een bepaald verschijnsel, hoe groter de kans is, dat ik daaraan verbonden waarden zal constateren die zich anders aan mijn waarnemingsvermogen zouden onttrekken. Ik wil nu zondigen tegen een meestal geldende regel en iets citeren, wat onze gastspreker van hedenavond in zijn eigen leven aan iemand heeft voorgehouden: ­

“Wanneer je een denkbeeld hebt, vorm je de wereld naar dit denkbeeld. Wanneer je de wereld hebt, vormen je denkbeelden zich naar de oneindigheid.”

Hier is dus verschil gemaakt tussen de mens die zijn denken oplegt aan het zijn ‑ en dat kan nooit een zijnsrechtvaardiging zijn – en de mens die het zijn erkent zoals het is en daardoor in zijn denken ‑ dus zijn bewustzijn ‑ de werkelijkheid van het bestaan verder kan aanvaarden.

Ik heb al gezegd dat iemand die zijn leven tracht te rechtvaardigen door wat hij is, een dwaas is. Want wat je bent, kun je nooit zelf waarderen of constateren. De betekenis van wat je bent, ken je niet. Zolang je op grond van wat anderen van je zeggen of wat je omtrent jezelf denkt, meent te kunnen rechtvaardigen dat jij leeft en dat jouw leven zin heeft, ben je een dwaas.

Je kunt niet zien in de tijd, je kunt niet begrijpen wat er voor verschillende mogelijkheden zijn op ander terrein, b.v. paranormale beïnvloeding, waarbij je betrokken bent. Omdat je het niet begrijpt, kun je het ook niet bepalen, kun je ook niet zeggen wat je bent. De objectiviteit is voor de mens slechts mogelijk, indien hij begint met alle eigen denkbeelden en waarden als relatief te stellen. Daar waar ik weiger een bepaalde stelling mijnerzijds als een relatief juiste, dus in een bepaalde verhouding juiste te zien en haar als algemeen geldend tracht weer te geven, weet ik dat ik de onwaarheid heb verheven.

Nu heeft onze gastspreker een heel eigenaardig leven gehad en dat zal ook wel van invloed zijn geweest  op de wijze waarop hij denkt en nu ook waarschijnlijk nog leraart. Om u een paar voorbeelden te geven: Hij is begonnen als waterdrager. Van daaruit is hij paardenknecht geworden. Van paardenknecht werd hij volgeling van een z.g. wonderdoener, die in feite een handige goochelaar was. Van daaruit kwam hij terecht in een bepaald klooster en vanuit dat klooster ontwikkelde hij zich tot een zelfstandig denker en werd hij langzaam maar zeker een soort leraar. Als leraar probeerde hij de waarheid te vinden. Iets wat veel van zijn leerlingen toch niet zo prettig vonden. Hij is toen een tijd kluizenaar geweest en daarna werd hij beschouwd als een bewuste, die eindigde als abt, dus als hoofd van een klooster in de buurt van Nepal. Dat is dus een heel eigenaardige levensgeschiedenis.

Deze man heeft voor zich in het begin ook gezocht naar een zijnsrechtvaardiging. “Waarom besta ik? Wat is de zin dat ik hier ben? Waarom moet ik nu dit beleven?” En uit dat zoeken is hij gekomen tot een poging om in plaats van zichzelf de wereld te stellen. Zijn stellingen zijn daarbij voor velen onaanvaardbaar denk ik. Hij stelt bv.: “Er bestaat geen schuld.” In tegenstelling met elke reli­gieuze opvatting, staatkundige opvatting en met menselijke verhouding zelfs. Hij zegt: ”Er kan geen schuld bestaan, omdat elke fase van het bestaan in zichzelf voleind is en de consequenties, die ik daaruit trek t.a.v. een volgende fase van bestaan, uit mij voortkomen en niet uit bestaande noodzaken. Ik behoef dit dus niet te honoreren.”

Dit is één van zijn typerende dingen en hij probeert daarbij duidelijk te maken dat het feit dat ik op dit moment besta en de wereld aanvaard zoals hij nu is, bepalend is. Met wat morgen gebeurt heb ik niets te maken. En wanneer het morgen is, heb ik niets meer te maken met wat vandaag geweest is. Die dingen staan afzonderlijk. Hij verbrokkelt dat mooie samenhangende beeld van de kosmos en van de bestemming van de mens en al die dingen meer, die zoveel opgang maken. Hij stelt daar iets anders tegenover. Hij stelt: “Elk moment kan ik meer omvatten van wat werkelijk is. Mijn rechtvaardiging van zijn, ligt in het feit dat ik het Zijn aanvaard. Ik ben niet degene die mijzelf veroorzaakt of voortbrengt, ik ben ook in wezen niet noodzakelijkerwijze degene die mijn eigen lot bepaalt. Ik ben dit alleen wanneer ik mij afhankelijk stel van allerlei dromen, oorzaken en gevolgswerkingen e.d.” Hij heeft soms zeer ruwe taal gebruikt om dat duidelijk te maken. Ik hoop dat hij zich aan de Westerse gebruiken van de taal zal aanpassen vanavond. Ik heb het hem in ieder geval gevraagd.

Hij werd een keer ondervraagd door een betrekkelijk belangrijk iemand ‑ het was in de tijd dat hij kloosterhoofd was ‑ en deze vroeg hem: “Hoe kan ik mijzelf meerwaardig maken?” Waarop onze kloosterman eens even keek en zei: “Ja, waarom zou een paardenkeutel zich afvragen hoe hij harder kan dampen?” (Mijn weergave is nog gekuist). Hij bedoelde daarmee: Je bent. Je bent door iets gemaakt en je weet zelf niet waarom en hoe. Maar je bent er en als je dat nu hoger of beter wilt maken, dan kun je hoogstens bereiken dat je wat meer kenbaar wordt in de omgeving, maar je verandert jezelf niet. Wat je bent moet je accepteren. Uit de aanvaarding van wat je bent kun je wijzer worden.

Ik weet niet of dit een soort denken is, wat u erg aantrekt. Uiteraard is hij ook in contact gekomen met heel veel mensen die aan magie deden, aan bezweringen en al die dingen. En daarvoor had hij ook een heel mooie uitspraak. Hij zei nl. eens tegen iemand die voor een heel groot magiër doorging: “Ach, kinderen zien graag wonderen. Wijzen zien graag feiten. Speelt u voor de kinderen.” En daarmee probeerde hij de ander duidelijk te maken dat de magie het wonder is, het verschijnsel dat op een truc berust. Het is het wonder voor het kind. Maar iemand die het leven kan aanvaarden, zal ook niet voorbijzien aan al die schijnbaar verborgen mogelijkheden, die er op een moment zijn en daarom is er voor hem geen wonder meer. Voor hem is het natuurlijk. En de mogelijkheden van de magiër zijn voor hem niet meer dan een kinderspel, omdat die maar op één aspect ingrijpen in de totaliteit. Terwijl de wijze zichzelf instelt op de werking van de mentaliteit die op een bepaald ogenblik heerst, de kosmische invloeden die op een bepaald ogenblik heersen of hoe je het verder wilt noemen en daarmee een eenheid tot stand brengt die het geheel beïnvloedt.

Is het zijn daarmee gerechtvaardigd? Is het daarmee verklaard? Ik betwijfel het. Ik betwijfel of wij ooit in staat zullen zijn om op voor een mens aanvaardbare wijze zonder te grijpen naar legendevorming of emoties die geen onderzoek en geen redelijkheid verdragen, duidelijk te maken dat ons leven zinvol is en betekenis heeft voor anderen dan onszelf.

Wat ik ben, ben ik vanuit mijzelf. Want ik maak mij een beeld van mijzelf. Ik mag mijzelf natuurlijk bedriegen. De meeste mensen kunnen de waarheid niet verdragen. Maar wanneer ik mijzelf bedrieg, laat ik dan in ieder geval beseffen dat ik mij bezighoud met een spel, niet met feiten. Wanneer ik mij bezighoud met de ontleding van mijn eigen persoonlijkheid, laat ik dan wel begrijpen dat ik de belangrijkste delen van die persoonlijkheid nooit kan benaderen, omdat ze redelijk niet benaderbaar zijn. Men heeft zich beziggehouden met introspectie, die men esoterisch noemt. Dan moet u heel goed begrijpen dat men alleen die delen van zichzelf kan zien die overeenstemmen met de denkbeelden, waarmee ik in mijzelf ga. Ik kan de totaliteit niet zien. Pas wanneer ik mijzelf probleemloos en complexloos kan aanvaarden, zal ik mijzelf als een totaliteit beleven, dan is de ontleding niet nodig en heb ik de beschikking over alles wat ik ben. Ook dat is geen rechtvaardiging. Maar het is in ieder geval voor de mens een bevrediging.

Op deze wijze beginnen met een reeks van esoterische lezingen mag voor u waarschijnlijk wat vreemd lijken. Want wat wij vanavond te horen krijgen zal in vele gevallen in strijd zijn met alle opvattingen die u hebt. Het gaat hier niet meer om de vraag of u het er mee eens kan zijn; het gaat om de vraag of u daardoor misschien kunt leren uw eigen concept van leven, van werken, van bewustwording te herzien of op een juistere wijze te waarderen.

Ik geloof dat wij met een juiste waardering moeten beginnen. Wanneer ik een wereld wetenschappelijk weet te ontleden en ik heb geen ziel, dan heb ik geen betekenis. Als je een mens ontleedt tot de laatste vezel en wanneer je in staat bent elk van de vezels opnieuw te maken en samen te voegen, dan heb je nog niet het geheimzinnige wat de mens eigenlijk maakt. Iets wat verdergaat dan het bewustzijn. Iets wat niet meer verklaard kan worden door materiele emoties. Wij hebben nu eenmaal een terrein, waar wij niet aan kunnen komen en dat zou het enige terrein zijn, waarop men bestaansrechtvaardiging zou kunnen vinden. Het zou het enige terrein zijn, waarin wij werkelijkheid kunnen ervaren. Laten wij ons dan niet al te druk maken met onze pogingen tot esoterie. Laten wij dan maar eerder proberen om de waarheid te zien. Dat is het standpunt van onze gastspreker. En wanneer ik dat standpunt zo uitvoerig probeer in te leiden, dan moet u daarmee niet denken dat ik het met al die dingen zonder meer eens ben. Zijn stellingen zullen u nu wel duidelijk zijn. U zult daardoor de beelden die hij eventueel zal gebruiken, waarschijnlijk juister kunnen waarderen.

Maar nu van mijn kant uit. Ik meen dat de mens die met de werkelijkheid moet leven, over het algemeen zal breken aan deze werke­lijkheid. Hij zal ze niet kunnen verdragen. Ik geloof daarom dat wij de behoefte hebben aan de verzachting van wat men godsdienst noemt, van wat men esoterie noemt enz. Ik zou de grondslagen waarop onze gastspreker zich baseert niet kunnen aanvechten. Maar ik kan wel degelijk aanvechten dat het systeem wat hij propageert voor eenieder zonder meer bruikbaar is. Jezelf rechtvaardigen in het bestaan wil heel vaak zeggen: voor jezelf het vermogen vinden, de kracht vinden om verder te gaan. Als je bestaan zinloos is, waarom zou je je dan moe maken? Maar je moet verdergaan; je moet je moe maken.

Daarom geloof ik dat die zelfrechtvaardiging, die wij dan soms bestaansrechtvaardiging kunnen noemen, betekenis heeft en ons in staat stelt voort te gaan. Ik weet niet of dat voortgaan zo belangrijk­ is. Wel weet ik, dat wij aan een voortgaan niet kunnen ont­komen, omdat het stoppen van een voortgang in de ene wereld onmiddel­lijk betekent het beginnen van een bewust verdergaan in een andere wereld. Wij kunnen er geen eind aan maken. Ik ben ervan overtuigd dat onze gastspreker in zijn denken al die werelden als een een­heid beschouwt. Maar dat kunnen wij niet. Wij moeten langzaam naar die werelden toe ontwaken. Dat wij daarbij moeten proberen een zeke­re objectiviteit te bereiken, dat ben ik direct met hem eens. Maar ik geloof dat ons maximum aan objectiviteit nog te subjectief is, omdat het de verhouding bepaalt vanuit een menselijk standpunt, omdat het de relaties bepaalt volgens de interpretatie die in ons wezen ligt, zodat zijn stelling: “u moet objectief zijn” eenvoudig een onmogelijke eis is voor de doorsneemens.

En ten laatste meen ik, dat ofschoon hij gelijk heeft wanneer hij zegt: “Elk moment begin je opnieuw, je begint steeds weer opnieuw, er is geen cumulatief effect dat je niet zelf veroorzaakt”, dat wij aan de andere kant geen afstand kunnen doen van deze gang door de tijd enz. Wij hebben een geheugen. Wij kunnen gisteren niet van vandaag en morgen scheiden. Zelfs wanneer wij begrijpen, dat ze niet zonder meer bij elkaar horen, zullen wij die verbinding voor onszelf maken en wij alleen op die manier het gevoel hebben, dat wij met de mogelijkheden en moeilijkheden van vandaag klaar kunnen komen op grond van wat wij gisteren geleerd hebben.

Het is natuurlijk aardig om te zeggen je behoeft niet te leren want je bent deel van de oneindigheid. Maar men schijnt nu eenmaal geschapen te zijn om te leren en een geest die uit een menselijke cyclus is voortgekomen eveneens. En de levensgang van onze gastspreker zelf, bewijst ook wel dat hij zelf wel degelijk een wordingsgang heeft doorgemaakt. Ik meen niet dat hij het recht heeft de zin daarvan zonder meer te ontkennen. Hij zou niet zijn wat hij nu is, wanneer hij niet geweest was, wat hij was.

En daarmee heb ik mijn eigen argumenten redelijk uitgebreid aan u voorgelegd. Ik zou vanuit mijn standpunt dit willen zeggen: Elke daad is voor ons belangrijk door het belang dat wij die daad toemeten, maar zonder dit gevoel voor belang voor de daad komen wij niet tot die daad. De daad is onze enige mogelijkheid tot ervaring. En daarmee dus uitbreiding van ons besef. Daarom kunnen wij ons niet aan waardering voor de daad onttrekken.

Ik meen dat wij een geloof nodig hebben, een verklaring, een sprookje desnoods, omdat wij niet in staat zijn zonder sprookjes de werkelijkheid te aanvaarden. En mijn argument tegenover enkele van de stellingen van deze gastspreker, die ik overigens zeer respecteer, is: Er zijn nu eenmaal feiten in het leven, die je een kind van 5 jaar niet zonder meer kunt voorleggen, zonder aanleiding te geven tot allerhande verkeerde ontwikkelingen, praktijken en misverstanden. Het kind moet groeien volgens de normen van zijn besef. Niet volgens de normen van besef van een bewustzijn dat boven hem staat als een volwassene, als een geleerde. T.a.v. de geest zijn velen van ons in de sferen en praktisch iedereen op aarde, kleine kinderen. En ik geloof niet, dat van ons verlangd kan worden, dat wij met het begrip, verantwoordelijkheidsbesef, eventueel werkelijkheidsbesef van een volwassene reageren. En wanneer u deze argumenten mede in beschouwing neemt, dan bent u misschien klaar om zo dadelijk na een korte pauze onze gastspreker aan te horen, zonder door hem overdonderd te worden. Want vergeet één ding niet: wanneer hij zegt, dat u objectief moet zijn, moet u het ook zijn t.a.v. uzelf. Ook wanneer hij nu toevallig hoger is dan u.

Vorm uw eigen oordeel, zoek zelf uit wat deze zienswijze, deze denkwijzen kunnen betekenen voor u. Pas dan heeft het zin, dat deze spreker komt. Wanneer u zonder meer probeert zijn stellingen te aanvaarden en te ondergaan, dan spijt het mij voor u. Invloeden, die gewekt worden door zo’n spreker kunnen een zekere emotionele overdracht betekenen, tijdens zo’n bijeenkomst. Die emotie zal u ongetwijfeld helpen om bepaalde delen van hetgeen zo’n spreker probeert te zeggen, beter te ontvangen en juister in uzelf te fixeren. Maar de intensiteit van de emotie hoeft niets te maken met de voor u bestaande waarheid van de boodschap. Wilt u ook dat a.u.b. onthouden?

Ik ben zeer benieuwd hoe dit experiment verloopt; of wij inderdaad in staat zullen zijn voor deze groep sprekers te laten komen, die zodanig verschillen van het gangbare en toch zo dicht bij de waarheid staan, dat ze moeten worden beschouwd en beseft, zonder dat je ze kunt volgen of helemaal goedkeuren.

De Gastspreker

Ze hebben mij gevraagd om geciviliseerd te zijn en ofschoon men je vaak het onmogelijke vraagt, doe je je best. Wanneer je tracht met de mensen te praten, dan proberen ze onmiddellijk het om te zetten in datgene wat zij interessant vinden. Het is allemaal een kwestie van hoe je het bekijkt. Mannen praten, vrouwen kletsen, de inhoud is dezelfde. En zo gaat het heel vaak met godsdienst, met filosofie, met esoterie enz. Je kunt andere woorden gebruiken, maar de inhoud is meestal dezelfde. Het is een vaag omhoog zweven om dan met een smak naar beneden te komen en wat overblijft is zo plat als een dubbeltje. Als je alle hoge en esoterische en godsdienstige stellingen gaat ontleden, dan komt het er allemaal op neer, dat wij een hele roman maken van iets waar wij toch niets van weten. En nu kan een roman uitermate interessant zijn. Ik heb mij met veel vreugde verdiept in allerhande verhandelingen over wat de Boeddha eigenlijk had moeten zeggen en wat hij bedoelde toen hij zei wat hij zei. Maar hij zei het natuurlijk wat anders dan de uitlegger meende.

En zo ben ik tot de conclusie gekomen, dat al die dingen eigenlijk alleen in hun verband kunnen worden gezien op het ogenblik dat ze er zijn. In de tijd dat de Boeddha wat tegen zijn leerlingen zei, was dat op dat moment misschien een grote waarheid. En volgens mij – oud monnikje ‑ hebben heel veel geleerde koppen er daarna onzin van gemaakt. Ik vind dat de meeste mensen dat doen. Wanneer je leeft kun je je afvragen, waarvoor je leeft. Maar al weet je waarvoor je leeft, je leven verandert niet. Waarom zou je je dan afvragen waarvoor je leeft? Wanneer ik een brief wil schrijven aan een ander, moet ik dan weten hoe het alfabet is ontstaan of moet ik nagaan hoe de ideografie zich verder ontwikkeld heeft? Het heeft er niets mee te maken.

De kern van de zaak ‑ zoals ik ze zie ‑ is heel eenvoudig. Ik leef. Wanneer ik leef, denk ik. Er zijn dingen waaraan ik mij niet kan onttrekken, die doe ik. Er zijn dingen waaraan ik mij zou kunnen onttrekken, maar mij niet aan wil onttrekken. Die doe ik ook. En er zijn veel dingen waaraan ik mij graag zou willen onttrekken, maar niet aan kan onttrekken en ook die doe ik. M.a.w. ik maak niet uit wat ik doe. Dat maken de omstandigheden uit. Het enige wat ik uitmaak, is de manier waarop ik het doe. Wanneer ik met een yakkaravaan over een pas trek, dan kan ik dat doen voor een bedevaart. Ik kan het doen omdat het een heldendaad is; omdat het een edel beroep is en ik kan het ook doodgewoon doen, omdat ik geen andere methode weet om te eten. In alle gevallen heb ik dezelfde pijnlijke voeten; ga ik dezelfde koude bittere weg; kom ik op dezelfde manier tot het einddoel. Alleen de manier waarop je de reis maakt kan verschillen. Het is de vertoning, die je er voor jezelf bij fabriceert.

Wanneer ik begin met te aanvaarden dat ik aan de weg zelf, zoals ze voor de wereld is, niets kan veranderen, dan moet ik ook toegeven, dat alles wat ik er zelf aan vastknoop eigenlijk maar een zuiver persoonlijk ideetje is, een droom. Er zijn mensen, die proberen om omhoog te komen. Dat heb ik zelf ook gedaan. Ik heb een chela gehad ‑ een bergbewoner ‑ een goeie man, die zei tegen me “eerwaarde” (nu ja, vrij vertaald, een eerwaarde ben ik nooit geweest en waardig alleen, als het niet anders kon) ik wil graag hoger op.” Toen heb ik gezegd: “Jongen, daar is een berg. Dan kun je klimmen.” Hij zei: “Ik wil geestelijk hoger op.” Toen heb ik gezegd. “Als jij klimt, klimt je geest mee.” Later heb ik gehoord – ik heb hem als leerling genomen, de man meende het eerlijk ‑ dat hij beweerde dat ik hem op de proef had gesteld. Want hij kon niet begrijpen dat ik meende wat ik zei. En laten wij nu eens even veronderstellen dat er ergens een God is of een wet, die zegt wat hij bedoelt. Maar wij maken ervan wat wij er van willen maken. En dat is een grote fout. Wij maken ervan wat wij er van willen maken. Maar wij kunnen niets veranderen aan de werkelijke mogelijkheden en de werkelijke noodzaken. Ik behoef helemaal niet mijn leven te verklaren, ik moet het leven. Ik behoef helemaal niet duidelijk te maken, waarom ik in het verleden zus en vandaag zo heb gehandeld. Ik moet alleen maar vandaag handelen zo ik denk dat het goed is. En waarom denk ik dat het goed is? Dat heb ik mij vaak afgevraagd. Ik denk meestal dat iets goed is, omdat ik niets beters weet. M.a.w. dat wat wij het goede noemen, is over het algemeen het resultaat van ons onvermogen het betere te erkennen.

Ik ben gastspreker hier vandaag en ik moet hoog en geestelijk praten. Toen ik voor de eerste keer meeging met de paarden zei een mohammedaan ‑ een flinke kerel ‑ “Klim maar op een paard.” Ik heb gedacht: dat moet je dan maar doen. Als u nagaat dat het mij driemaal zoveel tijd kostte om erop dan naar beneden te komen, en dat ik praktisch niet gezeten heb, kunt u misschien begrijpen, waarom ik vaak meen dat klimmen weinig zin heeft, voordat ik weet wat ik precies wil. Ik dacht: nu ja, je gaat op dat beest zitten. Dat beest loopt en jij spaart je voeten. Dat is later waar gebleken. De schade zat ergens anders. Als ik een denkbeeld heb, een godsdienst, een geloof, een filosofie ‑ hoeveel van die lievelingstheorieën hebben jullie niet ‑ denk je: “Ik kan er zo wel opklimmen, dan gaat het beter.” De pijn komt later, omdat wij ons niet realiseren dat wij het één niet voor het ander werkelijk kunnen verruilen. Die leerling van mij kwam bij mij omdat hij geestelijk omhoog wilde. Het enige wat hij had geleerd toen hij bij mij wegging was beter uit zijn doppen kijken. Een beetje meer begrijpen misschien. Niet weten, maar doodgewoon begrijpen, wat er zo’n beetje aan de hand was. En omdat de meeste mensen niet begrijpen wat er aan de hand was, hebben ze gezegd, dat hij een wijze was. Maar hij was net zo stom als ik. Want ik houd er niet van om al die theorieën op te bouwen.

Dus hoop ik niet, dat ik iemand in zijn lieve gevoelens schok. Niet dat het die lieve gevoelens zou schaden, wanneer ze eens een keer geschokt zouden worden, maar het is niet geciviliseerd. Je leeft. Dat leven is één en dezelfde. Dat betekent dat niets wat je doet, je leven verandert. Je leeft. Dat leven kan niet worden beïnvloed door wat je doet of laat. Alleen wat jij van dat leven vindt kun je veranderen door wat je doet of laat.

Zonde is over het algemeen een deugd, die anderen niet waarderen. Een deugd is over het algemeen dwaasheid, die anderen aangenaam vinden. Een goddelijke wijsheid is een wijsheid, waarvan niemand de oorsprong weet of vaker nog een wijsheid, waarvoor men zelf de verantwoordelijkheid niet durft dragen. Een openbaring is over het algemeen een fantasie zonder bronvermelding, die ernstig wordt genomen. Als je dat zo bekijkt ga je misschien langzaamaan zien dat het zo weinig zin heeft je er druk om te maken. Het is niet belangrijk wat je bent of wat je wordt volgens je eigen idee. Je bent. Je bestaat. En met dat bestaan moet je tevreden zijn. Wat je aan dat bestaan verandert, betekent misschien een verschuiving van lasten. Toen ik eindelijk had leren paardrijden ruilde ik zere voeten voor een zeer achterste. Maar de pijn bleef. En zo gaat het jullie precies eender.

Er zijn mensen die zeggen dat alles volgens bepaalde regels moet gaan. Ik had er één in het klooster, die in uw tijd vast en zeker een hoge ambtenaar geworden zou zijn, want hij wist niet anders dan: zo hoorde het. Van elk kroesje met drank, elk bordje met spijs tot de rangorde waarin je zat en de manier waarop je binnenkwam: hij wist, hoe het hoorde. Maar toen ik eenmaal dan toch eindelijk zijn baas werd, hield ik mij er niet aan. En weet u wat er gebeurde? Er veranderde niets, behalve het humeur van die monnik. M.a.w. het was niet belangrijk. Hij maakte het belangrijk. In je leven is het belangrijk dat je er bent. Dat je kunt lachen en desnoods een keer huilen. Dat is ook gezond. Het is helemaal niet belangrijk dat je later je stempel op de wereld hebt achtergelaten. Wat dat betreft, menigeen die meent zijn zegel op aarde achtergelaten te hebben, ziet niet meer dat het door het nageslacht wordt weggeruimd als het uitwerpsel van een onrein dier op een heilige plaats.

Wij moeten eenvoudig inzien dat het niet belangrijk is wat we voor later zijn. Belangrijk is wat wij nu zijn. Dat het niet belangrijk is hoe wij zijn, als we maar zijn. En als je een eenvoudige mening wilt hebben van een eenvoudige monnik: je kunt haast niet anders zijn. Ik heb veel mensen meegemaakt met goede voornemens. Ik heb maar weinig goede voornemens ten uitvoer zien brengen. Ik heb mensen gezien, die het klooster lasten vol van voedsel, van bezit beloofden toen ze het klooster nodig hadden en zelfs wanneer ze hun zin kregen, schrompelde over het algemeen zowel de lasten als de lastdieren enorm in elkaar totdat je het in je achterzak kon meenemen. Soms was het zoveel wat overbleef, dat het ternauwernood genoeg was om een kleine versiering op de rijst in een nap te vormen.

U belooft grote dingen aan de wereld en aan uzelf en u beleeft enorme drama’s en u hebt zielestormen tot en met. En als je het uiteindelijk bekijkt, wat blijft er dan over? Niets. Je bent wanhopig. De wereld is vandaag ten einde gekomen. Jawel, maar morgen begint hij opnieuw te draaien. Heeft het dan zin, om je daar dan zo mee bezig te houden? Heeft het dan zin om later te zeggen: ik ben wanhopig geweest? Is het niet veel beter om te zeggen: wij leven nog? En nu verwacht u van mij dat ik hoogdravend word. Dat hebben ze altijd van mij verwacht. Wanneer wij vanuit de voor ons bestaande zuilen van begrip, van gedrag en van daden onszelf opbouwen, dan komen wij hoogstens zover dat wij eerbied krijgen voor onszelf. Wanneer wij ons karma vormen door het ijverig streven in dit leven, dan haalt u in het volgende leven wel weer andere stommiteiten uit. Dat zijn de feiten. De feiten zijn niet dat wij voortdurend zoveel mooier, zoveel beter en zoveel heiliger worden. De feiten zijn niet dat we voortdurend dichter bij het middelpunt van het Zijn komen alleen maar door ons streven. Het gebeurt eenvoudig.

Ik ben kluizenaar geweest en het kluizenaar‑zijn had zijn voordelen. Ik zat in een behoorlijk droge grot. Ik had een paar boekjes bij mij. Ik had een redelijke slaapplaats en de vrome bevolking kwam mij alles brengen wat ik nodig had. Ik behoefde geen poot uit te steken. En ik kan u vertellen: dat is heel wat anders dan b.v. sjouwen met het water voor een stelletje mensen die het toch verknoeien. Ik was dus kluizenaar. Ik was heilige en ik zat en ik weet verduveld goed dat ik misbruik maakte van de mensen. Dat zei je natuurlijk niet. Je gaat je broodwinning niet wegooien, maar ik wist het. En toen kwam op een gegeven ogenblik er één bij mij om een grote gunst. Een zieke. Wat moest ik doen? Het was één van mijn goeie klanten, zij bracht steeds nieuw aan en zij kookte goed ook. Dat was ideaal. Dus wilde ik haar troosten. Ik zei: “Het is goed. Ga maar naar huis, die ziekte zal voorbij zijn.” Maar ik had niets en ik kon niets. En die ziekte was over. Wilt u geloven dat ik er zelf bijna ziek van geworden ben?

Er werd verondersteld dat ik mediteerde over het oneindige. Soms deed ik het zelfs. Op een dag zat ik weer te mediteren. Te mediteren over van alles, maar niet over het oneindige. Toen was het net of er ineens een draadje knapte en voor ik het wist, zat ik in het oneindige. Ik was zo erg onder de indruk, dat ik mijn grot heb verlaten en ben gaan trekken. Ik ben in het klooster terechtgekomen.

Maar goed, was het nu zo belangrijk wat ik deed? Neen, het was belangrijk wat ik beleefde. En wat ik beleefde veroorzaakte ik zelf niet. Noem het een toeval dat iemand geneest, wanneer ik zeg: “Ge zult genezen.” Noem het toeval dat ik doorbreek in een nieuw begrip en een nieuwe wereld, op een ogenblik dat ik zit na te denken over zeer tijdelijke zaken onder het mom van een vrome meditatie, maar het gebeurde. Ik deed dit niet. Dat is gedaan. Zou ik mij dan bezighouden met u aan te bevelen te doen, wat ik heb gedaan? Ik heb mijzelf bedrogen en de mensen soms ook. Ik moet zeggen dat ik meer plezier had van het bedriegen der mensen, dan van het bedriegen van mijzelf. Maar ik ben geworden tot iemand die meer wist. Is dat karma? Natuurlijk. Degenen, die eraan geloven, zeggen: “Dat is karma, want anders had je het niet gekregen.” Maar ik zeg u: neen. Met wat ik nu weet zeg ik: dat was geen karma. Dat was mijn leven. Dat was de kracht van mijn leven dat op dat moment sluiting maakte met iets groters. Een contact, een verbintenis, die niet meer te verbreken was, of ik het wilde of niet. Wijsheid, och, wat heb ik veel wijsheid moeten horen. Dat is het nadeel, wanneer je abt bent van een klooster. Als kloosteroverste moet je klaar staan voor monniken met hun problemen. Dan komen ze bij je om je te laten zien hoe vroom, hoe goed en hoe wijs ze zijn. Als je dan hoort wat voor een onzin ze afdraaien, dan kun je medelijden hebben met elke kloosteroverste. Wijzen noemden ze zich. Omdat ze wat woorden wisten te rangschikken om iets te verklaren, wat zonder dat ook gebeurde. Is de verklaring nodig? De verklaring is alleen nodig wanneer je het nog een keer moet doen. En als ik iets ervaren heb, weet ik wat het inhoudt en dan kan ik het nog een keer doen.

Als je nu de bergen intrekt met paarden en een karavaan, dan ben je helemaal alleen. Dan is het net of die hele wereld bezield is. Oh ja, ik heb ook offers gebracht aan de demonen en de goden, geloof dat maar. Maar wat is nu eigenlijk datgene wat ik ontmoet? Wanneer ik het houd bij wat het is, dat zeg ik: het is de wind, het is een sfeer. Of er is een dreiging in de omgeving in de rotsen. Ik hoor ergens geluid. Wat is het? Vallend gesteente, uitzettend steen, krimpend steen dat in de warmte uitzet en nu scheurt en barst misschien? Wat hoor ik dan? Dan was ik niet bang geweest. Maar omdat ik niet zag wat er was, niet hoorde wat er was, zag ik rond mij duistere demonen, ik zag grijpklauwen die uit de storm kwamen om mij bij mijn kraag te pakken en in de afgrond te gooien. Dan ben je bang, doodsbang. Van jezelf. Je bent bang, omdat je niet weet wat er werkelijk is en omdat je jezelf te veel beelden maakt om de moed te hebben het uit te zoeken.

Het is niet mijzelf gebeurd, maar het was de karavaan van Macop (??). Die mannen waren in de wildernis en die hoorden plotseling een gekrijs naar zij verklaarden en die zijn gewoon op hol geslagen. Ze zijn weggevlucht. Ze hoorden demonen. De bewoners van het dorpje, dat de mannen daar niet wisten liggen, hebben er veel van genoten dat meisjes in het water elkaar bij het baden aan het plagen waren. Want die hadden zo gegild. Ze waren te laat in het water, daaraan had niemand gedacht. Wij vluchten weg voor dingen, die heel gewoon zijn en wij voelen ons verheerlijkt door dingen, die heel gewoon zijn. Waarom zouden wij dan zelf niet eerst heel gewoon zijn?

Alles is belangrijk, zolang ik het zie voor wat het is. En al degenen die er wat anders van maken, zijn maar prutsers. En nu wil ik u niet te lang plagen, ofschoon ik, wanneer ik aan het woord ben, het heus wel een tijd kan uithouden.

De eeuwigheid bestaat niet. De tijd bestaat niet. Het leven bestaat. Leven bestaat in zichzelf. Uit zichzelf. Al het andere is een verschijningsvorm van één en hetzelfde leven. Wat ik ervan maak verandert niets aan het leven. Ik kan niet schuldig zijn. Ik kan niet mislukken. Ik kan niet onschuldig zijn en gelukken. Ik kan alleen zijn wat is. Mijn lot is mijn droom die ik droom, omdat ik de werkelijkheid niet kan aanvaarden. Het gebeuren is het spel dat ik weef om het geraamte van de werkelijkheid. U wilt wijs worden? Wijs zijn wil zeggen, eenvoudig zijn. Niet in manieren maar in je denken. Hoe minder ingewikkeld je denkt, hoe dichter je bij de waarheid bent. Hoe zegt men het ook weer modern? Complexiteit betekent toename van onbetrouwbaarheid.

Dat geldt ook voor uw denken. Denk eenvoudig. Observeer, maar observeer eenvoudig. Zeg niet, ik zie iemand in zee zwemmen, dus de zee is warm, het weer is glad en koel. Zeg: ik zie iets of iemand in zee. Basta. Zeg niet: God zendt zijn engelen om iets te openbaren. Zeg alleen: ik ontdek iets, wat ik nog niet wist. Zeg niet meer dan je kunt verantwoorden, zeker wanneer het gaat om geestelijke waarden. Besef, dat alles waar je twee keer over denkt voordat je het zegt, al onwaar geworden is. Nadenken betekent heel vaak de waarheid voortdurend met kleine beetjes zo veranderen, totdat je ze eindelijk durft aanvaarden. Zie, aannemen en dan misschien de verschillende dingen bij elkaar voegen, dat kan. Een zwemmer in zee wil niet zeggen: de zee is warm. Wil ook niet zeggen: de zwemmer zwemt voor zijn plezier. Het wil alleen zeggen: er is een zwemmer in zee. Een bergbeklimmer gaat misschien voor zijn plezier naar boven, misschien ook omdat hij uit bijgeloof denkt iets te verdienen. Misschien omdat hij net zo gek is als ik vroeger en denkt dat de eenzaamheid van de bergen de goden dichterbij brengt. Je weet het niet. Zeg niet: hier gaat een heilige of een bergbeklimmer of iemand voor zijn plezier. Zeg: een mens gaat de berg op. U zult zeggen: dan begrijp je niets. Neen. Maar dan weet u, wat waar is. Nu lijkt het mij belangrijker te weten wat waar is, dan om te pretenderen dat je iets begrijpt, tot je het ten slotte toch mis blijkt te hebben.

Gelijk hebben is een ziekte van de mensen, weet u dat? Daarom heb ik zoveel gelijk gehad in mijn leven. Ziekelijk. Gelijk hebben, wil alleen maar zeggen: je eigen oordeel, gevoelens en de rest boven die van anderen stellen en wanneer je anderen nu zover krijgt dat die het toegeven, heb je gelijk. Men heeft mij eens een keer gevraagd ‑ het was een brahmaan van tamelijk hoge kaste: “Hoe komt het toch, dat een vrouw altijd het laatste woord heeft?” Mijn antwoord was: “Omdat de man te dwaas is om te zwijgen wanneer ze met haar eerste woord begint.” Dat noemen ze wijs. Het is natuurlijk niet wijs. Maar het betekent dit: wanneer ik ga argumenteren met iets of iemand anders, om de andere te bewijzen, dat ik gelijk heb, dan werk ik mijzelf meestal in het ongelijk. Redelijk, emotioneel of anderszins. Dat is eigenlijk het woord. Ik ben. Wat er omheen zit is niet belangrijk. Ik ben heel wat geweest in dat leven van mij op aarde. En op het ogenblik maak ik mij moe met heel veel dingen. Zeker, mijn oplossing van menig moeilijk probleem is een paardenvijg gooien, terwijl een ander denkt aan een kosmische oorlog.

Maar ik zie de feiten ook van mijn wereld en van mijn sfeer elk moment opnieuw. Iets blijft niet gelijk omdat het eens zo was. Dat geldt geestelijk zowel als stoffelijk. Er verandert iets, of je het ziet of niet. Daarom moet je het elke keer opnieuw zien, opdat je kunt zien, wanneer het verandert, wanneer het Zijn een andere relatie toont. Geestelijk betekent dit: de waarheid van vandaag is morgen niet meer diezelfde waarheid. Ze is anders. Ik moet ze opnieuw zien en erkennen. Het betekent: de vrees van vandaag heeft morgen een ander gezicht, ook al lijkt ze dezelfde te zijn. Dat betekent mijn begeren van vandaag is morgen een ander begeren, ook al lijkt het of het gelijk gericht is. Laat ik het steeds opnieuw zien, opnieuw beseffen, elk ogenblik opnieuw. Niet erover nadenken, wat het morgen kan worden, maar wat het nu is. Wat ben ik nu. Niet: wat beteken ik? Neen. Wat ben ik. Ik leef. Ik ben blij, ik kan lachen. Ik heb plezier in mijn leven. Ik word wel gerespecteerd, niet gerespecteerd. Ik ben wel fatsoenlijk of niet fatsoenlijk of zo tussen beiden (de meeste mensen). Dat geeft niet. “Wat ben ik nu”? Geen oordeel. Gewoon uw leven. Wat is mijn bestaan op dit moment. Dat is belangrijk. En al het andere niet.

Tegen mij is eens gezegd: “Waarom spreek je zo lang?” Toen heb ik gezegd: “Omdat het spreken mij meer verheugt, dan ik aanneem dat het luisteren u bedroeft.” Toen zeiden ze: ”En als het luisteren ons bedroeft?” Toen zei ik: “Stop dan je oren maar dicht, want ik houd mijn mond niet.” U lacht erom. Maar is dat niet de werkelijkheid? Als ik mijzelf graag hoor spreken, dan neem ik toch aan dat een ander mij graag aanhoort? En als hij het niet doet, laat hij dan maar weggaan of zijn oren dichtstoppen; misschien dat ik dan begrijp dat de relatie anders is. Want anders begrijp ik het niet. Wees in je reactie op de feiten eerlijk. Neem de dingen niet omdat het toevallig nu beleefder, netter of mooier is of omdat je eerbied bent verschuldigd of niet. Laat ik het zo zeggen: Er was een hoveling, die zo eerbiedig was, dat terwijl hij weg moest gaan vanwege dringende natuurlijke noodzaken, hij bleef luisteren, totdat de noodzaak zich ter plaatse voltrok. De geur, die die man verspreidde had hem bijna zijn kop kunnen kosten.

Wij zijn soms zo ontzettend eerbiedig tegenover God, tegenover de kosmos en tegenover de rest, dat wij doodgewoon blijven staan, totdat wij onszelf in gevaar brengen. Omdat we niet zijn zoals wij zijn. Wees wat je bent, wees zoals je bent. Vraag niet of een ander dat goedkeurt of niet. Daar hebt u niets mee te maken. Maar jij, met jouw directe werkelijkheid, bent de enige waarin de zin van het leven tot uiting komt voor jou. En wanneer u weigert dat te aanvaarden, komt u steeds in moeilijkheden.

Men heeft tegen mij gezegd, dat ik grote kosmische wijsheid moest brengen. Het spijt mij, maar mijn kosmische wijsheid is doodeenvoudig. Mijn kosmische wijsheid is: Mens, leer te leven wat je bent volgens de erkenning en de noodzaak, die nu bestaat. Dan zal al het andere vanzelf wel ontstaan als het voor jou nodig is of bij je hoort. Het leven in zichzelf dat in jou is, dat bestaat; wat je bent, dat zal toch waar maken wat daar in is. Of u het nu goed vindt of niet.

Leef elke dag, elk moment opnieuw. En misschien dat ik hier dan een christelijke zin kan gebruiken, die mij eens is opgedrongen door een vorst ergens in het zuiden t.w.: “Vraag en u zal gegeven worden. Klopt en u zal worden opengedaan.” Toen heb ik gezegd: “Ja, dat is natuurlijk waar. Wat je vraagt, werkelijk vraagt, zal je gegeven worden. Maar als je iets vraagt, wat niet bij je hoort, dan heb je de ellende ook aan jezelf te wijten.” Klopt en u zal worden opengedaan, maar kijk goed uit aan elke deur je klopt, anders stap je een rovershol binnen i.p.v. in een prettiger huis. En die consequentie hebben ze nooit getrokken.

Ik moet weten waar en dat kan ik alleen weten uit dit moment dat ik ben. Nu. Alle kosmische wijsheid, alle bewustwording, alle ontplooiing, alle geestelijke verheffing en hoe het heet, is daartoe te herleiden. Wees jezelf en handel niet volgens bepaalde ideeën, die een ander je aanpraat of wat gisteren is geweest, maar volgens dat wat nu, vandaag belangrijk is. Als je dat doet, dan zullen er waarschijnlijk hemelpoorten opengaan, zelfs wanneer je het helemaal niet bedoelt. Dan krijg je wat je werkelijk nodig hebt. Kort en goed, dan krijg je de verbinding, die voor mij mijn leven deed veranderen. Die voor mij langzaam maar zeker ‑ hoop ik – permanent wordt. Het is in ieder geval iets wat ik steeds terugvind. Maar als ik het beleef, is dat de enige werkelijkheid. En als ik het niet meer beleef, is er niet mijn verwachting, mijn leed over het verlies. Maar dan leef ik verder wat ik ben. Daardoor alleen vind ik het terug.

Ik hoop dat u op uw eigen manier hetzelfde kunt vinden. Wees wat je bent, elk moment opnieuw. En laat het leven in jou zich vervullen. Elk moment weer, volgens dat wat in dat leven bestaat en wat je als mens en ook als geest, toch nooit helemaal doorkrijgt.

En nu laat ik deze stoffelijke sporen weer achter mij. Ik heb weer ontdekt dat gezeten zijn soms een pijnlijke zaak kan lijken, althans ongenoeglijk. U zult waarschijnlijk zeggen dat ik wegzweef. Ik voor mij zou liever zeggen: ik keer terug tot dat, wat ik in de eerste plaats ben. Ofschoon ik, tot u komende, was wat ik zo kan zijn. Want het is mijn leven, dat spreekt, hier en elders. Leef uzelf.