Levenswaan

 7 augustus 1959

Ik zou u er graag op willen wijzen dat wij niet onfeilbaar zijn en ook niet alwetend.  Vanavond zullen wij spreken over: Levenswaan.

Er zijn ontzettend veel illusies in de menselijke maatschappij aan te wijzen, die op zichzelf onschuldig zijn, maar die gezamenlijk soms leiden tot een afwijking van het belangrijke in het leven. Neem nu maar bv. het idee: als je nu maar ƒ 400,- verdient in de week, dat je het goed hebt. Men vraagt zich niet af, of je voor die ƒ 400,- nu meer kunt kopen dan vroeger voor ƒ 20,- dat interesseert niet: wij moeten ƒ 400,- hebben. Dus dat is de getallenwaan.

De getallenwaan vervreemdt de mens totaal van de werkelijkheid. Het gaat er niet meer om of hij gezond leeft, maar het gaat hem er om, of hij wel krijgt wat naar zijn inzien belangrijk is. Dit leidt ertoe dat men steeds meer overtreffende trappen is gaan scheppen op allerhande terrein. Men bewijst dat u tegenwoordig veel welvarender bent dan al uw voorvaderen. Men bewijst dat de sanitaire situatie in de wereld op het ogenblik veel beter is dan zij geweest is, sedert Adam en Eva uit het paradijs verdreven werden. Van voor die tijd durft men niet te veel te zeggen, want dat staat nauwkeurig in de Bijbel. Er waren vier rivieren, dus daar kun je niet verder over twisten.

Deze poging tot zelfsuggestie: wat hebben wij het goed, brengt met zich mee dat de mens het slachtoffer wordt van heersende opinies. Hij gaat niet zeggen: het is mogelijk dat wij hier een fout maken. Hij gaat zeggen: wanneer dit niet goed is, gaan wij het beter doen….. en dan gaat hij verder in dezelfde richting.

Een van de opvallende verschijnselen – dames, hier kunt u uw aantekeningen maken om dadelijk in verweer te komen – is de volkomen foutieve reactie die in de mensheid ontstaan is door het zogenaamd feminisme. De vrouw begint hoe langer hoe meer op de voorgrond te komen. Zij begint a.h.w. te domineren. Zij heeft dat wel altijd gedaan, maar dat heeft zij zich klaarblijkelijk nooit gerealiseerd. Het gevolg is, dat haar normale eenheid met de man, dus het gelukkige huwelijk, voor haar eerst op een tweede of derde plaats komt. Soms zelfs helemaal achteraan hinkt. Voorbeeld: In de Ver. Staten tijdens een bal bleek dat er van de 1.000 jongedames die ondervraagd werden, er nog geen vijftig als ideaal stelden een goed huwelijk. Er waren er wel een hele hoop die wilden filmster worden, ook waren er veel die beweerden dat zij career-girls wilden worden. U weet wel: dat zijn de dames die de ravages van overmatig werk steeds weer kunnen laten herstellen, dank zij het hoge inkomen dat zij hebben. Hun onrust en ongeluk praten zij dan uit bij een psychiater, omdat zij verder geen toevlucht hebben.

U lacht daar nu wat om. Maar is het feitelijk geen treurige situatie? En zo is er meer. Wij horen steeds weer dat politiek zo belangrijk is. Wij horen zelfs vaak dat het je houden aan de politieke ordening belangrijker is dan je te houden aan je eigen voorstelling van wat God nu eigenlijk van je verlangt. Aan de belangrijkheid van het geloof zonder meer gelooft eigenlijk niemand meer. Integendeel, men is in vele gevallen zo ver gegaan, dat wij duidelijk ervaren, dat de godsdienst eigenlijk alleen maar een politieke stroming meer is geworden. God is zo langzamerhand schuilgegaan achter de verkiezingspropaganda en mogelijkerwijze ingeslapen onder alle onzin die men in zijn Naam “den volke verkondt”. Dan vertelt men de mensen dat het zeer belangrijk is, dat men kiezen kan uit vele producten. Daar ben ik het volkomen mee eens. Wanneer het te minste werkelijk differente producten zouden zijn. Maar tegenwoordig zijn de verschillen vaak meer in de gevoerde reclamecampagne gelegen, dan in het product zelf. Ik denk hier aan een onderzoek dat zich uitstrekte over 27 verschillende merken zeeppoeder. Hierbij bleek dat de gemiddelde reiniging- en bleekwaarde, ja, zelfs de bestanddelen, praktisch gelijk waren. Het grote verschil lag hoofdzakelijk in de verpakking. Maar ja, wanneer u hoort dat X altijd witter wast dan Y, dan koopt u natuurlijk X. En dat betekent de winst van X.

De levenswaan is helaas niet alleen beperkt gebleven tot zuiver stoffelijke aspecten. Wij vinden een poging tot vlucht uit de werkelijkheid, bv. naar de toekomst. Ik denk hierbij o.m. aan het verschijnsel sciencefiction, dat voor het eerst werd uitgebuit door Jules Verne en op interplanetaire basis werd gebracht door de heer H.G. Wells. Deze soort van toekomstdromen heeft een zeer grote belangstelling gewekt en is in sommige gebieden zelfs de opvolger geworden van de western en de moord- en doodslagroman. Typisch is echter bij dit verschijnsel, dat de doorsnee van deze verhalen pessimistisch is zonder einde. De wereld wordt bedreigd door wezens, die veel sterker en slimmer zijn dan de mensen van de wereld. De wereld wordt bevrijd door helden uit de ruimte. Men beschrijft bij voorkeur dictatoriale werelden, werelden die juist zijn onder gegaan, ofwel vlak voor de ondergang staan. Dit pessimisme als basis van een soort ontvluchtingslectuur wijst er op, dat ergens tekorten bestaan. Ik zou haast willen zeggen: geestelijke tekortkomingen. Een wantrouwen t.o.v. de morele waarde en het levensdoel van de mensheid. Of wij nu zien naar Aldous Huxley met zijn “Brave New World”, of naar Orwell met zijn “1984”, of wij zien naar de verhalen van Murray Leinster, of A.E. van Vogt, altijd weer klinkt dit wanhopig pessimisme mee. En de massa grijpt daar naar.

Daarnaast ontwikkelt zich een steeds grotere belangstelling voor oorlogsliteratuur. En dan wel speciaal de soort die gaat over het onrecht dat aan dappere strijders werd aangedaan, of de vuile zaakjes van de leiders voluit uit de doeken doet. Ook blijkt er een steeds grotere belangstelling te komen voor seksuele geheimen en schandaaltjes, al of niet waar. Deze tendens vinden wij niet alleen in de U.S.A. of Nederland. In Rusland en Duitsland of China bestaat dit alles even goed. Naar mijn mening duidt deze belangstelling op een grote onderbewuste angst. Een angst die klaarblijkelijk niet verdreven kan worden met zoveel procent opslag, een hogere productie, of de belofte dat na de voleinding van het zeven jaren plan, een ieder een overvloed ter beschikking zal staan.

Wat kan de mens dan op het ogenblik gebruiken? Wat heeft de wereld nodig? In de eerste plaats wel – zou ik zeggen – een wat helderder verstand, een beetje meer inzicht. Het is klaarblijkelijk heel gemakkelijk om met gewichtige gezichten te redeneren over hetgeen er zal gaan gebeuren na een topconferentie en over de ontwikkeling van een nieuwe crisis, wanneer de Dow Jones index in elkaar stort. Wij horen dergelijke dingen vaak. Het is aardig. Maar het zegt niets. Wat heeft dit voor de wereld te betekenen? Wanneer men u vertelt, dat u leeft in het meest welvarende land ter wereld, dan vindt u dat heel mooi. Maar tevreden bent u niet. Wanneer men u vertelt, dat u knapper, intelligenter, beter gehuisvest bent dan alle andere volkeren, bent u daardoor dan meer innerlijk blij? Zijn dit dingen die u ook maar iets gelukkiger maken? Of, het tegendeel? Wanneer u hoort dat overal rond u de atoomoorlog dreigt, verandert dat iets aan uw werkelijk leven? Bent u dan ook daarvoor niet net zo blind, als u zelf maar wilt?

De wereld van heden is een wereld die bij voorkeur in waan haar toevlucht zoekt. Zij wil geen realiteiten zien. Dit geldt niet alleen in het groot. Het geldt in het kleine net zo goed. De doorsnee mens heeft namelijk een tekort aan inhoud, ofschoon er natuurlijk wel uitzonderingen zijn. Laat ons aannemen dat alle aanwezigen onder die laatsten behoren, want ik heb geen zin met ieder van u afzonderlijk te gaan strijden over het al of niet inhoud hebben. Dat is wel heel politiek hé? Maar bij elke generalisatie zijn nu eenmaal uitzonderingen mogelijk en zelfs vaak noodzakelijk. Waar ik hier generaliseer over toestanden, die geheel de wereld betreffen, moeten er wel miljoenen uitzonderingen ook zijn. Het gaat mij echter niet om het vaststellen van de toestand van een enkel individu, maar om het omschrijven van de levenswaan, die heerst over heel de wereld.

De oppervlakkige mens is zelden tevreden. Ik kom dan wel eens in de verleiding die mensen te vragen: wat willen jullie nu eigenlijk werkelijk? Minder belastingen? Wordt u daar beter van? Een hoger inkomen? Maakt dat u werkelijk gelukkiger? Wilt u gaan leven als een miljonair, of een filmster? Wat kan dit u werkelijk geven? Niets. Wat wilt u dan? Een gegarandeerde plaats in het hiernamaals, die u hier beneden al kunt betalen? Dat bestaat niet. Neen, het is niet zo gemakkelijk.

Dan moet je eerst een antwoord weten op de vraag, wat op de wereld reëel, wat onaantastbaar werkelijk is. De vraag wat aan je leven inhoud kan geven, wat er diepgang aan geeft. Wij kunnen dan natuurlijk de oude dooddoener van stal halen. Je moet kunnen geloven. Je moet je op genade of ongenade aan God over kunnen geven. Dat is waar. Deze dingen worden echter zo vaak gezegd, dat, wanneer een spreker op de radio het hierover heeft, de een vol goedkeuring zit te knikken zonder de raad te volgen en de ander zegt: “Zet dat r.. ding af. Ik lust dat vrome ged….. niet.” Men interesseert zich niet meer voor God. Men interesseert zich eigenlijk niet eens meer voor de werkelijkheid. De interesse beperkt zich alleen nog tot de eigen kleine kring. En de daar gemaakte fouten worden maar al te vaak gemaakt tot de basis van grotere fouten, omdat men meent dat alleen door doorzetten in de ingeslagen richting, een redding van eigen denken nog mogelijk is. Ja, men weigert zijn fouten te erkennen. En wanneer dit onvermijdelijk blijkt, doet men het slechts aarzelend en node. Nu is een dergelijke verklaring van mij natuurlijk wat broos. Zoiets als aardewerk of plateel. Maar waarom weigert men eigenlijk de gemaakte fouten te erkennen?

Wat heeft de mens nodig, voor hij eindelijk eens in de werkelijkheid komt te staan? Wanneer zal de mens die waan van “het zal onze tijd nog wel uit duren” eindelijk eens kwijt raken? De oplossing zoeken in het geloof? Wat heeft de mens eigenlijk aan geloof? Geloof is bovendien iets, wat je bezit of niet bezit. Bezit je het niet, dan kun je wel doen alsof je gelooft, maar daar kom je ook niet verder mee. Neem onze groep nu eens. U bent hier, dus neem ik aan, dat u de spiritistische gedachte bent toegedaan: het persoonlijke voortbestaan, de communicatie mogelijkheid met hen die zijn overgegaan en al wat er verder bij hoort. Ieder van u heeft daar waarschijnlijk zo zijn eigen gedachtegang over. Gelooft u nu werkelijk hierin, dan zult u niet bang zijn om dood te gaan. Maar ook al doet u dertig jaar aan dit werk, wanneer u er niet helemaal zo van binnen uit aan gelooft, zal het u veel moeite kosten deze wereld voorgoed achter te laten. Dan kent u de doodsangst, zelfs al hebt u later misschien veel gemak van de verworven kennis. Dan zal het u moeilijk vallen te sterven. Zo gaat het nu met alle dingen. Wij kunnen nu wel gaan zeggen: geef de mensen dan de vrede. Maar wat moet de mens met die vrede doen? Wanneer menige moderne mens in de stille vrede van het platteland komt, dan is het maar een grote vraag, of hij niet verlangt naar radiomuziek, of zijn portable schreeuwend aanzet want: “als het zo stil is, is het toch ook niets”.

Wat de mens moet hebben, is voor alles een klein beetje begrip voor de werkelijkheid. De werkelijkheid van de maatschappij, in hem bestaande door een erkennen van de mogelijkheden en de fouten ervan. Een werkelijkheid die ook gebaseerd is op de onjuiste instelling van de doorsnee mens t.o.v. het leven, wat zoal werkelijk is? Och! Onder meer, dat op het ogenblik in de wereld een komedie wordt opgevoerd, waarbij politiek wordt gebruikt om de massa te verblinden. Dat de politiek in feite heel vaak is geworden tot een soort wederkerige omkoperij. Dat men vergeet dat idealen alleen kunnen worden gediend door het brengen van offers, niet door het doen van onvervulbare beloften aan derden. Wanneer de mens dat leert inzien, zal hij al een heel eind verder zijn. Hij moet de dingen leren zien in hun ware gedaante. Hij moet weten, dat wat de wetenschap zegt, lang niet altijd is, wat de wetenschap denkt. Ook dat is belangrijk. Men moet kunnen begrijpen dat er zoveel begoocheling en zelfbegoocheling bestaat. Je moet kunnen begrijpen dat wat de dominee en de pastoor zeggen en hetgeen zij werkelijk geloven, vaak geheel verschillende dingen zijn. Kortom, men moet leren beseffen dat de uiterlijkheid der verschijnselen, in vaak zeer grote mate van de werkelijke inhoud voor de mensen verschilt.

Zolang je nog kunt geloven, dat mensen met een gezond verstand en nuchter denken, zich voor een oorlog zullen laten gebruiken, dat de mensen verlangen naar een gewelddadige uiteenzetting op politieke basis, ben je dom. Wanneer je zegt, dat de communisten – door hun groot begrip voor de behoeften van de arbeidende massa – in staat zullen zijn Europa te overspoelen, is dat waanzin. Want of je nu communist bent of niet, alle mensen verlangen uiteindelijk alleen maar gelukkig en vredig te leven. De mensen verlangen een beetje inhoud en een beetje geluk in hun leven. Meer niet. Te zeggen, dat wij hier in het westen als verdedigers van de democratie tegenover alle andere gedachtegangen staan, is al even dwaas. De mens verdedigt dat, wat hij heeft, dat wat voor hem belangrijk is. Niet een systeem.

Wij kunnen nu gaan zeggen, dat er een godsdienstig reveil aan de gang is. Een vernieuwing op allerhande terrein. Wij kunnen dan de namen gaan noemen van een Graham, een Osborn. Maar is dat wel werkelijk waar? Is het niet zo, dat de mensen zich een ogenblik lang door het effect, de beroering der massa laten overdonderen? Is het niet even waar, dat slechts weinigen – en zeker op deze wijze – de kracht op kunnen brengen zich van deze roes van de massa los te maken en een persoonlijk contact met hun God te bereiken?

Wat wij de wereld moeten geven, vrienden, wat wij trachten die wereld te geven, is dit: Een begrip voor het onbelangrijke van de uiterlijke omstandigheden. Een begrip van de noodzaak, voor alles aan jezelf trouw te zijn en niet alleen de normen van anderen. Een begrip voor de werkelijkheid. De werkelijkheid, die niet aan uiterlijke verschijnselen alleen kan worden herkend, maar die vooral innerlijk tot je spreekt. Wanneer wij alleen maar deze drie dingen aan de mensheid zouden kunnen geven, dan zou er al zeer veel veranderen. Dan zou ongetwijfeld de ondergangsgedachte wat minder worden verkondigd. O, ik weet het. Er zijn mensen die wachten eigenlijk dag in dag uit. Elke keer weer, op het grote ogenblik dat de ondergang van de wereld nu eindelijk gaat beginnen. Maar dat is niet nodig. Wanneer je in jezelf een bewustzijn hebt van wat jij moet doen, wanneer je een klein beetje contact hebt in jezelf met de Goddelijke waarheid, dan denk je niet over een ten ondergaan van de wereld, of een redden daarvan. Dan denk je alleen maar aan een harmonisch leven en het uitdragen van die harmonie, die in je leeft, aan anderen. Het is eigenlijk zo eenvoudig: wanneer een mens de ondergangsgedachte op zij zou zetten, zou er al veel ten goede bereikt zijn. Want dan zou een drang naar de vernietiging uit de weg zijn geruimd.

Weet u waarom? Wij zien als een van de grootste waanbeelden in deze wereld het geloof, dat men ten koste van alles gelijk moet hebben. Gelijk hebben is voor velen belangrijker dan iets anders. Ik zal u een kleine anekdote aanhalen om aan te tonen hoe dwaas men dan kan zijn. Er was een astroloog, die had uitgerekend dat hij op de 21 augustus om 20 minuten over 7 zou moeten overlijden. Hij vertelde dit aan iedereen, hij had alle dingen voorbereid en in orde gemaakt. Hij was bereid om te sterven. Maar er gebeurde niets. Hij heeft het een dag uitgehouden. Toen heeft hij zelfmoord gepleegd want, zo schreef hij in een achtergelaten briefje: ik kan mij wel een dag vergist hebben, maar het is onmogelijk dat ik mij zou vergissen in hetgeen er in de sterren geschreven staat. Toen men later zijn berekeningen nazag, bleek, dat hij zich verschreven had. Het jaar had niet 1958, maar 1998 moeten zijn.

U vindt het een dwaas verhaal? Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat je eigenlijk hoopt dat er iets onaangenaams gebeuren zal, alleen maar om gelijk te hebben? Hoe vaak gebeurt het niet, dat je je gedachten uitstuwt naar anderen, alleen maar om tot werkelijkheid te maken wat je in waan profeteerde? Wanneer de mensen de werkelijkheid konden zien, wanneer zij van de waanideeën afstand zouden kunnen doen, vooral van de waan dat het belangrijk is om gelijk te hebben, dat het belangrijk is te laten zien hoe sterk je wel bent, dan zou de wereld heel wat beter zijn. Wat zou u bijvoorbeeld zeggen van een in deze tijd typisch geval?  Een groep arbeiders die in staking gaat, omdat zij belangrijk zijn. Zij menen, dat zij daarom ook dit jaar hun verhoging van loon moeten hebben. Zij kunnen heel wel weten, dat, wanneer men hen zou geven, wat zij eisen, zij over enige tijd geen werk meer zouden hebben, omdat dit niet betaald kan worden. Zij weten, dat hun bond het er niet mee eens is, zodat de staking “wild” zal zijn. Zij weten, dat de werkgevers zich er tegen moeten verzetten, dat de staat misschien in zal moeten grijpen. Maar zij zijn zo belangrijk. En daarom moeten zij hun procenten hebben. Zij vragen 10 procent. Zij krijgen uiteindelijk 1 procent, terwijl andere emolumenten worden verminderd. Toch hebben zij de indruk dat zij gewonnen hebben. Want zij hebben weer eens laten zien, hoe belangrijk zij zijn. Ook al kost hen dat meer, dan het hen ooit op kan brengen.

Is dat eigenlijk niet waanzin? De kern van de waarheid in deze wereld is heel eenvoudig. Alle mensen van deze wereld – of zij nu leven hier of “dood” zijn – vormen een geheel. Er is geen werkelijke grens. U kunt nu wel denken: ik ben een afzonderlijk wezen, ik sta toch wel apart, ik sta toch hoger dan de menigte. Maar waar is het niet. U bent deel van een geheel. En in dat geheel is een deel van de Goddelijke Scheppingswil uitgedrukt. Op het ogenblik dat u dit kunt aanvaarden, zult u a.h.w. in een ziekelijk geheel een gezond element worden. Wanneer u dit echter voorbij ziet en te veel gaat denken aan uw eigen belangen, of die van uw kleine groep, gaat u ten onder.

Er zijn nog een paar punten die werkelijk zijn. Een mens is verplicht om trouw te zijn. Dat klinkt misschien erg vreemd. Maar ik bedoel hier niet echtelijke trouw of trouw in zaken of trouw t.o.v. het vaderland. Verplicht trouw te zijn, aan wat hij voor zichzelf accepteert, aan het gegeven woord, aan zijn idealen. Je mag met die dingen niet marchanderen. Als u voelt “ik ben een waar kind van Nederland”, dan bent u door dit gevoel verplicht om Nederland trouw te zijn. Voelt u dat niet, dan bestaat er geen door innerlijke waarde gesteunde verplichting tot trouw. Dan kan zelfs een tweede Neurenberg u niets verwijten, of hoogstens, dat u verloren hebt. Maar ook wanneer u wint – maar het begrip dat in u leeft daarbij verraden hebt – zult u ontdekken, dat u ongelukkig zult zijn. Ook al gaf uw verstand u zo’n mooie uitvluchten, ook al bent u als een advocaat op zoek gegaan naar de gaatjes in het beeld van verplichting. De werkelijkheid is namelijk deze. Niet de resultaten die je in de wereld behaalt zijn belangrijk. Wel, dat je op de juiste wijze in trouw aan hetgeen er in je leeft, op je pad verder kunt gaan.  Want dat is werkelijk.

Nu kunt u natuurlijk gaan zeggen: Ja. Maar er zijn zoveel omstandigheden die mij dit zeer moeilijk maken. Overigens een verklaring die wij overal steeds weer horen. Ja, zo riep een staatsman uit – in U.S.A.- “ik heb altijd deze wet bestreden; ook nu kan ik het er niet mee eens zijn; ik leg mij echter neer bij de beslissing van de meerderheid en stem voor, om mijn onmacht te verbergen”. Maar dat zegt hij er niet bij. Ook ben ik bereid deel uit te maken van de commissie die de uitvoering van deze wet zal voorbereiden. Want dan verdien ik tenminste er wat extra bij. Maar ook dat werd er niet bij gezegd. Dit verraad, niet alleen aan degenen die in je vertrouwen, aan de menigte, maar het verraad aan jezelf, op een dergelijke manier verhuld achter noodzaken en verontschuldigingen, is een van de meest onaangename feiten die uit de levenswaan voort kunnen komen. En juist dit soort verraad wordt overal steeds weer gepleegd. Altijd weer verraad je de dingen, die je voor goed en voor juist houdt. Geloof mij. Hieraan ontkomt haast niemand.

Nu kan trouw door een toeval ontstaan zijn. Je plaats van geboorte is aansprakelijk voor de noodzakelijke trouw aan een vaderland, de verhouding vader-zoon e.d. De opvoeding betekent vaak de wording van een geloof, of een ideaal, dat trouw vergt aan een kerk of organisatie. Dit alles kan een toeval zijn. Maar wanneer dit vaderland, dit geloof etc., eenmaal een deel is van je wezen, dan maakt het ook een belangrijk deel uit van je werkelijkheid. Hieraan trachten te ontsnappen omwille van materiële waarden, of menen dat men hieraan kan ontkomen door zich op anderen te beroepen, betekent in feite door onjuiste realisatie van je eigen daden en verhouding tot de wereld een waantoestand scheppen, die het leven kan blijven beheersen tot het overgaat naar een andere wereld.

De wereldwaan van heden is, dat je al het geestelijke kunt vervangen door, ofwel verklaren uit,  het stoffelijke. De waan van de wereld van vandaag is wel vooral, dat je al het onbewezen terzijde kunt schuiven, ook wanneer het in je leeft. Maar als u daar mee doorgaat, dan kan slechts een groep mensen er wel bij varen. Dat zijn de psychiaters. Zij vinden dan hun verdienste en taak u tot een werkelijkheid terug te brengen, in hun pogingen u in staat te stellen rond uw problemen heen te leven, zonder er verder al te veel last van te hebben. Op zich en in deze maatschappij een zeer verdienstelijk werk. Maar geestelijk maar al te vaak een omzeilen van een werkelijkheid die niet deugt. De werkelijkheid in de wereld ligt niet in het erkennen van een bepaalde God, een bepaald levensdoel of een bepaalde wijze van leven. De werkelijkheid van deze wereld is in de eerste plaats en vooral: het aanvaarden van je deelgenootschap in de grote eenheid die mensheid heet en verder gaat dan uw wereld alleen.

Werkelijkheid is het erkennen van de krachten die hieruit naar voren komen. Ook al kom je daarbij nog niet aan de kosmische God toe. De werkelijkheid van deze wereld berust verder vooral op het trouw zijn aan datgene wat in jou leeft als een waarheid, ten koste van alles desnoods. De werkelijkheid is, dat de mens die op deze wijze het leven aanvaarden kan, in zich de krachten bezit om te leven op perfecte wijze. Niet als een volmaakt mens, maar als een mens met een voortdurende vrede. Een mens met de kracht om elke tegenstand te overwinnen en elke teleurstelling eenvoudig terzijde te zetten. Een mens die gedragen kan worden, ook door de grote eenheid, waartoe hij of zij behoort. Datgene wat God als mensheid heeft geschapen.

  • In verband met trouw: een kennisje van vroeger dringt zich steeds sterk op. Ik mag haar niet, vindt haar zielig, maar geef steeds weer toe. Wat is dan goed?

Is dat dan niet duidelijk genoeg gezegd? Trouw zijn aan jezelf. Er zijn hier twee factoren: medelijden aan de ene zijde, niet harmonisch zijn aan de andere. Men zou dan dus, om zichzelf trouw te kunnen zijn, enerzijds moeten proberen, zoveel mogelijk voor die persoon te doen, anderzijds niet zonder meer gezelschap aanvaarden wanneer men zelf daaronder prikkelbaar wordt en zich dit uiteindelijk toch weer verwijt. Dit is gemakkelijk. Wanneer men aan de ene kant maar afstand wil doen van het zich laten overhalen of overtuigen, anderzijds trouw blijft aan de gedachte dat ik hier zo nu en dan toch eens moet helpen, dan zal men in staat zijn voor zich – en nu dus zonder ergernis – te zeggen: die tijd offer ik op. Maar meer ook niet. Daardoor zal men zich dan niet ongemakkelijk of onprettig gaan voelen. Het bewust offeren – van een tevoren vastgestelde tijdseenheid desnoods – geeft u de vreugde dat u dit hebt kunnen doen. De beperking voorkomt, dat u daardoor andere, voor u meer belangrijke dingen, u onmogelijk worden gemaakt. Door namelijk een voor uzelf aanvaardbaar limiet te stellen beheerst u de condities en omstandigheden, in plaats u door een toeval te laten overbluffen, of door het verlangen van een ander te laten domineren.

  • Men hoeft dus niet trouw te blijven aan datgene, wat men in zich als onjuist erkent.

Een dergelijke trouw zou de grootste ontrouw zijn die er bestaat. Je zou dan jezelf ontrouw worden. En u weet, hoe onze gedachte daarover is. Wij menen dat in elke mens een vonk van het goddelijke leeft. Wanneer je dus ontrouw bent aan jezelf, volgens beste innerlijk weten en na rijp beraad, dan ben je ontrouw aan de God die in je woont. M.a.w. je zondigt tegen kosmische wetten en zult de gevolgen daarvan moeten ondergaan om zo, door de correctie, toch uiteindelijk tot het eeuwige Licht gebracht te worden. Dit lost, naar ik meen, het gehele probleem op.

  • U noemde onder meer Graham en Osborn. Is het niet zo, dat de mens in zijn beperkte bewustzijn geleid wordt door grotere krachten en zo in staat gesteld wordt tot hoger bewustzijn te komen. Of misschien ook wel behoed wordt voor een gehele onder- gang. M.i. wordt de mens vanuit die krachten geconfronteerd met feiten, die hem dwingen verder te denken dan zijn eigen beperkingen.

Dat door mij de namen Graham en Osborn werden genoemd, geschiedde als voorbeeld van de exhibitionistische elementen van het geloof. Een Osborn bereikt zijn beste genezingen in zeer grote bijeenkomsten. Een Graham krijgt de meeste bekeerlingen en de meeste massahysterie in massale bijeenkomsten. Dit nu is de reden, dat ik deze beiden als exponenten van een m.i. ongezond drijven in deze tijden heb genoemd. Wanneer deze mensen werken, dan kunnen wij – gezien hun methoden – dus zeggen: dit deugt niet. Wat zij brengen kan op zich zeer deugdelijk zijn. Het wordt echter niet gebracht op een wijze, die eerlijk, die geheel oprecht is. Men doet dus de waarheid en de waardigheid van het geloof m.i. geweld aan. Ik wil u hierbij herinneren aan de effecten die bereikt worden door het op het juiste moment inzetten van de muziek, het geschoolde roepen van de ushers, die door Graham onder de mensen verdeelde medewerkers zijn, enz. Ik wil daarnaast wijzen op de selectie van gevallen van genezingen om daarover te getuigen bij Osborn. Hieruit blijkt wel, dat men in de leiding van God geen volledig vertrouwen heeft. Daarnaast gaat het geheel gepaard met een exhibitionistische show, die een ontvreemden van de aanwezigen uit de werkelijkheid van de wereld inhoud.

Nu stelt u: Ja, maar er zijn grotere krachten die werken. Zeker. Er zijn grotere krachten die ook een dergelijk werktuig kunnen gebruiken. Maar als u een spijker in moet slaan en u doet dit met de hak van een schoen, kunnen wij dan ook zeggen dat die schoen dus een goede hamer is? M.a.w.: God werkt door de meest wonderlijke instrumenten. Daar horen soms ook de revivalisten en faith-healers bij. Maar….. het feit dat de mensheid dit nodig heeft, dat de mens niet op eenvoudige wijze kan komen tot een werkelijk geloof, het feit dat de mensen niet de moed hebben naar hun priesters toe te gaan en te vragen: “In de naam van God, genees mij” is zeker niet ideaal. Het is onvermogen tot geloof, dat hen samenbrengt in grote menigten, waar men dan gaat zitten hopen dat er iets zal gebeuren, terwijl er dan veelal sprake is van suggestie en een knap gebruik van de spanningen in de massa, om hen te brengen tot genezing of bekering. En dit is onjuist.

Of hieruit bewustwordingswaarden voort zullen spruiten? Ja. Die spruiten hier inderdaad uit voort. Maar het zijn niet altijd prettige waarden. Want zij behelzen heel vaak juist de teleurstelling, het dégoût, het erkennen van eigen zwakheid en onvolkomenheid. Dit alles is zeer pijnlijk voor de mens. Dit weegt voor de mens zelf zeker niet op tegen het incidenteel gloriëren in een blijvende genezing, een blijvend ontvangen geloof. Deze wat negatieve vorm van bewustwording is, evenals de genoemde mensen, een product van deze tijd. Een tijd die ik – persoonlijk – nu niet zo heel prettig vind. Het is een grootse tijd, een kritieke tijd. Maar vooral is het een tijd, waarin ik al te vaak de droom in de plaats van de werkelijkheid zie treden. En daar houd ik nu eenmaal niet van. Maar ik geef toe, dit is alleen een persoonlijke mening.

Het is van daaruit, dat ik meen te mogen stellen, dat de bewustwording van de mensheid met alle middelen zal worden nagestreefd door al degenen die met het wezen mensheid verbonden zijn. En vergeet niet, dat wezen mensheid omsluit ook ons. Ik ben ervan overtuigd, dat volgens goddelijke wil en wetten, die ik misschien niet kan overzien, er een tijd zal komen van vrede en vreugde, waarin zowel de aarde als de geest, nieuwe rust en een nieuw Licht zal vinden. Maar ik ben er ook van overtuigd, dat dat pas kan gebeuren, wanneer wij i.p.v. de waan, de werkelijkheid hebben, indien wij de realiteit van eigen leven en denken aanvaarden. Wanneer wij blind worden voor de begoocheling van getallen, van woorden en uitdrukkingen en daarvoor in de plaats alleen letten op de werkelijkheid, de inhoud van de dingen.

  • Hoe staat het dan met de geestelijke leiding, die op dit ogenblik op deze aarde werkt?

Het is een wonder, hoeveel ingewijden op het ogenblik op deze aarde werkzaam zijn. Zelfs al loopt u ze tegen het lijf, dan kent u ze denkelijk niet. Degenen die zeggen dat zij het zijn, zijn het meestal niet. Maar er zijn veel ingewijden op het ogenblik op deze aarde. Mensen, die ver zijn doorgedrongen in de kennis van alle gebieden, waarin het wezen mensheid leeft, ook in de sferen. Mensen, die er zijn, om de mensheid te helpen, ondanks haar waan, om te komen tot een reëel besluit. Mensen, die ondanks alles proberen de mens, als het nodig is met lijden en dood, te hulp te komen, tot een aanvaarding van de kosmische werkelijkheid. Er is voor de bewustwording ontzettend veel gedaan. Het vreemde is, dat die ingewijden niet zijn de predikers die genezen, dat het niet zijn de predikers die een stadion vol lokken, een stadion tot extase opzwepen, of tot een berouwvol snikken uitlokken. Het is een gebeuren dat in de mens zelf plaats moet vinden.

Naast deze, in de stof verkerenden, naast het werk van de Witte Broederschap, is daar het werk van de geest, die op duizenderlei wijze hetzelfde voortdurend tegen de mens zegt. Probeert de mens bewust te maken, u zult waarschijnlijk zeggen: Esoterie te verkondigen. Maar esoterie – en dat is het jammerlijke – is ook een vluchtmiddel geworden voor velen. Wij hebben niet die hoogdravende termen nodig en die grote kennis om eenvoudig te zeggen: er deugt hier iets niet. Wij kunnen dat verbeteren. Wees van één ding in jezelf zeker: concentreer eens jezelf op één ding, omdat het belangrijk is en je zult zien, dat al het andere wegvloeit. Hoeveel mensen zijn er niet die met hoofdpijn, met keelpijn, met kiespijn zitten en die op een gegeven moment door een gesprek, door een radiohoorspel, een concert, een film, een voetbalmatch, een kerkdienst ineens die dingen kwijt raken. Omdat zij voor een ogenblik de harmonie vinden. Zij zijn eenzijdig ingesteld. Zeker, maar op dat ogenblik dringen zij door in een voor hen vatbare waarheid. Dat is het, wat je nodig hebt.

Je hebt geen verwazing nodig van hoger sferen. Je hebt iets nodig, dat voor jezelf waar is. Die waarheid hoeft niet eens zo erg belangrijk te zijn. Een man gaat naar de kerk om zijn vrouw te behouden. Maar hij vindt een geloof, dat niet uit die kerk is, maar toch een nieuwe steun is, of omgekeerd. Een mens gaat naar een concert, omdat het zo hoort, wordt getroffen door een paar tonen en vindt een nieuwe schoonheid. Hij zal misschien net zoveel naar dansmuziek luisteren als voordien, maar toch het ene element niet meer los kunnen laten. Het zijn vaak schijnbare toevalligheden die meewerken aan de bewustwording, toevalligheden die soms zeer bewust in uw leven ingebouwd worden als een noodzaak, al kent u ze niet als zodanig. Dingen, die achter al de waan van de wereld, iets van de werkelijkheid laten zien.  Het is deze bewustwordingstendens, die ongetwijfeld ligt in al wat wij trachten te doen, zowel als in al hetgeen dat u zult ondergaan in de komende jaren.

  • Wij zien rond ons, dat de vrouwen wel over emancipatie spreken, doch zich steeds laten voorstaan op hun vrouw zijn. Dat is niet consequent.

De vrouw is in feite niet rijp voor haar gelijkwaardig intreden met de man in de wereld. Aan de ene kant kan zij de man niet doen vergeten, dat zij vrouw is, aan de andere kant kan zij streven zichzelf een man gelijk te maken, maar zij kan de honger, die de vrouw heeft naar zekerheid, naar het behoren bij iemand, niet prijsgeven. Het gevolg is, dat zij komt tot vrouwenverenigingen, die in feite niets anders tot doel hebben het idee van geborgenheid, dat men normalerwijze in een huwelijk zocht, op te vangen. Zij blijft daardoor zichzelf zien enerzijds als het verfijnde, het superieure wezen, dat alle bescherming van de man moet genieten, terwijl zij anderzijds zich gelijktijdig ziet als een tenminste gelijkwaardig, zo niet meerwaardig wezen t.o.v. de man, in intellectueel opzicht. Dat zij grote gaven heeft, is niet te ontkennen. Dat zij een plaats in die wereld heeft, en zeker in een nieuwe wereld die anders is, als die van de moeder de vrouw achter de pappot, is ook wel zeker. Maar zolang als zij vrouw blijft, dan moet zij de consequentie van dit vrouw-zijn accepteren. Op het ogenblik dat zij meent, gelijkwaardig en met gelijke rechten naast de man te staan, moet zij ook accepteren, dat de man haar niet meer behandelt als een vrouw, maar als een kameraad, een vriend, desnoods als een vreemdeling.

Dan krijg je natuurlijk de woede van de feministe, wanneer zij jong en charmant is, dat men niet voor haar opstaat in de tram, of wanneer zij oud en lelijk is, dat men wel voor haar opstaat in de tram. In het eerste geval is het namelijk een ontkennen van haar vrouwelijke meerderwaardigheid, en in de tweede plaats is het een zeker medelijden t.o. een oudere, die zij nog niet wenst te accepteren. Die tegenstrijdigheid in de vrouw is juist hetgeen wat dit alles zo zielig maakt. Een vrouw moet goed begrijpen dat zij moet kiezen. Zij moet leven als vrouw, of als man. D.w.z.: zij moet leven in een volledige vrijheid, maar dan ook een volledig zelf accepteren van alle verantwoordelijkheid en het niet vragen om genade, ofwel zij moet inderdaad de aanvullende factor zijn t.o.v. de man. Dan kan zij gelijkwaardig of meerwaardig zijn, maar haar taak is het aanvullende te zijn. Op het ogenblik probeert de vrouw de “eerste viool te spelen”, dat is haar grote fout, want vóór die tijd dirigeerde zij het gezin.

  • Waarom kan een vrouw dan niet met ridderlijkheid behandeld worden, ook al is zij gelijkwaardig aan de man?

 Een man werkt en een vrouw werkt. Zij staan naast elkaar. Zo langzaam maar zeker beginnen zij gelijker loon te krijgen. D.w.z. dat de verhouding is als tussen collega’s. Als jij moe bent, omdat je gewerkt hebt en je gaat naar huis, dan ga je zitten, dan sta je niet voor iemand op, omdat zij een vrouw is. Want zij is op dat ogenblik niet de vrouw, het is de medewerknemer. De vrouw begrijpt dat niet. Zo hier en daar wordt zij daarin door de man gesteund. Er zijn nog steeds directeuren die hun secretaresse uitzoeken aan de hand van bepaalde maten en niet aan de hand van bepaalde bekwaamheden…. Nu zegt de vrouw dus: ik vraag ridderlijkheid…. Ridderlijkheid betekent beschermen van de minderen. Als de vrouw dus enerzijds zichzelf de meerdere toont, desnoods de gezaghebbende plaats inneemt – zoals dat vaak begint te gebeuren in de moderne tijd – anderzijds een beroep doet op ridderlijkheid, is dat fout. Dan zal zij als de sterkere, ridderlijk moeten zijn tegenover de man.

Verder komen wij nu op een van de grote sociale misvattingen van deze tijd: het zou verstandiger zijn wat royaler te leven, dus wat meer geld binnen te halen door de vrouw te laten werken, in plaats van gezamenlijk te leven, maar dan ook met de regelmaat en met de mogelijkheden van een klassiek gezin, door die vrouw geen, of althans veel minder werk te laten doen. Men gaat op het ogenblik van het standpunt uit: wij hebben veel nodig, dus werken wij samen… Dan zou het in een goed huwelijk inderdaad de kwestie worden: wie van ons is het eerst thuis komt die begint met het werk. Dus, zou de man eerst thuis komen, dan is het heel logisch dat die het eten vast maakt… en dan moet hij het maar leren ook, als hij die verhouding wenst. Maar aan de andere kant vraag ik mij af, of het in de moderne maatschappij verantwoord is, dat die gehuwde vrouw werkt. Dan moet ik zeggen, dat ik het zowel op gronden van economie, als wel van vorm der samenleving, niet goed kan vinden. Omdat daardoor in de eerste plaats het huwelijk heel vaak eronder lijdt, terwijl in de tweede plaats door de vrouw plaatsen worden ingenomen, die anderen – het zijn dan vaak vooral de jongere mannen – dus eigenlijk toe zouden komen, omdat zíj in staat moeten worden gesteld een gezin op te bouwen.

  • Als er kinderen zijn, worden zij het slachtoffer.

Inderdaad. Deze gehele geschiedenis is al jammerlijk. Het is alweer de verblinding door het getal. Er zijn mensen, die denken, dat je gelukkiger bent, wanneer je ƒ 600,- in de maand hebt, dan wanneer je er ƒ 400,- hebt. Dan zeggen zij: dan ga jij ook maar werken….. tegen de vrouw, dan komen wij er. Dan ergeren zij zich later, dat zij een veel hogere belasting betalen met zijn tweeën en zij ergeren zich erover, dat er geen eten thuis is en dat het zo moeilijk is een werkster te krijgen die zoveel kost, maar zij beseffen één ding niet: dat zij daardoor de werkelijke huiselijkheid wel sterk in gevaar brengen. Iets anders is het bv. wanneer een vrouw al dan niet werkt om haar ledige uren te vullen, maar dat kunnen hoogstens 4 uren op een dag zijn, wanneer zij aan haar verplichtingen tegemoet wil komen. Zijn er kinderen, dan kan zij zelfs dat niet meer doen. Vindt u het nu eigenlijk niet vreemd, dat de vrouw, die enerzijds de hinderpaal wordt voor de man en dan vaak het vooruit komen in de samenleving bemoeilijkt, nu juist recht op ridderlijkheid meent te hebben?

  • Ik dacht dat ridderlijkheid van de man kwam?

De z.g. ridderlijkheid mag niet een speciale mannelijke eigenschap zijn.  De ridderlijkheid is afgeleid van de riddereed. Weet u, wat de riddereed was? De belofte om de zwakken te beschermen, de weduwen en de wezen te behoeden, recht te doen in alle zaken en steeds op te treden voor de zwakkeren, zo hun zaak een rechtvaardige zou zijn. Ik meen – ik mag dat met recht zeggen, omdat er in de vrouwenwereld velen zijn geweest die er exponenten van waren (Florence Nightingale) – dat de vrouw in dit opzicht even ridderlijk kan zijn als de man. En wanneer zij uit gemakzucht deze ridderlijkheid aan de man oplaadt als een extra verplichting, en voor zichzelf het recht van zwak-zijn opeist, zonder dat de wereld haar deze zwakte oplegt, dan lijkt mij dat de vrouw een vreemd, onrechtvaardig en gevaarlijk spel speelt met als inzet haar eigen geluk als vrouw, en ook met de samenhang der maatschappij, met de groei en de band van het gezin. Ik vrees, dat zij, door beide dingen tegelijk te willen hebben, juist daardoor, en zichzelf, en de man, in een parket brengt, dat deze wereld wel eens zeer sterk tot ondergang zou kunnen doen neigen. Daardoor komt het materialisme zo sterk vaak op de voorgrond. Op het ogenblik dat het belangrijker is om een tientje meer in de week te hebben, dan een uurtje geluk s ‘avonds  en een rustig thuis, dan deugt er iets niet. Het ogenblik, dat het belangrijker is een beroep te doen op de massa om je vrouwenrecht naar voren te doen komen, dan in jezelf een stil en diep geloof te kennen, waardoor je de kracht hebt bergen te verzetten. De vrouw is in vele opzichten vaak de sterke sekse en niet de zwakkere.

Dan, geloof ik, dat ik de vrouwenemancipatie in zich niet mag afkeuren, maar vele aspecten ervan aansprakelijk moet stellen voor de wanorde die vandaag aan de dag in de wereld heerst.

  • Toch zijn er veel vrouwen die deze ridderlijkheid hebben.

Herinnert u zich mijn opmerking uit het begin? Op elke regel zijn er ongetelde uitzonderingen. U zult zien dat dat de grondslag is voor jeugdmisdadigheid, ten grondslag ligt aan de ongezonde consumptiestijging, aan de grondslag ligt van het einde der besparingen. Dan kunnen wij zeggen, dat er nog zo veel goede mensen zijn. Zeker. Er zijn ook veel mensen die geestelijke inhoud hebben, die langzaam maar zeker het innerlijke voelen en zien; mensen, die hun hele leven er naar streven, maar dat betekent nog niet, dat de hele wereld zo is. Dat betekent, dat zij als minderheid misschien een begin kunnen zijn van de verbetering, maar dat maakt het probleem niet minder erg.

————————————————————-

Esoterie

Wanneer wij zo tezamen zijn en willen spreken over de esoterie, dan denk ik onwillekeurig aan een oud verhaal. Er was eens iemand die door wilde dringen tot de kern van alle dingen.  Zo sprak hij de magische bezwering. Hij wierp de kostbare poeders op het houtskoolvuur, greep de machtige geestendolk en zag in de kern der aarde. “Hier woont de Zwarte Draak, Vorst der Demonen”, dacht hij. Maar er was slechts gloed en ledigheid. Zo keerde hij terug en begon een nieuwe bezwering. Krachtiger en machtiger dan ooit tevoren. Hij wierp zijn wezen uit, tot ver achter de sterren. “Hier woont de Witte Draak des Lichts, de Kern van alle Leven, de Heerser van alle Engelen”. Er was ledigheid, er was niets.

Toen keerde hij terug en hij verscheurde zijn boeken: “Waan zijn deze dingen en dwaasheid.  Er is slechts dit: het stoffelijke bestaan, de roemer wijn, de vrouw, de bloesem en niets.” Toen sprak tot hem een stem en hij wist niet vanwaar zij kwam: “Wat is, kunt gij niet zien. Wat klinkt, kunt gij niet horen. De ledigheid werd geboren uit uzelf en niet uit de Oneindigheid.”

Zo gaat het ons heel vaak met de esoterie. Wij trachten onze ziel te werpen tot achter de laatste lichten der hemel, tot de laatste sterrenlantaarn gedoofd is voor onze blik en menen: “Nu zullen wij het raadsel onthuld zien”, maar wij zien niets. Wij beginnen met onze filosofie en wij trachten af te dalen tot in de diepste diepten van demonologie, van magische beheersing. En er is geen antwoord, er is niets. Wij menen dan, dat ons werk waardig was en ons kunnen volmaakt. Want wat wij niet beseft hebben, is ons eigen onvermogen. Vandaar dat de esoterie altijd weer een weg is die ons zegt: “Ga tot uzelf. Zoek in uzelf de kennis en de wetenschap, maar vooral het begrip”.

Het beschrijven der dingen is niet belangrijk. Maar leer te aanvaarden, te zien en te ervaren. Anders gaat het u misschien als de volgeling van de dichter Fo-Hung. Deze meende dat alléén in letteren de waarheid was. Niemand penseelde schoner de tekens dan hij. Wanneer hij las van wolken, had hij ze nooit gezien. Wanneer de gloed van de liefde, de ondergang van de zon bezongen werd, het waren hem woorden. Hij zei: “Hoe goed is het een dichter te zijn en deze dingen te zien.” Zijn meester zei tot hem: “Het zijn dwazen die in letteren zoeken, wat hen geboden wordt door het leven zelf. ’s Levens wijn, een beker, gegeven tot drank, niet tot verwondering. Dat is uw deel.”

De esotericus zal soms zo in de esoterie opgaan, dat hij vergeet, datgene, wat hijzelf kan ervaren. Toch is het zelf ervaren belangrijker dan alle dingen. Soms meent men: ik moet het geheim dat ik gevonden heb, in mijzelf bewaren. Anderen menen: wij moeten uitgaan en het volk onze openbaringen kond doen.

Maar is het eigenlijk niet zo dat wij, die esoterisch misschien bewust worden, zijn als de vertellers van schone verhalen, die neerhurken op het marktplein in het dorp? Zij zetten zich neer, zij grijpen hun houten eend en slaan die met grote kunst, zodat hun geklikklak klinkt als een roep over het hele dorp. Wie komen wil, kome en hore. En wanneer men veel verlangt zal de verteller verlangen dat een klein offer wordt gebracht. Een paar penningen misschien. En eerst wanneer hij de opbrengst in zijn mouw geborgen heeft, gaat hij verder. De esotericus, die leren wil aan anderen, moet zich bewust zijn van het feit, dat de woorden op zichzelf niet boeien, dat het geen zin heeft de mensen mee te voeren in een toverwereld die voor hen een romance blijft. Hij moet hen leren te zien, moet hen leren, hoe kostbaar alle dingen zijn. En om dit te bereiken moet hij hen leren te offeren. Alleen… de verteller van verhalen vraagt zijn offer om te leven. De esotericus echter draagt zijn leven in zich, goddelijk en oneindig.

Hij vraagt het offer dat de mens moet brengen, om diens eigen geest zo voedsel te geven. Een offer voor de mensheid. Een offer soms van wat tijd, van een ervaring. Iemand beleren betekent ook, hem de kostbaarheid van het weten te doen ervaren. Wanneer het kind niet weet, hoeveel een streng met penningen waard is, ziet het deze als een speeltuig. Indien gij de dwaas het goddelijke goud van Licht en waarheid geeft, is het hem een speeltuig. Want hij herkent het niet. Maar wanneer gij het kind leert, dagen te zwoegen voor één doorboorde penning, jaren te dienen voor een half ons gebroken zilver, dan kent het de waarde ervan. Misschien zijn wij leerlingen en geen meesters. Maar laat ons dan ook prijs stellen op het feit, dat wij moeten worstelen om elke kleine vonk van goddelijk vuur, elke vonk van weten, elke minuut van waarheidservaren. Want eerst in het erkennen van de kostbaarheid hiervan vindt dit alles binnen ons zijn ware betekenis.

Er was eens een lotus in een vijver. Een bloem als uit was gemaakt, drijvende op een spiegel van water, soms gekust door de zon, dan weer in blauwe gloed gezet door het zilverlicht van de maan. Zij zei tot zichzelf: “ziet, dit is mijn schoonheid”. En zo zeer verrukte haar eigen schoonheid haar, dat haar ziel ontvlood, en, neerziende, het eigen ik in het water weerspiegeld zag. Toen zei de lotus tot zichzelf: “Niet één ben ik, maar twee. Zo keerde zij tot haar voertuig terug om twee te zijn, doch was één.

Dit duurde, tot zij uiteindelijk besefte wat weerspiegeling is. Toen ervoer zij voor zich: “zie, ik leef, zoals ik ben. Doch ik ben weerspiegeld in het licht van de zon, weerkaatst in het licht van de maan. In zon en maan leef ik, in mijzelf droom ik.” Zo kon haar ziel zich ontrukken aan haar eigen beperking. Want, zich erkennende in de maan, zich erkennend in de zon, ging haar geest over de wereld.

De priesters, die aan de vijver voorbij gingen, zeiden: “Zie, hoe schoon de lotus bloeit”. Maar de lotusgeest, die de werkelijkheid zag, zei: “Zie, hier ontplooit zich het weten van een wereld in één enkele bloem”.

Wij zijn als de lotus: nauw omsloten door de kroon van ons denken, de bladeren en kroonbladen leggen wij op de vijver des levens. En, openbloeiend, zeggen wij: zie, hoe schoon is het om mens te zijn. Wij sluiten ons wezen voor de wereld en vlieden. Vlieden, verrukt door hetgeen er in ons bestaat, zeggende: Wij zijn het licht Gods, wij zijn de wijsheid der eeuwen. Dan zien wij dat dit niet voldoende is. En wij keren tot onze wereld terug. Maar eerst wanneer wij beseffen wat ons wezen is in goddelijk licht én stoffelijk bestaan, dat ons wezen ook is: geestelijk weten, dan zullen wij in deze drie gezamenlijk kunnen erkennen, wat wij werkelijk zijn. Dan zal de wetende zeggen: “Zie, hier bloeit een mensenziel open, schoonheid voor de wereld”, maar ook weten van de kosmos, dragende goddelijk wet en mogelijkheid.

Wij willen aan esoterie doen. Wij willen esoterisch denken. Maar moeten wij dan niet voor alle dingen vrij worden van ons eigen beeld? Vrij worden ook van het beeld dat wij in ons dragen? Laat mij u een klein verhaal vertellen. Een verhaal dat oud is, bijna zo oud als de muur die China afscheidt van het land der wilde horden.

De poppensnijder

Hij was oud, en in zijn vriendelijk gerimpeld gelaat lag de wijsheid van jaren. Wit waren zijn haren, zijn dunne baard wapperde als een zilveren vaan op de wind. Zijn handen, oud en knekelig, grepen de messen en voerden ze tegen kostbaar materiaal als jade en ivoor. Vele beelden sneed hij. Maar vreugde gaf het hem niet, al roemde men ook de vaardigheid van zijn handen. Op een zekere dag nu bracht zijn jongste kleinzoon – die hij boven alle anderen beminde – hem een stronk hout die hij had gevonden ergens aan de rand van het moeras.  Half vergaan en morsig was het hout. Maar de kleine boog plechtig en zei: “Grootvader, eerbiedwaardige grootvader, ik breng u een gave van jade”. De oude glimlachte om het spel en antwoordde, alsof hij sprak tot een zeer eerwaardige klant: “Kleine heer, ik dank u voor deze gave. Mijn messen zullen het beeld oproepen dat er in schuilgaat.”

Toen greep hij zijn messen. Zijn handen keerden en wendden het hout. De morsigheid viel, de splinters verdwenen. Zo flitsten de messen, een hele avond, een gehele morgen. En uit het vuile hout groeide een beeldje van wondere fijnheid. Iets straalde er uit van de genadige Kwan Yin, een schaduw tekende zich er in af van de rechtvaardige Po Hi, er rond lag als een gloed iets van het wezen der wijze meesters, die zitten en recht spreken in de Yamen van de keizer. Terwijl de messen de laatste fijnheid aanbrachten, dacht de oude man na. En het was hem, of hij iets van zijn eigen leven en wezen neerlegde in dit stuk hout, dat een ieder had verworpen, buiten zijn geliefde kleinzoon. Eindelijk stond het beeldje voor hem. Zijn ogen dronken de waarde ervan in, zijn ziel omhelsde het verleden dat er in gevangen was. En hij kon er haast niet van scheiden.

Met een zucht deed hij eindelijk zijn kleinzoon tot hem roepen en sprak tot hem: “Kleine heer. Zie hier, wat je grootvader voor jou heeft gevonden in het hout, dat kostbaar was als jade”.  De kleinzoon stond voor hem, fors in zijn kleine schoenen van tijgervel, en lachte: “Grootvader, dat was toch maar spel. Het was oud hout, meer niet!” Toen echter schonk hij het beeldje zijn aandacht, en haast aarzelend merkte hij op: “Zeer wijze oude, ik gaf u hout. Maar wat hebt gij gesneden? Uw eigen ziel?” Stil stond het kind en schouwde. Achter de jonge ogen brandde een ogenblik een vonk van het tijdloze, dat in elke mens verborgen is. Dan sprak het weer, als vragend. “Uw eigen ziel? Maar ook een belofte voor mij, die ik nog niet kan verstaan.” En het boog eerbiedig, als voor de stadhouder des keizers. Want het gevoelde de krachten der oneindigheid, maar wist de woorden der oneindigheid nog niet te spreken… Daardoor werd het beeldje de oude beeldsnijder wel zeer dierbaar. Zo dierbaar was het hem opeens, dat hij het het liefste had gesteld op de plaats in de grote hal, waar in elk huis de tabletten der voorouders staan. Doch hij borg het op in een gelakte doos. En ofschoon velen kwamen om zijn werk te zien en zijn kunst te roemen, dit ene toonde hij aan geen. Alleen zijn kleinzoon kwam vaak. Dan opende hij de doos, nam het beeldje. En de kleinzoon speelde er mee. De loop der sterren ging verder.

In het jaar van de Gans trad de oude beeldsnijder voor de rechters, die oordelen welke sterveling mag verwijlen in de tuinen van de hemelse keizer en welke zielen zullen moeten dolen in de nevelen van het land achter de bronnen van de Gele Rivier.

Zij vroegen hem:” Hebt gij bezit?”

Hij antwoordde: “Neen. Maar mijn naam staat op de tafelen die liggen op het huisaltaar, en mijn kleinzoon zal voor mij de wierook branden.”

Toen echter groeide naast hem een schim van onvoorstelbare glans en de rechters vroegen hem: “Wat is dit, wat u geschonken wordt?”

Maar hij wist het niet. De kleinzoon echter had het houten beeldje, het schoonste werk van zijn grootvader, bij de baar verbrand, zeggende: “Ik zend mijn zeer oude en waardige grootvader zijn ziel.”

En het beeld in de geestenwereld groeide en groeide, tot het naast de beeldsnijder voor de rechters stond, machtig, edel en wijs. En de rechters, verward en verstoord, vroegen opnieuw: “Wat is dit?”

Doch het was niet de oude man, die antwoordde. Het beeld sprak. Het sprak echter niet tot de rechters, maar tot de beeldsnijder.

“Zie mij in het gelaat. Zie in mijn aangezicht de trekken van leed, van vreugde en van rechtvaardigheid. Oud ben ik. Want lang heb ik geleefd.”

Het wees op de glans, waarmee het was omgeven en vervolgde: “Zie naar de rijkdom van mijn gewaad. Want het is uit weten en stille filosofie dat ik mij gekleed heb.”

“Zie ook de glimlach rond mijn lippen. Het is de vreugde van een ouderdom, die zich en ook de zorgen kent.”

De ontstelde rechters der hemelen schudden het hoofd en meenden: “dit is tovenarij”.

Doch terwijl zij de wijze hoofden schudden, verbleekte de schim van de oude man en werd één met de glans van het beeld. Want al wist hij het zelf niet: in één avond en één morgen had hij het beeld van zijn ziel gesneden. En wie komt in de tempels der eeuwigheid en zijn ziel met zich brengt, ziet het leven zelf, brandend als diamant, weerkaatsend en spiegelend het glanzen van het eeuwige Licht.   Toen juichte de ziel van de beeldsnijder. Hij boog en ging verder, latende de rechters. Een kracht, bewust van zichzelf, gekleed in het beeld van zijn ziel, dat eens ontstond in een onbewust werken van zijn stoffelijk voertuig.

Onbewust beelden wij soms in de wereld uit, wat wij in wezen zijn. Soms groeit uit het onbelangrijkste, uit het nietigste, de waarheid van ons wezen. En, wanneer de laatste wekroep ons geklonken heeft, wanneer wij varen in de vreemde boot, die ons brengt naar andere werelden, gaat dat beeld met ons mee. De droom van werkelijkheid, die in ons leven een waan, een spel scheen, de droom, die ons zo verborgen en toch dierbaar was, wordt ons dan een nieuwe werkelijkheid. Laat ons niet aarzelen te nemen, wat het leven geeft. De een snijdt zijn leven in ivoor, of hamert het in goud. Een ander grift het in tafelen van een edel metaal, graveert het in edelsteen, of vat het in de eenvoudige lakken. En niemand van hen weet waarom. Maar de droom, de droom die ontstaat uit ons werkmanschap, is ons wezen.  In de rijpheid van ons zijn, kan zij de openbaring worden van onze werkelijkheid.

Misschien lijkt u het beeld wat ver gezocht. Ik erken, dat ik onwaardig ben om tot u te spreken met leringen en grote beelden. Maar zoals, als een droom, de waarheid leeft in dit oud verhaal, zo leeft in mij een beeld van werkelijkheid. Mensen, innerlijk soms gemaakt uit het zwart van git, soms uit het licht van goud of bleek ivoor, mensen, soms zelfs gemaakt uit levend vuur, draagt u uw beeld met u. Ik weet dat die beelden in u leven. Wanneer u in uzelf de eeuwigheid aanvaardt, dan zal uw beeld de eeuwigheid weerkaatsen. Ook al zijt gij nu nog gemaakt van git, goud, ivoor, of vuur, toch springt nu reeds soms uit u de vonk van eeuwigheid als een woord van inspiratie, een kracht, die leed verzacht, als een vloed van licht, die mensen geneest en lijden draagt tot groter Zijn. Dan zijt gij eeuwig en levend vuur, vrienden. Ergens, zo vertelt men, staat in de hemelen een kristallen bokaal met levensvuur, dat tongelend opschiet en zich verliest in het duister van de nacht. En de vlam keert terug tot de bokaal. Want boven alle klachten is het leven en het Licht zelf. En de mens, die het in zich draagt en de geest, die het in zich bevat, zijn de bokaal, waaruit God spreekt tot zijn schepping, zijn wezens, krachtiger dan Goden, meer dan wijzen.

Laat mij u echter niet langer bezighouden met deze oude verhalen, die uit mij ontspruiten als een blad, dat niet na kan laten uit te botten op de tak. Laat mij u nog een klein verhaal vertellen van de dwaasheid der mensen.

De dwaasheid der mensen

Er waren eens drie doktoren, bekend met alle systemen van genezing. Zij waren magisch geschoold en bekend met alle wijzen van inbrenging der naalden van zilver en goud als geen andere. Gezamenlijk werden zij geroepen bij de lievelingszoon van de keizer, die lijdende was. Zo stonden die drie aan zijn sponde naast elkaar. Zij keken toe en knikten wijs. Hun kunstig verlengde baarden en vlechten wapperden heen en weer, terwijl de wijsheid van hun woorden een weerkaatsing scheen van de waardigheid van hun gewaden. Maar ieder van hen had een eigen mening. Zij streden met elkaar. Dokter Feng meende: “men moet zeven naalden zetten”. “Neen”, meende dokter Fu. “Hier is drakenbloed het enig geneesmiddel” Heer Ch’ien echter sprak: “Hier kan alleen de kracht van geesten en goden helpen.”

Zo streden zij met elkaar, en de lievelingszoon van de keizer werd zwakker en zwakker, terwijl zijn leven vlood met het sterven van het zonlicht. Doch de lijfslaaf, die zag hoe de mond van het kind verstopt was met slijm, greep in en reinigde het kind met lappen van de kostelijkste zijde en blies het zijn adem in. Daarna gaf hij het wijn te drinken, waarin de geur van rozenblad gevangen was. Het kind ademde weer en herleefde. Doch de drie zagen het niet. Want zij spraken over hun belangrijke geschillen. Ja, zover was hun bespreking reeds gevorderd, dat zij elkaar de namen gaven van misselijke pauwen, verstokte ezels en onwaardige regenwormen.

Maar terwijl hun gesprek heftiger werd, groeide de kracht van het kind. Toen zij elkaar te lijf gingen met de tekenen van hun beroep en waardigheid, klonk een lach van het kind als een verlegen zilveren belletje. Want het was tot leven ontwaakt en de dwaasheid der geneesheren vermaakte het zeer.

Toen nu bleek dat het kind gered was, gingen de drie tot de keizer en spraken: “Machtige heerser, door ons weten hebben wij uw lievelingszoon voor u mogen behouden. Neem dit offer van onze onwaardige kennis aan”. Maar de keizer zei niets en het kind lachte alleen. Want de slaaf had het kind gered, terwijl de anderen hadden getwist over waardigheid en tijd. Wel zeiden de drie, dat zij gelijk hadden en dat de weg van de slaaf onwaardig en onjuist was. Maar de keizer deed hen insluiten in schandborden, opdat zij nog lang met elkaar over hun waarheid zouden kunnen strijden.