Lichte en duistere werelden

image_pdf

3 januari 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er graag aan herinneren, dat wij niet alles weten, dat wij niet onfeilbaar zijn. Het is altijd weer noodzakelijk, dat de mens zelf nadenkt. Wij hopen dan ook steeds weer, dat de onderwerpen, die wij met u trachten te behandelen, in u een nieuw gezichtspunt doen ontstaan of een nieuw begrip zullen wekken, waaruit u, door eigen denken en werken, zult streven tot een beter begrip voor het leven en de zin daarvan.

Voor heden komt een onderwerp ter discussie, waarbij wij ons bezig houden met begrippen, die, naar ik meen, in deze tijd wel weer aan de orde zijn: Lichte en duistere werelden.

Wanneer wij op aarde spreken over een lichte wereld, zo denken wij onwillekeurig aan zonneschijn. Deze associatie vloeit voort uit het feit, dat voor de mens de zon lange tijd het kenbare en beleefbare beeld van God is geweest. Licht betekent hier dus in feite, dat men spreekt over een wereld, waarin God tot uiting komt. Een duistere wereld – dat vloeit hieruit vanzelf voort – waarin God afwezig is. Geheel juist kan dit niet zijn: Er kan geen wereld bestaan, zonder dat er een kracht is, die die wereld tot stand brengt en in stand houdt. Daarom lijkt het mij verstandig allereerst de zin van deze verdeling in licht en duister na te gaan.

Wanneer wij een overzicht willen hebben van een reeks mogelijkheden of verschijnselen, zullen wij de uitersten moeten constateren. Eerst wanneer wij de uitersten hebben leren kennen, kunnen wij al, wat daar tussen gelegen is, begrijpen en in de juiste verhoudingen zien. Zolang wij echter de uitersten nog niet gevonden hebben, staan wij enigszins verblind in de werkelijkheid: Onze werkelijkheid is niet begrensbaar. Zij gaat ergens in het niet teloor zowel in de richting van het licht als van het duister. Nu weet ik wel, dat voor ons allen – ik sluit ook de geest hierbij zeker niet buiten – ergens het licht zo verblindend is, dat wij dit niet meer kunnen beschrijven. Er is geen waarnemen volgens onze gangbare wijze van beschrijven en erkennen mogelijk. Aan de andere kant treffen wij een diep duister, waarvoor hetzelfde geldt: ook hier is het ons niet meer mogelijk, waar te nemen of te beschrijven. Wij hebben ook hier alleen nog de mogelijkheid te ondergaan. Zo ligt voor elke mens in zijn leven en levensloop een hoogtepunt en een dieptepunt: Het hoogtepunt is voor hem het licht, het dieptepunt noemt hij het duister.

De werelden, waarover wij eens willen spreken, zijn dus niet direct werelden, die van elkander geheel verschillend zijn of misschien zelfs geheel aan elkander vijandig. Zij maken deel uit van de reeks van verschijnselen, die liggen tussen het “lichtende niet” en het “duistere niet’’.

Tussen de punten dus, tot waar ons bewustzijn kan stijgen. De kringloop van het leven zelf blijkt de mens zelf steeds weer met deze werelden in contact te brengen. Voor de een zal het licht sneller verblindend zijn dan voor de ander, voor de een zal het duister sneller volledig duister betekenen dan voor de ander. Licht en duister ontmoeten wij echter in elke kringloop: Een mens, die over gaat, zal na een kort ogenblik, waarin hij zijn leven herdroomt, geconfronteerd worden met het duister. Dit moment van duister plus het moment van zelferkenning brengt hem weer op de weg naar het leven, naar het licht. Wanneer ik dus de eigenschappen bespreek van een “duistere wereld”, kan het nooit gaan over eigenschappen, die inherent zijn aan die wereld zelf. Het is slechts de mentaliteit van hen, die juist in deze wereld gaarne vertoeven.

Wanneer ik spreek over de eigenschap van een lichtende wereld, doen wij, naar ik meen, hetzelfde: Wij kunnen niet een dergelijke wereld of sfeer geheel schetsen. Wij kunnen ten hoogste een – tamelijk summier – overzicht geven van de daar levende mogelijkheden en de daar heersende mentaliteit, zo de fasen van leven a.h.w. beschrijvende. De zin van het geheel lijkt mij te liggen in de vervolmaking van het ego: het menselijk ik heeft de tegenstelling nodig om te begrijpen: Het heeft de ervaring nodig om een juiste conclusie te kunnen trekken.

Daarom zal dit menselijk ik, gaande door licht en duister, steeds meer de uitersten van eigen bestaan leren definiëren, steeds minder zal er het blinde punt, het moment van niet waarnemen in licht of duister optreden, zodat wij op den duur de volledige uiting van God – of de geestelijke of kosmische schepping – in zijn geheel zullen kunnen overzien. Hiermee heb ik dan getracht mijn onderwerp allereerst te verduidelijken en te rechtvaardigen.

Nu weet ik, dat de meeste mensen op aarde bang zijn voor een duistere wereld. Voor iemand, die niet vergevorderd is, is dit ongetwijfeld juist; er zijn veel dingen, waarvoor u in het dagelijks leven eveneens bang zou moeten zijn; al is het maar een open stopcontact. Ook dit zou u misschien een schok kunnen bezorgen. Ook dit zou u misschien kunnen schaden. Maar zo goed als voor u – in uw westelijke wereld – het stopcontact een normaal deel is geworden van uw omgeving, zo meen ik, dat u ook de duistere werelden moet zien als een direct deel van uw omgeving. Wij kunnen geen directe scheiding maken door te stellen: de duistere wereld ligt ver weg, of: De duistere wereld ligt ergens beneden. De duistere werelden liggen direct rond ons; hetzelfde geldt voor alle werelden van licht. Zoek je naar de kentekenen van dit duister, dan blijkt, dat de gang in het duister een beperking is van eigen leven en wereld. Zodra wij de astrale sfeer voorbij gaan – die uiteindelijk alleen maar de vormen reproduceert, die vanuit andere werelden daar ontstaan – komen wij terecht op een terrein, waar onze eigen gedachten, lusten en bestrevingen overheersen.

Zijn deze bestrevingen goed en zijn wij in onszelf harmonisch, dan zal deze beperking voor het ik zeker geen schade of leed betekenen. Zolang het ik alleen werkt met eigen krachten of inhoud is het sterk. Een dergelijk ego zal dan ook niet teruggrijpen naar b.v. uw wereld. Hiertoe heeft het geen redenen, want het verzinken in het duister is voor dit ik een vorm van contemplatie, waarbij het door dringt tot het diepste van eigen wezen om dan, vanuit het bereikte begrip en misschien een tijd van sluimering, door dezelfde fasen van wereldcontact weer te reizen naar uw eigen wereldsfeer – de wereld van het denken en ook van de waan – om van daaruit verder te gaan naar de hogere werelden. Het is dan ook de onevenwichtige, degene, die teveel van zijn leven heeft gebaseerd op zijn omgeving, op datgene, wat hij niet werkelijk zelf is of kan zijn, die voor ons gevaarlijk kan worden. Nu spreek ik dus niet over een wereld, die gevaarlijk is, maar over de bewoners van een wereld, die gevaarlijk kunnen zijn. Wanneer een mens erkenning vergt en afdaalt in het duister, zo zal hij daar deze erkenning niet vinden, want er is daar minder contact met anderen, met de wereld. Toch zoekt hij deze erkenning, omdat hij met zichzelf niet tevreden is. Het resultaat is, dat hij deze erkenning ergens af zal willen dwingen. Hiertoe wordt elk middel aanvaardt, elke weg begaan. Zo een duisterling – indien ik zo iemand althans deze naam mag geven – heeft dan ook de neiging om zich b.v. bij u te manifesteren en zich daar te tonen als iemand die hoog, wijs, lichtend, sterk is; kortom: Als iemand, die u helpen kan. Hij geeft er daarbij niets om, of dit nu waar is of niet. Hierdoor immers krijgt hij een aanvaarding en erkenning, waardoor het hem mogelijk wordt eigen eenzaamheid wat te breken. Dit teruggrijpen is voor het ik zelf stilstand: Zolang er de moed niet is, om de werkelijkheid van het ik te aanvaarden, bestaat er geen mogelijkheid, om de reis door de sferen – hier de periode van zich zoeken in duister, zoals men dit noemt – te vervolgen of te overbruggen. Wordt zo iemand uiteindelijk nog meer in zich beperkt, dan gaan niet alleen meer de eisen, die men aan de wereld stelt, spreken, maar valt de nadruk op de eisen, die men voor zichzelf stelt. Wij krijgen dan ook te maken met entiteiten, die zichzelf uit willen leven ten koste van alles. Wanneer hun uitleven toevallig het doden van anderen betekent, zo zullen zij trachten, anderen op een wereld, of entiteiten, die zij kunnen bereiken en misschien zelfs beheersen, te brengen tot doden. Dit is dan hun vreugde.

Menen zij, dat bezit buitengewoon belangrijk is en dat dit bezitten op zichzelf als bevrediging ervaren kan worden, zo zullen zij anderen tot het verwerven van bezit aanzetten, maar gelijktijdig alle afgeven van bezit trachten te frustreren. Wanneer zij op aanzien zijn gesteld, zo is dit aanzien een zelfwaardering. Zij zullen dan zichzelf misschien als godgelijk willen zien.

Dit is misschien een vorm van trots. Maar in dit pogen om God gelijk te zijn, achten zij niet in ander leven, in andere werelden, die zij nog kunnen bereiken.

Voor ons, zoals wij hier samenzijn, mag dan ook worden gesteld, dat het grote gevaar van de duistere werelden niet ligt in de demonische overheersing – waarvan men zo vaak spreekt – maar in het beroep op de onevenwichtigheden, die in onszelf bestaan, zoals wij in wereld en sfeer leven. Gevaarlijk is het beroep op ons in ons pogen om meer te schijnen, dan wij weten te zijn, kortom: Al datgene, waardoor wij trachten te ontvluchten aan de feitelijke werkelijkheid. Een demon komt wel voor: Er zijn niet menselijke bewoners in deze duistere werelden, er bestaan daar wezens, die een ander levenspad volgen dan wij. Voor deze laatsten kan het duister een normale omgeving zijn. De mensen zullen onmiddellijk hieruit besluiten: deze wezens zijn dus slecht. Waar is dit niet: Deze wezens zijn voor zichzelf niet demonisch maar zijn door hun wezen, hun bestrevingen en vaak ook door de gestalte waarin zij voor ons kenbaar worden, schrikwekkend. Wij worden daarom snel door hen gedomineerd. Interessant hierbij is te zien hoe zij, strevende naar iets, wat voor hen waarschijnlijk goed is, elke zwakheid in ons weten uit te buiten.

Toch is een demon, die in uw leven optreedt, nimmer een overweldiger, die u ten koste van alles neerslaat. Het is eerder een beoefenaar van een soort geestelijk judo, die u de kans geeft te streven, zoveel u wilt, om dan, juist wanneer u meent het beste te doen, u er toe te brengen, dit zover te overdrijven, dat u daardoor tot vallen komt en uw innerlijk evenwicht, misschien zelfs uw achting voor uzelf en misschien uw begrip voor waarheid ook, eenvoudig ten gronde ziet gaan. Wanneer deze wereld van u dus wordt bedreigd door duistere krachten, zo moeten wij voorop stellen, dat deze bedreiging in wezen steeds gelegen is in de potentie van onevenwichtigheid, de potentie tot het demonische in de mens zelf. Ik weet, dat er een groot systeem van indeling bestaat, waarbij men elke “hellevorst” een eigen naam geeft, elke hellewereld afzonderlijk beschrijft en zelfs misschien tracht de pijnen te beschrijven van hen, die gebonden zijn aan deze duisternis en niet de mogelijkheid kunnen vinden, daaraan te ontkomen. Wanneer wij bv. de hellewereld en het vagevuur zien, zoals een Dante Allighieri dit beschrijft, moeten wij toegeven, dat hierin veel waars schuilt, maar aan de andere kant moeten wij opmerken, dat het geheel veel te menselijk is: Want het is nimmer een demon, die ketent en kwelt, maar de mens zelf, die zich ketent en kwelt en vaak uit een soort onbehagen anderen zou willen dwingen deze zelfde ketenen en kwellingen te aanvaarden.

Nu ik dit alles gezegd heb over de duistere werelden, wordt het tijd eens over de – voor de mens toch altijd meer optimistische – lichtere werelden te gaan denken.

Ik zou willen stellen, dat, zoals het duister een keren in jezelf inhoudt, het keren naar het licht een gaan vanuit jezelf is. Het ik omvat steeds meer, omdat het zijn verbondenheid met steeds meer kan aanvaarden. Het ik zoekt niet meer alleen naar een innerlijke vrede of harmonie, maar zoekt de harmonie te vinden door een perfecte afstemming op de werkelijkheid van het leven en de kernwaarden van het zijn.

In het begin vinden wij ongetwijfeld werelden, die aan uw aarde doen denken: een zomerlandsfeer, aan de meesten van u bekend, is bv. opgebouwd uit flarden van gedachten en herinneringen. Zij toont de mens een geïdealiseerde aarde, waarop geïdealiseerde wezens trachten hun eigen idealen te verwerkelijken. Maar dit is maar een overgangsfase. Want alleen maar een harmonie met eigen omgeving kan nooit ons werkelijke doel zijn. Daarom zal al snel de behoefte komen om de betekenis van deze wereld aan anderen te doen kennen en de vreugde, die zij voor de bewoners is, ook aan anderen mede te delen. Het lijkt dan, of dit een directe bewustwording inhoudt. Het is inderdaad een kleine vordering, maar betekent helemaal niet, dat een wezen, dat hiertoe komt, nu ook meteen “lichter” wordt en daardoor dus nader tot de grote werkelijkheid komt. Het betekent alleen maar, dat onbewust wordt beseft, dat geen enkele toestand waardevol en blijvend kan zijn, tenzij het een erkenning vormt van een werkelijkheid, die het geheel van de schepping omvat en niet slechts beperkt blijft tot eigen wereld of ik. Alle volgende fasen, waarbij de wereld van de gedachten langzaam maar zekerplaats gaat maken voor zuiverder kracht en zuiverder licht, is dan ook een ontstijgen aan jezelf.

Wanneer wij te maken krijgen met de werkelijk groten, ontdekken wij, dat zij niet waarlijk voor zichzelf leven: Hun wezen is het middel geworden, waardoor in het geheel het licht of de harmonie – of zelfs alleen maar een begrip van de waarheid – wordt verbreid. Dit geeft ook weer een zeker inzicht in de betekenis van de Lichtende krachten en zelfs van de kosmische krachten, die deze aarde beroeren. Wij moeten wel beseffen, dat, wanneer wij spreken overeen meester, die de wereld beroert, wij in feite spreken over een wezen, dat zichzelf een gestalte geeft, om op deze wereld iets te kunnen zijn of bereiken, maar dat deze uiting alleen maar als middel, als weg kan worden gezien. De werkelijkheid, van een meester of gezondene is groter, veel groter dan ooit binnen de beperkingen van hier kenbare vormen tot uiting kan komen. De kosmische kracht – of zij misschien eens mens is geweest of, wat waarschijnlijker is, behoort tot het eeuwig bestel van de krachten die in een wonderlijk evenwichtsspel binnen het Al voortdurend aanwezig zijn – zover mij bekend althans, blijkt dan ook steeds weer niets persoonlijks te hebben.

Dit helpt ons misschien ook om het Licht beter te begrijpen: het licht is onpersoonlijk. Hoe lichtender de wereld is, hoe onpersoonlijker haar begrippen en werkingen. Ik word teruggebracht van het middelpunt van het Al – wat het is in de werelden van het diepste duister – tot een bewustzijn van het geheel in het hoogste licht. Nu is het voor de mens altijd weer erg vervelend, dat hij geconfronteerd wordt met entiteiten en krachten uit beide levens-bereiken, die ergens teruggrijpen naar de aarde. Want wanneer je eenmaal omhoog bent gegaan en het witte licht gevonden hebt, deze sfeer, waarin zelfs het ervaren op den duur verstilt en men misschien een half-bewusteloos ondergaan van de hoogste fasen van leven overbrugt, komt men terug naar het bewustzijn. Men bereikt een wereld, die men eens – zoekende naar het grote licht – is doorgegaan. Vanuit deze zelfde sfeer kom je nu, gericht naar lagere sferen, naar de wereld. Terwijl je naar die wereld toegaat – waarmee niet alleen de wereld van de mensen bedoeld wordt, maar al, wat als wereld beschouwt kan worden of als materie – zul je trachten naar beneden toe dat wat in u leeft, te verbreiden.

Ik heb hier dus in wezen een kringloop beschreven. Een kringloop, die een verklaring geeft voor onnoemelijk vele verschijnselen binnen het menselijke leven, maar tevens een verklaring voor de vele beïnvloedingen vanuit de geest en de tegenspraken, die daarin schijnen te bestaan. Wij vinden hierin de verklaring voor de schijnbare tegenstellingen, die wij aantreffen bij de erkenningen van het licht en de schijnbare tegenstellingen in de benaderingen van het duister, dat tracht, onze eigen wereld te beïnvloeden. Ik moet echter nog een stap verder gaan: de materie kan het voertuig zijn van een wezen, dat innerlijk een bewustzijn van een zeer groot deel van de omschreven kringloop kan behouden. De herinnering schijnt u waarschijnlijk nog voortdurend teloor te gaan. Er komt echter een ogenblik, dat dit niet het geval is. Er komt een ogenblik, dat deze herinnering aan licht en duister in je blijft bestaan, zodat je dus een overzicht behoudt van de verschijnselen en de werelden, waarbinnen je jezelf manifesteert.

Daar begint nu het voor ons belangrijke: Iemand, die terugkeert, kan bv. een ster zijn. Komt hij nu voor ons van beneden, vanuit het duister dus, dan is hij voor ons over het algemeen een duistere ster. Zoals b.v. de ster Algol, die om verschillende redenen wel een ster van het kwaad, het duister wordt genoemd. Aan de andere kant zien wij sterren, die als bijzondere licht-brengers worden beschouwd. Het zijn a.h.w. wezens, die neerdalen in de belichaming van de zon op het ogenblik, dat zij, neerdalende uit de lichtwerelden, weer de materie erkennen.

Toch zijn al deze verschijnselen nog tijdelijk. Eerst wanneer een wezen in zich alle licht en duister kent en draagt, ontstaat het werkelijke eeuwige, de oneindige. Ongeacht de vorm, die deze ooit aanneemt, is hij altijd het geheel. Hij is hemel en hel, licht en duister, Hij is de Scheppende Vader in zijn volste uiting en de ongeuite Godheid, die zich verschuilt in het niet.

Als je de invloeden ondergaat en ziet, hoezeer zij variëren in hun toepassing, in hun werking, ga je je vaak afvragen, waarom sterren en werelden, ja, zelfs wezens uit bepaalde andere werelden in de ruimte, nu juist zo denken, zo reageren. Wij zijn dan al snel geneigd om oordelend vanuit eigen kleine wereld en beperkt standpunt, te zeggen: Die zijn slecht, die anderen zijn goed. De invloeden, die ons bereiken, zijn voor ons steeds goed of demonisch, duister, slecht en verwerpelijk.

Ik zou graag willen dat u, aan de hand van het onderwerp, dat wij vanavond gezamenlijk bespreken, dergelijke opvattingen enigszins wijzigt, het behoeft niet veel te zijn. Ik zou van u een begrip wensen voor persoonlijk zijn en persoonlijk uiten. Want dit is het uiteindelijk, wat de voor ons lichtende wereld en de voor ons duistere wereld in wezen doen. De bewoners van deze werelden zijn zichzelf, zo goed als u uiteindelijk uzelf bent. De keuze ligt voor u dan ook niet wezenlijk in een keuze tussen goed en kwaad, maar in een keuze tussen al, wat voor u juist is en al, wat voor u niet juist is.

Wanneer u een niet juiste kracht, een demon, daarbij ziet als een enorme macht van het kwaad, dan bent u, alleen door de angst, het gevoel de mindere te zijn, dat hieruit voortvloeit, inderdaad binnen de invloedssfeer van een dergelijke persoonlijkheid of demon gekomen. Op het ogenblik echter, dat men beseft: Dit is een wezen, dat alleen zichzelf wil zijn, juist zoals u, maar ik kan dit wezen zo niet aanvaarden, dan staat er tussen de demon en u en voor de demon, maar ook voor u, een onoverkoombare grens. Dan kan deze entiteit u niet beïnvloeden, zomin als u het deze entiteit kunt doen. Pas wanneer u, vanuit uzelf, de sterkte voelt te zijn, zou u kunnen trachten om de demon – die erkenning eist, vergeet dit niet, de demon die meer wil erkennen, bereiken en ervaren dan in zijn eigen wereld mogelijk is – misschien kunnen benaderen zonder grote gevaren. Wanneer hij dan geen grens zet – wat gezien de instelling van dergelijke wezens waarschijnlijk is – kunt u zo iemand misschien uit zijn gebonden zijn aan een en dezelfde fase van duister verlossen. Maar voor u is vooral belangrijk, dat het kwaad geen macht over u heeft, tenzij u het kwaad erkent als meerdere of, wat misschien nog gevaarlijker is, het kwaad erkent als deel van uw eigen wezen.

Voor een mens, die op de wereld leeft, is het daarom, over het algemeen praktischer zich niet al te veel bezig te houden met invloeden vanuit verschillende werelden. Wij moeten natuurlijk weten, welke tendensen er bestaan voor de wereld en misschien ook voor onszelf. Ook een zekere kennis van al, wat de sterren u kunnen zeggen, zal u zeker geen kwaad doen. Een zeker begrip voor alles, wat u eens geweest bent, kan u al evenzeer helpen. Maar belangrijk zijn deze dingen niet: Belangrijk is voor u alleen maar, dat u voor uzelf leert erkennen: Dit past bij mij. Door datgene te kiezen, dat bij uw werkelijke wezen en behoeften past, door het eenvoudig ontkennen van al, wat in uw wezen voor u onaanvaardbaar is en geen gebruik daarvan makende – het misachtende dus – kunt u de lichtende werelden a.h.w. dichter bij u brengen. Want zoals ik reeds zei: Deze werelden liggen niet ergens ver weg, maar liggen direct rond u. Wij zijn eerder een bewustzijn of bewustzijnstoestand dan iets, wat in aanmerking komt voor plaatsbepaling.

Wanneer u in uw leven voortdurend het lichte zoekt en dit in uzelf versterkt, behoeft u niet te rekenen op een ogenblik, dat deze lichtende werelden opeens opengaan voor u, dat u door de poort van de bewustwording zonder meer een nieuwe wereld zult kunnen betreden; ofschoon ook dit wel voor komt. Wel kunt u er op rekenen, dat het kwaad bij u steeds minder sterk wordt, dat het onaanvaardbare en innerlijke verdeeldheid weg zullen vallen. Doordat u weigert het kwade in uzelf te erkennen, of daaraan ook maar op enigerlei wijze uiting te geven, bereikt u ook nog iets anders. Elke suggestie in deze richting is voor u eveneens onaanvaardbaar geworden.

Wanneer u verlangt naar vrede en gelijktijdig zoekt naar sterkere wapens, bent u tegen uzelf verdeeld. Ik weet wel, dat hierover op aarde veel wordt getheoretiseerd. Men gaat daarbij echter van een verkeerd standpunt uit: Werkelijke vrede is niet een toestand, die men de wereld op kan leggen. Vrede is een toestand, die men in zichzelf zal dienen te vinden. De meeste mensen op deze wereld zoeken werkelijk naar vrede en verlangen daarnaar. Ontken dan alles, wat met deze vrede in uw wezen in strijd is. Geef er uw aandacht niet aan, werk er niet mee, misacht het, zeg eenvoudig: dit heeft in mijn leven geen plaats. Op dat ogenblik zult u niet onmiddellijk de begeerde vrede vinden. Maar u zult alle niet-vrede in uw wezen verzwakken en van zijn werkingen beroven. Zo vindt u voor uzelf het grotere begrip vrede, dat dan vanuit uw wezen steeds meer over kan gaan in uw wereld. Het is dan echter niet meer een opleggen van uw eigen denkwijze, een opleggen aan anderen van een bepaalde visie of het bevestigen van een bepaald standpunt, maar eenvoudigweg een gezamenlijk delen van een innerlijke rust, zonder meer.

Wanneer er invloeden uit de kosmos komen, kan men daaruit dus zelf licht of duisternis maken. Elke beweging, die u maakt, elke daad, die u stelt, kan voor u een benadering zijn van het licht, een betreden van een lichtender wereld, of een duisternis zijn en u steeds intenser in contact met duistere werelden brengen. De lichtende werelden zijn niet iets, wat u verheft ondanks uzelf. Zij zijn een begrip, dat u bereikt in uzelf en in zekere zin ook dankzij uzelf. De duistere werelden zijn niet werelden, waarvoor u bevreesd moet zijn. Het zijn geen monsters, die rond gaan als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zal verslinden. Zeker, de vorm kan bestaan. Maar als wij die leeuw ook als leeuw erkennen en hij komt in onze buurt, zullen wij vrezen en slachtoffer worden. Maar wanneer je geen vrees kent en de briesende leeuw behandelt als een klein poesje, zegt het kwaad opeens liefelijk miauw en wil kopjes geven. Indien wij daar nu maar rekening mee houden en ons ook niet laten vertederen door de schijnbare aanhankelijkheid van het duister, maar het eenvoudig blijven ontkennen, komt voor ons het ogenblik van begrip, waardoor wij licht en duister in onszelf op de juiste wijze verstaan.

Vergeet niet, dat het zijnde geboren is uit het niet, dat uit het duister het licht voortkwam. Want zie: in de duisternis werd het licht geboren in het licht werd de duisternis geboren. Ja, zelfs het zijnde bergt het niet in zich en keert daarheen terug. Het klinkt erg wijsgerig, maar het is waar: wanneer wij op een gegeven ogenblik het licht in onszelf dragen – dus het bewustzijn van de werkelijkheid – dragen, zullen wij nog steeds lagere werelden, duistere werelden betreden. Wij zullen deze dan echter niet meer betreden met een onderworpenheid daaraan. Wij zullen deze werelden betreden met ons “licht”, met ons begrip van het grotere geheel. Wanneer de volbewuste de duistere wereld binnengaat – tot de diepste afgronden van Hades toe – is het het licht zelf, dat in deze werelden binnen gaat. Het is het geheel van alle werelden, dat in een vorm van zijn binnen treedt. U bent dan in het duister altijd even groot als de eenheid, die u in uzelf gevonden heeft met God, met wereld en leven. Want hoe en waar u ook bestaat, het is dit laatste, wat u altijd met u neemt; het is dit alles, wat de werkelijke waarde en betekenis van het ego is. Zo een innerlijke wereld kan zo sterk en groot zijn, dat menigeen, die in het duister doolt en aan zichzelf geketend als slaaf daarin lange tijd zou ondergaan, in het licht daarvan zijn werkelijke gestalte hervindt en vrij van ketenen de gang door het diepste duister mee kan maken om te herrijzen, zoals er zelfs volgens de legenden uit Proserpina’s rijk schimmen zijn opgestegen tot het leven van de volle dag, of zelfs tot de eeuwige velden van de zaligen. Wij dragen in ons licht en duister, wat er rond ons bestaat, is alleen maar een groep van andere entiteiten, die een gelijksoortige bewustzijnstoestand met ons kunnen delen, die de onevenwichtige vanuit eigen onevenwichtigheid kunnen benaderen en in die toestand van zich kunnen verwijderen, of tot zich aan kunnen trekken.

Nu komt dit jaar – dat staat wel vast – weer een reeks kosmische werkingen tot uiting. Ik geloof niet, dat het belangrijk is, er nogmaals op in te gaan, hoe dit aller wel zal gaan en wat het alles nu wel werkelijk zal zijn. Maar er komt bv. een kracht, die uw levenslust vergroot.

Wat doet u daarmee? Gebruikt u dit om voor uzelf harmonischer, innerlijk gelukkiger te worden? Gebruikt u deze kracht om meer bewust deel te zijn van de wereld, zonder daardoor gelijktijdig een deel van de wereld voor uzelf af te wijzen? Of misschien zelfs een deel van uzelf te verwerpen? Dit is de grote vraag. Want alleen door alles te aanvaarden en intenser te beleven in jezelf, kun je de lichtende werelden in en rond je meer werkelijk maken. Er ontstaat nu vaak een zeer vreemd verschijnsel, dat ik aan het einde van mijn inleiding nog even wil noemen: Er komt voor ons een ogenblik, dat licht en duister voor ons niet meer bestaan en gelijktijdig voor ons eigenlijk identiek zijn. Wij kennen geen richting meer. Wij weten, dat deze waarden voor anderen nog aanwezig zijn, maar in elke waarde zijn wij geheel onszelf. Gelijktijdig erkennen wij in elke sfeer en wereld, in elke toestand, het geheel. Het is deze toestand, die het dichtste komt bij wat men wel Nirwana noemt: Niet alleen dus een daadloze droomwereld, maar een harmonie, waarvan niets uitgesloten is. Je kent alle dingen en gelijktijdig zijn alle dingen onkenbaar geworden als een persoonlijk bestaan. Nu nog leeft u met persoonlijke belangen en denkwijzen, met persoonlijke belangen en bestrevingen. Maar er komt een ogenblik, dat al deze persoonlijke waarden opgelost moeten worden, dat zij in plaats van bestrevingen van het ik binnen het Al moeten worden tot erkenningen van het ik omtrent het Al.

Je kent jezelf, je kent dus ook de plaats, die je binnen het geheel hebt. Maar je kent meer; het is niet alleen de zelfkennis, die nu geheel gerealiseerd is, maar ook de verbondenheid van het ik met het geheel, die gerealiseerd is via de erkende plaats, die men in het geheel als functie van eigen bestaan en grondwaarde van eigen ik kan beschouwen. In deze vreemde toestand van daadloosheid, waarin het ik alleen nog werktuig is voor het onbekende, het grote, maar niet meer een persoonlijk streven bevat, valt de door mij geschetste kringloop eigenlijk weg. Zij wordt, in plaats van een beleving van werelden en bestrevingen, eenvoudigweg de uitdrukking van het “Woord”, het grote geheim. De kringloop wordt tot een uitdrukking van het begrip leven zelf.

Ik ben mij er van bewust, dat er maar zeer weinigen zijn, die op aarde deze toestand ooit benaderen. Zover mij bekend, zijn er tijdens het gehele bestaan van deze wereld, maar enkelen geweest, die, terwijl zij nog op aarde kenbaar bestonden, deze toestand in zich blijvend bereikten. Ik pretendeer ook niet, dat ik zelf, mijn broeders, of zelfs onze meesters, zo ver reeds zijn. Er zijn er maar enkelen. Maar toch is dit voor ons de werkelijke overwinning, het einddoel. Lichte en duistere werelden zijn verschijningsvormen, delen van een waan, waaraan wij onszelf kunnen onderwerpen, of waaraan wij onszelf kunnen trachten te onttrekken. Het is dit punt, dat ik met nadruk hier wil constateren. Alles, wat licht is en duister, wordt vanuit uzelf ergens bepaald. Zelfs de gehele kringloop, die u doormaakt door de verschillende werelden, toestanden van bewustzijn en erkenning, is ergens een waan. Zij is niet volkomen werkelijk. Zij is slechts uw benadering, fase na fase, van iets, dat het geheel, de gehele waarde, van het ik uitmaakt.

Leer steeds meer om zonder oordeel, maar met de grootst mogelijke harmonie in jezelf, met jezelf en met de wereld en alle werelden, te leven. Streef niet naar een grotere differentiatie in of vanuit jezelf, maar naar een grotere harmonie in jezelf en van het Al met jezelf. Het is de harmonie, waarin het bewustzijn op den duur rijst, dat de geheimen kan ontsluieren, de geheimen, die u allen graag wilt kennen, maar die de meesten onder u, zelfs indien zij geformuleerd zouden kunnen worden in uw begrippen, niet zouden kunnen erkennen of begrijpen. Het geheim van ons aller leven is eenvoud en eenheid – niet differentiatie dus.

De kern van onze wijsheid kan worden herleidt tot het ene, alomvattende woord “Zijn”.

Maar om te weten, wat deze eenvoudige begrippen betekenen, zullen wij een lange en vaak moeilijke weg moeten gaan. Laat ons die weg dan gaan, wetende, dat een groot deel daarvan waan is, begoocheling, wetende dat het duister, dat wij vrezen, ons alleen door deze vrees werkelijk benaderen kan, beseffende, dat het licht, dat wij zo ver weg zien, alleen zo ver van ons verwijderd schijnt, omdat wij het niet kunnen aanvaarden in onszelf door onze beperkingen prijs te geven t.a.v. dit hogere.

  • Gaan uiteindelijk alle wezens naar het licht? Of leven wezens, voor wie het duister de wereld is, waarin zij tot algeheel bewustzijn komen?

U kunt dit natuurlijk sterk vereenvoudigen in aanleuning tegen de huidige menselijke denkwijze. Dan kunnen wij zeggen: Alle mensen zullen eens ingaan tot het licht.

Voor anderen kan datgene, wat voor de mens duister zou betekenen, inderdaad het licht zijn.

Wanneer wij dit praktisch en gebaseerd op de werkelijkheid willen stellen, wordt het iets ingewikkelder: Dan moeten wij zeggen: Licht en duister zijn slechts de uitdrukking van de uiterste ervaringsmogelijkheden waarover wij beschikken en dus het terrein, waarop wij harmonisch kunnen zijn met onze Schepper en Diens wezen in onszelf zullen kunnen beseffen.

Zo gezien is er geen feitelijk verschil van waarde tussen licht en duister en kan niet gesproken worden van wezens, die in het duister of in het licht, leven. Er zijn slechts wezens, wier bewustzijn gehecht is aan en wisselen blijft tussen deze uitersten. Dan zal een ieder die nu in het licht leeft, ook het duister moeten kennen en wie nu in het duister leeft, zal eens het licht kennen.

Degene, die deze kennis van beide uitersten bereikt heeft, gaat dan op in het onbekende, in het niet. Degene, die dit niet bereikt heeft, zou eventueel nog een ogenblik kunnen beleven, waarin Scheppende Macht zelf zich terugtrekt. Dan zal zo iemand, ondanks zichzelf en onbewust misschien zelfs daarvan, worden opgenomen in dit niet, u ziet, dat hieraan dus heel wat meer vast zit, dan u misschien zou denken.

Voor u is echter de eenvoudigste formulering, die ik u dan ook voorlopig wil aanbevelen: Eens zullen alle krachten tot het licht komen. Dit is wel niet geheel juist, maar waar hetgeen de waarde, die u het Licht noemt, uiteindelijk identiek is met de Bron van het Zijn, is deze formulering toch wel aanvaardbaar.

Nabeschouwing.

U heeft er al heel wat gehoord op deze avond, maar ik neem aan, dat een paar woorden meer u niet zullen schaden of ergeren. Wij hebben nu gesproken over de lichtende werelden en de duistere werelden, wij hebben gesproken over goed en kwaad. Wij hebben gesproken over de kosmos. Wanneer wij echter eerlijk zijn en dit alles herleiden tot het punt, dat in wezen ons voortdurend onderwerp is, zo moeten wij zeggen: Wij hebben gesproken over onszelf.

Wij zijn nu eenmaal aan dit ik-begrip gebonden. Elke poging om het Al te doorgronden of de wereld te leren kennen, begint bij het ego. Wij kunnen niet denken buiten onszelf, wij kunnen alleen denken vanuit onszelf. Het is juist dit, wat het voor ons zo belangrijk maakt, om binnen het ik de juiste formule, de juiste kracht te vinden. Zeker: Er is kracht buiten u, veel kracht zelfs. Maar, kunt u deze kracht niet in uzelf ontvangen, dan kunt u door de bron van goddelijk leven gaan, geheel onberoerd, alsof deze niets ware. Men zegt vaak, dat het hogere ons zal helpen. Maar het hogere kan ons alleen helpen, wanneer wij eerst in ons dit hogere aanvaarden en erkennen. Men zegt vaak, dat de lichtende krachten en de grote meesters ons zullen leiden, maar hoe kunnen zij ons leiden, tenzij wij hen eerst verstaan. En daarvoor moeten wij eerst in onszelf hun ware wezen, hun werking en bestaan, accepteren. Het is juist dit zo belangrijke punt, dat wij steeds weer plegen te vergeten.

Het is zo eenvoudig om te zeggen, dat veel van de op deze wereld plaats vindende gebeurtenissen door demonen worden geïnspireerd. Dat kan waar zijn, maar het zijn mensen, die de gedachte waar maken en in zich ontvangen. Men kan evenzeer zeggen, dat er op deze wereld lichtende krachten werkzaam zijn, sterk en groots als nooit te voren. Wij zullen zelfs geneigd zijn te zeggen: zie dan toch rond u, want zij volbrengen zo veel. Maar het zijn de mensen die het waar maken!!!!! Niets is zo belangrijk als het ik. Niet omdat dit ik in het Al zoveel betekent, maar omdat het de enige weg is, ja enige middel tot leven, het ego is je bestaan.

De waarheid van je ik kennen is uiteindelijk alleen maar een omschrijven van deze grondwaarde van je bestaan. Wanneer je dan kracht zoekt, en in jezelf een honger is naar kracht, een geloof aan kracht, zal er antwoord zijn. Want wat in jezelf bestaat en tevens in de kosmos bestaat, vindt een weerkaatsing in jezelf. Voortdurend werp je als mens en geest gedachten en daden uit naar de ledige ruimte, de koepel van het niet, die je bestaan omgrenst. Vanuit dit niet kaatsen de gedachten tot je terug in velerlei gedaanten en gestalten. Maar het is: wat je uitwerpt, wat tot je terug zal keren. Wanneer u meent, dat het u zo slecht gaat en uw medelijden met uzelf in de wereld uitwerpt, kunt u weten, wat u terug zult krijgen: het zelfmedelijden, de preoccupatie met eigen zijn van geheel de wereld rond u, die u daardoor misacht en miskent.

Wanneer u moed uitwerpt naar de wereld, zo vindt u in diezelfde wereld deze moed weerkaatst, niet alleen als een versterking van eigen wezen, maar ook als meerdere moed en kracht bij uw tegenstrevers. Het enige, dat u dus werkelijk zonder gevaar naar die wereld kunt uitstralen, uit kunt zaaien in de zekerheid, dat het u niet tot vijand wordt, maar volkomen tot u terugkeert, is de aanvaarding, die men soms naastenliefde, soms lotsaanvaarding, soms kosmisch begrip of kosmische liefde noemt. Wanneer je, vanuit jezelf, tracht steeds weer in gedachten en daden, in leven en wezen, licht en waarheid te geven, zal het al u antwoorden met licht en waarheid.

Licht en duister zijn de namen, die wij geven aan de dingen, die wij niet – misschien nog niet – begrijpen. Licht en duister zijn de termen, waarmee wij ons eigen wereldje trachten te begrenzen en voor onszelf aanvaardbaar te maken. Kracht is voor ons iets, waarop wij ons soms zullen verheffen, waarop wij ons soms ook zullen beroepen. Zelfs God is dan vaak een functie van ons eigen wezen geworden, een geïdealiseerd ikje, dat almachtig en albeslissend onze wensen waar moet maken, waar wij zelf machteloos zijn. Laat ons dit vooral goed beseffen, al is het niet altijd prettig. Want het is de waarheid en eerst, wanneer wij volkomen eerlijk, waar en oprecht tegenover onszelf staan, wanneer wij toegeven – zo wij kunnen – wat alles in werkelijkheid voor ons betekent, kunnen wij waarlijk het antwoord verwachten uit het onbekende.

U meent veel te weten en veel te kennen. Maar uiteindelijk is al uw kennis en weten niet meer dan een machteloze begrenzing van de oceanen van werkelijk weten en werkelijk gebeuren, die – onbeseft – rond u is. Wanneer u dit beseft, is uw kennis de kust, vanwaar u in zee kunt steken en nieuwe werelden ontdekken. Maar als u zegt, dat uw kennis de grens is van de wereld, zult u nooit waarlijk verder kunnen gaan. U bent het begin, voor uzelf, zoals u nu bent.

Maar u bent niet het einde. U bent, zoals u nu bent en bestaat, met kennis, vermogens en begrip, het uitgangspunt, vanwaar u de wereld, de werkelijkheid van eigen wezen kunt beseffen, niet slechts, zoals u uzelf kent, maar zoals u in werkelijkheid bent.

Het is daarom, dat ik aan het begin van een voor u nieuw jaar – er is immers een getal in uw telling versprongen – u wijs op de noodzaak vanuit jezelf te leven. Ik heb kracht. Ik heb kracht, omdat in mij iets is, wat reeds kracht is, een geloof in kracht, een uitzenden van kracht, een werken met kracht, waaruit krachten tot mij terugkeren. U kunt deze kracht evenzeer bezitten als ik, want ik ben niet waarlijk meer dan u. Ik bezit geluk, omdat er voor mij een harmonie is, waarin ik leef, een vreugde van bestaan, die steeds groeit. Voor u staat dezelfde wereld open, wanneer u, als ik, zover komt, dat u in uw wezen deze dingen erkent, schept en vanuit uw wezen tracht te uiten. Niets is u, o mens, onmogelijk, buiten dit ene: u kunt niet ophouden uzelf te zijn. Want uw ik is bepaald door een hogere kracht, dan u zelf bent. Leer dan al de dingen te doen, die u mogelijk zijn. Leer in uw leven te werken met de krachten en gaven, u gegeven, of dit nu woord is of kosmische kracht, eenvoudige dienstbaarheid, of de vrede, die u slechts als een aura uitstraalt rond uzelf.

Werk met uzelf opdat u nu, wanneer de tijd het toelaat, de kracht vindt, waarmee alle dingen u mogelijk zijn op het ogenblik, dat een negatief denkende mens of wereld slachtoffer van zichzelf zou worden. U, niet ik, niet de meesters, niet anderen, bent de directe weergave van uw God. U bent, vanuit uzelf, de harmonie, waarin de gehele kosmos spreekt. U, en niemand anders, bent dit alles. Beroep u dan niet op anderen, doch tracht u van uzelf bewust te worden, opdat u mag leven in waarheid, opdat de waan, waarin u zo vaak gevangen bent, moge optrekken als nevelsluiers, wanneer de zon komt en het werkelijke leven, dat harmonie is met de allerhoogste en schoonheid zonder gelijken, voor u kenbaar moge worden. Ik hoop en vertrouw, dat ik althans voor een enkele onder u iets hiertoe heb bijgedragen. Moge in uzelf bewustzijn van kracht ontstaan, waardoor u de sterken zult zijn, die vanuit zich het licht dragen.

image_pdf