Liefde, heersen, dienen

Als je spreekt over werkelijke liefde, komen heersen en dienen er eigenlijk niet eens aan te pas. Liefde is de aanvaarding van de ander als een verlengstuk van jezelf. Dat wil zeggen, dat je de ander ook probeert te begrijpen zoals deze is met zijn inhoud, zijn kwaliteiten en eigenschappen. Kun je jezelf overheersen? Beheersen misschien nog aan beetje, maar overheersen niet. Als je iets doet voor jezelf, dan noem je dat toch geen dienen; dat is toch vanzelfsprekend. Dit is dus een onderwerp waarvan de titel zeker niet helemaal strookt met de werkelijkheid, laat staan met de ideale toestand. Helaas ligt het bij de mensen op aarde een beetje anders.

Een vriend van mij heeft in een ver verleden eens gezegd: het huwelijk is eigenlijk de strijd tussen de seksen waarbij de wapenstil­stand in bed wordt gesloten. Daar zit wel iets in. Er is vaak sprake van een lichamelijke attractie. We zouden kunnen zeggen: een biochemische reactie waarbij de mentale en emotionele kwa­liteiten enigszins op de achtergrond staan. Je voelt je tot elkaar aan­getrokken. Het kan zelfs zo zijn dat je aan elkaar verslaafd raakt. Maar daarmee is er nog geen sprake van liefde. Liefde is namelijk veel meer dan een contact met elkaar.

Als je een ander werkelijk liefhebt, dan zul je die ander bv. in zijn vrijheid niet belemmeren; er is geen reden om hem te overheersen. Als je een ander werkelijk liefhebt, dan dien je zo iemand niet, maar je reageert gewoon op een behoeftepatroon. En je verwacht van de ander dat ook hij op zijn manier zich in dat behoeftepatroon inpast en er zijn deel aan bijdraagt. Liefde is een samenwerking. Liefde is aan de ene kant de grootste vrijheid die je kunt vinden en aan de andere kant is het de meest inten­se binding die er – voor zover mij bekend – kosmisch bestaat.

Als je op aarde iemand liefhebt, dan ontstaat er al heel gauw wat men noemt een rollenpatroon. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet dat de partners soms op hun eigen manier aan de rol gaan, maar dat men een be­paald beeld begint te krijgen van zijn eigen functie in een huwelijksge­meenschap of een samenleving. Vanaf dat ogenblik doet men zijn best om daaraan te beantwoorden. Dan wordt heel vaak het vervullen van de rol veel belangrijker dan de partner. Dat is een kwestie dat de vrouw (het is tegenwoordig niet meer zo erg) de huishoudelijke taken krijgt toebe­deeld. Langzamerhand is dan het huishouden zo belangrijk geworden, dat de man eigenlijk tevens de reden is geworden van vele huishoudelijke taken en aan de andere kant de grote hinderpaal om ze goed uit te oefe­nen. Omgekeerd zal de man heel vaak het idee hebben: mijn rol is die van degene die voorziet in de noden van het gezin. Hij gaat daarin zozeer op dat hij geen rekening meer houdt met vrouw en eventueel kinderen in de eerste plaats als mensen met een emotionele behoefte. Hij wordt gedreven door de behoefte om stoffelijk zo goed mogelijk te voorzien en daarbij valt dan al het andere een beetje weg. In dergelijke gevallen zal men vaak zeggen: die man is overheersend.

Neen, die man is niet overheersend. Die man is zozeer gegroeid in een specifiek deel van de rol die hij meent te moeten spelen, dat hij daardoor wordt beïnvloed in zijn gedrag. Dat is het imago van de man zoals men wel zegt. Vooral in zuidelijke landen komt dat voor. In Neder­land is het iets minder maar niet veel. De man heeft geleerd: de man is het voornaamste wezen op aarde. Hij moet voortdurend zichzelf waarmaken, anders is hij geen man. Zijn gedrag tegen anderen en vooral ook tegen de andere sekse wordt mede bepaald door dat beeld waaraan hij wil beantwoorden.

Ook bij de vrouw zien we dergelijke beelden. De vrouw heeft het beeld van de zelfstandige vrouw. Nu is er op een zelfstandige vrouw niets aan te merken. Dat is duidelijk, in een liefdesverhouding zal een vrouw die zelfstandigheid in feite moeten bezitten of ze nu het huis­houden doet of ook inkomen inbrengt, Dat maakt geen verschil uit. In dit geval echter krijgen wij te maken met de vrouw die deze rol ziet als gelijktijdig een verwerping van de huishoudelijke taak. Zij komt dan in een situatie te verkeren waardoor de noodzaak om nog huishoude­lijke bezigheden te verrichten eigenlijk een aantasting lijkt te zijn van eigen waardigheid.

Is het een goede relatie, nu dan krijgen we de mensen die sa­men het huishouden doen. Maar is de relatie iets minder goedig omdat men elkaar minder goed aanvoelt. Dan krijgen wij de vrouw die probeert de man eigenlijk tot huisman te maken. Zij probeert haar persoonlijkheid sterker te maken door de man te onderwerpen. Hier hebben we dus de be­hoefte om te heersen; in het ene geval bij de man, in het andere geval bij de vrouw.

Maar is dit heersen nu werkelijk de lust om meester te zijn van een ander? De praktijk wijst uit dat in het merendeel van de gevallen (ik zou zeggen in ongeveer 7/10) er van een werkelijke heerser geen sprake is. Er is eerder sprake van een verslaafd zijn aan een ik‑beeld en het spe­len van een rol waarmee men dit ik‑beeld tracht waar te maken voor zich­zelf en voor de wereld.

Dan hebben we ook de mensen die dienen. Er kan in een relatie door omstandigheden een soort meester‑slaaf of slavin‑ of meesteres‑slaaf verhouding ontstaan. Hier zou ik willen spreken over een soort huishoude­lijke politiek. Want wat gebeurt er? Beide partners intrigeren, of ze het toegeven of niet. Beiden pro­beren de ander te manipuleren. Het is een wedstrijdje waarin Jo en Jet elkaar voortdurend afwisselen en Jo en Jet nooit goed met elkaar over­weg kunnen. Het is gewoon een situatie waarin men probeert meester te zijn. En dan is de vraag: wie is de zwakste of wie is de gemakzuchtigste? Omwille van de lieve vrede wordt heel wat gedaan. Omwille van een beet­je rust of van een beetje huiselijkheid tolereert men heel veel dingen die men innerlijk voelt als ingaande tegen de waarheid of waardigheid. Is er dan nog sprake van liefde? Je kunt wel zeggen: ja, ik heb die an­der lief. Wanneer er een meester‑slaaf of meester-slavin‑verhouding, of een meesteres­laaf verhouding ontstaat, dan blijkt dat de werkelijke liefde meestal ver te zoeken is; het is geen echte liefde. Er ontstaat aan belangengemeen­schap. In die belangengemeenschap kweekt men gewoonte. Zeer veel van het­geen na een lange echtelijke periode als liefde wordt versleten is eigen­lijk niet veel meer dan gewoontes. Men is elkaar gewend. Men is aan be­paalde zorgen maar ook aan bepaalde voordelen gewend en kan zich niet meer voorstellen hoe men dat anders zou moeten opbouwen. Men kan dat niet zonder meer opnieuw opbouwen. Men kan er niet opnieuw aan beginnen. Daarom is het zo belangrijk te houden wat je hebt.

Zeker, ik weet dat er een lange tijd is geweest dat de maatschappe­lijke drang om bij elkaar te blijven heel erg groot was. Het wonderlijk is dat in die periode de echtelijke trouw eigenlijk meer uit woorden den uit daden bestond. Dat is ook heel begrijpelijk, want in dit geval ging het om een sociale eenheid in het gezin. Er was helemaal geen sprake meer van liefde. Een gezin is een gezin, klaar. Of je elkaar haat of elkaar bemint, doet niet ter zake. Je hoort bij elkaar tot de dood je scheidt. Er zijn zelfs mensen geweest die gedood hebben om te kunnen scheiden. Tegenwoordig is dat gemakkelijker, je kunt naar de rechter gaan.

Wat zouden we dan als ideale verhouding moeten schetsen? Het is gemakkelijk genoeg om al die relaties op aarde af te breken, maar we zouden er iets positiefs tegenover moeten zetten. Laten we dan een paar zaken aanhalen.

Liefde begint over het algemeen met hartstocht of wordt er ten­minste door vergezeld. Hartstocht is in werkelijke liefde slechts een aanvullende component, geen hoofdzaak. Een liefde die langer bestaat, heeft over het algemeen weinig zuiver erotische achtergronden meer. De werkelijke achtergrond is er een die je intense en intieme vriend­schap kunt noemen. Als deze liefde werkelijk bestaat, leest men a.h.w. elkaars wezen af. Men neemt bepaalde eigenschappen van elkaar over. Op het ogenblik, dat deze eenheid ontstaat, is ze niet meer alleen lichamelijk of mentaal, ze is totaal; d.w.z. dat ze het geheel van de geest omvat. Dergelijke relaties blijven dan ook bestaan door vele le­vens en vele sferen heen. Mensen, die elkaar door gewoonte kennen, zullen elkaar in incarnaties wel vaak ontmoeten, maar de relatie zal daarbij zeer sterk ver­schillen. Om een voorbeeld te geven: er zullen relaties zijn waarin de een meester of werkgever wordt van de ander. Er zullen vele situaties zijn waarin men elkaar alleen uit de verte kent en dan uit een zekere wederkerige erkenning elkaar wel sympathiek vindt zonder dat het eigen­lijk feitelijke betekenis heeft.

In andere gevallen ontstaan er wel contacten, maar die blijven op­pervlakkig. Je kunt dus niet zeggen: liefde heeft iets te maken met het patroon van heersen en dienen. Het zou misschien gemakkelijker zijn, als je het wel kon zeggen. Als je zoudt kunnen zeggen: ach, in elke relatie moet er wel een domi­nant zijn. Maar als je iemand werkelijk lief hebt, wil je die juist niet domineren. Als je iemand lief hebt om dat wát hij is, dan wil je ook die ander zien als dat wát hij is. Niet meer maar ook niet minder. Uit die liefde ontstaat er dan ook vrijheid.

Er zijn mensen op aarde die zeggen: liefde is een zaak waarmee je voorzichtig moet zijn. Ik geloof niet, dat je met werkelijke liefde voor­zichtig moet zijn. Ze is er of ze is er niet. Ze ontstaat nooit op een moment. Liefde op het eerste gezicht kan lichamelijk waar zijn, maar ze is het zeker niet op geestelijk terrein. Liefde is een groeiproces waarin beide partners de inhoud van hun persoonlijkheid zodanig inbrengen dat er op den duur een twee‑eenheid ontstaat. Daarbij is er een wederkerige toevloed van gegevens, misschien niet als directe telepathie maar dan toch wel empathie waardoor men elkaar a.h.w. afleest en achter woorden en gebaren hele werkelijkheden erkent die voor een ander onbenaderbaar blijven.

Liefde zoeken is eveneens iets wat beter niet kan worden gedaan. Zeker, een uiting voor hartstocht zoeken is heel begrijpelijk. Er zijn ook mensen die ineens zo’n zin krijgen in een zure bom dat ze op stap gaan om er ergens een te kopen. Dat is gewoon een kwestie van verzadi­ging. Een lichaam heeft ook op dat terrein een zekere functie en aan die functie moet worden voldaan wil je niet bereiken dat het lichaam op allerlei manieren gebreken gaat vertonen.

Er is zelfs sprake in het lichamelijke contact van een uitwisseling van bepaalde stoffen waardoor beiden in feite gezonder en veer­krachtiger zijn dan zonder dat. Daarnaast is er dan ook nog de zelf­bevestiging die in een seksuele daad ligt. Deze voert over het alge­meen tot een zekere rust. De zenuwspanningen vallen wat weg. Ik zou zeggen: seksualiteit is een normale behoefte van het lichamelijke bestaan en moet als zodanig worden erkend. Daarbij gaat het helemaal niet over de vraag hoe die dan moet worden beleefd en op welke manier het dan wel mag en niet mag. Dat is natuurlijk onzin. Het gaat gewoon om het feit, dat er behoefte bestaat die moet worden bevredigd. Maar laten we die niet verwarren met liefde.

Liefde is een sterke appreciatie van de ander; daar begint het mee. In de seksuele relatie is de ‘neiging tot domineren’ altijd aanwezig. Beide partijen proberen op hun manier aan hun trekken te komen. Maar in een samenlevingselement zou deze strijd langzaam maar zeker op de achtergrond moeten komen. Helaas zien wij, dat juist waar de Liefde (met aan grote L) niet geheel aanwezig is de strijd zich verplaatst van de slaapkamer naar werkkamer en keuken; en daar hoort ze juist niet thuis.

Kijken we nogmaals naar het geestelijke element, dan is de vreugde van de ander jouw vreugde. De smart van de ander is jouw smart. Niet omdat je ze gelijk ondergaat, maar omdat je de uitstraling daar­van overneemt. Dan is ook het innerlijk beleven van de ander een deel van datgene wat je zelf doormaakt. Je kunt geen directe scheiding meer maken en zeggen: dit ben ik en dat is de ander. Daarom moet u onthou­den; wanneer u spreekt over liefje en gelijktijdig scheiding een onder­scheid maakt. Dan spreekt u niet over ware liefde, over werkelijke liefde. Dan spreekt u alleen maar over zaken van sociaal en eventueel erotisch belang.

Wanneer er al sprake zou zijn van heersen of dienen, zullen we ons ook moeten afvragen in welke mate deze zouden kunnen en mogen bestaan. Dan stel ik het volgende: Degene, die verantwoordelijk is voor de vervulling van een bepaal­de taak, is voor zover die vervulling de wens is van de partner, degene die domineert op dit terrein. Op het ogenblik dat je iets moet doen, ben je de baas totdat het gedaan is. Dat houdt in, dat de ander zich heeft te onderwerpen. Die zou dan aanvullende taken kunnen vol­brengen eventueel, dus dienen. Op het ogenblik echter, dat de ander be­zig is met een taak, voor welke verwerkelijking dan ook, moet je zelf ook kunnen terugtreden; dan moet je zelf de dienende factor kunnen zijn.

Ik meen, dat elke samenleving ‑ onverschillig van welke aard dan ook ‑ in feite berust op deze mogelijkheid van heersen en dienen tegelijk. Op het ogenblik, dat wij proberen de heerschappij aan een kant vast te leggen, vernietigen wij het werkelijke karakter van samenleving. Dan is er geen sprake van gelijkwaardigheid. Waar geen gelijkwaardigheid tussen mensen is, bestaat niet alleen onrecht maar daar ontstaan ook wrevel, haat, achterdocht en wat dies meer zij.

Ik geloof dat je in elke samenleving ook de beperking moet begrij­pen van een contract dat je aangaat. Het is natuurlijk goed om elkaar eeuwige liefde te beloven, maar je weet niet eens of je elkaar werke­lijk liefhebt. Je denkt het alleen maar. Dan kun je ook de ander niet houden aan een verwachting die jij nu toevallig hebt, terwijl je zelf er misschien niet geheel aan voldoet. Je kunt alleen maar zeggen; ik geef mijzelf en hoop daardoor een zodanige eenheid te krijgen dat er zelfs geen sprake meer is van: ik word aanvaard of niet aanvaard, maar een­voudig van: ik word ervaren als deel van de ander zoals ik de ander aanvaard als deel van mijzelf. Dat heeft nogal wat consequenties.

Bij een werkelijke liefde geloof ik niet dat de lichamelijke appetijt van de ene partner of van de ander storend kan zijn in de verhouding, ook, als die toevallig gericht is buiten de eigen eenheid. Ik heb eer­der het gevoel dat deze dan wordt ervaren als een stimulans, als een inbreng in het geheel ondanks alles. Want trots en eigenwaardegevoel spelen geen rol meer, als je in de ander jezelf vindt.

Ik denk ook, dat het geen kwestie is van het succes of van het niet‑succes hebben van de ander. Want die dingen zijn prettig als het succes heeft, vervelend als er tegenslag is, maar ze zijn van ons bei­den. Je hebt geen reden om de ander aansprakelijk te stellen; je bent er zelf deel van. Het wordt dus wel een beetje moeilijker dan de meeste mensen denken. In een maatschappij zullen we altijd mensen hebben die willen heer­sen. Onthoudt u echter één ding. Iemand, die zegt in het land te wil­len heersen om de democratie te garanderen is door het feit dat hij de heerschappij zoekt geen echte democraat.

Degene, die zegt dat hij alleen geschapen is om anderen te dienen zal over het algemeen zijn dienstbaarheid gebruiken als een voorwend­sel om zich enerzijds aan verantwoordelijkheden te onttrekken en ander­zijds zich voorrechten toe te eigenen die hem misschien niet eens toe­komen. Dat is maatschappelijk waar.

Waarom zou het in een samenlevingsverband anders zijn? Ook daar hebben we de parasitaire, dienstbare geesten die o, zo vriendelijk zijn en die o, zoveel voor je over schijnen te hebben maar die als het erop aan komt toch voor zichzelf opkomen en vooral tersluiks proberen de ander te manipuleren zodat deze meer verantwoordelijkheid op zich neemt, meer volbrengt en gelijktijdig minder noodzaak tot activiteit, tot zelf ingrijpen voor de manipulator of manipulatrice tot gevolg heeft. Dat is natuurlijk niet eerlijk.

Neem nu een huwelijk op aarde. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat hu­welijken betrekkelijk hechte bindingen waren. In een huwelijk was het een kwestie van: de man ging naar zijn kantoor of werkplaats. Hij was de hele dag bezig. Hij kwam thuis en verwachtte dan zijn eten op tafel te vinden. Hij verwachtte het grootste stuk vlees te krijgen, want hij had tenslotte hard gewerkt en de ander niet. Hij zei dan tegen de vrouw: wat heb jij gedaan? Een beetje babbelen met de buren en een afwasje, een beetje ko­ken. Wat is dat nou?

Tegenwoordig is dat een beetje omgeslagen, heb ik gehoord. Ik heb horen vertellen dat een huisvrouw 37 beroepen tegelijkertijd moet uitoefenen en bovendien daarbij een ouder beroep op een zeer kundige ma­nier voor haar partner dient te kunnen presteren. Het kan allemaal waar zijn. Maar als je zegt: de ander heeft dat en dat te doen en dat is min­der, dan ben je al fout. Je kunt niet zeggen, dat iemand die het huis­houden doet meer of minder doet dan iemand op kantoor.

O, zeker de dames zullen heus wel een keer een Kaffeeklatsch hou­den of gezamenlijk gaan winkelen. Maar daar staat tegenover dat mijnheer op zijn kantoor ook nu en dan de krant grijpt of misschien een uur met in­tense arbeid doorbrengt in overweging van de vraag of Ajax zal winnen van Feyenoord of omgekeerd. Dat is helemaal niets bijzonders. Wat wij doen is deel van onze taak. Onze taak is inbreng, verder niet.

Er zijn ook nog mensen die zeggen: ik denk dat het zo is, dus is het zo. Dat zijn de meest gevaarlijke mensen. Ze hebben wel eens gezegd dat de Centrumpartij gevaarlijk is in Nederland. Ik weet niet, of dat helemaal waar is. Het zou mogelijk zijn. Maar ik vrees, dat de fanatici op religieus gebied veel gevaarlijker zijn.

Zeker, er is een Hitler geweest, maar er is ook een Inquisitie geweest. De Inquisitie heeft het eeuwen volgehouden. Hitler maar een paar jaren. Daar ligt het verschil.

Op het ogenblik dat je denkt: ik geloof dit, dus moet iedereen het geloven; ik eis van mijn vrouw en kinderen dat ze dat geloven, begin je je onzekerheid van je af te wentelen door een aanvaarding af te dwingen van anderen. Is dat reëel? Kun je een ander zeggen wat hij moet geloven? Je kunt misschien een ander zeggen hoe hij iets moet doen, dat wel. Maar hoe hij moet geloven, dat kun je niet. Wat hij moet gelo­ven, dat kun je ook niet zeggen.

Waarom kun je elkaar niet vrij laten? Is het misschien omdat men, hoe dan ook, voor zich de zekerheid wil hebben dat de hemel achter je staat? Als de hemel achter je staat, dan moet je één ding goed ont­houden: dan staat de hel voor je. En dan moet je heel goed kijken waar je loopt. Dat is in liefde zo, dat is in het leven, dat is in het geestelijke bestaan zo. Alles is gebaseerd op evenwicht. Er is niets in de kosmos dat niet op evenwicht en verstoring van evenwicht is ge­baseerd.

Wanneer u in een samenleving bent, dan moet u goed begrijpen dat een steeds gehandhaafd evenwicht alleen maar stasis (verstarring) te­weeg brengt. Er moet beweging zijn. Maar elke evenwichtsverstoring op zich moet de noodzaak in zich dragen om het evenwicht te herstellen. Dat doet de natuur ook. Als je op die manier steeds weer de balans weet te zoeken kom je verder. Tot zover het eerste deel van mijn inleiding.

Dan komen we nu aan het tweede deel van mijn betoog. Er is zoiets als een geestelijk huwelijk. In een geestelijk verband kan de versmelting van persoonlijkheden veel intenser zijn dan stoffelijk voorstelbaar is: toch blijft ook daar het eigen ik wel bewaard. Het wonderlijke is, dat in de geest ‑ zeker in de lichte sferen ‑ de dominantie (het heersen) eigenlijk wordt bepaald door inhoud. Degene die op een bepaald gebied de juiste inhoud bezit, heerst over de ander tot het moment dat aan de noodzaak is voldaan. Daarna wordt een nieuwe visie ingenomen en eventueel een nieuwe taak; en aan de hand daarvan zal voor een volgende fase worden bepaald wie domi­nant is en wie dienend moet optreden.

Een van de mooiste voorbeelden kunt u zien in de Raad van de Witte Broederschap. Ik weet wel, dat we die misschien te stoffelijk en te parlementair voorstellen. Er is inderdaad sprake van besprekin­gen zij het op een andere manier dan u zich kunt voorstellen. Wat blijkt nu? Als iemand tot de conclusie komt dat een entiteit het beste idee heeft, dan is er geen vraag meer van, wie is de meer­dere of de mindere? Degene die dat idee heeft, terwijl niemand een betere heeft, is de baas voor zover het dat idee betreft. Komt er een ander onderwerp ter tafel, dan heb je kans dat degenen die zo-even nog de baas waren gewoon weggaan en zeggen: dat beroert mij niet; daar heb ik niets mee te maken. Een ander neemt dan de functie over. Degenen die zich daartoe voelen aangetrokken, komen weer bij de kring. Er zijn maar heel weinig entiteiten die tijdens een raadszitting permanent actief zijn. Een groot gedeelte van hen schakelt tijdelijk of zelfs blijvend op een bepaald punt af.

Ik meen, ik kan mij vergissen, dat je het streven van de Witte Broederschap toch ook kunt zien als een uiting van liefde voor de ge­hele mensheid. Het is een zich zo verbonden weten met de mensheid als geheel, dat men niet meer gelooft zelf een volmaakte vrede en een vol­maakte rust te kunnen vinden, als niet de mensheid daarin deelt of ten­minste de mogelijkheid daartoe heeft gevonden. Hier komt dan toch weer het bokkenpootje om de hoek kijken. De liefde heeft altijd ook betrekking op jezelf. Op het ogenblik, dat je jezelf vernedert, verwerpt of haat, kun je een ander niet waar­lijk liefhebben. In de Witte Broederschap blijkt dat doordat degenen die een bepaalde taak vervullen hun meesterschap ontlenen aan de inhoud, die zij bezitten plus de verantwoordelijkheid die ze op grond van die inhoud tijdelijk aanvaarden. In een menselijke gemeenschap zou hetzelfde volgens mij moeten gelden.

Dan zijn er nog heel veel mensen die zich afvragen; moeten wij dan de liefde vakkundig bedrijven of niet? Nou ja, dat is natuurlijk helemaal verschrikkelijk. Ik bedoel als het welslagen van een gemeenschap af­hangt van het van buiten kennen van de hele Kamasutra, dan kom je geen steek verder. En als je geïllustreerde boeken nodig hebt, kunnen ze je soms op een idee brengen, dat geef ik graag toe. Maar als dat idee de hoofdzaak is, dan is de liefde geen werkelijkheid.

Je moet datgene wat je doet zo goed mogelijk doen. Maar het zo goed mogelijk doen is een uitvloeisel van hetgeen je bent, niet van hetgeen je hebt aangeleerd, niet van een handigheidje zonder meer.

Nu komt nog het laatste punt dat ik wilde stellen: men heeft op aarde een enorme deining gemaakt over wat men de heilig­heid van de huwelijkse staat en dergelijke heeft genoemd. De heiligheid van de huwelijkse staat kan alleen voortkomen uit de mensen zelf; ze kan hooit van buitenaf worden opgelegd. ‘Deze twee zijn een tot God hen scheidt’. Dat is gemakkelijk genoeg gezegd, vooral als degenen die het zeggen vrijgezellen blijven.

Laten wij even nadenken. Hier wordt gezegd dat een mens dus niet kan veranderen, niet kan evolueren; iets wat je misschien in de na pe­riode van je adolescentie tijdelijk hebt besloten voor je gehele leven. Dit noem ik grove kolder! Dit noem ik absolute misleiding. Dit noem ik dwaasheid. Als je zegt: als je een verplichting op je neemt, dien je die te vervullen zo goed je kunt, dan ben ik het ermee eens. Maar dan wel in dien voege, dat je die verplichting moet nakomen zoals jij dit kunt doen en niet zoals een ander vertelt dat je het zou moeten doen,

Wanneer men u een sacrament toedient, ken dat heel plechtig en prettig zijn om te weten dat de samenkomst gezegend is. Of die zegen werkelijk is, weet u niet eens; maar het idee is prettig. Denkt u niet dat een mens, die innerlijk werkelijk harmonie vindt, iemand die werkelijk liefheeft en niet meer zichzelf zoekt, dat die niet meer gezegend is, al is het alleen maar omdat hij in harmonie is met grotere waarden en grotere krachten? Als huwelijk burgerlijk wordt geregistreerd, dan is het natuurlijk gemak­kelijk voor de gemeenschap. Maar heeft een registratie iets te maken met een band tussen men en vrouw of wat dat betreft tussen man en man of vrouw en vrouw? Deze band kan alleen voortkomen uit een innerlijke een­wording.

Op het ogenblik, dat de gewoonte in de plaats moet treden van het werkelijke gevoel van een‑zijn, is er iets fout. Op het ogenblik, dat je en jezelf beantwoordt door tegenover een ander bepaalde verplichtingen te vervullen, wil ik zeggen. Dit heb je nodig voor jezelf. Maar dan kun je nog niet zeggen: dit is dus liefde, dit is eigenliefde. Je probeert vooral voor jezelf iets waar te maken om zo aan het beeld dat je van jezelf hebt opgebouwd niet te kort te doen.

Er is geen macht die kan bepalen waar, wanneer en hoe liefde zal optreden. Er is geen kracht die haar aard, de wijze waarop zij zich zal manifesteren kan bepalen noch op aarde, noch in de hemel. Laten we dan reëel zijn en zeggen; werkelijke liefde is een hervinden van eenheid dat ons soms wordt gegeven.

In ons streven naar liefde streven wij in feite naar die eenheid en harmonie die als een vaag erfdeel, als een herinnering uit lang vervlogen tijden ons is bijgebleven. Maar de manier waarop wij het waar­maken kan alleen in onszelf liggen, nooit in een ander. Daarom zullen wij dienen, als wij voelen dat dit dienen voor ons de juiste harmonische waarde is. Wij zullen heersen, als wij weten. Op dit ogenblik kan ik de verantwoordelijkheid dragen en de taak vervullen, terwijl anderen daartoe niet zo volledig in staat zijn. Op het ogenblik dat het verder gaat dan dat zeg ik: Mens, je speelt een spel met jezelf. Je praat jezelf macht aan. Maar zelfs als je de machtigste mens op aarde bent, komt het moment van je overlijden en dan ben je meestal de meest machteloze geest die er in de sferen is te vinden, omdat je de herinnering aan je macht niet zo snel kunt vergeten. Je kunt de armste en meest machteloze mens zijn op aarde maar in jezelf harmonie kennen en dan kun je toch de een­heid kennen met een totaliteit die voor anderen nog onvoorstelbaar is.

Heersen of dienen op aarde zijn vaak misleidingen. Het zijn vormen, die wij geven aan dat wat we zijn. Laat ons leren te zijn wat wij zijn, maar dan in eenheid met anderen, in harmonie met anderen. Pas dan zul­len wij geestelijk zowel als stoffelijk datgene waarmaken wat de dichters voortdurend achter liefde schijnen te vermoeden: een verbondenheid die niet verbreken kan worden, omdat ze deel is geworden van je wezen en daaruit nimmer meer kan worden verwijderd.