Lof der zotheid

image_pdf

20 november 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er aan herinneren, dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het is voor u dus noodzakelijk, ook zelf na te denken. Als titel voor ons onderwerp van vandaag, dat wel passend is in deze tijd, stal ik een oude titel: Lof der zotheid.

Wat is een dwaas ? Een dwaas is iemand, die niet in staat is zijn eigen fouten te beseffen en zo zijn eigen wijsheid voortdurend bewondert.

Wat is een wijze? Een wijze is iemand, die zijn eigen dwaasheden beseft en, zonder deze te verwerpen, daaruit nieuwe wijsheid weet te distilleren.

Met deze twee zinnen zitten wij eigenlijk midden in het onderwerp, want zo ik de lof der zotheid wil zingen, zo tel ik daarbij zeker niet de dwaasheid in meer ethische, esoterische of kosmische zin. Mijn “zotheid” is eenvoudig dat, wat de mens dwaas noemt. En hoeveel grote dwazen zijn er uiteindelijk niet geweest in deze wereld? Denk bv. eens aan prins Siddharta: Een machtig man, levende in tuinen vol schoonheid en overvloed, omringd door een hem aanbiddende hofhouding, een vader die hem vertroetelt, zodat er niets is wat, menselijk gesproken, zijn hart nog zou kunnen begeren, nog zou moeten bestaan… In plaats nu verstandig te zijn en voorbij te zien aan armoede, ziekte en dood, trekt hij er op uit en gaat de wildernis in, alles achterlatende. Wat een dwaas is hij uiteindelijk… . Maar het wordt nog zotter. Hij vindt de verlossing, de grote vrijheid van het zijnde niet-zijn. En wat doet hij? Hij keert uit die toestand terug tot de mensen, om hen zijn leer te geven. Aan mensen, die hem misschien uitlachen of verheerlijken, maar die zeker niet zullen doen, wat hij hen leert. Wat een dwaasheid, nietwaar?

En dan bij voorbeeld Jezus. Ook al een grote dwaas: Een man, die macht bezat, zieken kon genezen, een man, die in de tempel graag als priester aanvaard zou zijn, wanneer Hij zich maar neer zou willen leggen bij de oude gebruiken en regels. Een man, die door de machtigen en Farizeeën op de handen gedragen zou zijn, wanneer hij alleen hun heiligheid maar erkend had. Een man, die toch zo ook onnoemelijk veel goed had kunnen doen, die misschien zelfs Jeruzalem weer tot hoofdstad van de wereld had kunnen maken, zoals zij was in Salomo’s tijd.

En wat doet deze uitverkorene? Hij verkondigt een eigen leer en laat zich daarvoor zelfs kruisigen. Wat kan er nu dwazer zijn dan dit, nietwaar? Wanneer ik dit zeg, zo schudt u eens de hoofden of knikt eens en zegt, dat hebben wij altijd geweten, maar dit is geen dwaasheid. Het is verlicht zijn, het is mensenliefde… . Wanneer wij echter zouden komen aan uw eigen tijd en een dergelijk verhaal zouden vertellen, zo zou u echter de schouders ophalen en zeggen: “Nu ja, dat is ook te gek om los te lopen.” Daarom juist wil ik vandaag de lof der zotheid zingen in een misschien niet zo algemeen gekende, vorm.

Op het ogenblik zijn alle mensen bezig om hun wereld te organiseren. Een schitterende organisatie. Wanneer zij hun zin krijgen zal de wereld zo perfect georganiseerd worden, dat er voor mens-zijn en menselijkheid geen plaats meer blijft. En dan zijn er van die domme mensen, die rustig durven zeggen, dat alle zo gewonnen sociale voordelen uiteindelijk zoveel niet waard zijn en zelfs rustig durven zeggen, dat het veel beter is om een keer in je leven op eigen houtje en geheel gemeend te bidden, dan elke dag onder de beste dominee of pastoor in de mooiste kerk op de best georganiseerde wijze je gebed in de fraaist georganiseerde zinnen te prevelen.

Dan zijn er zelfs mensen, die durven zeggen, dat al die dingen, die men heilig noemt, niet eens heilig zijn, dat deze dingen alleen maar usances zijn of menselijke dwaasheden. Dat zijn dan toch zeker de zotten van deze tijd. Wanneer dergelijke zotten wijs zijn – zoals bv. vriend Henri op zijn manier wijs is – zullen zij steeds weer spotten met de wijsheid van deze wereld. Ik meen, dat dit het enige wapen is dat zij bezitten. Dit is, naar ik meen, het enige wapen waarmede wij ons kunnen verzetten tegen een wereld, die – tegen de tendensen van de tijd in, tegen de goddelijke wetten en eigen importantie – zich maar steeds blijft opblazen. Laten wij daarop onze kritiek geven met een spottend woord, met een glimlach. Want wanneer wij dit ernstig doen, zullen de mensen ons alleen maar beklagen en zeggen: Arme krankzinnigen. Laat men ons dan maar liever beschouwen als zotten, nietwaar?

Woorden en woordspelingen zijn er altijd genoeg. U heeft bv. ministers genoeg, die voor dergelijke zotheden te gebruiken zijn. De mensen houden van goede tv. , maar binnenkort komt er een wet over, en alles is weer naar zijn Hasch – Marijnen. Of er zijn mensen, die te bot zijn om te begrijpen, dat weggeld niet geliefd zal zijn… Zo kun je doorgaan. Neem de eigenschappen van de mens. Dan kun je bv. zeggen: “Er zijn mensen, die zozeer opgaan in de politiek, dat zij geheel vergeten, wat zij eigenlijk willen en nodig hebben”. Dat alles is spot. Spot, die men maar al te graag op een bijeenkomst als de onze zal verwerpen door de uitspraak: “Spot past niet in een geestelijke bijeenkomst. Wat wij nodig hebben is de felle beschuldiging.” Want maar al te vaak wordt de spot veracht en wil men liever verwijten horen in de stijl van: “Gij witgepleisterde graven…” Maar als je tegenwoordig tegen iemand zegt: “Witgepleisterd graf”, neemt hij een borstel, beroemt zich op dat, wat begraven is en noemt zich voortaan iemand vol geestelijke adel.

Want het innerlijk bederf betreft, dit is iets, waarmede men zo vaak geconfronteerd wordt, dat het niet meer opvalt. Zelfs de vervaltijd van het menselijk moreel is gehalveerd tegenwoordig. Een enkele nieuwe illusie, een enkele nieuwe gedachte en de mensheid leeft op om kort daarna het nieuwe weer te verkrachten tot het oude en dodelijke menselijk ik-zijn, het werkelijke egoïsme. Vroeger was een egoïst een mens, die zijn verplichtingen niet kende.

Tegenwoordig is een egoïst iemand, die in de maatschappij staat als een selfmade man, die zich een waardige positie wist te bevechten. Wat wel een groot verschil is. Vroeger noemde men iemand, die aan de geest geloofde misschien heks of tovenaar, dan wel een Godgezondene, een profeet, een heilige. Tegenwoordig, is hij alleen maar gek.

Aan die dingen gaat men voorbij, wanneer men de wereld rond zich beziet, want men neemt alles, wat die wereld van heden is en biedt veel te ernstig op. Maar laat ons nu eens eerlijk zijn.

Laat ons nu eens werkelijk eerlijk zijn, al is het maar tegenover ons zelf. Wij zijn een klein gezelschap, dat de warme kachel en de tv. verlaten heeft om zich door de stromende wateren des hemels herwaarts te begeven in de hoop, dat er wat geestelijke lering af zal vallen. Dan  kunnen wij, voor ons zelf desnoods, toch wel eens een enkele keer toegeven, hoe het nu werkelijk is?

Hoe vaak leven wij anders, dan wij zijn? Hoe vaak zeggen wij het ene en doen wij het andere? Hoe vaak vergeten wij maar alle onrecht, dat wij anderen hebben gedaan, omdat het zo prettig is, jezelf als een goed mens te kunnen beschouwen? De huichelarij is langzaam maar zeker bon ton geworden. Een elkander een beetje aanvallen, dat mag wel – zolang je het essentiële maar niet raakt.

Het is jammer, dat men hier de stijl van de Amerikaanse verkiezingen niet kent, anders zou men bv. kunnen zeggen: “Die Luns luncht maar steeds op staatskosten, om zijn salaris te verdienen”, “deze vliegende minister, die zijn engelenvleugels voortdurend achter zijn gestotter pleegt te verbergen is… enz. Men kan zeggen, dat het werkelijk belangrijke in dergelijke lofprijzingen en aanvallen steeds weer ontbreekt. Maar doen wij hetzelfde niet, wanneer het gaat om de feiten van het leven? Laat ons dan vanavond een “dwaas” zijn, niet serieus doen, niet met lange gezichten zitten, ons niet uitende via gewichtige blauw, wit en rood boeken, sprekende over politieke beginselverklaringen, Gods wil, en antwoordacties, maar alleen maar wat spelen met ons gezond verstand. Laat ons zotten zijn en de lof zingen der zotheid, die de waarheid nog erkent in het gebeuren en deze niet slechts zoekt in de leuzen van anderen.

De mensen zijn niet meer, wat zij enkele jaren geleden waren. Het schijnt mij soms toe, dat de mensen al even snel aan het devalueren zijn als de gulden – en dat wil wat zeggen. Wat kort geleden nog een kwestie was van plicht, is nu al een zaak geworden voor onderlinge overeenkomsten. Wat voor kort nog een eerlijk contract, een eerlijke zaak was, is tegenwoordig alleen maar iets, wat men wraken zal zodra het maar mogelijk is. Niet lang geleden sloot men een CAO om vredig te kunnen werken, nu sluit men een CAO om het zo snel mogelijk open te kunnen breken. Dat is wel een verschil van mentaliteit. Precies hetzelfde zien wij elders. Kort na de Tweede Wereldoorlog stond geheel Europa klaar om alles weer op te bouwen. Alle landen wilden samenwerken. Men bereikte veel dank zij de Marshall-hulp, maar nog meer door onderlinge samenwerking. Op deze wijze heeft men veel gepresteerd. Wat is van dit alles eigenlijk nog over? De kwestie van een Europese atoommacht, waar geen gewoon mens maar iets voor voelt of iets kan verwachten, en een gehaspel over een graanprijs, waarmee niemand weg weet. Vroeger zocht men naar de punten van overeenkomst en handelde daarnaar. Nu zoekt men eerder naar twistpunten om vooral een té werkelijke samenwerking en eenheid te voorkomen. Want door de twistpunten te etaleren, kan men verbergen, dat men voor zich een werkelijke integratie van Europa niet begeert. Het klinkt allemaal negatief, maar het gaat dan ook over het gedrag en werken van de “wijzen”.

Gelukkig hebben wij ook in deze tijd vele dwazen, zotten, die het masker van domheid opzetten, om zich als mens eens te kunnen verschuilen achter de waarheid. Die zotten zijn mensen, die in wezen overbodige kerken bouwen, alleen omdat men hen dit vraagt, mensen, die ziekenhuizen bouwen en anderen uit de nood helpen, terwijl zij zelf nog een wasmachine of tv. moeten kopen.

Deze zotten zijn mensen, die zonder enige nevenbedoeling op aarde of voor de hemel een medemens helpen, alleen omdat zij het prettig vinden, eens iets goeds te doen, terwijl zij toch weten, dat zij stank voor dank zullen krijgen. Sommigen zijn zelfs zozeer gevorderd in zotheid, dat zij liever de stank hebben dan de dank. Ik meen, dat dit laatste wel een toppunt van zotheid zal zijn in de ogen der mensen en gelijktijdig een toppunt van wijsheid vormt in meer kosmische zin.

Wij staan op het ogenblik in een periode, waarin alles op de wereld steeds maar sneller gebeurt.

U heeft het al wel weer kunnen horen: Er is weer wat hongersnood zo maar bijgekomen, er zijn wat lichte godsdienstvervolgingen aan de gang, terwijl wij ook nog wat watersnood, een klein aardbevinkje hadden, zodat de dagbladen weer echt gezellig wat te schrijven hebben. In feite staat de hele wereld voortdurend op haar achterpoten. En wat kunnen wij daaraan doen?

Natuurlijk kunnen wij verklaren dat wij, als sociaal voelende mensen, al de arme mensen moeten gaan helpen. Laat ons dus maar weer een paar comités installeren – ga zitten, heren – en raden van uitvoering benoemen – neem toch plaats, heren – om bijzondere giro- en bankrekeningen te openen en eens te zien, wat wij kunnen doen. Maar daarmee bereikt men weinig of niets. Ik wil geen instellingen of instanties aantasten. Maar wanneer je je realiseert, dat bepaalde acties, bedoeld voor de welvaart van medemensen, op het ogenblik per actie ongeveer 60% kosten hebben, zodat 60% van de aalmoes weggaat voor iets, wat men zeker met zijn gift niet heeft bedoeld, wordt het toch wel wat dwaas. Je zou het ook anders kunnen zeggen: Degene, die dergelijke dingen organiseert boekt 40% verlies, omdat de weldadigheid erbij betrokken werd.

Dit gebeurt. Iets dergelijks zien wij overal, want iedereen wil hebben. Nu kunnen wij natuurlijk sociaal denkende mensen zijn, die deze gelegenheden voor anderen in stand willen houden, maar wij kunnen ook de zotten van deze wereld worden, die niet zeggen: “Wij moeten groots gaan helpen” of uitroepen “Hier moet men niet helpen”, maar eenvoudig zich afvragen: “Waar kan ik op het ogenblik eens zelf iets doen?” Een zot zegt namelijk: Wanneer men mij ver weg nodig heeft, wil ik heus wel helpen, maar wanneer ik eerst nog hier vlakbij een taak vind, laat mij die dan eerst eens volbrengen. Laat mij eerst leven, dan zal ik, wanneer er tijd overblijft, nog wel eens iets doen aan en voor een organisatie. Op deze wijze komt men wat dichter bij de werkelijke zotheid, die ik bedoel.

Maar misschien verveel ik u reeds. Want wanneer de de mensen over zotheid spreekt, menen zij meestal, dat je wijsheid te kort komt. Toch zijn degenen, die zo denken, dezelfde mensen, die het spreekwoord uitgevonden hebben, dat de de stem van kinderen en dronken mensen de waarheid spreekt. M.a.w., de waarheid stamt vooral van zotten. Maar de waarheid van deze dagen dan? Vele mensen streven naar geestelijk bewustzijn. Meer dan u denkt. Het zijn mensen, die verder door het leven willen trekken met het zich bewust zijn van een God, die met hen is. Maar wat zoeken wij in wezen hiermede? Zoeken zij macht? Wel neen, zo zeggen zij, wij begeren geen macht. Zoeken zij grootheid? Wel neen. Als je hen goed begrijpt, zoeken zij in wezen niets. Wat zij vooral niet willen zoeken, is begrip. Wanneer u wilt gaan rijden met een auto en niet eens weet, wat een dergelijke voertuig is, hoe het bediend moet worden, dan zal men u een dwaas noemen. Toch zijn er mensen in deze tijd, die streven naar geestelijke machten en eigenschappen, terwijl zij niet eens weten wat geest, wat occultisme is. Er zijn mensen, die op het ogenblik in vele vormen doen aan spiritualisme e.d., die bereid zijn, elk voorschrift daarbij te volgen, maar niet bereid of in staat blijken, ook maar een enkele vraag, daarover vanuit zichzelf te stellen. Toch noemen dezen zich allen wijs.

Wat zegt de zot hier? “Ik vind het erg mooi, dat u mij van die hoge geestelijke leringen wilt geven, Meester. Maar als ik daarmede niets kan doen, wat heb ik er dan aan ? Ik vind het fijn, dat u van die mooie theorieën heeft. Maar kunt u mij ook aantonen, dat ik daarmede iets praktisch bereiken kan? U geeft mij praktische gebruiksaanwijzingen, maar waar dienen zij eigenlijk voor?” En dergelijke vragen mogen op het ogenblik wel eens wat meer gesteld worden, meen ik zo. Wanneer u hier komt, wanneer wij hier komen, zo is altijd de eerste zin: “Vrienden, wij zijn niet onfeilbaar, denk zelf.” Hoeveel mensen doen dit, denkt u? Hier valt het soms nog wel eens mee, maar over de wereld als geheel valt het tegen: De mensen willen geleid worden, zij wensen de aansprakelijkheid van het leven, de verantwoordelijkheid voor hun streven en handelen bij anderen te leggen. Zij willen een recept hebben, waarmede zij het eeuwige leven kunnen veroveren, waarmede zij occulte begaafdheden kunnen ontwikkelen, verschijningen kunnen zien, zieken genezen enz. Dit begeren zij haast allen. Maar zij zijn niet bereid daarvoor allereerst het meest noodzakelijke te doen: Zichzelf te veroveren, zichzelf te leren kennen.

In deze tijd zal zo langzaam maar zeker het louterende Licht werkzaam worden; het is niet zo ver meer van ons af. Dit is een Licht, dat je dwingt – wanneer je meent een wijze te zijn – om je (je zelfkennis?) daarvoor te verbergen om zo je zelfrespect, je illusies omtrent eigen geestelijke kracht, macht en waarheid niet te verliezen. Ben je een zot, dat brengt het je er toe je te baden in dit Licht, dat je alle ballast, alle overbodige bagage wegbrandt.

Dit, is een punt dat naar mijn mening het overwegen ook waard is. Er zijn onnoemlijk veel dingen in uw eigen leven,- in uw denken, in uw ideeën omtrent eigen behoeften, noodzaken en verplichtingen, die in wezen overbodig zijn. Deze overbodigheden maken u op het ogenblik tot de mens, die u naar buiten toe bent. Zolang u deze mens, zoals hij nu is, die zijn verlangens kent, idealen heeft, en die stelt als het summum summarum, als de voltooiing van de schepping, zult u alles doen om te blijven wat u bent. U zult dan alles doen om niets te verliezen van dit alles en de wereld zal u wijs noemen. Maar de mensheid zoals zij nu is, is zeker niet de top van een beschaving, zekerlijk ook niet de eindtrap van een cyclus, door God geschapen om de ziel te doen komen tot het besef van eigen wezen en een bewuste erkenning van God, De mens van nu is slechts een tussentrede, een klein schakeltje in een oneindige reeks van levensvormen, rassen en soorten, die zich door de oneindigheid slingert van het begin tot het einde van leven. Laat ons dan in de ogen der mensen dwaas zijn en zoeken naar de manier van leven zonder nodeloze bagage, een leven zonder onnodige illusies, zonder overbodige idealen ook. Laat ons trachten de feiten te aanvaarden, zoals zij zijn.

Begin maar met als eerste vraag: “Wie ben ik?” U bent een mens , die zich, met deze vraag bezig durft te houden, terwijl de gehele wereld met zulke belangrijke dingen bezig is als weggeld, verhoging van de AOW, een eventuele Europese atoommacht, eventuele subsidies op steenkool en al die mooie dingen meer zich bezig houdt. Iemand, die zich daarmee niet bezig durft houden, terwijl er zoveel in de wereld nog gedaan wordt, is een zot, een dwaas, die deugt niet.

Maar iemand, die niet weet, wat hij in waarheid is en denkt, kan niets bereiken. Vandaar moeten wij dus wel vertrekken: Wat ben ik? Als ik op aarde leef, ben ik een mens. Daarnaast ben ik een geest. Ergens ben ik een vreemd, onsterfelijk wezen, waarvan ik de realiteit niet eens geheel kan beseffen. Ik geloof misschien wel, dat ik voort zal leven na de dood, maar zolang ik in de stof leef, is die dood voor mij toch wel ergens een eindpunt. Wat daarna zou komen, kun je je maar moeilijk voorstellen. In die wereld leef je dus. Je neemt maar aan, dat alle mensen uiteindelijk het goede willen. Je neemt maar aan, dat alle zwakheden uiteindelijk vergoelijkt moeten worden, je neemt maar aan dat je als mens een wet kunt stellen, die boven de wetten van de natuur uit kan gaan. Want een mens, die idealen koestert, zal zich over het algemeen idealen stellen, die tegen de wet van de natuur ergens indruisen. Je bent ergens een wezen, dat, voortdurend geladen met goede voornemens, zich gespecialiseerd heeft in het doen van datgene, wat hij later zelf betreurt.

Je bent dus een bundel van tegenstrijdigheden. Goed. Laat ons dan maar zot zijn en – wat overigens geen mens tegenover de wereld toe wil geven als belangrijkste deel van zijn zelferkenning – ik ben een bundel van tegenstrijdigheden!

Waarom? Waarom zijn er in mij zoveel tegenstrijdigheden? Zou een psychiater deze vraag stellen, dan is het antwoord: Wijsheid. Maar als het een vraag is, die je zo gewoon maar aan jezelf stelt, zonder beroep op Freud of Jung, zonder psychische trauma’s of prenatale beïnvloedingen, wordt het toch wel meer kolder. Als gewoon mens ben je voor het beantwoorden van dergelijke vragen immers niet geschikt? Toch stel ik deze vraag en tracht haar, zeer in het algemeen natuurlijk, te beantwoorden. Wanneer ik mens ben, zal ik tegenstrijdig zijn in mijn wezen, omdat ik dat wat ik werkelijk ben, verwerp en datgene wil zijn, wat ik innerlijk weet niet te kunnen zijn. Ik ben tegenstrijdig, omdat ik een engel wil zijn op aarde en gelijktijdig moet leven als een mens. Op details kan ik niet te ver ingaan, want dan zal het voor velen iets worden als “De straat met de ordelichten”, of een dergelijk modern kunstwerk. Daarom zeg ik: Het is juist het vasthouden aan dingen, die je niet werkelijk kunt doen en die je niet helemaal kunt zijn, waardoor men als mens in strijd is met zichzelf. Het is de voortdurende preoccupatie met alles, wat je niet werkelijk kunt zijn en doen, wat je de mogelijkheid ontneemt je stoffelijk wezen en denken wat beter te beheersen.

Velen zullen dit weer dwaas vinden en zeggen: Wie wil zijn eigen stoffelijk denken beheersen, wanneer hij de markt of een volk kan beheersen? Want die dingen vindt men altijd veel belangrijker dan eigen stoffelijke impulsen. U soms niet? Waarom gaat, indien dit laatste juist zou zijn, in de wereld zoveel mis? Misschien wel, omdat men te veel het goede wil, zonder te weten, wat eigenlijk het goede is. De doorsnee mens heeft geen reëel doel, maar een aantal illusies. En, zelf voortdurend in strijd daarmede handelende, probeert hij deze illusies via anderen waar te maken.

Zo u hier de behoefte voelt opkomen om mij nu werkelijk een zot te noemen, ga uw gang. Indien u echter in dit alles toch ook enige wijsheid gevonden hebt, zult u misschien het volgende met mij eens zijn: Wij zullen eerst afstand moeten doen van alle vooroordelen, die niet op feiten en werkelijke ervaringen gebaseerd zijn, afstand moeten doen, tot vooroordelen ten goede zowel als ten kwade, om te komen tot enige zelfkennis en een handelen, dat strookt met de werkelijkheid.

Wanneer iemand bv., een misdaad begaat, kan het aardig zijn en zelfs juist om te zeggen, dat hij psychisch gestoord is en daarom niet strafbaar kan zijn. Indien ik de misdaad wil bestraffen, heb ik echter met dit psychisch gestoord zijn niets te maken. Wanneer het mij gaat om de veiligheid van de maatschappij, zal dit psychisch gestoord zijn een aanleiding te meer zijn, om juist dan snel en streng in te grijpen. Wanneer ik de maatschappij onbelangrijk acht en de mens wil verheerlijken, mijzelf desnoods mede tot zijn slachtoffer makende – want dat moet ik dan aanvaarden – kan ik eerst zeggen, dat de psychologische achtergronden belangrijker zijn dan de feiten.

Wanneer ik dit verklaar, lok ik natuurlijk verweer uit en is het niet denkbeeldig, dat men mij vraagt: Dan bent u zeker ook voor de doodstraf? Om eerlijk te zijn, als geest ben ik er tegen. Maar als ik moet redeneren vanuit een menselijk standpunt, weet ik het zonet nog niet. Het is nu wel mooi om te spreken over de heiligheid van het menselijke leven…. Maar wanneer de mens nu eens niet bang zou zijn om een einde te maken aan het leven van een ander op het ogenblik, dat hij overtuigd is, dat deze onherstelbaar kwaad aan de maatschappij berokkend heeft en nog berokkenen zal, zo vraag ik mij af, zou het dan toch, ondanks alle statistieken enz., in die wereld een ietsje ordelijker kunnen zijn? Het is nu wel mooi, om te zeggen, dat iedereen het recht heeft om te leven – en dat is ook waar – maar is het ook wel verstandig, deze slagzin te handhaven, wanneer je ontdekt, dat door allen het recht te geven om te leven zoals zij zijn, voor allen het leven meer en meer onmogelijk wordt?

De vraag, waarvoor wij dan worden gesteld, is niet een vraag, die beantwoord kan worden door theorieën. Zij vloeit voort uit feiten. En hoezeer die feiten doorwerken, mag wel blijken uit de bemoeiingen, die men op het ogenblik haast overal heeft, tot in het Vaticaan toe, met het probleem van de overbevolking. En men zal zich een houding moeten bepalen. Men kan natuurlijk stellen: Wij moeten dan maar sluiks toelaten, dat voorbehoedmiddelen verkocht worden. Wat hier bv. in een commissie is gezegd. Maar, zo laat men erop volgen, wij kunnen niet openlijk ingaan tegen “het woord”. Vraag je, wat dit woord is, dan zegt men: De “bijbel”.  Vraag je, waar dan staat, dat het gebruik van dergelijke middelen tegen Gods wil is, zo antwoord men: Dat lezen wij daarin. Ik antwoord dan: “Maar het gaat toch niet om wat u daarin leest. Het gaat er om, wat er feitelijk staat, niet om uw interpretatie daarvan.” Nu kunt u wel bepaalde teksten gebruiken, om daarmede de heiligheid van het kind, het alleen voor de voortplanting bestemd zijn van het seksuele leven enz., aan te tonen. Maar dan rukt u de teksten uit hun oorspronkelijk verband – iets waarvan vele bijbel vasten toch een handje hebben.

Maar er staat nergens, dat je de kinderen nu maar moet laten komen als motten naar het licht, zonder in staat te zijn ook redelijk voor hen en hun nageslacht te zorgen. Dan zegt men mij, dat ik spot met het heiligste. Want wat heb ik gedaan? Ik heb hun ballast, hun bagage, hun gewichtigheid aangetast. Op het gevaar af, dat men mij demonisch zal noemen, wil ik toch de punten stellen, zoals ik ze zie. In deze wereld bestaat er niets als vaste waarde en bezit ik als mens geen enkele verplichting, noch één enkel recht, dat als vaste onveranderlijke en blijvende waarde beschouwd kan worden. Ik bezit slechts – en dat misschien nog maar ten dele – mijzelf. Laat mij dan meester zijn over mijzelf. Laat mij de krachten, die in mij leven tot uiting brengen. Laat mij vanuit mijzelf actief zijn, bewust en wetend. Wanneer ik bidden wil tot mijn God, laat mij dan bidden op mijn eigen wijze en met mijn eigen woorden.

Wanneer ik strijden wil, zo laat mij zelf strijden voor alles, wat ik goed acht. Maar laat mij dan ook al het andere ter zijde stellen, laat mij nimmer aan het leven vragen – of aan God -: Geef mij een taak, maar hou wel rekening met het feit, dat ik een kapitaalsvermeerdering van 6% per jaar toch wel redelijk acht.

En laat ons vooral niet bidden: “Heer, ik wil wel doen in Uw naam en heb daarvoor alvast een bankrekening geopend. Zorg er voor, dat deze vol komt.” Een dergelijke mentaliteit moeten wij voor alles kwijt.

In deze dagen komt er reinigend Licht. Een ‘wijze’ verwacht, dat dit Licht in de gehele wereld al het boze weg zal branden en hemzelf onaangetast laten. Want zo zijn de wijzen van deze wereld nu eenmaal. Wanneer zij al werkelijk in God geloven, zo menen zij, dat Hij een soort asman is, die voortdurend het overschot van menselijke zondigheid zal wegbezemen, desnoods met het vuur van Zijn toorn, om zo de anderen in staat te stellen hun kleinere zonden op hun gemak en in vrede te bedrijven. Maar, een reinigend Licht neemt weg, wat niet echt is. Wat onzuiver en onwaar is. Maar het neemt niet datgene weg, waarop men zijn leven werkelijk gebouwd heeft.

Het zijn de bijkomstigheden, die wegvallen. Het is a.h.w. of een reinigend Licht engelen en duivels gelijkelijk spaart en slechts de neutralen wegbrandt. En de ‘wijzen’ van deze wereld zijn juist gespecialiseerd in het neutralisme, in het traineren van problemen en beslissingen, in het handhaven van de status quo. De verdeeldheid, die dit alles in zich reeds inhoudt, is voor mij een onaanvaardbare toestand. Neen. De ‘wijzen’ van deze wereld zullen alles doen, om alles zoveel mogelijk te handhaven, zoals het is. Hun ‘vooruitgang’ is alleen maar steeds hetzelfde, maar dan meer. Zij zullen alles blijven doen om elkanders politieke, sociale, economische, wetenschappelijke en religieuze belangen te blijven beschermen tegen anderen. Om te voorkomen – voor alles – dat er een werkelijke omwenteling zou komen.

Degenen, die anders denken, die streven naar een werkelijke omwenteling en niet alleen naar het vervangen van gezag of zo, zijn de zotten. Maar laat die zotten dan a.u.b. even noteren, dat wat zij als echt in eigen leven ontdekt hebben – het werkelijk echte – dat op dit ogenblik en in deze tijd versterkt wordt buiten alle mate. Laat hen ontdekken, dat hun eigen waan zal worden weggebrand en dat het onrecht, dat men begaan heeft, terug keert. Men zal dit moeten overwinnen. Laat hen ontdekken, dat het goede, dat men reeds vergeten is, soms weerkeert op eigen weg als een hulp en lafenis, wanneer men uitgeput langs de levensweg dreigt neer te vallen, zo de waarlijk zoekenden in staat stellende, om voort te gaan. Voor velen zal in deze dagen het verleden terugkeren, zover dit verleden waar was in hun leven en niet alleen maar een leugenachtige herinnering was. De toekomst toont, juist voor hen, die in de ogen van de “nuchtere” mensen zot en dwaas zijn, de zekerheid van een dag, waarin de waarheid in hun wezen zal overheersen.

Maar dit wordt al te zot. Dan liever nog wat feiten. Dan zou ik – een beetje versleuteld, zoals dat heet – bij voorbeeld kunnen zeggen: Een lange staatsman met lange neus stoot deze neus binnenkort ernstig aan het niet eensgezind zijn van zijn staatslieden. Voor een aantal ministers valt de godheid kapitaal en, ontdekt, vlieden zij angstig terug naar hunne holen. De vriendschap, die verschillende staten elkander gezworen hebben, is reeds zo hevig geworden, dat zij zullen trachten elkanders bezit en recht als zoet souvenir mee te nemen. De daaruit voortkomende strijd zal voor de gehele wereld eens te meer een punt van verontrusting betekenen, zoals eens hun vriendschap.

En daaraan kunnen wij dan het gebruikelijke weer toevoegen! Binnenkort zullen de vulkanen weer oplaaien om met evenveel laweit het ongenoegen van de aarde over de mensheid kond gevende als Fijenoordsupporters, wanneer Ajax door een scheidsrechterlijke beslissing het beslissende doelpunt gescoord heeft. De aarde zal beven met dezelfde hevigheid als een morfinist, die zijn “fix” nog niet gehad heeft en dat op meerdere plaatsen binnen korte tijd. De zee zal golven opwerpen naar de kusten, die zelfs hoger zijn dan de golven, die de Rem deed oplaaien in kamer en senaat van de Nederlandse Staten-Generaal. Aan de kusten zal men de schade daarvan ervaren. Dit lijken wel prognoses. Maar in feite heb ik ook nu niets anders vastgesteld dan het feit, dat er verandering is, waarbij dat, wat reeds was, steeds weer optreedt, maar intenser, terwijl het zich minder laat beheersen en voorspellen dan voorheen.

Het onvoorzienbare is misschien een groter element in deze tijd, dan alle werkelijke veranderingen. Zo gezien zou je moeten zeggen: Niet de verschijnselen op zichzelf zullen veranderen, ofschoon de wijzen verwachten, dat een tijd van vernieuwing een totale verandering zal geven. Maar de middelen van de mens, zo zegt de zot en niet de feiten zelf, zullen veranderen. Waarop een ieder na gaat kijken, wat dan wel die middelen zijn. Dat wordt dan ook gezellig: Wij kunnen dan zeggen, dat men nu een methode heeft gevonden, om kleinste delen samen te ballen en tot explosie te brengen, zo, dat een explosievermogen als nooit te voren kan worden bereikt , zonder dat er schadelijke uitval plaats zal vinden. Een vinding, waarmede wij, volgens de deskundigen, de wereldvrede nu wel verzekerd hebben. Wat niet onlogisch is; wanneer zo een bom gemaakt wordt en ontploft, blijft er niemand meer over om ruzie te maken.

Bacteriologisch heeft men het reeds zover gebracht, dat men in staat is desnoods een geheel volk te verlammen en zo, zonder dat men iemand hoeft te doden of iets hoeft te beschadigen, alles kan overheersen en naar eigen wens ook de meeste van die mensen weer terug kan doen keren tot een meer normale staat. Alleen ben ik bang, dat al gauw iemand zou vragen: Waarom deze vijanden nog tot een normale staat terug doen keren, wanneer wij hen niet hard nodig hebben? Zij zijn toch al zo lastig… . Dan heeft men bepaalde nieuwe zenuwgassen uitgevonden, waardoor het mogelijk is door middel van een enkel sproeivliegtuig een stad als bv. Amsterdam, plus omgeving, zodanig te verlammen, dat niemand de eerste 48 uren in staat zal zijn zich te verroeren of zijn zelfbeheersing te herkrijgen, zonder dat hij het tegengif heeft ontvangen. Een mooi middel tot vreedzame verovering van nieuwe markten, landen en volkeren.

Deze dingen zijn, helaas, toevallig waar. Een wijze zal nu zeggen: Met deze verschrikkelijke wapens garanderen wij de vrede. Voor een zot komt dit neer op een vader, die tegen moeder zegt: Sla het kind maar dood, dan is het tenminste even stil. Deze eigenaardige toestanden en ontwikkelingen op aarde komen nu voort uit de aardse ‘wijsheid’. Want je bent een zot, wanneer je gelooft, dat ontwapening werkelijk mogelijk is. Je bent een zot, wanneer je gelooft, dit het beter is in vrijheid en eerlijk te leven, dan je te houden aan de wetten van burgerlijk fatsoen en het hond-bijt-hond van de maatschappij. Je bent een zot, wanneer je gelooft, dat halve maatregelen en pogingen om een kwaad te beperken, uit den boze zijn, wanneer er ook nog maar een enkele – hoe onaanvaardbaar schijnende dan ook – mogelijkheid bestaat om het kwaad geheel uit te roeien. Je bent een zot, wanneer je denkt, dat een regering concrete en abrupte maatregelen zal nemen voor iets, dat werkelijk van belang is; dat kan men uit politieke overwegingen immers niet doen, al kost het nog zo veel. Je bent een zot, wanneer je durft te veronderstellen, dat de bekwamen in deze wereld de eerste plaats in zouden moeten nemen.

Want iedereen weet toch wel, dat je geen bekwaamheid, maar relaties, diploma’s en een kruiwagen nodig hebt, om werkelijk nog iets te bereiken.

Men noemt ons al snel zotten. En esoterisch gebeurt dat nog veel sneller. Wanneer wij de moed hebben te denken, dat er niet slechts één vaste weg is, langs welke men moeizaam omhoog kan klimmen tot de hemel, maar geloven, dat er in ons een kracht is, die ons voeren kan tot de eeuwige waarheid, dan noemt men ons zotten of wat vriendelijker: Arme zondaars.

Wanneer wij aannemen, dat de zin van het leven ons eens geopenbaard zal zijn en dat wij, ook zonder nu reeds naar die zin te zoeken, aan het leven inhoud en zin kunnen geven door alles, wat er goed, wat er warm, wat er echt in ons is naar buiten te brengen, dan reageert menigeen, die zich wijs acht: “Op zo iemand moet je niet letten. Dat is een beetje zwakzinnig. Zonnig zijn?

Hard moet je zijn in de wereld, concreet. Je moet vechten voor je recht, vechten voor de gemeenschap, je moet vechten, strijden, vechten, vechten voor de partij, strijden voor de kerk, vechten voor de school, strijden voor de zeden, vechten tegen benzinebelasting, vechten maar.” Want als je vecht, ben je in de ogen van de wereld, wijs. En als je dan begraven wordt, geestelijk en lichamelijk uitgeput door opwindingen en haat, schrijven zij op je grafsteen: “Hier rust een wijs en eerwaardig man”.

Je bent zot, als je je van al die dingen niets aantrekt. Je bent zot, wanneer je zegt: Wanneer ik niet zoveel belasting wil betalen, werk ik wat minder, verdien ik wat minder en neem ik in het leven eenvoudigweg met wat minder genoegen. Je bent zot, wanneer je durft zeggen: Hoe komt het, dat jullie je zo druk maken over het weggeld, terwijl wij nog niet eens menselijke verhoudingen hebben in de wereld? Zot ben je, wanneer je je afvraagt, waarom je zou vechten voor de partij, het stakingsrecht of iets anders, wanneer wij mensen nog niet eens zover zijn, dat wij onze eigen plichten weten te volbrengen. Dan ben je in de ogen van de wereld dwaas en zot. En toch heb ik aan het begin van mijn betoog enkele voorbeelden van zotheid aangehaald, die waardevol zijn boven alle dingen. Ik heb de lof der zotheid gezongen, al hebt u dat misschien nog niet bemerkt: De lof gezongen voor hen, die de moed hebben om dwaas te zijn in de ogen der mensen.

Gelukkig de mens, die zo zeer weet lief te hebben, dat hij vergeet om te haten.

Gelukkig de mens, die met zijn kleine mogelijkheden zozeer weet te streven, dat hij vergeet te oordelen over de bestrevingen van anderen.

Gelukkig de mens, die zo zeer eigen krachten leert kennen en op de proef stellen, dat hij geen behoefte meer heeft aan een krachtmeting met anderen.

Gelukkig de mens, die leert beseffen, hoe gering zijn behoeften zijn en zo de ware rijkdom vindt in plaats van de armoede der begeerten.

Gelukkig de mens, die in zijn eenvoud God ziet als een deel van zijn wezen, zijn wereld, zijn leven en niet spreekt over de vorm van die God, de wetten, openbaringen en eigenschappen van die God, maar Hem eenvoudig beleeft, zoals hij Hem kent. Want waarlijk, hij leeft met God, waar anderen slechts leven met hun eigen theorieën.

Gelukkig de dwaas, die in het leven durft lachen en zingen, die de ernst van het leven terzijde durft schuiven en eigen vreugd in het leven weet te delen met anderen, zo niemand schadende door een verbittering om alles, wat het leven hem misschien onthouden zal.

Gelukkig de mens, die in zijn dwaasheid Gods stem en oordeel erkent op deze wereld en toch  niet siddert en beeft, maar zich slechts afvraagt: In hoeverre mag ik dit oordeel minder maken.

Want slechts hij, die geeft zonder te vragen, is waarlijk waardig om te ontvangen.

Hier kwam ik opeens tot een aantal zinnen, die velen van u anders hebben geklonken dan het voorgaande betoog. Want volgens de wijzen ben ik cynisch geweest, lichtzinnig geweest, misschien onduidelijk geweest. O, dat weet ik wel. Maar ik zing de lof der zotheid. Ik heb vooral voor zotten gesproken vandaag en niet voor de wijzen. Neem mij dit alles dus niet kwalijk.

En als u toch nog aan mij wilt vragen, wat dan het meest belangrijke is in deze tijd, dan meen ik, dat ik dat tot slot nog wel kan zeggen, al moet u wel onthouden, dat ik ook hier spreek voor de mensen die in de ogen van anderen zotten zijn, omdat zij zich niet bezig houden met systemen en misschien zelfs niet met logica, maar die leven, leven alleen dat, wat zij zijn.

Deze dagen, waarin het zuiverend Licht steeds nader komt, zijn dagen van steeds grotere rijkdom. Want al datgene, wat u in het leven moeilijkheden baart en waardeloos is, zal verdwijnen, tenzij gij haast uzelf dreigt te verliezen om het te behouden.

Alles wat gij zijt in deze dagen, zal zich wijzigen, ook voor uw eigen begrip. En zo gij de moed hebt uw gedachten over uzelf wat eerlijker – al is het maar voor uzelf – uit te spreken en wat eerlijker toe te geven, wat u in werkelijkheid bent, dan zult u tot uw verbazing ontdekken, dat u toch ook zoveel goeds bezit. En met dat goede zult u rijker kunnen zijn. Een diamant krijgt zijn werkelijke waarde pas, wanneer hij geslepen is. De mens krijgt zijn glans en waarde eerst, wanneer de ballast uit zijn leven wegvalt.

In de gebeurtenissen van deze dagen, in wereld en politiek, maar ook in uzelf, in uw leven en misschien zelfs in deze tijd van vreemde proeven, waaraan men onderworpen wordt, kan men zeggen: Dit alles is als een slijpen. Als een diamant zou leven, zo meen ik, dat zij blij zou zijn, wanneer zij eindelijk mag weerkaatsen, wat er aan licht is, wordende tot een verrukkelijke fonkeling voor de beschouwer.

Ik meen, dat de mens, juist wanneer hij zoveel wat hij nu nog ziet als zijn eigendom, recht en zekerheid, zijn bescherming, gaat verliezen, wanneer de mens weer kwetsbaar wordt, maar daardoor ook het innerlijk Licht kan weerkaatsen, eveneens uiteindelijk gelukkig zal zijn.

Verliezen is vaak winnen in deze dagen, omdat dat, wat je verliest, in feite reeds waardeloos was geworden en door het verlies de mogelijkheid ontstaat iets anders te gewinnen, dat misschien minder materieel is, maar daarom juist zoveel helderder en zuiverder.

Misschien zou ik u nu moeten spreken over de taak, die ons allen te wachten staat. Maar over taken spreken reeds zo vaak de ‘wijzen’. Een dwaas zegt alleen: De tijd, die komt, zal ik steeds doen, wat mijn hand te doen vindt.

Want je taak volbrengen is niet het vooruit zorgen voor lange tijd – ook al wordt de taak u wel opgelegd in deze dagen, – maar het elke dag volbrengen van al hetgeen, wat je te doen vindt. Leef van dag tot dag en leef als een zot, als een dwaas desnoods, maar leef vreugdig. Vraag je daarbij niet meer af, wat gisteren is geweest of morgen zal komen. Vraag je af: Wat is de kracht, de mogelijkheid van vandaag. Want een mens, die het verleden verliest en de toekomst niet maakt tot een drukkende last, die hem bindt in zichzelf, zal de Kracht zien groeien in deze dagen.

Ja. Leve de zotheid, leve de dwaasheid van de mens, hij die alle dingen terzijde schuift en vandaag leeft, omdat hij zo alleen waar kan zijn. Deze zal sterker worden van dag tot dag en zal zich niet beroemen op zijn kracht en dat, wat hij volbrengt, maar steeds intenser zal hij leven en steeds gelukkiger zal hij zijn, omdat hij dichter staat bij de grote waarheid.

Dit is mijn “lof der zotheid”.

  • U schijnt bezwaar te hebben tegen bankrekeningen en zo. Waarom verwerpt u dit en niet de andere delen van de stof?

Dit deed ik niet. Overigens, zodra een mens zichzelf geheel kan beheersen, geloof ik ook, dat hij in staat is een bankrekening juist te gebruiken en te beheren. Maar het gekke is, dat men dan zoiets niet meer nodig heeft. Ik stel dus niet, dat het hebben van een bankrekening slecht is. Ik gun u allen een bankrekening, zo zwaar, dat u onder de zorgen daarvan gebukt kunt gaan, indien u dit wenst. Maar een bankrekening is vaak een niet ongevaarlijke ballast in het leven, omdat je onwillekeurig je eigen waarde niet meer beoordeelt aan de hand van je innerlijk beleven, maar aan de hand van het aantal nullen, dat achter een één kan worden geplaatst op een cheque, die nog wordt uitbetaald. Vaak zal men ook zichzelf niet meer zien als een wezen, dat belangrijk is door het antwoord, dat hij in anderen wakker roept, maar als iemand, die belangrijk is, omdat hij bezit heeft en in een goede buurt woont. Het gaat mij dus niet om banken etc. pour soi, maar om de betekenis, die men in het leven daaraan veelal toekent, zonder dat zij dezen werkelijk bezitten. Wanneer deze dingen geen deel zijn van je werkelijke leven, maar alleen een bron van zelfverheffing en illusie, zo zullen zij, naar ik meen, in de komende tijd dan ook wel worden aangetast. Omgekeerd kan een bankrekening e.d. wel eens een deel vormen van de mogelijkheden, die je in het leven nu zult mogen uiten, zodat er heus ook wel mensen zullen zijn, die in de komende tijd opeens ontdekken, dat zij geld op de bank bezitten en eigenlijk niet eens goed weten wat zij daarmee moeten doen. Dit alles ligt in het karakter van deze tijd en de werkingen die in deze tijd optreden; eerst degene, die in staat is, in zich het werkelijk goede te beleven, zonder aan uiterlijkheden te denken, zal in staat zijn het goede tot deel van zijn leven en werken te maken in meer materiële zin. Zo iemand zal geld kunnen bezitten en desnoods verliezen, zonder daarvan een slaaf te worden.

Dit zijn dus de punten, waarop ik in het bijzonder doelde, toen ik sprak van ballast. M.i. moet men in deze dagen er vooral rekening mee houden, dat men moet leven en werken met de dingen die er zijn. Er zijn veel mensen, die wel graag willen werken met de dingen, die zij hebben. Er zijn zelfs mensen die zeggen: Wij hebben atoombommen, waarom mogen wij die dan onze tegenstanders niet op de kop gooien… ? Belangrijk is daarom ook nog, of iemand wel de beheersing bezit om de beschikbare middelen te kunnen gebruiken. Vanuit het standpunt van een “zot” lijkt het mij dan ook in deze dagen belangrijker, dat men leert zichzelf meester te zijn, dat men leert zichzelf te gebruiken, zoals dit behoort, en eigen krachten en mogelijkheden te ontwikkelen. Dit lijkt mij belangrijker dan nu reeds alle dingen die er in de wereld zijn zonder meer te willen gebruiken. Want het werken met de middelen en mogelijkheden, waarover men beschikt zonder beheersing is reeds zeer populair en wat daarvan terechtkomt kun je dan ook overal zien.

Hiermede wil ik u danken voor uw aandacht, zelfs wanneer u zich aan mij zeer geërgerd hebt; wie eigen zekerheden aangetast voelt, ergert zich. En dan zou ik dus ook daar iets bereikt hebben.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie: Hoe in de esoterie vaak de wijsheid de schijn van zotheid aanneemt.

Daar wij zo dadelijk een gastspreker mogen ontvangen zal het voor mij niet mogelijk zijn, mijn betoog een geheel afgeronde vorm te geven. Ik zal echter trachten, zoveel mogelijk één geheel te bereiken.

Wanneer men u de lof der zotheid predikt, is het verstandig, na te gaan, hoe in de esoterie vaak de wijsheid de schijn van zotheid aanneemt. Want in de leringen welke ten doel hebben de mens door te doen dringen in de werkelijkheid van Al en ik, troffen wij menig maal vragen aan, die de mens vreemd, onaannemelijk en zelfs belachelijk voorkomen.

Wanneer men stelt: Denk u in, hoe een man met een hand applaudisseert, zo lijkt dit en dwaasheid. Zegt men u: Stel u voor, hoe de zon schijnt in de nacht, zo lijkt ook dit dwaasheid. Maar het ons voorstellen van het onmogelijke is de enige weg om tot een erkenning van het mogelijke te geraken. Want zo wij ons alleen beperken tot dat, wat reeds in ons weten en besef als mogelijk bestaat, zullen wij nimmer een weg tot vooruitgang kunnen vinden, zullen wij nimmer los kunnen breken uit de boeien van conventies en de schoolsheid van eigen denken en streven. Maar bewustwording, en zeer zeker esoterische bewustwording, is juist gebaseerd op de bevrijding van het ego. Om dit ik vrij te maken, zal men moeten beginnen, eerst het denken vrij te maken; vrij van de beperkingen van het schijnbaar onmogelijke of het schijnbaar onvoorstelbare. Wie de wijsheid van het goddelijke wil beschouwen, zal moeten beseffen, dat daarin alle dingen mogelijk zijn, dat daarin alle dingen werkelijk zijn, dat daarin geen beperking kan bestaan.

Wie zoekt in zichzelf naar waarheid en wijsheid, is geneigd deze waarheid en wijsheid alleen te zoeken aan de hand van de paden, die binnen dit ik reeds lang gebaand zijn. Er bestaat een legende over de eersten, die over de grote Kybirpas naar het laagland trokken. Dezen wisten niet, dat er een weg was. Maar gejaagd door de heersers van het hoogland vluchtten zij en zochten zich een weg door de bergen. Naarmate zij minder dachten aan de schijnbare onmogelijkheid een weg over de bergen te vinden, werd het hen gemakkelijker een weg te zien.

Toch doolden ook zij en keerden zij meerdere malen op hun schreden terug. Hun stoutmoedigheid maakte het echter hun achtervolgers onmogelijk hen te benaderen en zo kwam het ogenblik dat zij, trekkend over de hoogste hellingen, opeens een pas vonden en aan de andere kant van de bergen als een groen juweel het laagland zagen liggen tussen de wolken, omlijst door besneeuwde toppen, maar nu voor hen een bereikbare nieuwe wereld.

De esotericus, die zoekt, doet in wezen het zelfde: Hij mag zich niet laten beperken door eigen opvattingen van logica, methodiek enz. Hij mag zich slechts laten beperken door de noodzaken van eigen wezen. In zich moet hij zoeken, zelfs daar, waar onoverkomelijke grenzen schijnen te bestaan. Naarmate zijn verlangen groter wordt om verder te gaan, zal hij zich vaker wagen op een terrein, waar geen antwoord gevonden wordt en waar de mens alleen nog vragen overblijven – vragen, die ijl en hoog zijn, vragen waarop de eeuwigheid en ook de tijd geen antwoord schijnen te geven. Maar juist door zich deze vragen te stellen en het onoplosbaar zijn daarvan te erkennen, zal de esotericus ook het punt bereiken, waar op een vraag een ongedacht antwoord mogelijk blijkt. Zo doorbreekt hij dan de barrière, die ligt tussen stoffelijk besef en eeuwig besef en zal hij voor de eerste maal de grootsheid beleven van een innerlijke werkelijkheid, die niet meer beperkt wordt door de tijd.

Ik koos dit beeld om u duidelijk te maken, dat veel van ons streven en pogen in de esoterie vanuit menselijk standpunt in feite dwaasheid is, een onbegonnen werk, een Sisyphus arbeid, een geestelijk pogen het vat der Danaïden te vullen. In tegenstelling met deze beelden zijn wij echter niet gebonden aan één enkel streven, één enkele vervulling. Ons doel en ons streven is inderdaad de ontdekking van het schijnbaar onmogelijke, het veroveren der eeuwigheid, door te sterven en toch te leven, het veroveren van de waarheid door de leugen te zien.

De tegenstelling namelijk is het kenteken van onze esoterische bewustwording en eerst wanneer wij bereid zijn voor onszelf het onmogelijke te aanvaarden en te beproeven, zullen wij ook komen tot de concrete innerlijke beleving, die niet slechts het zoeken is naar een ijl antwoord, dat als een verre galm tot ons komt en waarvan wij oorzaak noch inhoud kunnen beseffen, maar het innerlijk antwoord, dat concreet, duidelijk en volledig is. Want zo God niet slechts spreekt in de taal der mensen, maar spreekt met Zijn eigen stem, woord en gezag, zo is het ons gegeven deze stem, dit woord en dit gezag in waarheid te kennen.

Misschien vreest u, dat ik hier tracht religieus te spreken. Op zich zou dit verwijt niet zo dwaas zijn, omdat de religie nu eenmaal grijpt naar het onmogelijke, het in wezen onvoorstelbare, het bovenmenselijke. Maar daarin wordt dit geheel weer gebracht tot een vorm, een soort vaste baan, die nimmer voeren zal tot de hoogste toppen, maar ons slechts brengt tot een plateau, vanwaar wij onze eigen weg verder moeten zoeken. Zelf zullen wij het laatste deel van ons pad moeten vinden.

Dat ik hierbij de dwaasheid, de zotheid, volgens mijn voorganger, toch op de voorgrond schuif, is begrijpelijk; een mens, die alleen rationeel wil denken, zal nimmer bereiken, wat bewust eeuwig Zijn en bewust leven in feite moet betekenen: Bewuste eenheid met de Kracht, waaruit hij is voortgekomen. Dit lijkt mij voor ons allen in deze dagen zeer belangrijk: Indien gij esoterisch streeft en daarbij voortdurend weer dezelfde paden gaat, zo zult gij voortdurend weer dezelfde frustraties ondergaan en voortdurend optornen tegen dezelfde ondoordringbare muur van gebrek aan inzicht, kracht en bereiking.

Maar zo men de moed heeft zelf de paden te gaan, die schijnbaar onmogelijk zijn, zal men vaak wel zijn doel kunnen bereiken. Er zijn in de grote bergen herderswegen, waarbij men, om verder te kunnen stijgen, eerst dalen moet. Wie deze wegen kent, vindt de noodzaak tot dalen begrijpelijk en natuurlijk, doch wie alleen naar de toppen ziet, zal menen, dat deze weg de verkeerde is, omdat hij daalt.

Er is echter vaak geen andere weg. Vaak ontdekte men dergelijke wegen meer door toeval dan door bewust zoeken en streven. Wij echter mogen niet betrouwen op het toeval, want het wezen, dat wij zijn, omvat net slechts de toppen van bewustzijn en de hoge meren van beperkt besef, die wij moeten overschrijden, voor wij tot een werkelijke vernieuwing en bewustwording in ons zelf kunnen komen.

Het ik bevat daarnaast alle gevaren, die men zich ook in de bergen voor kan stellen: De gletsjer met zijn gevaarlijke sneeuwbruggen en zijn plotseling optredende scheuren en windvlagen. Met steenslag en steenval, met paden, waar de dodelijke balans van grote stenen met ondergang dreigt, voor wie wil passeren.

Wij zijn, ook voor onszelf en in onszelf, gevaarlijk, of wij dit nu weten en willen, of niet. Maar al te vaak willen wij het bestaan van dergelijke gevaren niet geloven, wij menen, dat alle gevaar uiterlijk moet zijn, terwijl innerlijke gevaren en frustraties uiteindelijk voor leven en bewustwording maar onbelangrijke dingen zouden zijn, die zonder meer voorbij zullen gaan. Zo denken wij, terwijl wij aan soortgelijke toestanden en gevaren buiten ons grote belangrijkheid toekennen en daarmede voortdurend rekening houden. Laat mij daarom waarschuwen: Het gevaar in ons is even reëel als de gevaren buiten het ik.

Het gevaar van de gedachte en de krachten der gedachten is even werkelijk als het gevaar van de natuur. Juist daarom is het noodzakelijk, dat wij, met een goed besef van deze innerlijke gevaren, steeds weer de moed vinden om zelfs het onmogelijke te proberen. Waar wij willen ontsnappen uit de ketenen van een te onbeperkt bewustzijn, is het noodzakelijk, dat wij bereid zijn een nieuwe weg te gaan, ook al lijkt het misschien, of deze nieuwe weg ons niet tot het doel zal voeren. Beter is het een nieuwe weg te gaan en op zijn schreden te keren, honderden malen, dan verstard te wachten op een gids, die niet komt, terwijl de koude van het eenzaam zijn je langzaamaan alle leven ontneemt.

Vrienden, esoterie is een avontuur, niet slechts het zoeken naar een wet. Het esoterische streven is een indringen in onbekende werelden vol van gevaar, maar ook vol van onverwachte schoonheid. Achter de jungle van onbegrip wacht ons, als een soort geestelijk Angkor Vat, de gouden stad, de stad van Licht, die men bij u wel het eeuwige Jeruzalem noemt. Achter de doornhagen van menselijke emoties, angsten en begeerten, ligt het Eldorado, waarin de bronnen zijn van eeuwig leven, en bomen, die de herinnering omvatten van alle tijd.

Het is niet juist het onderzoek, het avontuur af te wijzen, omdat het dwaas lijkt, dit is op zich een dwaasheid. Dit avontuur terzijde schuiven, omdat men meent een zekere weg te kennen, ofschoon men op die weg voortdurend geconfronteerd wordt met zijn beperkingen en onvermogen en niet verder komt, is dwaasheid.

Wijsheid, mijne vrienden, is – esoterisch gezien – gemakkelijk te formuleren: Wijsheid is de aanvaarding van alle dingen, daarin de kracht erkennende, die ze voortbrengt. Wijsheid is het bewustzijn dat alle wegen kunnen voeren tot het zelfde doel, mits wij in staat zijn die wegen ook te gaan. Wijsheid is het, te weten, dat men beter 1000 jaren tevergeefs streeft, dan nimmer te streven.

Wijsheid is het ook te beseffen, dat er geen enkele weg bestaat, die, met uitsluiting van alle andere mogelijkheden, de enig juiste is buiten de weg, die in ons ligt en die voor ons de ware is.

Alle krachten voeren ons tot het zelfde: Alle krachten voeren ons tot het ogenblik, dat wij, staande voor de gesloten deuren van een nieuwe werkelijkheid, durven aankloppen. Want hier geldt: Wie het woord spreekt, opent de deuren, klopt en u zal worden opengedaan.

En voor het bewustzijn geldt: “Vraagt en gij zult het antwoord kennen”, ofwel “vraagt en u zal gegeven worden”.

Maar dan moeten wij weten, waar te kloppen, weten, wat te vragen. Deze dingen vinden wij eerst in ons zelf. Zo zou ik willen besluiten met de woorden: Wie zoekt naar waarheid, moet beseffen, dat waarheid schuilt in alle dingen.

Wie zoekt naar God, moet weten, dat de kracht van die God niet alleen de hemelen, maar ook de duisterste sferen in stand houdt en bezielt.

Wie zoekt naar eigen werkelijkheid, moet begrijpen, dat deze werkelijkheid nu en eeuwig bestaat, zonder dat er een verschil tussen nu en eeuwig is.

Wie erkent dat in alle tegenstellingen dezelfde waarde gevonden kan worden en dat de zin van het bestaan slechts voort kan komen uit eigen streven, zijn en erkenning, zal bereiken.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Gastspreker.

Ik groet u, vrienden.

Zoals de dagen vergaan, zo vergaan onze daden en onze gedachten.

Zoals het leven vergaat, zo vergaat al wat wij bezitten. Maar niet vergaan onze angsten, niet vergaan onze onbevredigdheden in ons wezen en niet vergaat de werkelijkheid van ons bestaan.

Wie eenzaamheid voor zich vormt, blijft eenzaam; wie echter de band en verbinding erkent, die bestaat met alle leven, hij vindt de verbintenis met het eeuwige.

Waarlijk is het goed en waarachtig, wanneer men in de eerlijkheid van zijn wezen de waardigheid erkent van alle leven. Hebt het leven lief, niet om het leven, maar omdat, wat de basis is van alle leven: De Kracht, die het schept en in stand houdt.

Hebt de mensen lief, niet omdat zij mensen zijn, niet omdat gij hen kent, maar omdat in hen leeft het levende Licht, geopenbaard of nog verborgen, het Licht, dat was in het begin, toen het eerste woord de eerste Kracht deed gaan in een ruimte, die nog niet gevormd was.

Hebt eerbied voor elkander. Want indien gij elkander niet eerbiedigt, hoe kunt gij uw God eerbiedigen, die alles in stand houdt.

Bindt u niet aan dat, wat niet leeft zoals gij. Want u bindende aan dat, wat niet leeft zoals gij, bindt gij u aan dat wat dood is voor u, en wie zich bindt aan de dood, is gebonden wanneer het leven hem roept.

In deze dagen zenden de nieuwe krachten en waarden, die altijd zijn en nu openbaar worden, hun roepstem uit over de wereld. Zij zeggen u niet: Volg mij. Zij zeggen u niet: Kom. Zij zeggen tot u: Leef nu, de tijd van volgen is voorbij. Het spoor in u is getekend; zo gij het kent en aanvaardt, volgt het naar uw believen.

Men zegt u niet: Kom tot mij”. Want de Kracht, die u roept, is niet slechts een eenling. Hij is al het zijnde. De kracht die roept, deze flits van Licht in het eeuwig spel, kan een oordeel zijn voor mens en stof. Maar nimmer is zij een oordeel voor het leven zelf, want het leven zelf gaat voort.

Zo, beantwoord eerst in uzelf aan het Licht dat komt. Dan eerst zult gij de mensheid, door dit Licht kunnen genezen. Dan eerst zult gij de mensheid kunnen redden van zichzelf door haar het bewustzijn te geven, dat zij nu nog schijnt te ontberen.

Er zijn vele mogelijkheden in deze dagen. Er zijn mogelijkheden van Licht en van duister. Er is de stem van God, die spreekt en er is de stem van de mensheid, die tracht God te overschreeuwen.

Maar indien gij waarlijk gelooft, indien gij beseft, wat het is om te bestaan, kunt gij het volgende doen:  Indien gij wenst, met geheel uw wezen, met geheel uw ziel om te zijn: Licht, zo wordt u de  Kracht van het Licht geschonken.

En zo gij zegt tot die Kracht: “Ga uit”, zo zal zij uitgaan, en zo gij haar zegt: “Volbreng”, zo zal zij volbrengen op uw bevel, omdat het is de Kracht, die uit de Vader in u komt, omdat het is de Kracht, waaruit gij leeft, de Kracht, waarmede gij dient en beheerst tegelijk.

Indien gij alle dingen terzijde wilt stellen en slechts wilt volgen de ware stem van leven in uzelf, indien gij slechts wilt gaan de weg van zelf leven en bewustzijn, zo zult gij, al achter u latende, kunnen zeggen:

“In u is de macht, o God en in u ben ik.”

En ik zeg u, dat gij met deze macht, meer zult doen dan de mensen en geesten mogelijk achten. Want zo het duister komt, zo zult gij zeggen uit deze macht: “Ga”. En het duister zal sterven in het Licht. Indien de demon komt en hij dringt op u aan, zo zal hij in dit Licht sterven of gereinigd zijn. Niets zal u onmogelijk zijn, zo gij deze weg gaat; het is de wil van de Scheppende Kracht, de Vader van alle dingen, de voortbrenger zonder einde, dat gij leert deze Kracht te bezitten en te aanvaarden.

Want waarlijk hoog is de bestemming des mensen en waarlijk krachtig is de macht, die werkt om u te verheffen. Doch slechts indien gij zelf wenst, geheven te worden, zo heft zij u.

Slechts indien gij alles verlaat om te volgen, wat in u de waarheid en het Licht is, wat u geopenbaard wordt uit wereld en eigen wezen, zo zult gij weten, wat het is mens te zijn in de waarheid, die is en voor u komt.

Nog een cyclus en het lot van hen, die thans zich mensen heten, is voleind. Een nieuwe vorm, een nieuw kracht en een nieuwe tijd zullen komen. In deze cyclus echter kan de eeuwigheid  bereikt worden.

In deze cyclus kan het Licht, dat nimmer dooft, verworven worden. In deze tijd kan de Kracht gewonnen worden, die mens en geest verheft, tot uit de schijnbeelden van werkelijkheid het beeld der ene waarheid volledig bewust erkend en beleefd wordt.

Mijn boodschap tot u is tweeërlei; een waarschuwing en een belofte.

Hoedt u voor alle schijn en valsheid, voor alle begeren en alle vrezen, want deze zijn het, die in u het Licht doden, dat in u is, trachtend de waarheid te doen sterven, die in u wil ontstaan. Deze zijn het die u terug dwingen naar het dierlijke, terwijl gij zoudt moeten worden tot wezen des Lichts.

En een belofte.

Een ieder, die eerlijk en in zich streeft, die eerlijk en in waarheid het Lichtende zoekt en volgt, zich niet bindend aan iets anders, die zal Licht gegeven worden, die zal Kracht gegeven worden en macht in zulke rijkdom en vermogen, dat hij zal zijn als stem van Licht, uiting van primaire Scheppende Kracht, zelfs in de wereld, waarin hij stoffelijk vorm heeft. Dat de vrede van de eeuwige, het Licht, dat is Zijn uiting en Zijn stem, die is de waarheid, in u moge werken, tonend de weg, die gij zult gaan, u tonend het pad, dat is het uwe en u moge geven de vrede, die is de openbaring van alle dingen.

image_pdf