Magie

7 maart 1988

Voor vanavond ben ik uw inleider, en ik mag u meedelen dat we een gastspreker hebben die in een van zijn incarnaties een nogal dogmatisch ritueel magiër is geweest. Misschien mag ik het een en ander zeggen over de samenhang; wat is magie enz. De meeste mensen denken nl. dat ze het weten, maar eigenlijk weten ze het ook niet. Magie is een vorm van geloof, net als wetenschap. Je gaat uit van een bepaald standpunt en zoals je bij een geloof of ook zelfs een wetenschap, door je vast te klampen aan regels eigenlijk hoopt meester te worden van je werelden, misschien van jezelf. Zo doe je dat bij de magie eigenlijk ook. De rituele magie ontstaat op grond van ervaring. Wat dat betreft heeft ze veel gemeen met andere zgn. occulte wetenschappen, tot astrologie toe. Maar ze heeft één ding, dat eigenlijk in het vroege begin een grote rol speelt. Je probeert met de natuur (de goden komen eerst veel later) tot een overeenkomst te komen. Je probeert bepaalde resultaten te bereiken en nu blijkt, dat je met een bepaalde dans met een bepaald trommelritme, met bepaalde kreten dus, die aanroep hebt gedaan en het gelukt. Vanaf dat ogenblik probeer je dat steeds te herhalen. Want de mens heeft van het begin af aan altijd gezeten in een wereld die hij voor een deel niet kon begrijpen en die voor een deel ook eigenlijk onbeheersbaar was. En zoals mensen zijn: ze spelen graag de baas!

Dus probeerde men middelen te vinden, om deze natuurverschijnselen – op welke manier dan ook ‑ een beetje te reguleren. Daaruit groeide de eerste vorm van rituele magie en de eerste verschijnselen ervan zien we in het Sjamanisme. Maar daarna gaat men niet alleen meer regels stellen, maar men gaat ook kijken: wat zijn de harmonische elementen in de natuur? Kruidkunde bv. is zo oud dat het al bijna een vergeten wetenschap was in de tijd van de priesters van Ur. Een kruid doet dit, een bast (van een boom bv.) betekent dat. Zo ontstaat langzaam maar zeker het begrip: alle dingen zijn één, maar ze hebben allen afzonderlijke eigenschappen. Ik kan de eigenschappen van iets imiteren en dan zal de natuur erop reageren alsof het echt is. Wanneer u gaat kijken bv. in de oude grotten waar die grottekeningen zijn, dan vindt u daar allerhande jachttaferelen. In vele gevallen was dat om de jager en het wild bij elkaar te brengen. Er werden hele schouwspelen opgevoerd. De afbeelding van het dier was identiek met het dier, de gebeurtenis was gespeeld dus moest ze zich herhalen in de werkelijkheid.

De magische wereld wordt een soort fantasiewereld. Ook bij ons hebt u wel eens gehoord van een tweede werkelijkheid. Laten we zeggen dat dat het begin is geweest van het werken ermee: wanneer ik dingen denk, zijn ze voor mij waar. Zolang ik geloof dat ze waar zijn, worden ze waar. Er is natuurlijk wetenschappelijk gezien onzin, emotioneel gezien is het buitengewoon bevredigend. Je hebt het idee dat je ook een vinger in de pap hebt. Vandaar uit komt men langzaam maar zeker tot het begrip: Ja maar, al deze krachten moeten toch op een bepaalde manier ook van elkaar te onderscheiden zijn. We krijgen het personifiëren van goden, terwijl we voor die tijd ten hoogste te maken hebben gehad met voorouders die belangrijk waren. Waar goden komen, komen priesters. Waar priesters zijn, wordt de magie niet meer een ervaringswetenschap maar een instituut. Alle regels die men kent, worden bij elkaar gevoegd, men begint die regels met elkaar te vergelijken en men komt tot de meest werkzame rituelen. De dansen, die het best zijn voor deze of voor gene god en al wat erbij hoort.

In deze tijd is de priester nog steeds magiër. En wie zal zeggen dat het in deze tijd eigenlijk niet zo is. Wanneer we bv. kijken naar de transfiguratie zoals door de katholieke kerk wordt gepredikt, dan moeten we toch ook zeggen dit is in feite een magisch gebeuren. Of je nu gelooft dat het echt is of niet. Voor degene die erin geloven, is het waar en heeft dat invloed. Op die manier gaat men langzaam maar zeker eigenlijk kennis vergaren. Kennis is nodig, omdat de magie niet altijd gelukt. En dan kan je wel zeggen, dat de omstandigheden of de goden tegen zitten, maar het is wel beter wanneer je een klein beetje geluk hebt met je magische procedures. Er ontstaan allerhande pogingen om giften samen te stellen, geneesmiddelen te maken, bepaalde technieken toe te passen. In Egypte wordt bv. hypnose gebruikt als een verdovingsmiddel. Er zijn ook andere methoden die men gebruikt (er is bv. vaak een ziener bij, die dan weer moet kijken of tijdens de operatie de geest niet het zilveren koord verbreekt en dat soort dingen.) Maar wanneer langzaam maar zeker de mensen gaan begrijpen dat eigenlijk al die goden alleen maar mensbeelden zijn, dan gaan ze hier en daar spreken over de god op de achtergrond. Zoals Kronos bv. god op de achtergrond, Brahma, god op de achtergrond; ook de andere goden worden eigenlijk wezens die op een grote afstand van de mensen staan.

Als u dat begint te begrijpen, wordt het ook duidelijk waarom men zo krampachtig zoekt naar een middelaar. Waarom bv. spreken via een Boeddha, terwijl de totaliteit er is. Ja maar, die Boeddha is een mens. Hij kan menselijk reageren, is een mensbeeld. Je kunt er als het ware mee handelen. Datzelfde zien we ook wanneer de grote goden op de achtergrond steeds meer beseft worden, zeg maar de oppergoden. Men gaat proberen om met de kleinere goden ‑ zeg maar‑ een handeltje te sluiten, opdat ze de voorspraak zullen zijn bij de Baas. Dat is zoiets als je secretaresse een doos bonbons geven in de hoop dat je snel aan het woord komt bij haar heer en meester.

In deze tijd begint men ook allerhande dingen te begrijpen en te beseffen, die voor die tijd eigenlijk maar terloops werden begrepen. Bv. in Babylon slachtten ze al een stier (vooral een die zeer potent was) om daarmee vruchtbaarheid aan de velden te geven. Bloedoffers, het was eigenlijk leven geven aan de goden, ze een beetje sterker maken, waardoor ze konden doen wat jij wilde. Maar wanneer ze een beetje verder komen, zeggen ze: wat moeten we met die ene god? En dan zien we de tegenstellingen ontstaan. Het is typerend en je kunt dat o.a. zien in de tijd van Kierkegaard e.d. Dat men een soort opstandig denken begint te krijgen tegenover die godheid. Er zijn maar twee wegen: opgaan in die god ‑ maar dan ben je er niet meer ‑ of stelling nemen tegen die god en proberen hem iets af te dwingen. Dan ben je zelf machtig, maar in feite ben je gelijktijdig een opstandeling.

Mensen, die proberen hun goden, of hun god door allerhande gebeden te bewegen voor hen dingen te doen zijn in feite magisch bezig. Alleen wat ze niet beseffen is dat ze stelling nemen tegen hun god. Ze proberen hun god hun wil op te leggen, hoe smekend en nederig ze dat ook doen. Nu zijn er kerken gekomen, en we vinden dat een beetje bij de Islam en ook wel in het Christendom bv. waarbij men zegt: ja, maar god kun je niet dwingen. Je kunt god alleen bidden. En dan komt de mens die zegt “het moet toch gebeuren, hoe kan ik hem dan wel dwingen.” Zo komt men tot een Luciferiaans denken en een poging om door de innerlijke wereld als het ware op te laden met kracht en macht dingen te doen geschieden desnoods buiten of tegen de wil van god in. Het is duidelijk dat in het christendom, dat zeker in zijn eerste tijd zeer veel magische riten handhaaft, men het daar niet mee eens kan zijn. Alles wat tot op dat ogenblik magie heette, en daar zit wel degelijk alchemie bij e.d., dat werd duister tegen god, dus verdoemenswaard. En dat was heerlijk, want zo was er geen concurrentie meer mogelijk. De apostelen konden nog zeggen: “wij hebben die Simon de tovenaar en die wandelt daar door de lucht ‑ hij was koorddanser ‑ en als hij dan te pletter valt dan zeg je “onze god is sterker” en op die manier is dat altijd zo gegaan. Nu zult u zeggen: we komen op een gegeven ogenblik tot rationeel denken. Maar de ratio kan alleen maar uitgaan van het bekende. En wat kent men niet? De innerlijke mens. Dientengevolge probeert men conclusies te trekken ten aanzien van zaken die men niet kent, en die te beïnvloeden op grond van enkele gegevens die men kent plus de vooronder­stellingen, die men eraan verbindt.

Dat is eigenlijk ook een geloof he? Ik heb het gezegd, aan het begin, maar dat is met wetenschap zo, dat is met sociale systemen zo, economie is ook een geloof. Psychiatrie is ook een geloof in feite. Je gaat ervan uit, dat bekende gegevens conclusies mogelijk maken ten aanzien van zaken die je niet geheel kent. Dat is eigenlijk wat geloof is. En nu zitten we weer in een nieuwe periode ‑ typerend voor de mens ‑ dat wanneer hij zich mach­teloos begint te gevoelen, en in de huidige natuurwetenschappen is dat voor de gewone mens het geval ‑ dat hij gaat teruggrijpen naar het oude emotionele. Maar waar het emotionele op de voorgrond treedt, daar komt het magische op de voorgrond.

Wanneer we zo dadelijk te maken krijgen met een man, die rituele magie heeft bedreven, die dat nog steeds erg belangrijk vindt, dan moeten we begrijpen dat voor die man zijn magie net zozeer een wetenschap was als nu voor de beste atoomfysicus zijn weten ook wetenschap is! Ik denk dat ik er alles van af weet. En als later blijkt dat er ook iets mis kan gaan, dan moet je dat maar nemen.

In deze tijd zal men terug moeten schakelen naar de innerlijke mens. De innerlijke mens is wetenschappelijk heel moeilijk te benaderen. Er blijft altijd een gebied dat onbekend is. Je weet wel dat het er is. Je kunt het zelfs begrenzen in vele gevallen, je kunt niet zeggen wat het is. Je kunt zeggen: “ja dat is de geest, of dat is de ziel”, maar beste vrienden, wat heb je eraan, als je het een naam geeft? Dan probeer je het weer naar je toe te trekken, hanteerbaar te maken. Van ons standpunt uit zeggen we: “natuurlijk, want in jouw ego is uiteindelijk maar een deel geprojecteerd van wat we het superego kunnen noemen.” Geloof, klinkt allemaal erg redelijk, maar is niet te bewijzen. Het enige wat we kunnen bewijzen is, dat de mensen die een beroep doen op hun innerlijke krachten, die proberen met die innerlijke krachten iets tot stand te brengen, nog maar al te vaak tegen de waarschijnlijkheid geheel of deels in slagen. En daar staan we dan voor de basis voor een nieuwe magische ontwikkeling. Nu is het nog zo dat we het allemaal met een paar korreltjes zout nemen. Maar hoe meer mensen resultaten krijgen door gebruik te maken van paranormale krachten ‑ zij het paranormale genezing of andere dingen die eigenlijk wetenschappelijk niet kunnen – des te meer mensen gaan zeggen: “maar dat is waar!” en wat je denkt dat waar is, wordt voor jou een soort waarheid. Als je die waarheid zou verwerpen, dan zou je het gevoel hebben dat je eigen persoonlijkheid weg is. Dus doe je niet. Conclusie: men gaat dus steeds meer occult of paranormaal werken en denken op aarde. En dan komen er ook weer mensen die zeggen: “Ja maar als ik het zo doe, dan gaat het altijd goed”, die schrijven dan een leerboek en iedereen zit het zo te doen en het gaat verkeerd. Maar zij hebben het bewezen, want proefondervindelijk is aangetoond dat met deze incantatie, met deze evocatie, met deze gebaren en die handeling het resultaat te verkrijgen is. Op het ogenblik dat je probeert om de magie te institutionaliseren ‑ wat dus met de rituele magie heel sterk het geval is geweest altijd, dan ben je bezig om weer het ‘ik’ van een innerlijke werkelijkheid te vervreemden en in de plaats van beleving regels en wetjes te stellen.

Onze vriend heeft dat ongetwijfeld zelf ervaren en beleefd, want een van de dingen die ik toch nog even moet citeren, een van de dingen die hij zei bv. was: ” Op het ogenblik dat wij denken dat we alle regels kennen, worden we geconfronteerd met ons onvermogen. Op het ogenblik dat we de dingen beleven en tot een tijdelijke regel maken vanuit onszelf, blijken wij te slagen.” Ik denk dat je daar een heel belangrijk punt hebt. Het is aardig, je hebt je atane of weet ik nog meer, al die dingen die je bij de magie gebruikt, ’t zijn voorwerpen maar ze zijn gelijktijdig ideeën. Ze zijn iets van jezelf. En wanneer je jezelf met heel veel moeite in de juiste toestand hebt gebracht dan ben je gelijktijdig ook van de normale werkelijkheid tijdelijk vervreemd of moet ik zeggen “je treedt een andere wereld binnen.” Een andere wereld met andere wetten en andere mogelijkheden, die door jouw beleven ervan voor een groot gedeelte bepaald worden. Dan moeten we wel aannemen dacht ik dat de komende periode allerhand pogingen zal laten zien om die innerlijke waarde en die innerlijke stemmen dan toch weer onder te brengen in een hanteerbaar schema. In het begin zal men er absoluut resultaten mee boeken, en dan komt er een ogenblik dat men denkt dat het schema werkzaam is, en vergeet dat de mens het is. En op dat ogenblik begint de grote mislukking en dan gaan we vanzelf weer terug naar een periode dat men steeds meer materialistisch denkt. Want in de materie kun je ‑ zolang je met je experimenten niet buiten de beperkingen gaat die de regels je stellen ‑ altijd wel zichtbare resultaten boeken. Met de magie kun je dat niet. Daar kun je vaak wel zichtbare resultaten krijgen, maar je weet van tevoren nooit precies hoe die resultaten zullen zijn, omdat je innerlijke waarde, je innerlijke harmonie inclusief dat deel van jezelf (dat je niet kunt beseffen) meebepalend zijn voor het geheel veroorzaakt.

Van mijn standpunt uit dus, moet je iemand, die over magie spreekt, niet beschouwen als iemand die een wetenschap verkondigt. Ook als hij regels geeft. Je moet hem eerder zien als iemand, die op grond van zijn eigen gevoelens en ervaringen een geloof verkondigt dat voor sommigen werkt. Ik hoop dat onze gast me dat niet kwalijk zal nemen. Ik vind nl. erg belangrijk dat u de betrekkelijkheid van alle dingen begrijpt. Je kunt dingen zozeer wensen dat je het gebeuren ervan onmogelijk maakt. Je kunt dingen zo intens wensen en gelijktijdig er zo buiten staan dat ze onvoorwaardelijk waar worden. Waarom?

En dan als laatste van deze inleiding dit: Als geest leer je, dat er een kracht is in je. Die kracht kan werken in elke wereld, waarin je jezelf kunt voorstellen. Zolang ik niet het gevoel heb dat ik deel kan zijn van een duistere wereld, kan ik ook niemand bereiken die in die duistere wereld leeft. Wanneer ik mijzelf niet kan voorstellen dat ik opga in een lichtende wereld, kan ik de leringen niet horen die men probeert me van daaruit te geven.

Kennelijk is mijn denken en mijn voorstellingsvermogen iets, waardoor die kracht pas actief wordt. Besef doet de kracht werken. Daarbij is het niet belangrijk hoe dit besef verder is gericht, het is alleen belangrijk dat het harmonische factoren omvat.

En bij die harmonische factoren moet u nog aan iets anders denken. Dan gaan we toch weer terug naar de aloude stelling “alles in de kosmos is één in God”. Tijd is een verdelingsverschijnsel dat ontstaat voor diegenen die onderworpen zijn aan welke vorm van massa of van beperkt opnamevermogen dan ook. In wezen is het één. Dan zal alles in dat geheel kunnen, zodra het voorstelbaar is. Want dan bestaat het. De kunst is nu om datgene wat ik mij voorstel, over te brengen naar datgene dat ik blijvend als mijn wereld schijn te ervaren. En dan is de kwestie niet: ik verander iets in het geheel, maar: ik verplaats mij zodanig in het geheel dat mijn ervaring van de werkelijkheid verandert.

Ik geloof dat dit inderdaad mogelijk is, ik heb na mijn dood nogal wat ervaringen opgedaan natuurlijk en altijd weer kwam ik tot de conclusie: hé, dat kan nu niet, of dat kan nu wel. Maar als u me vraagt waarom, dan weet ik het niet. Ik voelde het, iets in mij zei: “dit kan wel en dat kan niet”; “hier kan je verder gaan en hier moet je wachten” En zolang ik nu maar aan die innerlijke wet gehoorzaam, werkt alles goed. Die innerlijke wet is dus voor mij erg belangrijk, niet omdat ze de feiten bepaalt, maar omdat ze mijn relaties voor mij met de feiten bepaalt. Daar zit dan aan vast, dat ik alle dingen kan zijn en doen mits ik in mijzelf deze als waar erken en aanvoel. Ik zeg niet, dat het voor de wereld zo is. Ik zeg dat het voor mij zo is. Want ik kan niet bepalen in hoeverre het bewustzijn van anderen op gelijke waarden wel of niet zal reageren.

Vanuit mijn eigen werkelijkheid zeg ik echter: “Wij zijn deel van een kracht, die we niet kunnen beseffen, maar het deel van de kracht dat we beseffen, kan door ons gebruikt worden om verschijnselen te veroorzaken die ook in onze zgn. werkelijkheid kenbaar worden. En dat is dan dacht ik toch magie. Alleen geen rituele. Het is de magie die uit ons wezen voortkomt. En als u dan de ritus erbij betrekt, dan kan de functie van de ritus alleen maar zijn: mij bewust te maken van iets wat in mij bestaat, zodat ik daardoor in mij de kracht kan gebruiken om het te verwezenlijken. De rite heeft geen macht in zichzelf. De rite kan stemming veroorzaken, waardoor de macht in mij via datgene wat ik in de rite heb opgebouwd, zich manifesteert. Als ik een demon wil oproepen, kan ik geen andere demon oproepen dan de demon, die in mij woont. Alle andere demonen kunnen mij niet bereiken. Alleen datgene wat in en voor mij bestaat, kan mij bereiken. Daarmee ben ik harmonisch dus kan het zich manifesteren. Ik kan mijn kracht in deze demon leggen onverschillig of hij echt is of niet en hem wegzenden om een taak te vervullen. En dan kan ik een heleboel dingen veroorzaken, waarvan anderen zeggen: “hoe is het mogelijk”. Denk maar alleen aan Blavatsky die op een gegeven ogenblik bezig was met een trapnaaimachine zonder maar een voet te gebruiken. Dat ding ging vanzelf, men vroeg: “Hoe doe je dat?” Zij zei: “Ik heb een paar natuurgeesten gevangen en die heb ik het bevel gegeven om dat ding te laten bewegen.” Waren dat nou echt natuurgeesten of was het alleen mevrouw Blavatsky zelf? die alleen door haar intense overtuiging dat het zo was het feit veroorzaakte dat zeer waarschijnlijk door eigen kracht tot stand kwam en niet door natuurgeesten.

U wordt zo dadelijk geconfronteerd met iemand die er een beetje anders over denkt. U zult geconfronteerd worden met iemand die gelooft dat de ritus het meest belangrijke is. Ook al begrijpt u de betrekkelijkheid ervan. Ik hoop dat u dan het voorgaande niet helemaal zult vergeten. Wat voor hem werkt, behoeft voor u nog niet te werken. Maar wat in u bestaat, is hetzelfde wat ook in hem bestaat. Zo zijn de mogelijkheden voor u even groot maar de middelen die u nodig hebt kunnen sterk verschillen van de middelen die hij gebruikt. Ik heb geprobeerd u een voorstelling te geven waardoor de gastspreker ‑ dacht ik ‑ juister beluisterd en begrepen kan worden.

Gastspreker

Men heeft U waarschijnlijk wel verteld, dat ik in paar van mijn levens magiër, filosoof e.d. ben geweest.

Magie is iets wat in elk leven en overal bestaat. Een mens kan niet anders dan magisch denken, omdat hij altijd uitgaat van hetgeen innerlijk als juist wordt aangevoeld en op grond daarvan probeert zijn uiterlijke wereld opnieuw te arrangeren. Je kunt dat onbewust doen, je kunt het doen met wat toevals‑magie genoemd zou kunnen worden en je kunt dat natuurlijk ook doen volgens vaste regels.

Nu zijn er een aantal stellingen die juist de meer geregelde magie beheersen. De blijvende wet van alle dingen is de wet van harmonie. Waar geen harmonie is, is geen beheersbaar gebeuren mogelijk. Daar waar echter harmonie is, kunnen verschuivingen plaatsvinden, mits daardoor de harmonie in zichzelf niet verstoord wordt. We hebben dus een aantal beperkingen waaraan we gebonden zijn.

In de magie bestaan verder regels van polariteit, want in elke uiting heb je nu eenmaal tegengestelden nodig, en waar de tegenstellingen elkaar opheffen, daar zien we het verschijnsel ‘rust’, dat mee bepalend is voor kosmisch harmonisch ‘zijn’. In de rituele magie ga je uit van deze harmonische noodzaak en daarna van het harmonische evenwicht, dat altijd aanwezig moet zijn.

Je kunt bij wijze van spreken wel hier of daar water uit een rots slaan, maar dan moet er elders water verdwijnen. Je kunt zieken genezen door een bepaald symbool te hanteren, maar wat je daar veroorzaakt, vraagt kracht. Die moet ergens anders vandaan komen. Er is een voortdurende compensatie nodig, omdat zonder dat geen gebeuren kan bestaan, dat controleerbaar is.

U weet allen waarschijnlijk dat magie gepaard gaat met een mate van ascese. Wanneer je je voorbereidt op een grote bezwering, op een groot werk, dan ga je eerst een tijd als het ware in retraite. Je zuivert jezelf, je zuivert je gedachten, je zuivert je lichaam, je houd je bezig met het voorbereiden van de spreuken die je zult gebruiken, totdat je hele leven alleen nog bestaat uit dat magisch gebeuren, dat dan culmineert in de ritus.

Dat is niet zomaar. Zolang als ik in een ritus bezig ben en niet daar volledig één mee ben, daar niet in opga, ontstaat geen controleerbaar effect. Er kunnen wel dingen gebeuren, maar ik ben niet meer de meester daarvan. Ik word er net zo goed door geregeerd als ieder ander. Daarom is het nodig dat ik langzaam maar zeker groei tot een eenheid, waarbij de ritus gelijktijdig mijn ritus is, en mijn wezen representeert.

En dan krijg je de rite zelf. Je maakt heel vaak gebruik van verschillende tekeningen. Je hebt de vloermark, pentagrammen komen veel voor; je hebt ook vierhoeken, driehoeken, de drie snijdende cirkels, de drie aanliggende cirkels, en er zijn er meer.

In al die gevallen is de tekening nog weer eens een herhaling van datgene wat ik innerlijk heb voorbereid. Het is het symbool geworden dat in mij reeds bestaat. En we zullen zien dat een ritueel magiër heel vaak bij het plaatsen van zijn lichten of zijn kaarsen of zijn reukwerken, niet uitgaat van een vast schema. Er bestaan schema’s voor, maar de werkelijke magiër varieert dat, omdat datgene wat hij op dat ogenblik voelt, de ritus is. Daarom moet alles zo geschikt zijn, dat het bij hem past en niet alleen maar bij een rituele bedoeling. Wanneer je dan bezig bent met die rite, dan ontstaan er verschijnselen. Je kunt soms allerhande figuren zien. Astraal of een enkele keer zelfs gematerialiseerd. Zodra je denkt dat ze buiten je staan en echt zijn, kunnen ze je beheersen. Dat is een wisselwerking. Zodra ik ze blijf beschouwen als een deel van mijzelf, een deel van het gebeuren dat ik ben, blijf ik meester.

Dat is voor een mens moeilijk te begrijpen. Wanneer een zwartmagiër iemand op afstand gaat doden door bijvoorbeeld een entiteit daarvoor op te roepen en die opdracht te geven, dan denken de mensen: ja, dan moet je toch die ander haten. Op het ogenblik echter dat je die ander haat, gaat het niet. Je moet er buiten staan. Je bent de ritus, en verder niet. Je bent de kracht, dat is waar, maar alles wat er is op dat ogenblik is deel van die kracht, die jij ook bent. Je vraagt je niet af of die kracht beperkt is of niet, ze is er. Dat hele gebeuren wordt daardoor beheerst. Dat is voor heel veel mensen een beetje ondenkbaar.

Ze zeggen: Als je zo bent, dan ben je eigenlijk niet meer normaal, dan ben je op dat ogenblik een fantast die in zijn eigen fantasie leeft. Dat is volledig waar. Maar een andere vraag is of de fantasie niet evenveel werkelijkheid is als al datgene wat we zien als werkelijk gebeuren. Het bestaat misschien op een ander vlak, een ander niveau, maar het is er wel.

Wanneer ik gedreven word door een hartstocht, dan schep ik een afstand tussen mij en het andere. De begeerte, een afkeer is een scheiding. Op het ogenblik dat ik dat niet meer heb, ben ik de ander en ik ben mezelf. Gelijktijdig, eigenlijk een en hetzelfde. Wat gebeurt, gebeurt niet buiten mij, het is iets wat zich in mij voltrekt. En daardoor is de kracht die in mij bestaat, in mij volledig werkzaam.

Wanneer je iemand geneest, kun je dat ook doen met bepaalde riten. Je kunt er amuletten en talismans bij gebruiken. Maar als ik denk dat ik de ziekte moet bestrijden, gaat het niet. Wanneer ik voel dat de ziekte voor mij bestaat op dat ogenblik, deel is van mijzelf, kan ik ze opnieuw arrangeren, ik kan ze een beetje anders rangschikken. Door die rangschikking kan ik genezen.

Natuurlijk heb ik na mijn zuiver ritueel‑magische periode nog andere incarnaties gehad. Je denkt over die dingen na en vraagt je af: Wat is waar? En dan kan je alleen maar antwoorden: waarheid kan voor ons alleen beperkt bestaan. Een Alomvattende waarheid is er niet. Wat wij waarheid noemen is datgene wat in ons als zekerheid bestaat, niet datgene wat onverweigerlijk waar en zeker is.

Wanneer we de innerlijke wereld betreden, dan treden we binnen in een rijk, waarin alle spookgestalten en alle weldoende goden, alle leraren en mentors en al degenen die ons trachten af te leiden, uit onszelf voortspruiten. Het is niet de Kosmos die op ons inwerkt, het is het eigen ik dat op ons inwerkt. En zolang dat ik één ben met een ander, alleen maar in mijn denken, in mijn ervaring, dan is deze deel van mijzelf. En zolang dat deelgenootschap blijft bestaan ben ik meester. Maar op het ogenblik dat ik mij weer terugtrek naar mijn eigen werkelijkheid, staat de ander wederom in zijn eigen werkelijkheid.

In deze tijd gebeurt dat niet zo vaak meer, maar in mijn tijd had je nogal eens te maken met duiveluitdrijving. En dan had men zo’n demon gedwongen om tandenknarsend en vloekend uiteindelijk zijn voertuig prijs te geven. Het was een magisch gebeuren, want de priester zag zichzelf als deel van God, en eigenlijk de ander ook als deel van god, alleen het verschijnsel dat hij de demon noemde, ontkende hij. Maar wat gebeurde er heel vaak? Na die uitdrijving ging zo iemand opgewekt en genezen huiswaarts en drie dagen later had hij weer dezelfde duivel in huis! En misschien nog een paar meer erbij. Dat is alleen begrijpelijk, wanneer je weet dat het uit de mens zelf voortkomt. Wanneer je een verschijnsel verdrijft, dan blijft de kwaal bestaan. De bezitnemende demon is in wezen ook een ziektebeeld van een psyche. En wanneer je die psychische evenwichten niet kunt herstellen, dan kun je het verschijnsel verdrijven, maar ze keren terug. Want de onevenwichtigheid blijft bestaan en nu ze een tijd onderdrukt is komt ze waarschijnlijk nog meer explosief tot uiting.

Dan komt er een ogenblik dat je je afvraagt: Is er een God? Voor mij is er een God, want ik geloof in een God, dus hij er.

Maar is er een God? Is er een kracht die zich inderdaad met mij bezighoudt? Of ben ik de kracht, die mij bezighoudt met mezelf? Ik ontken niet dat er ergens een persoonlijkheid, een eerste oorzaak kan bestaan, maar je kunt niet zeggen: dat is een mens, of dat is iemand die tenminste menselijk rationeel is.

Je kunt alleen maar zeggen: Er zal wel iets zijn. Op het ogenblik dat ik er een mens van maak, maak ik een deel van mijzelf tot god. En als ik mij beroep op mezelf in volledige overgave op dat deel van mijzelf, dan gebeuren er dingen. De grote moeilijkheid is gewoon dat we allemaal vastzitten aan onze behoefte om iets te omschrijven. Zoals we vastzitten aan onze behoefte om ergens meester van te zijn, om iets te kunnen, om iets te zijn, om iets te doen. En als je kijkt wat de resultaten zijn, dan vraag je je af of dat nu werkelijk de moeite waard was. Een enkele keer misschien. Maar wij moeten eenvoudig. En dat is nu datgene wat je ontdekt als je bezig bent met nadenken over je wereld, maar ook kennis blijft bezitten van deze magie, van die rituele kracht waar je mee werkt.

De kracht waar je mee werkt, je eigen kracht, of een andere kracht, is datgene wat voor jou de mogelijkheid schept om te heersen, te overwinnen, om als het ware de wereld tot een deel van jezelf te maken. En zeg nu niet dat mensen dat normaal niet doen. Hoeveel mensen zijn er die hun hond of kat beschouwen als hun kind? Hoeveel mensen offeren niet elke dag hun spierkracht op hun gemotoriseerde voertuig, dat moet worden opgetuigd en vertroeteld en dat misschijn wat stilzwijgend een eigen naam heeft en wordt toegesproken? Men legt als het ware iets van zichzelf in het voertuig, in het dier. Zoals alle bezit eigenlijk voor de mens een poging is, als we eerlijk zijn, om zich uit te spreiden in het bestaan, op de wereld. Nu is dit op zichzelf niet zo belangrijk; belangrijk is het leven. Maar je hebt het bezit nodig, omdat je dan het gevoel hebt dat je dominant bent. Dat je als het ware gezag hebt. Ook al druk je dat dan uit in het idee: dat is van mij. Dat heb je bij mensen ook: Mijn man, mijn vrouw, Mijn kind …. Mijn, waarom? Verlengstuk van mijn persoonlijkheid. Door die ander ben ik meer, ben ik als het ware twee keer.

Hoeveel gefrustreerde moeders proberen niet van hun kinderen musici, of bekende dansers of filmsterren of wat anders te maken, schoonheidskoninginnen desnoods. Hoe lelijker de moeder, hoe meer de dochter wordt gepest en geprest om mooi te zijn. Omdat ze denken: dat ben ik ook.

Dus die projectie waar we het over hebben is helemaal niets bijzonders. Ze is een deel van het dagelijks bestaan. Waarom zouden we dan niet een toestand proberen te bereiken waarin die eenheid niet beperkt wordt door de stoffelijke begrippen van: Ik heb, en: Dat is van mij, en: Dat hoort bij mij. Maar waarbij we de Kosmos zelf als deel gaan ervaren van wat we zijn en gelijktijdig onszelf als deel van die kosmos waarin we bestaan. Dat is de wet van Harmonie. Zonder Mijn en Dijn. Zonder hoge of lage krachten, die we oproepen. En onze formules zijn dan het spoorboekje waarlangs onze gevoelens zich bewegen tot ze uiteindelijk het punt bereiken, waarop die harmonie waar is en de uitstraling plaats vindt.

Later denk je daar wel eens over na en dan vraag je je af: wat is daar nu echt aan? Dan kan ik alleen maar zeggen: dat je overal in het leven een vorm van magie ontmoet, alleen noem je het anders. U luistert naar een concert, de muziek roert u, sleept u mee, u bent ademloos geboeid, u bent eventjes weg …: magie.

Het ik dat normaal bestaat, wordt gebracht tot iets anders, tot een eenheid met iets anders.

Een schilderwerk. 0, goed, hij gooit wat kladders neer misschien, maar op een gegeven ogenblik leeft hij in zijn werk. Dit is het, dit moet het zijn …. Als later mensen ernaar kijken, dan zeggen ze: ja, ik weet niet goed wat hij bedoelde, maar ‑ het werkt op je in. Magie.

Magie zit er in alle dingen van het leven, geloof me. En daarom mag je ze niet verwerpen. Maar aan de andere kant kun je ze ook niet dacht ik zo exact formuleren, als wij eens dachten. Dat het juiste woord op het juiste ogenblik, gesproken in de juiste intonatie, onverweigerlijk krachten zou doen neerdalen en zou doen uitstorten. Nee, ‑ zo precies luistert het niet.

Ik heb zo‑even een paar vormen van kunst aangehaald, en gezegd: ja, die zijn eigenlijk magie. Ik zou het om kunnen draaien: Magie is Kunst. Het is het je verliezen in een scheppingsproces, een herscheppingsproces. Dus verloren durven en kunnen gaan. Iets, wat niet alleen maar een taak is, maar een beleving is geworden. Maar zodra we het beleven, werkt het.

Hoe komt het dat er uitstekende concertpianisten zijn, die men erg bewonderd, maar die ergens buiten die bewondering eigenlijk niet veel met je doen. Anderen zijn, ermee vergelijkend misschien muzikale klunsen, die in die toetsen grijpen en misschien ook nog missen en er een loopje tussendoor gooien of te veel pedaal geven zo nu en dan. Het lijkt wel of de mensen smelten de één is bezig met een taak en een taak, die goed wordt uitgevoerd kun je bewonderen, maar die kun je niet beroeren. Een ander gaat op in iets, wat hij misschien niet eens helemaal kan, maar dit “opgaan” deelt zich mee aan anderen.

Het klinkt dwaas als je dat zo zegt, maar we zijn allemaal zo’n klein beetje komedianten. Zolang je een klein beetje komedie speelt, alleen maar omdat het zo hoort of omdat het beter is, overtuigen we niet. Maar soms vluchten we terug in onszelf en we worden tijdelijk tot iets. Op dat ogenblik overtuigen we. Op dat ogenblik zijn we deel geworden van al die anderen. Op dat ogenblik gaat er een kracht uit. Dat is magie! Magie is jezelf als het ware delen met alles wat er om je heen is. Zo niet meester zijn, meer van alles buiten je, maar alles de regeling geven, het even­wicht, de gerichtheid geven die in jezelf bestaat. We hoeven toch niet te bewijzen, dat die kracht er is! Natuurlijk het zou wetenschappelijk er zijn als het allemaal mogelijk was. Hoe kun je gevoelens wetenschappelijk meten? En de gevolgen ervan aan een lichaam, die kun je meten. Maar de emotie zelf niet. Ze blijft onbenaderbaar. Je kunt misschien de denkprocessen van een mens volgen voor een deel, de hersensignalen netjes neerschrijven met krabbelende punt. Maar kun je de gedachtegang, de werkelijke wording van de gehele wereld van een mens vastleggen? Ik denk soms dat het kan, maar het kan eigenlijk niet. Want er is een veelvoud van alle mogelijkheden aanwezig.

Elke mens is anders. Elk ‘ik’ is anders. Er is een god, die dat regelt; er is een duivel, die dat aanvalt. Je hoeft alleen maar te zeggen: “In mij is de kracht” en wanneer ik met mijn wezen en denken versmelt met die kracht, dan is dit tijdelijk een invloed in mijn wereld. Zolang als het in mij bestaat, zal het in anderen bestaan. Er zijn bepaalde bezweringen, die uitermate werkzaam blijken. Bescherming bv. Maar wanneer jij als magiër je rite volvoert, dan is die persoon inderdaad beschermd. Als hij doodgaat, is hij het niet meer. Wat heeft hem dan beschermd? Als het niet iets was in jou dat in hem verankerd was.

U leeft in een wereld waarin ze de magie soms begeren als een machtsmiddel om iets beter of iets meer te zijn, of helemaal verwerpen als iets rationeels dat helemaal niet past in onze moderne tijd. Maar u bent – ­of u het wilt of niet ‑ kracht. En uw wereldbeeld wordt ‑ of u het wilt of niet ‑ meebepaald door uw gevoelens. En hoe minder u de wereld buiten u rationeel kunt beheersen, hoe meer u een beroep zult moeten doen op dat innerlijk. Val niet in de fout, die ik gemaakt heb. Denk niet dat de manier waarop belangrijk is voor het gebeuren in jezelf. Werk met jezelf en de kracht, die in je leeft. Voel die kracht als een mantel van warmte om je heen hangen als het ware.

Weet dat je kunt! Je kunt al datgene zijn wat je innerlijk bent. En je bent deel van je wereld. Daarom zal je hele wereld harmonisch beantwoorden aan dat wat je bent. Maar verwerp je wereld niet en bestrijd je wereld niet. Want wanneer je je wereld haat, haat je jezelf. De krachten die je dan kunt oproepen, zijn alleen maar de krachten die niet je wereld maar jou aantasten.

We spreken wel over liefde, naastenliefde, liefde tot God, maar als ik dat wat in mij ‑ rond mij bestaat, aanvaard, liefheb en in harmonie ermee ben, dan heb ik mijn naaste lief. Dan heb ik God lief boven alle dingen. Want ik ben één en ik kan mezelf niet haten.

Dat is de sleutel. Dat is de zin van het magisch denken. Dat is de zin van het magisch gebeuren. En daarom wil ik u ook waarschuwen: Haat niet. Verwerp niet, maar besef. Waar uw beseffen doordringt, het besef in uzelf ‑ een innerlijke rust en gelijktijdig deel‑zijn vormt, daar wordt uw wereld veranderd. Niet omdat u het wilt, maar omdat u bent zoals u bent. Vrees niet om uzelf te zijn, maar vreest al wat ge niet zijt in uw denken te oordelen, te verwerpen of te haten. Daarmee tast ge uzelf aan. En als u denkt aan de werelden van de geest: natuurlijk wij bestaan. Maar wanneer u geen onderscheid meer maakt tussen ons en u, leven we in een en dezelfde wereld, zijn we een en dezelfde kracht. Is een harmonische uitwisseling tussen ons altijd mogelijk.

Vrienden ik heb niet veel meer te zeggen. Dat wat ik getracht heb u mee te delen; het resultaat van meerdere levens. De manier waarop ik het uitdruk is het resultaat van de wereld waarin ik nu leef. Wat ik u probeer te geven, is die rust en die zekerheid die in mij bestaat. Omdat het enige wat mij deren kan, ikzelf ben. Omdat het enige wat mij redden kan, ikzelf ben. Alleen datgene wat ik als deel van mijzelf aanvaard, is voor mij waar. Moge het u goed gaan!