Magie en werkelijkheid

14 maart 1983

Vanavond hebben wij een gastspreker die zich onder meer heeft beziggehouden met de verbindingen tussen engelen en dergelijken. Hij is onder meer magiër geweest en monnik. Over zijn eigen ervaringen kun je heel weinig en veel zeggen. Maar het komt erop neer dat hij een visie heeft op het totaal van het leven en dat hij daarbij uitgaat onder meer van de indeling in de verschillende orden van grootte.

Nu denk ik niet dat hij u daarmee zal lastigvallen, want dat wordt nogal ingewikkeld. Er zijn namelijk bepaalde strijdvaardige engelen, er zijn kunstzinnige engelen, er zijn engelen in overvloed. Dan zijn er natuurlijk de gevallen engelen en daarbij zijn ook weer kunstzinnigen, generaals, er zijn baronnen, graven enz.

Voor mij is dat allemaal eigenlijk traumaturgie, dat is net zoiets als theologie (neemt u me niet kwalijk dat ik het zo zeg). Het is een aannemen van bepaalde toestanden, die je daardoor tot een soort werkelijkheid maakt. Maar wanneer ik uitga van mijn werkelijkheid (en u zult mij niet kwalijk nemen dat, al ben ik dan maar de inleider, dat ik dat doe), dan zeg ik: al die indelingen zeggen mij zo weinig.

Het is allemaal heel mooi te weten tot welke groep, tot welke straal, tot welke orde je behoort, maar het gaat er uiteindelijk om dat je harmonisch bent met bepaalde principes. Dat kan een principe zijn van schoonheid, van wijsheid, van goedheid, van liefde, noemt u ze maar op. Het is deze harmonie die bepalend is voor hetgeen wij zijn en kunnen doen.

Dat men bepaalde entiteiten misschien zou kunnen oproepen, dat is wel waar, denk ik. Ik heb het in mijn leven nooit meegemaakt en nadien heb ik er ook maar heel weinig van gezien. Er zijn wel wat magiërs op deze wereld, maar de meesten van hen knoeien toch met het kleine grut. Wat overblijft zijn een paar mensen die weten wat ze met lichte geesten moeten doen. Maar die mensen behoeven ze niet meer op te roepen omdat er een harmonie is gevormd; er is een verbinding gevormd tussen een mens met een bepaalde mentaliteit en een geest. Die verbinding blijft bestaan.

Ik geloof dat ik de magische geheimen van onze vriend dus maar beter een beetje terzijde kan laten. Want de harmonieën die bestaan zijn voor mij het meest bepalend.

Het is duidelijk dat een mens die leeft, niet alleen in feiten leeft, maar in dromen. Naast die dromen leeft hij ook nog eens in een innerlijke erkenning en die erkenning kan dan in het menselijk denken weer de vorm krijgen van een bepaalde wereld.

Leef je in de feiten, dan zal je als mens nooit genoegen kunnen nemen met wat er is. Je zult je altijd gejaagd en achtervolgd voelen omdat er meer zou moeten zijn.

Leef je alleen in je dromen, dan denk je dat je alles hebt tot je ernaar reikt en dan verdwijnt het.

Ik geloof dat je als mens dus wat dat betreft het best gewoon een beetje droomt, een beetje de feiten samenvat en daarnaast dan maar probeert om een zo goed mogelijke harmonie te stand te brengen met geestelijke krachten. Dat je die niet benoemen kunt, is niet zo erg. Wil je werken met een kracht van een geest en je moet dat afdwingen, dan kost je dat veel energie.

Geloof me, je kunt een telegram overbrengen door een bepaalde geest op te roepen en de opdracht te geven de boodschap over te brengen. Maar de PTT doet het voordeliger en met heel wat minder uitputting voor u. Dus je moet gewoon de eenvoudige simpele feiten bekijken. Dan zeg ik: Wanneer je uitgaat van de feiten, vind je in de feiten een aanduiding van een werkelijkheid die nog niet algemeen erkend is. Ik weet niet of dat u iets zegt.

Maar laten we het heel eenvoudig zeggen, vroeger zei men: de aarde staat stil en de zon draait. Voor die mensen was het zo, dat was hun wereld. Maar iemand die verder ging denken zei: Dat kan niet helemaal, en dus de aarde beweegt en de zon staat stil. Zo is er steeds weer een feit bij gekomen.

Dat is in geestelijke opzicht ook zo. We zijn begonnen met Freud. Volgens Freud waren de drijfveren het voornaamste. De emoties en droombeelden die in een mens leven moesten allen uit die drijfveren verklaard worden. Daarna hebben wij denkers gekregen in de richting van Jung, die eigenlijk het omgekeerde deden en zeiden: “Ja, maar een groot gedeelte van de drijfveren kunnen weer verklaard worden uit de droombeelden.”

In de mens is een werkelijkheid. Die werkelijkheid kunnen wij ontleden, maar dan komen wij aan een ongekend gebied. Vanaf dat ogenblik vinden wij ook in Jung en zijn volgelingen een soort psychiatrisch en psychologische mystiek.

Ik denk dat alles – wat wij ook doen en waar wij naartoe gaan – ons uiteindelijk brengt tot een gebied dat wij mystiek noemen. Mystiek, niet omdat wij werkelijkheden zien. Ik denk dat onze uitbeelding van elke mystieke beleving, elke mystieke waarde toch altijd weer een droombeeld is. Maar onze droombeelden drukken onze wil uit. Dat is een heel belangrijk punt.

Wanneer u denkt dat u afdaalt naar duistere krochten en duistere werelden en sferen, dan is de kans heel groot dat u dat niet feitelijk doet. Maar u hebt de wil om een ander te helpen en die beeldt u in uw droom uit. Die wil is werkelijk. De redding die u droomt wordt ook ergens waargemaakt, ongeacht de uitbeelding van de droom zelf.

Je kunt dromen dat je God ontmoet. Je kunt God niet ontmoeten zoals je dat in een droom doet. God is alles, overal, alomvattend. Het alomvattende is niet te overzien, het is ook niet menselijk begrijpbaar. Maar wanneer ik God ontmoet in één bepaald punt en ik ben mij van Zijn Wezen daarin bewust, dan ken ik God niet, maar ik heb wel degelijk God ontmoet. De gestalte die ik erbij denk, de wereld die ik erbij denk, dat is alles maar een droom. Dat is de verklaring voor jezelf.

Wanneer je heel veel verder gaat – en dat gebeurt nogal eens – dan komt er een ogenblik dat er eigenlijk noch een vorm noch iets anders overblijft. Het is zoiets als een berg beklimmen en ineens in een wolk terechtkomen. Er is niets meer, zelfs de geluiden zijn gedempt, de weg kun je ternauwernood zien, het lijkt of je in watten verpakt verdergaat zonder vooruit te komen tot je uit de wolk komt.

Onze droom is zoiets als een wolk. We gaan door het onbestemde heen. Om de werkelijkheid te kunnen zien en te kunnen bereiken moeten we er doorheen. Alle magie, alle traumaturgie is uiteindelijk niets anders dan een spelen met de droom om door de droom tot werkelijkheid te komen.

Dan zijn er veel mensen die zeggen: “Dat is heel mooi, maar wat koop ik daarvoor?” Nu, heel weinig. Maar je streeft zoveel dingen na die eigenlijk niets opleveren. Hoeveel amateurs besteden uren en uren om uiteindelijk in staat te zijn Chopin te vermoorden? Want dat is het resultaat. Verder komen zij niet. Maar het gaat ook niet om het eindproduct, het gaat om de eenheid die zij zelf vinden in dat uitvoerend musiceren.

Zo is het eigenlijk altijd geweest met de magie en met alle tovenarij, dacht ik. Natuurlijk, je wilt ook wel resultaten. Maar het is, geloof ik, belangrijker om er mee bezig te zijn. Dan is het de bezigheid die bepalend is, niet het resultaat, zelfs niet de waarheid of waarde van datgene waarmee je werkt. Wie dat eenmaal begrijpt zal misschien zijn schouders zo nu en dan eens ophalen.

Wanneer je helemaal afwijkt van alles wat er eenmaal geschapen is aan regeltjes, aan volgorde, dan maak je bv. magische wapens., Wat is het eerste wat je maakt? Dat is de sikkel. Waarom maak je de sikkel? De sikkel heeft geen gravure nodig, daar hoef je niets op te schrijven. Met de sikkel maak je de burijn, de graveernaald. Want die burijn heeft maar een eenvoudig opschrift nodig, dat kun je er met de sikkel opzetten. Zo ga je verder.

Dat wil zeggen, dat het een wetmatigheid is. En toch zijn al die wapens op zich absoluut nonsens. Want je kunt je niet tegen een geest en een demon beschermen met een zwaard, al is het ook van het beste staal.

Waar gaat het dan om? Het gaat weer om de mentaliteit; om de moeite die je ervoor moet doen, om de wijdingen die je uitspreekt, de ontzeggingen die ongetwijfeld te pas komen bij het precies op het juiste uur en de juiste dag precies de juiste handeling verrichten.

Wat dan overblijft is niet het wapen, het is de verbinding van het ik met een zichtbaar gemaakt symbool. Het is a.h.w. een droom die wij concreet in een symbool een beetje vorm hebben gegeven en daarmee zijn we in staat al datgene, wat niet tot onze werkelijkheid behoort, a.h.w. van ons af te houden en zelfs ten dele – zoals je bv. met de staf van macht kunt doen – krachten kunt overdragen naar andere werelden. Je zou het ook zonder kunnen doen. Maar je hebt ze nodig. Zonder dat ben je niet zeker. Zonder dat weet je niet hoe het zal verlopen.

We hebben de droom vaak nodig om vorm en gestalte te geven aan de feiten. We boetseren feiten in overeenstemming met de droom om daardoor, en de wereld van de droom en datgene wat erachter ligt, een mate van invloed te krijgen of daarmee tenminste een zeker contact op te bouwen.

Onze monnik, traumaturg enz., heeft geleefd in een wereld, waarin de werkelijkheid langzaam maar zeker door hem werd gemaakt tot een reeks symbolen van een droomwereld, waarachter dan weer een grotere werkelijkheid verborgen lag.

Mijn visie daarop is natuurlijk een beetje anders dan de zijne. Ik geloof niet dat het noodzakelijk is om symbolen te hebben als je in jezelf de werkelijkheid hebt. Zeker, je zult vaak een droomrol moeten spelen. Je zult misschien als Mohammed op een paard moeten stijgen en omhoog moeten vliegen naar de zoveelste hemel, waarbij het paard een droom is, de hemel zoals je die ziet een droom is en toch de beleving een werkelijkheid kan zijn.

Misschien heb je het afdalen in duistere krochtenwerelden soms nodig of wat mij betreft het afdalen in het souterrain van één of ander warenhuis waar ze alleen maar afval verkopen of zoiets, om voor jezelf uit te drukken dat je terechtkomt in een wereld, waarin alles eigenlijk een beetje in ontbinding is. Waarin alles, als je het dan redelijk wilt zeggen, dreigt in zijn tegendeel te verkeren.

Maar wij weten heel goed wat wij zoeken. Als wij voedsel zoeken dan zoeken we voedsel dat ons in stand houdt en geen voedsel dat ons vergiftigt. Zo zou het althans moeten zijn.

Als wij gewoon ons innerlijk volgen en steeds de juiste weg volgen, dan is de droom eigenlijk overbodig. Iemand die ver genoeg komt heeft ook de droom niet meer nodig. De mystiek gaat over van de droombeleving naar een éénwording, die hoogstens nog enige emotionele neerslag heeft, maar die niet meer kan worden uitgedrukt in werkelijk gebeuren en beleven.

Waarom zouden we middelen gebruiken als het zonder kan? De algemene redenering is, dat je hulpmiddelen nodig hebt omdat je zonder die hulpmiddelen niet tot aanvaarding van een hogere werkelijkheid kunt komen. Misschien is het waar.

Maar aan de andere kant zeg ik: Als ik geloof in een God, als ik weet dat die God in en rond mij is, als ik geloof dat de kracht van die God vanuit mij werkzaam zal zijn – op elk ogenblik dat ik die God niet probeer te bepalen of te verwerpen – althans in een deel van Zijn uiting – dan heb ik toch verder niets nodig? Die God is er.

Als ik geloof in het licht, dan geloof ik in feite niet in een verschijnsel. Dan is het in wezen een soort oerritme, een oertrilling die voor mij nu misschien toevallig als licht wordt uitgebeeld of als zodanig wordt ervaren. Maar als ik weet dat die trilling er is wanneer ik mij daarop afstem, dan hoef ik mij niet af te vragen hoe het zich zal uiten; dan hoef ik alleen mijzelf te uiten en de kracht zal wat ik uit als vanzelfsprekend waarmaken en sterker maken.

Het denkbeeld, dat je alles zo mooi systematisch en ingewikkeld in elkaar moet zetten, is geloof ik geboren toen de eerste mens dacht dat hij deskundig was. Want heel veel deskundigheid is eigenlijk niets meer of minder dan het scheppen van een onnodige complexiteit. (Neem mij niet kwalijk als er hier deskundigen bij zijn; voor u telt het natuurlijk niet, tenzij u er zelf anders over denkt).

Als ik zeg: God is en ik erken God, dan is dat geen redelijkheid. Het is iets in mij waardoor ik dat doe. Maar dat is simpel, dat is eenvoudig. Wanneer ik zeg: Er is een God, dan moet ik daar stoppen. Op het ogenblik dat ik die God ga onderverdelen in een hele schare van engelen allemaal mooi op een rijtje en dan nog eens een heel stel lagere dienaren, ook mooi op een rijtje, dan heb ik wel een indeling gemaakt, maar ik heb de waarheid uit het oog verloren.

Voor elke mens die in duivels gelooft zullen er duivels zijn. Niet omdat duivels volgens een bepaald systeem en indeling in zeer specifieke werelden zonder meer bestaan, maar omdat ons eigen besef een deel van God tot duivel heeft verklaard.

Zoals er omgekeerd ook mensen zijn, die misschien iets wat in wezen disharmonisch is en duivels lijkt, verklaren tot de God. Een God die vraagt dat iedereen zelfmoord pleegt bijvoorbeeld. Een God die vergt dat je de grootste wreedheden pleegt. Toch zeggen ze dat het ook God is en ergens hebben ze wel gelijk. Alleen hun beeld van God is negatief, is disharmonisch. Disharmonie is ook eigen aan datgene wat in wezen harmonie is, maar het ontstaat door ontleding.

Als je een heel concert hebt zal je allerlei instrumenten horen spelen, elk met een eigen melodie, elk met een eigen ritme, een eigen timbre, zelfs met een eigen melodievoering. Zolang dit alles samenvloeit is er iets schoons, iets moois geboren. Dan zingt een heel orkest. Maar neem nu al die partijen eens afzonderlijk en laat ze niet gelijktijdig beginnen. Wat ontstaat er dan? De meest kakofonische rapsodie die er ooit gepresteerd is. Dat noemt men dan stemmen. Ofschoon ik moet toegeven dat het zelfs in mijn tijd al gebeurd is, dat men het stemmen van het orkest aanzag voor het eerste movemento van Pijpers en daarvoor uitbundig applaudisseerde tot grote verbazing van het orkest. Maar dat terzijde.

Waar het mij om gaat is dit: Harmonie en disharmonie, hemel en hel, engel en duivel zijn eigenlijk alle hetzelfde. Het enige waar het om gaat is de eenvormigheid, de eenheid die bestaat. Waar de eenheid is verbroken krijgen we chaos. Waar de eenheid gehanteerd wordt ontstaat de optimale harmonie, de goddelijke werkelijkheid.

Dan ben ik geneigd om tegen de traumaturg met al zijn mooie wetten, zijn gebeden, zijn incantaties, zijn aanroepingen en bezweringen enz. te zeggen: Vind je het werkelijk nodig om – wanneer je wilt luisteren naar het orkest – elke partij afzonderlijk te laten spelen op het gevaar af, dat ze niet gelijktijdig beginnen of dat ze niet hetzelfde ritme aanhouden? Dan zullen zij zeggen: “Ja, maar zo krijgen we onze effecten”. Dan is mijn antwoord: “Waarom moet je effecten hebben? Het enige wat je nodig hebt is waarheid; een stukje van de waarheid hoe dan ook.”

Voor mij is de waarheid iets wat geboren wordt uit de grootst mogelijke eenvoud. Een waarheid die te complex is, is in zich niet volledig juist. Daar moet iets aan ontbreken of daar is iets aan toegevoegd. Het is de eenvoud waarin de waarheid spreekt.

Maar wanneer ik dan in eenvoud opga naar de kracht waarin ik geloof, wanneer ik probeer om niet te dromen wanneer het even te vermijden is, maar alleen diep in mijzelf aan te voelen, heb ik dan niet de werkelijke mystieke bereiking, geen beelden meer, geen boodschappen, geen profetieën, maar God. De Kracht in mijzelf, die door mijn hele wezen werkt, die uiteindelijk ook zal neerslaan in mijn besef zodat ik beter begrijp wat ik eigenlijk al weet. Zou dat niet de werkelijke oplossing zijn?

Denk nu niet dat ik iets heb tegen mensen, die zich bezighouden met allerlei riten en rituelen. Ik heb ook niets tegen een traumaturg als hij op de juiste wijze probeert het goede tot stand te brengen. En ik ben de eerste om toe te geven, dat eenieder die werkelijk magisch wil werken daarvoor ook persoonlijk grote offers moet brengen, zich van veel dingen zal moeten onthouden; zich discipline en beperkingen zal moeten opleggen.

Ik heb daar respect voor. Alleen vraag ik mij af: Is het zinvol? En dan is mijn antwoord: Het zinvolle daarvan is altijd beperkt. Het is altijd maar een zeer beperkte tijd geldig. Het is iets dat zo weer verdwijnt. Maar de waarheid die je innerlijk beleeft, ook wanneer je ze geen vorm geeft, is iets wat altijd weer tot je terugkeert. Het is niet belangrijk op welke plaats je staat. Het is belangrijk dat je de band voelt met dat totale; dat de eenheid in je doorleeft.

Dan zit je daar als inleider en probeer je misschien waarheden te zeggen, die net een maat te groot voor je zijn. Dat gebeurt regelmatig. Ik denk dat wij allemaal – in de geest en in de stof – meestal een stapje verder willen gaan dan wij in feite bewust en verantwoord kunnen. Als ik op dit ogenblik dus die fout maak, moet u het me maar vergeven.

Ik probeer duidelijk te maken wat voor mij het motief is van alle magie, bezweringskunsten en dergelijke. Ook ik kan de namen opdreunen van de engelen en ook van de gevallen engelen als het daarom gaat. Ik kan ook de 17 verschillende Godsnamen die daarin zo belangrijk zijn stuk voor stuk uitspreken en ik ken zelfs de wijze, waarop je ze kunt omschrijven om het uitspreken te voorkomen. Maar wat word je daar wijzer van?

Als je een machine hebt, kan die machine soms dingen doen die je zelf niet kunt doen. Dat ben ik met u eens. Maar als je afhankelijk bent van een machine vermindert je eigen waarde en betekenis.

Neem het simpelste, kinderlijkste voorbeeld: en zakcomputertje. Het is zo gemakkelijk, je kunt elke som wel even uitrekenen: tik‑tik‑tik … dan het antwoord. Maar hier heb je ook een computer. Die werkt misschien niet zo vlug en er kan wel eens iets fout gaan. Maar als je deze computer niet meer gebruikt, komt er een ogenblik, dat je zakcomputertje kapot is en dat je aan een ander moet vragen: Zeg: 2 + 2 hoeveel is dat ook alweer?

Ik ben bang dat je met al deze magie, met al dit bewust werken met deelkrachten en evenwichten onbewust vergeet, wat de werkelijkheid van je eigen wezen is. Wat de werkelijkheid is van uw eigen wezen is volgens mij dat wij deel zijn van één groot geheel. Ik meen dat wij innerlijk – dat noemt men dan misschien mystiek – deze eenheid kunnen beleven, maar dat wij die eenheid verliezen op het ogenblik dat wij proberen haar in onze eigen termen te omschrijven.

Ik geloof, dat wij deel zijn van het totaal aan kracht dat maar denkbaar is in de kosmos en dat al die krachten voor zover wij ze maar kunnen bevatten in en door ons kunnen werken. Maar op het ogenblik dat wij dit ontkennen en proberen buiten ons een bron van kracht aan te boren, maken wij ons niet alleen afhankelijk van die bron – of die nu denkbeeldig is of niet – maar wij vergeten bovendien dat wij vanuit onszelf moeten werken en vanuit onszelf moeten voortbrengen.

Ik geloof dat er een waarheid is, zo groot dat ze niet omschrijfbaar is. Elke poging om de waarheid te preciseren maakt haar meer en meer tot misleiding ten aanzien van de werkelijkheid. Wij moeten niet preciseren, wij moeten deel zijn van.

De wereld is vol wetten en er zijn sferen, waarin ook zeer strikte wetten worden gehanteerd. Een wet is een poging om een deel van de waarheid a.h.w. op te leggen, maar daarbij vergeet men, dat men een ander deel van de waarheid buitensluit. Elke wet in zich is een leugen ten aanzien van de totaliteit. Elke wet heeft daarom alleen zin binnen een zeer beperkt geheel en alleen ten aanzien van zeer beperkte functies binnen dit geheel.

Anders gezegd: Een wet kan je gedrag bepalen, maar niet je geweten. Ik geloof, dat er te veel wordt gesproken over de Goddelijke liefde of de Goddelijke rechtvaardigheid, de Goddelijke alomtegenwoordigheid of wat u dan maar wilt. De eigenschappen die wij aan God toekennen zijn zozeer gegroeid uit menselijk en wat dat betreft, soms ook uit laag‑geestelijk denken, dat wij de werkelijkheid van God van ons afdrijven door de definities die wij geven ten aanzien van Zijn eigenschap.

Ik geloof dat de aanvaarding dat er in je iets is en de wil om te beleven wat in je is, zonder het te omschrijven, je ook in je eigen wereld zal helpen de eenvoud te handhaven; niet te zoeken naar steeds verdergaande verklaringen, maar vanuit je eigen wezen en weten het vaststellen van feiten, zonder daaraan theorieën te verbinden.

Pas wanneer de feiten allen geconstateerd zijn, blijkt soms, dat er een verenigende factor is. En die noemt men dan wel bij anderen, die deze feiten nog niet kennen, een theorie. Maar het is niets anders dan een omschrijving van een reeds gevonden zekerheid.

Die zekerheden hebben we in onze eigen wereld nodig, waar we ook zijn en in welke sfeer dan ook; het zijn de waarden waardoor we in onze eigen wereld functioneren, proberen ten aanzien van anderen een zekere betekenis te krijgen. Maar wij hebben dan niet meer nodig dan dit.

Mijn laatste conclusie is: Wanneer ik durf opgaan in mijzelf en door mijzelf tot het onomschrevene dat zich in mij openbaart als een rust, als een vrede, als een geluk, dan zal ik daarin alle mogelijkheid, zelfs alle begrip vinden, die ik nodig heb om in mijn eigen wereld – en dan volgens de omschrijvingen van die wereld en mijn eigen erkende mogelijkheden daarin – het beste te bereiken voor mijzelf zowel als voor anderen wat denkbaar is. En zo mijzelf innerlijk belevende en mijzelf zo goed mogelijk vanuit mijzelf uitende, maak ik iets waar van de eenheid, die ik alleen diep in mij kan ondergaan zonder er een omschrijving, een vorm en een waardering voor te kunnen geven. Dat is mijn conclusie.

Dan heb ik misschien veel gezegd waar de gastspreker niets over zal zeggen. Want dat gebeurt vaak. Maar als hij andere dingen gaat zeggen dan heb ik in ieder geval mijn mening daartegenover gesteld.

Wat ik u kan zeggen is alleen dit: Natuurlijk ben ik maar de inleider, maar ik heb gesproken over zaken waar ik iets van afweet. Ik heb gesproken uit een weten dat in mij bestaat. Ik weet, dat ik te kort schiet ten aanzien van mijn beelden en omschrijvingen, omdat er nu eenmaal dingen zijn die je niet eens kunt voelen, die je alleen tijdelijk kunt zijn, waarin je op kunt gaan. En daar zijn geen woorden voor.

Ik hoop, dat u gelijktijdig een klein beetje bent voorbereid op datgene, wat de monnik, de traumaturg en wat hij nog meer is geweest op zijn wijze, u zo dadelijk te brengen heeft.

Maar ook hij is sedert hij op aarde zo heeft geleefd en gewerkt veel verder gekomen. Daarom zal hij op zijn wijze heel waarschijnlijk toch hetzelfde moeten betogen wat ik heb verteld. Er is in alles en ook in ons een kracht, waarvoor geen omschrijving of woorden bestaan. Het is deze kracht, het is deze waarheid, die wij in duizenderlei vorm, duizenderlei gestalten proberen neer te schrijven, af te tekenen in de beelden van onze wereld zonder te beseffen, dat het portret dat we van God maken altijd een karikatuur moet zijn.

Als hij dat niet zegt dan hebt u in ieder geval gehoord wat ik daarvan dacht.

De Gastspreker

Ik heb vernomen dat ik ben aangekondigd als “traumaturg”. Iedereen heeft zijn jeugddwaasheden; die heb ik ook gehad. Uw inleider heeft me geprobeerd duidelijk te maken wat hij verteld heeft. Erg mooi, maar hij heeft zich verdedigd tegen schaduwen.

Er is een tijd geweest dat voor mij de Heren en de Vorsten van de Eeuwige allen persoonlijkheden waren, die men afzonderlijk moest aanspreken. Hij heeft gelijk. Nu heb ik geleerd dat ze niet meer of niet minder zijn dan ik zelf ben; Ego’s, allen tezamen toch weer het beeld vormend van het enige werkelijke ik, dat blijvend en onveranderlijk bestaat.

Men heeft zich vaak afgevraagd waarom iemand aan magie doet. In mijn tijd was dat over het algemeen dan ook verboden. Maar aangezien in die tijd het zoeken van schatten behoorde tot de witte magie en wij nogal eens wat resultaten hadden in onze gemeenschap, kregen wij een bijzondere dispensatie van de paus zelf.

Misschien omschrijft dat het beste dat die magie – ondanks alles, wit of zwart – een vorm blijft van jezelf zoeken, misschien het zoeken naar een resultaat, naar persoonlijke verrijking, naar gezag en naar gunsten. Al die dingen behoren bij een menselijk bestaan, ook dat ben ik mij nog steeds bewust. Maar de werkelijkheid is zo heel anders.

Degenen onder u die ooit omhoog zijn gegaan naar vreemde werelden met licht, met tuinen en met zon, met wonderlijk licht en doorzichtige gestalten, die zullen weten waarover ik spreek als ik zeg: Alle vormen zijn uiteindelijk beleven. Het gebeuren zelf is zo vluchtig, zo voorbijgaand, dat het geen betekenis heeft. Maar datgene wat in je bestaat is blijvend.

Wanneer ik bv. Attadaniël (?) aanroep dan is dat alleen maar een spel. Wanneer ik Palech bezweer; die o.m. voor de goed gevulde beurs zorgt, dan is dat een soort spel. Ik roep wakker wat er al is. Ik verander niets aan een werkelijkheid. Alleen is tijdelijk hier misschien wat goud, wat anders daar geweest zou zijn. Maar er is niets veranderd.

Wanneer ik opwaarts wiek en samen ben met de vorsten en leiders van wat men het Hemelse Rijk noemt, dan verandert er eigenlijk niets. Zij zijn. Zeker. Ik ben. Maar als we kijken naar het verschil, dan ligt het in wat zij denken te zijn en wat ik denk te zijn. Het schijnt dat het beeld dat wij ons maken van onszelf vaak belangrijker is voor hetgeen wij kunnen zijn, dan alle zogenaamde feiten bij elkaar.

Het is voor een mens zo gemakkelijk om te zeggen: Ik geloof in God. Maar wat betekent dat ik geloof in God? Wat is die God van u? Misschien is Hij wel een monster met drie koppen. Een soort hellehond. Maar u noemt hem God. Je kunt zeggen: ik bestrijd het kwade. Maar hoe ziet het kwade eruit? Het heeft misschien een gevorkte staart en een paar hoeven. Want zo hebben mensen zich de sater langzaam maar zeker omgevormd tot de satan.

Maar kun je werkelijk zeggen: ik ken die wezens, dus ik weet wat het kwade is; ik weet wat het goede is? Je kunt alleen zeggen Ik weet dat er krachten zijn. Zeker, onder de krachten die je nooit kunt roepen is Lucifer. Daaronder versta je enorme invloeden. Die invloeden zijn er, want je hebt ze aanvaard.

Als je een gestalte aanroept die je wel kunt bezweren, bv. de zwart‑magiër die Lucifuciwongkale (?) kan aanroepen. Die zal voor hem verschijnen, vaak nog in meerdere gestalten.

Maar wat heb je dan opgeroepen? Je hebt een kracht opgeroepen, geen wezen. Het wezen is bijkomstig, de kracht is werkelijkheid.

Een mens die in zichzelf zoekt, vindt in zich kracht. Maar hoeveel? Welke gedaante kent hij eraan toe? Misschien zoekt hij zijn kracht in de gedaante van de Rode Geit, of zoekt hij ze in de Blinde Haan. Allemaal gestalten die bestaan, die door de eeuwen heen bezworen zijn door hen, die het duister dienden.

Of misschien hebt u de Engel met het Leeuwenhoofd opgeroepen. Maar wat is zij? Een gestalte, zeker. Maar erachter ligt een macht. Macht kan alleen daar bestaan waar een kracht aanwezig is. Als je leert dat er maar één Kracht is, dan is elke benadering daarvan hoe dan ook macht. Zoek ik macht voor mijzelf dan is die kracht duister, want ze is beperkt. Ze scheidt af van een werkelijkheid waar het andere toe behoort.

Iemand die zwarte magie bedrijft is iemand, die uit het levende lichaam de blindedarm uitsnijdt en vervolgens zegt: Ziet hier, dit is mijn macht. Degene die beseft, dat de macht door de gestalte niet beperkt kan worden, zal zelfs in de gestalte alleen de kracht zien, de macht zelf.

U draagt in uzelf kracht zoals iedereen. U bent deel van hetzelfde geheel, waar iedereen en alles toe behoort; de figuren die ik genoemd heb, de velen die ik niet genoemd heb en alle mensen die er ooit bestaan hebben of bestaan zullen. Deel van één Kracht. Deel van één Wezen, als we het zo nog mogen noemen.

Op het ogenblik dat je voor jezelf zegt‑ “Ja, maar ik kan het niet” dan kun je het niet.

Op het ogenblik dat je voor jezelf zegt: “Ik kan” dan moet je de zekerheid van het kunnen in jezelf verwerven. En op het ogenblik dat je dit bezit is het kunnen vanzelfsprekend.

U zult in uw leven heel wat wonderlijke en heel wat verschillende waarden hebben gezien en doorgemaakt. U hebt altijd weer moeten vechten om iets waar te maken. Maar vraagt u zich af waarom u moest vechten om het waar te maken? Omdat het voor uw gevoel niet waar was zonder de erkenning van anderen. Want daar ligt nu juist het grote probleem.

Onze kleine kloosterorde wilde ook dingen waarmaken. We maakten het waar met gebed, met vasten, met alles wat behoort tot de discipline van een Orde en de discipline van zeg maar de wit‑magiër. Maar was het wel nodig om het waar te maken?

Ik herinner me nog dat ze tegen mij zeiden: “Anselmo, jij bent de gevoelige; probeer eens even uit te vinden welke krachten in de buurt zijn.” Dan wist ik welke krachten ik nodig zou hebben voor dat geval en dus voelde ik ze in de buurt. Dat was voor mij waar.

Ik was eerlijk en ik was oprecht. Ik moest een hele tijd na mijn dood – en de teleurstelling van een ontbrekend hemelrijk daar nog bij – zoeken en zoeken voor ik erachter kwam wat er aan de hand was. Wanneer ik een kracht nodig had, dacht ik aan die kracht en aan de gestalte, die die kracht vertegenwoordigde. Zo ontstond tussen mij en dat deel van de werking van de macht een band. Dus voelde ik de gestalte, die voor mij daar de uitbeelding van was.

Het is eigenlijk dwaas. Als wij rampen voelen aankomen en we geloven erin, dan maken we ze zeker waar. Wanneer we rampen voelen aankomen en we geloven er niet in, dan kunnen ze nog steeds gebeuren. Maar wanneer wij het wezen van de ramp kunnen aanvoelen en in ons een kracht kunnen vinden die daaraan tegengesteld is, dan kan de ramp ons niet treffen. Het is alles een spel van deelkrachten.

Je kunt op je knieën liggen voor de Heilige Maagd. Je kunt het kruisbeeld voor je zetten en het zien als deel van de eeuwigheid en ze werken. Ze geven je iets. Ze betekenen iets, tot bescherming toe. Maar wij maken de fout. Wij zeggen: “Het is de voorstelling die ons beschermt” en dat is niet waar. Het is de kracht die ons beschermt.

Heel veel mensen – en nu zoek ik naar moderne vergelijkingen, dat is mij wat moeilijker, maar ik geloof dat ik er een heb gevonden – hebben een geloof zoals mensen ook wel eens een brandblusapparaat in huis hebben: “Wij hebben het, dus ons kan niets gebeuren.”

Maar als er niets in dat brandblusapparaat zit, kun je het net zo goed niet hebben. Zo is het met het geloof ook.

Ik ben diepgelovig geweest en mijn geloof heeft voor mij tot op zekere hoogte gewerkt. Maar als ik had gezegd te geloven en ik had niet werkelijk geloofd, was het alleen maar ijdelheid geweest en dwaasheid. Alles is één. Alles is hetzelfde. Wij plukken daaruit wat wij nodig hebben.

Maar als ik tegen u zeg, dat de kracht van het licht hier is, dan zeg ik alleen maar iets wat waar is omdat de kracht van het licht overal is. Overtuig ik u ervan dat de kracht van het licht hier is, dan ervaart u de kracht van het licht. Dan gaat u weg en u zegt: “Maar daar was het licht.” Dat is dwaasheid. Want het licht is overal.

Als je zegt, “Daar is God” en je gaat weg dan zeg je: “Ik heb God achter mij gelaten”. Maar God is de kracht, het bestaan, het leven zelf‑, dat kun je toch niet achterlaten?

Je kunt de diagrammen uitzetten. Je kunt de drie aanroepingen; de oproeping, de waarschuwing en het bevel uitspreken en zeggen: “Nu manifesteert zich hier een engel of een kracht”. Maar die engel of die kracht is er altijd en overal. Ik heb haar alleen maar voor mijzelf waargemaakt omdat ik anders niet daarvan bewust ben. Dat geldt voor u zowel als voor mij.

Zeker, als je aan bepaalde methoden verslaafd bent – en geloof me, magie en theologie enz. zijn een verslaving – dan kost het heel veel moeite om te ontdekken dat ze eigenlijk zinloos zijn.

Als je anatomie studeert of je wordt slager, dan kun je zeggen‑ kijk; dit is dit en dat is dat. Daar zit de biefstuk en daar zit de lendelap, daar zit de nier, daar zit de ossenstaart. Je kunt al die delen opsommen. Maar als je een koe wilt hebben moet je van de onderdelen afblijven, anders heb je geen koe meer maar alleen onderdelen. De chirurg kan precies alle organen afzonderlijk bekijken en opsommen, maar als je ze allemaal uit elkaar haalt blijft er geen mens over.

Waarom zou je dat dan wel doen t.a.v. God? Waarom zouden we dat wel doen t.a.v. de Eeuwige Krachten die ons omringen? Waarom zouden we het allemaal in stukjes snijden? Op het ogenblik dat je God gaat verdelen in functies en je gaat die afzonderlijk proberen te zien en te beleven, houd je in je bewustzijn geen werkelijke God meer over.

Want als je kijkt naar diezelfde koe in de wei met de dartelheid die koeien bezitten; met haar rustige herkauwende bewegingen, met haar genieten van het weer of het zoeken van een plaats in wind en regen, dan zie je iets wat een geheel is. Een geheel dat zijn eigen waarde bepaalt tegenover al het andere wat er is.

Nu is er niets buiten God. Maar als ik God wil zien als een geheel, dan kan ik Hem misschien niet overzien omdat Hij zo groot is, maar dan zal ik alles wat Hij is en alle uitstralingen en krachten in ieder geval kunnen aanvaarden. Als de mens God ontleedt, is God dood. Niet omdat God niet meer bestaat, maar omdat Hij in de mens gestorven is.

Als u in uzelf gaat zoeken en u zoekt naar bepaalde dingen, dan is de kans erg groot dat u bezig bent uw innerlijke God in stukken te slachten. Dan kunt u misschien nog wat gerechten overhouden, maar het leven is eruit.

Daarom ben ik tot de conclusie gekomen, dat je niet moet zeggen: er is één God. Zeg maar gewoon: God is. Je moet niet zeggen: God heeft bepaalde krachten, Hij zal Michaël sturen om mij te beschermen, Hij zal Gabriel sturen om mij een boodschap te brengen.

Zeg maar: God is in en met mij en werkt door mij. Dat is veel eenvoudiger, maar je bent beter af. Want wanneer ik God in functies ga splitsen, ga ik ook kiezen. In God kun je niet kiezen. Niet zonder God te verliezen.

Misschien kunnen we dat heel simpel, heel eenvoudig proberen waar te maken. God is in u. God is rond ons. God is overal. Wanneer we gewoon aan God denken en niet bepalen wat het is, alleen dat begrip voor onszelf, dan moeten we iets van die God voelen.

Als wij denken aan God, denken we natuurlijk aan een kracht die ook werkzaam is. God is de Schepper. Denk nu niet aan kracht, maar denk aan God en voel de kracht. Zeg niet: “God is licht”, want God is veel meer.

Denk aan God en voel het licht. Een vreemde methode. Geen oproep erbij, geen mooie spreuken die zo indrukwekkend kunnen zijn. Maar ook geen onzekerheid meer. God is. Basta. Dat is het enige. In mij voel ik alles wat vanuit die God voor mij betekenis geeft. In mij voel ik en weet ik alle krachten van leven en dood van vele werelden misschien, samensmolten tot een geheel. God is. Dat is andere koek, zegt men dan. Waarom zouden we vechten?

Ik geloof in Jezus Christus, natuurlijk. Alleen een beetje anders dan u. U zegt toch ook niet: kom, ik heb uw vinger nodig, of ik heb uw hand nodig. U zegt toch: Ik heb u nodig.

God is. Jezus Christus is al wat je denken kunt. Dat zijn alle hemelse heersers, alle tronen, alle heerschappijen, alle vorsten, alle licht, alles onder één ding: God. Een werkelijkheid waaraan je niet kunt ontkomen. Een werkelijkheid die je alleen kunt afwijzen door bewust alles te verdringen buiten één aspect ervan. En dat is dwaasheid.

Ik zeg u dat niet als iemand die alleen theoretiseert. Geloof me, ik heb bezweringen gedaan. Ik heb met geesten gesproken zo machtig, dat u zou rillen en beven alleen bij hun aanschijn. Ik heb ze gezonden met bevelen en boodschappen, met beden en verzoeken en pas nu besef ik, dat het allemaal niet nodig was.

Ik heb gevast. Ik heb mijzelf gekweld. Ik heb meer dan 24 uur achtereen in gebed geknield gelegen, steeds maar weer in mijzelf diezelfde woorden van hoogheid dreunende, diezelfde beden om genade en ik dacht dat ik veel deed.

Nu weet ik dat het ijdel was en nutteloos. Neen, niet nutteloos, want ik heb er dingen mee waargemaakt, tijdelijk, voorbijgaand, voor anderen en soms voor mijzelf. Maar ik heb de werkelijkheid niet in mijzelf toegelaten. Te leren wat dat betekent is soms een zware weg. Zeker als je bent uitgegaan van het standpunt: ik weet het zo goed.

Er is God. Verder is er niets. De gedaanten en de gestalten waarin wij Hem ontmoeten – van de hoogste tot de meest afschuwwekkende – worden mede uit ons geboren. Wij kiezen delen van Zijn Wezen en niet het geheel. Maar wij kunnen innerlijk Zijn waarde zonder definities, zonder bepaling of beperking aanvaarden en beleven. De kracht die je werkelijk bezigt omdat ze uit Hem is. De vrede die toch in je rust omdat ze van Hem is. Het licht dat toch altijd aanwezig is, omdat het van Hem is, uit Hem. Omdat het verschijnsel is van dat Ene, dat ook in jou leeft.

Wees niet bevreesd. Niets kan u deren buiten de angst zelf. Wees niet bezorgd, want bezorgdheid baart zorgen. Maar innerlijke waarheid baart de kracht die zorg en zorgeloosheid beide uitbant. Wees zeker van jezelf. Want je bent een deel van de Eeuwige Schepping.

Benoem niet, roep niet op, verwerp niets maar maak waar wat je erkent in jezelf van juist die kracht, dat licht, die werkelijkheid. Als het dan uit je schiet als licht, is het slechts licht dat terugkeert tot licht. Als het uit je gaat als macht, is het de macht die terugkeert tot de macht en in jezelf aanwezig blijft zoals ze overal is.

De waarheid is, dat wij ons van de werkelijkheid die God heet verwijderen door onze keuzen. Dat wij ons binden om wat wij kwaad noemen, door onze angsten. De waarheid is, dat wij de macht en de kracht bepalen van alle delen van de Godheid die je je afzonderlijk maar kunt voorstellen. Besef je dat je deel bent van ze en dat zij deel zijn van jou, dat er maar één werkelijk licht, één werkelijke kracht, één werkelijke totaliteit bestaat waarin al wat je benoemen kunt is opgenomen, dan voor het eerst ben je vrij.

Dan ben je een vrije geest Dan zal je diep in jezelf het licht, de kracht en de waarheid beleven. Niet omdat ik ze geef, maar omdat het is. In u, deel van u zoals het deel is van alles, allen en alle werelden. Besef en wees vrij. Verwerp besef en word slaaf van door u zelfgeschapen engelen en demonen, die uw gezellen hadden kunnen zijn als u niet zelf de afstand had geschapen

Dat heb ik geleerd. Dat probeer ik u te geven. Niet omdat een mens daarin slaagt, maar omdat het goed is om op weg te zijn naar een waarheid, in plaats van verstrikt te raken in steeds meer verwarrende dromen.

Nu vraag ik mij af of u zo dadelijk nog zult zeggen, dat was toch een traumaturgist? Want wie slechts één zijde van de waarheid ziet, ziet de leugen. Wie slechts één zijde van de werkelijkheid ziet, schept de waan. Ik probeer daaraan te ontkomen. Ik raad u aan om hetzelfde te doen. Maar als u iets hebt herkend van wat ik gezegd heb, wat ik meer dan gezegd heb, zeg dan niet: dat was hij. Zeg dan: dat was ook ik. Dan bent u dicht bij de waarheid.

Moge die waarheid steeds in u groeien zodat de grenzen wegvallen, de angsten verdwijnen, de behoefte aan macht verdwijnt en daarvoor in de plaats de vredige kracht blijft, de enige werkelijkheid die is.