Magie van Esir tot nu

15 februari 1959

We zullen een klein beetje rekening moeten houden met – laat ons zeggen – enige storing: vandaar dat we mogelijkerwijze vervroegd moeten afbreken.

Voor vandaag zou ik graag met u toch weer een klein beetje over de oude wijsheid en de oude filosofie willen spreken. En dan denk ik hierbij wel zeer bijzonder aan een oude, zeer oude geschiedenis. De geschiedenis, die in de Atlantis-periode, de Atlantis-tijd, al zo belangrijk was, nl. die van Esir.

U hebt waarschijnlijk al heel vaak gehoord over deze Esir, die later zou worden de Zonnegod Osiris, naar die in zijn tijd een priester-koning was, die zeer vele wijsgerige stellingen en spreuken heeft verkondigd. Hij was bovenal magiër en wij mogen zeker niet vergeten, dat het aspect van een magisch geregeerde en op magie gebaseerde maatschappij zijn invloed op deze uitspraken heeft doen gelden. Daarvoor wordt veel bekend verondersteld, dat enige uitleg behoeft in de moderne tijd.

Dat ik toch teruggrijp naar zijn leer, ondanks deze moeilijkheden, is wel in de eerste plaats te danken aan het feit, dat condities, zoals die eens bestonden, thans weer langzaam maar zeker ontstaan. Er is een zekere overeenkomst in kosmische beïnvloeding, in geestelijke werking aan te wijzen. En wanneer de toestanden ongeveer gelijk zijn, worden ook weer de wijsheden van de eerste periode voor de tweede periode buitengewoon belangrijk. Ik zal u niet verder op de proef stellen met beschrijvingen uit die tijd en onmiddellijk overgaan tot het eerste citaat.

“Wanneer de vele werelden één worden, dan siddert de mens, maar zijn ziel verheft zich.” Wanneer de vele werelden één worden. Alleen al op deze wereld zijn tenminste vijf sferen werkzaam. Dan is daar nog uw eigen wereld, uw menselijke wereld. En ook die menselijke wereld is opgebouwd uit verschillende groepen, verschillende bewustzijnslagen. Het is niet zoals in andere perioden, dat allen, die op die aarde neerdalen, van een ongeveer gelijke inhoud en instelling zijn. Groepen uit de meest verschillende perioden zijn gereïncarneerd in deze tijd. Mensen met een bijna tegenstrijdig inzicht geestelijk althans in hun eigen doel en leven zijn gelijktijdig op deze wereld neergedaald. Maar deze werelden moeten één worden.

De grote vrees, die er altijd weer bestaat, is je eigen persoonlijkheid prijs te geven, afstand te doen van je eigen zelfstandig leven en denken, vooral afstand te moeten doen van het recht om gelijk te hebben. Vandaar dat de mens zich stoffelijk tegen deze eenheid verweert en met alle middelen probeert zijn eigen superioriteit over andere groepen te bewijzen. Maar dat kan hij alleen doen t.o.v. menselijke groepen, niet t.o.v. geestelijke invloeden. Het is duidelijk, dat de geest hier een grote voorsprong heeft op het huidig mensdom. Want de geest kan slechts door weinigen beïnvloed worden.

De wereld der magie, die in Esir’s tijd zo belangrijk was, is langzaam maar zeker verworden tot een soort toverdokters bestaantje. In zijn tijd was het zich verenigen van werelden ook magisch. Tegenwoordig is het alleen de geest, die vanuit haar wezen en kracht zich openbaart op de wereld. Het is duidelijk, dat de mens daardoor gezien zijn onbewustzijn in het magisch aspect van het leven der sferen voor veel grotere raadsels en problemen zal worden gesteld dan ooit te voren. Maar wanneer die eenheid tot stand komt, wanneer het streven van geest en stof in gelijke richting zou gaan, dan krijgt men de grootste harmonie, de grootste vrede, die voorstelbaar is. Een 1000-jarig rijk, zoudt u misschien denken. In feite een toestand van zo absolute harmonie, dat nadat de lichamelijke vrezen overwonnen zijn en aanpassing aan de nieuwe condities en toestanden dus gewonnen is er een langere tijd van absoluut samengaan tussen stof en geest mogelijk wordt met als gevolg totaal nieuwe ontwikkelingen voor elke geest, die zich in de stof bevindt.

Deze dingen zijn natuurlijk op zichzelf al belangrijk genoeg, maar er zijn andere consequenties aan verbonden. Zoals Esir het uitdrukte: “Wanneer mijn oog doordringt in de zon, is mijn wezen verdeeld, maar mijn kracht overwint alle dingen.” Doordringen in het licht en de zon staat hier heus niet alleen voor de stoffelijke zon maar ook voor de geestelijke is op zichzelf een zeer moeilijke taak. Wanneer u in de zon probeert te schouwen wordt u verblind. Toch moet er een ogenblik zijn, dat wij die zon kunnen beschouwen. In Esir’s tijd dat moeten wij niet vergeten was de atmosfeer veel dichter, zodat het beeld van schouwen in de zon toen niet een onmogelijkheid betekende. Het was mogelijk lange tijd in de zon te kijken. Maar zelfs toen scheen zij zoals een ander het uitdrukte de schedels der mensen leeg te slurpen.

Het geestelijke licht, waarin wij in deze tijd zullen moeten schouwen, is iets wat ons aan de ene kant haast doodt, aan de andere kant enorme krachten geeft. Maar wij moeten als magisch geschoolden a.h.w. werken. En magie is nu niet direct kinderspel. Zij berust op geheel andere waarden en wetten dan de normale samenleving. Esir heeft ons ook hierover een aantal geschriften van wijsgerig magische inhoud achtergelaten en hij stelt daarin o.a.; “Daar, waar de krachten van vele sferen samenwerken, kunnen de wetten van een wereld niet gelden.” Duidelijk. Wij hebben niet meer te rekenen met wat op aarde gangbaar of gebruikelijk is, wij moeten rekenen met de wil, die vele sferen gelijktijdig bezielt. En daaraan moet ook stoffelijk uitvoering worden gegeven. Wie bewust is (hier wordt dus bedoeld; wie zich bewust is van deze magische werkingen) zal de cirkel trekken (zal zich dus kunnen afschermen) en zo verdelen de kracht, die hem ten kwade drijft. Hij zal echter wat hem ten goede drijft aanvaarden en meestreven de lichtende zuilen bereiken (teruggrijpend naar de legende van de oertijd van de mens, toen leidende geesten zich openbaarden als lichtende zuilen.)

U zult zeggen; Wat heeft dat in de moderne tijd voor ons te betekenen? Heel eenvoudig. Er komt een ogenblik, dat wij niet meer kunnen oordelen over goed en over kwaad. De wereld is op het ogenblik zo verward, dat het u praktisch onmogelijk is een juist oordeel te vellen, dat in het verloop der geschiedenis (dus over een langere tijd) geldend blijft. Het is u niet mogelijk op het ogenblik enigerlei omschrijving te geven van hetgeen werkelijk begerenswaard is voor alle tijden voor deze mensheid. U bent wat dat betreft blind. Wanneer u echter samenwerkt met de geest, krijgt u de gelegenheid om van uit die geest gedreven en bewust verder te gaan. Wat meer is; wetend omtrent de krachten van de geest leert u zich beschermen tegen elke voor u kwade invloed. Dat wil zeggen; een invloed, die uw eigen wezen en zijn bedreigt. Daartegenover leert u ook de krachten erkennen, die goed zijn. En nu weet u, dat een zwemmer, die met de stroom mee zwemt, sneller gaat dan de stroom. Degene, die geestelijk erkent wat voor hem de goede stroming is van geestelijke krachten, zal een versnelde bewustwording kunnen doormaken, waarbij hij a.h.w. vooruitloopt op het geestelijk gebeuren. Die dingen zijn wel heel belangrijk.

Wat zouden nu de wetten van deze tijd moeten worden? In het verleden heeft Esir ze als volgt gesteld: “Spreek mij niet van goden, doch erken de krachten, die u drijven. In elke kracht, die u beroert, zult gij uzelf trachten te erkennen. Gij zult al hetgeen u beroert openbaren, voor zover het u mogelijk is. Gij zult ziende herscheppen.” Hij heeft daarmee geprobeerd duidelijk te maken, dat de mens dus de uitvoerende kracht is van de geestelijke invloed, die hem beheersen kan of hem leiden kan. Dat het zelfs zijn taak is, wanneer hem bv. helderziende iets getoond wordt, dit stoffelijk te verwerkelijken. Men zegt overigens dat hierdoor een betrekkelijk grote reeks van gebouwen der oudheid tot stand kon komen en dat bv. de z.g. koningstempel van Atlantis met zijn wonderbare gouden zuilen en zijn eigenaardige galerijen geheel gebouwd is naar iets, wat eerst helderziend door de bouwmeester was verwerkt. In deze tijd gaat dat natuurlijk niet meer zo. Waren er vroeger in 9 van de 10 gevallen mensen sensitief, op het ogenblik hebben de mensen zich zover afgestompt, dat het al heel mooi is, wanneer er 1 op de 20 sensitief genoeg is om dergelijke invloeden te ondergaan. Maar wij mogen hier ook aan de hand van leerstellingen, die in de loop der tijden gegeven zijn toch wel bepaalde leefregels trekken. En dan zou ik voor deze tijd die leefregels als volgt willen stellen.

In de eerste plaats: Erken voor uzelf het feit van een geestelijke leiding.

In de tweede plaats: Erken voor uzelf de noodzaak eerder geestelijke dan stoffelijke leiding te volgen, mits gij het doel van die geestelijke leiding in uzelf ervaart, aanvoelt of weet.

In de derde plaats: Laat u niet benauwen of beëngen door de stoffelijke ontwikkelingen van de wereld. Het is uw taak het geestelijk rijk, van licht, dat sterker en sterker de wereld benadert, te herscheppen op uw eigen wereld. Daartoe kunnen wij een beroep doen op vele wetten, die in het verleden door profeten naar voren zijn gebracht. Allereerst wil ik wijzen op de hoofdleerstelling van de Gautama Boeddha: “Geboren worden is sterven. Vreugde kennen is lijden, wie het ene kent, zal het andere moeten ondergaan. Maar daar staat tegenover; “Wie niet vreest, wie niet begeert, zal niet sterven, niet ouder worden, niet lijden, doch zijn.” Juist in een tijd, waarin u leeft, is het zeer belangrijk, dat u leert uw angsten en uw begeerten opzij te zetten. Niets, wat tot het menszijn behoort, behoeft u vreemd te zijn. Maar gij moogt niet begeren. Gij moogt niet vrezen. Als toeschouwer door de wereld gaande blijft ge onberoerd door al hetgeen uw eigen leven anders boetseert in vaak zeer bizarre en verwrongen reeksen van gebeuren.”

Daarnaast komt Jezus’ leer: “Heb uw naaste lief gelijk uzelf.” Wanneer ge uzelf erkent als een deel in de stroom van tijd, niet bedreigd of gevleid en verlokt maar waarnemend het verschijnsel schepping, zult ge deze naastenliefde op een nieuwe wijze kunnen interpreteren. Het is uw taak de ander tot deze rust te brengen. Wanneer hij lijdt, zult gij dit lijden delgen. Niet omdat de mens lijdt, maar omdat lijden verblinding betekent. Wanneer iemand zich verheugt en in deze vreugde gebonden is aan bepaalde dingen, zult ge u echter terugtrekken. Want deze uit begeren en bezit zin gevonden vreugde kan nooit goed zijn.

En dan is er nog een regel en die vinden wij vreemd genoeg terug, zowel bij Jezus, bij de Boeddha als bij Mohammed: en als we verder in het verleden teruggaan bij vele andere profeten; “Weest rechtvaardig.” Misschien klinkt u dat wat vreemd in de oren. “Weest rechtvaardig.” Het betekent, dat er een recht en een wet bestaat, een kosmische wet en een kosmisch recht. Volgens dit recht zult ge moeten leven, volgens dit recht, zult ge moeten handelen t.o.v. anderen. Kosmisch recht en de daaruit voortvloeiende rechtvaardigheid betekent niets anders dan het vervullen van de goddelijke wil in alle dingen. Het vervullen daarvan, ongeacht de kosten, die het voor het “ik” schijnt mee te brengen, ongeacht het gewin, dat eruit voor het “ik” zou kunnen voortvloeien. En dat is misschien het lastigste, Slechts zij, die enerzijds de kosmos liefhebben in de zin, waarin Jezus het geleerd heeft, anderzijds begeren noch vrezen volgens Boeddha,s leer, kunnen deze rechtvaardigheid bereiken. Ik hoop, dat u dit in de toekomst zult onthouden. Want er zal heel vaak gelegenheid zijn in de komende tijden om te veroordelen. Niet omdat iets kwaad is, maar omdat het niet strookt met uw eigen wijze van leven. Omdat het niet strookt met uw idee van zekerheid, van geborgenheid. Er zal in de toekomst heel vaak de mogelijkheid zijn iets te verheerlijken en te vereren, misschien zelfs als “enige redding” of “de laatste verbetering”. Niet omdat het beter is of anders is, maar alleen omdat het uw zekerheid wat vergroot, uw eigen welvaart iets permanenter doet schijnen. Dan toch te oordelen naar de werkelijke betekenis is zeer moeilijk. Maar slechts indien ge deze innerlijke rechtvaardigheid in uzelf ontwikkelt, zult ge in staat zijn te oordelen waar het nodig is, zult ge in staat zijn volgens de wetten der naastenliefde de naaste te helpen, niet tot zijn ondergang maar tot zijn bewustwording en zijn redding. Slechts zo zult ge ook in staat zijn angst en begeren definitief te overwinnen en de vrijheid te kennen van een geest, die misschien volgens uw eigen wording nu nog gebonden aan één wereld ook de vrijheid van de vele werelden zal kennen, waarover Esir sprak.

Wanneer vele werelden een worden, verheugt zich de ziel, maar de mens vreest. Het zal u misschien een demonisch verschijnsel lijken, wanneer ge u plotseling bewust wordt van al die andere werelden en krachten. Krachten, die lang niet altijd alleen maar schoon zijn in uw ogen, maar soms ook hatelijk, verwrongen en lelijk. Ge zult vrezen, omdat uw hele menselijke wereldje in puin schijnt te vallen. Toch zal uw ziel zich verheugen, wanneer ze beseft, dat al wat lelijk en mooi lijkt in uw ogen, wat goed is en kwaad, samenwerkt naar een doel; Uitdrukking van de goddelijke wil, uitdrukking van de goddelijke werkelijkheid, in alle werelden.

o-o-o-o-o

Te spreken over de zeer oude magie betekent spreken over dingen, die de moderne wereld niet meer kent. Wanneer ik dit dan tracht te doen, zo hoop ik, dat u mij volgende een ogenblik de vooroordelen van uw eigen tijd terzijde zult stellen.

De kracht van alle oude magie berust op de eenheid van levenskracht, die in alle werelden gelijktijdig bestaat. Er is geen enkel wezen of voorwerp, geen enkele geest of invloed, die een andere kracht dan deze ene levenskracht voor zich kan bezitten. Wanneer wij werken met deze ene kracht, haar volgens ons geestelijk kennen, ons weten, in onszelf vervormende, a.h.w. transmuterende tot zuiverder kracht of scherper licht, dan kan in ons deze kracht tot een wapen worden, een wapen waarmee wij de andere kracht van gelijk gehalte in geest of stof, in plant en dier en voorwerp hervormen, herscheppen, totdat zij beantwoordt aan dat, wat wij in onszelf gewekt hebben. Vandaar dat de oude magie alle middelen gebruikt, die bestaan en niet slechts alle geestelijke middelen. Elke functie van het menselijk wezen, maar ook elk deel, elke functie van het dier, van de plant, zijn bruikbaar. Noodzakelijk is het, dat in de magie wordt geloofd. Want eerst wanneer er een zeker aanvaarden is van deze kracht, kan in een bewust wezen hetgeen in ons is ontstaan zich met volle intensiteit ontladen,

De theorie van het magische omvat verder zoals enkele aanwezigen ook weten het gebruik van klank en trillingen. Wij kunnen nl. door onze wijze van musiceren, onze wijze van zingen en spreken, een vreemde trilling wekken in de materie, die rond ons bestaat. Wanneer nu deze muziek, dit ritme, deze stemvorming voortkomen uit een geestelijke toestand in onszelf, zo leggen wij versterkt ook aan de stof dezelfde waarden op. Wanneer wij lovende spreken tot onze goden, wanneer wij bezwerend spreken tot de demonen, die wij vrezen, zo werken wij gelijktijdig met de wapens van geest en stof.

Ik wil trachten u iets duidelijk te maken van deze oudste vorm van magisch werken. En ik kan dit naar ik meen niet beter doen dan door juist deze oude gedachtegang en stemming een ogenblik te doen herleven. Stellen wij voor een kort ogenblik, dat u zich in deze wereld belaagd gevoeld door andere krachten. Krachten, die niet harmonisch met u zijn. Misschien noemt ge ze duivelen van ziekte, misschien noemt ge ze ongestelpt leed, misschien obsederend verlangen. Stel u voor, dat deze krachten gestalte en vorm verkrijgen. Wij weten, dat die krachten er zijn, zoals men vroeger geloofde in de bezit nemende demon, zoals men begreep en verstond de geest, die leeft in de boom of in de vloed. Bedenk dan, dat boven u de zon symbool van geestelijk en stoffelijk licht, van geestelijk en stoffelijk leven als een louterende kracht zich verheft. En spreek dan uw zonnebezwering, uw zonnegebed uit (ik gebruik hier voor u een omzetting van een zeer oud zonnelied, deel van een oud zonneritueel):

“O Vader zon, Gij hebt Uw aangezicht verborgen, Uw kinderen treuren in het duister en de nacht overwint. Vader zon, wil rijzen. Vader licht, werp uw speren op de wereld, opdat verdreven worde al wat is slecht gezind tegen mens en geest. Laat, O Heer, verteren het vuur de heerscharen van demonen, die onze dromen en nachten bezoedelen met hun streven. O Vader zon, Gij rijst, Uw licht wordt ons een leven. Schrijf neer in ons Uw licht en taal en neem ons bidden en ons smeken. Heer, doe ons leven, wil de nacht ons wreken en breken de band van duisternis.”

Een dergelijk gebed behoort tot een uitdrijvingsdienst, die vooral in genezingstempels voorkwam. Het is een  fragment ervan, maar misschien kunt ge hierin aanvoelen, hoe de kracht van het woord, de gedachtegang, de zekerheid van licht, dat komt om duister te verdrijven, in zichzelf een bevrijding kan zijn.

Oude magie berust op z.g, sympathische waarden. Want er zijn overeenkomsten tussen u en al het geschapene. Eigenschappen, die ge in uzelf erkent of verlangens, die ge in uzelf draagt, zij zijn weerkaatst in de dode stof, de levende plant en het dier. Wie vruchtbaarheid verlangt, neemt vruchten, wier vruchtbaarheid kenbaar is, waarin die eigenschap berust en gebruikt deze als een geneesmiddel. Wie veiligheid wenst, de scherpe doordringing, die demonen op een afstand houdt, zal de plant kiezen, die daarbij past. Zij, die reiniging wenst, zal de stof nemen, waaruit de aarde zelf is geboren met haar leven. Hij zal nemen het zout, dat behoefte is voor zijn eigen bestaan en daarmede zal hij reinigen in verbinding met het vuur, dat loutert. In deze dingen kan de mens voor zichzelf steeds weer de reinigende kracht, de grote sterkte, het vermogen tot uitdrijving van het ongewenste verwerven. Elke uitdrukking en symboliek moet worden gesteund door een uitdrukking in werkelijkheid.

Wanneer dan op deze dag mijn gastheer u spreekt over de oude magie als een van de vele wegen, zo wil ik van mijn kant daaraan toevoegen; De oude magie is niet slechts een van vele wegen, ze is de erkende waarheid van het verband tussen alle dingen. Want al wat gij doet, al wat gij denkt, al hetgeen waarmee wat ge u in het lever, omringt en wat ge deel maakt van uw bestaan, draagt eigenschappen uit de kosmos in zich. En in deze eigenschappen zult ge voor uzelf een werken, een invloed, een kracht scheppen. Een kracht, die u redt of vernietigt. Dat ligt aan uzelf. Gij creëert door elke handeling, elke daad en de intentie, waarmee ze wordt gesteld, banden die verdergaan dan een stoffelijke of zelfs ettelijke geestelijke werelden. Gij gaat tot de levenskracht zelve en wekt daarin akkoorden en harmonieën, die zich weerkaatsen in uw leven en voor u in de wereld een voortdurende invloed blijven vormen.

Dat is de waarheid van de oude magie, die ook vandaag nog leeft. Ik hoop, dat u haar zin erkennende zult trachten haar oude wetten te zien in verband met uw schijnbaar zo moderne leven.

o-o-o-o-o

DE MAGIËR

Magiër. Gekruisigd tussen God en tussen de demonen, bezeten door de dromen van zijn kracht en ‘t onvermogen, dat hij steeds ervaart, wanneer hij tracht zichzelf te overtreffen.

Magiër. Een, die de krachten kent, waardoor hij zich verheffen kan boven mens en geest.

Magiër. Wetend, daardoor vaak bevreesd, waar anderen zonder schromen gaan.

Magiër. Meester van een werkelijkheid, geborgen achter waan en spel van zinnen.

Wat kan de magiër bereiken? Wat is de toekomst, die verborgen in zijn wezen leeft? Wat is het, dat door hem verwerkelijkt kan worden in de kracht, waarnaar hij streeft?

De magiër, in juist erkennen samenwerkend met de witte kracht, is niet ‘t wezen, dat draagt in zichzelf macht of leven. Maar in ‘t erkennen van oneindigheid en wetten buiten alle tijd vindt hij het goddelijk leven en weerkaatst het in ‘t bestaan.

Achter alle verre dromen, die haast onbegrepen komen en mensen drijven, tot zij blijven gevangen in ‘n voortdurende ban, vindt de magiër het ware leven. Uit zichzelf herschept hij lichte krachten, in zichzelf herschept hij lichte machten, geeft uiting in zijn eigen klein bestaan aan krachten der oneindigheid.

Of zal hij slechts zichzelf begerend en in zich alle licht verterend slechts schepsel van het duister zijn?

De zwarte magiër is demon gezeten op een troon, honend alle menselijk leven en streven en alle geestelijke krachten, een van de duistere machten, die blijven voortbestaan, een waan van een astrale wereld.

Maar magiërs van ‘t witte licht worden deel van scheppingskracht, voor een wijl nog in een vorm gevangen. Zij zijn een weten, dat boven alle verlangen en vrezen uit een werkelijkheid creëert; dat aan de schepping en het onvolledig zijn de volledigheid van ‘s Heren krachten leert.

Magiër mits ten goede streven klank, uit kosmos eens ontstaan, ‘t geheime woord van het begin der schepping weerkaatst en vindend baan door alle leven en alle sferen tot ‘t geheel is samen  geweven, onverbrekelijk en schoon; Gods schepping.

Magiër. Uit beheersing geboren begrijpen, uit begrijpen gekomen geloven, uit geloven gekomen aanvaarden en in aanvaarding gevonden uiting van goddelijke wil.

Magie. Kennen van Gods wetten, openbaren van je wezen en bereiken dat, wat je is voorbestemd.

Een magiër bidt niet. Hij erkent en aanvaardt. Wetend dat bidden is een onvolkomen uiten van je wezen, maar dat een kennen van jezelf betekent; in de zelfkennis aanvaarden wat gegeven wordt.

De magiër smeekt niet, hij beveelt. Maar hij beveelt slechts uit de goddelijke kracht datgene, wat zich van God nog niet bewust is. En hij voltooit wat Gods wil is.

Laat ons daarom magisch strevend in het leven door begrijpen en werken sterken het goddelijk licht, dat ons regeert.

Laat ons trachten te begrijpen de volmaaktheid, die rond ons is gelegen. En laat ons stil verzwegen dienen die volmaaktheid, anderen brengend ‘t licht, al kunnen ze dit niet zien,

Laat ons leren zelf te spreken, wanneer ook werelden gaan breken en vervallen. Wij spreken niet alleen voor God, wij spreken voor ons allen het lot, ons toegedacht in ‘t ogenblik van ‘t eerste scheppen. Dat is het, wat wij uit – onszelf geboren wordend – brengen tot Gods grote werkelijkheid, in allen nu begrepen.

En daarmede heb ik dan geprobeerd iets van de magiër te vertellen. Ik hoop, dat het duidelijk is. Het is deze keer geen zuivere dichtvorm, zoals u gemerkt hebt. En ik hoop ook, dat u zult begrijpen, waarom wij ook wel eens een keer hier over magie moeten spreken.

Bewust of onbewust gebruikt u magie. Wanneer u bidt, dan is het een poging tot magie, Wanneer u vertrouwt op bovennatuurlijke krachten, dan staat dat in verband met magie, Wanneer u leert omtrent goddelijke wetten, leert u bepaalde regels der magie. Want magie is eigenlijk het kosmisch weten en de kosmische wetenschap, waarin God wordt uitgedrukt. En daaraan heb ik nu geprobeerd even uiting te geven. En we hebben geprobeerd u er vandaag iets van te doen zien en te doen gevoelen.

Laat het u nu niet beïnvloeden om plotseling allemaal magiër te worden. Daarvoor heeft u heel veel nodig. Maar laat het u misschien wel beïnvloeden om te komen tot een vrijer en zekerder aanvaarden van wat u voelt als Gods wetten in uzelf. En daarmede,  kunt u werkelijk een voltooiing bereiken, die belangrijk is.