Magiër en filosoof

 11 mei 1987

Inleiding

Mij is verzocht u mee te delen dat vanavond een magiër filosoof als gastspreker zal optreden. Over de inhoud van zijn lezing kun je feitelijk weinig zeggen.

Het denkbeeld van de mens als magisch centrum zal u bekend zijn. Je bent door je verbondenheid met alle dingen zelf een centrum waarin alle kracht en ook alle weten bijeen kunnen komen. Ook wanneer u daar weinig of niets van merkt draagt u in uzelf als het ware de hele kroniek van alle delen van de Schepping en alle toestanden waarvan u deel bent geweest.

Een groot gedeelte van het magisch denken berust op de verwantschappen die kunnen bestaan tussen twee delen van dezelfde oerkracht. Je leeft, maar ook in de ander is het leven. In jou is alle kennis, maar ook in de ander is alle kennis. Je moet proberen dat deel van de kennis in het andere dat met jou strookt of met je doeleinden strookt aan te spreken, want daardoor ontstaat een wederkerigheid. Er zijn twee polen ontstaan en tussen die twee polen kan een verschijnsel de uiting vormen van hetgeen is opgeroepen.

In de filosofie, zover ik die van onze gast voor vanavond heb kunnen volgen, word je geconfronteerd met de grote vraag: wat bestaat er? In de magie bestaan alle dingen als essentie en ‘niets’ is de enige werkelijkheid die buiten deze vormen, buiten deze uitingen kan bestaan. Het ‘niets’ is het enige werkelijke, omdat het ‘niets’ al het onbekende omvat en daarmee het grootste gedeelte van de werkelijkheid waartoe wij behoren zonder haar te kennen.

Het is duidelijk dat wanneer je van deze standpunten uitgaat je ook magie, alchemie en al die andere takken van occultisme in zichzelf dan onbetekenend gaat bekijken. Dat je spreekt met een geest is in feite onbelangrijk. Belangrijk is dat er een bewustzijn is dat een echo opwekt in je eigen bewustzijn, waardoor communicatie kan ontstaan en eventueel manifestatie.

Wanneer je bezig bent metalen te veranderen in de alchemie, dan is dat op zichzelf niets bijzonders, want elk metaal bestaat uit oermaterie. Oermaterie kan elke vorm aannemen en wanneer ik dus de oervorm in het metaal kan aanspreken, kan ik het ertoe bewegen een andere vorm, een andere manifestatie te tonen.

Hetzelfde geldt ook voor het oproepen van geesten, van demonen enz., zoals in bepaalde vormen van de magie gebeurt. In Tessali heeft een filosoof gewoond, die over de heksen (die kwamen daar nogal wat voor) het volgende zei: deze vrouwen beseffen een deel van de werkelijkheid, maar wat ze oproepen en aanschouwen is een deel van hun eigen wezen. Daar had hij waarschijnlijk gelijk in, want uiteindelijk is alles wat we waarnemen gelijktijdig ook een projectie van onze eigen inhouden.

Er bestaat natuurlijk wel een mate van werkelijkheid die we niet kunnen veranderen, maar zelfs deze wordt door ons zo geïnterpreteerd dat we daaraan als het ware de vorm opleggen die weer past bij onze ervaringen, bij onze bewustzijnsinhoud en eventueel bij onze gehele wordingsgang in meer geestelijk opzicht.

De kracht waarover wordt gesproken wordt vreemd genoeg nooit gedefinieerd. Men zegt bijvoorbeeld: de kracht ligt in jezelf. Dat is ongetwijfeld waar. Ik ben deel van alle kracht. Ben ik mij van deze kracht bewust, dan werkt het geheel van de kracht door mij voor zover ik deze kracht kan verwerken en aanvaarden.

Van de andere kant zeggen ze weer: maar er is het licht buiten je. Het licht buiten mij is de verschijningsvorm van het licht dat in mij bestaat. En dan wordt het een beetje verwarrend dacht ik.

Ik heb mij werkelijk ingespannen zoveel mogelijk te begrijpen van de beelden die uw gast van vanavond op mij heeft geprojecteerd, maar in mij en buiten mij schijnen in zijn besef onderling verwisselbare waarden te zijn. Wat in mij is, is buiten mij, maar wat buiten mij is, is ook in mij. Dat is natuurlijk iets wat niet past bij een menselijke werkelijkheid en wat ook bij bepaalde werkelijkheden van de sferen niet volledig aanwezig is. Wij hebben de noodzaak, of de behoefte, buiten ons een wereld te erkennen. Maar we erkennen die wereld juist omdat ze niet deel is van onszelf.

Daarbij valt voor mij die verwisselbaarheid weg, maar voor hem is dat kennelijk geen bezwaar. Hij zegt: dat ligt aan jou, het ligt niet aan de werkelijkheid. Ik hoop dat dan maar, dan zal waarschijnlijk een groot gedeelte van wat ik nu als werkelijkheid zie nog veel vollediger en mooier zijn dan ik het op het ogenblik kan beseffen.

De vraag waar de basis ligt blijft onbeantwoord. U kunt praten over één God, u kunt ook praten over een onbepaald iets. Er is iets. Dat is het enige wat men met enige zekerheid schijnt te beleven. Dat iets is onomschrijfbaar, het is niet volledig beleefbaar en toch is het deel van ons wezen. Ik vind het curieus en ben benieuwd wat de gast op dit terrein misschien naar buiten brengt.

Wanneer hij zegt: alle kracht is één, dan wil ik dit theoretisch geloven, maar wanneer ik naar een duistere wereld ga om iemand daar te helpen, dan ervaar ik toch ook krachten buiten mij, en ik kan mij daar zeker niet mee identificeren. Ik kan niet zeggen dat is deel van mij. Integendeel, ik meet juist mijn krachten met iets dat buiten mij bestaat. Als alle kracht één is, is dat natuurlijk alleen maar een droom, een verhaaltje. Maar als dat verhaaltje nu voor mij werkelijkheid is, dan vraag ik mij wel af wat je hebt aan al deze theorieën die alleen in een heel andere wereld  misschien ooit eens als werkelijk beleefd zullen worden.

Ofschoon ik geen filosoof ben van aanleg zou ik hier dan toch een paar punten van mijn filosofie naar voren willen brengen.

Je leeft in een wereld die voor jou werkelijk is. Dan gaat het er niet om of ze inderdaad werkelijk is, het gaat er alleen om dat je haar als zodanig beleeft. In het beleven is ervaring mogelijk, is krachtmeting mogelijk, is mislukking en vervulling beide evenzeer nabij.

Wanneer ik in een andere wereld kom ontstaat een andere werkelijkheid. Voor mijzelf blijf ik dezelfde, maar die krachtmeting is dan van een andere grootorde, van een andere intensiteit. Het beleven is voor mij echter weer noodzakelijk, omdat ik zonder dit niet kan beseffen. Er is altijd een strijd, een wisselwerking.

Ik heb deze filosofieën natuurlijk wel even geprojecteerd, maar het antwoord dat ik kreeg was voor mij onbevredigend. Er werd namelijk teruggeprojecteerd: alleen zij die zichzelf niet kennen, kennen een andere wereld. Ik dacht dat ik iets van mijzelf wist, maar kennelijk vindt de spreker in kwestie dat dit niet het geval is. Zo zij het dan. Ik zal wel verder scharrelen, ik zal wel zien dat ik het red.

Wanneer alle werelden waan zijn ‑ want daar komt het uiteindelijk op neer ‑ dan zou je hoogstens kunnen zeggen: leven is een vorm van waanzin. Maar aan de andere kant, het leven is voor mij zinnig, zelfs wanneer het is opgebouwd uit waan. Waarom zou ik me dan druk maken over de vraag wat nu waar is of niet? Ik heb me in mijn leven betrekkelijk weinig met het hiernamaals beziggehouden. Dat is me later goed te pas gekomen, want ik stond in ieder geval niet voor de teleurstelling dat het anders was. Ik heb altijd gedacht: de wereld waar je in leeft is de wereld waarmee je moet afrekenen. Daar moet je zorgen dat je jezelf handhaaft, dat je voor anderen betekenis hebt, en dan moet je in een voortdurende krachtmeting maar waarmaken wat je werkelijk kunt en niet kunt, wat je werkelijk bent en wat je misschien alleen maar pretendeert.

Het zal u begrijpelijk zijn dat ik dan zeg: ach, wat geeft het wat er precies gebeurt? Het is niet zo belangrijk. Belangrijk is, dat ik het beleef en dat ik op mijn wijze mijn weg erin vind. Het is niet zo belangrijk of er buiten mij strijd is of dat er overal een bijna gezapige vrede heerst. Als ik vrede heb in mijzelf kan het geweld mij niet aantasten. Als ik geen vrede heb in mijzelf zal juist de vrede bij anderen voor mij een aansporing zijn tegenstand te zoeken om de vrede te breken.

Dat wat ik ben zoek ik te vinden in de wereld, niet datgene wat ik niet ben.

Ik denk dat de zin van het leven misschien wel is: jezelf beter te leren kennen en jezelf en ook je wereld te leren aanvaarden zoals ze zijn. Want als dat niet het geval is, waarom dan al die tegenstellingen? Men heeft mij wel gezegd: God heeft ons uit zijn liefde geschapen. Ik neem dat aan. Ik weet dat niet. Maar als hij ons dan zo liefheeft, waarom heeft hij er dan zo’n rommeltje van gemaakt? Zeker, uiteindelijk pakt het allemaal toch wel weer goed uit, ik weet het wel, maar als bewustzijn mogelijk zou zijn zonder dat alles, waarom dan al dat lijden? Waarom die duistere werelden? Waarom die wanhopige worsteling met de verveling die aan de reïncarnatie vooraf gaat? Misschien is mijn beeld van liefde te beperkt om te begrijpen wat die goddelijke liefde dan zou moeten zijn.

Er zijn mensen die dan uitroepen: maar God heeft zijn geboden gegeven! Ik heb geprobeerd dat te begrijpen, maar ik kom daar ook niet achter. Wanneer ik naar de feiten oordeel, voor zover ze mij bekend zijn, zijn het de monotheïstische godsdiensten die de meeste ellende op aarde hebben veroorzaakt, de christenen, de moslims enz. Daar waar we te maken krijgen met een Pantheon (tempel ter ere van alle goden) is het wat anders, een beetje speelser misschien. Daar is de veelheid van de goden, dacht ik, ook een mogelijkheid je met bepaalden facetten van het bovennatuurlijke één te voelen, zonder dat je gelijktijdig belast wordt met een enorme rangorde waaraan je je maar te onderwerpen hebt.

Als u mij vraagt wat me nog het meeste ligt na al die tijd, dan is dat praktisch animisme (in alles leeft God, of alles is God.). Niet omdat ik God in alle dingen kan vinden, maar omdat het besef dat hij ook in dat andere, in die andere leeft, voor mij reden is om het andere, de ander, in zekere mate te respecteren. Dan praat ik niet over naastenliefde, maar ik probeer wel meer mens te zijn. Dan praat ik niet over de hogere werelden waar ik binnenkort zal binnentreden, maar ik vraag me eenvoudig af: “Wat kan ik doen in de wereld waar ik nu verkeer?” Of: “Wat kan ik het beste doen samen met anderen, of desnoods zonder die anderen, wanneer het mij noodzakelijk lijkt?”

Natuurlijk heb ik respect voor een gastspreker. Hij is hoger dan ik en ik wil graag aannemen dat hij vanuit zijn standpunt volledig gelijk heeft. Maar ik ben niet zover. Dan kan ik niet waarmaken wat hij waarmaakt en dan kan ik ook niet zijn en beleven wat hij is en beleeft. Hoe moet ik dan met zijn wijsheid verder? Als er dingen zijn van praktische betekenis is het wat anders. Wanneer iemand tegen mij zegt: ‘denk aan het licht dat in je woont’ (en inderdaad, ik schijn licht uit in een duistere wereld wanneer ik daar kom), dan kan ik dat begrijpen en aanvaarden, dat heeft praktisch nut. Maar als iemand mij komt vertellen: ‘je bent deel van het licht en van de kracht’ en ik kan er niets mee doen, dan heb ik het gevoel dat dit nutteloos is.

Misschien ben ik een praktische filosoof. Ik zeg altijd maar: een stelling die je verder helpt is kostbaar.

Stellingen, hoe waar dan ook, waar je niets mee kunt doen zijn in feite onbelangrijk. Je moet werken op jouw manier, met jouw mogelijkheden, met jouw middelen. Elke leer die probeert dat te veranderen, die probeert je in de uiting van je persoonlijkheid, in je denken, in je geloven, als het ware te binden zonder je een eigen ontwikkeling toe te staan, is volgens mij eerder demonisch dan lichtend.

Laat ik het zo zeggen: ik kom nog uit een tijd waarin algemeen christendom normaal aanvaard was. De Christus kan ik bewonderen. In delen van hetgeen Jezus geleerd heeft kan ik mijzelf terugvinden. Ik kan er iets mee doen. Maar als ik kijk naar wat het christendom heeft voortgebracht, dan kan ik het christendom niet aanvaarden. Niet om de leringen, maar om de praktijk. En zo gaat het met mensen en mens-zijn volgens mij ook. Een mens is een mens wanneer hij goed is voor een ander, wanneer hij voor zichzelf een begrip van eigen betekenis en waarde weet te handhaven en wanneer hij in die wereld zich blijft handhaven zonder zich daarbij voortdurend aan anderen vast te klampen. Dan is hij werkelijk mens.

Ik geloof dat deze vorm van mens-zijn de grootste betekenis heeft voor onze bewustwording. Al het andere lijkt mij eerlijk gezegd de saus die de kok maakt om te verhullen dat hij het vlees heeft laten aanbranden. Met veel mooie woorden kunnen we natuurlijk heel veel versluieren van de werkelijkheid zoals we die beleven. Maar de werkelijkheid die wij beleven, waarmee wij moeten afrekenen, is in feite de enige oplossing die voor ons hanteerbaar is. Dat wat gebeurt wordt voor een deel door ons meebepaald, voor een deel wordt het ons als het ware opgelegd. Maar ook dan moeten wij er zelf een weg in vinden, moeten wij er zelf mee afrekenen.

In mijn tijd (vergeeft u mij dat ik daarover spreek, als je terugkomt op de wereld dan herleeft een deel van het vroegere leven weer intenser voor je) ‑ in mijn tijd dus waren er heel veel mensen die heiligen aanriepen. Wanneer er iets aan de keel niet in orde was gingen ze niet naar de dokter, maar staken ze een kaars op voor Blazius. En als ze muziek moesten maken hadden ze ook weer een heilige die orgel speelde.

Zo hadden ze voor elke kwaal en voor elke kleinigheid wel een heilige. Bij wijze van spreken vanaf de afdeling Verloren Voorwerpen (Antonius) tot de engelen die voor bazuingeschal en bescherming moesten zorgen. Dergelijke mensen leefden in een voortdurende afhankelijkheid van dingen waarin ze wel geloofden, maar die ze niet kenden. Is dat goed? Is dat reëel?

Ik ben juist tegen dergelijke dingen altijd in opstand geweest en misschien verklaart dat ook de wijze waarop ik deze gastspreker ervaren heb. Ik ben bereid aan te nemen dat al wat hij zegt in zijn ontwikkelingen en zijn wereld volledig juist, rechtsgeldig en van kracht is. Maar ik kan niet aanvaarden dat ik deze stellingen dan ook in mijn eigen wereld moet toepassen wanneer ik daartoe de mogelijkheden en middelen niet heb, ja, zelfs de betekenis van die stellingen niet met mijn huidige mogelijkheden kan aanvaarden.

Ze zeiden in mijn tijd: schoenmaker blijf bij je leest. Ik zou zeggen: mens blijf bij je wereld. Leef je leven en je wereld zo intens en zo goed als je kunt. Wanneer je denkt dat je kracht tekort hebt, denk aan de kracht die in je woont. Wanneer je hulp en leiding in weten nodig hebt: kijk of je het menselijk kunt vinden en zo niet, keer in jezelf, wees rustig en laat het in jezelf uit het totaal weten ontstaan. Maar zorg ervoor dat alles wat je bent, alles wat je hebt en alles wat je kent bij jou past en dat het vanuit jouw wezen werkelijkheid is.

Want alleen daar waar we de waan terzijde schuiven (die we onszelf vaak opleggen om de werkelijkheid te verhullen) en onze werkelijkheid leren beleven en aanvaarden, brengen we het misschien zover dat we ook eens een keer al die hogere filosofieën als werkelijkheid gaan beleven.

Als iemand mij kwalijk neemt dat ik zo heb gesproken, vergeeft u mij. Ik heb niemand in zijn geloof of in zijn denken willen aantasten. Maar ik dacht dat mij als taak was gegeven van mijn kant uit te belichten wat de gastspreker zo ongeveer te berde kan brengen. Ik heb dit gedaan zo goed als ik kon, maar ik ben wel zo vrij geweest mijn eigen gedachten tegenover de zijne te plaatsen. En tot wij in dezelfde wereld met hetzelfde bewustzijn kunnen leven zal die tegenstelling wel blijven bestaan, vrees ik.

In ieder geval ben ik dankbaar voor uw gehoor en uw geduld. Ik dank u voor uw aandacht.

De Gastspreker

Zo nu en dan krijg je een verzoek om ergens als gast een rede af te steken. En ofschoon ik de reden daarvoor niet volledig heb begrepen heb ik mij bereid verklaard u wat te vertellen over mijn manier van denken.

Leven op zichzelf is niets anders dan het voortdurend ervaren. Je kunt niet zeggen. Leven is zus of leven is zo, het is gewoon ervaring. Uit die ervaringen ontstaat voor ons een beeld van wat wij denken te zijn en een beeld van wat volgens ons de wereld is. Dat dit natuurlijk erg onvolledig is, ja, dat zult u wel begrijpen. Maar wanneer je in geestelijke werelden komt ga je ontdekken dat de werkelijkheid, die buiten je bestaat door je denken zo sterk wordt beïnvloed, dat ze voor het merendeel wel uit jezelf voort moet komen. En dat heeft me dan getroost, want in het begin zag ik nogal wat lelijkerds. Maar toen ik in de gaten had dat ze uit mijzelf voortkwamen ging ik naar mijzelf kijken. En het wonderlijke is: wat je een ander nooit vergeeft, vergeef je jezelf, zodat ik dus langzaam maar zeker uit mijn nachtmerrie wereld verder kon gaan in wat u dan waarschijnlijk lichte werelden noemt. In ieder geval werelden met een beetje vrede, een beetje mogelijkheid om wat te doen en wat te leren.

En zo kwam ik tot mijn eerste conclusie: Niets is volledig waar en daarom kan ook niets volledig onwaar zijn.

Toen ik zo verder leefde begon ik aan taken (er was altijd nog wel iemand die zei: probeer dat eens) en met die taken ben ik tot de ontdekking gekomen dat ik te zwak was.

Toen zei iemand: “Ik geef je die kracht”. Ik dacht: “Hoe kun jij mij kracht geven?” Maar als ik dacht dat hij mij kracht gaf, voelde ik mij sterk en had ik kracht. Een groot gedeelte van de kracht die wij nodig hebben kunnen wij altijd onmiddellijk uit onszelf putten. Er blijven altijd wel haperingen bestaan, want ja, ons vertrouwen in onszelf is ook beperkt. Begrijpelijk, want als de mens iets of iemand kent dan is het zichzelf, nietwaar?

Zo kwam ik dus terecht in werelden waarin het denken langzaam maar zeker abstract wordt. Een wereld waarin invloeden onomschrijfbaar zijn, al heb ik mij laten vertellen dat er bij ons zijn die ze indelen in kleuren.

En eindelijk ben ik na gaan denken over mijn eigen leven. Ja, een stoffelijk leven, maar ook wat daar geestelijk aan vastzat. Ik was magiër op mijn manier, ik heb ook wel wat geesten opgeroepen en bezworen in het pentagram, werkte meestal met de drie cirkels, en heb daarnaast nog wel wat gedaan aan bezweringen en zo. Maar ik heb ook altijd nagedacht. Die magie kwam voor driekwart zeker uit mijzelf voort. Het enige wat er verder bij scheen te horen is dat wanneer er iets anders is dat precies beantwoorden kan aan wat ik zelf ben op dat ogenblik, dan voegt het zich a.h.w. bij mij en krijgen we dus een volledig beeld, een volledige voorstelling, een volledige werking. Dan is het duidelijk dat de volste kracht voor jou bestaat op het ogenblik dat je je het minst van specifieke feiten of noodzaken bewust bent.

Met weten schijnt dat al precies hetzelfde te zijn. Kijk als ik mijn bewustzijn uitschakel weet ik alle dingen, maar dat weten kan ik niet omzetten in bewustzijn. Maar als er ergens in mijn normaal bewustzijn een punt is dat past bij dat kosmische weten dat tijdelijk in mij manifest wordt, dan zal het aanvullen. Mijn kennis wordt vollediger ten aanzien van hetgeen ik al ten dele weet, maar ik kan geen openbaring krijgen ten aanzien van iets waar ik helemaal niets van weet.

Op die manier kom je dan tot denkwijzen. Je gaat proberen formules te vinden voor wat jij bent en voor wat je wereld is. Je bent kracht, zeggen ze. Dan kun je ook alle kracht geven die je geven wilt. Waarom zou je kracht voor jezelf vragen wanneer je die al hebt?

U hebt kracht. Straal ze eens een keer uit. Waarom niet? Wat ermee gebeurd is ook niet belangrijk, u hebt genoeg. Geef die kracht gewoon maar aan iets of iemand die ze nodig heeft. En hoe minder je het bepaalt, hoe groter de kracht wordt die je uitstraalt. Dan zult u zeggen: ‘Wat heb ik daaraan?’

Als iets door mijn kracht wordt beroerd is er als het ware een verbinding ontstaan tussen de kracht in mij en die kracht in die ander. Dat zou je dan kunnen zien als een soort koeriersverbinding waardoor boodschappen over en weer kunnen gaan. Dat is erg interessant, want daardoor krijg je een grote aanvulling van belevingen die feitelijk bij een ander behoren. Ik heb dat meegemaakt.

Ik gaf iemand kracht, nou ja, eigenlijk omdat ik hem een sukkel vond. Deze ‘sukkel’ (geest) bleek in de stof een dame te zijn geweest. De beleefdheid gebiedt mij die term te gebruiken, voor de rest had zij een heel kleine snor, maar erg veel haar op de tanden. Het was een conflictwereldje waar ze in leefde, haast onvoorstelbaar Maar op dat ogenblik wist ik wat haar leven was geweest en zag ik ineens hoe er verschillen kunnen zijn en toch overeenkomsten tussen twee schijnbaar geheel afgescheiden, afzonderlijke levens. Op dat moment heb ik gedacht: wij vormen samen toch wel een geheel (niet wat deze figuur in het bijzonder betreft, maar ook al die anderen) en toen heb ik mij aangewend kracht te geven. Het vreemde was dat hoe meer kracht ik gaf, hoe sterker ik werd. Het is eigenlijk dwaas. Op aarde zou je de mensen niet moeten prediken dat je rijker wordt naarmate je meer geeft, maar in de geest is dat kennelijk waar.

Zo ben ik tot mijn huidige positie, nou, opgestegen is overdreven, maar gekomen. En nu moet ik dus als gast hier optreden en proberen u een paar dingen te leren.

Het eerste wat ik u wil leren is het heel eenvoudige: denk even aan niets, ook niet aan mij. Aan niets. Als je stil bent in jezelf, dan word je je ook bewust dat er diep in je iets is en in het begin lijkt dat een leegte te zijn. Kijk naar de leegte in jezelf. Kijk hoe die leegte zich vult met kracht, licht, geef het een naam, en kijk hoe het je helemaal vervult. Hoe het rond je heen begint uit te stralen. Hoe het zelfs de aura uit begint te spatten.

(Denk je aan ‘niets’ en je bent het mooiste stukje geestelijk vuurwerk dat sedert lange tijd in de omgeving vertoond is.)

En nu de volgende stap.

Ik probeer aan niets te denken.

Er is rust. Er is stilte. Er is evenwicht. Niets kan je werkelijk storen. Niets kan je werkelijk en wezenlijk beroeren. Op dit ogenblik is er alleen vrede. Rust.

In die rust is dit licht met mij, in mij, rond mij. Straalt dit licht uit mij. Vormt zich een band van kracht tussen mij en al dat andere wat ik erken als deel van de Schepping wanneer ik weer waarneem.

Stilte. Rust.  Die enorme verbondenheid

die geen enkele andere omschrijving behoeft.

Probeer dat vast te houden, beleef dat. Voor je het beseft ben je als het ware geïnspireerd. Weet je beter wat je moet doen. Kun je beter de dingen verdragen die er gebeuren. Daarom moet je het regelmatig doen.

Maar er is nog een derde fase. Wanneer we die stilte, die rust, die vrede kunnen bereiken, dan laten we ons wezen los. Soms heb je dan het gevoel dat je als een ballon tot onmetelijke afmetingen toeneemt, opzwelt, alles als het ware omvat. Trek je er niets van aan. De kosmos is op dat ogenblik geheel in je.

En als je dan zoekt naar bewustzijn, naar kracht, naar weten, naar mogelijkheid, dan vloeit ze uit die gehele kosmos terug naar je bewustzijn. En in je bewustzijn vormt zich als het ware een keten. Een keten die ‑ elke keer wanneer de noodzaak er is ‑ je besef geeft.

Dan komt er een ogenblik dat je gewoon mediteert of alleen maar stil bent. En voor je het weet ontstaat er een wereld voor je ogen. Een wereld met wonderlijke beelden, misschien symbolen ‑ u bent nog mens. Laat die gewoon op je inwerken. Wees er deel van totdat je voelt: dit is genoeg. En denk dan aan jezelf in stoffelijke vorm terug.

Die drie fasen kun je altijd weer herhalen en gebruiken.

Als je vanuit geestelijke werelden die je zo beleeft verder wilt, probeer weer eerst die eenheid met de kracht in jezelf te voelen. Probeer de vrede te vinden. En als je die gevonden hebt laat de kosmos in jezelf omvat zijn. Je zult zien dat je weer een andere wereld betreedt. En weer een. En weer een. Zelfstandig kan ook de mens op deze wijze vele belangrijke geestelijke werelden betreden.

Maar onthoudt één ding: wie kracht voor zichzelf verlangt, ontvangt zwakte. Wie kracht voor een ander verlangt, ontvangt die kracht, maar ook niet meer. Maar wie de kracht in zich als een eenheid ervaart, beleeft, door zijn wezen heen laat gaan, vrijelijk die kracht schenkende aan de gehele kosmos, aan al het zijnde, die wordt sterker, die wordt krachtiger. Die verheft zich als het ware boven alle beperkingen die geestelijk, zelfs psychisch en stoffelijk kunnen bestaan.

Oude wetten van de magie beginnen in feite met de omkeerbaarheid der dingen. U kent het allemaal: zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven. Dat is alleen waar wanneer je niet omschrijft. De fout van de magie is dat ze omschrijft. Dat ze bepaalde krachten wil opwekken, bepaalde gebeurtenissen veroorzaken wil en daardoor zichzelf de mogelijkheid ontneemt volledigheid te ervaren en daardoor ook zichzelf uiteindelijk tot een mislukking doemt. En ik die dit zeg heb het zelf ervaren. Ik ben aan de mislukking ook zelf schuldig geweest. Maar u kunt de sleutel vinden tot de ware magie, tot de ware ontwikkeling, juist door dit vrij uitstralen van de kracht in u, het delen als het ware van hetgeen uw innerlijk wezen is met al wat bestaat. Want ‘zijn’ is ervaren. Ervaren, beleven, betekent bestaan. Het bestaan krijgt echter pas zin wanneer het ervaren het bestaan niet overheerst, maar het bestaan zelf het ervaren omhelst en het zo maakt tot een deel van een kosmisch gebeuren, een enkel symptoom van een volledigheid die onbeschrijfbaar is.

U hebt in uw leven fouten gemaakt, zoals velen. In vorige levens waarschijnlijk ook. Ze zijn onbelangrijk. Het enige wat belangrijk is, is de kracht die in u leeft, die door u werkt, die door u straalt, die vanuit en in u volledigheden uitdrukt die niet omschrijfbaar zijn. Wij kunnen het geheel niet omschrijven en kennen. De werkelijkheid is voor ons als het niet‑bestaande. Maar het is wel beleefbaar, al is het niet omschrijfbaar.

Het is daarom dat ik u nogmaals zeg: “Wees stil. Wees rustig. Kijk naar de leegte in uw wezen en zie hoe ze vervuld is van een sterke en pulserende lichtende kracht. Laat haar uitgaan door uw wezen, straal haar uit. Er is geen doel nodig. Wij zijn kracht en deel van de kracht.”

Laat de kracht in ons en de kracht buiten ons verweven zijn, opdat ons bewustzijn ons niet beperkt. En terwijl de kracht uitstraalt proberen we aan niets te denken. Te zijn, vrede, rust, stilte. De vrede die in mij is geef ik u en de vrede die in u schuilt zij deel van mijn vrede.

Rust, stilte en kracht. En daarin de vrijheid om volledig te zijn. Om in de volheid van al het bestaande te leven, omvattende alle voorstellingen van zijn, omvattende alle kracht van het zijn en uitstralende alle kracht van het zijn. Opdat wij in de volledigheid kunnen putten uit alle weten, uit alle waarheid en voor onszelf de vorm vinden waarin wij onszelf nu kunnen beleven.

En laat de kracht nu maar stralen, laat de vrede in u maar voortbestaan. Uw wereld wacht u. Maar ofschoon u deel bent van uw wereld bent u deel van alle werelden. Daarom kunt u leven in uw eigen wereld zonder afstand te doen van die kracht. Laat die wereld met haar gebeuren u meesleuren in vele richtingen, het hindert niet, want in u is de vrede en die vrede is sterker dan het gebeuren en overwint uiteindelijk alle uiterlijkheid.

Er zijn werelden waarin geen verschillen bestaan. Menselijk gezien een absolute eenvormigheid, maar ook een vervuld zijn van alle verscheidenheden die, samengevoegd, dit Ene tot stand brengen. Dat zijn de werelden waarin we uiteindelijk  zullen leven. Dat zijn de werelden waarvan de poorten voor een ieder er altijd openstaan. Maar het zijn ook de werelden die je alleen kunt betreden wanneer je bereid bent de kracht van die wereld te uiten, waar je je ook bevindt en hoe je ook leeft.

Kijk, dat is feitelijk alles wat ik u kan leren. Ik kan u wat rituele magie bijbrengen, maar waarom zou ik u dwaasheid leren? Ik kan mooie denkbeelden bij elkaar harken totdat het een berg van Babel van begrippen is geworden. Maar, de hemel bereik je zo niet. Daarom heb ik willen volstaan met u te wijzen op de kern van de zaak. Dit is mijn ervaring geweest. Zo ben ik gekomen tot de wereld waarin ik gelukkig ben, omdat ik vergeet dat ik gelukkig ben. Zo ben ik gekomen tot een volheid die alle dingen samenvat en in de simpele eenvoud van het niet‑verklaarde de zin gaat uitmaken van het bestaan.

Ik wilde u daar iets van meegeven. Ik heb u een paar kleine oefeningen gegeven die u, wanneer u ze al niet op uw eigen manier volbrengt, misschien verder kunnen helpen. Maar u bent uzelf. U hebt een eigen bewustzijn, een eigen voorgeschiedenis en alleen het einddoel lijkt mij ook voor u vast te staan en hetzelfde te zijn dat ik zo nu en dan mag proeven. Misschien hebt u er dus iets aan.

Maar zou dat niet het geval zijn, misschien zijn ook geesten dwazen die zichzelf zoeken te erkennen in ieder ander. Maar het geluk dat ik ken is zo groot, dat ik blij zou zijn eindelijk de poort daarheen ook voor u wat verder geopend te hebben.

Ik geloof niet dat ik nog veel te zeggen heb. En de voertuigen der stof doen mij toch wat primitief en ongemakkelijk aan, vergeef mij dus als ik afscheid neem.

Moge het licht en de kracht in ons werkzaam zijn en uitstralen door het gehele Al, tot in ons het Al herontstaat en wij in de Eenheid vertoeven: de enige waarheid die onomschrijfbaar blijft.