Magisch denken

 ‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 1) – oktober 1968

 Inleiding.

‘Geestelijke wetenschappen’ is een begrip, waarvan wij geen volledige en juiste omschrijving kunnen geven. Het gebied van de geest omvat zoveel dat menselijk niet geheel kenbaar en omschrijfbaar is, dat alleen om deze reden volledigheid onbereikbaar blijft. Daarnaast moeten wij rekening houden met het feit dat er zeer vele systemen, filosofieën en denkwijzen op aarde bestaan, die onder geestelijke wetenschappen worden gerangschikt zonder dat zich een onfeilbaar of een geheel gesloten systeem kan vormen.
In hetgeen wij u in het komende jaar gaan brengen, zullen wij zowel de zuiver geestelijke waarde als de in de materie bestaande systemen aanstippen. Daar wij het echter belangrijker voor u vinden dat u zelf kunt komen tot een verdere ontwikkeling in de richting van geestelijke wetenschappen en van beter begrip t.a.v. geestelijke waarden, zullen wij trachten om het geheel een enigszins praktisch karakter te geven. Dat wil zeggen dat u misschien minder schone en dichterlijke beschrijvingen te horen krijgt, maar daarvoor in de plaats vaak eenvoudige vuistregels, eenvoudige ezelsbruggetjes voor uw gedachten (waarmee ik niet wil zeggen dat u tot de soort viervoeter behoort, die over deze brug gaat), en ten laatste en zeker niet als minste onderwerpen, die aanvullend werken.
Wij zullen trachten elke avond de vorm en gestalte van een geheel te geven. Voor deze avond krijgt u als hoofdonderwerp een inleiding tot het magisch denken, na de pauze, door een vriend van mij, die eveneens als expert op dit terrein mag gelden, een overzicht van de oude magie en wat daar aan moeilijkheden en mogelijkheden in liggen.
Geestelijke wetenschap is driekwart geloof en een kwart feiten, samengevoegd op een zodanige wijze dat daarmee praktische resultaten te behalen zijn. Dit impliceert dat de gegeven feiten en regels voor de wetenschap slechts in zoverre belangrijk zijn als de gehele persoonlijkheid zich daarmee één kan gevoelen en op grond daarvan uit een zekere geloofswaarde kan werken.
Als ik denk aan de systemen van wichelarij, die er over de gehele wereld bestaan, dan valt mij op dat hierin het toeval een zeer grote rol speelt. Uitgezonderd misschien de astrologie, waar de toevalsfactor het geboortemoment is van degene, wiens horoscoop wordt getrokken. In al deze gevallen blijkt verder dat er een groot aantal regels en verklaringen bestaat. Maar om een juist gebruik van deze systemen te maken, is een selectief begrip en grote gevoeligheid, ja, een zekere geestelijke wetenschap van diegene noodzakelijk, die de middelen tot wichelarij hanteert. Dit zal gelden voor magie, voor kabbala, voor begrip en werken met de krachten, die de innerlijke weg met zich brengen. Kortom, er is geen enkel denkbeeld of systeem te vinden in de geestelijke wetenschappen, dat los kan worden gedacht van degene, die het hanteert. Het is belangrijk dat u daarmee rekening houdt. Niet wat wij zeggen alleen, maar vooral datgene, wat u gelooft, denkt en voelt, speelt de hoofdrol.
De formuleringen, die u krijgt, zijn uiteraard bruikbaar, anders zou u ze niet krijgen. Maar ze zijn alleen dan bruikbaar, indien u ze op een voor u passende en aanvaardbare wijze met voldoende vertrouwen in praktijk brengt. Ik meen dat deze algemene inleiding voldoende kan zijn.

Magisch denken

Als ik denk, voeg ik voor mij beelden tezamen, die door de samenhang, waarin ik ze stel, begrippen vormen. Deze begrippen kunnen dan gelden als een algemene regel,waarbinnen alle vergelijkbare feiten gerangschikt kun­nen zijn. Dit betekent dat mijn voorstellingswereld van groot belang is. Immers, de wijze waarop ik de feiten combineer, waarop ik conclusies trek, is afhankelijk van de wijze waarop ik denk. Zolang dit denken zich voltrekt in het spoor van de algemeen erkende normen, spreken wij van een redelijk den­ken. Dit betekent dat men tegenover anderen elke conclusie kan verantwoor­den aan de hand van feiten, althans dit zou moeten kunnen doen.
Daarnaast spreken wij van intuïtief denken. Hierbij worden conclusies getrokken, die niet geheel rationeel kunnen worden verklaard. Men slaat bepaalde bewerkingen kennelijk over of kan die niet in een stoffelijke waarde uitdrukken. Het intuïtief denken brengt ons dus reeds het onbekende, waarbij een deel van het onderbewustzijn, maar ook vele geestelijke waarden uit het ‘ik’ en uit de omgeving in het kader van een eindconclusie uitdrukbaar is.
Het magisch denken gaat nog een stap verder. Het groepeert niet de ontvangen impulsen binnen het kader van de redelijke erkenning en mogelijkheden maar neemt de redelijke erkenningen en mogelijkheden en hergroepeert ze in een geheel eigen wereldbeeld, waarbij de ratio desnoods wordt uitgeschakeld.
Het zal u duidelijk zijn dat magisch denken in de eerste plaats imaginatief denken is. Wat ik mij voorstel, is voor mij een redelijke werkelijkheid op het ogenblik dat ik er volledig in geloof. Die werkelijkheid wordt met anderen gedeeld of slechts gedeeltelijk aan anderen overgedragen. Voor mij is zij echter reëel. Dat betekent dat mijn verhouding t.a.v. mijn wereld en van de z.g. feiten en door de vaste normen en waarden wordt veranderd. Hoe sterker ik mij de verandering kan voorstellen, des te groter de mogelijkheid dat ik ook anders reageer en andere krachten gebruik.
Voor de mens is het denkbeeld, dat deze verandering alleen uit de kracht der gedachten zou ontstaan, natuurlijk niet aanvaardbaar. Men heeft dan ook in het verleden getracht het onbekende en onverklaarbare binnen een redelijk kader te plaatsen door persoonlijkheden te poneren, die van buitenaf als goden of demonen deze krachten tot uiting zouden brengen.
De relatie tussen de mens en deze goden of demonen was er één van zuiver menselijke aard. Ik kan hierop niet voldoende de nadruk leggen. Wij menen nl. al te vaak dat de band, die er tussen een mens en een geest, een mens en een god of een mens en een demon kan bestaan, er een is die op bovennatuurlijke gronden is gebaseerd. Dat komt omdat wij anders de relatie, zoals wij die mogelijk zien, niet kunnen verklaren. Maar meestal gaat het in feite om een ruilhandel: ik doe dit en jij doet dat. Het gaat in de meeste gevallen tevens om het eenvoudig stellen dat het een wat ik doe (b.v. het brengen van een offer, het uitspreken van een bezwering), bij de ander noodzakelijkerwijze een bepaald gevolg zal hebben dat ik nu reeds heb erkend. Oorzaak en gevolg worden dus overgebracht naar het imaginatieve vlak en van hieruit als werkelijkheid gehanteerd.
Nu is magisch denken voor de mens over het algemeen eenvoudig, zolang hij daar zelf niet geheel actief bij betrokken is. Het is zeer eenvoudig te bidden tot een godheid, tot een grote Meester of een heilige en hem te vragen iets tot stand te brengen. In alle kerken der aarde (van welke confessie dan ook) branden lampen, wordt wierook gebrand, klinken gebeden op, worden bepaalde riten voltrokken. Zij alle zijn de verklaring voor het vanzelf ingrijpen van het hogere.
In het bijgeloof zien wij precies hetzelfde. Als u onder een ladder doorloopt, dan volgt er ongeluk; breekt u een spiegel, u huwt in geen 7 jaren (wat sommigen een geluk, anderen een ongeluk oordelen). Hier is het dus niet bepalend wat u bent of doet, maar wel het feit dat die ladder zo staat, dat u er onderdoor kunt gaan, of het feit dat die spiegel breekt. Het is niet uw eigen actie; die is niet bepalend, zij is incidenteel. Het is eerder de ontstane relatie, die bepalend is.
In het magisch denken moeten wij juist deze toevalsfactor terzijde schuiven, want ook al wat magie heet en met magisch denken in verband staat, is in feite een geestelijke wetenschap. En in een wetenschap kunnen en mogen wij niet uitgaan van toevalligheden; daar moeten wij uitgaan van voor ons bestaande regels en feiten.
Nu kan ik stellen: Indien ik niet wil huwen, dan kan ik dus een spiegel breken. Zodra ik dit bewust doe, zou dus het gevolg moeten optreden. (Wat dan over het algemeen niet optreedt.) Ik heb dan zelf iets gedaan, waardoor ik iets wil bereiken. Dat is magisch handelen. Maar de gedachtegang, die daaraan ten grondslag ligt, is nog niet magisch. Want ik neem nu maar aan dat die spiegel dat inderdaad zonder meer tot stand brengt. Ik moet weten wat die spiegel is en wat zij doet. Pas als zij voor mij een bepaalde kracht of een verhouding van krachten weergeeft, die voor mij kenbaar is, zal mijn actie ook het resultaat zijn van een magisch denken, van een magisch besef.
Stel nu, ik ken het geheel van mijn wereld niet. Ik besef wel de verschijnselen, welke die wereld vormen. Achter alle verschijnselen moet een oorzaak liggen. Deze kan kenbaar, definieerbaar of niet‑kenbaar, niet‑definieerbaar zijn. Indien een oorzaak niet onmiddellijk redelijk of zintuiglijk kenbaar of definieerbaar is, kan ik door eliminatie van oorzaken toch komen tot een omschrijving van hetgeen oorzakelijk zou moeten zijn. De basis van het magisch denken is dus niet het zonder meer erkennen van kosmische wetten of geestelijke of demonische krachten. Het is eerder het uitschakelen van andere oorzaken, totdat er een bepaald omschrijfbaar (maar niet gekend) gebied overblijft; welk gebied ik dan kan benoemen en door mijn kennis van de begrenzingen ervan ook enigszins kan hanteren. Hoe meer ik niet weet, des te groter voor mij de magie, die noodzakelijk is om mijn leven te verklaren. Hoe meer ik meen te weten, des te meer ik voorbijga aan het onbekende, nalaat het onbekende te definiëren of althans te omschrijven en hierdoor niet kom tot een bewuster, actiever en beheerster leven.
De magie van de oude volkeren geeft ons hiervan zeer interessante voorbeelden. Zo is het Atlantisch denken gebaseerd op wat men kan noemen een telepathisch contact met entiteiten. Hier geldt: Als ik de entiteit heb bepaald, dan heb ik mee bepaald wat haar krachten en haar algemene neiging is. Ongeacht de persoonlijke verschillen mag ik dus erop rekenen dat een beïnvloeding van een geest zekere resultaten uit die geest met zich brengt.
Atlantische magie is in de eerste plaats geestenmagie, waarbij ‑ en dat mogen wij niet over het hoofd zien ‑ de geest niet alleen als onmiddellijke voltrekker van het magisch gebeuren geldt, maar daarnaast in zeer belangrijke mate als raadgever optreedt. Daar waar de mens zelf niet beseft, kan de geest wel beseffen. Hij kan de conclusies van hetgeen wordt beseft aan de mens weergeven in een zodanige vorm, dat de mens daden kan stellen, welke voor hem onverklaarbare gevolgen hebben. Dit kunnen zuiver natuurlijke kwesties zijn, chemische reacties, b.v. het gebruikmaken van bepaalde magnetische krachten en stralingen; wat in Atlantis inderdaad is gebeurd.
De tijd van de primitieve magie, die na het hoogtepunt van Atlantis overal opbloeit, is in de eerste plaats gebaseerd op het uitbeelden van schijnbaar abstracte begrippen. Strijdvaardigheid, moed, oorlog zijn belangrijke factoren in het menselijk leven. Deze factoren zijn onberekenbaar. De berekenbaarheid daarvan moet ergens bestaan; dientengevolge oorlogsgoden.
Een oorlogsgod krijgt een gestalte. Die gestalte kan aan de fantasie ontleend zijn, maar ook aan andere levende wezens. Als ik deze god aanroep, dan roep ik datgene aan, wat de strijd helpt bepalen. Mijn besef t.a.v. de strijd en haar mogelijkheden wordt groter en dientengevolge zal ik de strijd juister en vollediger kunnen voeren.
Oude hindoe‑geschriften zowel als uw eigen bijbel en verschillende andere oude geschriften en verhalen geven steeds iets van oorlog weer. Opvallend is hierbij dat strategie vaak als een ingrijpen van de goden wordt beschouwd. Denken wij aan Salomo, die zijn vijanden verblindt door de zon te doen weerkaatsen in de schilden van zijn krijgers. Denken wij aan Gideon, die een bepaalde methode van psychologische oorlogsvoering uitwerkt: flambouwen met daarbij het krijgsgeschreeuw. Deze dingen worden als goddelijk voorgesteld omdat er geen regels bestaan, waardoor de mens ze zonder meer zou kunnen kennen, berekenen en begrijpen.
Het komt erop neer dat deze vroege magie, die in vele vormen lang bewaard is gebleven, in feite de abstractie vorm geeft en de eenmaal gegeven vorm als werkelijkheid hanteert. Daarna krijgen wij de concretisering van het godsbegrip in beelden, in voorwerpen. De heilige bomen, de heilige bronnen, de spiegelvijvers zijn het begin. Maar dan worden wij toch zeer snel geconfron­teerd met heiligenbeelden of godenbeelden, die kunnen worden beïnvloed. Het slaan van spijkers b.v. in bomen en beelden is een bekende poging om door een stoffelijke actie een geestelijke werking te verkrijgen. Hierbij gaat de gewone gelovige uit van het standpunt, dat de actie op zichzelf het resultaat veroorzaakt. De magiër denkt daar anders over; en vergeet u niet dat ook dit denken kan worden teruggevoerd tot 10.000 jaar voor uw jaartelling.
Als ik een feitelijke voorstelling heb (al dan niet juist), waarin een bestaande kracht voor mij omschreven is, zal elke voorstelling, die men zich daarvan op aarde maakt, bruikbaar zijn om deze kracht tot mij te trekken. Ik voel mij daarmee één. Naarmate ik mij meer met die kracht één gevoel, kan ik meer aan die kracht overdragen. Als ik dus het beeld of de boom a.h.w. mishan­del, breng ik een deel van mijzelf, dat één is met de kracht waarin ik geloof, in een toestand van vergrote activiteit. Die vergrote activiteit zal op geeste­lijk en ander terrein leiden tot een concretere daadstelling en daarmee tot de projectie van vele krachten, die de mens normaal niet pleegt te kennen.Dit zijn, zoals u zult begrijpen, eenvoudige voorbeelden.
In Egypte is de gehele structuur veel ingewikkelder geworden en zien wij dat men gelooft in de inwijding. Deze inwijding is te vergelijken met hetgeen zich ook na de dood schijnt te voltrekken. Ook in andere landen bestaan soortgelijke overleveringen. Belangrijk bij dit denken is nu dat de macht wordt uitgedrukt door een woord. Een woord is een begrip; en begrip is de omschrijving in gedachten van een waarde. Naarmate de associatie met de waarde intenser wordt en gelijktijdig een vergelijking met stoffelijke waarden kleiner, zal de eigen geestelijke kracht meer worden geprojecteerd. De z.g. wachtwoorden van een Dodenboek, de magische formules van de priesters, de bezweringen en bezweringsgebaren kunnen dus m.i. worden beschouwd als een soort mathematica, waarin de definitie plaatsvindt van de verschillende vergelijkbare inhoudswaarden van eigen denken, geest en contact met andere woorden of wereld.
Van hieruit kunnen wij een grote stap verdergaan omdat het christendom later een groot gedeelte van de magie eigenlijk ongedaan heeft gemaakt, terwijl in andere landen de magie vastloopt in filosofie, waarbij het daadelement vermindert. Ik geloof dan ook nu te kunnen overgaan tot het magisch denken, zoals het in uw eigen tijd kan bestaan en de manier waarop het hanteerbaar is.
Wat ik mij voorstel, moet ergens waar kunnen zijn, anders is het niet voorstelbaar. Wat ik mij voorstel, moet echter één zijn met mijn wezen en mijn willen, omdat ik zonder dit de bedoelde intentie niet voldoende kan uitstralen en daarmee de mogelijkheid voor mij niet tot werkelijkheid kan maken.
Verder is het noodzakelijk dat ik in het magisch denken mijn eigen formulering gebruik. In de oudheid was het mogelijk om in oude, vergeten talen te spreken en daaruit magische formules te brengen. In deze tijd zal men de taal al heel gauw als onzin (dus niet zinnig) bestempelen, ofwel beschouwen als het herhalen van onbegrepen woorden. Daardoor is deze vorm van magie niet meer erg aanvaardbaar.
Elke mens heeft echter zijn speciale uitdrukkingen, die hij gebruikt om zijn eigen wereld nader te omschrijven. Dat kan een uitdrukking zijn tegenover een medemens, waardoor een speciale relatie, een gevoelswaarde, een geestelijke inhoud misschien tot uitdrukking komt. Zodra dit een persoonlijke uiting is, zal de uiting op zichzelf alle daarachter liggende begrippen mee voor het ‘ik’ en waarschijnlijk ook voor degene tegenover wie men het gebruikt, activeren. De verhouding wordt daarmee dus bepalend. Indien dit waar is, zal elke verhouding door dit eigen woord of begrip in mij ten aanzien van een ander ‑ en in zoverre er een reëel contact bestaat in de ander ten aanzien van mij ‑ bepaalbaar en dus ook beheersbaar worden. Dit is de eerste vorm, die wij in het magisch denken moeten accepteren.

Het sleutelwoord of de sleutelbegrippen.

Een dergelijke sleutel kan ik alleen uit eigen wezen putten. Ik kan daarbij gebruikmaken van de kennis, die ik buiten mij opdoe, maar de bijzondere waarde, die ik aan een woord of een begrip ga geven, is geheel afhankelijk van mijn denken, van mijn geloof en van mijn persoonlijke inhoud. Het is duidelijk, hier ligt een persoonlijke waarde. De algemene regel is:

Het magische sleutelwoord zal het ‘ik’ ontplooien tot zijn volle kracht en bepalen in zijn verhouding tot het andere door het grondbegrip, dat eraan ten grondslag ligt.

Dan moeten wij begrijpen dat de overdrachtelijkheid, die in dit hanteren van het woord ligt, eigenlijk in alle dingen kan worden vastgelegd. Elk voorwerp, dat ik hanteer, kan voor mij een bijzondere betekenis hebben. In de oudheid noemde men dat een fetisj of amulet. In de moderne tijd spreekt men eerder over sentimentswaarden, geluksbrengers. In feite betekent het: een voorwerp kan voor mij de uitdrukking zijn van een toestand of een begrip; en door het hanteren van het voorwerp wordt voor mij die toestand of dat begrip zo scherp omlijnd, dat ik volgens die waarde zal reageren.
In de praktijk zal eenieder daarvoor andere dingen gebruiken. Maar aangezien voorwerpen de dragers kunnen zijn van dergelijke begripswaarden, kan worden gesteld: Eenieder, die voorwerpen kent, waaraan hij of zij een zeer bijzondere betekenis geeft, zal deze kunnen gebruiken om in zichzelf bepaalde kwaliteiten te wekken of voor zichzelf bepaalde mogelijkheden te vergroten.
Dan kennen wij de daad als magische waarde. In deze tijd heeft het uitgebreid magisch ritueel m.i. grotendeels afgedaan, omdat de mens niet de rust, de tijd en de voorbereiding kan vinden om die magische daad juist te volbrengen. Wij mogen dus niet meer, zoals in het verleden, zoeken naar het exceptionele ritueel, dat buiten de wereld staat. Wij zullen eerder moeten zoeken naar dingen in de wereld, die voor ons een bijzondere betekenis hebben. Als dergelijke handelingen, daden, actiemogelijkheden bestaan en zij voor ons een bepaalde inhoud bezitten, die verdergaat dan het onmiddellijk kenbare, dan kunnen wij ze gebruiken om al hetgeen wij aan die voorstelling verbinden ook waar te maken. Hierdoor is de daad in de moderne magie wel zeer belangrijk geworden. Het woord kan men voor zichzelf gebruiken.
De materiële waarden zal men als modern mens vaak terzijde schuiven, omdat het geloof aan materie, die iets kan doen, nu eenmaal niet erg past in het hedendaagse denken. Maar dat daden iets tot stand brengen, gelooft men nog steeds. Daarom is het eenvoudiger aan een actie een grotere inhoud te geven dan de algemeen kenbare, dan aan b.v. een voorwerp. Daden kunnen dus worden gebruikt om grotere krachten in het ‘ik’ te wekken.
Met al deze artikelen heb ik getracht duidelijk te maken, dat in het magisch denken het vergroten van eigen vermogen en capaciteit een allereerste plaats dient in te nemen. De afhankelijkheid van andere krachten zal over het algemeen het geestelijk peil van degene, die daarvan gebruik maakt, wat verlagen. Het zal hem moeilijkheden bezorgen, omdat hij die andere krachten niet altijd geheel kent. Ga in het magisch denken dus uit van het standpunt, dat u meer mogelijkheden en kwaliteiten bezit dan algemeen kenbaar of redelijk omschrijfbaar zijn. Tracht door middel van associaties en een bewust gebruiken van de ontstane associaties deze krachten in uzelf te wekken en te ontplooien. Waar in het redelijk denken een verklaring, een ‘hoe’ en ‘waarom’ altijd noodzakelijk blijft, is in het magisch denken dit niet het geval. Soms is het ‘waarom’ bepalend, soms is het ‘hoe’ bepalend. Maar wanneer wij de vraag ‘waarom’ volledig kunnen beantwoorden, is het ‘hoe’ vanzelfsprekend geworden; het ligt dus in het ‘waarom’. Als wij de vraag ‘hoe’ hebben beantwoord, is het ‘waarom’ mee gedefinieerd; d.w.z. dat bepaalde logische factoren in het ma­gisch denken wegvallen. Zij vallen weg omdat wij in onze motivering, ons den­ken en gebruik komen tot een zo compacte gevoelsformulering, dat een verstan­delijke uitleg deze alleen maar kan schaden. In het magisch denken stellen wij dan ook in de eerste plaats: Niets is onmogelijk. Nu weet ik dat er dingen zijn, die onmogelijk zijn. Als u probeert in uw eigen rug te bijten, zult u, zelfs als slangenmens, zeer grote moeilijkheden ervaren. Maar het gaat er mij niet om of ik dit feitelijk kan doen. Het gaat mij erom: kan ik dit veroorzaken? Veroorzaken kan ik alles. Daarom stel ik: Er is niets onmogelijk, maar ik kan niet van alles de weg en de mid­delen vanuit mijzelf omschrijven. Dan zouden wij dus als algemene regel kunnen stellen:

Een redelijke verklaring van mogelijkheid is niet belangrijk. Zij zal, in­dien ik dit tracht te bereiken, vaak mijn geloof, mijn gevoelswaarde en soms zelfs de waardering voor bepaalde woorden, middelen of krachten die ik heb, eenvoudigweg schaden. Laat mij daarom in het magisch denken nooit trachten het hogere terug te brengen tot mijn eigen termen. Laat mij alleen mijn verhouding tot het hogere uitdrukken in voor mij hanteerbare, bepaalbare en herhaalbare termen. Dit laatste is voor sommigen van u onduidelijk. Ik zal het trachten uit te leggen.
Ik wil de zon laten opgaan te middernacht. Dat is niet mogelijk. Zon betekent voor mij licht. Als ik dus zeg: Er moet licht zijn te middernacht, dan is dit wel mogelijk. Ga ik dit overwegen, dan zal ik nooit tot een verge­lijkbaar licht kunnen komen; wat ik krijg is een kaarsvlammetje, niet een zon. Ga ik echter niet de middelen overwegen maar de noodzaak en weet ik deze vanuit mijzelf zeer sterk tot uiting te brengen, dan zal hierdoor geestelijke kracht worden ontplooid. Deze geestelijke kracht kan dan stoffelijk b.v. brengen een voor mij en enkele anderen waarneembare straling, die vergelijkbaar is met zon­licht; een fluorescentie waarin alles kenbaar is als bij zonlicht. Maar op het ogenblik dat ik wil verklaren hoe het gaat, gaat het niet meer. Daarom, wij moe­ten niet uitgaan van de vraag: Hoe kan het? Wij moeten uitgaan van de vraag: Wat wil ik?
In de tweede plaats geloof ik dat hetgeen ik wil, bereikbaar is. Geloof ik dit niet, geen resultaat.
Nu zou de moderne mens meestal wat redelijk en logisch willen denken en hij zou daarom geneigd zijn formuleringen te geven. De formuleringen, die ik u hier geef, vormen een klein systeem. Ze zijn niet onfeilbaar, maar ze kunnen dienen als basis voor het vinden van een eigen systeem.

  1. Elk begrip is gelijk, onverschillig hoe het wordt uitgedrukt, hetzij als begrip, als feit of als constatering. Als ik zeg ‘water’, dan is water precies hetzelfde als het geschreven symbool voor die samenstel­ling: H²O . Indien ik dit besef en ik heb niets te drinken, kan ik H²O neerschrijven en water verkrijgen.
  2.  Alle waarden van één klasse zijn gelijk. Wij hebben in de magie dus in de eerste plaats te maken met een kwalitatieve bepaling, niet met een kwantitatieve. Als ik zeg dat ik goud wil maken, dan heb ik niet gezegd hoeveel goud. Dit kan ik niet doen. Zodra ik begin met een calculus waarbij hoeveelheden (getallen) een rol spelen, ben ik nl. niet meer in staat om goud te omschrijven. Ik kan nl. maar één ding tegelijk opschrijven. In het magisch denken is dus de omschrijving van het gewenste noodzakelijk. Als ik neerschrijf ‘goud’, dan is dat goud, mits ik daarin voldoende ge­loof. Dit laatste klinkt een beetje vreemd (de meesten zullen aan het goud maken niet zo gauw toekomen, wat u ongetwijfeld betreurt), maar dit is het principe. Als ik een samenstelling moet maken van iets en ik weet hoe de oorspronkelijke structuur is, dan kan ik zeggen: Als ik cement en steen neergooi en denk aan de vorm ‘huis’, dan zullen die zich hergroeperen in de vorm ‘huis’. Dit drukt men uit. De groepering en hergroepering van materiële waarden is mogelijk, mits de materiële waarden worden erkend als een noodzakelijk grondbestanddeel van het denkbeeld en dit met volledige omschrijving en kracht wordt uitgedrukt. Ook dat zal in uw dagen niet zo gemakkelijk worden aanvaard. Het is echter wederom een basisbegrip voor degene, die in magie wil leren denken.
  3.  Alles wat meetbaar is (dus abstract), is in wezen gelijk. De uitdrukking waarin ik meet ‑ of het in centimeters is of op een andere manier ‑ is dus een waardebepaling mijnerzijds. Dan zal hetgeen omschrijfbaar is volgens mijn bepaling, kunnen worden uitgedrukt. Indien u afstand kunt uit­drukken als snelheid (beweging), als verschil van standpunt, als energie van beweging, als tijd etc., dan volgt hieruit dat u in bepaalde ruimtel­ijke verhoudingen al die waarden kunt maken door uw waardering; dat ge­beurt in feite door meten. Maar indien ik nu het proces, dat daarbij te pas komt, uitschakel, blijft voor mij de feitelijke gelijkheid bestaan. Daarom geldt: Hoe hoger de kracht, die ik besef en hoe sterker de een­heid of de verbondenheid, die ik daarmee gevoel, des te groter voor mij de hanteerbare energie is. Ik heb niet een feitelijk verschil tussen mij en het andere omschreven, maar een capaciteit begrensd door het andere en mijzelf.
    Voorbeeld: U heeft een kist van 2 bij 3 meter en een diepte van 1 meter. Nu kan ik zeggen: Die kist is 2 meter lang. Ik kan ook zeggen. Zij is 2 meter breed. Maar ik kan ook zeggen: Zij heeft een inhoud van 6 m³. Als ik zeg 6 m³, dan heb ik bergruimte, een mogelijkheid, omschreven. Bij de afstand heb ik alleen maar geconstateerd zonder meer. De meting van de kist kan dus verschillende betekenissen hebben. De meting van krachten en mogelijkheden ligt in hetzelfde vlak. Als ik zeg dat er een hoge geest is, die met mij samenwerkt, dan moet ik niet zeggen: Ik stel de afstand of het verschil tussen ons beiden vast maar de mogelijke capaciteit, dus de hoeveelheid energie, die tussen ons beiden zou kunnen bestaan. En hoe groter die afstand, hoe groter ook de energie.
    Uit dit alles vloeit voort dat magisch denken in de allereerste plaats dus is: erkenning van mogelijkheid. Elke erkende mogelijkheid kan tot werkelijkheid worden, mits ik de juiste spanning tussen mij en de begrenzing van de mogelijkheid tot stand breng, Elke werking in de magie gaat dus van mij uit. Elke opgeroepen geest, elke geestelijke sfeer die ik inschakel, elke kracht van licht, elke kosmische tendens, die ik hanteer voor een bepaald doel, zal ik alleen kunnen gebruiken, indien ik kom tot een omschrijving van de verhouding tussen mij en dit andere. Elke werking zal voor mij uit mijzelf plaatsvinden en niet in wezen aan het andere kunnen worden toegeschreven daar alles wat er gebeurt, een projectie is van mijn eigen vaststelling. Deze grondstellingen zijn, geloof ik, op zichzelf voor deze tijd wel aanvaardbaar, al vragen ze misschien enige overdenking. In de praktijk kan je met die regels natuurlijk alleen werken, indien je ze helemaal zelf hebt uitgezocht. Daarom zou enige vereenvoudiging aan het einde van mijn onderwerp zeker niet schaden.

Ik stel:

  1. Als ik iets volledig besef, kan ik het waarmaken, ik kan het verhinderen, kortom, ik kan het veranderen. Ik kan niets teniet doen, ik kan niets uit het niet zonder meer vormen, maar ik kan alles vervormen. Als ik met geestelijke kracht wil werken, dan gaat het erom wat ik met die kracht wil doen, wat ik wil veranderen in het bestaande. Indien u magisch wilt denken, moet u dus nooit uitgaan van wat er nu allemaal nodig zou zijn om die verandering tot stand te brengen, maar van wat er is en wat het moet worden. Kortom, u mag in de magie denken aan het plaatje vóór de behandeling en na de behandeling; het tussenliggend genezingsproces behoeft u niet te beschrijven. Hoe minder u dat beschrijft, des te gemakkelijker en vanzelfsprekender het ook tot stand komt.
  2. Indien wij werken met de magie, moeten wij nooit trachten de resultaten buiten het normale te houden. Laten deze resultaten zich in onze normale wereld zo eenvoudig en zo logisch mogelijk invoegen. Ofschoon het voor sommigen begerenswaard is een spectaculair resultaat te verkrijgen, zullen zij aan de andere kant daarbij vele consequenties voor zichzelf en anderen tot stand brengen, die zij niet kunnen over­zien. Indien de feiten zich schijnbaar natuurlijk in het geheel invoegen, zullen zij echter te handhaven zijn en geen verweer en al te onverwachte consequenties met zich brengen. Tracht met uw gedachtekracht altijd zo te werken, dat hetgeen geschiedt, zo natuurlijk mogelijk verloopt.
  3. Probeert u a.u.b. niet geesten op te roepen omdat het geesten zijn. Probeer eerder voor uzelf een verbonden‑zijn met andere krachten – hoe dan ook omschreven ‑ te realiseren. Begrijp dat het uitdrukken van een wens, magisch gezien, de vervulling inhoudt, mits men er voldoende aan gelooft. Dit geldt zeer zeker voor aanroepingen, oproepingen en al wat ermee verbonden is.
  4. Houdt u niet in de eerste plaats bezig met de z.g. materiële magie. Zij vergt grote vaardigheid en bergt in zich grote mogelijkheden tot falen en zelfmisleiding. Tracht te werken met geestelijke magie; d.w.z. in de eerste plaats met uzelf, uw gedachten, uw daden, uw handelingen. Laat deze binnen het normale vlak van uw bestaan vallen, voor zover dit mogelijk is.
  5. Tracht niet te denken aan redelijk of niet‑redelijk, als u magisch denkt of handelt. Deze begrippen spelen geen enkele rol, behalve voor het constateren van resultaten. Of een ander het dwaas vindt of niet, doet niet ter zake. Of men meent dat dit wijs is of dat het een onmogelijkheid is, interesseert u niet. Op het ogenblik dat u magisch denkt, moet u in uw eigen wereld leven, die alleen wordt beperkt door uw vermogen tot voorstelling.

Indien u hier nog een raad ven mij wilt aannemen: Richt het magisch denken niet op uzelf. Ook niet in de eerste plaats t.a.v. resultaten. Hoe meer u uzelf stelt als belanghebbende factor in de magische handeling, de magische gedachte, de evocatie enz., des te minder u in staat zult zijn gelijktijdig volledig en zonder voorbehoud deel te zijn van hetgeen u magisch volbrengt.
Deze inleiding tot het magisch denken is uiteraard een begin. Maar het vervolg ervan moet in uw verstand, in uw gevoel kristalliseren en op de duur ook in uw besef, dat misschien niet verder omschrijfbaar is. Al hetgeen u hoort, heeft gehoord of zult horen omtrent andere systemen, krach­ten en mogelijkheden, zal bijdragen tot de kristallisatie van dit magisch denken, dit vermogen tot magisch denken. U kunt alleen meer zijn dan u denkt, indien u eerst leert eraan te denken, dat u meer bent dan u hebt gedacht. Ga uit van uzelf. Besef dat daarbij alle krachten, die niet kunnen worden verklaard, een willekeurige naam kunnen krijgen zolang het onverklaarbare dan tenminste in zijn werking of begrenzing wordt omschreven.

Oude magie

Lang voordat er een mens was, die iets aan wetenschap deed, waren er magiërs. Al die magiërs hadden hun eigen methode van werken, van optreden; en ik geloof wel dat wij uit die oude magie vandaag nog iets kunnen leren.
Tegenwoordig kennen wij statistieken en toevalsberekeningen. Vroeger had je de verschillende orakels o.a. het z.g. graanorakel in Babylon, waar men speciaal gefokt pluimvee losliet op een tafel, waarop verschillend gekleurd graan was gestrooid en ze dan een tijdje lieten pikken om vervolgens te constateren wat er was overgebleven. Die restanten zeiden hun heel veel, vooral als de vogel er iets bij had laten vallen; dat gaf er een bijzondere betekenis aan.
Dat de mensen op die manier de toekomst voorspelden, was helemaal niet zo dwaas, want het toeval is een factor, die overal ongeveer gelijk optreedt. In de oude magie wisten ze dat. Ze wisten b.v.: Wanneer wij deze keer onheil hebben, is het bijna zeker dat we dat nog een keer krijgen. En als de tekenen zo waren dat het onheil wel zou meevallen, dan zei men: Het ergste hebben we gehad, het flauwt af. Aan de andere kant kon het zijn dat die heilige kippen of duiven (heel vaak de duiven van Ishtar) werden losgelaten en zoveel vraten dat er bijna niets overbleef. Dan zeiden ze: Ja, nu kun je wel zien, het wordt heel erg; en ze hadden altijd gelijk.
Dat is een manier van wichelen, dat we op duizend‑en‑één manieren hebben gezien. Het wichelen uit de ingewanden van dieren b.v. U zult zeggen: Dat is heel wat anders dan sterrenkunde en astrologie. Maar als u naar de hemel kijkt, dan zijn dat wel vaste wetten en u kunt het een beetje vooruit berekenen, maar het is eigenlijk ook toeval dat de zaak toevallig zo staat. Daarom kan men met die auguriën uit de ingewanden van dieren, soms van gevangenen of van slaven of van kinderen ook afwijkingen constateren; en als je die nu maar goed wist te interpreteren, dan was het in orde.
Het is duidelijk dat het interpreteren van tekenen eigenlijk van het begin af aan in de magie een heel belangrijke rol heeft gespeeld. Het begint al als wij te maken krijgen met de eerste priesters, tovenaars, sjamanen of misschien beter gezegd: sprekers met geesten, dat was het ook niet helemaal. Die eerste mensen, die met allerhande ratels en geluid voortbrengende instrumenten zichzelf wisten op te werken tot een staat van verdwazing. Wat werd er nl. gedaan?
Deze mensen begonnen een soort dans, waarmee ze zichzelf opzweepten. In heel veel gevallen hanteerden ze daarbij een soort slingerhout aan een liaan. Dat zoemde heel erg; en dat voortdurende gezoem, dat kan ik u verzekeren, is niet alleen irriterend maar op een gegeven ogenblik zo enerverend, dat je de werkelijkheid kwijt raakt. Zoals menig chauffeur door het gezoem van de wielen op een asfaltdek in deze tijd eigenlijk een beetje aan het dagdromen slaat. De dagdromen plus alle verwachtingen, spanningen en noodzaken om iets te presteren, brachten allerlei invallen en herinneringen naar voren, waartoe zo’n persoon normalerwijze geen toegang had. U kunt zeggen: dat was zijn onderbewustzijn; maar hij kon ineens profeteren. Hij kon naast heel veel zinloze dingen heel zinnige beslissingen nemen t.a.v. voeding, van kruiden, de manier waarop een wond moest worden behandeld, de manier hoe moest worden gejaagd. Die mensen zijn eigenlijk degenen geweest, die de magie een klein beetje op poten hebben gezet. Want toen zij eenmaal bepaalde dingen konden doen, die onbegrijpelijk waren, kwam iedereen bij hen om een verklaring te krijgen voor andere dingen, die zij ook niet begrepen. Dat werd nu uitgelegd, of ze er iets van begrepen of niet. Op die manier ontstond er een systeem.
Bij dat systeem is de voorspelling eigenlijk het eerste punt dat op de voorgrond komt. Uit degenen, die zich bezighielden met prognoses, is een heel geslacht van tovenaars en zelfs van wetenschapsmensen geboren. Maar natuurlijk gingen die mensen langzamerhand zelf geloven in wat ze vertelden. En dat ging zo van vader op zoon over. Iedereen bracht in het begin zijn ervaringen en verklaringen over aan zijn kinderen, later ook vaak aan leerlingen of geadopteerde kinderen. En zo breidde dat hele verhaal zich uit en ontstond er een warboel, waarin niemand precies meer de weg wist. Dat warboeltje behield heel veel feiten. U moet dus niet te gering over die mensen denken. Ik weet het, de mensen leefden veel primitiever dan tegenwoordig en ze waren goedgeloviger, maar het waren deze tovenaars, die vaak een kruidenkennis hadden, die werkelijk ontstellend was. Deze mensen maakten voor hun liefdesdranken, bindings‑ en beschermingsdranken gebruik van bestanddelen, die we er tegenwoordig nog voor gebruiken, alleen gaat het nu wat wetenschappelijker en spreken wij over het gebruik van hormonen en bepaalde prikkelstoffen. Vroeger spraken ze over bepaalde delen van b.v. een stier en over de ogen van het een of ander wezen.
Het geloof dat de inspiratie van buitenaf komt, maakt het nodig om ook te verklaren waar ze vandaan kwam. In het begin waren dat de voorvaderen, op de duur waren er zoveel voorvaderen dat je een selectie moest maken. Toen werden het vanzelf beschermgeesten, die langzaam maar zeker stamgoden werden. Een stamgod was een betrekkelijk willekeurige voorstelling, die gebaseerd was op de overlevering uit het verleden.
Als wij b.v. denken aan de Phoeniciërs, dan hebben wij te maken met een volk dat veel zeevaart pleegt voor die tijd; dat een beetje af weet van het le­ven in het water. Is het niet zonderling dat juist zij Dagon hebben, die een visgod is? En het is dan ook duidelijk dat al hun magie is gebaseerd op wat zij weten van de wolken, de zee, de wind en de stromingen. Voor hen is magie het veroorzaken van een gunstige stroming, het oproepen van een wind, die je in de juiste richting stuwt. Daarom vinden wij bij hen dus niet alleen de offers, die wij overal vinden, daarnaast een gemeenschappelijk fluiten. Het voort­brengen van fluitgeluiden door 10, 12 priesters, meestal omringd door een aan­ tal dansende priesteressen of slavenmeisjes.
U zult zeggen: Waarom? De mens veroorzaakte op die manier windstuwkracht. Die stuwkracht werd in een bepaalde richting geleid. Als er nu toevallig een leger was, dat in die richting moest vechten, dan had het dus de wind mee, het ging dan gemakkelijker.
Het klinkt allemaal een beetje fantastisch. Maar vergeet niet dat er zelfs nu nog mensen zijn, die zeggen: Als het stormt, moet je niet fluiten want dan wordt de wind erger. Dus zo heel ver staat u er ook nog niet van af.
Bijzonder interessant wordt de magie pas als we overdrachtelijkheidsmagie krijgen.
Overdrachtelijkheidsmagie ontstaat eigenlijk bij de vroegere groene magiërs. Dat zijn de mensen, die natuurmagiërs mogen heten; een soort heksen en heksenmeesters, die met kruiden en natuurkrachten werken. Deze mensen zeggen nl.: Als ik een veertje heb, is dat van een vogel. Een vogel kan vliegen. Als ik dus dat veertje ergens anders aan vastmaak, kan het ook vliegen. En in sommige gevallen (b.v. bij een pijl) werkte dat ook. Als ik daar een veer op de juiste manier,aan vastmaak, dan houdt hij beter richting. En als het met een veertje kan, dan kan het met iets anders ook.
Als ik iemand slim wil hebben, laat ik hem dan eens insmeren met de hersenen van een vosje, want een vos is slim. Zo ontstond er eigenlijk een aantal magische recepten, die op overdrachtelijkheid waren gebaseerd.
Dat dat soms wel wat onsmakelijk was, moge blijken uit een feit dat in Rome gebeurde. Daar was een grote begraafplaats even buiten de stad. Op het rotsachtige veld woonde een heks, die nogal gezien was; ze kon nl. je vijanden uit de weg ruimen met een drankje, ze kon je de gunsten van man of vrouw bezorgen middels een drankje en bovendien deed ze zo gek. Als het volle maan was, ging ze naar de graven waar pas begraven mensen lagen. Deze stak ze de ogen uit en at ze op, want met het oog kon je zien. Als ze dus voldoende ogen zou eten, dan zou ze veel beter en veel meer kunnen zien dan anderen. Daarom was ze op de duur ook zeer beroemd om haar profetieën.
U zult zeggen: Dat is een krankzinnig gedoe. Volkomen waar. Maar deze vrouw kon veel meer voorspellen dan anderen en zij kon dat alleen onder bepaalde condities; nl. als ze net voldoende ogen had gegeten. Onsmakelijk, maar opvallend. In heel veel gevallen treffen we in die oude magie mensen aan, die iets alleen kunnen volbrengen, indien ze de beschikking hebben over een zeker hulpmiddel of ze gebruik kunnen maken van een zekere procedure.
Denkt u nu eens aan b.v. de oude tempels van Asclepius (de genezingstepels), waar een slang rondkroop; een tamme slang overigens, een soort huisdier. Deze slang werd met patiënten in aanraking gebracht en daardoor werden ze beter. In Lourdes worden mensen ook beter, nadat ze de H. Communie hebben ontvangen. Ik wil niet zeggen dat het vergelijkbaar is, maar er zit toch iets van hetzelfde in. Die slang was a.h.w. de uitdrukking van het geloof aan de genezing en daarom kon je daarmee werken.
Nu moet u niet denken dat dat alleen in die tempels gebeurde want ook in Egypte had men bepaalde plechtigheden, waarbij slangen een rol speelden. Vreemd genoeg werden die slangen gebruikt om een mens onkwetsbaar te maken; o.a. bepaalde soldaten, vooral officieren. Deze slangen moest je niet aanraken. Je moest ernaar kijken en in sommige gevallen er tussendoor lopen. Dat tussendoor lopen was betrekkelijk eenvoudig. Men had een soort slangenkuil. De slangen daarin (er waren giftige bij, woestijnadders e.d.) waren goed gevoed, daardoor loom en sloegen dus niet tijdig toe. Het lopen door de slangenkuil deed men in de avonduren of bij volle maan. De mensen konden er rustig doorheen wandelen en het feit dat ze dat durfden, bewees hun moed, maar gaf hun ook weer voldoende zelfzekerheid om moediger te zijn, dus om doelmatiger te reageren.
Dat de genezing met de slang een heel grote rol heeft gespeeld, kunt u nog zien bij de uittocht van de joden uit Egypte. Bij hun zwerftocht in de woestijn wordt het volk ziek; het is een mengsel van vitaminetekort en buikloop. Wat wordt er gedaan? Er wordt een koperen slang geëxposeerd. Het is magie van het zuiverste water.
De magie wordt steeds ingewikkelder. Als ik b.v. schoonheidsmiddelen ga gebruiken, dan lijkt dat eerder iets wat te maken heeft met Max Factor dan met de een of andere magus. Toch is dat geboren uit de magie. Want, zo zei men, indien ik mij verfraai (dus doe alsof ik mooier ben), zal ik mooier worden. De eerste Egyptische schoonheidsmiddelen werden niet gebruikt om de vrouw in de eerste plaats mooi te maken (dus voor het ogenblik, als make‑up), maar ze worden gebruikt om de vrouwen de schoonheid te geven, die ze dan als vanzelf zou krijgen.
Later is die overdrachtelijkheid nog veel groter geworden. Zo had je bij hoogwaardigheidsbekleders en vooral bij de farao de valse baard. Dat kunt u nog op de beelden zien. Die baard was overigens van biezen gevlochten, soms van haar, in enkele bijzondere gevallen van paardenhaar. Paarden waren heel zeldzaam in Egypte. Daarom was dat heel kostbaar, kostbaarder dan mensenhaar. Zo’n baard betekende kracht. Haren, dat was zoiets als de aura van de mens; daaruit kon je kracht putten. En als je dus zo’n baard aandeed, dan had je die extra kracht, je had een uitbreiding van je aura.
Oorspronkelijk was de baard een middel om je eigen magische kracht te vergroten. Langzaam maar zeker werd hij een middel om het bezitten van die macht magisch uit te drukken. Het verschil was niet zo groot.
Op deze manier krijgen we dus heel veel gebruiken. Het is bekend dat veel van de anachoreten (mensen, die in de woestijn woonden) de neiging hadden om haar van dieren en soms ook van mensen op allerlei plaatsen op hun lichaam aan te brengen. Zelfs Johannes de Doper was wat dat betreft een rare jongen, want ook hij hechtte zich haar van dieren op velerlei plaatsen van zijn lichaam. Dat is dus weer diezelfde overdrachtelijkheid. Aura, uitstraling, haar, had daarmee iets te maken. Het was ook de magische macht over iemand. Van de goenagoena weten we dat je met de haren van een mens ontzettend veel magie kunt bedrijven tegen die mens. En zo dachten deze anachoreten dat ze hierdoor dus geestelijk ook sterker zouden zijn en daardoor dichter bij God komen.
De schoonheidsmiddelen heb ik al genoemd. Die worden langzamerhand tot een primitieve vorm van magie. Per slot van rekening, het maken van kohl is niet zo bijzonder magisch. Op de duur heb je echter een bepaalde verfstof nodig, je hebt bepaalde middelen nodig om rimpels weg te werken en misschien ook nog iets om nagels te kleuren en wat later wil je iets hebben, waardoor je metaal er duurder kunt laten uitzien dan het is. De eerste valse sieraden werden in Egypte gemaakt. Er was daar een specialist in het vervaardigen van een mengsel van metaal. Het was zacht metaal, lood o.a. en tin. Dat werd met woestijnzand vermengd, waarin ook wat magnesium zat. Dat werd dan gesmolten en nog eens gesmolten, op een bepaalde manier behandeld en zag er dan uit als goud.
U ziet, er is niets nieuws op de markt. Maar het was magie, want ik verander een metaal in goud. Het zag eruit als goud, dus was het toch eigenlijk een soort goud geworden. En dat gaat niet met natuurlijke dingen. Vandaar dus dat in de magie heel veel geheimen terecht zijn gekomen, die eigenlijk handwerk kunnen heten. Er zijn nu nog negerstammen, die zelf hun erts smelten, die zelf hun speerpunten, hun zwaarden enz. maken; en dat gaat van vader op zoon over.
Dat gaat ook zo met bezweringen. De opbouw van zo’n oventje, waarin dat erts word gesmolten, de manier waarop dat moet gebeuren, is een overlevering; maar ook de woorden, die daarbij moeten worden gezonden, want anders zal dat zwaard niet goed zijn en zal de speerpunt niet treffen. Associaties, waarbij dus wel blijkt dat heel veel dingen eigenlijk bijgeloof en wanbegrip zijn, sommige suggestie en psychologische beïnvloeding.
Nu zult u zich waarschijnlijk afvragen: Waar blijft die echte oude magie? Die oude magie berustte op verschillende hoofdpunten. Ik zal ze stuk voor stuk proberen te illustreren.
Suggestie. Als ik iemand zeg dat er iets is, ook al is er niets, en ik zeg: Kijk nu eens goed en nog eens, dan lijkt het net de kleren van de keizer; dan zie je iets wat er niet is. Ik kan ook verdergaan dan dat en iemand suggereren dat er een bepaalde toestand bestaat. Deze suggestie kan ik dan versterken Met mijn eigen gedachtekracht. Elke mens heeft gedachtekracht en magnetiseren bestond allang vóór Mesmer. Maar als ik mij op een bepaalde manier tot een mens richt, kan ik in hem een verandering tot stand brengen.
Dat was de basis van heel veel oude genezers en zelfs van een groot aantal geneesheren, de eigenlijke doktoren van de oude rijken. Dat geldt zelfs nog voor Athene, waar de dokter ook wel wat meer wist. Hij was filosoof en wist iets meer over het menselijk lichaam, maar driekwart van zijn behandelingsmethode was zuiver magisch. Hij werkte met zegels, met bovennatuurlijke krachten, met dranken, met gebaar. Dat deed Paracelsus eigenlijk ook nog op precies dezelfde manier.
De natuur leeft. Het leven van de natuur kan ik overdragen op de mens; dus kan ik er iets mee doen. In de natuur bestaat een leven, dat strijdig is met het leven van de mens: het vergif b.v. Indien ik dat leven kan concentreren en ik geef dat aan de mens, of ik stuur de essentie daarvan naar een mens toe en ik kan hem suggereren dat die kracht naar hem toe komt, dan zal hij worden vergiftigd en zal hij sterven.
Met geesten is het weer een beetje anders. Ik weet wel dat geesten te­genwoordig niet in hoog aanzien staan, of ze moeten op de lijst der heiligen voorkomen, oorlogshelden zijn of onbekend begraven onder een eeuwige gasvlam. Maar het leven na de dood heeft altijd contact gehad met deze wereld. Vroeger kon je dat gemakkelijker geaccepteerd krijgen. De mensen beeldden dan zo’n overledene wel uit in de vorm, waarin ze dat begeerden, indien dat con­tact bestond. Nu heeft de geest bepaalde mogelijkheden tot kennen, tot redene­ren, tot overzien en vaak ook tot handelen, die de mensen niet hebben. De contacten met de geest waren voor de magie dus heel erg belangrijk, want de geest leerde de mens a.h.w. dingen zien, die hij zelf niet wist. Hij kon b.v. de mens voorlichten over gebeurtenissen, die op grote afstand plaatsvonden; en dat werd langzaam maar zeker een erfdeel. Om u een aardig voorbeeld te geven:
Toen de eerste wereldoorlog werd uitgevochten, drong men door in Afrika met een expeditie. Daar trof men negers aan, die van de gehele wereld waren afgesloten en die precies wisten te vertellen op welk ogenblik de slag rond Parijs en aan de Somme begon. Ze beschreven het wel een beetje anders dan het was, want ze hadden het over soldaten met bijzonder grote speren en bussen die vuur spuwen. Maar ze hadden de feiten gezien. Die bekwaamheid komt voort uit het samenleven a.h.w. met de geestenwereld én daardoor een veel groter besef. In de oude magie werd dat beoefend en langzaam maar zeker ging men ook leren dat men geesten in verschillende soorten kan onderbrengen.
U heeft allemaal wel gehoord van de mannelijke en vrouwelijke duivels en demonen, die op aarde rondlopen (de Lamia’s o.m.) en de manier, waarop ze mensen in het verderf proberen te storten; maar ook hoe er goden over deze aarde wandelen. U zult zeggen: dat is gewoon bijgeloof. Neen, dat heeft toch eerlijk met de magie te maken.
Alles, wat er in de geest bestaat, kan in de stof werkzaam zijn. Een Lamia is niet een vergeestelijkte figuur, ze is een bezetene. Ze is iemand, die bezeten wordt door een entiteit of een deel van haar eigen geest, waardoor ze anderen wil verderven. Daarop komt het eigenlijk neer.
De magiër leerde al heel gauw dat je die personen kunt dwingen zich te uiten. De bezweringsmagie was er oorspronkelijk voornamelijk op uit duidelijk te maken of een persoon nu werkelijk dat was wat hij pretendeerde te zijn. Dan werd er gebruik gemaakt van sleutelbegrippen van de eigen maatschappij, de eigen beschaving en die werden zodanig dwingend geformuleerd, dat de ander wel moest reageren. Exorcisme kon worden bereikt door een mens a.h.w. een shockkuur te geven, door hem zodanig te confronteren met zijn eigen gespletenheid dat hij verloren ging. Maar ook een geest, die bezit nam, kon op een soortgelijke manier in conflict worden gebracht met de oorspronkelijke bewoner en daardoor worden uitgedreven, vooral indien er nog wat vitaliteit van de exorcist (de genezer) werd overgedragen aan de ander.
Deze manier om geesten uit de eigen stoffelijke omgeving te verwijderen, ging natuurlijk gepaard met het stellen van allerhande regels over de gedragslijn van die geesten. Een duivel b.v. kan niet over water gaan en evenmin zou de weerwolf over stromend water kunnen gaan. Nu weten we wel dat lycantropie (weerwolfziekte) inderdaad een bestaande ziekte kan zijn. Het is dus niet alleen maar een verhaaltje. Alleen, het is anders dan we dachten. Maar vergeet weer niet, achter de weerwolf staat een realiteit. En we kunnen nu aantonen dat de maanziekte, de bezetenheid, ook een bepaalde natuurlijke oorzaak heeft. Je kunt niet helemaal verklaren wat het is, maar één ding is zeker: op dat ogenblik komen totaal andere elementen van de mens in het spel, er komen totaal andere krachten van die mens tot uiting. Hij wordt soms tienmaal zo sterk als hij was. Hij wordt veel leniger dan hij was. Hij erkent niet meer de grenzen van het mogelijke, die hij eens kende. En als men dat dan weet, is het dan zo dwaas om aan te nemen dat tovenaars eigenlijk precies hetzelfde zijn. De magiërs van eens waren heus niet alleen maar mensen, die met bezweringen het volk bedrogen. Het waren mensen, die door kunstmatig contact met geesten te krijgen, door kunstmatig in zich een bepaalde situatie te wekken, in staat waren dingen te doen, die voor anderen onbegrijpelijk waren. Dat was hun grootste en sterkste punt.
Nu ik dit allemaal heb verteld, zal het u ook duidelijk zijn dat voor de mensen de dingen, die in hun leven een grote rol spelen, dat die ook in de magie moeten spelen.
De mens wil vaak bijzonder graag vliegen. Hij is ook erg bang voor vallen. De magie, waarmee een mens zijn moed, zijn verdienste vergroot, maar ook een hulde brengt aan de goden, vinden wij overal op de wereld terug. In de Stille Zuidzee zijn er eilanden waar men met een liaan aan de voet gebonden van een toren afspringt om dan net boven de aarde tot stilstand te worden gebracht, als je geluk hebt. De z.g. vliegers van Mexico zullen binnenkort wel weer voorstellingen geven. Ook deze stammen uit godsdienstige rituelen. De z.g. zweefsprongen van de rotsen, die in de buurt van het Zevengebergte en de Karpaten een lange tijd in de mode zijn geweest, waarbij men sprongen maakte met een soort parachute en moest landen op een hoop hooi of op opgetaste naaldboomtakken, waren ook weer het bewijs van een bepaalde kracht, maar ook van het verwerven van een bepaalde kracht. Maar als een mens nu voldoende ging geloven dat hij kon vliegen, dan kon hij op een gegeven ogenblik ook veel beter lopen; hij had het gevoel dat hij lichter kon zijn. Hij kwam daardoor tot een ontspannen, automatische beweging, waarbij de spiervermoeidheid eigenlijk vergeten werd. Daardoor was een regelmaat van lopen mogelijk, die anders niet bereikbaar lijkt.
Nu denkt u misschien: was dat alleen in het Zevengebergte? Welnee. U hebt allemaal wel eens gehoord van lung‑gon‑pa’s (de snellopers bij de Lama’s). Men zegt van hen dat ze zo snel gaan, dat ze tweemaal zo hard lopen als een paard en twee‑ tot driemaal de afstand kunnen lopen, die een paard per dag kan afleggen. Dat ze dit doen zonder stil te houden en dat het gras zich bijna niet buigt onder hun voeten, dat is een verhaal. Maar er is wel een zekere magie aan verbonden.
Wanneer ik in concentratie ben, kan ik veel meer. De magie maakt daarvan gebruik. De magie maakt ook gebruik van b.v. de seksualiteit. Het is een vorm van zelfvergetelheid, maar het is ook een uitdrukking van vruchtbaarheid, van vreugde. Het is een vrijmaken van allerhande dingen, ook van bepaalde uitstralingen. Het is begrijpelijk, dat ook dit in vele rituelen is opgenomen.
Nu spreekt men tegenwoordig over dergelijke dingen alleen nog alsof het duivelvereerders zijn, maar vergeet daarbij dat vroeger dergelijke seksuele riten heel normaal waren. Dat ze in alle grote rijken voorkwamen, zelfs in het Romeinse rijk. Dat zij ten doel hadden om in de mens het gevoel van verbondenheid met het Al zodanig te wekken (het gevoel van zin hebben in het leven waarschijnlijk) dat hij daardoor aan zijn omgeving kracht kon meedelen.
Het is heel begrijpelijk dat men dergelijke riten gebruikte en dat ook de magiër dergelijke dingen een bijzonder sterke nadruk gaf. Er zijn op het ogenblik nog negerstammen, waar ontmaagdingsriten regelmatig plaatsvinden naast de pijninwijding voor de jongens. Ook dat is zo oud als de weg naar Rome. Zolang de mens met de natuur verbonden blijft, zal dat eveneens blijven bestaan. Voor het meisje betekent het vrouw‑worden iets meer. Want vrouw‑worden is in een derge­lijke stam niet alleen maar iemands vrouw worden, maar het betekent een totaal nieuwe rol in de wereld krijgen; en dat is het magisch geheim. Bij de negerstammen hebben vrouwen dan ook hun eigen vorm van magie tegenwoordig nog.
Nu zijn er andere dingen waar een mens een groot respect voor heeft en die altijd een bijzondere waarde voor hem hebben gehad. Denk eens aan het vuur. Het vuur was iets wat oorspronkelijk alleen door een natuurlijke oorzaak ontstond en dat ook later nog alleen met heel veel moeite (b.v. met wrijfhouten) tot stand kon worden gebracht. Vuur is iets vreemds; het geeft licht, het geeft warmte, maar het kan ook dodelijk zijn. Het is vernietigend en levengevend tegelijk. Is het een wonder dat men aanneemt dat in het vuur ook bepaalde krachten leven?
In heel veel landen (o.a. ook in Nederland) bestond vroeger het geloof dat wanneer heilige vuren brandden, de rook van die vuren zou aangeven welke landouwen, welke boomgaarden bijzonder vruchtbaar zouden zijn in het komende jaar. Want de geest van het vuur was daarin en daarmee ook weer de geest van groei en van vruchtbaarheid. Waarmee ik dus weer zit in de algemene magie en het magische geloof en niet bij de magiër zelf.
Het is ook erg moeilijk iets over de magiër zelf te vertellen dat volle­dig klopt. Je kunt iets vertellen over een magiër uit een bepaalde tijd, maar je kunt nooit iets vertellen over alle magiërs van die tijd. Je kunt een magisch ritueel beschrijven, zoals dat b.v. bij de Kelten gebruikelijk was. Maar dat ri­tueel veranderde voortdurend, dat paste zich voortdurend aan, zodat je a.h.w. alleen maar een momentopname kunt maken en nooit een volledige weergave kunt geven.
Laat mij dan proberen om toch iets in die richting te doen. Dan wil ik u allereerst vertellen hoe ze vroeger de geesten van voorvaderen, belangrijke koningen of lagere goden wisten op te roepen. Dat zijn gebruiken, die ongeveer teruggaan tot 25.000 ‑ 30.000 v. Chr. en die dus in gewijzigde vorm hier en daar nog bestaan.
In de eerste plaats is nodig een plaats, die gereinigd is. Men deed dit meestal door die plaats a.h.w. met takken de grond te beslaan en te vegen, daarnaast door een dans, die speciaal het uitdrijven van demonen ten doel had. Hieraan werkte de hele gemeenschap over het algemeen mee. Dan komt de hoofdper­soon, die het oproepen moet doen. Hij komt binnen de magische, geheiligde cirkel en maakt gebruik van alle middelen (dat waren in het verre verleden ook krui­den en ritme) om zichzelf in een toestand van verrukking te brengen. Er moet ook een gevaar bij zijn en dat gevaar moet worden uitgedaagd. In 9 van de 10 gevallen vinden wij een vuur, waar de danser verscheidene malen overheen springt of zelfs doorheen loopt. Wanneer deze is opgezweept, zodat hij niet bang meer is voor vuur, niets meer weet van zijn bestaan en de gehele wereld a.h.w. om hem heen wervelt, dan kan hij eindelijk geloven dat een ander zich openbaart en hij begint te spreken.
Dat gesprokene is vaak bijna onverstaanbaar. Het zijn klanken, ook wel geestentaal genoemd. Deze klanken echter dragen vaak een naamgelijkenis in zich. De gelijkenis van klanken met een naam betekent: die of die spreekt. Deskundigen, mensen die dat zelf ook wel doen, luisteren naar deze klanken en interpreteren ze. De woorden, die worden vertaald, moeten nu juist zijn. Gelukt dat, dan zal in vele gevallen dus het medium (noem het maar zo) antwoord geven op de vragen, die worden gesteld. Daarbij moet wel worden opgepast omdat het medium in deze toestand vaak bijzonder agressief is.
De geesten, die zich door een dergelijk medium uiten, maken gebruik van de uiterste toestand van opwinding. Hierdoor breidt de aura van de mens zich uit en omdat er geen enkel doel bestaat buiten de receptiviteit, is het zeer gemakkelijk om de eigen aura met de aura van het medium te verweven. Van hier tot de uiting via het medium is het meestal eenvoudig. Maar omdat de geesten in die tijd de spraakbeheersing nog niet zover hadden geperfectioneerd als wij dat in de laatste 1500 á 1600 jaar hebben gedaan, begonnen ze meestal eerst te kijken wat erin zat. De gestamelde klanken, die werden geïnterpreteerd, waren over het algemeen inderdaad een soort definitie‑code, te vergelijken met het stemmen van een viool of piano: het juist afstemmen van de klanken opdat er iets gezegd kon worden. Dat daarbij een eigen naambegrip of een eigen aanduiding heel vaak werd gebruikt, is duidelijk omdat je nu eenmaal enige klanken moet hebben en meestal je eigen naam de gemakkelijkste is en te controleren. Het is dus duidelijk dat op deze manier inderdaad geesten konden worden opgeroepen.
Later bleek dat sommige mensen daarbij een zo sterk fluïde afgaven dat het mogelijk was om daaruit gestalten te vormen. Dat gebeurde altijd in het donker, in heilige wouden b.v. De omgeving werd weer gezuiverd of was heilig en werd dus helemaal niet door anderen betreden. De riten bleven ook ongeveer gelijk, alleen werd vaak gebruik gemaakt van bedwelmende rook of rookbekkens in latere tijd. Wanneer dus zo’n persoon eenmaal buiten bewustzijn kwam, dan kon hij door de hevige spanning een bijzonder sterk fluïde afgeven, dat kon worden gebruikt voor materialisaties. U ziet, spiritisme is ook al zo oud als de mensheid, alleen heette het anders.
Nu wil ik u een geheel ander voorbeeld geven, nl. het z.g. zenden van geestelijke dienaren. We zullen hiervoor een periode nemen, die wat later ligt, 500 na Chr. De magiër kon in deze tijd niet meer met grote gemeenschappen werken, dat is erg moeilijk. Hij werkt alleen of met enkele assistenten. Daarom is het voor hem nodig zich veel langer voor te bereiden. Hij doet dit veelal door een periode van vasten, waardoor dus de stabiliteit van de rede en het lichaam eigenlijk al iets wordt verminderd; daarnaast door bepaalde reinigingsprocedures. Hij roept vervolgens de geesten op. Hij doet dit door die geesten te omschrijven en hun symbool neer te schrijven, in sommige gevallen door een symbool op te stellen. In de meeste gevallen maakt hij hierbij gebruik van een omgrensde plaats. Dat zijn soms driehoeken, soms cirkels, zelfs vierhoeken of zeshoeken; een figuur, waarin symbolen worden geplaatst, meestal met een altaartje erbij en bijna altijd met vuur. In sommige gevallen ook met rook erbij. Aromatische kruiden worden daar meestal opgeworpen.
Als de magiër bezig is, zit hij buiten de kring, maar in een volledige concentratie. Hij probeert zichzelf in een toestand van verrukking te brengen. Op een gegeven ogenblik wordt voor hem en soms ook voor anderen een materialisatie kenbaar, meestal in de buurt van een rook‑bekken met aromatische kruiden en veelal nog versterkt doordat daar bepaalde kaarsen branden. Die kaarsen zijn gemaakt van een bijenwas en een bijmenging, waardoor ze een bepaalde rook verspreiden. Zodra het verschijnsel wordt geconstateerd ‑ hetzij door de magiër of door anderen – begint hij zijn macht over deze wezens tot uitdrukking te brengen. In de formule zal hij b.v. zeggen dat hij het grote geheime Woord kent en dat hij beschikt over het Zegel van Salomo e.d. In heel veel gevallen volstaat hij alleen met het noemen van een Meesternaam. Een naam, die als klank voor hen uitdrukt de heerschappij over alle geesten. Dan geeft hij zijn bevelen. En nu het typerende: hij valt daarna in een diepe trance of onmacht. De door hem opgebouwde of opgeroepen entiteiten zullen zich inderdaad nu richten op hetgeen hij wil. Wat hij wil, omschrijft hij dus niet meer naar buiten toe (dat is in het begin wel gedefinieerd, daarna praat hij er niet meer over), maar hij stuurt a.h.w. zijn eigen gedachten met die geestelijke dienaar uit.
Die geestelijke dienaren zijn soms astrale bouwsels, maar het kunnen ook natuurgeesten zijn en in een enkel geval zelfs geesten van overledenen. Een dergelijke geest volbrengt dan de taak en indien dat niet mogelijk is, keert hij terug tot de magiër. Om dat nu te voorkomen, geldt meestal dat hij een paar beschermende amuletten bij zich draagt en in vele gevallen een z.g. geestenpen, geestendolk of geestenzwaard. De laatsten worden trouwens vandaag de dag nog in de magie gebruikt.
Wanneer de taak is vervuld, is het heel erg belangrijk dat het bekken nog brandt, indien er vuur is gebruikt; is er licht gebruikt, dat het licht nog brandt. Ten koste van alles moet dit blijven branden totdat de man weer bijkomt, anders zou hij het slachtoffer kunnen worden van de demonen, die hij heeft opgeroepen. Daarna moet eerst weer het oplossen van de gestalten plaatsvinden en pas als dat gebeurd is, kan hij verdergaan en de ring of de figuur verbreken. Hij kan de zaak opruimen en schoonmaken.
Hiervan wordt veel meer gebruikgemaakt dan u denkt; in vele gevallen tezamen met vergif en met z.g. heilige wateren. Heilige wateren, dat moet u niet als Jordaanwater of water van de bron Zem Zem (de Ganges), maar als chemische destillaten, die waterachtig van kleur zijn en die in zich dan vaak een greintje arseen bevatten, daarnaast enkele plantenextracten (belladonna enz. zat er nog wel eens in). Deze wateren waren dan bestemd om iemand beter of gelukkiger te maken. Wanneer de magiër enigszins kon, dan bracht hij die dingen zodanig tot stand, dat de bezwering en het ogenblik dat de drank het slachtoffer of de begunstiger zou bereiken, konden samenvallen zodat hij die drank a.h.w. nog in het bijzonder kon gebruiken om de hele structuur van de ander te beïnvloeden.
Nu heb ik u in dit verhaal iets verteld over die oude magie. De eindconclusie is duidelijk: Of je nu werkelijk de werelden van de geest of geesten oproept, of je werkt met duivels en demonen of dat je het alleen maar doet met gedachtekracht, met vergiften desnoods, het komt allemaal op hetzelfde neer. Je eigen instelling is het meest belangrijke. Je eigen geloof, je eigen vertrouwen is zeer belangrijk en daarnaast dat je weet wat je wilt en dat je ook weet met wie je het tot stand wilt brengen.
De magie is altijd geweest, een mens zichzelf ontrukkend aan zijn eigen werkelijkheid en daardoor in contact komend met een grotere werkelijkheid, die hij dan ongetwijfeld op zijn eigen manier gebruikt en soms misbruikt.