Magisch denken

uit de cursus ‘Occulte praktijk’ (hoofdstuk 4) – januari 1966

Magisch denken

Magie is het toepassen van wetenschap op de onstoffelijke en daardoor stoffelijk‑wetenschappelijk niet geheel beheersbare of controleerbare wetten der natuur. Als zodanig valt in de magie een onderscheid te zien tussen de z.g. reële en de suggestieve processen.

Onder suggestieve processen verstaan wij alle delen van riten, incantaties, het gebruik van magische voorwerpen e.d., die alleen bestemd zijn om een bepaalde indruk of stemming te scheppen en daarnaast alle soortgelijke handelingen en middelen, die bedoeld zijn om in de magiër of in zijn omgeving een zekere roes te veroorzaken.

Reële magische middelen en werkingen noemen wij al datgene, wat zonder verdere bijkomstigheden onmiddellijke resultaten kan brengen.

In de magie komt men dan in de eerste plaats te staan tegenover de relaties die er bestaan tussen de aarde en de andere delen van de kosmos. Deze delen zijn, zoals u bekend is, niet alleen sferen, maar ook sterren en planeten. Vandaar dat wij in de magie, ook in de reële magie, veel astrologische berekeningen zullen aantreffen. Bij deze berekeningen gaat het over het algemeen om het vinden van de meest gunstige situatie voor het bereiken van een bepaald doel. Daar echter deze berekeningen zeer ingewikkeld zijn, kan men doorgaans met enkele vuistregels volstaan.

In alle magisch werken en grotendeels in het occult werken (ook het werken met gaven) mag dan ook worden gesteld:

Al datgene wat een energie onzerzijds vraagt en dus een actie onzerzijds vergt, zullen wij bij toenemende zonne‑invloed doen  plaats vinden; bij voorkeur rond de lente‑evening. Is dit niet mogelijk, dan toch altijd in de ochtenduren, als de zon opkomt.

Al datgene wat positief is en waarbij emotionele krachten werkzaam zijn, zullen wij oriënteren op de maan. Een wassende maan geeft vergroting van gevoeligheid, suggestibiliteit en schept de mogelijkheid om meer concrete waarnemingen te doen en ook concreter via eigen emoties op anderen in te werken. In het geval dat dus kracht en inwerking via de emotie noodzakelijk zijn, kiezen wij een periode kort voor volle maan, in de tijd dat de zonnekracht toeneemt; dus wanneer het naar de zomer toe gaat.

Gaat het om ontvankelijkheid, dan kiezen wij altijd de afnemende maan; bij voorkeur de periode dat de zon terugloopt; dus zich van ons verwijdert. Wij zullen daarbij vooral die dagen kiezen dat de hemel helder is. De avonduren zijn daarvoor zeer gunstig – vooral op uw breedtegraad – tussen ongeveer 21.30 en 0.30 uur.

Als wij met deze kosmische invloeden rekening houden, dan laten wij natuurlijk nog zeer veel buiten beschouwing. Wij zouden bijvoorbeeld voor positieve handelingen rekening moeten houden met een gunstig Mars‑aspect. Hebben wij te maken met emotionele invloeden, dan moet ook Venus een gunstig aspect vertonen. Wensen wij geestelijke waarden bijzonder sterk tot uiting te brengen, dan houden wij rekening met een gunstige stand van Neptunus en Uranus. Willen wij krachten uitzenden ter verdediging of eventueel voor aanval, dan houden wij rekening met een gunstige stand van Saturnus en Mercurius. Maar zoals gezegd, deze dingen zijn vooral voor de beginneling niet van het allergrootste belang. De gegeven vuistregels zijn in de praktijk voor de reële magie belangrijk.

Dan gaan wij verder na: Wat zijn de kernwaarden van de reële magie?

Bij de reële magie kennen wij twee verschillende waarden, die elk voor zich onmiddellijk actief zijn. De eerste is het gedachtebeeld. De tweede is het klankbeeld.
Een gedachtebeeld bestaat uit een zo nauwkeurig mogelijk gevormde voorstelling van hetgeen men beoogt. Daarbij komt nog een redelijk juiste voorstelling van het doel en van de mogelijkheden en vermogens.
Bij klankbeelden zullen wij door het uitspreken van namen (dus het scheppen van een klankbeeld, dat qua trilling harmonisch is met hetgeen wij willen bereiken) bepaalde krachten kunnen aanroepen, oproepen, uitzenden en ook vanuit onszelf contacten met anderen bereiken.

Dit alles klinkt enerzijds misschien eenvoudig, anderzijds haast onbereikbaar. Toch is die onbereikbaarheid niet zo groot als u schijnt te denken en zijn de moeilijkheden vaak toch veel groter dan de leek vermoedt. Eenvoudig is het, omdat men ‑ als eenmaal een vaste uitdruk­king is gevonden ‑ deze altijd voor hetzelfde doel zal kunnen gebruiken. Heb ik dus een naam of een klankwaarde ontdekt, die voor mij een contact met een sfeer betekent of met de uitstraling van een bepaalde kracht, dan zal ik deze klank altijd voor dit deel kunnen gebruiken.

Aan de andere kant moet ik wel zeggen: Wanneer ik voor mijzelf een klankbeeld gebruik, dan is dit niet voor ieder ander zonder meer bruikbaar. Men zou kunnen zeggen dat elke mens een ander instrument is en dus andere klankeigenschappen heeft. Een akkoord op een piano kan niet door een viool worden geïmiteerd. Toch kan de viool een klankcombinatie voortbrengen, die voor de piano praktisch onbereikbaar is. Hetzelfde geldt natuurlijk voor alle anderen instrumenten. Men dient dus op den duur zijn eigen machtswoorden te maken.

Bij gedachtebeelden is het enerzijds eenvoudig. Ik maak mij zo concreet mogelijk een voorstelling. Ik kan die uittekenen. Ik kan er diagrammen voor maken, symbolen of afbeeldingen voor gebruiken. Maar het is niet voldoende dat ik die dingen buiten mij bezit. Om met een gedachtebeeld magisch werkzaam te zijn moet ik, desnoods met steun van symbolen en voorstellingen in mij, de situatie opbouwen. Ik moet daarbij de details zo juist mogelijk weergeven. Ik moet in dit beeld ondergaan. De opbouw is niet zo moeilijk. De concentratie, waardoor het in het “ik” een ogenblik tot werkelijkheid wordt, wel.

Nu zult u zich afvragen: “Wat kun je met deze dingen zo al doen?”

Wel, de meest eenvoudige punten weer vooropstellend:
Met het klankbeeld kan men contact maken met andere sferen. Men kan contact maken met krachten van andere sferen. Daardoor kan men voorlichting of hulp ontvangen. Men kan de krachten gebruiken als afweer of ze tegen anderen richten. Bij het klankbeeld is het dus niet zo, dat wij op een eenvoudige manier bv. in de toekomst kunnen zien. Dit is via het klankbeeld wel mogelijk, maar het vergt een veel ingewikkelder procedure, een veel juistere afstemming van het “ik” dan het wekken van een bepaalde kracht zo maar in een andere sfeer. De woorden hiervoor zijn afhankelijk van de sfeer of kracht waartoe ik mij richt; ze zijn anderszins echter ook afhankelijk van mijzelf. Daarom zal vaak uit een groot aantal bestaande  woorden of klankcombinaties er voor u maar enkele zijn, die werkzaam zijn. U moet dus wel proberen om de juiste combinatie te vinden. Als u bv. een reeks godsnamen ziet en u wilt de kracht van het grote Licht aanroepen, dan zult u al die namen a.h.w. moeten proberen, ze moeten incanteren of scanderen, totdat u die klank krijgt, welke in uzelf die eigenaardige beroering, die siddering teweeg brengt, waardoor u weet dat die klank werkzaam is. En dan zeggen wij eenvoudigheidshalve:

Aangezien deze klanken door de mensheid een lange tijd als aanduiding van een godheid of van een bepaalde kracht werden gebruikt, hebben zij voor die kracht de juiste klankwaarde wel in zich. Maar ook wij moeten mee resoneren in diezelfde klank, wil er een contact kunnen ontstaan tussen onszelf en hetgeen wij aanroepen.

Waarom die krachten ze eenvoudig te bereiken zijn in vergelijking tot andere prestaties, kan ik u moeilijk helemaal duidelijk maken. Maar een klein voorbeeld is misschien mogelijk.
Op het ogenblik dat u een andere kracht aanroept, is er sprake van een tweeledige werking. Als er eerst een brug is geslagen, hoe zwak ook, tussen u en die andere wereld of die andere kracht, zal vanuit die andere kracht eveneens een afstemmen op uw wezen voortkomen. Als u dus maar enigszins juist reageert en u krijgt een klein contact, dan versterkt zich dit vanzelf. Daar komt verder nog bij dat de ervaring gaat meespreken. Want elke keer als dit contact tot stand is gekomen, zal de waarde van het andere, waarmee wij werken, zich sterker in u hebben vastgelegd. U gaat haast onbewust uw eigen actie, uw incantatie, uw gedachtebeeld of uitstraling aanpassen aan datgene wat u zoekt. Er vormt zich dus betrekkelijk snel een redelijk perfecte mogelijkheid tot verbinding.

Wilt u daarentegen bv. uittreden buiten de tijd of wilt u bepaalde krachten en mogelijkheden der natuur activeren, dan is deze echo niet aanwezig. Er is dus geen correctieve factor van een ander bewustzijn aanwezig. U zult elke correctie vanuit uzelf moeten aanbrengen en de procedure, die nodig is om tot een voor u correct incanteren of tot het vormen van beelden te komen, zal dus veel langer duren. U zult zelf veel meer moeten verbeteren en nog eens moeten proberen.

Als wij met gedachtebeelden werken, is er nog een andere factor die eveneens zeer gunstig werkt. Haast elke mens is in meer of mindere mate telepaat. Indien hij voor zichzelf een beeld opbouwt van een ander of van iets anders, dan bevindt hij zich in de wereld der gedachten. In die gedachtewereld bestaat er geen bepaalde afstand of richting; er is slechts een definitie, voortkomend uit het”ik”. Bij elke volledige definitie, die in het “ik” bestaat, is het gedefinieerde met het “ik” onmiddellijk verbonden. En dan kunt u zeggen, dat een bewust overbrengen van gedachten en waarnemingen vaak moeilijk is, maar het feit blijft bestaan: u heeft het contact.

Als u een bepaalde suggestie uitzendt, die niet in woorden maar in een voorstelling is ingekleed, dan blijkt heel vaak dat die voorstelling veel concreter wordt ontvangen dan het woord. Want woorden zijn onvolledige klankweergaven. Elke mens gebruikt woorden toch weer enigszins anders. Hij zal in vele gevallen bepaalde woordcombinaties gebruiken. En als u één woord kunt overbrengen, zal hij de  rest van de combinatie zelf daaraan toevoegen. Het resultaat is dan verwarrend. Maar een beeld is in de menselijke voorstellingswereld altijd waarneembaar. Het brengt ook niet zo sterk die vaste associatie, de gewoonte met zich, welke de woord‑combinatie eigenlijk in zich draagt. Er is minder gewoontevorming, er is zuiverder opname. Geeft u een suggestie en geeft u die in woorden, dan zal ze dus minder werkzaam zijn dan als u haar probeert uit te drukken in een voorstelling. Ik zou ook hiervoor een voorbeeld willen geven.

Iemand heeft een lichte afwijking aan een hartklep. Door de omstan­digheden is een normaal functioneren van het  hart zonder belasting be­langrijk. U concentreert zich door middel van een gedachtebeeld of een concentratie op de persoon. Gaat u denken: Dit hart moet normaal functioneren, dan heeft u al een fout gemaakt, want normaal is het hart met de afwijking voor de persoon in kwestie. Maar als u zich een hart voorstelt, dat zonder ophouden en zonder aarzeling blijft samentrekken en bloed pompen, waarin niets fout kan gaan, dan wordt dit suggestief overgebracht en zal er vaak, mede door uw kracht, maar toch ook door de suggestie een tijdelijke correctie  van de fout kunnen optreden.

Uit zo’n voorbeeld kunt u misschien begrijpen, waarom wij in de magie zo heel vaak werken met uitgebreide middelen om een voorstelling op te bouwen. Die voorstelling op zich is het doel, niet de manier waarop. En of wij nu een geit of een kip slachten of alleen maar een paar bloemen neerleggen en kruiden verbranden, dat maakt niet veel verschil uit. Dat denken de mensen. Die dingen zijn alleen maar nodig om een voorstelling te scheppen. En als levenskracht voor mij wordt uitgedrukt door bloed, zoals dat bij veel volkeren ook nu nog bestaat, dan moet ik bloed laten vloeien om het idee van levenskracht voor mijzelf zo voelbaar mogelijk te maken. Ik heb dan de instinctieve reactie van: dit is leven; en het beeld “leven” ontstaat in mij. Het is complexer dan het bloed alleen, maar kan moeilijk door mij geheel worden gerealiseerd.

Wanneer ik kruiden verbrand, dan is hun geur heus niet zo belangrijk. Zeker, er zijn bepaalde aromatische stoffen, die op de sfeer en de omgeving een zekere invloed kunnen hebben. Maar het meest belangrijke is toch wel de associatie, die voor mij daaraan vast zit. Als ik bij het ruiken van  een bepaalde geur denk: dit huis of deze tempel of dit vertrek is gereinigd, dan voel ik mij onaantastbaar voor het kwade. En doordat ik mij onaantastbaar voel, word ik het ook.

U zult dus al op eenvoudige manier hiervan gebruik kunnen maken; en wel onmiddellijk in het dagelijks leven.

Als u in uw woning bv. onaangenaamheden hebt of ze vreest, dan is het goed om te reinigen. Voor die reiniging mag uzelf een procedure bedenken. Of u met gewijd water wilt sprenkelen, of bepaalde krui­den of wierook wilt branden, is niet zo belangrijk. Maar gebruik wel steeds dezelfde procedure. Tijdens deze procedure dient u zich in te stel­len op datgene, wat voor u het hoogste, het meest harmonische in het Al is. Of dit God is of Christus, de Boeddha of een ander vager begrip, dat doet niets ter zake. Concentreer u daarop. Dan komt reeds na korte tijd het ogenblik dat alleen deze handeling bij u de stemming, de mentaliteit van onaantastbaarheid schept. Daardoor zult u elke disharmonie a.h.w van u afwijzen. Door het afwijzen van elk disharmonisch aspect wekt u ook bij anderen harmonie. Er is op hun strijdigheid geen antwoord. Op hun onzekerheden is echter wel een antwoord, een zekerheid aanwezig.

Een ander punt, dat u ook gemakkelijk kunt gebruiken, is het volgende:

Als u zich niet gezond voelt of zelfs, zoals dat heet “accident-prone” bent (d.w.z. dat u altijd ongelukken naar u toe trekt), dan komt dit voort uit een onzekerheid, een innerlijke instabiliteit. Waar die vandaan komt doet niet ter zake. Want wij willen nu niet de oorzaak wegnemen, maar wij willen de symptomen verminderen; en dat op zichzelf betekent vaak reeds genezing.

Wen u een bepaalde concentratie‑oefening aan. Yoga‑ademhaling kan daarvoor zeer gunstig zijn, mits u daarbij niet al te gymnastisch wordt. U kunt daarbij leren u te ontspannen.

Volg elke keer,  als u belangrijke dingen wilt gaan doen dezelfde procedure. Schep in uzelf een absolute ontspanning. Zeg dan tegen uzelf, dat er in u niets is, wat op dit moment disharmonisch is. Zelfsuggestie. Maar herhaal het. Op den duur wordt een groot ge­deelte van de oefening overbodig en zal men met een enkele bewuste ademhaling en door zich een ogenblik te ontspannen bereiken dat de ongelukken niet meer gebeuren en dat al die onaangenaamheden, zoals ziekteverschijnselen, zich plotseling terugtrekken. Waarom? Heel eenvoudig: door u in te stellen op die harmonie, door de gewoonte van terug te vallen op het scheppen van een innerlijke harmonie boort u het totaal van uw reserves aan levenskracht aan. U schept in uzelf een zekerheid en u beschermt u gelijktijdig tegen­over de buitenwereld, terwijl u door de extra krachtreserve een be­tere mogelijkheid tot harmonie, gezondheid en zelfs actie schept.

Een eveneens tamelijk eenvoudige procedure is de volgende.

Neem een symbool. Dat kan een kruis, een boeddha, een tekening, een diagram of wat anders zijn. Het moet echter wel betekenis voor u hebben, dus voor u belangrijk zijn. Dat is de enige eis. Stel dit op een plaats waar u het kunt zien bij het inslapen en het ontwaken. Voordat u gaat slapen kijkt u daar even naar. Neem het in u op en probeer, terwijl u de ogen sluit, er even over na te denken. Dit heeft een eigenaardig effect van reiniging, maar het maakt u bovendien los van uw omgeving. Uw geest wordt daardoor vrijer tot waarnemen. Bij het ontwaken zal men zich moeten aanwennen het symbool wederom te beschouwen. Op deze wijze wordt er een brug geslagen tussen de momenten van inslapen en ontwaken; de tussenliggende periode wordt dus voor het bewustzijn gemakkelijker te definiëren en te begrijpen.

Het droomleven kan op deze manier gemakkelijker worden gebruikt om positieve dingen tot stand te brengen.

Hetzelfde geldt voor het verkrijgen van een bepaalde lering. Ik heb me laten vertellen dat sommige schoolkinderen in uw wereld nog het bijgeloof hebben, dat als zij op een boek slapen zij de volgende dag dan weten wat erin staat. Dit lijkt krankzinnig. Maar het “ik” schept de zekerheid, dat wat er in het boek staat voor het “ik” belangrijk is.

De actie zelf duidt dus aan dat men dit alles moet weten, en dat betekent dat alle kennis van het boek, welke in het onderbewustzijn aanwezig is, wordt geactiveerd en zonder dat men de bron daarvan misschien geheel beseft, toegankelijk wordt voor het waakbewustzijn in de komende tijd.

Nu weet ik wel dat u geen schoolboeken meer nodig hebt. Maar waarom niet eenvoudig dit gedaan: als u iets nodig hebt, als een bepaald probleem u kwelt, schrijf dat zo goed mogelijk op. Noteer het. Als u iets met alle geweld wilt weten of onthouden, schrijf het op. Vouw het papier dubbel en als u zich te ruste legt, plaats het onder het hoofdkussen of in ieder geval in uw nabijheid. Doe dit vlak voor u gaat slapen. U hebt daarmede dan reeds de suggestieve afstemming voor het onderbewustzijn verkregen.

Wilt u nu nog verder gaan, dan hebt u misschien wel ergens een woord, een gebed; een uiting dus die u een innerlijke spanning en een gevoel van verbondenheid met het hogere geeft. Als u dat heeft, gebruik het. Houd dat  stukje papier vast en spreek uw bede uit. Leg het daarna vlak bij u neer, en begeef u te ruste.

U moet niet verwachten dat dan het antwoord de volgende dag eronder geschreven is, ofschoon ook dat wel eens is voorgekomen door automatisch schrijven in de slaap. Maar wat wel is gebeurd: u heeft door de concentratie op de vraag en de harmonie met het hogere toegang gekregen tot praktisch het gehele bewustzijn van de mensheid en soms zelfs van andere werelden. Indien er voor de beantwoording van uw vraag gegevens nodig zijn, dan zult u die daaruit verkrijgen, ze desnoods herleiden tot voor u nog aanvaardbare termen en zo een antwoord krijgen, die in 9 van de 10 gevallen voor u goed en bevredigend is.­

U zult zeggen: Dat is toch eigenlijk geen magie. Dit is het begin van de magie. Als ik een altaar opricht, als ik goden of demonen aanroep of mij richt tot de windrichtingen, als ik de krachten uit het diepst der aarde van mij wijs en de hemelkrachten a.h.w. een gestalte of een troon geef met een beeld dat ik neerzet, als ik lampen met verschillende oliën aansteek en reukwerken brand, wat doe ik dan anders dan het scheppen van een sfeer of van een suggestie van verbondenheid. En wat gaat er dan gebeuren?

Zodra ik dit heb gedaan begin ik met mijn incantaties, waarin ik mijn wens vaak als een bevel, soms als een bede uitdruk. Ik heb dus eigenlijk met die actie, die rituelen hetzelfde gedaan wat ik u hier eenvoudig voor het oplossen van een klein probleem aanbeveel. Alleen, door oefening en gewenning en door het gebruik van meer machtwoorden, kan ik meer sferen aantrekken en misschien grotere krachten ontlenen of grotere kennis verwerven. Maar in wezen is dit gelijk. Iemand, die niet kan beginnen met alleen de eigen kleine vragen op te lossen, zal vaak ook falen in het rituele, want hij heeft nog niet geleerd zijn eigen bewustzijn goed te gebruiken.

De magie berust natuurlijk op allerhande wetten. Daarvan zult u wel meer gehoord hebben. Er zijn wetten van eensluidendheid, van gelijkvormigheid, van besmetting of overdrachtelijkheid en nog zo wat. Al die wetten mag u voor mij vergeten. Ze hebben, zolang men in het begin is van het magisch streven, weinig betekenis. De occultist, die theoretisch alles wil weten en  verklaren, heeft er veel aan. Hij kan daardoor bepaalde overleveringen, legenden en feiten gemakkelijker begrijpen, maar hij kan ze daarom nog niet doen. De kennis van de wetten in hun exacte vorm is pas belangrijk, als men heeft geleerd de krachten zelf in zich te beleven en te richten.

Dan moeten wij langzamerhand de voorschriften leren. Wilt u de een­voudige wetten hebben, dus de vuistregels, dan kunt u die voor de gehele magie voorlopig als volgt formuleren:

  1. Dat wat door mij wordt gezien als gelijk, is voor mij gelijk. Mijn invloed is gelijk op alles, wat voor mij gelijk is.
  2. Elke eigenschap, die ik bezit of die een voorwerp bezit, kan door wilskracht worden overgedragen. Wanneer ik dus een eigenschap bezit, kan ik die overdragen. Maar wanneer iets anders (een voorwerp) een eigenschap bezit, dan kan ik mij daarop instellen en trachten die voor mijzelf te nemen. Op deze wijze kan ik eigenschap­pen aan anderen geven en, zij het tijdelijk, voor mijzelf eigenschap­pen verwerven.
  3. Goden en demonen zijn voor mij onbelangrijk. Maar al datgene wat ik erken als licht, kan ik alleen volbrengen, indien ik mij instel op de lichtende kracht. Al datgene wat voor mij dubieus is, al is het in feite nog zo mooi en goed, kan ik alleen bereiken door een beroep te doen op duistere krachten. Elk beroep op lichtende krachten maakt mij sterker. Elk beroep op duistere krachten betekent dat ik zelf kracht verlies.
  4. Als men bidt dan zien wij heel vaak dat de mens probeert dat heel statig te doen. “O Heer, o Gij grote almachtige God.” enz. Hij schept daarmee een afstand tussen zichzelf en zijn God. Als u tegen God zegt: Ach God, zo en zo zit de zaak, dan klinkt dat oneerbiedig, maar u praat tegen God alsof Hij dichtbij is. Zeker mag in de beginselen der magie gelden dat elk afstand, die ik in mijn formulering of in mijn denken schep tussen mij en het an­dere ook voor mij bestaat. Datgene wat voor mij belangrijk is, moet ik a.h.w. zo dicht mogelijk benaderen. Dat moet ik benaderen, alsof het bijna een deel van mijzelf is. Al datgene wat ik liever van mij verwijderd houd, moet ik juist aanspreken en mij dat realiseren op een manier die de afstand schept.

Als ik God aanspreek als vorst en ik ben een eenvoudig burger, dan is de afstand zeer groot. Spreek ik God aan als Vader, dan is Hij mij nabij, indien ik mij de begrippen tenminste realiseer. Maak daarvan gebruik. Ook als het gaat om de geest of om andere krachten.

Als u een geest, die u kent, plechtig tracht op te roepen, is het resultaat twijfelachtig. Als u een geest oproept door eenvoudig te zeggen: “Ik weet dat je er bent. Ik richt mij op jou. Luister naar mij. Kom, wees niet vervelend, geef mij antwoord,” dan zal die geest veel sneller reageren.

Ook dit is een punt waarmee u in het occultisme wel rekening mee moet houden. Want iedereen die de zaak ingewikkeld maakt, maakt het voor zichzelf moeilijk en bovendien vaak onmogelijk om onmiddellijk resultaten te bereiken.

Vereenvoudiging is de kern van het magisch denken. En daarmee ben ik eigenlijk gekomen aan het titelonderwerp.

Het magisch denken stelt: Het geheel der schepping leeft uit dezelfde kracht. Het is dientengevolge intens met elkaar verbonden en in feite leven van hetzelfde leven. Daarom kan er tussen geen enkele vorm van leven, die uit de Schepper is voortgekomen, een werkelijke afstand bestaan.
Indien er in mij een wil is, dan is die wil in alle wezen en alle denken, waartoe ik mij richt, mits daar geen sterkere wil aanwezig zal zijn. Als twee krachten van wil tegen elkander zijn gericht in twee de­len van de schepping, zal de sterkste wil het zichtbare effect van de actie bepalen. U ziet, het is allemaal niet zo moeilijk.
Dan zeg ik verder:  Omdat ik mij de werkelijkheid van dit een‑zijn zo moeilijk kan voor­stellen, kan ik door handelingen, door het gebruik van symbolen, door bepaalde rituelen voor mijzelf deze nabijheid suggereren. Ik kan door schijnbaar onsamenhangende acties het gevoel van eenheid tot stand brengen.
Op dezelfde basis berust het in de magie vaak voorkomende gebruik van oude en misschien niet eens meer begrepen woorden. In de oudheid zijn de harmonische klanken gevonden. Zou men deze parafraseren of veranderen, dan zouden ze misschien hun waarde verliezen. Daarom blijft men ze behouden en vergeet daarbij dat het innerlijk begrip (niet het verstandelijk) voor de klank aanwezig moet zijn, voordat zij actief kan worden. Toch kunnen wij zeggen: Datgene, wat vanaf het begin der mensheid instinctief voor hen een weg is geweest om geesten, goden en krachten te benaderen, zal voor de doorsnee‑mens van vandaag eveneens gelden, voor zover het de lichamelijke werkingen betreft. Want hij is innerlijk nog gelijk aan de oermens. Slechts waar het zijn geest betreft, zal hij voortdurend een eigen afstemming moeten vinden.

Het laatste deel van het magisch denken is misschien nog wel het meest logische. Daar mijn leven in het geheel van het levende waarde heeft en mijn levenskracht voor een ieder dus een levende kracht is, die hij innerlijk kan erkennen, aanvaarden en zelfs in zich opnemen, zal elke uiting van mijn wezen, waarin mijn levenskracht mede een rol speelt door anderen, met andere of de kracht worden aanvaard en zal ik door het geven van mijn kracht een door mij begeerd antwoord uit het andere kunnen krijgen. Bepalend voor de wijze waarop het antwoord tot uiting komt, is de geaardheid van de kracht waartoe ik mij richt. Ook dit is, zoals u ziet, eigenlijk wel logisch.

Magie is niet iets geheimzinnig. Magie is een procedure van werken. En zoals men altijd begint met het experiment, zo bouwt men de magie op uit het experiment. Alle magische procedures zijn door experimenten langzaam maar zeker gemaakt tot wat zij zijn. Daarbij zal veel overbodigs behouden blijven. Dat ben ik met u eens. Maar als u aan magie wilt doen of als u een bepaalde gave wilt ontwikkelen in het occultisme, dan zult u ook moeten uitgaan van wat er is, ook al is dat onjuist. En u zult met een bepaald doel voor ogen daarmede moeten experimenteren.

Nu is het moeilijk om in een experiment alle niet werkzame factoren te elimineren. Belangrijker is dat wij resultaat  krijgen. En nu geldt ‑ en dit is voor de bewuste magiër, die dus niet zichzelf zoekt:  als ik een resultaat heb bereikt en dit bij herhaling heb geconstateerd, zal ik trachten steeds meer delen van mijn formule weg te laten, totdat ik het essentiële overhoud, dat voor mij noodzakelijk is, om de reactie te wekken.

Het is a.h.w. het uit het erts smelten van het geestelijk goud. Het is goudmakerij in de juiste vorm. Het is het destilleren van geuren uit licht. Het is het verwerken van geestelijke  krachten en essenties tot zichtbare vormen en het oplossen daarvan in het niet.

Alleen het noodzakelijke is voor de bewuste magiër belangrijk. Wij kennen een eenvoudige vuistregel, die zegt:

In de magie is elk hulpmiddel, dat voor het “ik” aanvaardbaar is binnen het begrip van harmonie met het Goddelijke, belangrijk. Want wie zelf nog niet kan lopen, bediene zich van krukken en hulpmiddelen om zich te bewegen. Hulpmiddelen in de magie zijn de krukken, waarop degene die zelf nog niets kan, kan steunen om althans enige resultaten te bereiken.

Dit hele denkbeeld van een wereld waarin niets onmogelijk is, kan natuurlijk worden verklaard. Wij kunnen spreken over de veelvoudige keuzemogelijkheden, het oneindig aantal heelallen, waarin elke actie ergens aanwezig is en al die dingen meer. Verwar u echter daarin niet te veel. Dat zijn de verklaringen. Verklaringen, zoals de spiraal van de tijd, die eigenlijk onjuist is. Zelfs de strip van Möbius is geen juiste omschrij­ving voor het effect tijd. Met die dingen kunt u magisch denken en werken. Toch wil ik u een raad geven:

Als u wilt proberen het magisch denken in uzelf te wekken, is het niet belangrijk dát u verklaart. De verklaring komt later. Belangrijk is altijd dat men bereikt. U kunt toch wel in een God geloven, zonder precies te verklaren wie en wat Hij is en waarom Hij bestaat. Dan kunt u ook geloven aan iets, wat u ten gunste helpt, zonder dat u het kunt omschrijven. Omschrijf niets onnodig. Leer eerst bereiken. En als u tijd over hebt, probeer dan te verklaren. Niets is onmogelijk behalve datgene wat ik voor mijzelf onmogelijk acht.

Leer daarom aanvaarden, dat alle dingen mogelijk zijn.
Baseer u nimmer op anderen of het andere, doch altijd op uzelf en de oneindigheid van mogelijkheden die in dit “ik” zijn gelegen.

Tracht nooit anderen te benaderen met haat of genegenheid of hen te veranderen of beter te maken. Dit kan religieus verantwoord zijn, magisch is het dwaasheid. Want men werkt met de bestanddelen die men heeft en men ontdoet ze op den duur van al het overbodige, totdat het essentiële overblijft.

De magiër zegt:  Ware magie is de chemie van de krachten van de ziel.

Uitstralingen is het laatste punt waaraan ik vanavond binnen het kader van het magisch denken aandacht mag besteden.

De uitstraling van elke mens is zeer complex. Voor die mens zijn het meest belangrijk: de onmiddellijke uitstralingen in zijn eigen levensaura. Deze worden door zijn stemmingen, emoties, verwachtingen en gedachten gevormd. Tevens spelen lichamelijke reacties daarin een rol. Tracht allereerst deze voor een deel beheersbare uitstraling harmonisch te maken en in overeenstemming te brengen met datgene wat u wil bereiken.

Daarnaast hebben wij de meer geestelijke delen van het ego, die eveneens in de aura en de uitstraling vertegenwoordigd zijn. Deze zijn niet beheersbaar. Maar wanneer het beheersbare “ik” is afgestemd, is het wel zeker dat de geestelijke delen van het “ik” zoveel mogelijk althans daarop zullen reageren en daardoor een grotere mate van eenheid zullen bereiken.

Tracht nimmer uw geest te reinigen zonder uw lichaam te reinigen; maar als u uw lichaam reinigt, reinigt u mede ten dele uw geest.

De magie handelt altijd vanuit het heden, vanuit eigen wereld, eigen materie, eigen mogelijkheden en bereikt daardoor de afstemming van de totale uitstraling. Iemand, die het andersom wilt doen, zal heel vaak falen. Maar wie uitgaat van het stoffelijke, gaat daarbij ook uit van het mogelijke. En daardoor blijft de afstemming altijd binnen het voor het “ik” aanvaardbare. Zij is dus altijd bruikbaar; en het aanvaardbare is een keuzemogelijkheid, waardoor een bepaald kenbaar en bestaand punt kan worden verwerkelijkt.

U zult begrijpen dat er verder in de uitstraling de kosmische stralingen een rol spelen. Maar die kunt ú niet beheersen. Nu is het eenvoudig u te zeggen: Tracht te leren kennen welke straal de uwe is en werk met de krachten daarvan.

In de praktijk komt daar niets van terecht. De magiër zegt weliswaar: Als magiër ressorteer ik onder de Heren van kennis en de Heren van macht, maar hij weet niet of dat voor zijn persoonlijk levenslot werkelijk waar is. Daarom is het verstandiger te zeggen:

Ik kan mij afstemmen op elk doel van de goddelijke kracht dat voor mij begeerlijk is en daarmede voor korte tijd harmonisch zijn. Ik zoek nimmer een blijvende gesteldheid te bereiken, maar zal incidenteel en naar behoefte mij met geheel mijn wezen en kracht richten op datgene, wat nu voor mij belangrijk is.

En dan zegt u:

Indien mijn uitstraling goud‑lichtend is, kan ik al het werk doen dat behoort tot levenskracht.

Met het witte licht kan ik aanvallen en afweren.

Met het rode licht kan ik genezen. Ik kan leven nemen. Daarnaast kan ik de emoties van de mensen rond mij beïnvloeden en kan ik een beroep doen op oerkrachten van de natuur.

Met het blauwe licht kan ik een beroep doen op kennis. Ik kan daarmee contacten bereiken met de wetende werelden van overgeganen. Ik kan daarmee bepaalde geestelijke krachten oproepen, ook engelen en demonen. Ik kan daarmee harmonie bereiken met elke de stof bezielende entiteit.

Indien u dit onthoudt, dan hebt u voldoende.

Stel u de kleur voor van het licht. Stel u de persoonlijkheid voor en tracht de sfeer, die voor u met de kleur verbonden is, in uzelf te bereiken en ga dan gewoon te werk als in de vuistregels zijn gegeven.

Ik heb hiermede geprobeerd zeer in het kort en naar ik hoop enigszins praktisch iets te zeggen omtrent de directe magie.

Er zou zeer veel kunnen worden gezegd over symbool‑gebruik, opbouw van riten en al wat daar bij behoort. Voor heden wil ik deze dingen laten rusten. Ze zijn voor iemand die in deze richting begint te werken en te denken, niet van belang. Belangrijk is:

Geloof in de mogelijkheid; concentratie op het doel; afstemming van het ego en eventueel het opbouwen van het juiste gedachtebeeld of het vinden van het voor de actie en de bereiking noodzakelijke klankbeeld.

Psychologie en magie

Als wij de magie afzonderlijk bekijken, dan klinkt ze nogal onwaarschijnlijk. Maar als wij ons gaan bezighouden met de psyche van de mens (zijn gedachteleven, de verborgenheden die er in hem leven), dan blijkt plotseling dat die magie aanvaardbaarder wordt. Zeker, ik weet dat de psycholoog heel vaak zegt, dat de magie een ontvluchtingsmechanisme is, waardoor primitievere mensen en volkeren hun gevoelens van onzekerheid en onbehagen weten af te reageren en over te dragen aan niet bestaande, naar voor hen reële waarden. Maar deze verklaring nu eens terzijde laten­de, zou ik toch op een paar punten willen wijzen.

Wij weten allemaal dat elke emotie in het lichaam veranderingen teweegbrengt. Wanneer je bv. schrikt, dan zien wij ineens dat er een bepaalde stof wordt afgescheiden, die komt in de bloedbaan en beïnvloedt het hele lichaam.We zien dat een mens in een bepaalde toestand van ontspanning de schadelijke stoffen in het lichaam meestal veel sneller pleegt af te scheiden via de normale wegen, dan een ander. Je zou dus kunnen zeggen, dat de toestand waarin men geestelijk verkeert, op het lichaam en de mogelijkheden van het lichaam een heel grote invloed heeft.

Als wij alleen dit eens bekijken in de magie, dan komen wij al tot de ontdekking dat de magie in vele gevallen erg positief kan werken. Ze brengt bepaalde emoties tot stand. Misschien dat het dan geen kwestie is van net toegediende digitaline, maar dat er een andere stof, de actie van de bijnier bv., wordt versterkt. Dan kan daarmee een ziekteverschijnsel worden bestreden of een tijdelijke vergroting van uithoudingsvermogen of van voorstellingsvermogen daardoor ontstaan.

Je zou dus wel moeten aannemen, dat al die magische riten, procedures en denkwijzen in het lichaam een zekere invloed hebben. Dat kan niet anders. En ben je eenmaal zover, ach, waarom zou je dan niet nog een stap verdergaan?

 

Ik wil u niet neer vervelen met die bekende geschiedenis van de man, die een brandblaar krijgt als je hem zegt: “Dat is een gloeiend mes” en je raakt hem aan met een ijspegel. En ik wil het ook niet meer hebben over alle traumata, die langs geestelijke of suggestieve weg tot stand worden gebracht. Die hebben wij al zoveel gehoord. Maar ik wil toch wel stellen dat de psychologie constateert, dat het menselijk lichaam op denkbeelden kan reageren, alsof  deze werkelijkheid waren.

En dan vraag ik me altijd af: Waarom zeggen ze: alsòf deze werkelijkheid waren? Want per slot van rekening, wanneer iemand wordt aangeraakt met een ijspegel en hij denkt dat het een gloeiend mes is en hij vertoont alle tekenen dat hij door een gloeiend mes is aangeraakt, dan zouden wij toch ook kunnen zeggen, dat voor deze mens (als eenling te midden van alle anderen, die de ijspegel zien) sprake is geweest van een gloeiend mes. Er is niet alleen maar één  werkelijkheid, er zijn er vele….

De werkelijkheid, waarop ik reageer, behoeft dus kennelijk niet altijd de werkelijkheid van alle anderen te zijn. Dat is wetenschappelijk aan te tonen. Wij kunnen dat ook nog aantonen via hypnose in verband met bv. de roes tijdens voodoo. De roes, waarin men zich verwondingen toebrengt bij bepaalde sekten, o.m. in Egypte en bij bepaalde koptische christenen.

Er is dus een andere werkelijkheid, waardoor het “ik” alleen door zijn denken voor zich de waarde en de betekenis van de omgeving kan veranderen. Maar als dit het geval is, hoe kan ik dan nog spreken van een werkelijkheid? Dan is er eigenlijk geen werkelijkheid. Dan is een zeer groot gedeelte van de levenswaarde een variabele factor geworden, waarbij het “ik” met zijn denken en met zijn voorstellingsvermogen de waarde bepaalt. Ben ik dan zo ver van de magie af?

De magie zegt toch immers, dat het “ik” door zijn innerlijke afstemming of door zijn voorstelling de werkelijkheid verandert. En dan kunnen we zeggen: Maar dat is alleen de werkelijkheid van de magiër. Goed. Maar het is zijn werkelijkheid. En zo goed als je die brandwond kreeg door de ijspegel, zo goed kan een zieke  gezond worden. Voor de magiër zult u misschien zeggen: Ja, goed. Zolang het de magiër betreft. Maar als een ander tijdelijk of blijvend eens in die emoties, die droom of instelling gaat delen, wat dan?

Wij vinden de meest eigenaardige verschijnselen van massasuggestie. En nu kunnen wij zeggen: Ja, dat is geen werkelijkheid. Het heeft niets met de werkelijkheid te maken. Het is een psychische besmetting, waardoor juist de werkelijkheid wordt ontkend.

Ik vind het tamelijk apodictisch gezegd, dat alle mensen, die iets abnormaals zien alleen maar onwerkelijkheid beleven en dat degenen, die dat niet zien, de enigen zijn die reëel zijn. Ik weet het, zo redeneert men op de wereld. Dat moet men wel. Men kan niet zeggen: Alles is variabel. Maar als je dat eens  logisch bekijkt.

Als er 1000 mensen zijn, die een verschijning zien van de H.Maagd en er zijn 10, die dat niet zien, dan geldt de werkelijkheid van die 1000 (de meerderheid) op dat ogenblik; de 10 anderen kunnen er niets aan doen.

Zolang het nu om een verschijning gaat, basta. Daar praten we verder niet over. Maar nu gaan wij naar een bedevaartsoord toe. Het behoeft geen Lourdes te zijn. Het mag voor mij Kevelaer zijn of een andere belangrijke plaats. Nu zien we dat daar mensen genezen; sommigen wel, anderen niet. Vele anderen ondergaan daar een totale psychische verandering. Hun mentaliteit is een andere geworden. Moeten we nu zeggen: Dat is suggestie! Of moeten we zeggen: Dat is een wonder Gods. Of zouden wij misschien kun­nen zeggen: Wanneer die mensen daar samen zijn, treden zij in een andere werkelijkheid binnen. Voor hen is de mogelijkheid voor een plotselinge genezing tijdens de suggestie van de bedevaart helemaal geen sprookje. Het is een werkelijkheid. Als ze er vast genoeg in geloven, dan gebeurt er wat. En dan behoeven we niet eens zo ver te gaan.

Misschien bent u wel eens gaan kijken bij de bijeenkomsten van gebedsgenezers. Daar ziet u ook dat niet iedereen, maar sommige mensen toch wel genezen, hetzij tijdelijk of voor goed. Wie kan zeggen dat dat niet meer reëel is? En toch is daar geen enkele zichtbare invloed.

Als je de zaak ontleedt, komt het eigenlijk hierop neer: Wanneer ik met volle overtuiging denk dat iets waar is, zodat ik daardoor andere mogelijkheden vergeet of uitsluit, dan wordt het voor mij waar. En zolang ik die waarheid blijf accepteren, blijven de gevolgen voor mij persoonlijk bestaan. Ik geloof niet dat iemand daartegen bezwaar kan hebben.

En dan zeg ik: Magie is een systeem, dat misschien vanuit psychologisch standpunt voor een groot gedeelte op zelfsuggestie berust, maar waarbij de magiër en vaak ook zijn slachtoffers kennelijk in een andere werkelijkheid komen. Een werkelijkheid waarin zij geloven; en zolang zij daarin geloven, werkt het.

Dan stel ik: Het geloof in de mens is bepalend voor de mogelijkheden die de wereld voor hem heeft. In overeenstemming met zijn geloof en werkelijk denken zullen de verschijnselen van deze wereld zich aan hem presenteren; de gevolgen van deze verschijnselen zullen voor hem niet in overeenstemming zijn met de algemeen gangbare opvatting, maar slechts met zijn persoonlijke aanvaarding daarvan.

En dan ga ik nog een stapje verder.

We hebben in de psychologie een aantal verschijnselen, die wij later ten dele onder parapsychologie hebben ondergebracht, waarmee wij eigenlijk geen raad weten. Dat zijn dingen die in de normale wereld niet helemaal passen. Wij kunnen ze alleen verklaren door aan te nemen, dat er zo nu en dan een uitzonderingstoestand optreedt Die uitzonderingstoestand kunnen we niet definiëren. Wij kennen er enkele verschijnselen van. Er is bv. bij het overbrengen van een boodschap een sterke emotie nodig. Voor het wekken van bepaalde paranormale vermogens blijken heftige geestelijke of lichamelijke schokken noodzakelijk te zijn. Maar dan vraag ik mij toch maar af: Is dat nu werkelijk een uitzonderingstoestand? Of is het zo, dat je eigenlijk door zo’n schok pas komt tot het aanvaarden van een werkelijkheid, een mogelijkheid, een facet van het zijn, dat voor een ieder werkelijk zou kunnen zijn? Als je op die vraag een bevestigend antwoord wilt geven (en ik meen dat ik dat toch mag doen; de stelling is zeker niet onlogischer dan menige in de psychologie geldende stelregel, al is het alleen maar de regel dat elk droombeeld herleid kan worden tot seksuele achtergronden van het denken), dan mag ik toch ook mijn conclusies trekken. En dan stel ik, volgens mij aanvaardbaar onlogisch, dat:

  1. magie niets anders is dan het domineren van de psyche over de werkelijkheidserkenning, die in het fysiek op dat ogenblik be­staat
  2. in het fysieke slechts die mogelijkheden worden gerealiseerd, die door de psyche worden erkend.
  3. elk beeld (geloofsbeeld of een ander beeld), dat niet met de z.g. feitelijke werkelijkheid samenhangt, in de mens niet slechts de rol heeft een ontwijken van problemen mogelijk te maken, maar dat ‑ mits het geloof volledig is ‑ hierdoor de mens binnentreedt in een nieuwe werkelijkheid, die voor hem volledig zal gelden met alle daarin bestaande of erkende regels.

Ik eindig mijn conclusies voor dit deel van mijn betoog met te constateren, dat gezien de sterke binding, die er tussen het fysiek erva­ren en de psychische erkenning bestaat, moet worden gesteld dat de psyche vanuit de materie even sterk te beïnvloeden is als de stoffelijke re­actie vanuit de psyche te beïnvloeden zal zijn. Dientengevolge zal de stoffelijke actie, ook indien zij niet op feiten of op werkelijkheid is ge­baseerd, een psychische gesteldheid kunnen wekken, waardoor het gestelde waar wordt. Verwerkelijking van het schijnbaar onmogelijke is zowel direct vanuit de psyche als via de stoffelijke  handelingen, die in zich onlogisch lijken, mogelijk.

En dan komen we aan het volgende en tevens, laatste deel. Als wij nu tot onze verbazing zien dat er regendansen zijn, waarbij werkelijk onverwacht regen schijnt te ontstaan, dan zullen wij als stofmens geneigd zijn te zeggen, dat dit natuurlijk te danken is aan de kennis van de medicijnman, die met het beginnen van de regendans wacht, totdat alle tekenen erop wijzen dat die dans succes zal hebben. Maar is dit ergens ook niet een poging de werkelijkheid te ontvluchten? Want wij zien, dat dergelijke dansen weleens falen, maar we zien ook wel dat ze zeer onverwachte resultaten brengen.

Als ik even mag herinneren aan de ervaring die een filmploeg had. Voor een bepaalde film met cowboy-helden en indianen had men een opname nodig van dansen. Zij zijn toen naar de Hopei‑indianen gegaan, die regelmatig samenkomen in een kamp voor dergelijke dingen en hebben gevraagd: “Mogen wij jullie regendans opnemen?” Waarop de hoofdman zei: “Maar zou dat niet lastig zijn met al die regen?” “Nu,” zeiden ze, “er is geen wolkje aan de lucht, het is heerlijk weer, begin maar.” Enfin, de waterschade heeft een herhaling van de opnamen in een studio noodzakelijk gemaakt. Dit is historisch.

Maar als ik nu stel dat de mens, wanneer hij binnentreedt in een andere werkelijkheid – hetzij via een dans of door iets anders, wat zijn denken absoluut in een nieuwe richting doet gaan ‑ niet slechts zichzelf beïnvloed, maar ook voorwerpen en krachten van de natuur zal kunnen beïnvloeden, dan wordt het toch wel heel vraagwaardig, of wij wel mogen spreken van de feiten van deze wereld. Ik geloof dat de mens in vele opzichten zelf de feiten maakt.

En als het hoog water is in Nederland en iedereen loopt te hopen dat het niet meer zal regenen, maar denkt dat het wel door zal gaan, dan is het voor mij nog niet zo zeker dat de verdergaande waterschade nu alleen door een hoge drukgebied wordt bepaald. Ik heb het idee dat het menselijk denken daar ook iets toe bijdraagt.

De magie gaat natuurlijk veel verder. Hij zegt dat het denken bepalend is. Ik neem aan, dat dat op een beperkte basis voor hem waar is. Maar als hij het voor zichzelf waarmaakt, zal het voor vele anderen waar kunnen worden, ook als zij het niet geloven. En dat is een punt waaraan wij toch nog wel even aandacht moeten schenken.

Wanneer er in een gezelschap een mop wordt verteld en één meisje bloost, dan moet u eens zien hoeveel blosjes er ineens los komen. Is daardoor de waarde ervan veranderd? Helemaal niet. Het verhaal en de stemming blijven dezelfde. Alleen, de reactie van één wekt een reactie bij anderen. En dat kennen we uit de psychologie.

Wij stellen daar, dat de reactie van één mens op een feit een prikkel zal zijn voor anderen tot een gelijksoortige reactie. En wij gaan zelfs verder en zeggen: dat wanneer de reactie van de eerste niet echt is (dus niet op feiten berust), de anderen toch zullen reageren en wel alsof het feit zou bestaan.

Ze hebben interessante onderzoekingen op dit terrein gedaan o.a. in Newark.

Nu zal de magiër handelen alsof iets een werkelijkheid is geworden. Hij zal door zijn gedrag voor anderen de aanleiding zijn om iets als een feit of als een werkelijkheid te aanvaarden.

Nu stel ik: Niet alleen in de relatie van mens tot mens, maar ook in de relatie van de mens tot al wat zijn milieu vormt, tot de materie en de elementen toe, zal de geestelijke reactie de waarde bepalen. Indien één mens een reactie origineert, maakt hij hierdoor deze waar voor een ieder die aan zijn onmiddellijke invloed onderworpen is en zijn geloof met hem deelt; dus met hem een andere werkelijkheid binnentreedt.

Wanneer iemand echter een suggestie uit, die voor de meerderheid niet aanvaardbaar is, dan zal deze suggestie voor hem zelfs een waanbeeld worden. Hij zal daaraan vaak ten onder gaan, hetzij psychisch of zelfs fysiek. Want de meerderheid, die bewust denkt, bepaalt het totaal van het ervaren voor een ieder die de invloed van de meerderheid kan ondergaan.

Als er hier één mens is, die zegt dat de wereld nu aan het vergaan is en er zitten er hier tien die hem uitlachen, dan zal de eerste de teleurstelling van zijn leven ervaren. Indien echter 6 van 10 dit werkelijk geloven, dan zien zij gezamenlijk die ondergang.

Aangezien echter een wereldondergang de gehele mensheid omvat, is het niet mogelijk dat de wereld daardoor vergaat. Maar er zal een ongeluk, een ramp mogelijk worden, waardoor de 10 (dus de 6 gelovigen en de 4 ongelovigen) gezamenlijk omkomen, daar de dood voor de mens in zijn bewustzijn ergens gelijk komt aan de ondergang van de wereld. Dientengevolge kan worden gesteld dat, zo een magische stelling op een verzet van de meerderheid stuit, zij voor de magiër en degenen onder zijn invloed zal worden vervangen door een voor hen gelijksoortige gebeurtenis.

Daarmede heb ik iets heel belangrijks gezegd. Ik heb nl. hiermede beweerd, dat de mensheid als geheel alle levenscondities van de aarde bepaalt. En dat naarmate die mens wanhopiger of hopelozer gaat leven en denken de condities op de wereld eveneens hopelozer worden.

Verder heb ik gesteld, dat wanneer mensen anders denken, er voor hen een wijziging optreedt. Die wijziging zal niet altijd in overeenstemming zijn met wat zij zich hebben gewenst of wat ze hebben omschreven. Maar er zijn in hun wezen factoren, die synoniem zijn met gestelde en ook verschillend in de uiterlijke waarden. Zij maken dus voor zichzelf datgene waar, wat door de meerderheid van levenskracht rond hen nog als waarheid wordt toegestaan. En dan kunnen wij heel psychologisch nog het volgende zeggen:

De magiër, die ten koste van alles de door hem voorgestelde werkelijkheid geheel wil beleven, zal vaak overgeleverd zijn aan waanzin of dood. Degene echter, die het vervangen van het voor de mensheid onaanvaardbare door het voor de menshuid aanvaardbare niet afwijst, zal ontdekken dat zijn aanroepingen, werkwijzen en incantaties hem voeren tot belevingen, die weliswaar niet stroken met het gestelde, maar die voor hem in zijn leven een ongeveer gelijke betekenis hebben.

En dan is de eindclaus vanzelfsprekend:

Het is eigenaardig dat de psychologie, die zo vaak wordt gebruikt als middel tegen en verklaring van het z.g. paranormale, gelijktijdig de sleutel kan vormen voor een begrip van deze waarden en zelfs voor een reële en logische benadering ervan.

Ik vraag mij af hoeveel psychologen dit hebben geprobeerd. Misschien meer dan wij denken. Maar zij zullen dan wel tegen een meerderheid van vakgenoten zijn ingegaan en misschien niet in staat zijn geweest om een soort synoniem van het bewijs voor zich persoonlijk te aanvaarden in plaats van de aanvaarding van hun these door het geheel.