Magisch denken (vervolg)

 ‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 2) – november 1968

Magisch denken.

(vervolg)

Bij het magisch denken hebben wij te maken met een similariteitsverschijnsel, een gelijkheidsverschijnsel. Het is eenvoudig om te spreken over de parallelle werelden, over de verschillende niveaus van kracht, maar het is een beetje moeilijker om in het magisch denken te komen tot de werkelijke grondslagen, die men nodig heeft. Ik zou graag willen beginnen met enkele van die grondslagen te geven.

  1. Alles is mogelijk zodra ik elke onmogelijkheid ontken. (Let wel, dat is een gedachtestelling, geen feit.)
  2. Ik ben identiek met elke kracht, die aan mij gelijk is.
  3. Indien ik mijn wil gericht projecteer, zal hetgeen ik richt in elk harmonisch element een antwoord vinden.
  4. Als deel van alle werelden heb ik toegang tot alle werelden en kan ik werken met de kracht van alle werelden.

Dat zijn eenvoudige stellingen, die u waarschijnlijk al meer heeft gehoord. Maar wat is nu eigenlijk de kern van het magisch denken? Als wij dit denken willen ontwikkelen, dan moeten wij niet alleen maar uitgaan van die eenvoudige stelregels zonder meer. We moeten proberen de totaliteit te zien van wat magie eigenlijk betekent.
Magie is een wereld met andere wetten. Geen parallelle wereld. Het is ook geen andere wereld, maar het is toch een wereld met andere wetten.
Ik schep voor mijzelf de wetten, die mij regeren. Dat is een van de grondstellingen. Want als ik zeg dat iets niet kan, zal ik automatisch alles, wat tot een slagen zou kunnen voeren, vermijden. Als ik zeg dat iets niet mag, zal ik mij er buitengewoon toe aangetrokken voelen, alleen omdat ik meen dat het verbodene iets bijzonders is. Als ik zeg dat het mij slecht gaat, dan kan het mij nog zo goed gaan, dan gaat het mij slecht. Hier bouw ik dus voor mijzelf een wereld op, waarbij ik eigenlijk niet meer weet wat de werkelijkheid is.
Wilt u het magisch denken ontwikkelen, dan zult u van de systeemloosheid daarin afstand moeten doen. Die systeemloosheid raken wij kwijt, indien wij in de eerste plaats leren onze bedoeling nauwkeurig te overwegen en te omschrijven; in de tweede plaats, als wij weten hoe wij datgene, wat wij willen bereiken, moeten noemen.
De magische naam speelt overal een heel grote rol. Wij kunnen spreken over b.v. het Zegel van Salomo, dat een geheime naam bevat, die je niet eens mag uitspreken. We kunnen denken aan al die andere oproepingen, waarmee Astragoth, Behemouth, Belsesar enz. want er zijn heel wat duivels, worden opgeroepen. De naam is hier, dat zult u wel begrijpen, eigenlijk geen omschrijving.
Het is een begripsaanduiding, die stamt uit de tijd dat de taal nog omschrijvend was. Als je tegenwoordig zegt ‘olifant’, dan zou je vroeger hebben gezegd: een enorm groot dier met een enorme lange neus op vier zeer dikke poten en met een heel klein staartje; kan gevaarlijk zijn. Dat is veel langer, maar de mensen hadden vroeger ook meer tijd.
Dit omschrijvend spreken nu is weer terug te voeren tot aanduiding van bepaalde gevoelens of lettergrepen met letters. Niet dat ik van u aanneem dat u onmiddellijk die magische woorden kunt vinden en vormen. De naam is eigenlijk de begripsomschrijving. Als ik b.v. Behemouth zeg, dan zeg ik daarmee Be = volgzaam; He = goddelijke kwaliteit; Mou. = verborgen; Th = versterkt. Met andere woorden: een van de generaals van het helse heirleger. En als ik bovendien nog de ontleding van de geschreven tekens toepas, dan kan ik er nog bij zeggen, indien ik tenminste het Latijnse alfabet schrijf, dat hier wordt gezegd: het monster, dat allen verslindt, ook zichzelf. Dat staat er ook nog in.
Hier heb ik dus een begripsomschrijving. Het gaat mij echter niet om die naam. Dat wezen weet misschien niet eens wat die naam betekent. Maar met die naam baan ik mij een pad naar dat wezen, ook als ik het niet ken. En deze typerende instelling van ‘mij een pad banen naar iets’, is – geloof ik ‑ wel een van de grondbegrippen van alle magie.
Nu zult u zeggen: Wat is dan dat magisch denken, dat je moet ontwikkelen? Eigenlijk gewoon dènken, maar op je eigen manier. Het wonderlijke is dat magie niet wonderlijk is. Ze is doodgewoon een verschuiving van waarderingen in een werkelijkheid, die gehandhaafd blijft. Alles, wat je daar wilt uitdrukken van de eigen werkelijkheid, krijgt een vreemde klank. Zo komen wij ongetwijfeld aan de heksenverhalen.
U weet hoe het met de heksen is gegaan: de heksensabbat die ze vierden, hoe ze met breipennen in eierschalen roerden en stormen opriepen en al die dingen meer. Dat zijn symbolen. Een symboliek, die wordt gebruikt omdat de werkelijkheid eigenlijk niet is weer te geven.
Als u magisch denkt, dan zult u waarschijnlijk ook dergelijke idiote beelden gebruiken. Indien u nu niet vastloopt in het beeld (het symbool) dat u gebruikt, maar afgaat op de belevingsintensiteit, de ‘belevingswaarde’ die er achter schuilt, dan heeft u daarmee een gerichte instelling verkregen.
Die gerichte instelling werkt in de eerste plaats natuurlijk harmonisch maar in de tweede plaats brengt ze eigenlijk een zodanig gebundelde kracht tot stand, dat u dat kunt vergelijken met een laserstraal. De laser is in staat, zoals u weet, om een duimdikke ijzeren plaat in een ogenblik, door te branden. Op dezelfde manier kan een potlood‑dun gerichte energie van het totaal menselijk vermogen door alle hinderpalen heengaan.
Men denkt altijd dat bij magie hocus pocus te pas komt. Dat is natuurlijk wel zo indien men de toneel‑magie en de manifestatie‑magie ziet. Maar de werkelijke magie is eigenlijk veel eenvoudiger en gelijktijdig ook veel logischer.
Ze gaat uit van het standpunt dat wij als mens en als geest altijd worden omringd door een groot aantal muren. Die muren zijn te sterk voor ons, indien wij ze concipiëren als een geheel. Als wij echter datgene waarnemen wat achter de muur ligt en dit voldoende scherp doen, dan doorbreken wij die muur. Een voorstelling, die elders door een soort transport wordt vervangen en waarbij men zegt: Als ik voor een muur sta waar ik niet overheen kan komen en ik ken één punt aan de andere kant van die muur, dan behoef ik er alleen maar goed aan te denken om op die plaats te belanden. Dat is, zou ik zeggen, logisch.
Om magisch te denken, heb je natuurlijk voorstellingsvermogen nodig. Maar dat heeft u uw hele leven nodig. U doet nooit iets zonder dat u er een bijgedachte aan verbindt. Het is zelfs zo geworden dat geen enkele mens de volle waarheid kan zeggen zonder een beetje te liegen. Een mens is nu eenmaal zo. Waarom zouden wij dan proberen de zaak te ingewikkeld te maken? Laten wij liever proberen om onze geschiedenis van de inleiding tot het magisch denken een normale, alledaagse vorm te geven.

  1. Indien ik aan magie wil doen, moet ik niet denken dat ik magie ga bedrijven. Ik moet eenvoudig beginnen. Een heel belangrijk punt! Zodra ik mij bezighoud met het denkbeeld ‘ik ga magie bedrijven”, heb ik mij eigenlijk al uit focus gebracht. Ik moet mij eenvoudig concentreren op wat ik wil.
  2. Ik moet deze concentratie altijd zo harmonisch mogelijk met het doel kiezen. Als u vervelende visite heeft en u wilt ze laten opbreken, dan moet u niet zitten denken: Wat een vervelende mensen, ik wilde dat ze opstonden. Dan is het veel verstandiger te denken: Ja, je zou best nog ergens anders naar toe kunnen gaan. Dat zal veel beter aanslaan. Magisch denken is dus ook een vermijden van de strijd, van de tegenstel­ling waar het maar mogelijk is.

Het einddoel van het magisch denken is natuurlijk bereiking; en bereiking is in zekere zin vaak overwinning en een bepaalde vorm van strijd. Maar daar gaat het mij niet om. Zodra ik begin te vechten, moet ik weerstanden overwinnen. Ik moet weerstanden zoveel mogelijk vermijden. Ikzelf creëer vanuit mij een werkelijkheid, die zo dicht mogelijk ligt bij hetgeen ik wil bereiken of die voor degene, die ik wil bereiken, aanvaardbaar zal zijn. Dat is heel begrijpelijk. U gaat toch ook niet bij een vegetariër op visite en brengt een lekkere soepkip mee. En u gaat een suikerzieke niet een grote schaal gebak voorzetten. Dat doet u niet indien u verstandig bent. Waarom zou je dan in de magie bedreigingen moeten uitspreken of vervloekingsformules moeten gebruiken om een ander maar heel duidelijk te maken hoe machtig je bent? Dat heeft absoluut geen zin. Het gaat er niet om dat die ander je respecteert, het gaat er om dat die ander doet wat nodig is. Magisch denken, is zeer zeker een verschuiven van de werkelijkheid; maar die verschuiving moet feitelijk blijven. Je geeft in de magie altijd het gehele ego. Zodra je delen gaat uitschakelen, heb je jezelf verdeeld en is het resultaat natuurlijk minder goed. Maar stel dat je je geheel kunt richten op één doel. Wat is er dan verder nodig?

  1. Het is normaal wat ik doe.
  2. Ik kan het. En als u niet zeker bent, dat u dat kunt zeggen, spéél het dan; maak er een spel van. Met een spelletje kunt u veel meer bereiken dan met alle ernstige pogingen, waarbij u aan uzelf blijft twijfelen. In een spel is het niet belangrijk of u slaagt of niet. Het is een toets, meer niet. Toets dan uzelf, speel ermee. Neem de magie nooit volledig au sérieux, want dan loopt u vast in formalisme. Alles is magisch. Er zijn zoveel van die dingen op te sommen. Stel in Nederland b.v. het beleid van minister Oud en van minister De Jong eens tegenover elkaar. Wat een typische overeenkomst ondanks alle verschillen. Tegenstellingen zijn in feite elkaars gelijke in een andere uiting. En zo moet het voor ons toch ook zijn. Dat is eenvoudig magisch denken. Er zijn geen tegenstellingen.
  3. Elk evenwicht dat ik voor mijzelf bepaal, langs welke weg dan ook, bestaat op mijn wereld. Want ik ben immers het punt waar de waag van waarden en waarderingen om draait. Wanneer ik mij dus wijzig ‑ om welke redenen dan ook ‑ dan wijzig ik het evenwicht rond mij. Maar dat betekent dus dat, als ik astrologie studeer en een horoscoop maak, ik met die horoscoop kan bereiken (vreemd genoeg misschien) dat daardoor voor mij dingen onmogelijk worden, die eens mogelijk waren en omgekeerd. Het is eenvoudig omdat ik in die dingen geloof.

Nu is dit allemaal huis‑, tuin‑ en keukenmagisch denken. We zouden het ook nog esoterisch kunnen behandelen, maar dan zou het weer ingewikkelder worden. Wij kunnen het ook anders doen. De eenvoudigste kernmagie vinden wij bij de natuurvolkeren. Dezen gebruiken plechtigheden, die ze nodig hebben, om zich in een bepaalde toestand of stemming te brengen. Maar kentekenend daarvoor is steeds weer de gave (het offer), de daad­werkelijke uiting dus. Daarnaast het absolute vertrouwen, de absolute concentra­tie. Het loopt wel eens verkeerd af. Laatst nog bij de vulkanische uitbarsting op Bali. De mensen zeiden: We kunnen de vulkaan tegenhouden. Maar ze waren toch wel een beetje bang en daarom konden ze het niet. Houdt u dus in de magie altijd aan die dingen, die u zelf niet zozeer beroe­ren dat u er a.h.w. door onder spanning komt te staan. Zeker niet in het begin.
Indien u zich in uzelf richt – en dat is ook magisch denken ‑ dan moet u zich niet bezighouden met alles wat er in u is; dan moet u proberen de mogelijkheden te vinden, die er in u bestaan. Magie is praktisch. De medicijnman heeft een heel eigenaardigere methode om uit te maken welk medicijn goed is voor een zieke. Hij danst rond de zieke en beluistert a.h.w. zowel zichzelf als de zieke. Op het ogenblik dat hij een overeenkomst ontdekt tussen de symptomen van de zieke en zichzelf (hij denkt daarbij meestal aan planten; hij is een soort levend herbarium, wat dat betreft) ziet hij een plant. Die plant komt hem voor ogen op het moment dat er een harmonie is. Die plant is dus het geneesmiddel.
Anders gezegd: Ik ben harmonisch met de ander. Uit die harmonie plus mijn denkbeelden blijkt hoe de oplossing van het probleem van de ander mogelijk is.
Bestaat er in het magisch denken ergens een grens? Neen. Op het ogenblik, dat er in het magisch denken een grens ontstaat, is het geen magisch denken meer en zullen er geen magische krachten aan ontleend kunnen worden. Want magisch denken ‑ vergeet dat niet ‑ is juist grenzeloos denken.
Indien ik zelf mijn wetten maak, moet ik aannemen dat elke wet mogelijk is. Zodra ik bepaalde onmogelijkheden stel, werkt het door. In mijn denksysteem zit altijd een bepaalde logica. Die zullen anderen er misschien niet in zien, maar voor mij bestaat ze. Deze logica beheerst mij. Indien ik in de magie een bepaalde stap doe omdat zij logisch is, dan zal de gehele logica, die mij domineert en die in mijn denken bestaat, op elk effect van mijn magisch denken en handelen terugslaan.
In de historie hebben wij trouwens nog heel andere voorbeelden gevonden van wat wij een soort magisch denken kunnen noemen.
De heilige slang werd in Egypte geëerd naast vele andere heiligen en werd gelijktijdig zeer gevreesd. Zij was voor velen ‑ en vooral voor de minder gelovigen een soort doodssymbool. Dat is helemaal niet zo verwonderlijk, want de woestijnadder is zeer giftig.
Mozes in nood slaat een koperen slang aan een kruis. (Nu zouden wij erover kunnen praten of hij dan al koper had in die tijd; en hoe hij daarvan een slang heeft kunnen maken zo gauw. Misschien is het wat anders geweest. Men bedoelt eerder de kleur van de slang. Maar Mozes slaat die aan een kruis; een T‑balk, wel te verstaan. Resultaat: genezing voor hen, die opzien naar dit kruis. Voor de christenen iets schitterends; een vooruitzeggen van de wonderen, die later zullen geschieden. Maar voor iemand, die magisch denkt, iets heel anders.
Een symbool bestaat voor de mensen. Indien ik een symbool van dreiging dood, zullen alle gevolgen van angst, van psychische en fysieke vermoeidheid etc., voortkomende uit datzelfde, verdwijnen. Het is eigenlijk zo gewoon als 2 x 2 = 4.
Indien ik een oorzaak wegneem, kan er geen gevolg meer zijn. Indien ik die oorzaak in de gedachten van de mens wegneem, dan is daarmee ook de werkelijke oorzaak aangetast. Menselijk denken, domineert. Dat is dus magisch denken.
Nu zou ik heel eenvoudig in regels willen spreken.

  1. Elk symbool is een uitdrukking van een harmonische waarde. Ik zal daarom elk symbool kunnen gebruiken, mits ik de betekenis daarvan ken. Symbolen zijn voor mij richtmiddelen voor mijn eigen geest (entiteit). Geen symbool, geen woord e.d. heeft in zichzelf kracht. Het verwerft zijn kracht door de gerichtheid, die het in mijn wezen doet ontstaan.
  2. Alle magie behoort thuis in het normale leven. Op het ogenblik dat ik de magie buiten het normale leven stel, zal het mij zeer moeilijk worden om resultaten te bereiken, die in dat normale leven tot stand komen.Hoe meer men het uitzonderlijke in zichzelf of bij anderen zoekt, des te groter de kans is dat men daaraan ten onder gaat.

Voorbeeld:
Als ik dus een kracht uitstuur naar iemand die er niet is, maar de kracht is gericht om te treffen, dan zal hij alles treffen wat in harmonie is met die kracht. Ik, die de kracht gebruik, ben altijd met die kracht in harmonie. Als ik een gedachte vorm en ik stel deze buiten de werkelijkheid en houd haar toch vast als een waarheid, dan stel ik mijzelf buiten de werkelijkheid, maar dan werk ik dus met krachten, waarvan ik aanneem dat zij in mijn werkelijkheid niet kunnen optreden. Het resultaat is dat deze krachten op mijzelf kunnen terugslaan; en indien ze voor anderen gunstig bedoeld zijn, kunnen ze voor mij ongunstig zijn.

Een ander voorbeeld:
Voor sommige mensen met een hartkwaal is een zekere dosis arsenicum zeer gunstig. Mensen met een andere gesteldheid zullen van diezelfde arsenicum ziek worden. Indien ik een kracht op een persoon richt om daarin iets tot stand te brengen (bijv. genezing), dan kan dat betekenen dat er een stimulans moet worden gegeven aan bijv. het hart, aan bepaalde weefsels, aan het beendermerg of andere organen. Bij mij werken ze echter normaal.
Indien die kracht op mij terugslaat, dan krijg ik dus een teveel en daardoor een onevenwichtigheid in het lichaam dat ziekte heet. Met deze voorbeelden wordt het u misschien duidelijk dat we dus wel heel goed moeten uitkijken wat wij eigenlijk doen.

  1. De regel waarvoor u ook altijd moet oppassen, is deze: Een doel, dat ik niet de moeite waard vind, gebruiken voor een magische poging, betekent bijna zeker mij onderwerpen aan een oorzaak‑ en gevolgreeks, die ik zelf wel veroorzaak, maar die ik niet begrijp.

Op het ogenblik dat ik op welk terrein dan ook te ver ga, is dit ‘te ver gaan’ iets wat door mijzelf wordt bepaald. Anderen kunnen dat wel zeggen, maar als het voor mij waar is, moet ik zelf daaraan geloven. Indien ik zoiets ten onrechte geloof, dan heeft dat op mij toch de invloed, alsof het waar was. Indien ik mijn energie voor onbelangrijke dingen in de magie gebruik, dan zijn ze volgens mij misschien onbelangrijk, maar dat houdt ook in dat ik niet begrijp welke oorzaak‑ en gevolgketen daar ontstaat. Die oorzaak‑ en gevolgketen kon wel eens terugkaatsen op mijzelf, een verandering betekenen in mijn werkelijkheidservaren en daarmee een situatie scheppen, die ik misschien niet wens of niet aankan.
Als u weet dat u de magie nooit moet gebruiken voor onbelangrijke dingen, zult u waarschijnlijk onmiddellijk protesteren. Zo-even heeft u gezegd: Doe het als een spel. Natuurlijk. Wie het als een spel doet nl., zal ‑ omdat hij speelt ‑ alleen gebonden zijn aan spelregels; en aangezien hij die zelf opstelt, is hij er betrekkelijk gunstig aan toe. Maar naarmate ik meer een doel ga kiezen, dat b.v. door hoge geestelijke waarden wordt gedicteerd, dat uit een ideologie voort­komt of op welke wijze dan ook in een geloof naar voren wordt geschoven, dan grijp ik niet alleen speels in maar dan ben ik bezig om iets te doen.

Voorbeeld:
The Church of Christ Scientists probeert mensen te genezen. Dat is op zich­ zelf erg mooi. Op het ogenblik echter dat ik het spel daarin kwijt raak – dus niet zeg “laten wij het maar proberen”  maar a.h.w. God probeer te dwingen een zieke te genezen ‑ heb ik voor 99 % kans dat de zieke instort. Ik zal nl., om­dat ik meen een hogere kracht te moeten dwingen te veel kracht van de patiënt nemen en die kan ik niet meer zo gemakkelijk aanvullen. Hier heeft u alweer een beeld dat duidelijk maakt dat u met magisch den­ken zeer voorzichtig moet zijn. Hoe speelser u bent, des te geringer de gevaren. Dat is heel eigenaardig. U wordt altijd geleerd dat de ernst des levens belangrijk is. In het magisch denken, is de ernst vaak dodelijk. Ernst kan alleen worden gebruikt, indien u werkelijk scherp nadenkt, indien u alles van tevoren overweegt en formuleert.

Niet voor niets zegt men dat je, om een groot magisch opus te volbrengen, eigen­lijk maanden van voorbereiding nodig hebt. En dat is logisch. Want je moet niet alleen maar een magisch werk volbrengen, je moet ook begrijpen wat je ermee doet. Dan alleen kun je ernstig met de magie werken. In magisch denken is het dus wel zeer belangrijk, dat we die ernst zeker niet oproepen omdat wij dat b.v. mooi vinden. Als wij die ernst oproepen omdat we het mooi en gewichtig vinden, dan kunnen wij het beter achterwege laten want het is gevaarlijk. Wij moeten dus niet slechts speels zijn, maar we moeten ook een tikje spontaan zijn. Dat spontane heeft ook weer zijn waarde. Spontaan zijn, dat kunt u misschien het eenvoudigst zo uitdrukken: Zolang ik een zekere speelsheid in mijn magisch streven blijf behouden, waarbij de uitkomsten voor mij eigenlijk niet belangrijk zijn en het streven zelf de vreugde uitmaakt, zal ik in staat zijn om alle waarden binnen dit spel op harmonische wijze te benaderen. Mijn mogelijkheden zijn oneindig groot, maar ook mijn krachten zijn gelijktijdig groot. Hierbij komt besef naar voren. Magisch besef als toestandsbesef is altijd het wensen waard. Elk besef dat de toestand te boven tracht te gaan, is niet het wensen waard; integendeel, het is gevaarlijk. Het formuleert nl. de these, waarin de magische kracht en het magisch werken passen.

Dan kunnen wij nu proberen om het zo eenvoudig mogelijk te maken.

  1. Wie magisch denken wil ontwikkelen, moet beginnen met de magie opzij te zetten. Wie magisch wil leren denken, moet slechts leren denken in de richting van het wenselijke als het mogelijke.
  2. Wie in het magisch denken enige vooruitgang wil maken, zal moeten beseffen dat magisch denken niet inhoudt dat anderen het werk opknap­pen. Wie magisch denkt, komt uit dit denken tot een eigen initiatief, zowel geestelijk als op ander terrein.
  3. Elke geloofsvorm ‑ al is het maar diep in onszelf en verborgen ‑ zal bepalend zijn voor de middelen, waarmee wij magisch kunnen werken. Wij moeten dus nooit proberen ons magisch denken om te scholen van een bepaald geloof naar een ander geloof. Zolang een geloof voor ons een geloof is, moeten wij het maar accepteren en binnen de harmonie daarmee werken.
  4. Leef eenvoudig. Dat betekent niet: lijd armoede. Dat betekent niet: beperk u. Een mens, die eenvoudig leeft, begint bij het begin en nooit bij het einde. Hij werkt met de krachten, die hem ter beschikking staan; niet met de krachten, die hij zou willen hebben. Wanneer een dergelijke eenvoudig levende mens tot de conclusie komt: dit is mogelijk, of: dit is wenselijk (speels of serieus), heeft hij veel meer kans om iets te bereiken.

Nu wilt u waarschijnlijk nog wat kleine tips hebben: hoe kan ik magisch denken gebruiken? Lastige visite, dat heb ik u al gezegd, kunt u wegdenken. Aan de andere kant kunt u mensen, die voor u van belang zijn, aantrekken. Ik kan mijn eigen polariteit bepalen t.a.v. andere personen, mits ik daarbij niet een strijd met de ander begin (hetzij om ze tot mij te roepen of ze van mij weg te drijven), maar tracht altijd het argument te vinden dat voor de ander zou gelden om het gewenste te doen.
Indien u b.v. te maken heeft met een neger, die heel erg boos is op de blanke, dan moet u hem niet gaan vertellen dat Whitey zo slecht nog niet is. Als u zegt: Kom tot mij en ik zal u magisch bekeren, dan zegt u in feite al: Whitey is beter. Dan zult u die neger moeten bevechten; en wat er overblijft, is dan vaak de moeite niet waard, hetzij van u of van die neger. Dat ligt er maar aan. Wij moeten harmonie hebben. Als die neger zegt: Whitey is gemeen, dan zegt u: Natuurlijk, Whitey is gemeen. Maar Whitey is een abstracte figuur. Ik ben eigenlijk niet Whitey; ik ben meer Soul‑sister of Soul‑brother. Door die terminologie te gebruiken stel ik mijzelf buiten de haattendens en kan ik invloed bereiken; welke invloed dat ook verder moge zijn.
Innerlijk verlang ik over het algemeen datgene te doen of te bereiken, op paranormaal of magisch terrein, dat volgens mijn besef buiten mijn bereik ligt. Iemand, die krampachtig probeert helderziend te worden, za1 waarschijnlijk nooit wat zien. Iemand, die daarvoor geen belangstelling heeft, zal het snelst zien. Iemand, die er een haat tegen heeft, afkeer of een angst, zal over het algemeen op de meest ongelegen en onverwachte momenten helderziend zijn. Er zit een zekere consequentie aan vast: Datgene wat ik vrees, wat ik verwerp, wat ik in het bijzonder wens, is voor mij onbereikbaar geworden omdat ik het niet meer stel als eenvoudig bereikbaar. Wie een mogelijkheid verwerpt, verwerpt daarmee elke bereiking in de richting van die mogelijkheid.
Wat ook nogal eenvoudig is, is de kwestie van bidden. Het geeft niet tot wie ik bid, mits ik dat intens doe. Mijn bede is een constatering van behoef­ten, die door mij vaak eerst wordt gerealiseerd wanneer ik ze tegenover een hoger wezen onder woorden tracht te brengen. Als zodanig is elk bidden een zekere vorm van zelfanalyse. Het geloof dat een gebedsverhoring mogelijk is (mits bestaand en redelijk intens), zal de gebedsverhoring, dus het bereiken van hetgeen men vraagt, aanmerkelijk vereenvoudigen.
Probeer nooit tovenaar of heks te worden. In de eerste plaats is het niet meer in de mode; in de tweede plaats zou u daarmee over het algemeen een spelletje gaan doen van een fantasie zover buiten de werkelijkheid, dat u er niet mee kunt leven.
Probeer ook niet te veel symbolen te vinden. Probeer eenvoudig eens iets tot stand te brengen. Onthoud daarbij dat elke dag uw geloof, uw vertrouwen in de mogelijkheden en zelfs uw kracht verschillend zijn. Elke dag bepaalt dus voor zich of u magisch kunt denken en werken. Als u de ene dag magisch goed heeft gewerkt, dan betekent dat niet dat de volgende dag wederom resultaten bereikbaar zullen zijn. Die zijn alleen bereikbaar, indien u beseft welke de conditie was, die op die zo geslaagde dag domineerde.
In uzelf moet u altijd zoeken naar een zekere synthese. Die synthese kan magisch slechts worden uitgedrukt als het spel van actie en reactie. Actie is altijd primair; reactie secundair. Ik ben altijd actie t.o.v. mijn in­nerlijke erkenning; dan zal de reactie niet mijzelf zijn. Indien dus datgene, wat ik excessief scherp erken, niet mijzelf is, dan zal het ‑ of het nu werkelijk vijandig is of niet ‑ het mij onmogelijk maken mijn innerlijke werkelijkheid te beseffen, want het dringt zich tussen mij en de werke1ijkheid.
Grenzen afbreken, die voor het eigen denken bestaan, betekent niet: proberen te veel te dromen of te veel te willen, maar eenvoudig elke dag een klein stukje verdergaan.
De volgende aanwijzingen zijn magisch misschien ook wel interessant.

Genezen. Genezen is alleen dan magisch, indien ik de gerichtheid van kracht gebruik op grond van een bepaald geloof, een bepaalde denkwijze, een bepaalde kennis zonder daarbij mijzelf te binden aan hetgeen ik in mijn gedachte schep. Onverschilligheid is vaak een agens voor de magische reactie,

Werk altijd alleen. U kunt nooit met anderen samen eens gezellig aan magie doen, of het magisch denken ontwikkelen. Daar de kern van de persoonlijkheid hierbij zo’n grote rol speelt, moet je wel die kern aan het woord laten, niet de rest. Dat kun je alleen, indien er geen rest is, die het recht van grijpen zou bezitten. Dat is altijd zo. De resten zijn het meest gevaarlijk in het leven. Dat weet u misschien niet, maar het is werkelijk waar.

Dan gaan we nu proberen om de eenvoudige magie van het denken te beoefenen.
Ben ik? Ik vraag of ik ben. Ik besta dus wel, maar ik ontken het zijn.
Indien ik het zijn ontken, kan het zijn geen werkelijkheid blijven. Als het zijn geen werkelijkheid is, wordt het ten slotte door mij beheerst. Als het door mij wordt beheerst, behoef ik slechts datgene, wat in mij onbewust is, bewust te maken en ik zal tot een bewuste beheersing van mijn werkelijkheid komen.
Kracht. Kracht ligt in elke vorm van energie. Welke kracht kan ik het best gebruiken? Altijd die kracht, die in de vorm van energie mij het meest sympathiek is.
Magisch denken gaat uit van jezelf als een soort centrum. En doordat je daarbij geen beperkingen stelt aan de buitenwereld, word je een vergaarbak waarin alle waarden van de gehele wereld a.h.w. worden uitgestort.

Een doodgewoon denkrecept.
Het is niet belangrijk of ik iets bereik. Het is belangrijk of ik iets probeer. Want indien ik iets niet probeer, zal ik nooit weten of ik het wel of niet kan bereiken. Zolang het pogen voor mij zinrijk is, zal ik dus pogen; niet om te slagen, maar om mijzelf in het pogen beter te leren kennen. Hoe beter ik mijzelf leer kennen in dit pogen, hoe juister ik kan bepalen wat ik wil en wat ik ben. Het recept zou ik dus als volgt willen formuleren:

Wat ik wel wil maar niet waarschijnlijk acht, moet ik terzijde zetten. Zoek zelf een punt waarin u zekerheid meent te hebben, zij het ten aanzien van het nut, de mogelijkheid of zelfs de onvermijdelijkheid. Richt uw kracht met uw gehele wezen op die tendens. Registreer voor uzelf wat voor antwoorden er in u ontstaan. De woorden die zijn ontstaan, zijn a.h.w. ma­gische namen. Door gebruik te maken van deze magische namen, deze begrippen, zult u altijd in staat zijn de gewenste toestand te bereiken, maar ook om de gewenste kracht altijd weer te stimuleren. Denk maar eens aan Repelsteeltje. Dat was ook zo’n soort geestje. Niemand had hij waarschijnlijk ooit kwaad gedaan en niemand zou hem kwaad hebben gedaan, tot het ogenblik dat hij iets be­gon te begeren dat van een andere wereld was dan de zijne. Toen kwam hij in strijd. Hij wilde aan de ene kant zichzelf blijven, goedertieren; aan de andere kant hebben wat hij toch wel zijn recht vond of beter gezegd: aangenaam vond. Zo krijgen wij dan het bekende dansje: “Wat een geluk dat niemand weet dat ik Repelsteeltje heet.” Zodra Repelsteeltje zijn naam zegt, wordt hij beheerst. En dan kan hij in het sprookje van nijd zijn ene voet nog zo hoog optrekken dat hij eenvoudig doormidden scheurt, maar in de praktijk zou je als geest gebonden zijn; je zou familiaris geworden zijn. Als natuurgeest zou hij functie‑bepaald zijn geworden en misschien zijn hele verdere bestaan wijden aan het heen en weer bewegen van een slinger van een klok of het aandrijven van een naaimachine van de een of andere theosofische dame.
Besef: Die dingen bestaan. Maar als ze bestaan, moeten wij ermee werken. Ik kan, ik wil, ik probeer. Het proberen is kennis, het slagen is onbelangrijk. Naarmate het slagen minder belangrijk is en het ervaren (het proberen) belangrijker, zult u beter slagen.
Nu bent u er nog niet. In mij bestaan alle krachten die ik vrees, alle krachten die ik verlang en alle krachten die ik ontwijk. De hele magie komt neer op een werken met mijzelf, door mijzelf, vanuit mijzelf, middels mijzelf. Dan is het ook doodeenvoudig om aan te nemen dat ‑ naarmate ik in de magie meer bereik ‑ ik mijzelf beter leer kennen. Omgekeerd, dat ik naarmate ik mijzelf beter leer kennen en mijn begrenzingen en beperktheid durf prijsgeven, ik ook meer zal ervaren en zo bewuster zal zijn van mijzelf. De eeuwige kringloop, de Ouroboros a.h.w. van bewustwording, is gelegen in het magisch denken. Het besef ontstaat spontaan. Het is geen constructie van een menselijk denken. Het is een beleving. Beleven is belangrijk.
Dan zult u misschien nog willen weten of er taboes zijn op dit terrein? Er zijn geen taboes op dit terrein t.a.v. daad of denken, zolang men zich baseert op harmonie. Overal waar men zich baseert op disharmonie, zal men er rekening mee moeten houden dat men zelf in denkbeelden, in vasthoudendheid en in wilskracht de sterkere moet blijven en dat zijn zwak punt voldoende is om te falen.
Ik geloof, dat er over dit onderwerp niet veel meer te zeggen is. Ik acht hiermee dan ook dit onderwerp besloten.
Zeer belangrijk voor u is ongetwijfeld daarbij dat u zich leert bezighouden met alle vormen van magie, van denken in ethische, esoterische zin. Zolang u de gedachte bepaalt door de stimulans, maar niet de gedachte onderwerpt aan die stimulans, bent u meester. Ervaring en meesterschap in de eigen wereld zijn nodig om een dienstbaarheid te kunnen bereiken t.a.v. de eigen wereld en andere werelden; en zo de harmonie met alle werelden, waaruit het magisch resultaat bereikbaar is.

Kabbalistisch denken

Het kabbalistisch denken is opgebouwd uit een hiërarchische piramide. Elke laag van deze piramide bestaat uit persoonlijkheden met een bepaalde naam en bepaalde eigenschappen. Elk van hen regeert dan weer een aantal daaronder liggende gebieden. Als wij het dan eens hebben over de Heer van Wijsheid, de Heren van de Stralen enz., dan praten wij eigenlijk een beetje in dezelfde zin, want degene die ressorteert onder een bepaalde kracht, blijft onder die kracht ressorteren.
Tijd is voor deze piramide eigenlijk iets wat niet bestaat. Daarom lijkt het ons of ze wisselen. Zo kennen wij b.v. de z.g. Heersers van de Uren, een aantal engelen waaronder een zekere Rafaël, die elk voor zich een bepaald uur schijnen te domineren; niet omdat zíj veranderen, maar omdat wij in verhouding tot hen veranderen. Een groot gedeelte van dit kabbalistisch denken is dus wel gebaseerd op die verandering van verhouding t.a.v. het Eeuwige. Het kringloopsysteem, de wijze waarop alles inhoud heeft, kan alleen worden verklaard ‑ zo zegt de kabbalist ‑ door de wijze, waarop de eeuwige krachten zichzelf blijven terwijl wij veranderen.
De methoden, die hij gebruikt om dit alles dan verder te benaderen, die kent u ook. Dat is het omzetten van letters, het werken met de getallen, het progressief werken met de getallen, er bestaat magie, er bestaat een kabbalistische zegelmagie, er zijn beschermingsmagieën, kortom, het is een heel complex, dat voor de buitenstaander wat verwarrend aandoet. De grondregels daarvan zijn over het algemeen tamelijk logisch, indien u maar uitgaat van het principe: wij veranderen, de eeuwigheid. blijft hetzelfde.
Als ik onder een bepaalde engel behoor, dan zal die engel in mijn leven de hoofdrol spelen. Die engel blijft echter op één punt, terwijl ik mij in een soort ellipsbaan daarvan verwijder en er weer terugkeer. Het resultaat is dat die engel een sterkere of minder sterke invloed op mij heeft. Op het ogenblik dat bij een algehele invloed op mij heeft (dat ik er dus het dichtst bij ben), dan kan ik gelijktijdig ook zeggen, dan ben ik meest mijzelf want dan ben ik het meest eeuwig.
De denkwijze, die hier verder uit voortkomt, is de zin en de bezieldheid van alle dingen; want de schepping is een geheel, een totaliteit. Als ik die totaliteit ga ontleden ‑ wat ik als mens doe ‑ dan kan ik daarmee de oerwaarde ervan niet ongedaan maken. In alles is leven. In alles is God. De werkelij­ke kabbalist loopt a.h.w. door deze tijd heen en gelijktijdig loopt hij met de mensen van het verleden en de toekomst. Hij ziet het verleden en hij ziet de toekomst, doch niet als een voorspelling of als iets wat is geweest maar dood­gewoon als een communicatie met het totaal.
Hij onttrekt zich ook veel minder aan het lot dan de meeste mensen zullen proberen te doen. De kabbalist zegt nl.: Indien ik mijn lot ken, indien ik weet welke kracht mij dirigeert, kan ik mij niet aan mijn lot onttrekken. Ik moet dus dat lot accepteren. Dat is de enige wijze waarop ik de eeuwigheid kan waarmaken. Zijn streven is dan ook niet in de eerste plaats, zoals sommigen schijnen te denken, om de bijbel te ontleden en te weten wat b.v. het verstenen van Lots vrouw betekende en hoe Lot gevecht leverde en wat er allemaal verder is gebeurd. Het gaat erom om achter de gehele revue van feiten, die voorbij draait in de tijd, waarheid te vinden. De waarheid kan hij dus op vele verschillende wijzen formuleren. Maar als ik er hier een paar kies, dan is dat omdat ze betrekkelijk eenvoudig en volgens mij juist zijn.
Zo zegt de kabbalist:

“Indien ik bewust ben van mijzelf, ben ik bewust van het totaal, waarvan ik deel ben. En ben ik niet meer mijzelf, zo is de kennis van het zelf het grootste verlies aan zelf‑zijn, waardoor de grootste eeuwigheid wordt bereikt.”

Een wat eigenaardige denkwijze voor sommige mensen misschien. Maar als ik mijzelf werkelijk ken, dan heb ik mijzelf ook werkelijk vervuld. En als ik mijzelf heb vervuld, dan behoor ik tot een groter geheel, een andere wereld.
De kabbala spreekt niet vaak en zoveel over dingen als reïncarnatie. Maar wij vinden wel weer stellingen, die er een beetje aan doen denken. Zo zegt een bekende rabbi uit 1196:

“Ik ben vele dingen geweest en ik zal vele dingen zijn, omdat ik mijzelf niet ben. Maar hoe meer ik mijzelf ben, hoe minder ik zal zijn. En hoe minder ik zal zijn, hoe meer ik de waarheid zal bereiken.” (Dat bereiken moogt u dan tweeledig vertalen. Het is nl. gezet in het Moors‑Spaans. Het ‘bereiken’ kan zijn: er in opgaan en het kan ook eenvoudig ‘een bereiking’ betekenen.)

Deze man gaat dus uit van het standpunt: ik heb waarschijnlijk wel vele levens gehad en ik zal er nog wel vele hebben, maar die andere levens, die ik heb, zijn afwijkingen. Zij behoren niet tot dat wat ik werkelijk ben.
Een eind verder beweert dezelfde meester:

“Ik heb slechts één kracht en één ziel. Deze is altijd dezelfde en zij wordt altijd beschermd door dezelfde (engel) en zij behoort altijd tot dezelfde (weg).”

Hij tekent zichzelf hier dus als een wezen, dat eigenlijk door zijn onvolmaaktheden leeft; het zou niet meer leven als het volmaakt zou zijn. Maar hij streeft naar die volmaaktheid omdat het leven met zijn beperkingen niet opweegt tegen een niet‑zijn, dat alle mogelijkheden inhoudt. Dat klinkt uitermate raadselachtig. En sommige van die heren doen mij dan ook wel eens een beetje denken aan de Meesters van Zen, zoals de tamelijk onbekende kabbalistische Meester (het was ook een rabbi) Ulrich von Hohenstein.
Deze Ulrich, die kans heeft gezien zelfs de titel ‘Heer’ te voeren en overigens ook een zeer rijke staat van leven, beweerde:

“Slechts door alle dingen te zijn, die ik nu voel te moeten zijn, kan ik beseffen wat ik niet ben. Dat wat ik niet ben, is datgene wat ik kan missen; en datgene wat ik kan missen is de overdaad, waardoor ik mij bind aan een leven, dat niet de werkelijkheid is.”

Een typische redenering, vindt u niet? Maar ergens komt er iets van de Epicuristen om de hoek kijken.
Wij vinden meer van die invloeden terug en ik geloof dat je in heel veel van die kabbalistische stellingen ook wel Griekse meesters en de Griekse filosofie kunt terugvinden en zelfs soms Egyptische denkbeelden en geheimen.
Men heeft altijd zo het idee dat de kabbalist een heel zonderling man moet zijn met een punthoed op, bezaaid met zodiactekens, die horoscopen wichelt enz. Dat is voor velen waar, die uit de kabbala voor zich een soort levensonderhoud hebben gemaakt. Maar de werkelijke meesters daarvan waren eigenlijk de mensen, die raadsels wisten op te geven. Niet zoals de Zen‑boeddhist dat doet; het raadsel, dat eigenlijk onmogelijk is, maar een raadsel dat een logisch antwoord heeft.

“Indien ik deel ben van mijn Schepper en een engel regeert mij, wat betekent dat?” (dat is een vraag uit ongeveer 1600). Het antwoord luidt:
“Dat mijn Heer alle delen van Zijn wezen kent, beziet en beschermt, dus ook mij.”

Deze hele gang van zaken wordt complexer naarmate wij dichter bij uw tijd komen. De eerste kabbalisten waren natuurlijk wel geletterden ‑ dat was in hun tijd al heel wat ‑ maar de echte meesters waren de mensen, die de wijsheid van het leven zochten en die dat deden door het leven te stellen tegenover een onvergankelijkheid, een eeuwigheid. Daaruit trachtten zij conclusies te trekken. In de moderne tijd heeft men dit oerwezen eigenlijk helemaal vergeten.
Er is wel eens meer met u gesproken over de verschillende Arcana. Arcana mundi b.v., het geheim van de wereld.

“De wereld is een bezielde kracht, die haar bezieling ontleent aan de zon, welke de weerkaatsing is van de onzichtbare zon, die staat te midden van alle licht, waar rond de sterren dansen.”

Dat zijn zo van die dingen. En als je dat zo hoort, dan ga je wel wat begrijpen van die Arcana. Maar de mensen van tegenwoordig willen dat praktisch uitleggen. Toch is de kabbalistiek een kwestie van gevoel, zelfs bij letteromzetting.
Als u letters omzet, doet u dat wel volgens een bepaald systeem. Maar welk systeem kiest u? Want er zijn er vele. En waarom kiest u dat systeem? En waarom interpreteert u de vele mogelijke uitkomsten alleen maar op één manier? U werkt met uw gevoel en uw intuïtie; en dat doet de kabbalist eigenlijk voortdurend. Hij heeft wel een heel systeem maar dat is voor hem de mogelijkheid om zijn wereld te omschrijven.
Neem b.v. ‘The garden of pomegranates’, een boekje waarin enige van de eerste stellingen is vastgelegd. Het wordt vaak heel vroeg gedateerd, maar in Europa is het waarschijnlijk verschenen ongeveer 1026 na Chr. Het is een boek, dat wel aan ouderen wordt toegeschreven. Maar, waar het vandaan mag komen, het is een simpele wijsbegeerte, die de mensen van vandaag willen leren lezen als een systeem. Maar het is geen systeem. Het is een gedicht. En wie een gedicht wil ontleden naar zijn woordbetekenis, loopt altijd vast.
Als u zich ooit gaat bezighouden met de kabbalistische denkwijze en gedachte, zult u zich eerst moeten realiseren wat zij eigenlijk zijn. Ze zijn de poëzie van de eeuwigheid, overgezet in de termen van de tijd.
Het hele systeem, het hele denkbeeld van weerkaatsingen van de centrale waarheid, van de dood zelfs, die voortdurend teniet wordt gedaan (en dat is dan iets anders dan reïncarnatie), al die denkbeelden zijn de omschrijving van een gevoel. Maar de gevoelens van de kabbalist zijn ondergebracht in een systeem; en daardoor heeft hij geleerd zijn verschillende gevoelens op een bepaalde vaste wijze te hanteren. Hij is daardoor meer bewust geworden van zichzelf. Doch dat betekent nog niet dat zijn systeem dat bewustzijn geeft. Het systeem is het middel om een gevoelsbewustzijn te verwerken, tot uitdrukking te brengen en ermee te leven; niet de indeling van de hemelen.
De meeste mensen denken dat het een soort theologie is waarbij God wordt ontleed. Men heeft het ervan gemaakt. Maar de echte kabbala is heel iets anders. De kabbala is eenvoudig de erkenning van de wereld; niet van de andere wereld. De andere wereld wordt omschreven, omdat er tegenover deze wereld iets anders moet staan. En wat de wereld van vandaag, waarin je leeft, betekent en wat je bent en wat je doet, kun je alleen verklaren indien je van de oneindigheid uitgaat.
Als men met getallen goochelt om de toekomst te ontdekken zoals iemand doet, die de getallen tot 500 in een schrift heeft opgeschreven en die meestal ’t raison van fl 25.‑ dan wel na enkele vragen wil vertellen wat ze betekenen en welke getallen op dit moment voor u belangrijk zijn, dan is dat geen echt kabbalisme. De ware kabbalist werkt met getallen omdat deze voor hem de bron zijn van zijn inspiratie. Hij voelt de dingen aan. Hij kan ze niet concretiseren. Hij grijpt dan naar de abstracte getallen, die ergens ook een soort oneindigheid, een soort eeuwigheid, een gelijkblijvend iets voor hem uitdrukken. Uit die getal­len vindt hij zijn interpretatie van de eeuwige kracht in de tijd.
Lotsgebondenheid bestaat voor de kabbalist. Hij zal u rustig vertellen: Indien uw autonummer dat en dat is, dan moet u uitkijken want dan zult u met die auto veel ongevallen hebben. Hij zal u waarschuwen dat u op een bepaalde leeftijd of op een bepaalde dag dit of dat niet moet doen. Voor hem is dat logisch want de getallen zijn voor hem de mogelijkheid om zijn inspiratie tot uitdrukking te brengen. Want de blijdschap, die de kabbala kent, gaat aan de meesten, zelfs aan hen die haar hanteren, voorbij. Het is de blijdschap van het leven, de levensdans, die als een soort kosmische Dans der Uren een kringloop beschrijft. Wie die kringloop kent, kent de totaliteit. Niets is nutteloos. Niets gaat voorbij, zonder dat het zin heeft.
De mens kan vele dingen misschien anders bezien, maar hij kan ze niet anders maken. Het is duidelijk dat er maar één ware weg is voor de mens. Die ware weg wordt uitgedrukt via de grote hierarchische piramide, langs een weg, die ten slotte uitkomt op de top: de Theos, de Godheid. Maar de kracht, waaronder hij ressorteert, blijft hem zijn hele leven beheersen. Deze krachten kennen, betekent dat hij reeds veel beseft, want hij weet welke elementen van de eeuwigheid zijn Zijn bepalen. Hij kan wel anders, maar dan zou hij moeten afwijken van de weg. Hij zou dan a.h.w. van Meester moeten veranderen. En ven Meester veranderen, betekent terugvallen.
Het is overigens typerend dat van de echte kabbalisten (er zijn er heel veel geweest door alle eeuwen heen) er maar enkelen zijn geweest, die rijk waren. De meeste van hen door erfenis; praktisch geen van hen door het exploiteren van hun begaafdheid. De kabbalisten, die het wel deden, bleken geen echte kabbalisten en vaak ook geen echte filosofen te zijn. Het is geen wonder dat juist de mens, die de tijdsverhouding van de eeuwigheid zo sterk aanvoelt, die ermee leeft, alles doet om te voorkomen dat hij als een soort profeet of voorspeller wordt gezien. Hij omkleedt de zaak. Hij probeert het zo te draaien dat voor een ander, die geen gevoel heeft, er eigenlijk net niet uit te lezen is wat er wordt bedoeld. Een geheimtaal misschien; maar dan een geheimtaal der inwijding. En ook dat is begrijpelijk.
De mens, die voor zichzelf de juiste relatie met de oneindigheid heeft gevonden en die daaraan voor zichzelf uitdrukking weet te geven, is een mens, die zich niet meer mag vastleggen in de dwaasheid van de ander. De kabbalist is iemand, die u graag wil helpen, indien u hulp nodig heeft en hij ziet dat u daarnaar verlangt of erom vraagt. Dan helpt hij u naar zijn beste vermogen. Maar hij interesseert zich niet voor u. Waarom zou hij dat doen? Hij interesseert zich voor de kernkracht, die ook in u aanwezig is. Maar u bent in die tijdsrelatie slechts een heel klein deeltje. U wilt nu gered worden. Voor hem is het gevoelsmatig juist om een antwoord te geven op alles wat er uit de totaliteit komt. Hij zal u dus antwoorden.
Het zijn dus andere mensen dan de lieden met lokjes en een kaftan om. Trouwens, vele van de grote kabbalisten waren nauwelijks van joodsen bloede, laten wij dat er ook bij zeggen. Vele van hen behoorden zelfs tot de betere stand. Dat laatste is te begrijpen, want om de kabbala te kennen en te hanteren, moet je nu eenmaal goed kunnen lezen, kunnen begrijpen en ook nog kunnen rekenen. Deze mathematica van de oneindigheid, waarmee het gevoel de weg naar God tekent, maar gelijktijdig ook van God tot het ‘ik’, die is voor mij een zeer waardevolle.
U zult over de kabbala waarschijnlijk in meer technische zin te horen krijgen. Maar ik vond het aardig u vandaag zo eens enkele van die denkbeelden te geven. En dan wil ik juist niet vastlopen in dat bekende verhaal van: Er staan letters geschreven. In deze letters is de totaliteit uitgedrukt. Die totaliteit moeten wij omzetten en interpreteren. Adam was niet Adam, maar Adam betekent: Het eerste volk, dat God de Here erkende, enz. Over die dingen behoeven wij ons absoluut niet druk te maken. Ze zijn wel interessant, dat geef ik graag toe. En voor iemand, die met een kabbalist te maken krijgt, is het misschien wel belangwekkend te weten wat hij allemaal uitvoert. Maar indien u begrijpt wat eigenlijk de zin van het echte kabbalisme is, dan zult u er niet vreemd meer tegenover staan, en dat is veel belangrijker.
De meeste mensen lopen voor die dingen weg, of ze lopen ermee weg, omdat ze niet weten wat ze betekenen. Laat mij u dit zeggen: Als iemand spreekt over Maha Dietrich (?), dan bedoelt hij daarmee niets meer of minder dan een kabba­list met een bepaalde naam.
Als men u spreekt over de verandering van entiteiten, dan spreekt men over pre­cies hetzelfde wat een ander noemt: de eeuwige transformatie; of wat men noemt: het winnen van het eeuwige goud, enz. Iedereen heeft zijn eigen termen. Maar wie heeft kans gezien om door zoveel eeuwen heen een systeem te hanteren zonder zijn gevoelsvrijheid te verliezen? Ik geloof dat de kabbalist bijna de enige is.
Ik wil u tot besluit nog een paar voetnoten geven.
U weet allemaal, de kabbala valt uiteen in wat men noemt de Babylonische, de Egyptische of Babylonisch‑Egyptische, ook wel de Hermetische kabbala genoemd. Daarnaast kennen wij de meest gekende: de joodse kabbala.
Nu lijkt het alsof die alle verschillend zijn, maar dat is niet waar. Egypte en Babylon hebben lange tijd banden met elkaar gehad. Het was de gewoonte om prinsessen uit te wisselen. Dus een prinses van Egypte werd naar de barbaren in Babylon uitgehuwelijkt vanwege bepaalde taksen, rechten enz. Omgekeerd gebeurde dat ook. Zo’n prinses kreeg haar wijzen mee en meestal ook een priester, die ‑ zoals in later eeuwen de Jezuïeten deden ‑ probeerden een kracht achter de troon te worden. Deze mensen hebben dus het wichelsysteem, dat in Babylon zeer goed was, geprobeerd uit te bouwen tot een denksysteem. Want met dat denksysteem hadden ze een veel grotere vrijheid. Maar toen de Babyloniërs erachter kwamen, waren er enkelen, die eigenlijk toch wel wat anders wilden dan weelde en slavernij. Zij gingen geestelijk zoeken en kwamen toen tot ontdekkingen, die weer buiten het kader van de Egyptenaar lagen omdat deze te zeer leefde binnen de beslotenheid van zijn rijk. Babylon stond wat dat betreft meer open voor de wereld. Zo ontstond er dus een Babylonische filosofie.
Maar wat Babylon leerde, kwam ook weer (want zij hadden ook hun priesters in het gevolg van uitgehuwde prinsesjes) terug naar Egypte. En gezamenlijk hebben ze wat men ‘de hermetica’ noemt, gepresteerd.
Die hermetica kent u als een aantal wetten, regels en verklaringen omtrent het leven. Maar ook de hermetica is een systeem, al heet ze nog zo besloten te zijn. De magische geheimen van de hermetica hebben vaak heel veel weg van wat men de joodse magische misbruiken noemt van sommige kabbalisten. Er is dus wel degelijk een soort kruisbestuiving aan de gang geweest. En niemand weet meer welke tulp de papegaai‑tulp en welke de darwin is.
Interessant is verder, dat de Egyptenaren in de tijd van het verval nog enkele kabbalisten hadden en deze uitzonden naar de andere rijken. Zo ontstonden er dus grote uitwisselingen met b.v. de Grieken en de Romeinen. Assibiadus is een van de bekende figuren, die deze filosofie plus een bepaalde godendienst overbracht o.m. naar Pompeï.
De Grieken op hun beurt werden in hun filosofische betogen vaak sterk beïnvloed door deze mystieke achtergronden van een kabbala, omdat voor hen die argumenten bijzonder bruikbaar waren. En de retor van de Grieken vond het vaak belangrijker om argumenten te hebben dan om gelijk te hebben. Hij vond het het mooist, als hij ongelijk had en zijn gelijk toch kon bewijzen.
De argumenten, die in omloop komen, worden door de filosofen (de werkelijke denkers) opgemerkt, die ze dan weer met hun leerlingen bespreken. Op die manier ontstaat er in de Griekse filosofie een sterke uitdrukking van dit hermetisch‑Egyptisch weten. Vandaar slaat het over (u weet, de Romeinen namen alles mee wat ze konden gebruiken ‑ hoofdzakelijk materieel, soms ook wel geestelijk. Sedert de Etrusken hebben ze voortdurend alles overgenomen wat ze maar konden; zelfs de legioenen hadden een Etruskische godheid vaak bij zich) naar Rome en verspreidde het zich verder.
Maar je kunt twee kanten uitgaan. Je kunt de kant uitgaan van de tovenarij en van de geheimleer zonder meer, je kunt de kant uitgaan van het wetenschappelijk denken.
Nu is het vreemde dat de grote kalifaten (700 tot ca. 1200) veel meer belangstelling hadden voor de wetenschappelijke benadering. De mystieke benade­ring was in Egypte beter. De benadering vanuit het standpunt ‘magisch resul­taat’ was in het noorden beter. In de kalifaten benaderde men het wat men kan noemen ‘wetenschappelijk’; men kreeg daar de gelegenheid erover te praten. Het was dus logisch dat de joden, die zich dus ook met hun kabbala bezighielden, zich al snel in de debatten gingen mengen en op de duur eigenlijk een soort overwicht kregen. Het is dit overwicht dat de Moorse beschaving voor een groot gedeelte heeft beïnvloed en ten slotte zelfs iets van haar hardheid heeft ontnomen, waardoor ze teloor is gegaan. Maar gelijktijdig ontleenden ze zeer veel daaraan. Wat u dus kent als de z.g. joodse kabbala is in feite een mengproduct, waarbij wel alles in de typisch judeïsche terminologie is uitgedrukt, maar waarin de denkbeelden weer teruggrijpen naar al dat andere.
Degenen, die zich door het systeem laten verblinden, zeggen: Dit systeem is goed of dat systeem is goed. Maar in feite zijn het afleidingen van dezelfde systemen en gaat het er alleen maar om of je in een zekere blijde aanvaarding je relatie met de eeuwigheid kunt accepteren.
Dat is de kern van alle kabbalistisch denken. En het waar maken van die bestemming voor jezelf en aan jezelf, niet om God een plezier te doen maar gewoon omdat je zonder dat zelf niet volledig en gelukkig bent, is de kernstudie van de ware kabbalist.
Ik geloof dat dit omtrent enkele denkbeelden van de kabbala wel voldoende is.

Kracht

Wat is kracht? Kracht is het vermogen om iets in beweging te brengen. Kracht is eigenlijk meer: het is het vermogen om iets in beweging te brengen en te beheersen. Dan is kracht een combinatie van besef, wil en vermogen.
Als wij spreken over krachten, dan vergeten we heel vaak dat krachten bezield zijn. En als een kracht niet bezield is, is zij vanuit menselijk standpunt altijd destructief. Op het ogenblik echter dat wij die kracht beseffen, weten wat het is, kunnen we leren haar te benaderen, te omsingelen, te dirigeren of aan banden te leggen. Vanaf dat ogenblik bezielen wij die kracht.
Er zijn vele krachten rond de mens, die hij niet beseft. Door deze krachten wordt hij vaak voortgedreven, juist omdat hij niet weet wat hem drijft.
Naarmate de mens meer gaat begrijpen wát hem eigenlijk brengt tot al deze eigenaardige daden, die het menselijk leven vormen, zal de mens ook meer in staat zijn die krachten te beheersen en daarmee ook zijn eigen leven.
Men heeft wel eens gezegd dat de grootste kracht de kracht is om jezelf te beheersen. Ik ben het daarmee eens. Want hij, die de kracht bezit om zichzelf te beheersen, moet beseffen wat hem drijft. Zonder dit besef beheerst hij zich niet waarlijk. En wie beseft wat hem drijft, beseft ook wat de mensheid drijft. Hij reageert a.h.w. op alle sferen, op de astrale en de geestelijke werelden, het duistere licht en het verblindende licht; op al die tezamen. En reagerend, bewust van deze dingen, weet hij ze samen te voegen in een synthese, die de uitdrukking vormt van wat voor hem het goede is.
Deze opbouw is de ware kracht. Alle kracht, die wij bezitten, ontlenen wij, behalve deze ene: het samenvoegen van krachten en mogelijkheden op een zodanige wijze dat zij een uiting worden van onszelf. Dit is de goddelijke Kracht, zoals ze voor ons bruikbaar is. Dit is de lichtende Kracht, zoals ze voor ons alle dingen zichtbaar maakt. Zij is het summum van alle krachten, omdat zij alle krachten samenvoegt tot één harmonisch geheel, waardoor het ‘ik’ wordt gedragen tot bereiking op elk terrein.