Magisch denken

18 december 1972

Wanneer wij spreken over magisch denken, dan spreken wij in feite over een vorm van denken, die niet geheel beantwoordt aan de gangbare logica.

De mens heeft bepaalde psychische vermogens, sommige daarvan kan hij activeren. Dit activeren kan op vele verschillende manieren gebeuren, maar de praktijk wijst uit, dat men altijd eigenlijk een beeld nodig heeft om zich aan vast te klampen.

In het magisch denken krijgen wij dan ook steeds weer te maken met de z.g. clou, het bindende beeld.  Dat bindende beeld kan voor iedereen anders zijn. Er zijn mensen, die geloven dat het het beste is om dat met Jezus te doen – geen bezwaar tegen – anderen voelen meer voor één of andere grote geest of naam; weer anderen doen het eenvoudig omdat zij het gevoel hebben dat het kan – en daarbij is de “clou” eigenlijk een gevoelsinstelling – en elk van hen realiseert zich niet precies wat er aan de hand is. Ik geloof dat dit het meest typerende is voor het magisch denken: de mens activeert in wezen de totaliteit van zijn persoonlijkheid. Deze totaliteit behoeft niet beseft te worden, zij is immers altijd aanwezig. Op het ogenblik dat wij in staat zijn om het geheel van de persoonlijkheid (tot zelfs buiten ruimte en tijd toe) te doen functioneren, kunnen wij verschijnselen voortbrengen, die in de menselijke ruimte en tijd als niet normaal worden beschouwd.

De vraag is nu op welke manier kom je erachter welk beeld voor jou het meest aanvaardbaar is. Daarvoor zal je zelf een paar vragen moeten beantwoorden. In de eerste plaats: wat is je werkelijk geloven? Dus wat neem je als waar aan, ook wanneer anderen zeggen dat het onbewijsbaar is, of daar zelfs tegen ingaan.

In de tweede plaats: wat wil je graag? Dat is ook een erg belangrijk punt, Op het ogenblik dat er geen wil achter zit, geen begeren achter zit, zal de mens over het algemeen weinig klaarspelen, maar wanneer wij een begeerte-element kunnen verbinden met een zekere gerichtheid van de persoonlijkheid, dan komen wij dus gemakkelijker tot resultaten. Om het beeld nog verder te bepalen, dienen wij ons ook nog af te vragen wat wij zijn en wat wij willen zijn. Dat is een vraag, die in de esoterie, in de magie steeds terugkomt: Wat ben ik en wat wil ik zijn? Wat ik wil zijn – dus het ideaalbeeld van mijzelf – beantwoordt over het algemeen aan een reeks eigenschappen, die ik in het verleden heb ontwikkeld.

Uit hetgeen wij indertijd hebben gezegd over incarnaties, zult u zich dat misschien herinneren. Wanneer wij nu dat ideaalbeeld hanteren, hanteren wij daarmee – bewust of onbewust – een aantal eigenschappen en begeerte-elementen, die tot de gehele persoonlijkheid plegen te behoren.

Het antwoord op die drie vragen maakt je dan ook duidelijk wat je eigenlijk wilt en waarom. En daarbij is dan als vanzelf ook een passende voorstelling geschapen. De situatie wordt – wanneer ik eenmaal dit beeld heb – ongeveer als volgt:

Ik werk met mijn gedachten; ik activeer het totaal van mijn eigen krachten innerlijk en aan anderen en ik projecteer deze in een willekeurig materieel geheel. Ik doe dit, omdat ik daarmee een bepaald doel wens te dienen. Het magische denken kan niet volstaan met de vaagheid, de ijlheid van de theorie. Het heeft een absolute doelgerichtheid nodig. Wanneer deze niet aanwezig is, dan is het denken over het algemeen niet alleen onzuiver, maar wijkt men steeds verder af van de eigen persoonlijkheid en komt men terecht in een soort van dagdromerij. Wil je met mensen werken, dan wordt duidelijk, dat in de magie bepaalde psychologische factoren een grote rol spelen. Het is dus duidelijk dat de beïnvloeding van de menselijke psyche is: de beïnvloeding van zijn gevoelsleven, van zijn denken, etc. Maar de psychologie wordt heel vaak – helaas – vooropgesteld. Men gaat dus zeggen: “Ik moet de ander helemaal uiteen kunnen pluizen en kunnen begrijpen wat er aan de hand is en dan pas kan ik functioneren.” Zodra je die fout maakt, onderwerp je het geheel van je eigen kunnen aan de beelden, die een ander in je wekt en die beelden worden rationeel of pseudo-rationeel opgesteld. Het resultaat is, dat je eigen functioneren alleen op een rationele of pseudo-rationele basis kan plaatsvinden. Daarom zal iemand, die alleen een godsnaam aanroept vaak veel snellere en betere resultaten bereiken, dan degene, die precies uitpluist wat er met de andere aan de hand is.

De psychologie hebben wij soms wel nodig. Psychologie kan erg belangrijk zijn om een zekere rapport te krijgen. Wanneer wij met de medemens in contact zijn, moeten wij ongeveer begrijpen hoe hij functioneert. Maar laten wij nooit vergeten dat wij dat nooit helemaal zullen weten. Altijd weer hebben wij een beeld van de ander. Dat beeld is in negen van de tien gevallen onjuist. Wij schrijven de ander motieven toe, die wij bij onszelf kennen. Wij kennen de ander zwakheden toe, die in onszelf bestaan of zouden kunnen bestaan. Dat impliceert wel, dat wij soms met een geheel verkeerd beeld werken. Dat is niet erg wanneer het gaat om harmonie, maar op het ogenblik, dat ik denk dat ik iemand begrijp, kan ik hem aanvaarden. Die aanvaarding straal ik uit en zij wordt meestal beantwoord met een wederkerige aanvaarding, een aanvaardingswil althans, ook indien deze aanvaarding niet direct en onmiddellijk volledig is. Er is dus een groot verschil tussen het werken met de psychologie en het zuiver magisch werken.

Degenen die een inwijding doormaken, zullen daarin een aantal trappen kennen van verstandelijkheid, van bovenzinnelijkheid en dan op een gegeven ogenblik, dan komt zelfs de heerlijke afknapper, die er altijd weer bij te pas komt: het gevoel dat je eigenlijk met al die geestelijke werelden en dergelijke niet bijzonder veel verder komt.

Als je dat allemaal beziet, dan kun je dat weerspiegeld vinden in de mogelijkheden die wij hebben voor magisch denken.

In het begin kennen wij misschien de absolute geloofsaanvaarding. Wij doen het wel, maar wij zijn ons niet bewust van ons eigen vermogen. Daardoor krijgen wij soms grandioze, soms helemaal geen resultaten. Wij weten niet precies wat wij doen; wij zijn niet in staat om onszelf voldoende te realiseren wat onze wil is, wat ons behoefte-element inhoudt.

Wanneer wij een stapje verdergaan, dan komt er kennis bij en dan gaan wij die kennis hanteren om een beeld te scheppen, een beeld van wat er gebeurt bv. Dat kan ons inderdaad helpen, omdat het doen daarmee omschreven wordt, maar onze motieven blijven nog steeds in het duister. Het begeerte-element, dat belangrijk is, blijft op de achtergrond.

In de volgende fase van de inwijding kom je dan langzaam maar zeker tot de onthulling dat de geest eigenlijk ook niet zoveel kan én dat God ook niet altijd luistert. En wanneer je dat punt bereikt, dan probeer je dus met de ratio en je eigen vermogens – zoals je die veronderstelt – te werken. Op dat ogenblik is er een ommekeer, die binnen het magisch denken bijzondere resultaten geeft.

Van “het-je-laten-leiden” door krachten, die je niet helemaal kent, kom je nu tot het bewust stipuleren van wat je wil. Je bent dus voor de resultaten niet meer zo sterk gebonden aan krachten, die je domineren.

De volgende fasen van de inwijding is meestal dat er een nieuw beeld ontstaat. Het bovenzinnelijke wordt als het ware in het redelijke ingevoegd, krijgt er een eigen functie in en zo ontstaat weer een geloofsbeeld. Maar dat geloofsbeeld is in tegenstelling met het eerste wel degelijk gebaseerd op jezelf, op je eigen ervaring, je eigen achtergrond. Hier komt dus de eigen persoonlijkheid steeds sterker naar voren en daardoor worden ook de harmonieën, die voor de eigen persoonlijkheid mogelijk zijn, veel sterker op de voorgrond gebracht. Op het ogenblik dat de inwijding zover is gevorderd, dat de mens een totaal-taak gaat ervaren, die hij meestal dan in het begin nog in een bepaald leven projecteert, maar die op den duur toch wordt ervaren als een doel, dat bestaat in de gehele schepping (en dat is niet in tijd en plaats bepaald), dan  zal dat doel eveneens nog weer eens een selectie in de hand werken. Je gaat een onderscheid maken tussen dingen die je wél en die je niet zal doen. Hier is geen rede meer bij en geen zinrijkheid in menselijke zin. Het is doodgewoon: dit is in mijn wezen, dus dat kan ik en moet ik waarmaken en het andere niet. De één maakt dan misschien beschuit met muisjes voor de ander, maar langs een magische weg en nummer twee produceert misschien velden met bloemen. Nummer drie laat het alleen regenen. Een beetje krankzinnig zo’n voorbeeld; maar ik heb het een beetje extreem gesteld om duidelijk te maken, dat de belangrijkheid van iets in de materie hier geen rol meer speelt. Hier is het dus alleen de belangrijkheid, die het ik daarin vindt als een uitdrukking van zijn relatie met de totaliteit.

En vanaf dat punt is het magisch denken een wetenschap. Want nu is er een erkenning van het werkelijke ik aanwezig. Er is een erkenning van de mogelijkheden die het ik heeft, plus van de begeerten die het ik heeft – omschreven als een taak. Het zal dus duidelijk zijn, dat vanaf dat ogenblik alleen op harmonische punten geselecteerd zal worden. Het magisch denken is geworden tot een wijze van leven, die niet meer kan worden weggenomen, ook niet uit het gewone dagelijkse bestaan; de magie treedt overal op en blijft overal een rol spelen.

Wat magisch denken vermag? Ach; eigenlijk alles! En niets! Alles, op het ogenblik dat je juist reageert; niets, op het ogenblik, dat je een fout maakt, hoe klein dan ook.

En er zijn enkele punten, waarop ik dan hier uw aandacht zou willen richten:

Wanneer wij een harmonie scheppen – hoe belangrijk en groot ook -dan kan het scheppen van een dissonant – hoe schijnbaar onbetekenend dan ook – het geheel van een magische werking, magische kracht, tenietdoen.

Wanneer wij in onszelf enige aarzeling (een schuldgevoel kan ook een aarzeling zijn, zoals u begrijpt) of het gevoel van onzekerheid ervaren, hebben wij hiermede zelf de voorwaarden geschapen voor het mislukken van elke magische proef.

Op het ogenblik dat wij willekeurig ingrijpen, zonder daarbij uit te gaan van een harmonie die tussen ons en het object van ons streven bestaat, is mislukking waarschijnlijk. Wij kunnen alleen daar werkelijk produceren waar een harmonie als basis bestaat.

Nu kan ik mij ook voorstellen, dat u zegt: Ja, maar dit is toch in de eerste plaats een “esoterische kring” en wat hebben wij met esoterie eigenlijk te doen hier?

Wel, wanneer je op aarde bent, dan word je gedreven door een hele hoop zaken, die je eigenlijk niet begrijpt. De mens verklaart zijn handelingen wel aan zichzelf, maar de verklaring komt meestal achter het feit aan, ze gaat er niet aan vooraf. Er zijn punten bij waar je je afvraagt: Ja, hoe komt de mens ertoe? Als zij een teken vragen bv. Nu ja, een teken kan je soms krijgen, inderdaad wanneer je het voldoende begeert, dat is ook een magisch denken, want dan maak je het waar. Maar wanneer je in jezelf een zekere waarde beseft en je wil die aan de buitenkant nog een keer bevestigen, dan kan het alleen wanneer je voor jezelf een harmonie stelt tussen de waarde, die je in jezelf erkent en de wereld buiten je.

De innerlijke bewustwording van de mens kan dus wel voeren tot een beantwoording, een reeks van tekens.  Maar zij doet dat niet noodzakelijkerwijs. Wanneer wij in een innerlijk proces ons bewust worden van onze binding met hogere krachten en dan denk je maar aan de heren van kracht, van licht, van wijsheid enz., dan zal de neiging bestaan om ons op die kracht te beroepen. Maar wanneer wij ons bewuster worden, begrijpen wij: dit is het milieu, waarin wij ons bewegen. Als er, laten wij zeggen water, lucht en aarde is en wij zijn geschapen om op aarde te lopen, dan moeten wij niet verwachten, dat wij veel kunnen presteren wanneer wij het water in gaan of wanneer wij proberen ons in de lucht te verheffen; dan zijn wij te sterk gebonden. Wij kunnen niet zeggen; dat de aarde ons helemaal bepaalt, of het water, of de lucht. Wij kunnen hoogstens zeggen dat, gezien onze vorm van leven, dit voor ons essentieel is en dat voor ons dus alle resultaten mede in verband staan met dit milieu, waaruit wij voortkomen en waarin wij bestaan. Houd ik dat in de gaten, dan wordt ook wel duidelijk, dat bij een keuze van een kracht die voor ons dominerend is, wij eigenlijk niet in de eerste plaats moeten denken: Wat zou ik graag hebben, maar: Wat zie ik rond mij?

Magisch denken is wel degelijk ook gebaseerd op zelf-erkenning. Wanneer je weet, dat je bv. nogal materialistisch bent in je gehele instelling, in je reactie op die wereld, dan moet je niet aannemen, dat je behoort tot een kleur als goud bv. of dat je behoort tot de diep purperwaarde var de Heren der Wijsheid. Dan zal je zeer waarschijnlijk behoren onder de straal rood.  Dat is heel logisch. En omgekeerd, wanneer je je hoofdzakelijk bezighoudt met achtergronden en theorieën en de rest onbelangrijk vindt, dan is het heel waarschijnlijk, dat je behoort onder een der Heren van Wijsheid, wanneer daarbij geestelijke elementen een grote rol spelen, maar wanneer het zuiver technisch denken wordt, dan horen wij waarschijnlijk onder de blauwe straal. Dat betekent dus voor degene die zoekt naar zichzelf: Wat ik eigenlijk zie in mijn wereld, wat mij vanuit die wereld het sterkst aanspreekt en motiveert, dat is het milieu, het geestelijke milieu waarin ik leef. Dat is dan ook het element, waarin ik mijn harmonieën tot stand kan brengen. Het is het beeld, dat ik het best kan hanteren wanneer ik een beeld nodig heb en het is gelijktijdig innerlijk voor mij de meest juiste weg om tot een erkenning en aanvaarding van mijzelf en de krachten in mijzelf te komen. Op die manier wordt het duidelijk, wie en wat je bent.

Wie streeft naar zelf-erkenning, innerlijke bewustwording, zal aan het magisch denken niet helemaal kunnen ontkomen. Het lijkt misschien alsof het een heel andere wijze van reageren is, maar de esotericus zoekt ook een waarde in zichzelf en zoekt de bevestiging daarvan, geestelijk of materieel. Voor hem geldt dus in zijn esoterisch streven precies hetzelfde, dat ik over magisch denken heb gezegd, dezelfde beperkingen, dezelfde mogelijkheden.

Wij zijn allemaal geneigd om ons te spiegelen aan degenen, die optimale prestaties hebben geleverd. Wij denken aan Jezus als genezer: zijn schaduw viel op de mens en de mens voelde zich beter. Dus zeggen wij, dat moeten wij nastreven. Wij vragen ons niet af: kunnen wij dit? Een ander denkt aan mensen die magisch het één of ander tot stand brengen, die hun geest uitzenden over de gehele wereld en wat er verder bij te pas komt. Maar kunnen wij dat? Wij zijn zo sterk geneigd om bij wijze van spreken als het over voetballen gaat, te denken aan Cruyff en dat terwijl wij zelf nog niet eens in een leerlingen-elftalletje terecht kunnen. Wij moeten begrijpen, dat onze beperkingen gelegen zijn in de wijze waarop wij onze eigen harmonie opbouwen. En dat het opbouwen van harmonie op zijn beurt weer sterk beperkt wordt door de voorstelling die wij van onszelf hebben. Er gelden hier enkele regels. Ik zal er een paar van noemen, niet allemaal:

Eén ervan zegt: Ik kan sneller en beter bereiken, naarmate ik minder naar mijzelf zie en meer naar de goddelijke kracht, waarvan ik deel ben en het doel dat ik mij stel. Dat is heel eenvoudig. Wanneer je voor je eigen denken zelf een belangrijke rol speelt, heb je grote kans te mislukken. Wanneer je je eigen rol als onbelangrijk en onbetekenend ervaart, maar het geheel ziet als een uiting van de Goddelijke kracht, dan heb je heel veel mogelijkheden om iets waar te maken.

Een tweede punt: Hoe nadrukkelijker ik een bepaald doel nastreef, hoe groter de kans is, dat ik daarmee weinig bereik, en wel omdat door deze nadrukkelijkheid mijn aandacht zal vallen op de denkbeelden, die ik heb en daarmee het begeren tot volbrengen over het algemeen wordt afgezwakt. U ziet: er zit nog wel een klein beetje psychologie in verborgen.

Nu zijn er in de wereld een groot aantal scholen en elk van deze heeft een eigen formulering, ook voor dit magisch denken. Ik ben zo vrij om er één te nemen uit een school uit Indië die nog weleens heel eigenaardige resultaten tot stand heeft gebracht. Daar zegt men: Ofschoon de Godheid meerdere aangezichten heeft, kan ik slechts één aangezicht aanschouwen. Dit is mijn werkelijkheid! Alle andere aangezichten van de godheid zijn “gebeuren”; wie uit de waarheid werkt, zal slechts dan werken wanneer de waarheid op hem neerziet. En dat is dan ook weer doodeenvoudig.

Wanneer je magisch wilt denken en magisch wilt werken, esoterisch wilt werken, dan word je geconfronteerd met je eigen voorstelling van – zeg maar – God. Wanneer die God voor jou kenbaar is in de wereld buiten je en in jezelf gelijktijdig, dan heb je alle kansen om te bereiken, dan is er harmonie. Op het ogenblik, dat je je meer met jezelf bezighoudt of dat je eigenlijk toch wel andere aspecten van de godheid buiten je erkent, heb je weinig kans om iets waar te maken. Want dat zijn de dingen, die je niet kunt beheersen en die jou dus domineren.

Een zeer typische opvatting vinden wij in een bepaalde sekte in Zuid-Amerika. Deze zeggen (ik maak het maar wat eenvoudiger, want het is heel complex): alles wat de goden willen, laten zij ons zien. Wat zij ons tonen moeten wij waarmaken, maar zo, dat wijzelf het offer zijn, dat wijzelf dus deel zijn van het geheel. Een stelling, waarbij je dus uitgaat van het denkbeeld: ik kan niets laten gebeuren wanneer ik er zelf niets mee te maken heb. Ik mag er geen rol in spelen voor mijzelf, maar ik moet a.h.w. het offer zijn voor de godheid, die het geheel tot stand brengt. Dat is overigens een half-christelijke een half heidense sekte met heel veel eigenaardige opvattingen, maar hier hebben zij dus – volgens mij – wel even de spijker op de kop geslagen. Een inwijdingsschool die nog niet zo lang geleden functioneerde in een bepaald deel van de Sahara, had er een hele mooie uitdrukking voor. Daar sprak men niet over magisch denken, maar over “werkelijkheidsdenken”. Men zei daar: er is een Goddelijke werkelijkheid; die voor ons altijd bestaat en waarvan wij deel zijn; onszelf beseffen als deel van deze werkelijkheid, is de eerste stap. Deze werkelijkheid zien betekent echter ook haar waarmaken, dus ook buiten ons tot realiteit maken. Waarbij je dus het denkbeeld krijgt van: daar is een vastgelegd patroon, wij zien dat normalerwijze niet – de ingewijde ziet het wel – en het is eigenlijk het patroon, dat het werk doet. Zodra ik het besef, zal het buiten mij waar worden, dus wanneer ik nu eenmaal: een situatie besef die in mijn waarheid bestaat, dan wordt zij vanzelf buiten mij gereproduceerd. Ik zou verder kunnen gaan met dergelijke spreuken.

Alle magisch denken kan enorme kracht ontwikkelen, maar wij moeten wel begrijpen dat het antwoord, dat op die kracht volgt, niet alleen door onszelf bepaald wordt. Laten wij een heel eenvoudig voorbeeld nemen:

Je zegt tegen iemand: – om welke reden dan ook – trek je jas uit. Die persoon heeft geen jas aan, dan kan hij die jas niet uittrekken, dan is de persoon bepalend, niet uw wens. Anders zou u eerst moeten zorgen, dat hij een jas aan heeft en dan kan hij die jas uittrekken. Dat is een heel typisch gebeuren eigenlijk. De ander bepaalt dus wat waar kan worden. Dit wordt vaak door degene die zich bezighoudt met magie, met magisch denken en ook wel met esoterie, over het hoofd gezien. Je staat niet helemaal alleen.

Het voorbeeld door mij genomen was weer een heel simpel, een heel eenvoudig – overigens niet helemaal in de praktijk vreemd – voorbeeld. Ik zou er natuurlijk veel complexere kunnen geven. Maar waar het mij om gaat is dit: Ik kan alleen dat waarmaken wat niet alleen in mij bestaat, maar wat ook in de ander bestaat. Hier blijkt dus wel harmonie voor een groot gedeelte medebepalend te zijn voor de resultaten. In de esoterie is het precies hetzelfde. Wanneer wij gezamenlijk proberen om God duidelijker te zien, dan kan dit alleen gebeuren wanneer wij a-priori harmonisch zijn of – zoals men het ook wel heeft uitgedrukt – elke schilder ziet de dingen anders, maar slechts wanneer zij hetzelfde zien is er een vergelijkingsmogelijkheid. Zo gaat het ook met u: wanneer u niet hetzelfde zoekt, hetzelfde beleeft, kunt u in wezen niet met elkaar spreken.

U kunt elkaar misschien bepaalde rationele waarden overdragen, maar wat u zeker niet kunt doen – en dat is toch wel iets waar je aan voorbij pleegt te zien op aarde – dat is: een harmonie bereiken, een werkelijke overdracht, die verdergaat dan de rede.

Laten wij een heel eenvoudig punt nemen. Iemand die zegt: “Er bestaat geen God” en iemand die zegt: “Er bestaat wél een God,” proberen elkaar te overtuigen. Dat kan op redelijke basis een heel aardig gesprek worden, maar er zal nooit een conclusie zijn. Hun innerlijke instelling is dermate verschillend, dat zij nooit elkaar helemaal kunnen aanvaarden of begrijpen. Alleen wanneer de godloochenaar wenst dat er een God is, hoopt dat er een God is, zal hij open kunnen staan voor het argument van degene die in God gelooft. Alleen wanneer degene die zegt in God te geloven, in wezen daaraan sterk twijfelt, zal hij kunnen openstaan voor de argumenten van de godloochenaar.

Ik meen dat dat heel duidelijk is. Maar wanneer dat met deze argumenten het geval is, dan zal duidelijk zijn, dat wanneer het geestelijke krachten aangaat, wat esoterische begrippen en samenwerking aangaat, wat magische harmonieën betreft, nog veel sterker zal gelden. U kunt iemand die niet aan God gelooft niet gezondbidden. Wel kan je – op welke manier dan ook – een beroep doen op de begeerte tot gezondheid in die persoon. En als u daar God bij noemt, is dat niet belangrijk; wanneer de suggestie van de genezing sterk is, dan is een magische overdracht mogelijk. Maar zodra je je alleen bepaalt tot de aanroeping van je God, krijg je geen resultaat.

Als je probeert om een medemens te helpen, moed te geven b.v. of iets anders, dan kan je dat natuurlijk doen door uit te gaan van wat volgens jou voor die ander goed is. Je zegt b.v. tegen die andere: “Je hebt zo weinig te eten, je moet bruine bonen hebben”. Maar als die ander nu geen bruine bonen lust, dan eet hij ze toch nog niet. Ik wil u de krachten van het witte licht geven, maar iemand is doodsbenauwd voor het witte licht, want daar zit waarheid in. Dan zal je hem nooit daarmee bereiken. En zo kan je verdergaan. Het feit dat deze overeenstemming, deze harmonie noodzakelijk en onvermijdelijk is, komt misschien het sterkst naar voren wanneer wij de resultaten bezien van degenen wier magisch denken in feite bestaat in de korte concentratie en de innerlijke zekerheid: nu gebeurt er wel wat. Want deze (doordat zij veel minder selectief zijn t.a.v. de beweegredenen en de rest) hebben vaak eerder resultaat dan degenen, die het proberen op basis van hun eigen zeer complexe en zeer mentale instelling.

Bij de ingewijde zien we verder dat de schijnbaar niet rationele handeling veel sneller resultaten biedt dan de schijnbaar rationele handeling. Ook hier is duidelijk: de ingewijde die zich beroept op eeuwigheidswaarden, kan alleen handelen in overeenstemming met de werkelijkheid zoals die er in de eeuwigheid uitziet. Zodra hij het beroep in overeenstemming brengt met hetgeen in de materie bestaat, krijgt hij niets voor elkaar.

Als u nu aan esoterie doet en u wilt uw innerlijke waarde en uw bewustwording omschrijven, dan is het toch niet belangrijk hoe u dat noemt, dan is wel belangrijk wat het in u is. Als iemand tegen u zegt, dat u vandaag al de 39ste graad bereikt hebt, dan denkt u misschien wel aan een van de breedtegraden of wat anders, maar bent u het dan ook? Die graadbenoeming is zinloos, tenzij zij een eigen harmonie weergeeft. De eigen harmonie zou gebaseerd moeten zijn in de eerste plaats op de straal, waartoe je behoort en in de tweede plaats op de innerlijke vermogens, die je in overeenstemming en harmonisch met die straal ontwikkelt, want pas daaruit kunnen de begrippen komen, waardoor je innerlijk inderdaad bewust en dus meer ingewijd wordt.

Ik meen: als u dat alles bij elkaar voegt, u in deze korte les toch met mij de conclusie zult willen trekken, dat magisch denken niet alleen belangrijk is, maar dat het vooral erg belangrijk is, wat wij eronder verstaan en hoe wij het hanteren. Wanneer wij uitgaan van onszelf, van onze eigen waarheid, de waarheid zoals die uit het milieu tot ons schijnt te komen, kunnen wij veel bereiken.

Wanneer wij uitgaan van denkbeelden, ideële stellingen zonder meer, bereiken wij niets. Wanneer wij uitgaan van de wereld en daardoor ons innerlijk bepalen, komen wij dicht bij de waarheid, want wij zien in de wereld datgene, wat wij zijn, allereerst en het meest nadrukkelijk. Maar op het ogenblik dat wij trachten ons innerlijk te doen beantwoorden aan ideaalbeelden, die wij gesteld hebben, ontstaat een toenemende strijdigheid tussen onszelf en de wereld en een toenemende onevenwichtigheid in onze innerlijke bewustwording.

NOOT:

Magie wordt wetenschap, op het ogenblik dat de mens beseft welke krachten werken en onder welke wetten zij werkzaam zijn. Vanaf dit ogenblik nl. kan hij elke proef herhaald met volkomen gelijke resultaten voortdurend tot stand brengen, terwijl hij bij het werken in afwijkende milieus of bij afwijkende krachten tevoren de resultaten duidelijk kan vastleggen. Hij weet wat hij doet. Wat hij doet, kan hij door herhaling aantonen als zijnde juist. Dientengevolge is het een wetenschap geworden en is hij niet meer zoals in het begin van de magie altijd weer het geval is, een mens die doolt in een spel met krachten, waarvan hij weinig begrijpt.

Wat is onze relatie tot de straal waartoe wij behoren? Uw relatie tot de straal is, dat zij voor u de noodzakelijke energie in zich draagt, dat u met het levenslichaam zelfs daarop afgestemd bent en dat u in uw geestelijke voertuigen door de krachten van die straal in de eerste plaats gemotiveerd, gericht en tot leven gebracht wordt.

De nieuwe tendens bij de Witte Broederschap

U zult waarschijnlijk reeds op de steravond hebben geconstateerd dat de wijze van werken, zelfs van de Orde, is veranderd en dat hierbij de nadruk is komen te liggen op het ontmoeten van dat wat je doet. De reden daarvoor is – geloof ik – wel verklaarbaar. In de Witte Broederschap heeft men – rekening houdende met de tendensen van de afgelopen tijd, de tendensen die men vooruitziet – gesteld, dat te veel mensen ontmenselijkt worden, omdat zij niet meer geconfronteerd worden met de gevolgen van hun eigen besluiten en daden. Men wil proberen om de mensen dus weer meer bewust te maken van hetgeen zij betekenen voor anderen en daarnaast ook doen ervaren, wat hun eigen instelling voor en tegenover anderen in wezen betekent.

Men heeft daarvoor allereerst een methode gekozen van beïnvloeding, onder meer via het astrale vlak (en dat is speciaal gericht op de mensen die weten, dat zij kwaad doen). De Orde heeft zich daar zonder meer bij aangesloten. Er is echter nog een methode die men op het ogenblik wil gaan gebruiken en dat is namelijk het confronteren van de mensen, die zonder het te weten voor anderen kwaad veroorzaken. De technocraat b.v., die zijn ontwerpen technisch juist vindt, legt ze vaak zonder dit te beseffen aan mensen voor, die in zijn ontwerpen en zijn technische beschouwingen absoluut niet passen, die daaronder lijden. De moeilijkheid daarbij is, dat zo iemand zelf meestal in totaal andere condities verkeert.

Iemand, die beweert dat Schiphol uitgebreid moet worden, zal heel vaak zelf ergens wonen waar je van het hele vliegveld weinig of niets bemerkt. Degene, die er vóór is om het verkeer met grotere snelheid door te laten op bepaalde plaatsen, is iemand die er zelf niet woont, maar die wél een auto heeft. De man die woningen ontwerpt voor anderen en ze in grote flatgebouwen onderbrengt, is over het algemeen iemand, die zelf ergens een aardige villa of bungalow heeft.

Wanneer wij die mensen nu kunnen gaan confronteren met hetgeen zij in wezen doen, dan betekent dat ook, dat wij ze in een situatie moeten brengen, waarbij zij een soortgelijke overlast of beperking van hun mogelijkheden ervaren als zij anderen opleggen. Dat kan op vele manieren gebeuren. De Broederschap heeft daarbij onder meer gemeend, de gemeenschap zelf te moeten inschakelen. De gemeenschap dus een bijna revolutionaire tendens mee te geven, waardoor in toenemende mate iemand die iets verkeerd doet, met de gevolgen ervan wordt geconfronteerd en wel op een onaangename wijze.

De Orde zelf is het daar niet geheel mee eens. Wij vinden namelijk, dat het onjuist is om de massa te gebruiken tegenover de eenling, omdat daarmee een toenemen van de massaliteit in gedrag en denken bijna onvermijdelijk wordt. Maar de Orde heeft toch wel besloten om in beperkte mate ook hieraan medewerking te verlenen. Want als u de wereld van het ogenblik beschouwt, dan hebben wij te maken met leiders van een geloof, die absoluut doof en blind zijn geworden voor alles wat niet met hun eigen functie en hun eigen denkwijze te maken heeft. Dat zij daardoor het geloof voor anderen onmogelijk maken, kunnen zij niet eens beseffen. Worden zij geconfronteerd met een verschijnsel, volledig in strijd met alles wat zij doen, dan zou hieruit voor hen een innerlijke schok kunnen voortkomen, die mogelijk hun gedragingen, maar zeker hun instelling wijzigen.

Wij stellen ons b.v. voor, dat iemand als een Paus Paulus of een van de oudere kardinalen van de curie op een gegeven ogenblik gewoon te horen krijgt in een verschijning, die hij dan beschouwt als een goddelijke openbaring: “Stoute jongen, wat doe je nu toch? Ben je nu werkelijk bezig om Christus’ kerk in elkaar te schoppen om je eigen brokkendoosje bij elkaar te krijgen?” Op zo’n vermaan, wanneer dat wat nadrukkelijk is, moet dachten wij toch wel iets volgen en zover het in die richting gaat, is de Orde ook bereid om mee te werken.

Een punt, dat in de Witte Broederschap eveneens op korte termijn gaat veranderen, is het veranderen van machtsverhoudingen. Zolang bepaalde mensen streven naar macht, moeten zij geconfronteerd worden met machteloosheid. Deze stelling heeft in bepaalde uitwerkingen – volgens ons – nog wel erg zware consequenties, maar in algemene zin kunnen wij die wel onderschrijven. Want degene die macht uitoefent om de macht zelve, zal door zijn machteloosheid zodanig worden gefrustreerd, dat hij zich niet meer kan verschuilen achter de schijnbaar mooie motieven die hij heeft voor zijn streven naar macht. Anders gezegd; Wij willen de machtslust losweken van de maskerende idealen. Wat dat betreft zijn wij het daar wel mee eens. Wij menen alleen, dat dit niet te abrupt moet gebeuren.

De gehele situatie lijkt ons in de komende periode wel rijp voor allerhande geestelijke veranderingen; en die geestelijke veranderingen kunnen uit de aard der zaak niet verdergaan, wanneer daar niet bepaalde materiële aanpassingen bij plaatsvinden. Wij gaan er b.v. van uit (en dat is dus een reeks gegevens, die ook bij de Broederschap besproken zijn en die toch deels van de Orde stammen), dat in het Westen van Europa gemiddeld drie per honderd mensen nog als geestelijk gezond kunnen worden beschouwd. Ja, wij hebben hier waarschijnlijk een behoorlijk percentage hoger zitten, maar daar gaat het dus niet om, maar de reden daarvoor is de volgende.

De mens leeft in een situatie die hij niet aan kan. Hij komt dus tot het zoeken van compensatie op welke wijze ook, voor zijn frustratie, voor zijn gevoel van tekorten, voor zijn instabiliteit en emotionele onzekerheden. Dientengevolge zal hij niet slechts zijn gedragingen, maar ook zijn denkwijzen aanpassen aan een in wezen niet bestaande toestand. Hierdoor komt hij tot geestelijk volkomen verkeerde conclusies, die dus in een volgend leven of in een andere sfeer dan toch weer op de voorgrond moeten komen en waar dus een herstel moet plaatsvinden, terwijl hij daarnaast ook tegenover zijn medemensen nogal erg irreëel tekeer gaat. Dat betekent, dat ook de mogelijkheid van de mensen om samen te werken, om elkaar werkelijk te begrijpen, aanmerkelijk minder wordt.

Wij menen, dat daar het een en ander tegen te doen zal zijn. Want inwijding, bewustwording en al die dingen meer, waarover in deze kring zo vaak wordt gesproken, kunnen alleen bestaan op grond van harmonie. Een vooruitgang van de mensheid, een werkelijke vooruitgang kan alleen ontstaan, wanneer er een toenemende harmonie tussen mensen denkbaar is. Een inwijding, een bewustwording van deze aarde uit, is eigenlijk alleen denkbaar, wanneer steeds meer mensen de werkelijkheid gaan beseffen waarin zij leven. Dat is voor ons reden genoeg om dit alles te onderschrijven.

Een punt, waarover de Orde het zeker nog niet eens is met de Witte Broederschap (dat is geen poging tot eigenwijsheid, maar dat is doodgewoon een andere visie hebben op de consequenties) is wel, dat men de afhankelijkheid van de mens van de techniek wil gaan accentueren door technisch falen te bevorderen, wij menen namelijk, dat dat niet altijd verantwoord is. Je kunt b.v. weleens een heel schakelnet van de elektriciteit laten uitvallen, zodat de mensen misschien 12 of 24 uur geen stroom hebben. Maar de vraag is, of je daarmee niet onnoemelijk veel ontwikkelingen veroorzaakt, die anders niet zullen plaatsvinden. Ik geloof, dat dat veel te ver ingrijpt. Op dezelfde manier: wanneer je de waterleiding b.v. een keer stillegt in enkele van de grote steden alleen maar: Wat zal het gevolg daarvan zijn voor de mensen? Hoe afhankelijk zijn de mensen van de moderne techniek? Maar als je dat falen op grote schaal en – zoals de Witte Broederschap zich dat voorstelt – bijna gelijktijdig in meerdere gebieden gaat veroorzaken, dan ontstaat een chaos, die te lang zal voortduren en die – onzes inziens – dan aan allerhande minder gunstige elementen de kans zal geven om zich van een machtspositie te verzekeren of om nog meer onheil te veroorzaken. De Broederschap meent, dat je dat op de koop toe moet nemen. Wij menen echter, dat dat door het geleidelijke falen, dus niet b.v. 24 uur of 12 uur uitvallen van het licht, maar voor een uurtje (wij hebben al gezegd, wanneer we het nu alleen een keer laten uitvallen net op het ogenblik, dat allen naar Peyton Place kijken, dan heb je al genoeg lawaai gemaakt. U lacht erom en toch is dit iets, dat veel bij ons voorkomt, maar het is ook iets, dat een zekere verslaving heeft veroorzaakt, zoals u misschien weet.

Wij denken dat daar eigenlijk veel meer te bereiken was. Je moet niet proberen om ineens ergens een hele schietoefening in de war te laten lopen door verkeerde munitie of zo, maar je kunt veel beter zorgen dat militaire voertuigen en andere voertuigen op een gegeven ogenblik niet kunnen starten om welke redenen dan ook. Wanneer dat gebeurt ontstaat er geen grote chaos, wel ergernis en wordt men geconfronteerd met een afhankelijkheid van de techniek. Ik dacht, dat dit wel het gevolg met zich zal brengen, dat de mensen eerst gaan zoeken natuurlijk of zij zulk falen in de toekomst kunnen voorkomen, maar er zullen toch steeds meer mensen zich realiseren, dat je ook iets moet hebben, wanneer het niet voorkomen kan worden. En wij zien daarin dus een redelijke benadering.

Wij zijn het er ook niet mee eens, dat men bepaalde ziektebeelden in zeer grote omvang wil laten optreden in het komende jaar. Wij denken hierbij aan bepaalde vormen van griep en net zo goed aan het optreden van cholera, parasitaire ziekten in bepaalde delen van de wereld. Wanneer je dat doet, ja dan maak je toch een hele hoop slachtoffers. En je wijst daarmee de mensen wel op fouten in hun leven, in hun leefwijze en leefgedrag, maar de schade is zo onmetelijk groot, dat je die niet zo gemakkelijk kunt opvangen.

Er is dus in zekere zin een verdeeldheid op het ogenblik t.a.v. de te gebruiken middelen en de Orde is niet bereid zich in te zetten voor alle procedures, die de Witte Broederschap op dit moment toch graag zou willen toepassen.

Nu is het zo, dat je nooit bij ons verplicht wordt om mee te werken aan iets, waarmee je niet harmonisch kan zijn. Wat dit betreft hebben wij dus goede mogelijkheden. Wij kunnen zeker proberen zelfs verzachtend en compenserend, op te treden, zonder dat hierdoor onze harmonie met de Witte Broederschap ook werkelijk schade zal lijden. Wij zullen er niet om gaan vechten. Maar u zult wel begrijpen, dat wij als Orde dus ook moeten proberen om een eigen stelling te poneren, om een eigen houding te bepalen. En ik maak van deze bijeenkomst gebruik, om daar iets over te zeggen, omdat wij aannemen, dat u ook wat esoterische zaken betreft verder kunt doordenken.

De Orde heeft besloten om mee te werken aan het z.g. spiegeleffect, waarbij men in sterkere mate dan voorheen met zijn eigen daden wordt geconfronteerd. De Orde heeft besloten er daarbij zorg voor te dragen, dat zodra de erkenning ontstaat, de verdere gevolgen miniem te laten en neemt zich voor inspiratief op te treden waar dit nodig is.

De Orde weigert mede te werken aan het tot stand brengen van ongetwijfeld snel resultaat brengende, naar onverantwoorde beïnvloeding van de mensheid, ten gevolge hebbende ingrepen en meent dat elk geweld, waarbij de persoonlijke vrijheid van de mens tijdelijk teniet wordt gedaan, zoveel mogelijk moet worden vermeden. Waar omstandigheden optreden van dien aard zal zij zich ertoe bepalen aan degenen, die met een dergelijke situatie geconfronteerd worden, de kracht te geven om zich daartegen te verzetten of deze toestand te doorstaan.

De Orde is ook tegen het denkbeeld de godsdienstige ontwikkelingen niet alleen in Nederland, maar in vele landen op de wereld en bij verschillende godsdiensten dermate aan te tasten, dat plaats voor een totaal nieuw denken ontstaat. Wij geloven nl., dat dit nieuwe denken in den beginne destructief en gelijktijdig dictatoriaal zou zijn. Wij geloven, dat een langzame overgang beter is en hebben ons voorgenomen in dit opzicht alleen daar mede te werken, waar het gaat om veranderingen binnen de bestaande groeperingen; niet daar, waar het gaat om het ten onder brengen van bestaande groeperingen.

Wij hebben ons dan verder voorgenomen om bij te dragen aan een meer reële houding tussen de mensen. De Witte Broederschap meent, dat het stellen van onverantwoorde eisen – in deze dagen bijna overal gebruikelijk – bijdraagt tot een versnelling van de ontwikkelingen en daarmede ook een versnelde ontwikkeling van de mensheid. Maar wij zijn ervan overtuigd; dat deze afwijkingen van het werkelijkheidsbesef voor de entiteiten, die erbij betrokken worden, dermate schadelijk kunnen zijn, dat alles moet worden gedaan om hen eerst weer met de werkelijkheid te confronteren. In dit opzicht hebben wij zelfs verklaard, dat wij zullen ingaan tegen de directe bestrevingen van de Witte Broederschap, zo zij voorkomen op die gebieden, waar wij ons plegen op te houden, waar wij ons plegen te manifesteren.

De onbetrouwbaarheid van vele zaken is natuurlijk ook in het geding gekomen. Wij geloven dat die onbetrouwbaarheid op zichzelf geen kwalijke zaak is. De mens moet geconfronteerd worden met verschil tussen kwaliteit en kwantiteit. Maar wij menen niet, dat wij nu daar bijzonder moeten meewerken. Wij menen echter dat de mensen zelf op dat terrein reeds genoeg doen. Dus ook hier weer: de Orde distantieert zich van iets, dat in de Witte Broederschap als een soort actie toch overwogen wordt. Wij hebben wel daartegenover gesteld: wij willen proberen om de praktische benadering van de mens aanmerkelijk op te voeren. Wij willen eveneens proberen om de innerlijke contacten van de mensen te verbeteren. Wij zullen in onze lessen en leringen, maar ook op andere wijze, proberen vooral de praktijk te laten meespreken. Wij zullen minder nadruk leggen op het theoretische. Wij zullen proberen alles – zelfs de meest geestelijke zaken – praktisch te benaderen.

Daarnaast heeft een deel van de Orde, waartoe ik mijzelf mag rekenen, besloten om in verhoogde mate inspiratief te werken bij de personen, die daarvoor geschikt zijn en daarbij als kern voorlopig degenen te kiezen, die reeds met de Orde in contact zijn gekomen en die daardoor gemakkelijker te benaderen zijn. Later hopen wij dit contact met de mensheid uit te breiden en daardoor een vernieuwing van denken en van zeden te bevorderen, zonder dat dit een direct ingrijpen in de persoonlijke vrijheid van de mens betekent.

Dat wij u op deze avond dit alles voorleggen, ach, dat heeft wel zijn reden. Niet alleen dat u het waarschijnlijk beter kunt begrijpen, maar het is een verklaring, die wij u voorleggen en het is niet iets waarover wij – op dit ogenblik althans – wensen te discussiëren. De discussie zal zich ongetwijfeld voornamelijk richten op de inzichten van de Witte Broederschap. Men zou zich gaan afvragen hoe de Witte Broederschap tot die verandering van houding is gekomen, in een periode dat er eigenlijk geen bijzondere geestelijke samenkomsten of invloeden zijn geweest. Dat zijn dingen die wij toch niet helemaal kunnen uitleggen. Daarom hebben wij gedacht: aan de ene kant moeten wij dat bekendmaken, aan de andere kant moeten wij de discussie daarover – althans voorlopig – vermijden. Wij zullen het dus hier zeggen in een groepering, die door haar achtergrond en scholing in staat is dit ongeveer te begrijpen, te weten wat het werkelijk betekent en hier genoegen mee zal nemen dat dit wordt voorgelegd, zonder dat er gelijktijdig een discussiestuk van wordt gemaakt.

Wij hebben ons overigens ook nog voorgenomen – en dat ligt weer op een heel ander vlak – om deze kersttijd in het bijzonder te gebruiken om bepaalde mensen te beïnvloeden. Wij meenden dat in de periode van wit licht en de daarop onmiddellijk volgende periode van sterk rode invloeden, de mogelijkheid zou bestaan om mensen nieuwe gaven bij te brengen en het gebruik van nieuwe gaven. Dit houdt voor ons in dat daarmee een zeer felle stap wordt gedaan in een richting, die de Orde begeerlijk vindt, nl, die van de mens, die steeds meer bewust van zijn werkelijke kwaliteiten en mogelijkheden, steeds zelfstandiger gaat handelen en denken, en die daardoor juist zijn eigen harmonieën met de kosmos en met de mensheid op een vollediger wijze beleeft en tot uiting brengt.

Dit betekent natuurlijk voor u dat er een zekere verandering kan komen in de lessen, die worden gegeven. Ik weet niet of u daarover zult juichen, sommigen misschien wel anderen niet. Maar er komen dus kleine wijzigingen en die zullen misschien ook in deze groep een rol gaan spelen. Ik denk hierbij b.v. aan een nadruk op de praktische waarde van een inwijdingssysteem, ook de praktische waarde van magische beïnvloeding. Ik meen, dat dit ook in de andere bijeenkomsten sterk zal zijn (die praktische waarde dus), ook wanneer hierdoor het religieuze karakter dat sommige van onze bijeenkomsten toch wel enigszins hebben, achteruit gaat. De tijd schijnt korter te zijn dan wij hebben aangenomen. De reacties van de Witte Broederschap maken duidelijk, dat op zeer korte termijn op aarde zeer grote verschuivingen moeten worden verwacht op allerhand terrein. Dit betekent voor ons geloof ik, dat wij juist omdat verdraagzaamheid in ons banier staat, onze voorlichting aan de mensen steeds meer op de praktijk moeten richten en dat wij vanuit die praktijk, wanneer tijd overblijft, altijd nog de geestelijke aspecten verder ter sprake kunnen brengen.

Het is niet veel wat ik u te zeggen heb, maar het is wel erg belangrijk.

Harmonie

Een onderwerp, waarover wij het vaak hebben gehad, want harmonie is datgene dat wij begeren zonder te weten wat het is.

Harmonie is het samengaan, waarbij elk zichzelf blijft en toch allen tezamen worden tot meer dan de som van de eenling.

Harmonie is het wegvallen van grenzen, waardoor je jezelf inbrengt en schenkt aan anderen, zonder te vragen wat daarvan het resultaat zal zijn.

Harmonie is kosmisch gezien het steeds meer één-worden met krachten, die je boven je en in jezelf herkent en toch gelijktijdig jezelf blijven met alle kwaliteiten en eigenschappen, goed en kwaad. Elke mens groeit langzaam maar zeker op naar de éénheid met de kosmos en dat is harmonie. Maar wij kunnen die eenheid – zij het beperkt – vaak reeds beseffen, zelfs wanneer wij op aarde zijn. Hoe wij die harmonie tot uitdrukking brengen is niet zo belangrijk. Of die harmonie nu ontstaat bij een grap, een glas bier, een gebed of een ernstig gesprek over hoog geestelijke waarden, is niet zo belangrijk als men denkt. De harmonie in zichzelf, het samengaan, het elkaar aanvaarden, het elkaar begrijpen, is belangrijker. Want daar, waar een versmelting plaatsvindt, is een overdracht van waarden mogelijk, die veel verder gaat dan ooit verbaal mogelijk zal zijn. Daar kunnen geestelijke contacten ontstaan, daar kunnen krachten vanuit de geest gaan meespelen, daar kunnen mystieke werkelijkheden een soort werkelijkheid verkrijgen in eigen besef, in eigen leven en daarin kan men ook de realisatie vinden van zijn eigen persoonlijkheid en daardoor de betekenis die men heeft voor anderen.

Harmonie is het beseffen van wat je betekent voor anderen, het beseffen van wat anderen betekenen voor jou en het zorgen dat tussen deze twee dingen nooit een verschil ontstaat.

Aanvaarden wat de wereld voor je is en antwoorden door te zijn wat je bent, dat is harmonie en wie uit deze schijnbaar beperkte harmonie komt tot het ervaren van de totaliteit, die vindt God als de manifestatie van dit harmonisch bestaan.