Magische inwijdingen

22 januari 1973

Wanneer wij het woord “magisch” gebruiken, denken de meeste mensen aan allerlei toverkunsten, terwijl het in feite het onverklaarbare is, dat toch beheersbaar wordt. Dat is magie. Wanneer wij in onszelf werken, dan zijn er vele wegen om tot bewustwording te komen. Maar je bereikt een punt, waarop je voor jezelf een weg moet kiezen, dat niemand je meer kan helpen. Dat is meestal aan het begin van een inwijding. Vanaf dat ogenblik heb je a.h.w. je eigen symbolen, je hebt je eigen denkwijze gevonden. Je hebt je eigen harmonie en daarmee moet je verder werken.

Nu zijn de uitdrukkingen daarvan vele en wij kunnen evengoed werken met magische riten, met betrekkelijk stoffelijke riten, alsook met zuiver geestelijke vormen van projectie en concentratie. Het belangrijke hierbij is, dat wanneer wij de weg gekozen hebben, wij vanaf: dat ogenblik onze inwijding ondergaan, precies in het karakter van het geheel, dus van het door ons gekozen geheel. De magische inwijding is zeker niet de enige. Er zijn vele andere vormen, maar wij moeten wel zeggen dat ze één van de wegen is, waardoor de mens die deze weg gekozen heeft en daarmee op harmonische wijze kan werken, snel tot bewustwording komt en vandaar als vanzelf ook tot een hogere graad van inwijding.

Wat is nu magische inwijding? Ik leef in de wereld van het onbekende. Het bekende is een eiland in een kosmos die ik niet ken. Het onbekende werkt op mij in met vele krachten die ik niet alle kan definiëren, maar die ik toch soms wel wat bewuster onderga. Op grond van deze inwerkingen stel ik mij in ten aanzien van de mij bekende werelden. Ik probeer een relatie te vinden tussen datgene wat ik ken en wat ik niet ken. De beelden, die ik daarvoor gebruik of de symbolen zijn verder onbelangrijk. Het gaat hier om het vinden van een relatie tussen het ik, de wereld waarin dat ik denk te leven, plus de onbekende wereld daarbuiten. Wanneer wij die relaties een eerste maal hebben gevonden, dan ontstaat voor ons wat wij noemen de eerste wetmatigheid. Die is persoonlijk en kan niet als een soort kosmische wet worden gehanteerd. Ofschoon ze in vele gevallen parallel schijnt te lopen met de causaliteit.

De situatie is als volgt. Het ik reageert op onbekende invloeden en constateert inwerkingen in zichzelf en in de wereld van deze invloeden. Het ik erkent die invloed door bepaalde trillingsharmonieën a.h.w. en weet zichzelf daarop in te stellen. De onbekende kracht kan door het ik geactiveerd worden en kan geprojecteerd worden in de wereld. De inwerking kan in de wereld erkend worden en het ik kan proberen zichzelf uit te schakelen door bewust de harmonie met deze vorm van invloed te verbreken. Het ik verkrijgt hierdoor een zekere onafhankelijkheid ten aanzien van zijn milieu. In dat milieu is een enorm veelvoudige beïnvloeding van buitenaf, die niet bewijsbaar of constateerbaar is, tenzij je vanuit een innerlijke harmonie werkt. Het ik kan zich daaraan onttrekken en het kan daarvan gebruik maken. En voor het eerst ga je je nu verbonden voelen met een onbekende wereld.

De mens die magisch denkt, vraagt niet naar een uitleg, maar hij vraagt wel naar een symbool. In de magische inwijding produceren wij zelf een wereldbeeld dat op zich helemaal niet juist behoeft te zijn en in dat beeld figureren een aantal invloeden, een aantal krachten of factoren, vaak als persoonlijkheden uitgedrukt, waarmee het ik een relatie denkt te hebben. Op het ogenblik dat je beseft dat deze personen en invloeden niet het ik kunnen aantasten, maar dat het ik daarvoor kan openstaan of ervoor gesloten kan zijn, heeft men de eerste stap gemaakt en begint men aan de inwijding. Men is dan een soort neofiet. Je leert nog, maar op dat moment zal je overal de relaties met het onbekende zien opduiken.

Ik weet niet of u het effect kent, maar wanneer u in gesprek bent en u zegt een bepaald woord en er valt een pauze na en de radio staat b.v. aan, dan is het heel waarschijnlijk dat u het woord daar ook hoort. Of u zit in een restaurant, waar u een bepaald woord of een bepaalde naam gebruikt en een ogenblik later hoort u diezelfde naam of datzelfde woord buiten u vallen. Wij noemen dit weleens de echowerking, maar het is natuurlijk geen reële echo. Het is alleen de afstemming van het ik op een bepaald begrip, waardoor wij daar enorm attent op zijn geworden. Het woord, dat wij daarnet hebben gevormd, leeft sterker in ons en wanneer dat valt, dan springt het a.h.w. overal uit.

Op dezelfde manier gaat het met deze magische werking, deze relatie met het onbekende. Wanneer wij daar bepaalde factoren voor gevonden hebben, dan zal zodra wij in onszelf daar maar een beeld of een voorstelling van hebben gemaakt, elke reactie buiten ons, waarin die invloed bestaat, eruit gaan springen. Ze komt op de voorgrond, ze wordt voor ons veel sterker waarneembaar. Er valt nadruk op. Het resultaat daarvan is heel begrijpelijk. Wij leven plotseling in een wereld, die anders gemotiveerd blijkt te zijn en waarin wij heel andere stromingen zien dan wij normalerwijze veronderstellen. Wij kunnen daarvan gebruik maken, wij weten wat die kracht in onszelf ongeveer is als werking en wij proberen met die kracht mee te werken of die kracht af te remmen. In het magisch werken ontstaat zo een mogelijkheid om onderscheid te gaan maken. In het begin zullen wij bijna alle krachten als één geheel beschouwen.

Laten we zeggen: Het is als een kleur en van één kleur kunnen er zeer veel tinten zijn. Maar in het begin nemen wij dat allemaal als één geheel. De zaak is b.v. groen. Later komen wij tot de ontdekking dat daarin zoveel varianten zijn die elk een eigen betekenis hebben, dat wij door een splitsing van dat groen tot een veel juistere definitie kunnen komen van de kleur. En dat betekent in de magie, dat wij bij het erkennen van een algemeen heersende invloed, door gevoeligheid voor de aspecten daarvan, veel meer specifiek kunnen zien wat die kracht is, wat ze tot stand brengt. En ook voor onszelf een meer gerichte afstemming tot stand kunnen brengen. Dat is dan een tweede fase. En in deze tweede fase zal het ik zijn eigen voorstelling maken, waarbij het Al een soort pantheon wordt. Wij kunnen hierbij denken aan de heidense pantheons, maar wij kunnen evengoed denken aan de kabbalistische hiërarchie zoals die wordt opgebouwd in bepaalde boeken.

Wij hebben te maken met een veelheid van krachten, waarbij heersende krachten kennelijk uiteenvallen in een groot aantal andere persoonlijkheden, die binnen deze ene heersende kracht elk een bepaalde taak hebben en wij hebben die voorstelling nodig in ons denken. Niet dat wij daar allemaal namen voor vinden. Soms zijn het gewoon gevoelens; soms alleen maar kleine gebaartjes die wij maken. Maar wij gaan die verschillen onderstrepen en nu ontstaat wat wij noemen het eerste werken. Het eerste werken betekent dat je aardig op weg bent adeptus minor te worden. Een kleine ingewijde. Want in dat werken ontstaat een binding tussen het ik en de kracht, ook als die door een voorstelling wordt gesymboliseerd. Ook wanneer die alleen maar met een emotie wordt verknoopt. Wij zien een geheel. In dat geheel zien wij voor ons duidelijk te onderscheiden waarden. Wij kunnen ermee werken. Niet alleen werken wij daarmee naar buiten toe – dat is nog niet zo belangrijk, dat zou alleen magie zijn – maar wij proberen ook in onszelf uit te maken hoe dat nu eigenlijk zit. Want elke afstemming die wij in onszelf weer kunnen vinden en die in die wereld buiten ons kenbaar wordt, betekent voor ons dat in onszelf iets van die persoon bestaat. In de magische ontwikkeling zou je dus kunnen zeggen, dat een zekere ontleding van de eigen afstemmingsmogelijkheid ontstaat.

 Vanaf het ogenblik, dat men begrijpt dat men zelf niet verdeeld is, maar dat men als een eenheid al deze mogelijkheden in zich verenigt – en dat lijkt zo vanzelfsprekend, maar dat is het tijdens deze bewustwordingsperiode niet – dan heeft men de eerste grote stap werkelijk gedaan: men is ingewijd. Men heeft zijn relaties met de kosmos tot stand gebracht.

Maar dan ga je weer verder en dan ga je zoeken naar de brandpunten van die kracht. Want het lijkt je dat de kracht die je in jezelf erkent, op sommige punten zeer sterk aanwezig is en op andere punten niet. En de neiging bestaat heel vaak om dan te trekken naar de plaatsen waar die invloed het sterkst is. Bij de magische inwijding komt een moment, dat je gaat reizen met een bepaalde voorkeur en die voorkeur komt ook in deze tijd voor. U moet dat niet zien als iemand die wegtrekt om kluizenaar te worden ergens in Egypte, India of Tibet. Maar u moet het gewoon zien als iemand die zich aangetrokken voelt door voorstellingen van een land, die, wanneer hij ergens naar toe kan gaan, bij voorkeur naar dat land zal gaan. Iemand die een bepaalde plaats bijzonder interessant vindt, die zich daarmee verbonden gevoelt, die afbeeldingen van die plaats hanteert, die misschien modellen van zo’n plaats maakt, zoals dat van de grote piramide b.v. vaak gebeurt.

Kortom: Er is een gerichtheid op wat je ziet als een brandpunt van deze kracht en daarmee schep je voor jezelf dus ook het beeld van de volledige kracht, waarmee je zelf te maken hebt als iets wat buiten je bestaat en waarin je je a.h.w. kunt onderdompelen. We hebben dan een begrip, dat meditatieve eigenschappen bezit. Wij overwegen in onszelf. Wij zijn eigenlijk niet bezig met ons innerlijk, maar wij herscheppen zonder dit helemaal te beseffen invloedsverhoudingen, zoals die buiten ons bestaan, in onszelf. Er wordt een wereldbeeld gereproduceerd en de uitwisseling en varianten van die krachten – en dat is nu het typische – zullen door deze afstemming in het ik plaatsvinden in dezelfde ritmiek, met dezelfde intensiteit en veranderlijkheid als ze in de wereld daarbuiten reëel optreden.

De mens wordt dus ingeschakeld in wat wij kunnen noemen een kosmisch ritme. In dit ritme verlies je over het algemeen een deel van de personificaties van krachten, die je in het begin voor jezelf opbouwde. Je pantheon wordt een beetje kleiner, het wordt compacter en gelijktijdig ga je meer functies onderscheiden die je echter ziet als deel van één kracht. Er is dus een omkering van waarden aan de gang.

In deze omkering van waarden zal het ik zich afwisselend, dus niet altijd blijvend, met één van die krachten; b.v. één tint uit een kleurengamma, waarvoor je gekozen hebt, identificeren. Het voelt zich daar volledig één mee, brengt die werkingen over, ontleent daaraan bewustzijn, maar ontleent daaraan ook – en dat is typerend – innerlijke kracht.

Dit is een proces dat voor vele mensen erg moeilijk is, want op een gegeven ogenblik is die identificatie afgelopen. Dan heb je b.v. met iets wat buiten je bestaat zodanig die kracht vereenzelvigd, dat het wegvallen van dat ene uiterlijke aspect – dat kan een potje of een pannetje zijn – a.h.w. het contact voor het bewustzijn verbroken is. Daarom moet je dit dus niet proberen te veruiterlijken. Je moet proberen het in jezelf te houden. Wanneer je dat doet, dan ontstaat een vorm van weten. Dat weten heeft betrekking op de wereld, de kosmos en op jezelf. Het is een intuïtief weten. Het is niet makkelijk bewijsbaar, maar het is bruikbaar. Het gevolg is, dat je je één voelende met bepaalde krachten, het geheel van de bewustzijnsinhoud, die in zo’n kracht aanwezig kan zijn; kunt gaan overnemen. Voor zover je daaraan uitdrukking kunt geven, kan je ze zelfs weergeven. Hier wordt het ik gevuld met besef, met kosmische waarden en waarheden, die dan niet altijd zo mooi zijn weer te geven, maar die in het ik bruikbaar blijven. Het innerlijk wezen wordt a.h.w. gevormd.

Men zegt weleens: De innerlijke waarheid die wij bezitten, is het geraamte. Al datgene wat wij ermee doen, vormt de spieren en de organen ervan. Ik geloof dat je dit wel ongeveer als volgt kunt overzetten in de terminologie van de magische inwijding:

Er zijn in ons kernwaarden, die wij geloven, die wij weten, maar eerst wanneer wij daarvan gebruik maken, ons daarmee één kunnen gevoelen en op den duur die krachten automatisch gaan gebruiken als een deel van ons wezen, bereiken wij a.h.w. een voldoende eenheid, waardoor het ik één is geworden met de kracht. Naarmate er meer krachten zijn ontstaat er een volledige weergave van de scala van mogelijkheden, die in het ik gelegen zijn.

Op het ogenblik dat de mogelijkheid in het ik ontdekt wordt om niet slechts op één kleur, dus op één deel van een heel gamma van invloeden af te stemmen, maar op meerdere (dus het behoeft niet op alle te zijn) spreken wij van adeptus major. Wij spreken van de grotere ingewijde of de hogere ingewijde, omdat in dit geval de mens in staat is het geheel van een Goddelijke kracht, de Originator van de verschijnselen als het ware, in zich steeds merkbaar te ervaren. Je leert je omgeving beheersen. Je leert daarnaast jezelf kennen en de limiet, die je in het begin aan je eigen mogelijkheden hebt gesteld, smelt langzaam weg. Je ziet dat er veel minder grenzen voor het ego zijn dan je dacht. Je ziet ook gelijktijdig dat alles wat je bereiken wilt in je eigen wereld, bereikt moet worden op basis van een bestaande harmonie. Dat kan dus alleen op een positief harmonisch moment. Ook hierdoor een juister optreden in de wereld, een verbondenheid, die niet alleen meer bestaat met mensen, maar met al het leven en zelfs met de dode materie.

De inwijding eindigt dan over het algemeen met een erkenning van eenheid, waarbij het ik zich één kan gevoelen met alle verschillende trillingen en kleuren en stralingen, die op de wereld kenbaar zijn en daardoor in zichzelf reproduceert, onafhankelijk a.h.w. van de verschijnselen – wat men noemt wit licht. De samenvoeging van de vele verschijnselen geven de uiting van de ene kracht weer. Is die ene kracht gevonden, dan heeft het ik daarmee zichzelf ook weer gebracht tot het niveau, waarbij het niet meer alleen aan stoffelijke werelden en verschijnselen, aan innerlijke begripswaarden is gebonden, maar toegang krijgt tot wat je een soort kosmisch geheugen kunt noemen. Wat daaruit te putten is, dat is heel veel. Maar ik geloof niet dat het belangrijk is om dat hier voor u te omschrijven op dit moment.

Wat nu moeten wij van die magische inwijding onthouden?

Dat wat ik zelf verwerp, verwerp ik niet slechts buiten mij, maar ook in mijzelf. Indien ik delen van mijzelf verwerp, verstoor ik de harmonie, zo ze in mij bestaat. Dit kan betrekking hebben op zuiver fysieke, het kan ook op psychische verschijnselen slaan, het kan ook alleen slaan op de poging om hogere waarheid te vinden. Dat hangt af van het niveau, waarop het gebeurt.

Men moet zich goed realiseren, dat het niet nodig is de dingen te benoemen. Maar het is wel nodig om ze te onderscheiden. Er moet dus in u iets bestaan, waardoor u verschillende invloeden afzonderlijk leert waarderen en aanvoelen.

U moet zich realiseren dat magische inwijdingen vaak met zich meebrengen dat magie een rol speelt. Maar ze brengen niet noodzakelijk met zich mee, dat de ingewijde zich als magiër gedraagt. Dat is heel erg belangrijk. Er zijn heel veel mensen die graag voor magiër willen spelen en die daarom die magische inwijding zouden kiezen. Maar je kunt geen magiër spelen zoals je wilt. Dat is een kwestie van erkenning en van bereiking. Wanneer je eerst in jezelf de nodige harmonieën vindt, de nodige contacten, zodat je tenminste als neofiet kunt gaan begrijpen wat zich rond je en in je afspeelt, dan kom je verder.

Ik geloof, dat ik hier voor die magische inwijding een aardige omschrijving heb gegeven. Er zijn natuurlijk oude methoden geweest, dat weet u allemaal en één van de meest voorkomende was de z.g. reis, de inwijdingsreis, waarbij je van leraar naar leraar werd doorgestuurd en in jezelf moest leren om al die lessen en al die ervaringen tot een synthese te brengen, waarin je jezelf kon terugvinden. Maar deze dingen zijn tegenwoordig niet meer zo in. Het speelt geen grote rol meer. Wat wel een grote rol speelt in deze tijd, is de ontmoeting met vele verschillende denkbeelden. Wanneer u een magische inwijding nastreeft, dan moet u begrijpen, dat u het niet weet. U weet het nog niet, al denkt u misschien van wel. De erkenning dat de eigen benadering van de verschijnselen een zeer onvolledige is, is noodzakelijk, omdat wij alleen uit de erkenning van eigen onvolledigheid voldoende oog krijgen voor de werkingen en invloeden, zoals ze buiten ons optreden. Je kunt dus niet zeggen: ik ben zo ver gevorderd en nu weet ik het wel. Juist in de magische inwijding is het: ik ben zo ver gevorderd, dat ik weet hoe beperkt mijn weten is. Je blijft altijd een klein eiland van gekende waarden te midden van de onbekende kosmos. Ik heb dat in het begin ook al gezegd en ik zou het niet genoeg kunnen herhalen.

De relatie die u met de kosmos vindt, is er een van beheersing en bewustzijn. Beheersing en bewustzijn bestaan alleen ten aanzien van je eigen wereld. Maar de beleving in het ik en daarmee de uitbreiding van mogelijkheden van het ik, vindt plaats doordat het onbekende aanvaard wordt als deel van het ik zonder dat het ook gelijktijdig gedefinieerd wordt.

Een heel belangrijk punt. Want een mens die naar inwijding streeft, zou zo graag alles willen omschrijven, definiëren en alles netjes in vakjes indelen en er mooie lesjes van maken. Er zijn heel veel lessen, waar je veel mee kunt doen. Er is hier een groep in Nederland b.v., die ten aanzien van genezing heel veel voorschriften en mogelijkheden heeft gekregen. Dat is nu voor iedereen. Dat zou eenieder nu eens netjes moeten kunnen doorwerken om zich een idee te vormen van mogelijkheden. Er zijn vormen van mogelijkheden weergegeven en dan zal eenieder vanuit zichzelf moeten gaan aanvoelen: wat is hier voor mij herkenbaar? Wat past er voor mij? Dan kom je misschien tot het werken met krachten, die je dan helemaal niet begrijpt, maar waardoor je gaat erkennen wat er in de wereld rond je is. Het is dus werkelijk iets waar iedereen zich in zou moeten kunnen verdiepen, al is het alleen maar omdat hij daardoor – en nu gaat het niet alleen om genezing – ook ten aanzien van het leven rond zich, een beter inzicht krijgt in wat er nu voor het ik al of niet deugt.

Wanneer ik mij realiseer, dat alleen al door de keuze die je maakt van “dat voel ik aan” en “dat kan ik aan” en “dat lijkt mij niets, dat zou ik anders doen”, ga je een onderscheid maken tussen de kracht, die je gebruikt en de manier, waarop je ze gebruikt. Het is duidelijk, dat iemand die dat bewust gaat doen en nu gaat zien dat de krachten die je zelf gebruikt, op een bepaalde wijze in de wereld buiten hem bestaan, daardoor de mogelijkheid heeft om tenminste te beginnen aan een vorm van magische inwijding. Of hij het verder zal doorzetten is zijn eigen zaak.

En zoals ik nu dit boek citeer zijn er vele. Er zijn op deze wereld een groot aantal werken van occulte aard en de meeste van die werken bestaan uit een vreemde mengeling van zin en onzin. Dat weet u ook wel. Nu gaat het er niet om, dat u die werken gaat zien als iets wat waar is. Hetzelfde zou kunnen gelden voor de bijbel, voor de koran enz. Ik zoek daarin datgene wat mij aantrekt en wat ik kan gebruiken. Waarmee ik iets kan doen. Ik selecteer a.h.w. geïnspireerd door algemeen aanwezige waarden, mijn persoonlijke afstemmingsmogelijkheid en van daaruit ga ik verder. En dat kan eenieder doen.

Het is niet zo, dat u die magische inwijding alleen via een school kunt verkrijgen. U kunt er gewoon tegenop lopen. Sommige mensen krijgen het gewoon in de loop van hun leven. Ze lezen hier eens een boek, ze horen daar eens wat en in hen smelt het samen tot ze op een gegeven moment zeggen: ja, nu ben ik er. Dan zeggen ze niet: ik ben ingewijd. Dat zeggen de meeste mensen, die een inwijding krijgen, niet. Ze zeggen alleen tegen zichzelf: Ja, op deze manier moet het mogelijk zijn om iets in die wereld uit te stralen en om iets terug te krijgen. En wanneer ik dat buiten mij zie, dan moet dat ook in mijzelf hetzelfde betekenen. Die vergelijkbaarheid ontstaat. En dat is belangrijk. Want in deze moderne tijd is er nu eenmaal geen ruimte voor allerlei plechtige en langdurige inwijdingsriten. Wanneer ze er al zijn, zijn ze meer symbool en niemand kan ze eigenlijk reëel meer doormaken. Die tijd is voorbij. Maar wat je op die manier leert in jezelf en wat je houding en je relatie tot die buitenwereld betekenen, dat kan een begin zijn van die inwijding en die inwijding zelf is dan een normaal groeiproces.

Voorbeeld: Iemand, een vrouw, heeft in haar jeugdjaren bepaalde ervaringen gehad met het eigen geslacht er het andere geslacht. Dat bepaalt haar eerste oriëntatie. Nu komt er een tweede fase. Die vrouw kan zich met iemand zeer nauw verbonden voelen en op een gegeven ogenblik valt dat weg of het gaat anders dan zij had gedacht en daardoor verandert ze. Niet bewust. Ze zegt niet tegen zichzelf: en nu ben ik anders. Ze zegt wel: ik ga het anders doen en dan haalt ze dezelfde stommiteiten uit. Dat doet ze dan precies als een man, maar haar denken verandert. Haar reactie op de wereld verandert. Wanneer daarna weer een contact zou ontstaan, dan zal de relatie man-vrouw voor die vrouw een andere zijn. Ze kan nooit meer dezelfde zijn en ze zal ook rond zich een aantal dingen gaan zien, die ze in het begin niet gezien heeft.

En zo kun je dan op een gegeven moment een fase bereiken, een soort rijpheid, waarin je tegen jezelf zegt: ja maar zo ben ik eigenlijk. Ik heb mij veel illusies gemaakt, maar dit is de werkelijkheid en die kan ik overal terugvinden. Ik wil niet zeggen dat die magische inwijding nu precies eender is, maar het proces waarbij de beleving een verandering betekent – zo goed de positieve als de teleurstellingen – en daardoor een vorming ontstaat, die is wel degelijk in die magische inwijding aanwezig.

De situatie moet u zich wel in deze wereld als volgt voorstellen: Voor magie is in deze wereld eigenlijk nog heel weinig plaats. In de toekomst zal die mogelijkheid weer wat groter zijn, maar op dit moment is magie eigenlijk iets wat niet kan concurreren met alle grote concerns en het wordt nog onderdrukt ook. Het is duidelijk dat de magische inwijding in de eerste plaats voor de mens een innerlijk proces is, waarbij hij niet naar buiten toe plotseling als wonderdoener of leraar gaat optreden, maar waarin wel, bewust of onbewust, steeds meer harmonische krachten worden ingeschakeld in de relatie tussen het ik en de wereld. Er ontstaat een intuïtief magisch verband tussen ik en wereld en daaruit zijn dan weer ervaringen te winnen, waardoor je tot een nauwkeuriger omschrijving komt van bepaalde zaken in jezelf en van bepaalde invloeden die je rond je hebt.

 Hier ligt dan voor u een begin dat voor eenieder mogelijk is. Maar onthoudt u wel: wanneer u geneigd bent om te doceren en al die dingen meer, dus de zaak meer rationeel te benaderen, dan zal die magische inwijding voor u niet zo gemakkelijk mogelijk zijn, want de magische inwijding gaat niet uit van het rationele. Integendeel, juist van het irrationele. De magische inwijding is de inwijding, waarbij het onbekende als zodanig aanvaard en gebruikt wordt en waarbij de uitleg van wat ik doe eigenlijk een beetje overbodig is.

Er zijn andere inwijdingen en andere inwijdingsscholen en daarover zult u in de loop van deze lezingen ook wel het één en ander horen, maar op dit moment moet u dus begrijpen, dat wij het hebben over een inwijding, die alleen mogelijk is, wanneer je het niet zoekt in kennis. Kennis is het nevenverschijnsel van het contact met het onbekende. Niet de leidraad van je eigen bestaan.

Wat kan de neofiet, hij die pas begint, die de eerste stappen zet op het pad van de magische inwijding, doen? Wel, over het algemeen een sterke gevoeligheid voor de omgeving uitstralen. Deze wordt als intuïtief beschouwd en brengt vaak een zekere instabiliteit met zich mee, omdat de stemmingen van de persoon nogal eens wisselen. Men is heel sterk gevoelig voor invloeden van buitenaf en heeft in die eerste periode de neiging om zich als een soort slachtoffer en brandpunt tegelijk te zien van de gehele wereld. Er zijn ook mensen die deze gevoelens koesteren zonder dat er van inwijding sprake is. Want de onevenwichtigheid is zeker niet alleen voor degene die de magische inwijding volgt.

Een verschijnsel dat wij verder daarbij zien, is het vermogen om anderen te helpen als genezing. Maar ook het projecteren van gevoelens, geruststelling en in vele gevallen zelfs het openen van de poorten van het onderbewustzijn van iemand, waardoor men hem in staat stelt om bepaalde dingen, die hij eigenlijk vergeten was, toch te weten te komen. Verder gaat men over het algemeen niet.

Komt men in de fase adeptus major, dan wordt de activiteit veel groter. Men is in zichzelf zo sterk verbonden met al die krachten en men beseft ze langzamerhand zo goed, dat het gebruiken ervan automatisch is. De mens treedt niet bewust als magiër op, maar in praktisch al zijn relaties met de wereld zit een magisch element verborgen. Het zijn mensen bij wijze van spreken, die hun auto beter laten lopen, niet door hem af te stellen, maar door ernaar te denken. Dat is één van de mogelijkheden, een beheersing van de materie. De beheersing is beperkt, maar ze blijkt geen begrip te vergen.

Iemand, die een machine niet kent, maar waarin een kleine fout is, kan alleen door naar die machine toe te denken toch de fout analyseren of – wat ook vaak voorkomt – een klein gebrek opheffen, zodat het niet juist functioneren overgaat in een wederom normaal functioneren.

De adept major doet het bewust. D.w.z. dat hij naar buiten toe misschien minder dan de kleine ingewijde gebruik maakt van zijn mogelijkheden, maar hij leeft op meerdere niveaus tegelijk. Hij zal dus wel weer de neiging hebben om wat wij nog geestelijke waarden of astrale waarden noemen in het geding te brengen, wanneer hij eenmaal iets doet. De daadbehoefte is bij de grote ingewijde veel beperkter dan bij de kleine ingewijde en ook meer overwogen. Daar staat tegenover dat bij een gebruik van de mogelijkheid tot daadstelling alle krachten, maar ook alle sferen worden ingeschakeld. Is de grote ingewijde zover gekomen, dat hij in zichzelf een harmonie heeft gevonden met wat wij het witte licht noemen, dan kunnen wij ook rustig stellen, dat hij in staat is om de structuur van materie tijdelijk of zelfs blijvend te wijzigen. Hij heeft dus veel meer mogelijkheden.

Nu denkt u waarschijnlijk: Als ik zover zou zijn, ik zou het wel weten. Eén gebaar en alles is van goud. Als je nog geen ingewijde bent kom je op zo’n idee. Maar juist voor de grote ingewijde, die werkelijk in zichzelf het witte licht kent en die misschien zelfs doordringt in die sferen, die wij normalerwijze verblindend noemen en die bijna duister zijn omdat ze zo licht zijn, die zal alleen optreden om iets kenbaar te maken wat in hem bestaat. Goud zegt hem niets, want hij kan het immers maken wanneer hij het nodig heeft? Daarom doet hij het niet. Wanneer je iets kunt hebben, heb je het veel minder hard nodig dan wanneer je het niet kunt hebben. Vreemd verschijnsel, maar het speelt ook hier een rol.

De man of vrouw zal dus over het algemeen slechts een enkele maal demonstreren en wanneer hij iets doet wat magie is – waarbij dus werkelijk iets bijzonders gebeurt buiten hem – dan is dat meestal een nevenverschijnsel van innerlijke erkenning. Hij zal iemand helpen met een magische handeling, met een magische daad, omdat er een innerlijke harmonie erkend is. Is die harmonie er niet, dan kan de behoefte nog zo groot zijn, dan blijft de daadstelling achterwege.

Zoals overal, zien wij hier ook als bij de vol-ingewijde, de grote ingewijde, een afstand ontstaan tussen het behoeftebeeld zoals een gewoon mens dit kent en het behoeftebeeld zoals dat vanuit de ingewijde wordt geïnterpreteerd. De relatie tussen mens en mens is niet meer iets wat op een abstractie of een ideaal kan berusten, het kan alleen berusten op een soort wederkerige erkenning. Wat wij noemen: een harmonie. Die harmonie behoeft bij de ander misschien niet bewust te bestaan, maar hij moet er zijn, anders is de relatie voor de grote ingewijde als niet bestaand.

Een verschuiving in oordeel krijg je eigenlijk al als je een klein ingewijde wordt. Want je hebt nu in jezelf zoveel dingen en mogelijkheden leren kennen, dat je eigenlijk niet meer de behoefte hebt om in de wereld alle dingen precies naar voren te laten komen. Het is niet belangrijk, dat iemand macht heeft in de wereld of dat hij bezit heeft, want als het nodig is, kun je er wel aankomen. Het is veel belangrijker, dat iemand bepaalde harmonieën vindt en vooral dat hij zijn wereld leert waarnemen. Dat hij er de verschijnselen van leert aflezen.

U ziet, de ingewijden verschillen in zekere mate van gewone mensen. En dat moet u weer niet zien als een bijzondere verdienste. Het vloeit eenvoudig voort uit de veranderingen, die je innerlijk hebt doorgemaakt. En daarmede kom ik aan het laatste deel van deze les.

Laat u niet overbluffen door het woord “magie”. Zoveel van wat er in de wereld gebeurt is magie. Zelfs uw geloof is in feite een magisch geloof. Want het stelt relaties, die u niet bewijzen kunt. Die u hoogstens een enkele keer kunt aanvoelen. Uw streven en idealen hebben iets magisch in hun karakteristiek, want ze zijn er niet en in de meeste gevallen zal je ze ook nooit tot werkelijkheid kunnen maken. Het zijn alleen maar afstellingsmogelijkheden, meer niet. Denk niet, dat magie iets exceptioneels is. Het is iets, waarmee u dagelijks werkt en leeft op uw eigen manier en daarom is die magische inwijding voor u ook veel minder onbereikbaar dan u op het eerste gezicht zou zeggen. Het ligt doodgewoon aan uw eigen type.

Ik heb daarnet al enkele punten genoemd, maar laten we nu zeggen: wie is het meest geschikt om die magische verandering en inwijding te ondergaan? Dat is de mens, die zich niet bekommert over de werkingen, maar alleen om het resultaat. Dat is iemand, die gewoon door het leven gaat en geen behoefte heeft aan mooie formules, maar alleen op een gegeven ogenblik weleens iets wil zien gebeuren. Het is dus in feite een zeer eenvoudig mens. Dan kan de persoonlijkheid verder zo complex zijn als u maar wilt, maar in de benadering van het leven is een zekere eenvoud.

Het is jammer, dat dergelijke mensen vaak erg monomaan zijn. Dat ze dus één bepaald denkbeeld als alles overheersend ervaren. Dat is dan een grote belemmering, want je moet openstaan voor de gehele wereld en niet alleen voor één bepaald denkbeeld en één stukje van de wereld. Anders kun je niet erkennen hoe één kracht overal inwerkt. De gevoeligheid van deze personen openbaart zich verder vaak doordat ze dromen hebben. Soms zijn dat visioen-dromen, maar in de meeste gevallen zijn het symbooldromen Opvallend is verder dat deze personen zelf die symbolen meestal niet weten te interpreteren en dat ze, wanneer ze een interpretatie geven, deze aanpassen aan hun gevoelswereld en niet aan de feiten. Voor dergelijke personen is verder meestal ook kenmerkend de behoefte om een betekenis te hebben. Er is een relatie-behoefte. Men wil iets voor een ander doen. Niet omdat men zo graag een ander een dienst bewijst, maar omdat daardoor een zeker verband tussen het ik en de wereld bestaat.

Om dezelfde reden zullen deze mensen andere dingen en persoonlijkheden absoluut afwijzen. Niet omdat ze daar reden voor hebben, maar doodgewoon omdat ze niet het gevoel hebben dat hier een band kan bestaan, die voor hen aanvaardbaar is. Die mensen zijn van menselijk standpunt uit ook nogal eens wispelturig.

Als je al die karakteristieken bij elkaar neemt, dan kun je zeggen: hoe complex de persoonlijkheid ook is, de relatie met de wereld is bij ieder, die beginnen kan aan een magische inwijding, eigenlijk eenvoudig. Er is kennis aanwezig en veelal ook een behoefte om zekere kennis op te nemen, maar ook deze blijft beperkt. Het blijft een liefhebberij. Het wordt geen geloof of een soort beroepsbezigheid. De persoonlijkheid is verder over het algemeen redelijk harmonisch, ofschoon natuurlijk daar, waar het eigen gevoel van harmonie op de één of andere manier gestuit wordt, we te maken krijgen met zeer bruuske reacties.

En denk nu niet: dat geldt wel voor dié en dié en niet voor mij, want of het zo is, dat kun je alleen voor jezelf na ernstig nadenken zeggen. Wanneer u dan zegt: ik pas naar ik meen wel in die karakteristiek en ik wil het eens proberen, ga dan in het begin sterk op uw gevoel af. Vraag u niet af of u voor gek staat of niet. Gewoon: Hoe zie ik dit? Hoe voel ik de dingen aan? Niet: Is dit mooi? maar: Voel ik mij daarmee verbonden of niet? Niet: Is deze mens nu goed of slecht, een prettig mens? Maar gewoon: Wat voel ik in deze mens aan? Hoe reageer ik hierop? Hoe zie ik dit?

Als u dat doet, dan zult u zien, dat er een groot aantal gelijkvormige gevoelens bestaan in jezelf ten aanzien van zeer differente delen van je wereld. Ga dan eens verder kijken: wanneer ik in mijzelf een bepaalde impuls of verandering onderga, hoe ligt die dan bij anderen? Hoe zie ik dat in de wereld rond mij?

Als u deze twee punten voor uzelf opneemt, dan kunt u zeer waarschijnlijk een voldoende harmonie krijgen met enkele waarden, om vandaaruit verder te gaan. Dan staat u op het beginspoor en bent u misschien onbewust al een eindje verdergegaan langs het spoor van de magische inwijding. Onthoudt u dan: de definitie van uzelf is niet zo belangrijk. Belangrijk is de gevoelsmatige erkenning van bestaande harmonieën en het leren onderscheiden van de verschillende harmonische waarden die bestaan voor jou in de relatie tussen jezelf en de wereld en tussen de invloeden, die je niet kent.

Wie de magische inwijdingsweg volgt, volgt geen weg van kennis, ofschoon deze soms als nevenproduct kan ontstaan. Zo iemand volgt een weg, waarbij gevoelens van verbondenheid en afstoting de eigen relatie met de wereld bepalen en voor het ik een steeds meer omschrijven van deze waarden en een steeds juister erkennen het enige belangrijke is.

Oude inwijdingen

De oudste inwijdingen zijn al in het vergeetboek geraakt op aarde. Opvallend is, dat al deze oude inwijdingen een element gemeen hebben met inwijdingen tot ongeveer de geboorte van Jezus toe, te weten de elementen. De inwijdingen waarbij vuur, water, aarde en lucht een rol spelen zien wij al in de tijd dat Atlantis nog bestaat. Deze Atlantische inwijdingsorde – die overigens later voor een zeer groot gedeelte de kant van de witte priesters is uitgegaan – kende in zich het één worden met de elementen. De stellingen daar waren heel eigenaardig. Het is: Ik moet één zijn met datgene wat rond mij is, want door deze eenheid kan ik het in mijn wil a.h.w. regeren, kan ik het in mijn ik ervaren en kan ik er dus ook mee werken. De inwijding hield o.a. in het daadwerkelijk lopen over vuur (sintels), zwemmen, een duik in de lucht, een sprong in de lucht, weliswaar aan een soort reddingslijn, maar toch een sprong van 50 à 60 meter en daarnaast ook de kennis van de aarde en daarbij ook de kennis van kruiden en gewassen.

Het waren heel interessante inwijdingen, omdat de mensen daar gemakkelijker dan tegenwoordig contact konden opnemen met de lichtende entiteiten, de lichtende krachten, die rond de mensheid en de aarde altijd aanwezig zijn. Vandaaruit werd die inwijding wel wat eenvoudiger en er is een tijd geweest, dat de grote beschaving praktisch ten gronde was gegaan, maar dat delen van die inwijding al werden uitgedragen. En dat werd bij de primitieve mensen eveneens een inwijding, waarbij de elementen een rol speelden of producten van de elementen en hier gold dan wederom niet alleen de eenheid, maar bovendien de eenheid met bepaalde geestelijke krachten. Het werken met symbolen was daar erg belangrijk. Goden werden inderdaad symbolen die konden worden opgeroepen, geëvoceerd en van daaruit kwam men als vanzelf naar het punt, waarop men zelf God werd.

Deze tijd van de levende goden ligt nog niet zo heel ver achter ons. Ik meen, dat in Afrika de laatste levende goden nog aanwezig waren ongeveer 1700 jaar geleden. Een levende god was in wezen een ingewijde. Want wat deed men? Je leerde eerst de elementen kennen en daarnaast het oproepen van geesten. Maar je leerde in dat oproepen van geesten vooral gegevens verkrijgen. Er ontstond een beheersing. Een beheersing niet alleen van de elementen, maar ook van de relatie die je had met de goden. En degene die daarin leerde zelf a.h.w. te putten wat hij precies wilde weten of wat hij precies wilde verkrijgen uit de kosmos, werd beschouwd als een God. In de overleveringen spelen ze later ook een rol en dan worden ze een soort halfgoden.

Deze inwijdingsriten waren gebaseerd op een persoonlijk leerlingschap overigens. Het was in Atlantis niet het geval. Daar was de mogelijkheid van een scholing aanwezig. Maar deze latere fase kende de persoonlijke binding tussen de ingewijde en degenen aan wie hij zijn kennis overdraagt. Deze relatie is bewaard gebleven tot in deze dagen, want bij de medicijnmannen bestaat ook een dergelijk gebruik. Men kiest zijn opvolger uit en draagt aan deze en alleen aan deze zijn kennis en zijn bekwaamheden over.

Iets florissanter wordt het wanneer wij te maken krijgen met eveneens door Atlantis veroorzaakte inwijdingsscholen, zoals die bestaan hebben in onder meer Egypte, India, ook één in Perzië en daarnaast verder noordelijk. In deze scholen die in hun opzet sterk verschillen, omdat ze gebonden zijn aan het godengeloof dat ter plaatse heerst, gaat men wederom uit van de 4 elementen, maar daaraan wordt nu iets toegevoegd, n.l. de beheersing van de eigen voertuigen. Dat komen wij voor het eerst tegen in de Indische inwijdingsschool – ongeveer 7000 jaar geleden – en daarna zullen wij het ook aantreffen in bepaalde Egyptische scholen.

Hierbij is het uittreden één van de belangrijke dingen die geleerd wordt, de waarneming op afstand, daarnaast wordt ook telepathie ontwikkeld. Hier gaat het dus om het ontwikkelen van bepaalde begaafdheden en de inwijding is eigenlijk een soort neveneffect. Alleen degene die in het gebruik van deze capaciteiten verder kan gaan dan de norm, dan onderwezen wordt, is eigenlijk waardig om de inwijding te ondergaan. En bij deze inwijding hoort dan over het algemeen een uittreding die een tijdlang duurt. Het is niet alleen een stoffelijke, maar ook een zuiver geestelijke beproeving. De behoefte om de inwijding meer algemeen te maken bestaat eigenlijk wel bij al deze scholen. Ze proberen op de één of andere manier hun leer over te dragen, zodat eenieder, die er vatbaar voor is, beroerd zal worden in zichzelf en zal gaan zoeken naar de waarheid en dan opgevangen kan worden.

Deze propaganda – anders zou je het volgens mij niet mogen noemen – omvat over het algemeen de z.g. inwijdingsspelen. Die spelen worden later voor een groot gedeelte van hun oorspronkelijke bedoelingen ontdaan. Een inwijdingsspel is niets anders dan een rituele voorstelling van bepaalde goden en inwijdingsverhalen en wie daarin voldoende opgaat, beleeft een deel van de werkelijkheid. Hij ondergaat dus innerlijke processen die niet alleen zijn eigen processen zijn, maar ook die van die persoon die hij tijdelijk uitbeeldt. Het uitbeelden van de geschiedenis van de goden is b.v. bekend in Egypte. Wij vinden ze in India, waar zelfs een deel van de klassieke danskunst daar nog op gebaseerd is en daarnaast ook vreemd genoeg op landen als Cyprus en zeker ook in Griekenland. In Griekenland bestaan zelfs inwijdingen, die voornamelijk gebaseerd zijn op spelen, die men gezamenlijk aanschouwt en waarbij iemand, die een innerlijke rijpheid bereikt heeft, wordt uitgekozen om een rol te spelen. In deze rol vindt dan eigenlijk de inwijding plaats. Hij ondergaat een emotionele verandering en deze emotionele verandering wordt natuurlijk mede gestimuleerd door de ingewijde toeschouwers, die aanwezig zijn.

In Egypte verandert de zaak een beetje. Daar gaat men langzaam maar zeker vooral waardigheden uitbeelden. En zo komt het voor, dat een zoon van een farao – vooral wanneer hij kans heeft om later zelf vorst te worden – niet alleen wordt ingewijd in de geheimen van de godsdienst, maar over het algemeen ook wordt uitgekozen om een Osiris te dansen. Dus een jonge God te dansen en te ondergaan. In het begin was het werkelijk de bedoeling om zo deze vorst in te wijden en dus de kosmische aspecten te doen beseffen. Later werd het eerder een deel van een erkenning. Het benoemen van een kroonprins zou je kunnen zeggen.

Als ik al deze oude inwijdingen bezie, dan blijkt mij, dat ook daarin de elementen, zij het vaak nu als persoonlijkheden gesymboliseerd, een rol spelen. Wat de Egyptenaren doen is Goden uitbeelden die de heersers zijn van o.m. de elementen. Wanneer wij zien naar de danskunst van India, dan komen daar steeds weer figuren in voor die b.v. de wind, de lucht uitbeelden, of de dieren, de aarde, of de zee of een beheersing van de zee, etc. Ook goden van vuur, of vuurspuwend komen voor. En het is misschien wel leuk om hier te vermelden, dat de legende van de vuurspuwende draken en de overwinning daarvan – zoals die aan St. George, St. Joris – eigenlijk oorspronkelijk inwijdingssymbolen waren. Want het vuur heeft een eigen leven, maar de mens die het vuur kent, is ertegen gewapend. Hij zendt zijn eigen kracht uit en het vuur kan hem niet beroeren.

Op een andere manier vinden wij dat ook weer terug in verschillende mystieke richtingen, zelfs in Italië. U vindt het veel in Spaans-Portugees-sprekende provincies van deze wereld als Brazilië en Argentinië, waarbij het lopen over vuur in een soort extase voorkomt. In Griekenland is er tegenwoordig ook zoiets, maar dat moeten wij zien als een gebruik, dat via Rome teruggeslagen is. Dat is iets dat met een verandering van betekenis in het Christendom samenhangt. Dit vuurlopen is één van de dingen die daarvan is overgebleven, maar de betekenis daarvan is weg.

Typerend is ook dat we bij de zwervende stammen, de z.g. zigeuners, ook de gewoonte kennen van het tezamen over het vuur springen. Dat was iets wat ook de Germanen gekend hebben. En dat geloof ik zelfs een gebruik is geweest in Engeland tot diep in de 17e eeuw. Het samen door het vuur gaan betekent een versmelting en werd een huwelijkssymbool. Maar voor die tijd was het gaan door het vuur of het springen door de vlammen de overwinning van een element. Het was een bevrijding, waardoor het ik sterker gebonden werd aan de beheersende macht die alle elementen in zich draagt.

Deze situatie blijft lange tijd gehandhaafd en krijgt eigenlijk steeds nieuwe vormen. Wij weten b.v. dat een deel van de nu vaak sterk bekritiseerde gladiatoren-spelen oorspronkelijk een semi-religieus karakter hadden en eigenlijk een uitbeelding waren van de strijd, waarin de goden de helden a.h.w. stalen. Dat het later een zeer bloedig schouwspel is geworden, is te danken aan de smaak van het publiek. We zouden ook kunnen zeggen dat voetballen eens een gezonde lichamelijke sport was, waarin de teamgeest ontwikkeld werd en dat het langzaam maar zeker door de behoefte van het publiek ook van karakter aan het veranderen is. Hier liggen voor ons naar ik meen een aantal voorbeelden, waaruit een conclusie te trekken is.

De mens leeft in een wereld. Die wereld wordt beheerst door wat hij vroeger noemde: de elementen. De vier essentiële dingen die in zijn leven een grote rol spelen. De mens die komt tot beheersing van de elementen, komt in feite ook tot een beheersing van zichzelf, want hij is uit die elementen opgebouwd. De overwinning op de elementen is in de inwijding gelijktijdig de overwinning op jezelf. Het is het meesterschap over je stoffelijke voertuig, waardoor je geestelijke mogelijkheden aanmerkelijk gemakkelijker ontplooid kunnen worden.

In die inwijdingen, waar geestelijke en magische elementen een rol speelden, zien wij de uittreding. Maar deze uittreding vindt plaats in een wereld, waarin men eveneens vaak bepaalde elementen moet overwinnen. De droom wordt soms geïnduceerd, zelfs in bepaalde gevallen door deskundige telepaten. Maar de droom zal altijd tot uiting komen in de beelden die de mens zelf in zich draagt. Hij overwint zijn angsten. Hij moet leren al datgene, waar hij zelf in zichzelf bang voor is, te overwinnen. Hij moet zich a.h.w. vrijmaken van zijn angst en van zijn overmatige begeerte om beheerst te kunnen zien, wat de werkelijkheid is. Dat zijn elementen die je vandaag de dag in een inwijding, zij het op een andere manier, geloof ik nog steeds zult ontmoeten.

Interessant is daarbij zeker ook het feit dat inwijdingen niet alleen in beheersing werden gezocht en niet alleen in scholing. Typerend is de bandeloosheid van bepaalde groeperingen die eveneens een inwijding met zich bracht. Er is een verwerpen van gebondenheden en deze bandeloosheid is eigenlijk een uitbeelding van de chaos, waarin het ik op zichzelf vormend werkt. We leven – wanneer wij beginnen met onszelf – in een wat chaotische toestand. We denken wel dat we alle dingen aardig onder controle hebben, maar als het erop aankomt halen we toch veel stommiteiten uit en dan worden we vaak gestuwd in een richting, die wij eigenlijk niet ambiëren. Wanneer we zouden leren dat dit chaos kan zijn – dus ongeordendheid en dat het ik in deze chaos als ordenend principe kan optreden – dan zouden wij ons voor een groot gedeelte vrij kunnen maken van de noodlotsgebondenheid die een mens beheerst. Maar wij zouden daarnaast innerlijk ook vrijer kunnen staan. We zouden innerlijk de gebondenheid aan onze angsten en verwachtingen terzijde kunnen stellen en in de absolute onvormelijkheid van alle ideeën en denkbeelden onze eigen wereld, ons eigen hiernamaals kunnen opbouwen.

Er zijn na de komst van het christendom uiteraard een tijdlang minder van deze inwijdingsscholen actief. Zeer zeker in de door de christenen beheerste gebieden. Toch blijkt dat b.v. in Rome deze inwjjdingsdrang nog een lange tijd bestaat en ze uit zich op twee manieren:

  1. De ene groep is die der Cani’s, de bezitloze filosofen zou men kunnen zeggen.
  2. De andere is die van de heersende klasse, die echter probeert op te gaan in andere klassen.

Wanneer een keizer b.v. optreedt als menner van paarden in het circus, dan wordt dat hier alleen gezien als de behoefte zich ook daar te laten gelden. Wanneer hij gedichten maakt en muziek speelt, zo ziet men dat als een soort perversiteit.

Maar vele van de hoger geplaatsten, die een zekere inwijding zochten, probeerden zich te verplaatsen in het leven van anderen. In de emotie en de ervaringen van anderen traden zij soms zelfs op als gladiatoren. Werkten soms een tijdlang als b.v. sjouwerman. Zeker, ze waren beschermd en konden altijd terugkeren en daarom haalde het niet zoveel uit. Maar ook bij hen was dat een zoeken naar een inwijding. Een verruiming van het eigen ik, een vrijwording van bepaalde innerlijke eigenschappen en kwaliteiten. Er zijn er overigens niet veel die het gehaald hebben, de meesten van hen werden door hun milieu toch weer dermate gebonden, dat deze vrijheid een denkbeeldige moest blijven.

Deze denkwijze, de verplaatsing in de ander, blijkt later in bepaalde christelijke sekten een rol te spelen. Wij kennen een aantal inwijdingen, die in feite gebaseerd zijn op de heidense denkwijzen en gebruiken, die in een christelijke vorm gegoten worden. Ze worden natuurlijk sterk vervolgd en door de vervolging zijn ze niet in staat zichzelf waar te maken. Ik denk hier b.v. aan de vervolging van de Albigenzen en in een latere tijd de Waldenzen. Christelijke inwijdingsleren en scholen bestonden dus wel degelijk, maar daar wilde men de mens toch nog blijven binden aan de groep. Een inwijding kan dat niet verdragen.

Een inwijding kan alleen ontstaan wanneer je vrij wordt, zelfs van de groep. Dan kun je je binnen de groep nog wel uiten, maar je bent niet meer gebonden aan haar normen en haar waarden. Zonder dat is die inwijding onbereikbaar. Het is één van die dingen, die een modernere inwijdingsrichting gefrustreerd heeft. Er zijn bepaalde religieuze groepen, christelijke groepen, die ook uitgaan van een inspiratie en waarbij – en dat moeten wij toch toegeven – de gelovigen in zichzelf de meest, wat vreemd toeschijnende plechtigheden, toestanden van verrukking bereiken en in die toestand van verrukking ook tot grote geestelijke beleving kunnen komen. Maar ook hier: men blijft gebonden aan formuleringen en men kan zich er niet van losmaken en daarom werkt die inwijding niet.

De inwijdingen van de oudheid gingen uit van het standpunt: Wanneer je ingewijd bent, ben je vrij. Dat ging zover, dat een ingewijde, iemand die innerlijk bepaalde waarden bereikt had, niet meer door de hogepriesters geregeerd kon worden, ook al was hij lid van de priesterkaste. Hij werd dan veelal weggemanouvreerd naar een buitenpost, een klooster. In andere gevallen werd zo iemand een soort arbiter binnen een tempel. Datzelfde hebben wij ook in Babylon kunnen zien.

In al deze gevallen was in de oudheid de ingewijde iemand, die a.h.w. losstond van de ander. En dit losstaan is een vereiste voor de inwijding. Wanneer wij in deze tijd juist dit losstaan van de anderen niet willen of kunnen aanvaarden en een voortdurende binding aan een filosofie, aan een groep of aan een bepaalde gedragsnorm vereisen, maakt men daarmede uiteraard het bereiken van een inwijding veel moeilijker. En zal een school nimmer kunnen bereiken, dat vanuit haar de ingewijden voortkomen, voor zij zich hebben losgemaakt van hun school.

Ik wil met dit alles zeker niet beweren, dat er in de oudheid meer inwijdingsmogelijkheden waren dan nu. Er waren andere mogelijkheden. Maar de mens van vandaag, die een werkelijke en volledige inwijding zoekt, zal uitgaande misschien van een school of een bepaalde lering, het punt moeten bereiken waarop hij zegt: ik ga zelf verder. De mens, die in deze tijd boven de norm van het eenvoudig menselijk zijn wil uitstijgen en een begrip wil krijgen voor kosmische krachten en waarden, zal zich los moeten maken van de mensheid. Niet om meer of minder dan mens te worden, maar om vrij te zijn van de beperkingen van het mens-zijn en zo in zich het besef te gewinnen, waardoor hij eerst werkelijk mens kan worden. Bewust mens. Een volbewust mens.

Al deze gegevens tezamen mijne vrienden, zoals ik u die heb voorgelegd, dienen eigenlijk alleen maar om één stelling te illustreren:

Inwijding kan nimmer ontstaan bij gebondenheid aan groep of school, Inwijding is een overwinning van al datgene wat je rond je kent zoals het ook in je bestaat. Het is een beheerstheid die zover gaat, dat je je eigen angsten kunt overwinnen, dat je je eigen begeerten kunt beheersen, dat je ook in dit opzicht geen slaaf meer bent van de impulsen die je hebt. Pas wanneer dat bereikt is, is er een inwijding.

De oudheid heeft vele inwijdingsscholen, groepen en richtingen voortgebracht. In uw dagen zijn er eveneens betrekkelijk vele. Maar het is nimmer de school of de richting die bepaald heeft of er ingewijden komen. Dat alleen hebben de ingewijden zelf bepaald, de mensen die zich los wisten maken van zichzelf en zo in een groter en kosmisch besef als mens verder wisten te leven.

Begin

Is er ooit een begin? Wanneer ik vandaag begin iets te doen, dan heeft mijn verleden bepaald dat ik het nu kan gaan doen. Wat ik beschouw als een begin, is een verandering in mijn persoonlijke relatie, mijn verhouding of mijn streving. Het is niet een verandering van de werkelijkheid of van mijn wezen.

Alle tijden vloeien samen in het heden. Het verleden en de toekomst zijn één in dit moment, waarop ik ben. En alle mogelijkheden van het verleden hebben mij gevormd tot wat ik ben. En alle mogelijkheden van de toekomst liggen in mij en het is mijn eigen keuze, waardoor ik een bepaald deel daarvan tot werkelijkheid zal maken.

Een begin. Een begin is een besef. Niet meer.

Begin is de eerste daad waardoor een potentie wordt omgezet in een realiteit.

Een begin is een gebaar dat je maakt naar de kosmos, om zo een waarheid, die reeds bestaat, persoonlijk volledig te beleven.

Er is geen werkelijk begin dat wij kennen. Misschien is er eens niets geweest, maar dan heeft zelfs in dat Niets, ongevormd, alles bestaan wat eruit is voortgekomen.

Alles wat je leven heeft gevormd, wat je hebt meegemaakt, al wat je bent en al wat je nooit kunt zijn dat is er vandaag. Als je nu begint om bewust een deel van jezelf te activeren, om bewust een zekere situatie waar te maken of je daarvan te bevrijden, dan is dit begin alleen een beseffen van mogelijkheden in het totaal van het zijnde, waartoe wij behoren.