Magische kunst

Magische kunst

Als wij kijken naar de kunst, dan ontdekken we dat ze eigenlijk een magisch karakter heeft. Beeldende kunst bijvoorbeeld is bezwerende kunst. Muziek is in het begin een ritme dat ten doel heeft om de mens als het ware in een roes te brengen en zo de goden te laten spreken. De dans heeft eveneens een ritueel karakter.

Als we de eerste spelen krijgen, dan zijn het eigenlijk inwijdingsspelen waarbij het spel helemaal niet zo belangrijk is voor de toeschou­wer, maar wel voor degene die meespeelt, omdat hij zich in een andere persoonlijkheid, een andere rol kan verplaatsen. Zo zien we dat de kunst van origine behoort tot een tak van de magie. Nu lijkt het wel, alsof ze daaraan is ontgroeid, maar in feite blijft het nog steeds zo.

Als je goed oplet, dan zie je dat een kunstenaarswereldje altijd een enigszins afgesloten wereldje is, dat ze een soort eigen esoterisch begrip heeft. De doorsnee kunstenaar pleegt zich zo sterk met zijn werk te vereenzelvigen, dat hij wel eens vergeet dat hij ook nog mens is, waardoor hij natuurlijk menselijker is dan menig ander mens goed vindt. De situatie zouden we misschien als volgt kunnen schetsen.

Onze hele wereld, wanneer we tenminste op aarde leven, wordt bepaald door alle waarnemingen, de trillingen die ons zintuiglijk bereiken. Een kleur beroert iets in ons. Kleur kan emotie zijn. Een vorm of een lijn betekent een associatie, het zijn begrippen die in ons ontstaan. Een klank kan ons beroeren, ze kan ons ook voorbijgaan, ze kan ons koud laten. De combinatie van klanken betekent dus, een omzetting van auditieve trillingen in allerlei emotionele waarden. Als we te maken hebben met het gesproken woord, dan is dat precies hetzelfde. Als de een spreekt dan is dat lang niet hetzelfde als een ander spreekt, want er is een verschil in intonatie, een verschil in wijze van uiting. De persoonlijke held komt anders naar voren. Zelfs Hamlet, die door zovelen is gespeeld, wordt zelden precies hetzelfde uitgebeeld. Ieder vindt toch weer een andere manier om zich af te vragen: “Te zijn of niet te zijn?” En dat komt doodgewoon omdat de meeste mensen niet weten wat ze zijn. Ze denken dat ze iets zijn en daarom trachten ze op een andere manier duidelijk te ma­ken dat zijn of niet zijn, een grote vraag is.

Hier zou ik misschien meteen kunnen aanhaken aan bepaalde dichters. Shakespeare is een dichter, althans hij is het front van een aantal dich­ters. Vondel is een dichter. Deze mensen zoeken iets in een ritme. En ook dat kunnen we terugvinden. Als we ons bezighouden met de ritmiek van het woord, dan blijkt dat we niet eens zo heel sterk op metrum en dergelijke behoeven te letten. Het gaat er alleen maar om wat voor in­druk we bereiken. Iets waarvan de Orde gretig gebruik maakt. ‘Het Schone Woord’ is helemaal geen gedicht, maar het klinkt als zodanig. En omdat het de mensen via trillingen en ritme aanspreekt, vinden ze het ontzettend mooi, terwijl het vaak eigenlijk niets betekent zonder die emoties. Een magisch karakter dus.

Ik meen dat je in het magische vooral de nadruk zou moeten leg­gen op het feit dat de mens, die werkelijk kunstenaar is, zich in zijn kunst van zichzelf vervreemd. Hij zegt misschien, ik ben meer mijzelf, maar dat is niet waar. Je schakelt grote delen van jezelf uit en pro­jecteert een voorstelling in de kunst. Daarmee wijzig je je harmonische verhouding tegenover de mensheid, tegenover de kosmos, tegenover de wereld.

Er is iemand geweest, die een gedicht heeft geschreven over de schoonheid van de atoomexplosie bij Hiroshima. Het is inderdaad van een ontstellende schoonheid, maar het is ook een ontstellend geweld, het is een verschrikking. Wat kies je uit dat schouwspel? De kunste­naar kiest daaruit een bepaald aspect en wordt blind voor de rest. En doordat hij blind is voor de rest, kan hij eigenlijk voor degenen die rond hem zijn bepaalde dingen oproepen uit de werkelijkheid.

Een kunstenaar is over het algemeen een nogal sensitief mens. Als je dat namelijk niet bent, dan kun je hoogstens jezelf spelen. Er zijn natuurlijk wel mensen die daardoor rijk worden. Maar dat is het­zelfde als sommige mensen die in de politiek gaan; zij spelen ook voort­durend zichzelf. Het is echter een rol die ze spelen. Een werkelijk groot kunstenaar kan clown zijn, hij kan pierrot zijn, hij kan mens zijn, hij kan God zijn. Hij kan alle dingen zijn, omdat hij ze aanvoelt. En ze aan­voelend schakelt hij zichzelf uit en wordt datgene wat hij uitbeeldt. En of hij dan op het toneel staat of een doek maakt of een vorm boetseert of uit klanken een bouwwerk optrekt dat maakt verder niets uit. Hij is zichzelf niet meer.

In de wereld denken we altijd dat we onszelf zijn. Maar in wezen reageren wij volgens regels, die we zelf hebben geschapen plus de wetten (de regels) die de wereld ons oplegt.

Rond de hele wereld is die sfeer (de atmosfeer) en ook de aura van de aarde. En als de aarde de koude koorts heeft dan loopt de hele mensheid te rillen. Maar de kunstenaar zegt, die rilling heeft een rit­me. Hij denkt dan niet meer, ik heb het koud, maar hij pakt dat ritme en maakt er wat uit. Dan kan dan mijnentwege, een bolero of een statige pava­ne worden. Altijd weer worden wij geleefd door de wereld. Pas op het ogen­blik dat wij ons weten los te maken van wat de wereld van ons maakt en een aspect kunnen kiezen uit onze erkenning, uit onze beleving en dat ons hele wezen en onze relatie met alles kunnen laten domineren, veran­deren wij.

In de oude inwijdingsspelen in Egypte gold een eigenaardige zinsnede.

“Hij die Osiris is (degene die de rol speelde in het mysteriespel, bij de Isis cultus was dat gebruikelijk), hij zal nooit meer dezelfde zijn”.

Daarmee bedoelden ze, je kunt een god spelen. Maar wil je die god uit­beelden, dan moet je ergens één zijn met die god, met jouw voorstelling van die god. Heb je dat eenmaal beleefd in jezelf, dan kun je nooit meer datgene zijn wat je voordien was. In het scheppen verander je jezelf.

Het wonderlijke is dat de aarde daar ook op reageert. Als we nu kijken naar de grootste magiërs van alle tijden, dan blijkt dat die men­sen reageren op de wereld op een wonderlijke manier. Ze pakken er als het ware aspecten uit en ze zijn er één mee. Het is niet, die wolk is sterker dan de zon, laat mij die wolk dan zijn. Het is gewoon, een wolk drijft voorbij. Ik ben een wolk en als wolk zie ik alles. Als ik terugkeer tot mijn mens-zijn, dan heb ik toch die wereld gezien.

De hele kosmos rond ons is bereikbaar. We zijn niet gebonden aan de wereld of aan de voorstelling van die wereld. Ons eigen voorstellingsvermogen is op de wereld en op de termen van de wereld gebaseerd. Maar soms breken wij daar doorheen en dan zien we het anders. Om een kunstenaar te citeren:

“Ik keek naar de wereld die was; en ze was een leegte.
En ik stond alleen in een leegte, zonder iets.
Toen dacht ik aan mijzelf.
Ik zag mijzelf bijna verdwijnen.
Toen dacht ik aan al datgene wat in mij was en ziet,
ik stond in een nieuw landschap vol van schoonheid”.

Wandelen in de tuinen van de geest, dat is eigenlijk wat je doet als je kunst bedrijft. Je kunt erom lachen. Je kunt zeggen: ach, kun­stenaar zijn is ook een vak. Je kunt zeggen: magie in de kunst, laat me niet lachen. Het gaat er maar om dat je iets goed doet. Maar je kunt het niet goed doen, als je niet dat vreemde, dat magische hebt.

Tegenwoordig zijn het oude varieté, het chanson en dergelijke er niet meer. Vroeger had je misschien tien soubrettes. Er was één bij die misschien nog minder stem had dan de anderen, maar als die zong, dan deed dat je wat. Ze had, wat men noemt, persoonlijkheid. Die persoonlijk­heid was veel belangrijker dan de vaardigheid. Als je de zaak nader ging bekijken, dan was het meestal een heel eigenaardig mens. Als ze zo een lied zong, dan leefde ze dat, dan was het een en al smartlap. Maar zodra ze er buiten stond, dan dacht ze niet aan de smart maar wel aan de centjes. Die persoonlijkheid kwam voort uit het feit, dat ze zich wist los te maken van alles wat ze was. Als ze zong, dan was ze haar liedje.

Zo heb je ook mensen op een variété toneel. Ze brengen hun num­mer misschien slechter dan een ander, maar ze overrompelen het publiek. Het is alsof ze hun prestatie eigenlijk aan die mensen opleggen. En in dat opleggen schijnt het of hun nummer verandert. Niet alle grote num­mers zijn de meest succesrijke nummers geweest in mijn tijd. Ik zeg dit al­leen maar om duidelijk te maken: het is een overdracht. Die overdracht is niet alleen de kunst. Het is ook iets wat er achter staat. Het is een soort suggestie, het opleggen van een eenzijdigheid, het uitschake­len van allerlei menselijk, kritische normen om daarvoor iets anders in de plaats te stellen.

Wat doet nu de magie? De magie verandert de werkelijkheid. De magiër is iemand die een soort tweede werkelijkheid accepteert en zegt: dit is waar, en dan levend in die werkelijkheid handelt vol­gens zijn wetten zoals hij ze in die werkelijkheid ziet en zo gevolgen veroorzaakt, die volgens zijn wereld onmogelijk zouden zijn. Daarom kun je zeggen, kunst is magisch. Daar kun je wat uit leren.

Wij zijn meestal druk bezig als we op aarde zijn om vooral onszelf te zijn. Maar moeten we dat eigenlijk wel doen? Is het niet veel belang­rijker dat we, al is het maar voor één ogenblik, ons God voelen om te weten wat het is om God te zijn? Dan zullen we nooit meer dezelfde zijn. Is het niet belangrijker om, al is het maar één ogenblik, te leven in de visie van een andere wereld, van een andere wetmatigheid? Want als we terugkomen, dan zullen we nooit meer zo gebonden zijn aan de sleur en de wetmatigheden van het leven.

U kunt dan zeggen: waar blijft dan alle orde? De mens is dol op orde, tenminste bij anderen. Orde kan er niet helemaal zijn. Een kunst die ordelijk is, is geen kunst meer, tenzij ze uitgaat van een eigen orde, verschillend van alle andere orde, zoals die door de mensen wordt beschouwd. Dan is ze wel weer kunst, omdat ze een eigen wereld schept.

Nu leven we op aarde, als we mens zijn, in de aura van de aarde. Wij leven dus in een geestelijk levensklimaat. Wij leven ook in een men­selijke wereld, die ons nog alles suggereert. Wij leven bovendien met een bepaalde opvatting van onszelf en dat is weer een verdere beper­king. Zo zijn we eigenlijk gebonden, niet alleen aan handen en voeten, maar zoals Gulliver aan elk haar zit een touw en we liggen plat vast­gebonden. We kunnen niets doen. Maar in ons leeft de vrijheid. In ons leeft het vermogen om niet alleen maar te denken aan de aarde. Die aarde mag doen wat ze wil. Maar als ik mij één kan voelen met haar, dan blijkt dat wat bij mij belangrijk lijkt, dat eigenlijk helemaal niet is. Voor de aarde is het leven anders. Maar als ik er iets van kan voelen, dan kan ik de aura van de aarde als het ware proeven. Ken ik die eenmaal, dan zal mijn relatie met de wereld nooit meer dezelfde zijn. Dan ben ik niet meer gebonden aan iets wat mij van bovenaf wordt opgelegd, dan zie ik vele mogelijkheden. Ik zit niet meer vast in een web, maar sta te midden van vele gangen en ik weet waar ze heen leiden. Ik heb als het ware de landkaart in mijzelf.

Toch is het wonderlijk. Je hebt toneelspelers die een bepaalde rol instuderen en daardoor in hun persoonlijkheid en reactie veranderen. Ze zijn bezig met een rol en het lijkt alsof ze naar die rol toe groeien, of ze tijdelijk de eigenschappen overnemen van de persoon die ze uitbeel­den. Dit is natuurlijk beperkt. Maar doen wij eigenlijk iets anders?

Wij leven naar onze verwachting toe van wat eens wel zal komen en daardoor conditioneren wij. We reageren zo dat onze verwachtingen wel waar zullen worden. Er zijn mensen die zeggen: alles is grijs. Zij rijden in een bus door de bollenvelden en kijken naar die ene grijze foto die voor hen hangt. Dat is niet nodig, want het geheel van de mogelijkheden van de wereld is beperkt. Ook de mogelijkheden van de mens zijn beperkt. Maar er zijn wegen in, er zijn mogelijkheden in. Ik kan daarin mijn eigen melodie, mijn eigen ritme vinden. Ik kan begrijpen wat die totaliteit is en zo mijzelf waar maken zonder precies gebonden te zijn aan die voorstelling. Mijn voorstelling kan veranderen en dan verander ik.

In een mysteriespel van de Isis-cultus komt een eigenaardige zinsnede voor in een van de rollen. “Verdeeld ben ik. Mijn broeder heeft mij wel verslagen, maar ik leef in de geest van hen die mij zien. Zo heeft mijn zuster-moeder mij gevonden en tot eenheid gebracht. En één geworden nu uit de verdeeldheid, ben ik eeuwig.

Niet verslaan meer zal mij duisterling. Niet meer vinden zal mij noodlot. Mijn weg voert door de hemelen en door de grotten van de dood. Maar gaande met het schip ben ik totaliteit en leef in elke mens. En zo ge ooit tot mij ontwaakt, voorwaar, Osiris zijt ge”.

Degene die dat doormaakt zegt: juist omdat ik kapot ben gegaan aan al­les, omdat ik verslagen ben, daarom ben ik nu wat ik kan zijn. Want wat ik was, was belangrijk genoeg om voort te leven. En uit wat voortleefde is mijn eeuwigheid gebouwd. Dan zit je hiermee dicht bij filosofie. Zegt niet een Franse filo­soof in ongeveer 1800: “Wie droomt van onsterfelijkheid, wordt sterfelijkheid her­innering, het is de onsterfelijkheid. Want de herinnering leeft voort als ze niet verklinkt, blijft dat wat reeds is heen­gegaan”. Deze filosoof zegt precies hetzelfde. Het magische begrip is: als ik leef in anderen, dan kan ik misschien nog wel teloorgaan, ik zal mijzelf misschien niet direct kunnen terugvinden, maar ik zal te­rugkeren. Want uit de herinnering kan ik bijbouwen wat ik ben geweest, kan ik zien wat ik nu ben en ik kan als het ware mijn nieuwe rol vereenzelvigen met degene die de rol draagt; en dat ben ik pas helemaal echt.

Er was een leerling van Johann Sebastian (Bach); een van de mede­zangers van de Kaffecantate. Deze heeft een vreemd stukje gecompo­neerd dat bestaat uit een afwisseling. Hij gaat namelijk van een eerste moviment over naar een groeiend accoord in majeur, breekt af, hervat hetzelfde accoord in mineur, bouwt het op als een melancholie en komt door verandering van maatindeling tot een totaal andere weergave van dezelfde melodie. Hij breekt de compositie af op het ogenblik dat het weer dreigt te groeien naar majeur en herhaalt dan hetzelfde in duplo, dus de mineur en de majeur melodie gaan als het ware tegen elkaar in. Het wordt een meerstemmigheid. En uit die meerstemmigheid komt dan één groot accoord en dat klinkt op, het zwelt aan en dan wordt het op­eens afgebroken. Je zou dat moeten horen om de magie ervan te begrijpen. Dat is nu precies de mens. De mens heeft een totaliteit die kos­misch is. Hij heeft een realiteit die stoffelijk is. Nu is de kosmische melodie iets wat in de meeste mensen wel leeft; hun droomwereld is daarop gebaseerd. Het is het eerste zoeken naar een oplossing (in ma­jeur). De mineur melodie is dan de materiële onmogelijkheid. Dan komt het magische ogenblik waarin je je geestelijke voorstelling en je moge­lijkheid a.h.w mengt tot nieuwe persoonlijkheid; en dan blijkt dat het twee stemmen zijn van een melodie. De melodie en de tegen melodie ver­smelten en je krijgt de explosie van de erkenning, de magische bewust­wording in jezelf.

Wat ik heb geprobeerd u duidelijk te maken is dit: je bent niet slechts wat je bent volgens de omstandigheden, maar je bent ook wat je voelt te zijn. Als je wat je voelt te zijn kunt waarmaken, hoe dan ook, dan verandert daardoor je relatie met de werkelijkheid. Dat is het magische aspect waaruit de kunst is voortgekomen. Uitbeelding en werkelijkheid zijn ergens identiek in de mens. Maar daardoor ontstaat er een harmonie met het uitgebeelde buiten de mens. Dat hebben de primitiefste jagersvolkeren al aangevoeld. Daarvoor hebben ze hun dansen uitgevoerd om de afbeeldingen van de dieren waarop ze jaagden. Daarvoor hebben ze hun grottekeningen voor een groot gedeelte gemaakt. Daarvoor hebben ze hun goden aangeroepen.

Datzelfde bestaat voor ons nog.

De aarde heeft een totaliteit van uitstraling waarin wij schijnbaar gevangen zijn. Maar als wij ons daarvan kunnen losmaken en een nieuwe mens worden, al is het maar voor één ogenblik, dan zien wij onze samenhang. Wij beleven onze mogelijkheden anders en daardoor worden wij als het ware vernieuwd. En dan is het maar de vraag in welke zin wij die vernieuwing willen voortzetten.

Zetten wij die vernieuwing voort in de richting van het oude, dan gaan wij eraan ten onder. Zetten we die echter voort in de richting van een steeds groter begrip, gepaard gaande met een steeds grotere aanpassing aan alle harmonieën, dan domineren wij de wereld, de aarde en zelfs het menselijk lot, en komen wij tot een geestelijke vrijheid, een geestelijke bewustwording waardoor we één kunnen zijn met de kosmische waarde die voor de aarde zowel als voor ons geldt.