Materialisme in Aquarius

Amsterdam, 25 februari 1992

Zo, goedenavond vrienden. Er is al een hele hoop verteld, dus ik hoef niet veel te zeggen. In de eerste plaats, denkt u eraan, als je dood bent, ben je niet ineens alwetend of onfeilbaar. Je bent alleen nog springlevend. In de tweede plaats, denkt u zelf na over de dingen die u belangrijk vindt. U zult ontdekken dat het beter is uw eigen fouten te maken, dan die van een ander na te volgen. En ten laatste: waar wilt u over spreken, want u hebt de keuze van onderwerp. Ga uw gang.

*  Materialisme in Aquarius.

Ja, materialisme is oud. Het is op de weg naar de onbekendheid. Materialisme ontstaat altijd, wanneer we te maken hebben met een tijdperk, waarin dus geestelijke waarden een lange tijd geregeerd hebben, maar macht, bezit en dergelijke steeds verder op de voorgrond komen. Wat dat betreft zou ik u aan willen raden, leest u eens een keer Anatole France met zijn ‘eiland der Pinguïns’, een heerlijke parodie die duidelijk maakt hoe materialisme in feite ontstaat. Op het ogenblik dat je denkt dat je iets hebt, ben je bang het te verliezen. Wanneer je bent gekomen op een punt dat het verlies onvermijdelijk is, dan leg je je er nog niet bij neer, maar zoek je naar andere wegen. Het watermantijdperk is in feite een tijdperk voor het massale. Maar het is gelijktijdig een periode, waarin broederschap – ja, van je familie moet je het maar hebben, daar gaat het niet over -, maar waar broederschap dus ergens op de voorgrond komt te staan. Nu denken een hele hoop mensen, o, dat materialisme verdwijnt, nee, het verandert. Het wordt niet meer een kwestie van ‘ik’, maar van ‘wij’. Dat is het grote verschil. En wanneer we kijken naar deze wereld zoals het op het ogenblik voorstaat; pessimisten, doet u uw oren even dicht, anders klinkt het zo hard: U bent op het ogenblik heel aardig bezig om uw mogelijkheden op deze aarde aanmerkelijk te verminderen en daarmee ook de bestaansmogelijkheid voor een aantal mensen. Uw industrieën gaan uit van rendabiliteit, niet van kwaliteit, niet van gebruikmaken van het beste voor iedereen. Uw banken gaan uit van rendement, niet van de vraag of een gemeenschappelijk bezit misschien gebruikt zou kunnen worden om die gemeenschap beter te laten leven. En de meeste staten worden geregeerd door kleine klieks, die ofwel proberen hun macht te behouden door bijvoorbeeld een militair bewind uit te roepen of door groepen mensen die we het best regenten kunnen noemen, die zich van de beste posities verzekeren en die zóveel invloed hebben, dat ze uiteindelijk hun eigen plannen altijd kunnen door zetten, ook wanneer niemand daarmee gebaat zou zijn. Wat verandert er? Een hele tijd hebben we in de boerenstand ik probeer actueel te zijn, ik hoop dat het me lukt -, hebben we in de boerenstand gedacht: Er moet steeds meer opbrengst zijn. Het bedrijf moet groter, het moet moderner, het moet beter. En dan komt er een ogenblik, – de EEG komt-, dat die boeren niet meer in feite gesubsidieerd worden, maar dat ze langzaam maar zeker zelf ook wat moeten gaan betalen. Maar daar hadden ze niet op gerekend. Ze zitten met schulden, met rentelasten. Dus wordt het moeilijker. En dan blijkt dat er iets gedaan moet worden om de aarde nog verder van een leefbaar klimaat te voorzien. Ja, en dan komen er wéér maatregelen, en die kosten weer een hoop geld. Er zijn er een hele hoop die kunnen ook dat niet opbrengen. Wat zullen die boeren gaan doen? Ze moeten gaan kiezen. Ofwel terug naar een beperktere bedrijfsvoering, waarbij ze rekening houden met cliënten en ook direct contact daarmee hebben óf ze moeten kiezen voor bankkrediet na bankkrediet tot hun kleinkinderen uiteindelijk alleen nog maar schulden over hebben. Maar dat zien we ook in midden- en kleinbedrijf, precies hetzelfde. Ook hier slaat de hamer toe van de wegvallende subsidiëring. Er is geen respect meer voor die dingen. En daardoor worden ook die mensen steeds zeldzamer. En als we onder de jongeren kijken, ja, er zijn er een hele hoop goede bij, daar gaat het niet om. Maar dan wordt er toch aangepraat dat ze vooral moeten studeren, – dat geeft aanzien, dat geeft prestige -, en zo zit je op een gegeven ogenblik met een hele hoop rechtskundigen, terwijl er geen loodgieter in velden of wegen te vinden is. En dan wordt die lóódgieter duur. En dan zeggen al die gestudeerden: ja, maar dat kán toch niet; wij zoveel jaren eraan geven en die man, die verdient… Zo gaat het toch? Dus wat gebeurt er. Die mensen die zijn niet meer zo heel erg op hun witte boordenmachtspositie, want ze kunnen het personéél niet krijgen dat ze eigenlijk nodig hebben, omdat ze andere handigheden verleerd zijn of nooit geleerd hebben. Ze gaan het zelf proberen. In het begin een reuze steun voor de reparerende middenstand natuurlijk, maar op den duur weer teruggrijpen naar: ik doe het zelf, ik ga er zelf wat mee doen. En dan, ja, je kunt het misschien niet, maar kan de buurman het misschien? Maar ja, je kunt niet even naar de buurman gaan, Heemstede, Aerdenhout: zeg buurman, buurman, luister eens even zeg, hebt u misschien verstand van betonboor?.. Dat kun je niet doen. Maar als je elkaar een beetje kent, dan is dat wat anders. Dus er ontstaan groepsvormingen die onderlinge dienstverleningen, een noodzaak, gaan bewijzen. Daardoor ontstaat weer een terugkeer naar wat we vroeger de dorpsmentaliteit noemden. De mensen die elkaar allemaal kennen, elkaar ook in de gaten houden, maar die voor elkaar opkomen. Dat kan nooit wanneer je centralisatie je als doel hebt gesteld, zoals dat op het ogenblik nog het geval is. Dus decentralisatie. Maar decentralisatie betekent ook dat de gemeenschap niet al die groepen afzonderlijk kan reguleren, subsidiëren, aan voorschriften binden en dergelijke. Het wordt langzaam maar zeker weer: je kunt krijgen wat je hebben wilt, als je het zelf betaalt…. Voor vele Nederlanders natuurlijk een droevig gebeuren, dat kan ik mij voorstellen. Maar onvermijdelijk. En wanneer die mensen dan toch zo bezig zijn, dan praten ze ook met elkaar. En ze zullen heus niet alleen maar praten over het slaan van een spijkertje of het leggen van een waterleidinkje. Ze zullen ook praten over hún geloof, over hun manier van denken, hun filosofie. En zo wordt men geconfronteerd met elkaars visie, elkaars denkwijze. En wanneer dat het geval is, dan zal iedereen van je verwachten dat je leeft naar datgene wat je verkondigt. Ook daar zal niemand aan twijfelen, denk ik. Dan wordt langzaam maar zeker dus geloof iets van: belofte maakt schuld. Je kunt het christendom prediken, maar dan moet je het ook beleven. Je kunt de islam de onfeilbare en enige godsdienst noemen, van ons mag het, maar dan verlangen we van jou ook dat je precies leeft volgens de regels van de Koran. En als je dat niet doet, blijf ons dan alsjeblieft met je gedachten van het lijf. Dus de praktijk van filosofie, van geloof, ja, zelfs van systeemdenken, wordt getoetst aan de praktische betekenis en waarde. Dan is er nog steeds net zoveel materialisme; alleen het heeft een ander bijklankje gekregen. We houden rekening met de dingen, niet omdat we zo graag met alles rekening houden. We houden rekening met de dingen, omdat het onvermijdelijk wordt. En wij zijn niet meer van plan om er lang over te praten: als er vandaag wat gebeurt, dan doen we er vandáág wat aan. En niet overmorgen. Bezit krijgt dan langzaam maar zeker minder betekenis dan slagvaardigheid, wendbaarheid. En dan gaat blijken dat de mens die werkelijk slagvaardig wil zijn, gevoeliger moet zijn dan de doodsneemens van vandaag. Wanneer je let op al die kleine signaaltjes die je toch ontvangt uit de gemeenschap, uit de ruimte, uit de geest en waar vandaan dan ook, dan kun je beter inspelen op het gebeuren. Dan kun je makkelijker je plaats handhaven, dan kun je beter iets voor een ander betekenen. Dus we krijgen nadruk op de geestelijke en misschien zelfs magische elementen, die het leven nu eenmaal ook bevat. Laten we één ding niet vergeten: de mens de laatste tijd de rede verheerlijkt totdat het leek dat alleen verstandelijkheid en verstandelijke kennis de oplossing waren. Hij heeft zichzelf gedegradeerd tot een soort computertje met zo nu en dan wat onlustgevoelens. Maar dat kán dan niet meer. Dan gaan we zeggen: nee, het gaat er toch niet om of dat nou al wetenschappelijk verantwoord en onderzocht is. Het gaat erom dat het werkt. Eerst kijken of het werkt en dan later kun je de verklaring er wel bij zoeken. En dat betekent dat een technocratie zoals die op het ogenblik bestaat, steeds minder houvast heeft op de massa. Dat zij steeds minder tijdig kan reageren op de behoeften en de noodzaken die plotseling ontstaan. En dat betekent dat bureaucraten met al hun administratie het ook niet meer bij kunnen houden, want de situatie kan van vandaag of morgen veranderen soms. En dan kun je er niet drie jaar erover praten hoe je dat op moet lossen. Dan moet je het nú oplossen. Dus ook de bureaucratie neemt af. Er zullen wetten zijn, maar wetten worden eenvoudiger. Het zijn in feite leefregels voor een ieder die in een gemeenschap leeft, niet meer doolhoven van wetsartikelen waarin niemand de weg weet, waarbij men dan een gids huurt die advocaat heet, welke ook met vele moeilijkheden probeert via de jurisprudentie erachter te komen wat de wetgever eigenlijk bedoeld heeft. En ook bij de medische wetenschap. Nu is het: wij moeten zéker zijn dat dit werkt. Dan is er: als niets werkt, proberen we dit. Een klein verschil misschien, maar ergens een groot verschil. Dan zijn geneesmiddelen beschikbaar, wanneer ze nódig zijn. Niet wanneer ze eenmaal beproefd en goedgekeurd zijn en dus duur kunnen worden verkocht. En ideeën worden steeds belangrijker. In een dergelijke gemeenschap is het idee, het denkbeeld, veel belangrijker dan een of andere mooie verhandeling over de mogelijkheden. Dus alweer nadruk op mentale, maar ook geestelijke vaardigheden. En dan kunt u zeggen: ja, maar dan bestaat er nog steeds materialisme. Natuurlijk. De mens is materie, hij leeft in een wereld van materie. Hij wordt geconfronteerd met de tekortkomingen, maar ook de overvloed die materie soms kan geven. Ergens blijft hij materialist. En we kunnen ook niet zeggen: alle mensen worden plotseling altruïsten. Ze zullen nog steeds zeggen: ja, ik gun mijn buurman het beste, maar het hemd is toch nader dan de rok. Ja, dat is in deze tijd misschien niet meer van toepassing. Ik heb gehoord er worden weinig hemden gedragen tegenwoordig, behalve overhemden en nethemmetjes. Maar goed, realiseer u, dat we, om zover te komen, ongeveer 50, 60 jaar verder moeten zijn. En dán begint de werkelijke ontwikkeling.

Het ontstaan van gemeenschappen die door hun relaties met andere gemeenschappen elk hun eigen manier van leven en denken kunnen behouden en toch betekenis hebben voor die anderen en ook van die anderen kunnen leren, hulp kunnen verwachten en wat dies meer zij. En dat is dan heus geen vrede op aarde, hoor. U moet niet denken dat als je dan in zo’n naburige groep komt aankloppen, zeg, jongens, weten jullie iemand die misschien scheikundig dit en dat kan doen, dan zeggen: ha, hoera, we kunnen iemand helpen… Verrek, komt die zak daarmee aandragen… Want zakkendragers zijn er altijd, dat weet u… Dus je komt langzaam maar zeker in een wereld terecht, waarin iedereen door wat hij kán voor anderen, betekenis heeft en dan ontstaat als vanzelf een vorm van mystiek. Ik denk niet dat ze zullen zeggen: ja, dat is god en dat is geen god. Maar dat ze zullen zeggen: ach, dát is beleefbaar en uit die beleving put ik en daar doe ik wat mee. En de anderen, die zien dat dat gebeurt, die zeggen: hoe doe je dat? Nou, dan zullen we het ook.., voor mij werkt het niet, maar als ik het zó doe, werkt het wel. En dan gaat het er niet om wat we doen, het gaat erom wat we innerlijk aan kracht kunnen aanboren, en wat we daarmee tot stand brengen, nog steeds ook op materieel vlak. Er zullen dan, omdat zoveel gevestigde waarden uiteindelijk omgeworpen worden, wel mensen komen die gaan prediken: ach, stof is eigenlijk illusie, het is in het verleden ook al eens geweest, nietwaar – en daarachter schuilt een werkelijkheid die wij niet kunnen kennen. En dan zeggen ze in die tijd: ja, dat kennen, dat is niet zo belangrijk, het beleven… En dan krijgen we een wereld die dus inderdaad op een heel andere manier magisch religieus gaat reageren. En de materie blijft een rol spelen. En dat gaat zo verder tot men alles uiteindelijk weer probeert te reguleren en dan krijg je misschien een universiteit voor watermagie, luchtmagie, noem maar wat… En dan komen er weer mensen die regeltjes stellen en dan gaat het weer bergaf. Want dan komen we weer terecht in het spel van machtsverhoudingen in plaats van leven. Maar tegen die tijd loopt Aquarius ook al weer op zijn laatste beentjes, ben je bezig aan de laatste 700 jaar van de periode. Is dit voldoende?

Nou, als u het niet vindt, dan zegt u: nou, ik wil er nog wat over horen en dan noemt u het punt. En als u vindt dat het genoeg is, dan noemt u een ander punt.

*  Als het lichaam (dat de geest bij het incarneren kiest) een foutje heeft, hoe moeten we daar dan mee omgaan.., hoe dien je dan om te gaan met dat foutje?

Ja, op het ogenblik bent u door uw hele manier van leven en denken gebonden aan het foutje van het lichaam. En je kunt er natuurlijk wel iets aan doen. Je kunt zeggen: goed, ik zoek een innerlijke werkelijkheid. Uit die innerlijke werkelijkheid projecteer ik het ideaalbeeld naar mijn lichaam en dan zul je zien dat dat lichaam er heel aardig op reageert; dat doet wel wat. O, niet foutloos en feilloos, maar het verandert, hetwelk overigens al door experimenten van psychologen is aangetoond. Wanneer we de reacties van een mens kunnen veranderen, veranderen we daarmee ook het beeld dat zijn kwaal geeft. We nemen de kwaal niet weg, maar ze verandert haar karakteristieken en wordt dan leefbaar. Dat is op het ogenblik al bewezen. Dus wanneer je uitgaat van de huidige situatie zeg je: ja, je kunt wel via innerlijke kracht daar veel aan doen, maar je kunt het niet uitwissen, je kunt hoogstens de aard ervan veranderen. Laat ik het zo zeggen: misschien wreed om het zo zeggen, maar, kijk eens, er zijn veel mensen die hebben c.a., kanker. Dat kun je niet ongedaan maken. Maar wat kun je wel? Wanneer je voldoende innerlijke kracht hebt, kun je de inkapseling van de gezwellen zodanig bevorderen dat deze steeds minder voeding krijgen. En dat het dus lijkt alsof de kanker tot stilstand is gekomen. Ze is nog steeds actief. Door de celvernieuwing zal na ongeveer zeven tot acht jaar bij iemand van een doorsnee leeftijd van van maximaal veertig jaar die c.a. dan verdwijnen. Bij ouderen kan dat wel gebeuren, maar meestal in een veel trager tempo. Dus dat is de ogenblikkelijke toestand. Stel nu echter dat we zover zijn gekomen dat onze wereld een magische is geworden, dat wij als het ware die geestelijke krachten beleven en we geven ze geen naam meer, en we spreken misschien niet meer van God en de duivel, de held en de misdadiger, onzin, laten we daar niet over praten. Wij beleven een nieuwe kosmos; die kosmos is kracht; die kracht leren wij als een normaal déél van ons ik te zien en pas dan kunnen we met die kracht materiële veranderingen tot stand brengen. En dan kun je zeggen: ja, maar ik bedoel geen zuiver lichamelijk foutje, maar ik heb een neiging of een begeerte of een gewoonte. En dan is het antwoord: deze dingen moet je eerst aanváárden. Dan moet je proberen ze aan te passen aan je werkelijke behoefte aan harmonie en dan kun je ze zo onbelangrijk maken dat ze je werkelijke leven en beleven niet meer verstoren. Is dat voldoende?

*  Kunt u wat preciezere aanduidingen maken hoe wij ons dan persoonlijk moeten instellen, althans in het begin daarvan?

Ja, je kunt grondregels geven, maar er bestaat geen systeem voor, omdat elke mens anders is. Ik kan mij voorstellen dat iemand, een gelovig katholiek, een moslim, hindoe is en dat hij een vorm wil geven voor zich aan die kracht, die kosmische kracht. Wanneer hij dan bidt tot zijn god bijvoorbeeld of mijnentwege danst voor zijn god of desnoods alleen maar mediterend opgaat in de kosmos, dan heeft hij dus dit eerste contact gelegd. En wanneer hij dat herhaalt, wordt het deel van zijn persoonlijkheid. En hij zal dat in alle delen van zijn persoonlijkheid uitdrukken, mentaal, maar ook fysiek. En dan ontstaat een beheersbaarheid, ook van het lichaam, in de mate die ik u al heb aangeduid. Maar je kunt niet tegen iemand zeggen: ja, je moet nu op deze manier mediteren of zo. Er zijn genoeg leermeesters die dat proberen. Maar je komt niet ver, omdat niet iedereen gelijk is. Je kunt ze wel dwingen om een deel van hun persoonlijkheid achter te laten en dan dansen ze door de straten. En dan voelen ze zich misschien tijdelijk gelukkig. Maar zodra de totale persoonlijkheid weer komt, voelen ze zich ongelukkig. Zo eens een vriend van mij eens opmerkte: ach, ik heb eigenlijk medelijden met die jongens van die Hare Krishna, want ze dansen wel door de straat heen, maar ze hebben kennelijk spijt, want ze roepen steeds om haren, haren, haren. Dus het is natuurlijk een spottende benadering van een fenomeen, maar er zijn een hele hoop mensen – en die lopen dan niet door de straten te dansen natuurlijk of buitenissig te doen -, maar die eigenlijk ook zich dwingen in een keurslijf, van een godsdienst, van een filosofie, waardoor ze een deel van zichzelf uitschakelen, maar dan kun je nooit een totale harmonie hebben met de kosmos. Maar als je werkelijk gelooft, is dat geloof de sléutel tot de kosmos. Wanneer je werkelijk opgaat, mijnentwege in dat geschuifel en gedans of in de meditaties en alles en wat er verder voor technieken bestaan. Wanneer je daar werkelijk in opgaat, zijn díe de sleutel tot de kosmos. Zij zijn sleutels, maar we moeten ze zelf omdraaien. Geen meester kan ons vertellen hoe wij die kosmos gaan beleven, want wij zijn onszelf. En niemand kan zeggen wat wij met die krachten dan moeten doen. We moeten die kracht in onszelf voelen.

En dan bouwen wij eruit misschien een symbool of wat dan ook en dat is dan voor óns, let wel, voor ons persoonlijk de wijze waarop we die kosmische kracht kunnen omzetten in iets wat in onze materiële driedimensionale wereld een rol kan spelen.

*  En kunst?

Kunst kan soms ook die verandering brengen. Maar laten wij heel voorzichtig zijn, want kunst is eigenlijk meer een taal, en soms een taal door emoties dan een gebeuren op zichzelf. Wanneer de kunstenaar zichzelf verliest in datgene wat hij voortbrengt, dan bereikt hijzelf een toestand van ontruktheid wanneer hij meer kán dan normaal en, gericht op zijn kunst, dit waarschijnlijk uitdrukt in het product. Maar wanneer die kunstenaar daarbij alleen zichzelf denkt, dan moet hij niet denken dat nu een ander het precies zo zal ervaren, want die is anders. Je gebruikt een taal van emoties, die alleen het hetzelfde beeld, hetzelfde resultaat kan hebben, wanneer de ander bij benadering gelijke emotionele reacties vertoont op gelijke prikkels. En ik denk dat dat de grote moeilijkheid is. Kijk, er zijn natuurlijk grootste gemene delers. Als u aan toneelkunst denkt, dan denkt u bij voorbeeld aan Fado, een komisch ding, waarbij de mensen zichzelf net niet herkennen en toch zoveel herkenbaars ontdekken dat ze daardoor in een zekere vrolijkheid opgaan. En er zijn spelers bij die op dat ogenblik werkelijk die andere persoon worden. Zolang ze op het toneel staan. Tussen de coulissen zijn ze weer zichzelf, maar ze worden als het ware instrument van de persoonlijkheid die ze spelen. Kijk, en dan is dat goed. Maar wanneer diezelfde mensen dus iets gaan brengen, nou ja, laten we niet al te zwaar, een stukje over Becket bijvoorbeeld. Dan worden er heel andere snaren aangeslagen. Verliest de kunstenaar zich in díe personages, dan wordt het veel moeilijker, omdat hij daarmee een denkwereld aanvaardt die bij zijn gehoor grotendeels ontbreekt. En dan wordt het een schouwspel. We kennen allemaal Hamlet, hè. Net een kandidaat kort voor de verkiezingen: To be or not to be. That is the question. Poor York, I knew him well, en misschien zeggen ze: poor Dickson, I knew him well of zoiets of poor de Quay, I knew him well, dat weet ik ook niet. Maar wanneer het een algemeen gevoel is, dan doet het iets. Weet u waarom Shakespeare nog steeds zo vaak gelezen en gespeeld wordt? Omdat Shakespeare in feite avonturenromans heeft geschreven. Het wensleven van de kleine kinderen die in de mensen blijft voortbestaan met alle dramatische ontwikkelingen, het kwaad dat gestraft wordt. En wat je verder maar wilt tot zelfs de waanzin die uiteindelijk tot zichzelf terugkeert, denk aan Lear, dan heb je iets wat eigenlijk alle mensen aanspreekt. En nu het wonderbaarlijke: hij vond daarvoor een woordenreeks, een klankreeks en een reeks tendensen die zozeer nog eens die karakteristieken overdragen dat de mensen niet meer weten dat ze misschien lachen om een hofnar of in moeilijkheden over Henri de 5de verkeren, dat ze worden geabsorbeerd door hetgeen de acteur uitbeeldt. Daarom spelen ze nog steeds. Het is niet dat die old beard, die overigens ook geen Willem Shakespeare was, het was gewoon een acteurtje, en hij kreeg zijn teksten van een anderen hoor… Maar dat die mensen dus zó hierin kunnen leven. Dat komt omdat er een gemeenschappelijke factor is. Kunst die gebruikt wordt als uitdrukkingstaal dus de ander moet bereiken, moet altijd op het gemeenschappelijke een beroep doen. Kunst die alleen zelfvervulling is, zal voor de meeste anderen niet benaderbaar of begrijpbaar zijn. En daarom denk ik dat kunst eigenlijk, -mag ik wreed zijn? -, teveel pretentie heeft gekregen. Kunst ziet zich niet meer als een communicatie zonder meer, ze ziet zichzelf als een hoogwaardigheidsbekleder, ja, een kleine godheid, die door alle boeren, burgers en buitenlui moet worden aanbeden. En dat kan nooit gebeuren. En dan zegt men: ja, men erkent mij niet… Het is het drama van sommige kunstenaars dat ze vooruitlopen op de toekomst. Er zijn musici die op het ogenblik alleen bij jongeren erkenning vinden en dan waarschijnlijk niet voor wat ze werkelijk muzikaal presteren, maar eerder voor het modebeeld wat ze geven. Ik denk aan Queen. Hier hebben we te maken met een aantal, niet alle, een aantal stukken die inderdaad zelfs door symfonieorkesten gespeeld kunnen worden; wanneer we ze even losweken uit deze wat ruige beat-scène. Kijk, datzelfde is van Gogh overkomen. Van Gogh, in het begin een tekenaar die heus nog wel gerespecteerd werd en ook nog wel een tikkeltje aanvaard, ontwikkelt zich tot iemand die eigenzinnig zijn eigen weg gaat. En die voorvoelt dat je niet met al dat naturisme zonder meer klaar kunt komen, dat er iets méér bij moet en dat ook een pointilisme niet voldoende is om de gloed en de glans te scheppen die hij beleeft. En dan komt hij na die zeer ruwe penseelvoering waarbij het paletmes ook niet altijd wordt gemeden, deze krankzinnige mengeling van kleuren soms, – die later als een groot kunstwerk erkend worden, omdat in een chaotisch wordende wereld juist deze grovere accenten het verhaal vertellen van hetgeen erachter ligt. Ja, nou zit ik ineens als kunstcriticus te praten. Nou, dat moet u mij maar niet kwalijk nemen, hoor, maar elke geest heeft zo zijn eigen ideeën en ik ook. En wanneer u dan zegt: wat wordt kunst in de nabije toekomst? Dan zeg ik waarschijnlijk: Een pruilend kind dat zich misacht voelt… En dan wordt het langzaam weer een taal die anderen bereikt. En uiteindelijk wordt het een belangrijke component door de uitdrukking van de verborgenheden die in zovelen leven… En als het zóver is gekomen, dan is de kunst een magisch instrument geworden, dan is ze als het ware een taal geworden waardoor wij genezing kunnen aanroepen, misschien met een piano of een viool of een harp of met een penseel of desnoods met de kadans van een aantal woorden die tezamen de vrede en de rust moeten uitdrukken die noodzakelijk is voor genezing. Voldoende?

*  Het is duidelijk wat u daar zegt dat eigenlijk alles een taal is? 

Nou nee, nou maakt u toch een fout, mag ik het zeggen? Ja, ik wil niet hard zijn, kijk, als je eenmaal een taal spreekt en je gaat proberen de taal van een ander te leren en dat is heel belangrijk hier, dan ga je automatisch ook de ander iets leren over je eigen taal. En dan heb je beide talen gemeenschappelijk en dan ontstaat de werkelijke werking en communicatie. O jee, nou, wat hebben we nou al gehad? Een lichte prognostiek. Een kunstzinnige beschouwing.

Wat wordt het volgende item?

*  Ja, dat is de bewustwording, de persoonlijke bewustwording.

De persoonlijke bewustwording is gekoppeld aan wereldervaring. Als een kind pas geboren, dan is het zich van heel weinig bewust, behalve van bepaalde geuren en bijvoorbeeld de hartslag van de moeder. In de prenatale periode is dat belangrijk geweest en dús is het nu ook belangrijk. En een andere vergelijkbare hartenklop wordt eveneens graag geaccepteerd. Dan begint het kind te kijken, het ziet geen vormen, het zijn nog vlekken, het zijn schimmen. Maar die schimmen worden geassocieerd met bepaalde ervaringen. Daardoor worden ze ook geïnterpreteerd en naarmate het kind verder komt, gaat het beter begrijpen wat er gaande is. Maar als dat kind dan in relatie met zijn wereld gaat treden, het gaat spelen, dan is het niet geneigd aan te nemen dat het zelf voor iets oorzakelijk is, het is de ander die het doet: Mammie, de stoel heeft mij geslagen… Het heeft in feite zijn koppetje gestoten doordat het niet uitkeek. En zo groei je door de ervaringen langzaam maar zeker naar een juister begrip van wat je wereld is. Je omgeving helpt je daarbij het op een bepaalde manier te interpreteren, geeft je ook de formuleringen aan. Kijk, als u in een zéér gelovige gemeenschap leeft en geboren wordt en daar wordt opgevoed, dan zijn die termen van dat geloof voor u de uitdrukking van uw indeling van de wereld, en dus van uw ervaring. Bewustwording is iets dergelijks. Je wordt je bewust eerst van je bestaan, dan uiteindelijk, hopelijk althans, van het feit dat je zelf even oorzakelijk bent als die wereld buiten je. In alles wat er met je en rond je gebeurt, speel je dus zelf een rol. Ga je dat eenmaal begrijpen, dan ga je je afvragen waar de relatie ligt. En dan ga je ontdekken dat die relatie veel verder rijkt dan het gebeuren. Het is een soort, ja, taak zeggen de mensen dan. En dan zeggen ze: het is mij opgelegd.., want ze zijn nog steeds niet zo ver dat ze begrijpen: dit is op dit ogenblik mijn vertaling van leven. En dan gaan we nog een stap verder. En dan zeggen we: ja, maar er moet iets hogers zijn. In het begin waren het voorouders en de elementen. En daarna hebben we vele goden gezien; vaak waren dieren ook goden. We hebben gezien hoe men zich bond aan bepaalde symbolen van eeuwigheid, zoals de totems bijvoorbeeld, die uitdrukking zijn van een verbondenheid met bepaalde vormen van leven. En dan komen we op een ogenblik zover dat we zeggen: ja, maar dat kan niet, al die goden, er moet één god zijn… Ja, hoe stel ik mij die god voor? Als een soort aartsvader? Als een misschien wat tiranniek vorst? Het ligt maar aan de tijd en de wereld waarin je leeft. Als u het oude testament leest, dan zult u ontdekken dat bij verschillende profeten het denkbeeld over Gods houding tot de mens zich steeds wijzigt. En ja, nou hebben we die god en langzaam maar zeker is god een soort sinterklaas geworden: Wij bidden tot god en ons wordt de genade gegeven… Goeie genade. De werkelijkheid is dat wij in God zoeken datgene te vinden wat wijzelf in en aan en door onszelf waar moeten maken. En dan zeggen we, ja, maar als ik daar nou achter begin te komen, wat is die god dan? O, wacht even, die god is kracht, ja, ja, want die kracht die ervaar ik toch wel. Wat is die kracht, hoe ben ik er deel aan? Hé, ik heb die kracht in mijzelf en ze bestaat buiten mij; die twee kunnen samenvloeien. Ziet u, zo langzaam maar zeker verandert dus het bewustzijn. Maar het bewustzijn formuleert die dingen altijd op verstandelijk niveau en vergeet dat niet. Als ik tot u zeg: ik heb een visioen gezien, ik heb gezien hoe de wolken braken en hoe de droge en verdorde aarde weer werd gedrenkt met vocht… Heb ik het dan gezien? Welnee. Ik druk uit dat er een positieve en levengevende kracht zal zijn, maar ik kan het niet anders uitdrukken en ik weet dat een deel van die aarde verschroeid en verdord ligt en ik zeg: nou komen de regens. Want dat is mijn materiële beeld voor iets wat uit het onbestemde neervalt en alle leven weer de mogelijkheid geeft zich op te richten. Als je dat begrijpt, dan weet je wat bewustwording is. Bewustwording is het innerlijk proces waarbij je steeds hogere grenzen trekt ten aanzien van het licht waarmee je een bewuste verbinding kunt beleven en gelijktijdig ook van het duister waarin die beleving niet mogelijk is. Want je kunt je niet uitbreiden in één richting. Dat is net zo iets als dat je tegen iemand zegt: nou, je mag wel wat dikker worden, maar dan alleen aan de rechter kant. Nou, er bestaat nog geen dieet dat dat mogelijk heeft gemaakt… Bewustwording is dus leven in feite in een grotere wereld, waarin krachten en tegenstellingen, zover ze voor jou bestaan intenser zijn, maar gelijktijdig meer beleefbaar; alleen ze worden minder goed omschrijfbaar. En uiteindelijk komen we zóver dat de optimale bewustwording alleen nog uit te drukken is in iets wat een verzuchting is. ‘Vader’, ‘god’.., verder komen we niet meer. En dát, mijne vrienden, is datgene wat eveneens aan het gebeuren is. Kijk, je kunt natuurlijk zeggen: ja, maar bijvoorbeeld de kérk… Wat is die kerk anders als een bureaucratie die zichzelf handhaaft door het recht van de mens op zíjn wijze verder te leven en te streven, ontkent. Ja, het wordt nog wel eens harder gezegd. Ik hoorde kort geleden iemand zeggen: Nou, het gaat in Rome toch slecht, want je hoort niets meer over de heilige moeder en de heilige vader zit steeds meer achter het raam… Dat is dan misschien gemeen, maar het geeft aan hoezéér men afstand begint te nemen van de ‘sleutelhouder des hemels’, ‘Gods gezant op aarde’… En hetzelfde proces zien we zich toch weer voltrekken in andere bewegingen, waarbij men ook begint te zeggen: ja, maar dit past niet helemaal bij mij, zeg, hoe kunnen we dat anders voelen of zien? En ja, hij kan dat nou zo wel zeggen, maar zó beleef ik het, en dat is belangrijk. En dat houdt in dat allerhande structuren steeds zwakker worden, ook kerkelijke. Ook allerhande dogma’s sneuvelen. Het is begonnen bij de heiligen. Sinterklaas en Christoforus en waar de mensen nog zo’n lekkere handel aan hadden, weet u wel, Christoforus’ medailles, extra zegeningen, en Sinterklaas met rondritten, nietwaar, een bevordering van de middenstandsactiviteit. Die zijn ineens niet heilig meer. En dan zijn er nog een heel stel meer die op de nominatie staan. Want de heiligen waren een illusie, een schijnbeeld, waarin men iets van een goddelijk ingrijpen, of een goddelijke inwerking, op een begrijpelijke manier probeerde voor te stellen. Als dat niet meer nodig is – en in de komende tijd zál dat steeds minder nodig zijn -, dan grijpt de mens in zichzelf en dan vraagt hij niet meer: ‘wat wil ik graag wat ze nou doen’, maar de vraag: ‘wat ben ik en hoe kan ik beter zijn wat ik ben?’ En op dat ogenblik begint de bewustwording toe te nemen, komen steeds meer werelden, die tot nog toe een klein beetje opzij geschoven zijn, komen eigenlijk binnen door rijk van de beleving. De mens leert ermee werken. En ik heb u gezegd: Het wordt langzaam maar zeker weer een magische cultuur. Maar dan een magische cultuur die met magie weet te werken. En niet alleen drogbeelden weet op te roepen. En dan vinden wij daarin het bewustzijn van iets dat we bij gebrek aan beter maar God zullen noemen, van een kracht die niet omschrijfbaar is en waar we ook geen behoefte hebben om er allerhande regels en leerstukken aan toe te voegen, maar die ín ons leeft en die in ons, door onze aanvaarding daarvan, toch een soort wet wordt, maar een persoonlijke. De bewustwording gaat naar het steeds meer één zijn met steeds meer van het nog door het bewustzijn herkenbare. En uiteindelijk, ook de geest heeft bewustzijn, dus er kunnen aardig wat wereldjes bijkomen. En nou kunnen we wel zeggen: ja, er zijn op het ogenblik veel ingewijden op aarde, dat is inderdaad waar. Ze hebben weer een paar blikken opengetrokken boven, gezegd: Nou beginnen jullie nou weer eens wat te doen… Maar wat denken de mensen: een ingewijde is iemand die komt, die zegt: jij zoekt naar de waarheid.

*  Heeft u namen?

Nee, wij mogen niet adverteren. Nee, zonder gekheid, kijk, als je gaat zeggen: die en die is een ingewijde, dan zeggen de mensen: o, daar moeten wij naartoe. Maar het is niet de leerling die de ingewijde kiest, maar de ingewijde die zijn leerling kiest. En daardoor zullen in de komende tijd steeds meer eigenaardige denkbeelden en ideeën een rol gaan spelen, dat weet ik ook wel. Maar dat is een deel van die bewustwording. Want de leerling zal voorlopig nog zoeken om het materieel uit te drukken, om het rationeel te verklaren en dat gaat niet. Want de ratio is op aarde geworden een omschrijvingsinstrument waardoor men rond zich een schijn van vastheid creëert in een wereld die in feite in voortdurende staat van verandering verkeert. En als we dat gaan begrijpen, dan zeggen we ook: nou ja, goed, er zijn wat meesters, maar maken die méésters het verschil uit? Nee, ze maken het misschien mogelijk dat bekwamen onder de mensen leren om beter om te gaan met wat ze bereikt hebben. Dat ze leren een beroep te doen op wat in hen leeft. Waarom zegt Jezus tegen zijn apostelen: ga uit, drijf de duivelen uit, genees de zieken in Mijner naam, en de naam des Vaders. Waarom zegt hij niet: Hier heb je iets, daar kun je het mee doen? Hij zegt: doen jullie het maar. Omdat Hij daarmee in hen het besef wilde wekken dat ze die macht bezaten, hen duidelijk wilde maken, dat het niet alleen maar een wonder is van de uitverkorene, maar dat het een diep intens, maar meestal verborgen iets is wat in elke mens bestaat en wat uit elke mens voort kan komen, wanneer je gelooft in jezelf. En waarom zegt ie: in Mijner naam, en de naam des Vaders? Omdat zij in Jezus geloofden als de Messias. Hij was hun vaste punt en de Vader die haar gepredikt had, was de alkracht. En met die twee namen als symbool geloofden ze in zichzelf, terwijl ze anders hadden geaarzeld. Is dat dan een bewustwording? Ja, misschien wel, maar nooit helemaal. Ja, ik denk dat Petrus eigenlijk meer bewustzijn had dan bijvoorbeeld Paulus. Paulus dacht: je moet het regelen. Nou ja, een zeloot, een man die leefde bij de wetten, bij de Thora, je kan het hem niet kwalijk nemen dat hij dacht: dat moeten we allemaal netjes regelen. Maar Petrus was veel meer iemand van: wij moeten de liefde zijn, waardoor anderen de liefde erkennen en leven in liefde voor God en elkaar, zonder ooit iemand tot vijand te benoemen of te haten. Dat is een groot verschil tussen die twee. Maar ja, goed, ik zit hier niet om kritiek te geven op figuren uit het verleden. Ik maak alleen maar duidelijk: Bewustwording is ook iets wat uit het persoonlijke voortkomt. De ommekeer van Paulus is verbluffend, ik geef het direct toe. Maar in die ommekeer kan hij het beleefde alleen vertalen in de denkwijze die hij al zo lang heeft gekoesterd. En hij predikte het christendom zoals hij de christenen heeft vervolgd. En zo gaat het ons ook.

*  Was hij fanatiek?

Ja, fanatiek, inderdaad, en ook nog wel met andere dingen. Want zo nu en dan dan doet hij me denken aan die profeet die ondergang predikt en dan rustig onder een vijgenboom gaat zitten wachten: nou gaat het gebeuren. En wat doen die idioten, die ellendelingen, ze stellen hem teleur, ze bekeren zich. En dan gaat hij droevig heen. Net als iemand die een rampenfilm wil zien en geen kaartje kan krijgen. Ik bedoel maar dat, nou, dat zijn gekke dingen in de wereld. Maar als je dat terugbrengt tot het begrip bewustwording, dan kunnen we dus zeggen: de profeet was zich bewust van zijn eigen hoogheid, maar niet van de liefdevolle hoogheid van God. En als we het zo formuleren, hé, dan wordt er ineens iets duidelijk. Bewustwording, mijne vrienden, is niets anders dan het innerlijk groeien waardoor onze wereld groter wordt, de tegenstellingen vanuit ons standpunt scherper kenbaar zijn, maar gelijktijdig niet meer bepalend zijn voor onze relatie met het erkende. Dat zijn we alleen zelf. Voldoende?

         Nou, dan hebben we een aardig programma afgewerkt, geloof ik, in korte tijd. Nou, dan ga ik er nog een paar dingen bij doen voor uzelf. Ja, ik verbaas mij namelijk over de Nederlanders. U zult zeggen, dat is op zichzelf al een verbazingwekkend feit. Nederlanders drommen samen. Ik geloof dat het binnenhof de drukste parkeerplaats van ontevredenen is in Nederland… En ze schreeuwen tegen het parlement dat dit niet goed is en dat niet goed is. En dan gaan ze naar huis tot de verkiezingen en wat doen ze? Ze kiezen precies dezelfde mensen. Is het dus misschien zo dat het schreeuwen en protesteren voor hen belangrijker is dan voor anderen? Ik vraag het mij af. En waarom zijn de mensen zo voortdurend bezig om alles toch vooral te vernieuwen? En er zijn mensen die zouden gewoon Amsterdam een stad van wolkenkrabbers willen maken, helaas, de ondergrond is niet goed, maar we kunnen het toch proberen. Want ja, het is wel mooi, al die oude grachten en die buurten en die huizen, maar eigenlijk hebben we toch veel meer aan dingen als de stopera, nietwaar. Ja, ik weet niet waarom het stopera heet, misschien dat een raadsvergadering een stomme opera is of zoiets…

*  Stop opera

Hè?

*  Stop de opera, kwam het vandaan, in de volksmond.

Ja, nou ja, ieder heeft zijn eigen uitleg.

*  Stop de bouw van..

Ja, stop, ja, inderdaad. Dat waren allemaal van die leuzen. Maar waarom moet je de dingen veranderen om ze te vernieuwen? Als jij verandert, vernieuw je de wereld. De schoonheid van het verleden, die heeft in het heden wel degelijk bestaansrecht. Maar we moeten ze als schóónheid erkennen. En niet zien als een object zonder meer. We moeten ons niet afvragen of er in alle kerken nog gebeden wordt; dat zullen de kerkgangers wel uitmaken. Maar we moeten ons afvragen of die kerk misschien iets te zeggen heeft door zijn schoonheid misschien of door andere eigenaardige structuren en wat maakt het ons dan verder uit? Als zij ons herinnert aan God, heeft ze haar functie vervuld, zelfs als er een handel aan badkleding binnenin schuilt of zoiets, ik neem nou maar een idioot voorbeeld. De Nederlander die schijnt zo te denken dat als je alles maar opbouwt met mooie regeltjes erbij en alles netjes in de vakjes, dat je dan ergens komt. Nou ja, het is ook treurig, nietwaar, eens waren de Nederlanders de jongens van Jan de Witt. En nou zijn de ezeltjes van Lubbers. Politiek commentaar mag ik eigenlijk niet geven. Maar alleen om u duidelijk te maken waarom ik me er zo over verbaas. Waarom denk je dat het belangrijker is, Nederlander, om een bankrekening te hebben dan een goed geweten bijvoorbeeld? Er zijn er nogal wat, hoor. Waarom zijn er mensen die denken dat het belangrijk is om normaal te zijn? Het is toch een geschifte wereld, doe mee! En ik zou zelfs verder willen gaan, ik zou zeggen: Nederlanders, waarom denken jullie dat je het zo goed weten, kijk eens hoeveel je hebt verknoeid in de laatste eeuw. En hou dan niet het waarschuwend vingertje anderen voor, maar probeer je eigen zaakjes op orde te brengen. En dan denk ik: jullie zijn altijd, een groot gedeelte van jullie tenminste hoor, bezig met ‘de Here, met de bijbel, met wat onze lieve heer van ons verlangt… Soms vraag ik me wel eens af of de schrijver zich niet heeft vergist, toen die die vechtende pastoor, die steeds met het kruisbeeld bezig is, situeerde in Italië. Nou ja, een Hollander zal er natuurlijk meer klompendansjes bijmaken. Maar ik zou werkelijk zeggen, een Don Camillo is het beeld van de werkelijke gespletenheid. En Nederland, nou ja, jullie zijn op het ogenblik nog zeer gespleten, maar als je verder gaat, dan worden jullie uiteindelijk hamburgers, opgediend door een Amerikaanse firma. Realiseer je je dat, wees jezelf. Probeer weer eens echt gewoon mens te zijn. Zit niet te praten over: alles wat we moeten doen voor de allochtonen… Allochtonen, het klinkt, verdorie, als volkenkundige eksterogen. Mensen, Nederlanders zijn mensen geweest die als mensen konden leven, die als mensen ook met hun geloof en hun god konden leven, maar die nooit hebben gezegd: donder maar op, je bent anders. Kijk maar naar de Portugese synagoog, die zegt nog iets over het verleden. Maar ze hebben ook nooit gezegd: en wij ons zin en anders de hele rotzooi kapot. O, ze zijn in oproer gekomen, natuurlijk, maar tegen situaties, niet tegen anderen. Laten die Nederlanders eindelijk zelf weer eens proberen om te leven als mens, om schoonheid te zien, om te beseffen dat god niet te vangen is in de drukletters van de beste bijbel, maar dat die beleefd moet worden in je hart. En dan zal ik me niet meer over de Nederlanders verbazen, dan zal ik me erover verheugen. Maar ja, we weten hoe het in Nederland gaat, nietwaar, als de wereld vergaat, dan heeft u nog vijftig jaar de tijd. En daarmee, vrienden, wil ik mijn aandeel in de discours afsluiten. Ik hoop dat ik u niet teveel geërgerd heb; een beetje is goed, dan denkt u na. Ik hoop verder dat ik u misschien toch een klein weggetje heb gewezen, dan wel niet naar de grote onmetelijke waarheid, maar naar dat deel van de waarheid wat in uzelf leeft en wat voor ú de sleutel is naar die grote wereld waarin de lichtende kracht leeft. En zelfs als u dat niet zou gelukken, nou ja, ik kan u danken voor uw gehoor, u bent zeer vriendelijk en volgzaam als gehoor geweest.