Maya

Uit de cursus ‘Inleiding tot de esoterische magie’  1961-1962

Maya

Er is altijd, wanneer wij als mens of als geest leven, een wereld rond ons die niet geheel werkelijk is. Wij worden voortdurend geboeid door vele verschijnselen, maar onze waarneming daarvan is eenzijdig. Wij zien vaak de kosmische wetten in werking treden, maar zijn niet al­tijd bereid deze te erkennen voor wat ze zijn. Zo leven wij in een wereld van waan, van begoocheling, waarachter de realiteit schuilgaat. Deze realiteit moet echter kunnen worden benaderd. Het zou heel moeilijk worden een dergelijke kosmische realiteit uit bv. een zuiver geloofsstandpunt te benaderen. Want dan zouden wij ongetwijfeld vastlo­pen. Een geloof is weliswaar een stelling die wij aannemen, maar die stelling moet op zijn minst genomen aanvaardbaar zijn. En dit kan zij al­leen zijn als zij feiten verklaart, niet als zij alleen maar iets stelt dat ergens in een hiernamaals of in een onbekende wereld tot werkelijk­heid zal worden.

Dit probleem is in de loop der tijd door de mens dikwijls over­dacht, vooral omdat hij zeer wel beseft dat de benadering van zijn ego (dus de esoterische weg) en het verkrijgen van enige macht of gezag in eigen wereld en van contact met andere werelden (ofwel de magie) toch altijd aan zijn eigen beperking, zijn eigen wereldje blijft gebonden. Hij heeft bepaalde methoden bedacht om het werkelijke wezen van de dingen te leren kennen. Sommige daarvan zijn betrekkelijk ingewikkeld en die kunt u dan vinden in de speciale verhandelingen over de kabbala. Maar eenvoudige systemen zijn er ook.

Wanneer u het alfabet in twee delen verdeelt en de g laat uitval­len (dus niet meetelt), dan kunt u twee rijen letters vormen. Die letters zijn dan onderling verwisselbaar. Dus de bovenste rij kan vervangen worden door de gelijke letter op de onderste rij en omgekeerd. U zult menen dat dit een vreemd spel is. Maar voor de kabbalist en voor degene die iets van de werkelijke betekenis van namen weet, heeft dit toch wel heel veel te zeggen. Want ik kan nu naast mijn eigen naam een tweede naam ontdekken. Die naam moet zin hebben. Dus denkt u niet dat u genoegen kunt nemen met een vertaling van uw eigen naam in bv. “brrt”. Dat gaat niet. Maar het kan zijn dat uw eigen naam ‑ u kunt er een willekeurige voor nemen ‑ ver­vangen wordt door een andere klankcombinatie. ­ Wanneer dit het geval is, kunnen wij stellen dat deze tweede naam even­eens een persoonsomschrijving of persoonsbepaling is. Volgens het kabba­listisch systeem heeft elke letter haar eigen waarde en zo kan het ook mogelijk zijn dat wij twee verschillende getallen voor de persoonlijkheid berekenen.

Dit alles is mooie theorie, maar het heeft ook een praktische be­tekenis. Want het getal dat ik bereken voor mijn eigen naam, is de aan­duiding van de eigenschappen die ik hier zo ongeveer moet bezitten.

Het geeft het peil aan waarop ik leef. En door ervaring is het inderdaad wel mogelijk ‑ zij het met enige beperking ‑ veel omtrent jezelf op die manier te leren.

Heb ik echter de tweede naam, dan noemt men dit ook wel de verborgen naam. Heb ik een verborgen naam en heeft die een ander getal, dan geeft dat de innerlijke drijfveer aan. Datgene dus wat mij brengt tot dit leven en denken. En daarmee heb ik een verklaring voor mijzelf.

Die verklaring kan natuurlijk buitengewoon ingewikkeld worden gemaakt. Wij kennen getallensystemen, waarbij 144 verschillende typen voorkomen. Deze typen kunnen wij dan volgens de psychologie rangschikken onder de hoofdtypen als de cholericus, de melancholicus enz. Maar wij kunnen meer doen dan dit. Wij kunnen aan de hand van die verdeling zeggen: Deze mens heeft hoofdzakelijk dierlijke elementen en hij heeft een drijfveer die klaarblijkelijk priesterlijk is. Dan is zijn priesterlijk element (dus zijn band met en erkenning van God) in de grofstoffelijke vorm te uiten. Omgekeerd kan blijken dat iemand een naam heeft die een getal oplevert dat priesterlijk of zelfs hogepriesterlijk is; terwijl de binnenkant zegt: Neen, hier is een dierlijk element. Dan kun je zeggen: Die mens leeft een beetje boven zijn stand. Dan is het nooit mogelijk die uiterlijke gedragsvorm, die geloofsinhouden enz. au serieux te nemen. Zij zijn geen innerlijk beleven, maar eerder de afbakening van een eigen grensgebied in het leven.

De ouden hebben dat op hun manier gedaan. Ook zij kenden de methode om de mens een roepnaam te geven (dus een algemeen bekende naam) en daarnaast een geheime naam. Met die geheime naam kon je bepaalde voordelen verwerven. Want wanneer ik voor de Rechters kom bv. (en dat vinden wij o.m. in Tibet) en de Rechter vraagt mij, mijn roepnaam gebruikend, of ik iets heb gedaan, dan mag ik dat rustig ontkennen. Want ik ben niet degene, over wie hij spreekt. En als hij zich hierdoor laat bedotten (want dat neemt de primitieve gelovige al heel gauw aan), dan kan ik dus het hemelrijk binnentreden i.p.v. vele hellewerelden te moeten doorkruisen. Een heel groot voordeel.

Maar je zou dit alles ook anders kunnen uitleggen. Er komt nl. een ogenblik dat mijn werkelijk wezen zich laat gelden boven de waan waarin ik heb geleefd. En wanneer mijn verborgen naam mijn werkelijk wezen aangeeft, dan zal ik bij het treden uit de stof tot die waarde terugkeren, tenzij ik mijzelf gebonden acht aan mijn stoffelijk wezen. De onbewuste zet zijn stoffelijk bestaan voort; maar de bewuste laat het stoffelijke achter en gaat voort op het geestelijk vlak waarop hij normaal leefde, eventueel verrijkt met mogelijkheden en ervaringen in de stof opgedaan.

De kwestie van begoocheling moet dus niet alleen worden gezien als een verkeerde interpretatie van de wereld waarin je leeft. Het is heel vaak ‑ en dat is toch wel zeer belangrijk ‑ een niet‑erkennen van je eigen werkelijke wezen en daarnaast een miskennen van optredende krachten.

Want er zijn heel veel machtsnamen of Godsnamen die ik normaal gebruik. Ik spreek over Jahwe, Jehova; ik spreek God aan als Tetragrammaton, Ischaeos enz. en ik noem Hem daarmee. Maar ik elk van die namen kan ‑ volgens het kabbalistisch systeem ‑ een tweede naam verborgen zijn. Deze naam is dan de naam van de kracht die zich in de door mij genoemde uiting verschuilt. Ik doe geen beroep meer op het uiterlijk verschijnsel dat in feite een uitvloeisel is van de kosmische wet. Neen, ik doe een beroep op de kern, op de ziel, op de kracht. Mijn bezwering wordt daardoor veel grootser en veel machtiger.

Er zijn natuurlijk heel veel verschillende richtingen geweest die elk voor zich meenden de juiste methode te bezitten. Wij vinden het door mij genoemde eenvoudige systeem bv. terug in de zgn. laat‑Joodse kabbala die na de verschijning van de Zohar ontstond. Maar wij vinden ‑ en dat is zelfs nog iets vroeger ‑ een bijna gelijk systeem dat door de Arabieren werd gebruikt. Dat behoort dan ook tot de zgn. Arabisch‑Indische kabbala.

Bij dit systeem schrijf ik niet twee regels, waarbij ik de tweede regel ook weer van links naar rechts begin, maar ik schrijf de eerste van links naar rechts en de tweede van rechts naar links. Er ontstaat hierdoor een betrekkelijk grote verandering. Je kunt nu proberen of je op die manier een geheime naam kunt krijgen. Maar dan moet je ook weten wat het verschil tussen deze twee richtingen is.

Nu heeft de Arabier voornamelijk gezocht naar zijn contact met de engelen. Hij zoekt o.m. volgens het toch bij hen ontstane systeem Yetzirah (later in het boek Yetzirah geopenbaard of geuit) naar zijn relatie met engelen, met de grote geesten en de heiligen.

Dat is een systeem, waardoor men zich door een geheime naam identificeert met één van de Grootmeesters van kracht, van licht enz.

De Joodse denker was echter gebonden aan zijn God als eerste en enige beschermer en bron. Al het andere moest daarbij in het niet vallen. Zo zal het Joodse systeem erop zijn gebaseerd dat je een directe relatie met God vindt. En dat mag je niet vergeten. Want wanneer ik een relatie heb met een bepaalde engel of kracht, kan deze voor mij ingrijpen. Wij vinden daarvan voorbeelden in varianten van het Egyptisch Dodenboek. Daar spreekt soms de gestorvene (nadat hij dus de betovering heeft verbroken, is voorbijgegaan aan de leeuwen, die hem bedreigen en is gekomen tot de raadzaal) vóór hij binnentreedt woorden als: “U, die ik geëerd heb” (en dan volgt er de een of andere God), “vraag ik, sta mij bij voor mijn Rechters.” Daarbij zal dus de verdienste van de bescher­mer ten dele ten goede komen aan degene die voor zijn rechter staat. Er is niet alleen de genade van Maät, zoals men zegt, maar daarnaast bv. de invloed van Toth of van de één of andere God.

Deze gedachtegang stelt dus naast de mens ‑ en vooral in de periode dat hij de overgang doormaakt of in de tijden dat hij buiten zijn stoffelijke wereld in een andere wereld vertoeft ‑ een soort begeleider.

Dit Egyptisch denken wordt in het Arabisch‑Indische systeem aardig weergegeven. Maar de Indiërs hebben er weer iets aan toegevoegd. Zij meenden nl. dat de mens die overgaat, altijd zal worden geconfronteerd met hellewerelden. “Want”‑ zo zeggen ze ‑”slechts hij, die door de hel kan gaan zonder daardoor beroerd te worden, kan het paradijs betreden.” En daarom heb je vaak ook nog goede relaties nodig met duivels en demonen. Het is eigenlijk de mentaliteit van een gevangene, die zegt: “Ik zou wel eens in een bepaalde gevangenis kunnen komen, laat ik dus nu vast de hoofdcipier daarvan omkopen.” Primitief, maar op zichzelf nog niet zo dwaas, omdat magisch gezien elke macht die ik over de geesten van de onderwereld bezit, gelijktijdig een bescherming voor mij is tegen de geesten van de onderwereld, zolang ik hen op de juiste manier behandel. En daarom brachten de Indiërs daarin nog het element van de zgn. demonennaam,

De demonennaam werd dan berekend door middel van een systeem, waarvan het eenvoudigste voorbeeld is, het schrijven in twee regels, te beginnen met A, een letter overslaan, dan C enz., en wanneer u de helft van het alfabet hebt gehad, teruggaan met de resterende letters; dus steeds die volgorde houden totdat u Z hebt gehad. En dan begint u met B. Op deze wijze zou je dus een demonennaam kunnen vinden van een kracht die je zou kunnen beheersen. Door die naam te gebruiken tezamen met de machtsnaam, zou je je gezag in de demonische wereld kunnen vastleggen. Dit gezag is bruikbaar in de eerste plaats om de demon te dwingen je niet te schaden; verder met behulp van magische rituelen de demon te dwingen je te gehoorzamen; en ten laatste en misschien nog niet als minste, het geeft je weer een inzicht in de eigenschappen die je zelf bezit. Want wie een voor de demonenwereld bestemde geheime naam zou bezitten, die zou krachtens zijn wezen en zijn bereikt geestelijk peil dus ook bepaalde geesten kennen en hen regeren.

Nu bestaat hierover een hele reeks analogieën, waarbij men uitgaat van de totale woordbetekenis, van de getalsbetekenis van de geheime naam die men heeft gevonden plus de getallen die aan bepaalde demonenwerelden worden toegekend. Kortom, ze kunnen u precies vertellen, als in een handleiding, wat u nu eigenlijk met die geheime naam wel en niet kunt doen en waarom u die naam bezit, waarom u die draagt.

Ik geloof dat dit berekenen van synoniemen nog niet zo dwaas is. Maar je moet altijd uitgaan van een systeem. Er zijn mensen die drie, vier, vijf verschillende systemen gebruiken. Ze maken daarmee hun zgn. getallenpyramides, die dan ‑ naar men zegt ‑ orakelspreuken ten beste geven; ze gebruiken die systemen door elkaar voor hun vierkantsberekeningen, waarbij wereldverhoudingen t.o.v. innerlijke verhoudingen zouden kunnen worden vastgesteld. Kortom, ze halen de hele zaak door elkaar. En nu is het met deze berekening van synoniemen als met dranken: sommige kun je mengen, het kan zelfs wel eens goed zijn; maar over het algemeen is het voorzichtiger, als je niet weet wat je drinkt, om je aan één drank te houden. Want anders zou je wel eens een heel zware hoofdpijn kunnen krijgen.

Zo is het met deze kabbalistische dingen ook. Zodra je ze magisch gaat gebruiken of als leidraad voor je eigen leven, is het heel verstandig je te houden aan een systeem. Dit ene kan je dan voldoende indicaties geven omtrent je eigen leven. En per slot van rekening kun je daarop je voorstelling bouwen, waardoor je later misschien ook de andere systemen gelijktijdig kunt hanteren in de geest.

Voor de westerling (dus de mens die westers denkt en leeft) zou ik het eenvoudige en het door mij eerstgenoemde systeem willen aanbevelen. Gebruik dat ook eens een keer, wanneer u namen tegenkomt van bv. profeten en aartsvaders en probeer eens of die niet kunnen worden omgezet. Dan komt u soms tot een heel eigenaardige conclusie, er is een tweede naam. En die tweede naam komt soms heel dicht bij de godennamen, zoals die bij andere volkeren zijn ontstaan.

In andere gevallen vinden wij namen, die door hun getal aanduiden dat hier van een speciale openbaring sprake is of dat hier een demonisch aspect naar voren komt. Zo kan bv. de Bijbel, op deze manier ontleed, de meest verrassende openbaringen doen. Want als je je dan met al die namen bezighoudt, dan denk je: Dat is vast een heilige geweest. Maar het getal zegt: Neen, het is demonisch. Nu ga je vergelijken met het verhaal zelf en de namen die daarin voorkomen. En wat blijkt? In plaats van zoals u dacht, een eenvoudige openbaring van het verloop der dingen, hebben we hier te maken met een omschrijving van een strijd tussen licht en duister, waarbij de omschreven methoden een symbolische betekenis blijken te hebben. Zo kunnen bepaalde beschrijvingen bv. uit het leven van David ineens het karakter krijgen van een omschrijving van de strijd van licht tegen duister. En dan zou je kunnen zeggen: Zolang David licht is en zich dus alleen met het lichte bezig houdt, is hij altijd de sterkere t.o.v. het grote duister. Maar op het ogenblik, dat hij zichzelf als licht mengt met namen, die demonisch zijn, is hij niet zuiver meer. Hij is “grijs” geworden en vanaf dat ogenblik overweldigt hem het duister en wel op een zeer bepaalde manier: door zijn zwakten tegen hemzelf uit te spelen.

Het is een zeer eigenaardige lezing die je zo krijgt; één waardoor de meeste theologen op hun achterste benen zouden gaan staan. Maar een lezing die je toch ineens doet denken: He, is er dan zoveel contact tussen de wereld die ik nu reëel noem en dit fantastische geheel van geestelijke krachten?

Wij moeten begrijpen dat de oudheid ‑ ook al was die wetenschappe­lijk veel minder geschoold dan de mensen van tegenwoordig zijn ‑ zich met het grootste probleem der mensheid veel meer heeft beziggehouden dan men in deze dagen doet. Want de dood was toen nog een punt van onder­zoek, een punt van voortdurend opnieuw experimenteren en nagaan. Terwijl tegenwoordig de dood eerder een eindfase is geworden van het stoffelijk bestaan, die dan religieus wordt aanvaard of desnoods wordt gezien als een oplossing in het Niet.

De systemen die de ouden dan ook hebben ontworpen in hun inwij­dingen, in hun dodenboeken, in hun magische procedures, zijn lang niet dwaas. Zij zijn gebaseerd op de tweeledigheid van de menselijke wereld. Zij geven uiting aan het feit dat achter de begoocheling (achter maya) een harde, onveranderlijke werkelijkheid schuilt die voor het “ik” ongeacht of het zich in stoffelijke of in andere vorm bevindt, altijd werkelijk zal blijven. En wanneer wij dit nu doornemen, dan blijkt bv. dat de Hallen van Wet en Herinnering, die de ziel na haar overgang en de ingewijde soms reeds voor zijn dood kan bezoeken (de Hallen, die di­rect naast de zaal liggen, waar de 42 Rechters zetelen), in feite een uitdrukking zijn van het totaal kosmisch weten of ‑ anders gezegd ‑ voor de goddelijke of kosmische werkelijkheid. Hier liggen de Rollen van het Lot, zo staat er in één van die boeken. De Rollen van het Lot, waarop met rode letters het leven van elke mens is opgetekend en het oordeel over elke geest.

De eeuwigheid is rechtlijnig. Natuurlijk kun je dat niet tegen het volk zeggen. En daarom wordt het geheel vermomd in reeksen demonische en bittere gedachten, dreigingen, verlossingsmogelijkheden en wordt het magische trucje geleerd, bv. door de scarabee op de plaats van het hart te zetten.

Indien men vraagt: “0 hart, antwoordt gij voor mij.” De zonnekever “Laat de Zon voor mij antwoorden, De uit zichzelf ont­staande.”

Want dat is het doel. Deze gedachtegang was voor de leek.

Wanneer u zich bezighoudt met die oude wijsheid, moet u goed begrij­pen dat er daarbij altijd ook van een begoocheling sprake is. En dat is de bijgelovige uiterlijkheid. Het ritueel dat op zichzelf zinloos is, wordt alleen gebruikt om de mensen in een zeker kader van leven en den­ken te dwingen, dat ‑ volgens de ingewijden ‑ dan toch wel voor hen of misschien ook wel voor de mensen nuttig is.

De gedachte van de verschillende hinderpalen die je overwint, wanneer je de weg na de dood gaat, geven ook hetzelfde weer. Want wan­neer ik in een rijk van werkelijkheid wil binnentreden, wanneer ik mijn rechter wil aanschouwen die de representant van de kosmische werkelijk­heid is, zal ik eerst de waan in mijzelf moeten overwinnen. En die waan wordt uitgedrukt door angst en door begeerte; zij wordt door de behoefte om af te dwalen gesymboliseerd.

Ik moet op elke vraag het juiste antwoord weten. Het antwoord we­ten, de juiste spreuk weten, is in het Egyptisch Dodenboek het meest belangrijke wat er bestaat. En zo is het eigenlijk in het leven ook.

Wanneer u in uw leven tegenover een reeks verschijnselen komt te staan, of u moet een beslissing nemen, dan handelt u niet volgens de werkelijkheid. U handelt volgens uw waan. Maar daardoor ontstaan de ele­menten van angst en begeerte in uzelf: Om die elementen te kunnen over­winnen moet u de juiste spreuk kennen. U moet weten welke oordeelsfac­tor voor uzelf mag gelden. Dat is geen morele norm, dat heeft dus niets met zeden te maken; het staat alleen in verband met de innerlijke werke­lijkheid. Vandaar ook ‑ nogmaals: ‑ de geheime namen, die men ook toen gebruikte. Vandaar de tempelnamen die de priesters kregen, wanneer ze een zekere graad hadden bereikt; en achter die tempelnaam hun eigen ge­bedsnaam. Die namen zijn de representanten van de sleutelwoorden of toverspreuken, die men in het Dodenboek vindt.

En denkt u niet dat dit alleen hier is gebeurd. Het zou eenvoudig zijn om te zeggen: Dat is deel van een bepaalde cultuur, dat is Egypte.

Wanneer wij in Tibet de dodengebruiken beschouwen, vinden wij wederom hetzelfde. Zelfs nu nog treffen wij er ‑ zij het de laatste tijd wat minder door de inmenging van Rood‑China ‑ de monnik aan die de spreuken zingt welke de ziel moet meenemen. Hij spreekt het machtswoord dat de ziel vrij maakt, haar aan zichzelf teruggeeft zoals het soms staat geschreven. Zij roepen de ziel de woorden na die de sleutels zijn waarmee zij door de onderwereld kan gaan. Want zij moet die onderwereld betreden, daaraan is niet te ontkomen

Als zij die onderwereld doorkruist, kan zij komen tot de straat der incarnaties. En ook daar heeft zij weer haar geheimzinnig sleutelwoord, haar eigen wezen, haar eigen woord. Ook dat werd berekend, ofschoon dit in Tibet bv. geschiedde met behulp van een soort wichelarij. Toch blijft de gedachtegang dezelfde: Wanneer ik mijn ware wezen ken en daarnaast de geaardheid van de werkelijkheid, blijf ik toch leven in mijn eigen waanwereld, daaraan ontkom ik niet. Maar uit die wereldwaan kan ik aan de hand van enkele vaste punten voortdurend datgene wat mij te zeer zou belagen, wat te zeer in strijd zou zijn met mijn eigen wezen, van mij afwerpen. Ik kan overwinnen. Een zeer belangrijk punt: Dit is een van de redenen, waarom die synoniemen zo buitengewoon belangrijk worden geacht. Want ze zijn zgn. gelijkwaardige namen, woorden enz., maar zij representeren het “ik” in de werkelijkheid.

Wanneer u gaat kijken bij de Maya’s (dus de pre‑Tolteekse periode in Peru, Noord‑Chili, Honduras, Mexico, Panama enz.), dan vinden wij ook daar bepaalde dodengebruiken. Het vreemde is dat de dode hier in de eerste plaats wordt begraven, alsof hij moet worden geboren. De dood is een hergeboorte. De dood kan een hergeboorte zijn, indien hij natuurlijk is. Dan nl. gaat de ziel die het juiste antwoord weet, over tot een weergeboorte in de stof. De ziel echter die bv. in de strijd valt of als offer sterft, gaat op tot de zon, waarbij de zon hier het lichtende is. Wanneer deze ziel zichzelf kent (weer een typische gedachte!) en ook haar werkelijke naam kent, heeft zij een ontzettend grote invloed. Zelfs later in de Tolteekse periode, bij het zgn. Zonne‑offer (waarbij een mens die een jaar lang als zonnegod wordt geëerd en daarna als diens representant wordt geofferd door het levend hart uit te rukken) fluistert de offeraar vóór het mes valt hem drie namen toe. Dat zijn: de eigennaam van het land, de eigennaam van zijn wezen (die ze voor hem hebben berekend) en de eigennaam van de tempel. Dat zijn de geheime namen, de werkelijke namen: Want met die werkelijke namen ‑ zo denken zij ‑ kan hij de God bewegen om vruchtbaarheid te geven. Hij heeft kracht, geen demon zal hem tegen houden. Met de eigennaam van de tempel kan hij zich onmiddellijk openbaren binnen die tempel wanneer het nodig is. Hij kan a.h.w. de Schepper zeggen: “In Uw werkelijkheid ligt daar een plaats waar men u dient. Laat daar Uw licht schijnen.” Een zeer typische opvatting.

Voor een mens van deze dagen zal dit alles wel een beetje vreemd schijnen. Dat neem ik althans graag aan. Maar toch niet zo verwonderlijk hoop ik, dat u niet beseft wat al deze oude volkeren die de dood, het leven aan de andere kant van de dood en het leven van de geestenwereld, de occulte waarheden, zozeer bestudeerden, hadden ontdekt: Er is een werkelijkheid, die verscholen ligt achter uw wereld. Achter de sluier van Maya verbergt zich het leven zelf.

Ik zou hieraan graag nog een beschouwing willen toevoegen die van het oorspronkelijke thema iets afwijkt, omdat wij daarbij moeten uitgaan van de innerlijke mens.

Ik kan natuurlijk mijzelf zijn in stoffelijke zin, tenminste wanneer ik op aarde leef. Maar mijzelf zijn in stoffelijke zin wil zeggen: mij overgeven aan de waan en de beperkingen die mijn wereld mij opleggen. Kom ik nu in mijzelf tot een begrip van mijn innerlijk willen en weten en ga ik dat gebruiken als richtlijn voor al hetgeen ik stoffelijk doe, dan is mijn waarnemen en denken in de stof nog wel steeds waan, maar mijn handelen is gebaseerd op de werkelijkheid, omdat ik de wet aanvaard die in mij leeft. Hierdoor schep ik oorzaak en gevolg, direct parallel aan en harmonisch met de door God vastgestelde lijnen. Er is geen variant meer mogelijk, geen variant van oorzaak en gevolg. Er is ook geen variant van bewustwording meer mogelijk. Er is een gestadig klimmen.

Het is hierbij voor de mens wel eens moeilijk zich te realiseren dat de toekomst tweeledig is. In maya, in de waan, is de toekomst nl. een trechtervormige reeks lijnen, die altijd in het punt “heden” uitkomt. Elk ogenblik van “heden” geeft mij een mogelijkheid van bv. 25 keuzen. Van die 25 keuzen zullen er 5 zijn die als hoofdkeuze (dus als zuivere lijnen) kunnen gelden. Maar er is er maar één die als de kosmische lijn zal gelden. Slechts wanneer ik deze rechte lijn kan volgen, bewust of zo bewust mogelijk, zal ik het Goddelijke dat ik in mijzelf moet beleven en uitdrukken, volledig juist tot uitdrukking brengen. Er zal dan geen corrigerende werking door oorzaak en gevolg meer plaatsvinden. Mijn wezen blijft zichzelf gelijk en reageert direct op de grote, lichtende kracht.

Een punt dat ongetwijfeld belangrijk is. Want al leven wij in een waanwereld, wij hebben in onszelf, wanneer wij innerlijk maar voldoende leren beseffen, een houvast dat regel en kosmisch waar is. Als we deze kosmische waarheid doen overheersen over al wat wij stellen in de waan, in onze zgn. wereld, betekent dit dat wij die wereld voor onszelf steeds meer in overeenstemming brengen met de werkelijkheid. Een mens die voortdurend door zijn innerlijke kracht en innerlijk wezen geleid de juiste keuze doet uit de vele mogelijkheden, die in het moment “nu” samenkomen, zal uit zichzelf steeds minder afwijkende mogelijkheden verkrijgen. Hij is niet gebonden, let wel: Hij kan zelfs gemakkelijk nog nieuwe mogelijkheden scheppen, naarmate hij bewuster wordt. Maar hij schept een steeds meer duidelijke overeenstemming tussen zijn eigen bestaan en de grote werkelijkheid. Zijn deze beide synoniem geworden, dan krijgen we een heel eigenaardig verschijnsel. Wanneer we dan de naam als geheel berekenen en we berekenen de geheime naam, dan drukken zij precies hetzelfde getal uit. Wat meer is, de letterwaarde is volgens het zgn. kabbalistische systeem stuk voor stuk gelijk, zonder een uitzondering.

Dergelijks vreemde verschijnselen zijn belangrijk, omdat ze ons leren innerlijk harmonisch te zijn, evenwichtig en sterk, te leven volgens de kosmische kracht en de kosmische wet. Maar ze geven ons ook nog iets anders.

In mijn wereld van waan, in maya, ben ik het slachtoffer van alles wat mijn indrukken of mijn reacties bevat. Ik kan het slachtoffer zijn van alle variabele factoren, dus ook van geesten en demonen. Die demonen of geesten behoeven we nu misschien niet zo erg serieus te nemen. Want als wij ons op God baseren, dan vinden wij toch hiervan de kosmische waarde. Maar het is een inwerking op ons. Een inwerking die tot uiting komt in angst, in begeren en in vertekening van de werkelijkheid. Ik zal er een voorbeeld van geven.

Ik kan dus, wanneer ik in een waanwereld leef, worden gebracht tot een verkeerde interpretatie. Een drijvende boomstam houd ik voor een kaaiman. Een eenvoudig stukje glas, dat er ligt, wordt voor mij ineens tot een dolk of misschien een slang. Die dingen zijn niet echt, maar ik zal er op reageren alsof ze echt zijn. De negertovenaars bv. weten dat nog. Zij kunnen door hun eigenaardige vorm van suggestie en hypnose de werkelijkheid zo wijzigen dat wanneer zij een giftige slang oproepen (een mamba bv.) en die mamba bijt degene, die haar ziet, deze mens daaraan sterft, ook al bestaat die mamba in het geheel niet en al zou het bv. een takje of misschien alleen maar een boomblad of zoiets zijn geweest. Wat meer is, hij sterft met alle verschijnselen die hij zou hebben wanneer een echte mamba hem zou hebben gebeten. Hier hebben wij dus de zuivere vertekening van de werkelijkheid.

En nu krijgen we de geestelijke beïnvloeding.

Een waan, een begoocheling is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de kosmische waarde. Die verkeerde interpretatie doet o.m. angst en begeren ontstaan in een onzuivere vorm. Wanneer nu een geest mij wil beïnvloeden, dan behoeft hij slechts mijn begeren in een bepaalde richting te stimuleren, of mijn angst in een bepaalde richting te vergroten door daarop steeds de aandacht te vestigen. Ik zal dan vanzelf in de richting gaan, waarheen hij mij wil drijven. Zo kan dus gewoonlijk een geestelijke kracht mij dwingen om uit die trechter, waarin ik dus hypothetisch 25 keuzemogelijkheden aanwezig heb gesteld, altijd te kiezen links of rechts en nooit het rechte pad te gaan. Maar daardoor ontstaat een oorzaak‑ en gevolgwerking die mij moet terugbrengen naar dat rechte pad. Hoe minder ik mijzelf beheers en hoe meer ik beheerst word, des te minder beheersbaar de condities in mijn leven zijn en des te meer ik dus ook beheerst word door andere entiteiten en krachten. Noem die entiteiten en krachten desnoods psychische complexen, dat doet men tegenwoordig zo graag. Maar neem aan dat ze bestaan.

Wanneer wij nu van dit voorbeeld terugkeren tot de stelling, dan wordt ze duidelijk naar ik meen.

Ik moet proberen volgens mijn beste weten mijn maatstaven in de wereld voortdurend te openbaren. Mijn innerlijke maatstaf ‑ dichter gelegen bij de kosmische werkelijkheid of misschien zelfs volledig synoniem met de kosmische werkelijkheid ‑ moet de beperkingen opheffen die maya (de begoochelingswereld) voor mij heeft geschapen.

Dit systeem heeft het grote voordeel dat ik daardoor niet alleen tijdens een menselijk leven de begoocheling terzijde stel, maar dat ik ook de inwerking van de begoocheling in een nabestaan verminder (bv. na de overgang in een sfeer, in contact met geestelijke entiteiten, met hogere lichtende krachten. Ik besef de dingen op meer reële wijze.

En nu zit er nog iets aan vast. Denk niet dat degene die de innerlijke waarheid kent en beleeft, iemand is die vreemd tegenover het leven staat. Iemand die in een heel andere wereld leeft dan u. Neen, het is iemand, die veel doelbewuster en veel nuchterder leeft dan degene die door de begoocheling wordt meegevoerd naar een onbeantwoorde geloofswaarde, iemand die in waan wordt afgebogen van zijn eigen pad. Innerlijk weet ge wat goed is. Dat goede moet ge omzetten op een zo verantwoord mogelijke manier ‑ maar zo rechtlijnig mogelijk ‑ in uw eigen wereld. In die wereld bestaan heel veel dingen die slechts waan zijn, illusies. Maar door de werkelijkheid te stimuleren, word ikzelf meer werkelijk.

Daarom wil ik deze les besluiten met de opmerking dat u allen – of u nu uw synoniemen berekenen kunt en wilt of niet ‑ dient uit te gaan van het standpunt dat de innerlijke kracht bewust moet worden gebruikt. Want dat degene die de goddelijke werkelijkheid die in hem of haar leeft, tot uitdrukking weet te brengen in zijn eigen wereld, daarmee een suprema­tie verkrijgt over alle in die waan werkzame factoren. Dit houdt ook in alle geesten of demonen, die van de waan als uitdrukkingsmiddel gebruik zouden maken. Het betekent: een magisch gezag, gebaseerd op een esote­risch bewustzijn, direct en praktisch te verwerkelijken in alle werelden van stof en van geest.

De esoterische achtergrond van het Egyptische en Tibetaanse dodenboek

Men heeft mij verzocht om voor u een lezing te houden over de esoterische achtergrond van het Egyptische en Tibetaanse Dodenboek. Ge zult begrijpen dat het mij in een kort bestek onmogelijk is om geheel in te gaan op alle bijkomstigheden.

Wanneer wij echter langs het innerlijke pad de waarheid die in deze Dodenboeken is neergelegd, trachten te benaderen, dan blijkt ons voortdurend dat een deel van wat daarin wordt beschreven zich in de mens zelf afspeelt, terwijl een ander deel kennelijk de uitdrukking is van wat de mens na de dood ervaart.

Er ligt een groot verschil in de wijze van voorstelling, omdat het eigen volksdenken en volksgeloof daarop een zeer grote invloed hebben gehad.

Tibet ziet zijn wereld als de wereld van het rad; het rad, waarin vele helle‑ en vele hemelwerelden aanwezig zijn. Een mens kan niet willekeurig een bepaald deel daarvan bezoeken; hij zal steeds het gehele rad moeten doorlopen. Wanneer hij ‑ komende uit de hogere sferen van bewustzijn ‑ zich in de stof verwerkelijkt en overgaat tot de sferen van de geest, dan liggen alle hellewerelden vóór hem en zal hij deze alle moeten doorschrijden. Maar hij, die de ware woorden kent, doorschrijdt de wereld en kent de Heer der Wereld als zijn beschermer. En geleid door de Heer der Wereld gaat hij door de onderwerelden, bedwingt de demonen en bant de slang. Zo komt hij tot de wereld van vrijheid. En dan erkent hij hier het licht. Als hij het licht erkent, zal hij van wereld tot wereld schrijden. En erkennende dat alles schijn is, niets en niet‑waardig, zal hij zich tot de kern der dingen wenden, waarin alles, zowel de wereld van kwelling als de wereld van genieting zich oplost in de ene werkelijkheid: de wereld der erkenning.

Voor de mens mag hetzelfde worden gezegd. Ons pad door het leven is een pad waarop wij geleid worden, zolang wij de stoffelijke en de vormwerelden kennen door de levende kracht van de wereld, waarop wij leven.

De wereld zelf is een grote kracht, een godheid. Uit haar putten wij ons wezen, ons kennen, ons stoffelijk voertuig. Alle denkwijzen, alle realisaties, alle mogelijkheden tot erkennen, tot vrezen of verwerven zijn in de eigenschappen gelegen die de wereld van de stof in zich draagt en die de geest van de aarde uit zich openbaart.

Indien de mens nu door innerlijke kracht alles overwint, wat in deze stoffelijke vormen bestaat en zo een harmonisch wezen wordt, onaantastbaar voor de vrees is en niet van het pad kan worden gebracht door de begeerte in haar grove vorm, dan zal hij de wereld en de invloed van de Heer der Wereld verlaten. Want de Heer der Wereld is de kracht die in de wereld leeft.

Daarboven echter bestaat de kracht die in de kosmos leeft. En zo zijn de werelden van harmonie, van genieting, van bereiking, de werelden waarin het kosmische zichzelf openbaart, een voortdurende vernieuwing, waarin de ene wereld een wereld van tuinen, de volgende een wereld van bereiking, de daaropvolgende een wereld van erkenning zal zijn; maar alle beperkt, alle te herleiden tot dat wat van de schepping is geuit. Wie echter al het geuite kent, trekt zich uit het gekende terug en komt tot de wereld van het niet‑kenbare. In het niet‑kenbare immers is de wijsheid die alles in evenwicht brengt en uit dit evenwicht voor zichzelf de inhoud van eigen bestaan schept. Hij, die zichzelf herschept en herscheppende de Schepper erkent, is de ware wijze.

De symboliek van het Dodenboek laat niet toe dat eenieder deze inhoud zonder meer kan verwerken. Er is een beschrijving van de dolende ziel, belaagd door verscheurende dieren en demonen die hem achtervolgen. Het bevat opgaven van de machtswoorden waarmee men een demon van zich afwerpt. Er is ook een beschrijving van de spleten, langs welke men afdaalt tot men in een onderaardse wereld komt, waarin de krachten der grootheid, der leidinggevende machten van de aarde, een eerste oordeel uitspreken. Want hier erkent de mens zijn eigen onvolledigheid; en indien hij deze vreest, wordt hij opgesloten in één der vele grotten van kwelling die aanwezig zouden zijn in het binnenste der aarde. Heeft hij ene schuld geboet, dan wacht hem een volgende. Want men kan nimmer teruggaan op het pad; men zal steeds voorwaarts moeten gaan.

De dreiging van de hellewereld is het middel waardoor men de kleingelovigen beheerst. De belofte van verzadiging en vreugde in de hemelwerelden is het loon dat de mens vrede doet hebben met zijn onvolledig leven op aarde. Maar deze dingen zijn symbolisch.

Wanneer men over de vreemde demonen spreekt, die leren de landen te regeren, waarover zij eens meester waren door middel van de mens, zo horen wij slechts hoe de gemeenschappelijke krachten en gedachten meester kunnen zijn over de mensheid. Wanneer wij horen over de kracht des levens, die als een lichtende bron steeds weer opborrelt om zelfs hen die onder duizend kwellingen sterven, weer te wekken, zo zien wij daarin slechts de hartenklop van de kosmos, het pulserend levenslicht dat altijd opnieuw het leven doet ontstaan.

Op dezelfde wijze vindt ook de Egyptenaar in zijn Dodenboek de weg des levens. Een weg vol dreiging. Schrijdende door werelden van slangen, werelden waarin hem demonen en draken bedreigen, werelden waarin losgebroken leeuwen zijn weg versperren, werelden die hij ‑ geconfronteerd met de demonische tempelwachters ‑ toch zal moeten doorschrijden, zonder op hun wapens acht te slaan. Het is een vreemde en verwrongen voorstelling waarin het menselijk denken steeds naar voren komt.

Steeds weer herhaalt de dode zijn spreuk. Steeds weer zegt hij: “Ik ben zoon van de Zon.!” En steeds weer, wanneer men hem vraagt, of hij geroepen is, kent hij het juiste antwoord.

Het juiste antwoord echter kent elke mens, want in elke mens leeft de goddelijke Kracht. Wie de goddelijke Kracht in zich doet spreken, heeft het antwoord op alle verschijnselen.

Hij gaat verder en staat in de grote hal die uitkomt op de binnenplaats waar de rechters zetelen. En ziet, hij is klein; en onmetelijk groot zijn rond hem de zuilen van de tempel. Want de mens die nog niet tegenover zijn leven en waarheid heeft gestaan, acht zich klein, omdat hij de volheid van zijn wezen niet durft beseffen. Slechts wie niet langer schuldbewustzijn in zich draagt, wie de vrijheid van de schepping en de kosmos innerlijk kent, is immers meester over zichzelf en daardoor de gelijke van allen, die over hem zouden oordelen.

Dan komen de rechters. Zij zetelen tezamen en stellen een vraag. Elk hunner slechts één vraag. Zoals in het gehele Al slechts weinig wet­ten bestaan en deze wetten alleen maar uitdrukking geven aan de wer­kelijkheid van het leven. Een vraag slechts. Maar elke vraag moet met het gehele wezen worden beantwoord. Het hart moet spreken en de tong kan niet liegen.

De magiër die in de plaats daarvan het bewustzijn stelt van de zon zelf, die zijn stem vervormt tot de stem van de onbevlekte en heersende kracht, erkent daarmee dat voor de mens die in zichzelf de eenheid met de goddelijke en scheppende Kracht ervaart, geen enkel oordeel meer mogelijk is. Er is geen rechter die hem kan veroordelen en geen waarde meer van goed en van kwaad. In hem is slechts het lichtende.

In de tekst van het Dodenboek formuleert men echter zijn antwoord. Op elke vraag wordt het formele antwoord gegeven. Want de waarheid is vast; en buiten deze begrenzing is er geen waarheid.

Als zij hem horen spreken, wegen zij zijn woorden op een weegschaal, vast­stellende de goedheid van zijn leven en het kwade van zijn leven. En zou het kwade overwegen, dan wordt hij gebannen naar de onderwereld.

Wanneer een mens te veel zijn eigen onvolkomenheden ziet en te weinig zijn deugden kent of erkent, veroordeelt hij zichzelf tot een onderwereld. Want het is de mens die gelijktijdig rechter en beoordeelde is. Hij staat terecht.

Wanneer de schalen bijna in evenwicht zijn, valt in de schaal van het goede een veer, een uitermate licht gewicht. Want daar, waar een ziel weifelt tussen leven in onbewustzijn en zelferkenning in bewustzijn, daar is de lichtende kracht in en rond hem voldoende om hem de weg tot bewustwording te doen gaan.

En ziet, hij, die tegenover zijn rechter staat, hoort het oordeel. En hij wordt toegelaten tot het land der rechtvaardigen, der gelukzaligen, zo ziet hij zich groeien tot hij even groot is als zijn rechters. Want wie God heeft beseft en Hem in waarheid kan aanschouwen, hij is zo groot als God voor de ogen van alle stervelingen slechts de kracht die hem beweegt, is een andere.

Aldus verlaat hij de Hal des Oordeels en ziet het land van de rijpheid. In het land der rijpheid zijn alle dingen die op aarde waren maar nu zijn ze volmaakt. Het koren draagt halmen die zich neerbuigen tot de aarde in hun volheid van oogst. De huizen zijn gebouwd zoals ze op aarde gebouwd waren, maar hun materiaal is edel en onvergankelijk. Het is het eeuwige, het volledig vervulde, het volmaakte dat wij in deze wereld ontmoeten.

De bewuste die de schepping kent en de Schepper erkent, zal zich niet aan de wereld waarin hij leeft, onttrekken; maar de wereld zal hem antwoorden in de volledige harmonie der volmaaktheid en zo voor hem de volheid dragen; het vervuld Utopia, waarin de Schepper Zelf aanwezig is. Voor hem, die de innerlijke weg gaat, is dit een belofte vol schoonheid.

Indien ik dit oordeel kan doorstaan, indien ik de vragen die in mij rijzen kan beantwoorden, voor zover ze mijzelf betreffen, zal ik de harmonie vinden met de wereld en de harmonie met mijn God en met het licht vinden en in deze harmonie zal ik onaantastbaar zijn. Eeuwig en onvergankelijk is alles wat met mij is. Maar wee hem die tot de onderwerelden wordt veroordeeld

De mens in Tibet, die het eerste oordeel niet doorstaat, die niet kan schrijden door de Rivier des Doods, die niet kan gaan door de met rook gevulde grot der illusie. Hij moet terugkeren tot de hellewereld. Hij wordt door duizenden pijlen doorboord, demonen trekken zijn lichaam uiteen en steeds weer wordt hij herboren en ondergaat hetzelfde lot. Tot hij voelt dat zijn schuld is geboet. Want op het ogenblik dat de mens zijn schuld als gedelgd kan beschouwen, versmelten de demonen; de pijlen zijn plotseling stralen van licht en de poorten openen zich waardoor hij verder kan gaan. Maar zolang er een schuld is die hem belaagt, zal hij in een hellewereld zijn,

Zolang een mens in zich niet harmonisch is, zolang hij zijn leven en werken niet in vrijheid en in de volheid van zelferkenning kan beschouwen, is hij het slachtoffer van eigen verdeeldheid.

Wie in Egypte wordt veroordeeld gaat door de duistere krochten tot hij komt in het Rijk van de Nacht, waar de zonneboot bedekt met de slapende Osiris de nacht doorkruist. Vuren zijn rond hem, de rotsen beroeren hem, demonen dwingen hem door het vuur te gaan, tot hij is een wenende wade van zelfverwijt en beklag. En steeds weer wordt hij geconfronteerd met de zonneboot, waarop zijn God leeft maar sluimert. Want in wie het schuld­bewustzijn leeft, voor hem sluimert de Schepper. Wie zich niet bewust is van de waarheid en waardigheid die hij in zich draagt, voor hem is het aangezicht van God verhuld.

Zo spreekt uit de Dodenboeken steeds weer dezelfde gedachte. Steeds weer wordt in velerlei beeld of vorm dezelfde illusie herhaald. De illusie van de mens, die zichzelf niet verliest en liever zichzelf verwijten maakt, dan zijn onvolledigheid te erkennen en prijs te geven aan de loutering.

Zo is het ook met de inwijdingen.

Zo is het ook met de gang van de doden naar de onderwereld in me­nig rijk van Indië.

Een meer van verbrandend zuur moet worden overgestoken in een lich­te boot van biezen. En wie zich daarin niet beheerst, die wordt door de veerman in het zuur geworpen. Hij wordt een geraamte, al zijn bekleedselen verliezend, levend en wadend door het hem verterende zuur, tot hij einde­lijk toch nog ondergaat in het duister, in de krochten van een wereld die hij niet beseft.

Zo verteert de mens vaak zijn eigen schuldbewustzijn, tot hij ‑ alles verloren hebbende omtrent bewustzijn van leven en streven ‑ toch de duis­ternis nog moet ingaan; en in die duisternis moet herleven tot hij einde­lijk met misschien een laatste straal van bewustzijn het licht opnieuw kan aanvaarden.

Er zijn rechters. Maar rechters bereikt men niet zo eenvoudig. Want steeds weer vinden wij de draken, de vuurspuwende wachters, de vreemde gestalten van demonen, die krijgshaftig op post staan. En ook dezen vragen een antwoord. Want slechts wie het antwoord kent, kan voor de rech­ter treden.

Laat de esotericus ook dit begrijpen. Om voor uw rechter zelf te tre­den is een voorrecht dat ge u moet verwerven. Want zelfs om beoordeeld te kunnen worden, moet gij in staat zijn uzelf te beseffen. En wie zichzelf niet kent, kan geen oordeel vellen over zichzelf en wordt verteerd in het onbewustzijn van zijn vrezen en angsten. Maar wie zichzelf beseft, komt voor zijn rechter. En de rechter oordeelt hem en zegt hem te gaan in de Hallen van Duisternis of in de Hallen, waarin de lichte mist van het nieu­we leven hangt, waaruit de mens zich verzadigt, tot hij ‑ gevoed uit sche­merende dampen en gekomen tot een nieuw bewustzijn ‑ kan treden in een lichte bovenwereld, zwevend in de wolken, waar hij de schoonheid van het totaal der schepping kan aanschouwen. Daar ziet hij de goden en godinnen, de scheppende machten. En hij ziet hen eerst in hun aardse gestalte. Maar wanneer hij hen erkent, is hij hun gelijke en hij ziet hen als de krach­ten des levens, meer niet.

Zo gaat hij voort, tot het ogenblik dat hij de Scheppende Kracht zel­f aanschouwt. Indien hij Deze kan aanschouwen in Zijn uitingen van Schep­per, Instandhouder en Doder, zonder zichzelf te verliezen, ziet: hij is ge­lijk aan Hem; hij is het nieuw‑scheppend principe. En hij staat voor de poort van het onbekende, waardoor hij kan ingaan tot een oneindigheid of kan te­rugkeren, scheppend en herscheppend zijn eigen Al.

Zo klinken de liederen van het Oosten. En steeds weer herhalen zij: “De innerlijke weg is een wonderlijke weg.” En wie dit beseft, weet dat de innerlijke weg de weg is van waarheid en van macht. Want ziet, wanneer ik treed in een hellewereld en ik ben licht en sterk en de demon wijkt voor mij terug, zo zal hij in zijn angst mijn bevelen gehoorzamen. En zo ik bin­nentreed in een hellewereld en ik herken haar wezen, zo zal ik door dit weten dat ook eens voor mij bestond, het herscheppen tot datgene wat ik begeer.

Maar de wijze herschept niet en beveelt niet. Hij gaat verder.

En zo is het in de wereld der goden. Want hij die opgaat tot de we­reld van de Zon, hij leeft in een land der zaligen onder de zon. Maar wie het niet genoeg is te leven in een wereld van goddelijke volmaaktheid, hij onttrekt zich aan dit leven. Hij wordt tot een straal licht. Hij wordt een deel van de zon. En hij wordt tot zon. En als zon trekt hij zijn baan, stijgend aan de hemel als Horus, de valk, gaande zijn weg als de herboren Osiris, zijnde Re in het middaguur en dalend op de rode vlerken van de avond naar een onderwereld, die hij ‑ zo hij waken wil en ontwaken ‑ kan maken tot een wereld van licht.

Altijd weer klinkt hetzelfde lied. Wie bewustzijn heeft, heeft macht. Wie in zich de waarheid draagt (de waarheid, die wordt verbeeld door de spreuk en door het woord, maar die geboren wordt in het innerlijk), hij heerst over alle lage krachten der natuur. Wie zichzelf volledig beseft, is meester over alle dingen.

Indien ge in uzelf zoekt naar het pad, zult ge dit moeten beseffen. Want ook in uw leven gaat ge soms van hel tot hel, van hemelwereld tot hemelwereld en ge beseft deze dingen niet. Maar zo ge beseft dat ge voor uzelf staande het antwoord moet vinden op de vraag van uw leven, zo zult gij macht vinden. Macht betekent verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid is besef. Besef is eeuwigheid. En eeuwigheid is de keuze tussen eenheid met het Onbekende en het meesterschap over al het gekende.

Hoe vreemd zijn niet de paden die de menselijke geest gaat. Men meent misschien dat het pad na de dood eerst begint, nadat het leven het aardse lichaam heeft verlaten, achterlatend een laatste schim die even herdenkt, terwijl het eigenlijke wezen wegvliedt naar de wereld van het onbekende. Maar wie de poort der geboorte doorschrijdt, begint zijn weg door hemelen, hellewerelden. Hij begint zijn pad langs de wachters, tot hij staat voor de rechter.

De esotericus beseft dit. “Mijn leven,” zo zegt hij, “kan soms een hel en soms een hemel zijn. Maar ik ben het die dit leven maakt. Want ik ben degene die zich onderwerpt aan dit leven en dit leven beheerst. Als ik niet vrees en niet begeer, ben ik meester. Maar als ik vrees of begeer, ben ik slaaf.”

Onthechting in de juiste zin van het woord is: niet gebonden zijn. Niet gebonden zijn, wil zeggen dat de ziel vrij is, daar de geest vrij is. Het lichaam is niet belangrijk. Zijn ziel en geest vrij, wat kan u dan deren op deze wereld? Wat in de wereld kan u onderwerpen? Gij zijt machtiger dan alle dingen. De mens die de waarheid omtrent zichzelf en de erkenning van zijn God in zich draagt, is machtiger dan de dood. Niets kan hem vernietigen, niets kan hem aantasten. Wie in zich waar is en waar bewust is, is de zijnde, de onverwoestbare, de eeuwige.

Zo begint het pad steeds weer, wanneer voor de mens de poorten der geboorte zich openen en hij ‑ komend uit de wereld der illusies ‑ binnentreedt in een wereld waarin werkelijkheid en waan zich mengen. Wie de werkelijkheid behoudt, is vrij, is machtig. Wie de waan behoudt, is slaaf en keert terug tot de duistere krochten.

Men heeft mij gevraagd u te spreken over de esoterische betekenis van deze dingen. Ik kan u slechts dit zeggen:

Al wat ge leest in de Dodenboeken, in de magische rituelen, zijt gij reeds nu. Wanneer gij uzelf beseft, staat gij tegenover uw rechters. Wanneer ge uzelf beseft, zijt ge machtig en eeuwig. En daarom is het de taak van de mens zichzelf te beseffen.

Men heeft getracht dit te vinden door de magische spreuk; de rituele rol van antwoorden van de Egyptenaar; de zangen van de monnik; de magische spreuk en de herhaling van de heilige woorden van Gautama in het Tibetaans. In Indië heeft men het gezocht in de bezwering, in de dans en het offer. Maar de werkelijkheid is dat deze dingen in onszelf moeten bestaan.

Er is geen woord dat mij vrij kan maken, behalve het antwoord dat ik in mijzelf vind op al wat het leven op mijn pad brengt. Het juiste antwoord dat het leven mij biedt, is het paswoord waardoor ik verderga. Het lichtend besef van mijn werkelijkheid is de passe‑partout, die elke helwereld voor mij slechts maakt tot een doorgang, waarbij ik constateer maar niet beleef.

Zo zegt men: “Besef uzelf,” maar besef uzelf in waarheid. Ge meent misschien: belangrijk zijn de schreden, die het lichaam maakt, want de rechter vraagt immers altijd: “Wat heb je met je stof gedaan?” Maar wie de stof niet belangrijk acht, die antwoordt op een andere vraag: “Hoe ben je je bewust?” Want dit is de werkelijke vraag, die achter alle vragen ligt verscholen. Hoe ben je je bewust van jezelf? Hoe ben je je bewust van je God? Wat is de kracht die in je leeft? Wie het antwoord op die vragen kent, hij behoeft geen rechter te vrezen. Hij is de zijnde, de verloste, hij is de vrij‑gewordene die uit zijn grote verte meeleeft met de onvolmaakte, maar vrij is.

Wie de stof maakt tot zijn God, dient de vergankelijkheid. Wie de vergankelijkheid dient, is gebonden aan het duister. Wie de geest maakt tot zijn God, dient de gedachte. Wie de gedachte dient, dient de waan. Wie de waan dient, kent de werelden der kwellingen. Maar wie het lichtend bewustzijn in zichzelf dient dat achter gedachte en daad ligt, zich niet bindt aan gedachte of daad en door alle tijd het lichtende is, hij is het die de lichtende werelden achter zich laat om in te treden in het enig ware, de kern van het zijn, de scheppende gedachte, de scheppende werking zelf.

Vrijheid is noodzakelijk. Dit geldt niet voor na de dood, het geldt voor heel het leven. Vrijheid is besef van verantwoordelijkheid. Dat geldt ook voor het heden. Besef van verantwoordelijkheid, besef van eigen taak. En wie zijn taak niet beseft in het heden is een dwaas.

De waarheid van het innerlijk pad, de waarheid van de oude bezweringen en formules en die van de oude dodenboeken, is één en dezelfde:

Gij, die leeft, zijt op het pad des doods.

Gij, die het pad des doods gaat, kunt kiezen voor het leven of gij kunt het duister kiezen. Want al zijn er duizendmaal schep­pende krachten boven u, wat gij ervaart van het lichtende is dit krachtens uw eigen wil en bewustzijn.

Er zijn machten rond u, zoals ik voor u een macht rond u werp. Zoals gij voor vele andere lageren een macht rond hen trekt. Machten zijn krachten die een ander bewustzijn hebben dan u, een andere levensvorm of een andere mogelijkheid. Elke macht kan worden beheerst, de lagere zowel als de hogere. Want wie een kracht en een macht in zijn wezen begrijpt, kan haar bewegen en richten. Om echter deze dingen te richten, moet men zichzelf kennen. Want wie zichzelf kent, kent het hoogste dat bestaat buiten de Schepper Zelf, de straal van de zon, de vonk van het licht, de adem van het onbekende, levend in de mens en die hem draagt door leven en dood, soms langs vele incarnaties en door vele sferen naar één en hetzelfde doel: de bron van zijn bestaan.

Ik heb getracht niet zozeer de dodenzangen van het verleden als wel de eeuwige waarheid die daarin is gelegen, voor u te belichten. Onvolledig is de zeggingskracht der woorden; onvolledig en onvolmaakt is het denken dat zich moet uiten in klank. Maar de gedachte zelf, die zich verloochenend, wordt tot licht, kan klaarheid brengen. Zo het licht dat ik tracht te verklanken met u is, zult ge beseffen wat waar is, wat macht is en bovenal wat de ware vrijheid is waarin men zichzelf hervindt.

Ik heb mijn taak vervuld. Ik verlaat u thans. Moge uit de waan in u het licht worden herboren tot gij als lichtenden zijt, bevelend de krachten van het eindige, levend de adem der oneindigheid, kiezende voor uzelf het lot dat voor u is bestemd.