Meer moderne denkers

uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

Wij spreken vandaag over de denkers – die zich vrijmakend uit de esoterische bewustwording  van ongeveer 1600 tot heden – in de wereld hun steentje hebben bijgedragen tot het denken en bewustzijn van de mensheid.

In de eerste plaats moeten we erop wijzen dat zeer veel van de grote staatslieden, kunstenaars en wetenschapsmensen allen in het begin als achtergrond nog steeds de esoterische beweging hadden. Want heus, de beweging is een nadere beschouwing zeker waard. Deze achtergrond kan echter voor ons nooit en te nimmer betekenen dat hij gedragen wordt door deze beweging.

Zeker, we weten dat een groot denker als een Spinoza met zijn verhandelingen over recht, zijn filosofische opvattingen inderdaad nog werd gedragen door een kabbalistisch‑magisch denken. En we weten ook wel dat een Disraëli nog behoorde tot de loges. Zoals ook heden ten dage nog menig denker en staatsman tot de loges behoort.

Maar de tendens is er toch één, die meer en meer leidt in de richting van het materialisme en van de verstoffelijking. Dat is begrijpelijk, Dit is misschien het aardigst vastgelegd in een uitspraak van de u allen ongetwijfeld bekende figuur de Comte de St. Germain. Deze bracht nl. in een van zijn beschouwingen naar voren: “Het is voor de mens onmogelijk om stoffelijk en geestelijk gelijktijdig tot een bereiking te komen. Eerst bereikt hij in de geest; dan verwerkelijkt hij in de stof en zo vindt hij een basis voor een nieuwe geestelijke ontplooiing.” Dit is niet voor niets gezegd. Eigenlijk hebben de vroege Middeleeuwen met de denkers en de late Middeleeuwen met hun filosofen en alchemisten een achtergrond geschapen van geestelijk bewustzijn die vandaag de dag nog doorwerkt. Ik denk hierbij aan de resultaten van de Hervorming.

De Hervorming zelf werd gedragen ‑ let wel in beginsel – door zuiver geestelijke noden en tendensen. Maar dankzij de stoffelijke behoeften van een aantal vorsten kon eerst de Reformatie worden doorgevoerd. Daardoor kon ze postvatten op een groot terrein en werd de kennis van de bijbel in Europa buitengewoon verbreid. Zo werd er een basis gelegd voor een nieuw en misschien zelfs beter soort christendom.

Dat echter daarnaast meer en meer de stoffelijk‑redelijke verklaring voor een aantal reeds filosofisch en geestelijk aanvaarde fenomena moet worden gezocht, zal duidelijk zijn, als we ons realiseren dat de mens steeds om de werkelijkheid vraagt. En wat is werkelijkheid? Freud heeft eens in een brief aan één van zijn vrienden gezegd: “De werkelijkheid is een toestand, die wij ons voorschilderen. En slechts indien wij door het beroeren der dingen hun realiteit aan onszelf bewijzen, mogen we vandaaruit verdergaan en onze stellingen opbouwen, onze inzichten wijzigen.” Daar had hij gelijk in. De mens moest een houvast hebben.

De toenemende ontwikkeling van de wereld bracht met zich mee, een verfijning van de techniek. Het begint met een paar lenzen, waarmee ze de wereldruimte gadeslaan, zodat een filosofische Drebbel kan zeggen dat hij in de ruimte tussen de sterren het begrip van God vindt. (Overigens een opvallende verklaring in een tijd, die meestal nogal “kleingelovig” was en in zijn godsdienstig beschouwen eigenlijk erg veel aan letterknechterij deed.) Maar hij begrijpt reeds dat in de eenzaamheid (de ruimte tussen de sterren) iets gelegen moet zijn van de grootheid van het Goddelijke. Even later horen we bijna dezelfde opvatting verkondigen door iemand die voor het eerst in de microkosmos kan doordringen dankzij de nieuwe lens-systemen.

De waarlijk grote denkers in uw tijd zijn nog niet zo bekend. Er bestaat echter een Indische denker, een zekere Raden Arjuna, die ‑ voor zijn tijdgenoten misschien onbegrijpelijk, maar voor ons zeer begrijpelijk ‑ uitspreekt wat er in het Westen aan de gang is en hoe dit voor de mens betekenis heeft. Letterlijk zei hij: “Ziet, het aangezicht der Goden wordt ontsluierd. En ontsluierd zijn de geesten der natuur met wie wij zo lang leefden. Want hun geheimen worden ontdekt door de mensheid en zij verliezen hun gestalte. Maar naarmate zij hun gestalte verliezen, zal de mens zich meer heerser wanen. En in het bewustzijn van zijn overmacht zal hij al wat wij thans kennen met voeten treden. Hij zal de zeeën beheersen. Hij zal het land knechten. Hij zal tenslotte ‑ als eens de Grieken deden ‑ de lucht tot zijn domein maken. Want waar hij de Goden en de geesten niet meer kent, zal hij niet aarzelen noch schromen. En zo ‑ in zijn onwetendheid ‑ langs het pad der vele gevaren poorten ontsluiten, die wij niet durven beroeren.” Een gedachte, mijne vrienden, die de leidraad is van dit laatste deel van onze betogen. Zowel deze als de volgende keer zult u dit motief steeds terugvinden.

De wereld, langzaam maar zeker blind geworden voor de levende kracht in de natuur, voor het bewustzijn van God als een realiteit in zijn bestaan, volbrengt waagstukken, die geen enkel denkend wezen met een geloof aan levende, regerende krachten ooit zou durven volbrengen. Dit is de zekerheid die steeds sterker wordt. Wanneer zo dadelijk een Manhattan‑project de eerste H‑bom gaat vervaardigen, wanneer de mens voor het eerst het vuur uit het binnenste van de zon samenbalt en neerwerpt op een vijandige stad, dan is dat het vuur van Jupiter, dan is dat de hamer van Thor, dan is dat het groot‑esoterisch geheim van de Ouden. Maar hij beseft het niet. Hij kan niet beseffen hoe één enkel ‑ door hem haast niet voorzien toeval de hele aarde kan doen open bloesemen tot een nieuwe zon, die snel dovend ‑ de mensheid doet verdwijnen uit de stoffelijke wereld. Omdat hij dit niet beseft, durft hij deze krachten aan te boren. En in zijn moed, in de ogen van velen misschien een roekeloze en dwaze moed, vindt hij een bewustzijn omtrent nieuwe en grotere werelden.

De mensheid zal vele malen al het gekende met voeten treden. Zijn de laatste musici, de laatste schrijvers nog doordesemd van een esoterisch denken, zien wij nog hoe de dichterlijke Van Eeden in Nederland (ook een groot filosoof en denker op zijn wijze, al was hij geen practicus) de grote Pan laat begraven door de natuur, die treurt omdat de Goden zijn gestorven.

Zo wordt toch langzaam maar zeker de tijd van het realisme geboren. De godin der Rede in Frankrijk is eigenlijk het symbool van al wat er later gebeurt. En is het Vrijheidsbeeld eigenlijk niet een godin der Vrijheid uit Frankrijk naar de Verenigde Staten gezonden? Aanbeden door velen en begrepen door weinigen. Toch zijn ook daar denkers. Als wij bij de modernen blijven, dan wil ik eerst de misschien niet zozeer gedachten nemen. Upton Sinclair, de socialist. De man die met zijn felle aanklachten en schandaal‑schrijverij de wereld wakker roept en gelijktijdig zijn doel voorbijstreeft. De mens die durft zeggen: “Zoveel hebben we in delen gebroken en onderzocht, dat ons slechts rest de mensheid tot eenheid te maken.” Dat is de denker van het heden. Alles is gebroken. Gebroken de droom van geheimzinnige en goddelijke machten. Freud die alles terugbrengt tot datgene waarover de mens niet graag spreekt; die alles terugleidt tot sekse‑drang. Nietzsche, die zijn gedachten omtrent de mogelijke opgang van de mens tenslotte moet besluiten met: “We moeten neerdalen, want de mens is niet geschapen om de eenzaamheid der hoogten te verdragen.” Denkers ‑ zelfs de pseudo‑sentimentele Ibsen met zijn laatste restanten van mystiek en magie ‑ die een ogenblik later realistisch naar voren komen als feminist.

De denkers hebben geen tijd meer te dromen over het onwerkelijke. De werkelijkheid vraagt hun aandacht. En deze vraag wordt door hen meer dan voldoende beantwoord. Het is begrijpelijk dat de veelheid van gedachtegangen en van denkers niet kan leiden tot een afzonderlijk noemen van alle grote namen uit de meer moderne tijd. Hiertoe beschik ik niet over voldoende ruimte. Houd mij dus ten goede dat ik mij in deze laatste ontwikkelingen van mijn onderwerp in de eerste plaats richt tot de gedachte en pas in de tweede plaats tot de denker.

Er zijn een aantal gebeurtenissen die op zichzelf misschien wat vreemd aandoen. Wij zien het herleven van genootschappen als de Theosofen, de Rozenkruisers. Maar op een opvallende manier trachten zelfs dezen zich een wetenschappelijk tintje te geven. En naarmate zij verdergaan splitsen zij zich in groepen, die zich baseren op de wetenschap en in groepen, die zelfs het esoterisch erfdeel heel vaak vergeten voor vormendienst. Wij zouden ongetwijfeld kunnen spreken over grote denkers als Helena Blavatsky. We zouden ook Paul Brunton en Ouspensky kunnen noemen als esoterische denkers van groot belang. Maar wat kunnen we leren uit al deze mensen tezamen? De moderne wereld vraagt naar een basis om mee te werken. Het is afgelopen met het wondergeloof. Brunton drukt het uit als hij zegt: “En zo zoek ik de weg tot mijzelf, opdat ik door de realisatie van mijn wezen mijn werkelijk “ik” ontdekkende het Al zal kunnen begrijpen en beheersen.” Ouspensky, wat pessimistischer misschien, zegt: “Onze weg leidt ons tot het hoogste beeld. In de Tarot zijn de ingewijde en de gehangene elkaars evenbeelden. Op het ogenblik dat we de hoogste kennis verwerven, zijn we tevens de lijdenden. Zoals de gehangene met het hoofd ter aarde en de voeten gebonden lijdt, zo zal ook de ingewijde lijden, omdat hij, de gang der zaken ziende, zich niet kan ontworstelen aan de drang der tijden.”

Er is een noodzaak tot realisme. De moderne mens vraagt niet meer: Zijn er fakirs? Maar: Hoe kan ik fakir worden? Hij vraagt niet: Is er een inwijdingsschool? Hij vraagt: Hoe word ik ingewijd? Hij zegt niet: Zijn er Goden? Hij zegt: Geef mij een bewijs dat er iets als een God kan bestaan.” En dit is het criterium; hier gaat het om. Zelfs in de religie zien wij de Jezuïet Adoni een betoog houden dat zoveel ontsteltenis wekte, dat het sedertdien is onderdrukt. “Wij,” zo zegt hij, “leven in een tijd, waarin de kerk haar macht dient te baseren op stoffelijke waarden. De ban van de paus is een leeg wapen geworden. Want wie door de ban wordt getroffen kan vluchten in het ongeloof en zijn eigen weg volgen.

De macht van de kerk dient gebaseerd te worden op de stoffelijke bereikingen van de kerk. Eerst zo kan de leer van de kerk, de leer van onze Heer Jezus Christus tot volle verwerkelijking worden gebracht over de hele aarde.” Ook hij was een groot denker. Groter misschien dan degenen die dit nalezen en overdenken, zullen beseffen. En daarom wil ik een tweede citaat aanhalen: “Dus zoals Jezus door zijn liefde uit het schuim der bevolking heiligen maakte en een tollenaar wist te verheffen tot hoog‑geestelijk bewustzijn, zo zal het de taak zijn van de kerk om ‑ gaande tot in het diepst der materie ‑ daar het begrip te wekken van de liefdevolle Kracht die ons omgeeft, zo hen leidende tot de Kracht in het Al die in ons geuit door onze Meester wordt genoemd “Het Koninkrijk Gods.” Hij heeft gelijk.

In de mens ligt de werkelijkheid. Zijn drang om in de materie houvast te krijgen, is het bewijs van zijn innerlijke onzeker­heid. Dat geeft ook Jung weer, als hij zegt: “het zoeken naar genot in deze wereld en het verlangen naar weel­de is een vlucht voor de leegte in eigen persoonlijkheid. De mens heeft een houvast nodig. En het is goed dat hij gelooft, opdat hij niet geheel zonder geestelijk evenwicht zij. Deze wereld zoekt in de materie en kan nog niet vinden wat voor haar belangrijk is.”

Een aardige aanvulling hierop is een uitspraak van Nathan Oppenheimer: “Wij, die doordringen tot in de kern der kracht, wij, die de kleinste delen der materie dwingen onze wil te doen, moeten ons realiseren dat wij deze kracht slechts kunnen beheersen, indien wij meester zijn van onszelf. Daarom is het dwaas een wapen in handen te geven aan kinderen die zichzelf nog niet kennen. Dat is de wereld van vandaag: een wereld van kinderen.”

Als we nu eens een heel kleine denker daar tegenover zetten, dan krijgen we redevoeringen te horen in deze stijl: “Het is noodzakelijk, dat wij ‑ zo nodig met de kracht der wapenen ‑ de vrede op deze wereld handhaven. We zullen dan ook niet schromen om zelfs met atoomwapens in te grijpen, indien iemand de vrede en welvaart van deze wereld of van ons volk zou bedreigen.” Dwaas. Beperkte denkers. Mensen die zijn vastgeroest in het oude, primitieve spel van “mens strijdt tegen mens”. Mensen, die niet begrijpen, dat je niet de wereld kunt doden en zelf leven. Mensen, die niet begrijpen dat alles belangrijker is dan de gewichtigheid van een paar potentaatjes of de superioriteit van het ene wapen boven het andere.

Een denker, die ik niet mag noemen, omdat hij op het ogenblik nog leeft, gaf dit zeer kortgeleden als volgt weer: “De mens leeft zozeer in de waan van zijn eigen belangrijkheid, dat hij de grondslagen van het ware leven niet meer ziet. Hij meent te heersen en wordt beheerst door de mening van dwazen. Hij meent te denken en zijn machines denken voor hem. Hij meent te scheppen en zijn schepping is slechts een armzalige reproductie van hetgeen hij met onbegrip heeft aanschouwd. De mens van heden is jong. En slechts zijn jeugd geeft ons hoop. Indien deze wereld oud ware, zij zou ten onder gaan.”

Ondergangsgedachte zegt u? Ja, zeker een ondergangsgedachte. En één, die steeds weer terugkeert. Want er is iets aan het ondergaan. De abt van het klooster der Zeven Wijzen (ook op het ogenblik in leven en behorend tot de grootste ingewijde denkers op de wereld) sprak kortgeleden het volgende uit: “Ik zie hoe de wereld zich reinigt in een zee van bloed. Maar ik zie ook hoe de harten der mensen buiten alle gekend vermogen om zich handhaven en de aarde vernieuwen.” Op zichzelf een profetie. Maar hij baseert dit op een zeer begrijpelijke, normale, psychologische en wetenschappelijk verantwoorde stelling (en toch is deze man zeker geen wetenschapsmens in de zin van het Westen. “Want de mens leert te geloven. Eerst geloofde hij teveel aan de Goden en zo was hij de slaaf van zijn onbegrip. Thans, gelovend aan zichzelf, zal hij moeten leren dat er buiten hem een wereld bestaat. Maar wie vertrouwen heeft in zijn eigen drijfveren en daden, zal nooit ten onder gaan, want hij zal hierin de kracht vinden om datgene tot stand te brengen, wat hij zich heeft voorgenomen te doen. Men kan geen wereld vernietigen zolang de geest der mensheid vraagt dat zij voort bestaat. Want sterker dan alle mechanische middelen is de behoefte van de mens.” U zou mij misschien willen bestrijden dat dit laatste zuiver is en waar.

En daarom zou ik graag teruggrijpen naar een uitspraak van James Watt: “De krachten der natuur bestaan. Zij zijn onze meesters, zolang wij hun werking niet beseffen. Maar op het ogenblik, dat ik een kracht weet te vangen, zal ik ook haar ontlading kunnen leiden. En naarmate ik zekerder weet welk resultaat ik verlang, zal ik dit ook beter kunnen bereiken. Marconi zei eens in een gesprek: “De golven, die wij door de ether zenden, zijn slechts het zwakke spiegelbeeld van hetgeen er rond ons gebeurt. Want ik geloof dat alle mensen en alle leven door deze ether worden beroerd. En zo zullen zij spreken in die ether en hun beeld en hun woord zullen nooit worden uitgeblust.”

Bedenk wel, als u dit vergelijkt met vroegere citaten door mij aangehaald, dan zult u zien dat er een zekere eensluidendheid bestaat. Een gelijkheid van denken en opvatting tussen de oudheid en het heden. Maar er is één verschil! De oudheid baseerde dit op geestelijk inzicht, het heden baseert het op stoffelijke logica. De theorie was zuiver en begrijpelijk. Als de ether immers alles doordringt, zo moet zij ook alle dingen opvangen. Dus is de gedachte, dat alles in de ether zendt, dat geen trilling geheel zal worden vernietigd, wetenschappelijk verantwoord.

 Er zijn meer van die eigenaardige mensen. Mensen, die misschien ondanks alles de leiders zijn van wat zich thans afspeelt. Laten we denken aan Edison, die te midden van zijn drukke bezigheden een ogenblik dineerde onder de eerste elektrische lamp ter wereld althans volgens de bekende geschiedenis ‑ en plotseling tot zijn assistenten de opmerking maakte; “Ik geloof, dat wij alles kunnen, indien wij er maar voldoende moeite voor over hebben. Maar wat ons op het ogenblik nog mankeert, is een doel om naar te streven.” Is dat niet het beeld van de hele wereldgedachte, zoals ze thans nog bestaat? De krachten zijn er. De mens heeft overwinningen behaald op elk terrein. Het enige dat er nog niet is gevonden, is een doel, zo klaar en zuiver omschreven en uitgedrukt, dat elke goedwillende mens juist daarheen streeft en nergens anders heen.

Pius X sprekend tegen enkele van zijn kardinalen merkte op: “Wij gebruiken het woord “vrede”, maar wie onzer weet, wat vrede is?” Toen men hem zei; “De vrede in onze Heer”, was het antwoord: “Ja, dat is onze vrede. Maar Jezus heeft de vrede gezocht voor heel de wereld. En daarin falen we jammerlijk.” Ik citeer nu een paar verschillende uitspraken. Maar ze geven gezamenlijk toch het beeld weer.

Wat de wereld nodig heeft is een doel. Dat doel kan niet worden bereikt door deze grote denkers alleen. Curie zei tot zijn vrouw: “Ik zou de mensheid willen genezen. Maar één ding kan ik niet genezen: het onvermogen in mijzelf.” Een groot denker en wetenschapsmens. Of willen we teruggrijpen naar wat vroegere figuren? Pasteur, die eens zei: “Omwille van datgene, wat zijzelf niet kennen, vervolgen ze mij, de dwazen. Maar toch zal ik bewijzen.” Of denkt u misschien liever aan Koch? Koch, die op zijn eenvoudige manier de opmerking plaatste: “Ik voel mij als een God, als ik leer deze kleine dingen (de microben) te beheersen.” 0 ja, de mens heeft veel geleerd sedert de Encyclopedisten.

De denkers hebben nieuwe wegen gevonden. Wegen, die leiden tot opvattingen als bv. de “gulden weg”, die een tijdlang in Amerika opgang maakte en die ik zeker ook tot de grote gedachten wil rekenen. Daarin wordt de stelling verkondigd: “Geef aan je medemensen en houd het geheim. Willen zij u danken” zo zeg hun; “Laat als dank hetgeen ik u heb gegeven, zodra ge kunt toekomen aan een ander, behoeftig als gij.” Die stelregel geeft ons voorwaarden, die ook weer berusten op psychologische en wetenschappelijke feiten. Want door in het geheim te geven, schep ik innerlijk een geluk, dat door het bekend te maken in een korte wijle vergaat, maar dat nu door een voortdurende binding en interesse het mij mogelijk maakt mijzelf te sterken en succesvol te worden krachtens hetgeen ik heb gegeven. Maar als ik deze handeling volbreng en een ander volbrengt haar eveneens, dan bevorder ik de goedwillendheid der mensen onderling. Een stille keten van weldaden brengt zo meer tot stand dan alle kapitalen die men op het ogenblik verspilt aan het handhaven van iets dat men vrede noemt, omdat men de ware naam niet wil gebruiken.” Maar niet alleen de “gouden weg” is er. Er zijn zoveel andere.

Denk aan de bewegingen, die ‑ na de vaak belachelijke pogingen tot morele herbewapening ‑ thans eindelijk een krachtbron gaan aanboren, die ongeacht de bovennatuurlijke krachtwerking  reeds op aarde een direct resultaat zullen tonen. Denk aan de wereldbeweging voor de vrede die op een bepaald uur gezamenlijk één minuut stilte in acht nemen, ongeacht waar ze zijn en in dat ogenblik denken en bidden om vrede. De mens, die dit elke dag oprecht doet, zal een kracht voor de vrede zijn, waar hij ook is; alleen reeds uit een innerlijke overtuiging, die ‑ gesterkt door de voortdurende herhaling der gedachte ‑ tot een gewoonte wordt. De wereld is niet dwaas. Er zijn mensen afgedaald in het diepst der aarde en ze hebben daar de getuigenis gevonden van oude tijden. Ze zijn diep onder de waterspiegel gedaald en ze hebben ook daar wonderlijke dingen ervaren. Ze zijn gegaan tot in de stratosfeer en de raadselen werden steeds groter. Piccard kon dan ook zeggen: “Hoe verder wij doordringen in het onbekende, hoe groter het geheim wordt.” Maar direct daarop klinkt het antwoord van Einstein: “Als ik het geheim van het onbekende vermoed, kan ik door vergelijking met het bekende het onbekende bepalen.”

De mens aarzelt niet meer. Hij staat op de drempel van een nieuwe tijd en een nieuw gebeuren. Het zijn de grote denkers van de mensheid, die in de laatste tijd vooral door hun werken in de stof, het verder helpen van de zuiver materiele processen op deze wereld, hem voorbereiden op de dag van morgen, waarin de stoffelijke bereiking een hogere geestelijke ontwikkeling mogelijk maakt.

De moderne grote denker zal zijn gedachtegang baseren op de materie; en vanuit de materie kunnen aansluiten bij de geest en de geestelijke kracht en waarde, die hij weer weet om te zetten in voor de stof aanvaardbare krachten en normen. Dat mogen we niet vergeten. Zoals de ontwikkeling op deze wereld in de laatste paar honderd jaar heeft plaatsgevonden, wordt het steeds noodzakelijker om haar te baseren op de stof. Indien wij ons niet op deze materie baseren, kan de wereld ‑ juist door het bereikte peil van weten ‑ ons niet volgen, ons niet aanvaarden. Er moet dus een kracht komen, die ‑ zoals eens Rousseau al schreef: “De mens en de oneindigheid verenigd en deze beide samengevoegd in ongebroken band, totdat zij weergeven de kracht der natuur, beheerst door mensenhand.” De moderne denker moet trachten de stoffelijke krachten te begrijpen en van daar aansluitend bij de geestelijke, de onbegrepen fenomenen in de stofwereld te begrijpen en te beheersen, zodat de mensheid ‑ haar ontwikkeling verder volbrengend ‑ tenslotte zal kunnen zijn een voortdurend actieve en leidinggevende massa van geestelijk bewuste krachten, die de wereld tot hun werktuig maken en zo bewustzijn baren voor het lagere leven, terwijl zij voor zichzelf uiting geven aan al hetgeen er in hun bestaat.

Ontwikkeling

Het begint in het duister. Een leven, dat klopt en dat zoekt en voelt naar wegen, omdat het voor zich het licht begeert, dat het onbewuste kent als een zegen, die alle leven regeert. En zo zoekt het en voelt het. Haast onbewust streeft het het zonlicht tegen en heeft tenslotte van onder de aard één loot omhooggedreven, die ‑ o, voorzichtig, ‑ bleek en teer op naar de hemel staart.

Dan komt het licht en het drijft er het groen, dat doet bloem en plantenbladen bloeien, bloem na bloem als weelde van genade. Dan kent de plant haar lust, haar roem en ze luistert naar de wind en voelt zich rijk en overladen. Maar ach, hoezeer wordt al haar kracht reeds spoedig teruggetrokken, verwelkt de loot en wordt het zijn tot aarde teruggebracht.

De ontwikkeling van mensenziel, van mensenkracht en leven, het doel van geestelijk bestaan, het doel van alle streven, het is als deze plant: gezaaid door onbekende hand, zoekt uit de duisternis te gaan de geest; want in het innerlijk bestaan is de herinnering aan licht dat reeds is geweest. Zij zoekt en zij denkt, zij gaat menige weg en bloeit het licht tegemoet.

Dan komt de ontwikkeling, bewustzijn en kracht en ontsteekt er het innerlijk kerngebied.

Dan wordt de geest wijs en draagt ze haar vrucht van ervaring in ’t “ik” besloten. Dan sterft ze weer af en keert tot het duister en leeft in het Niet. En weet, omdat zij meer dan de plant ooit deed, zichzelf kan behouden, wat zij eens mocht aanschouwen, dat wat ze op de wereld zocht, kan ze in het “ik” herbouwen.

Zo bouwt de geest in zichzelf een Al met zon en wind en regen, en lacht zichzelf uit de zon en uit de aarde tegen.

Ze ontwikkelt zich verder, haar wereld wordt groot, wordt bevolkt met mengen en sieren. Zij wil haar wereld ‑ ideaal toch, zo groot tot in de volmaaktheid sieren.

En zo zendt ze een loot naar een wereld en licht. En zoekt waar zij maar kan gaan. En vergaart alle waarden, gevonden op d’ aard, dan in zichzelf tezaam

Zo ontwikkelt ze ’t wezen dat ze reeds is. En heeft in zichzelf geschapen dat wat een God reeds in haar heeft gelegd toen Hij haar in het duister deed slapen.

Geboren uit licht, in duister gespeend, in denken langzaam geboren, wordt de geest ontwikkeld, tot z’ in zichzelf het goddelijk Licht doet gloren.

En leeft er God als Kracht in de geest, is de ziel bewust haar geworden, dan vaagt zo weg alle twijfel en vrees, de demonische, duistere horde, geboren uit ’t “ik”, in God nooit geweest. Dan kent ze haar “zijn” en haar leven. Dan durft zij en kan zij zichzelf voor het eerst volledig aan ’t leven gaan geven.