Meerderjarigheid

image_pdf

20 mei 1966

Allereerst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Ons onderwerp van heden gaf ik de titel: Meerderjarigheid.

O, u hoeft niet bang te zijn: Ik weet heus wel, dat alle hier aanwezigen ruimschoots meerderjarig zijn. Je kunt het begrip meerderjarigheid echter ook toepassen op volkeren, de mensheid en eigenlijk zelfs op planeten. Wanneer wij uitgaan van het gedrag van de mensen op de wereld, kunnen wij aan de hand daarvan als het ware een leeftijd bepalen. Want aan het gedrag van een mens kun je immers ook zien wat de psychische leeftijd is. Naargelang het zich gedraagt, zeg je: Dit is nog een echt kind, dat is een puber, gene begint reeds een rijpingsproces en is dus meerderjarig, terwijl een ander zelfs reeds begint wijs te worden. Deze fasen van het leven worden gekenmerkt door zeer treffende gedragspatronen.

Wanneer je de aarde beziet, kun je dergelijke tekenen ook bij het geheel van de mensheid waarnemen. Zo kunnen wij bijvoorbeeld zien dat de mensen nog enkele duizenden jaren geleden eigenlijk leefden in een rijk van fabels. De overgeleverde verhalen over de goden, de vele vreemde verhalen over alles wat er in de wereld te vinden zou zijn, de wijze waarop men zich eenvoudigweg rang en waardigheid toekent, hebben veel gemeen met de geestestoestand, die wij bij kinderen als ‘kinderlijke fantasie’ plegen aan te duiden. Het leven is in zekere zin een spelen, waarbij alle gestelde waarden en mogelijkheden zonder meer worden aangenomen als werkelijk, maar even gemakkelijk voor een andere reeks van waardering worden gewisseld. Dit kan tot vreemde toestanden voeren. Denk maar eens aan keizer Caligula, die in alle ernst zijn lievelingspaard tot senator benoemde en het zover wist te krijgen, dat men in staat en stad deze benoeming nog aanvaardde ook. Het moet vooral geestelijk gezien wel een vreemde wereld geweest zijn, waarin dergelijke willekeur nog in ernst aanvaard werd.

Nu weten wij dat dit fabuleren en aannemen van de meest onwaarschijnlijke dingen als werkelijkheid, veel voorkomt bij kinderen en wel in het bijzonder tot de leeftijd van 6 à 7 jaar.

Vooral het jongere kind blijkt vaak niet in staat te zijn een onderscheid te maken tussen beelden van eigen fantasie en de werkelijkheid. De mensen van enige duizenden jaren geleden deden dit kennelijk ook. Een andere eigenaardigheid, die zowel bij kinderen als volkeren rond de leeftijd (psychisch) van rond 7 jaren voorkomt, is het verwerpen van de andere sekse, de verering voor de eigen sekse. De jongens willen niets meer van de meisjes weten, terwijl de meisjes jongens over het algemeen beschouwen als een vreemd, een wat barbaars ras. In de maatschappelijke ontwikkelingen van enkele duizenden jaren geleden zien wij een soortgelijke wederkerige discriminatie tussen de seksen, zij het meer op maatschappelijk en godsdienstig terrein. Dit zou de conclusie wettigen, dat de mensheid als geheel enkele duizenden jaren geleden dus psychisch niet veel ouder dan 7 à 8 jaren geweest kan zijn. En hoe staat het in deze dagen?

De omwenteling die wij bij kinderen zien, blijkt zich na het zevende jaar betrekkelijk snel te voltrekken. Vandaag zijn het nog kinderen, morgen begint de adolescentie, begint de pubertijd en wordt het gedrag onberekenbaar. In deze periode zien wij, dat de kinderen eigenwijs en cynisch worden. Zij geloven niet meer dat de anderen iets werkelijk kunnen begrijpen en menen, dat zij, vooral op menselijk gebied, alles veel beter weten. Hun denken zal bij de jongens zeer sterk technisch worden, terwijl bij de meisjes het spel meer en meer zich met eigen persoon bezig gaat houden en in wezen een vooruitlopen wordt op de komende werkelijkheid. Als je de wereld van heden beziet, kun je wel stellen dat vele ontwikkelingen met het voornoemde parallel lopen.

Er is nog steeds sprake van een sterke clangeest zoals wij die bij kinderen aantreffen, wanneer zij rond 10 jaar oud worden. Er is sprake van ‘ons groepje’ dat een vreemdeling niet kan aanvaarden en hem dus aanvalt, uitjouwt of op zijn minst negeert. Tegenwoordig jouwt men ook, maar noemt men het rassendiscriminatie. Een duur woord, maar de praktijk komt op het zelfde neer: Eigen groep is heilig, vreemdelingen zijn er alleen om afgewezen, geplaagd en vervolgd te worden. De preoccupatie met eigen wijsheid en voorkeur voor techniek, de nadruk bij de vrouw op haar eigen belangrijkheid, uiterlijk en leven herinnert aan het optreden en de belangstelling van de vroege pubers, zeg van rond 12 tot 14 jaren oud. Het experiment, zonder dat men zich met de mogelijke gevolgen daarvan al te veel bezighoudt, neemt in deze tijd toe. De neiging iets half af te maken en zich dan opeens, vaak onder een opofferen van het bereikte, op iets anders te werpen, komt in deze tijd eveneens veelvuldig voort, zodat men wel mag stellen, dat qua psychische leeftijd de mensheid haar sturm-und-drang- periode nog niet ontgroeid is.

Men kan zich afvragen, wanneer de mensheid dan ooit meerderjarig zal worden, men kan zich afvragen hoe lang het nog duren zal voor de mensheid in staat is haar verantwoordelijkheden te zien en te aanvaarden. Een juiste tijd kan ik u niet geven. Maar voor een volwassen worden van de mensheid is het toch wel in de eerste plaats noodzakelijk, dat men leert alle dingen te aanvaarden op hun plaats. De plaats die zij in de natuur innemen, niet de plaats die de mens daarvoor wil aanwijzen. Er kan dan nog wel sprake zijn van een zekere onverschilligheid tegenover het vreemde, dat wat niet bij de eigen groep schijnt te behoren, maar er mag in geen geval meer sprake zijn van een haat daartegen, een angst daarvoor en verwerpen van de mogelijkheid dat het andere of de ander gelijkwaardig zou kunnen zijn aan het eigen ik.

Een der eerste tekenen van een komende volwassenheid in geestelijk opzicht is dan ook wel het wegvallen van alle discriminatie, die op uiterlijkheden is gebaseerd, zoals geloof, ras, kleur en dergelijke. De mensheid als geheel is hier zeker nog niet aan toe, maar wij zien toch steeds meer mensen, die deze richting uit gaan denken en misschien zelfs ernaar leven. Een meerderjarige zal nog grote dromen dromen. Dat is de mens nu eenmaal eigen, maar aan de andere kant zal men het verschil tussen dromen en werkelijkheid gaan begrijpen en zich zo in gaan voegen in de werkelijkheid van het leven. Ik meen, dat de mensheid hieraan nog niet toe is, daar ik meen te constateren, dat de mensen vaak de leugen of de wens in de plaats van de werkelijkheid stellen.

Overigens zien wij bij de jongeren van 12 tot 18 jaar dergelijke verschijnselen eveneens nog optreden, zodat het stellen van een geestelijke leeftijd van minstens 12 jaar voor de mensheid, ongeacht het vaak voorkomen van een ontvluchten der werkelijkheid in theorie en droom, toch gewettigd lijkt. Op het ogenblik, dat de mensheid als geheel de moed kan vinden, steeds uit te gaan van de feiten, zonder zich daarbij van de werkelijkheid te vervreemden door zich in de eerste plaats te bekommeren om prestige, aanzien, handhaven van eigen ‘eer’, geloof, stelling, enzovoort (het voortzetten van de oorlog in Vietnam berust bijvoorbeeld voor 9/10 op prestige overwegingen) dan kan van een meerderjarig worden, van het optreden van zekere geestelijke rijpheid worden gesproken.

Wanneer jongens een technische belangstelling koesteren, hebben zij de neiging hun experimenten en bezigheden op dit terrein belangrijker te achten dan alles verder in het leven.

Men knutselt (vroeger bijvoorbeeld met een mecanodoos) en ziet eigen bouwwerken als volmaakt. Wat anderen doen, deugt niet. Deze vreemde houding ten aanzien van techniek en wetenschap vinden wij op het ogenblik overal. Velen doen onderzoekingen of bevorderen onderzoekingen, alsof zij het belangrijkste in de wereld zouden zijn en weigeren eenvoudig de mogelijke gevaren of het relatieve van de gestelde belangrijkheid te zien. Het opscheppen, het verwerpen van de nieuwe ontdekkingen van anderen zien wij eveneens in deze dagen vaak voorkomen. Wanneer iemand zegt: Wij hebben dit of dat uitgevonden, dan is er altijd wel weer iemand die zegt; wij vonden het eerder uit, of, een dergelijke uitvinding werd bij ons reeds 100 jaren geleden gedaan.

U kent misschien het verhaal van de Rus en de Amerikaan? De Amerikaan zegt: Wij zijn de directe afstammelingen van Abel, de zoon van Adam. Waarop de Rus zegt: Dan hadden wij dit toch moeten weten, want Adam was een Rus….. Dit is een grap. Maar soortgelijke verhalen, nu echter in betrekking tot ontdekkingen uit het verleden of heden, hoort men steeds weer. Men schijnt, evenals kinderen, onzeker van eigen vermogens en daarom op te scheppen. Wanneer de Russen iets eerst doen, dan moeten de Amerikanen het beter hebben en, wat het ook kosten moge, hun meerderheid van kennis en mogelijkheden demonstreren. Als de Amerikanen een stapje voor lijken te zijn met bijvoorbeeld ruimtevaart, dan komen morgen de Russen en doen het beter, hun raket of reisduur is groter enzovoort. Dit bluffen en tegen elkander opbieden zien wij bij elke kinderpartij al, terwijl het de basis is van het groepsleven van teenagers.

De zeer jonge mens zal de wereld steeds enkel vanuit eigen standpunt bezien. Maar over geheel de wereld zien wij dit verschijnsel optreden. Men ontkent daarbij bovendien de werkelijkheid vaak. Denk bijvoorbeeld eens aan het optreden van de Nederlandse regering. Een ieder voelt wel waar de fout schuilt: Men kan niet gelijktijdig eigen ambtelijke uitgaven blijven opvoeren, alle eisen van fracties inwilligen en toch doelmatig en goedkoop blijven werken als gouvernement.

Zich beperken in eigen ambtelijkheid wil men niet, de eisen van fracties weigeren durft men gewoon niet. Zoals kinderen wel doen, zegt men dus, beiden gelijktijdig te kunnen doen en hoopt maar dat de beloften vergeten zijn of dat een uitweg kan worden gevonden tegen de tijd, dat de kwesties weer aan de orde worden gesteld. Op het ogenblik, dat iemand echter durft zeggen: “Ik zie de werkelijke stand van zaken, weet dat ik een fout heb gemaakt en leer daaruit hoe ik het beter kan doen” en zich daarbij niet door prestigeoverwegingen en onpraktische leerstelligheden en dergelijken laat leiden, dan kan men zeggen; dit is iemand, die gerijpt is en blijk geeft van geestelijke meerderjarigheid.

Er is nog een opvallend punt. Jonge kinderen die vroom zijn opgevoed, gaan over het algemeen graag of zonder verzet naar de kerk. Zodra zij ouder worden, gaan zij nog wel naar de kerk wanneer het niet anders kan, maar wanneer er geen geleide bij is, lopen zij vaak liever om de kerk heen, dan er binnen te gaan. Er leeft in hen een verzet tegen riten, preken en dergelijken.

Ook dit zien wij hij de hedendaagse mens. Mogelijk denkt men nog wel kerkelijk en zelfs oecumeen, maar de kern van de zaak, de feitelijke waarde van het geloof, laat men liever rusten.

Men vecht om uiterlijkheden, maar verwaarloost de inhoud. Men loopt als het ware om de kerk heen, zoals een teenager, die met preken en riten ook niet goed raad weet. Daar kerken en geloof echter een deel zijn van het maatschappelijk beeld, zien wij dat men een aanpassing gaat zoeken. Deze blijkt echter nimmer te voeren tot een beter begrip van de kern van het geloof of de mystieke denkrichting. Men richt zich op bijkomstigheden. Wanneer men een moderne kerkdienst voor jongeren organiseert met een beatorkest erbij, dan kan men jongeren wel naar het kerkgebouw trekken, dat is waar. Maar komen zij dan voor de beat of voor de preek? Zouden zij van de leerstelligheden veel meenemen? Mijns inziens niet: De jongeren komen voor the sound en het mysterie van de godsdienst laat hen nog even koud als voorheen.

Wanneer de mensheid meerderjarig gaat worden, zal zij zeker niet zonder geloof kunnen leven, maar dit geloof zal niet meer een reeks van uiterlijkheden mogen zijn. De mens zal de moed moeten hebben om door te dringen tot de kern van zijn geloof, de onwaarschijnlijkheid van dit geloof (vooral voor anderen) moeten beseffen en aanvaarden. Men zal dan eigen houding en behoeften ten aanzien van het goddelijke eenvoudig registreren en zeggen: “Ik geloof. Voor mij is het zo, maar niemand zal dit kunnen beseffen of aanvaarden, tenzij hij innerlijk gelijk is aan mij.” Daarom dient een ieder vrij te zijn in leven en geloof. Iets, waartoe men de moed vandaag nog mist, zelfs indien men innerlijk reeds iets van deze waarheid beseft. Men weet, dat geloof een innerlijke kwestie is, die voor een ieder anders ligt, maar blijft ‘missie’ bedrijven op basis van een algemene geloofsaanvaarding, die slechts uiterlijkheden, doch slechts zeer zelden innerlijke waarden kan bevatten. Uit dit alles zal u duidelijk worden, waartoe mijn conclusies voeren: De mensheid van heden is zeker nog niet rijp, laat staan volwassen of meerderjarig. Een meerderjarigheid van de mensheid als geheel lijkt voorlopig zelfs nog niet in zicht te komen.

Wanneer wij dit stellen voor praktisch de gehele mensheid, zo kunnen wij niet ontkomen aan het feit, dat er een directe verbinding bestaat tussen een mensheid en de planeet waarop zij leeft. Men kan daarom volgens mij zeggen dat de aarde haar jeugd weliswaar wat ontgroeid is, maar zich wel degelijk nog in een Sturm-und-Drang periode bevindt. De onbeheerstheid en de driftbuien als van een klein kind zijn wel voorbij, maar het voortdurend protesteren tegen het bestaan en alles wat er maar is, blijkt aan de aarde in haar materiële vorm nog steeds eigen te zijn. Nu meen ik te weten, dat er een wisselwerking bestaat tussen aarde en mensheid. Op grond van dit feit stel ik enkele punten, waarover u maar eens na moet denken.

  1. Wanneer wij ons baseren op de aarde in haar huidig stadium zullen wij als mens niet tot een algehele geestelijke rijpheid kunnen komen en zal men niet in staat zijn tot een geheel bewust beheerst en bewust handelen te komen
  2. Wie zich oriënteert op het geheel van de mensheid (of een bepaald deel daarvan, een volk of godsdienst) zal niet tot volkomen geestelijke rijpheid of zelfs maar innerlijke evenwichtigheid kunnen komen, daar de mensheid als geheel en per groep onevenwichtig is en handelt.
  3. Daar elk proces van volwassen worden een reeks van voor het ‘ik’ ernstige crisisperioden pleegt in te houden, waarbij op zich onbelangrijke dingen enorm vergroot worden gezien en zo aanleiding worden tot zeer onevenwichtige en onevenredige reacties, moeten wij aannemen dat in de huidige tijd vele van de zogenaamde belangrijke punten in het leven feitelijk niet zo belangrijk zijn, terwijl aan werkelijk belangrijke dingen voorbij gezien en gepraat wordt.
  1. Wanneer men geestelijk volwassen wordt, is het het eigen functioneren binnen de maatschappij dat van het grootste belang wordt. Is men nog niet geestelijk volwassen, dan acht men het stellen van eisen aan de maatschappij het belangrijkste. Wil de mensheid in geestelijk opzicht een zekere meerderjarigheid bereiken, dan zal hij afstand moeten doen van zijn neiging de wereld eisen te stellen en meer de nadruk moeten gaan leggen op eigen mogelijkheid tot werken en beleven in de wereld.

Dit zijn slechts enkele punten. Maar het voorgaande voert mij weer tot een volgend punt. Een mens, die niet alleen volwassen leert denken en leven, maar bovendien enige wijsheid bezit, wordt in zeker opzicht weer kinderlijk, zonder zich echter ooit kinderachtig te gedragen. Een wijs iemand is in staat de eenvoud van het kinderlijk denken en reageren voor zich te behouden, maar hieraan gelijktijdig een bewust en door eigen wil geleid streven toe te voegen.

Dit brengt ons weer tot enkele conclusies, want geestelijke rijpheid bestaat zeker niet uit een ‘in mooie mystieke zinnen kunnen spreken’ of zelfs maar uit het vermogen, om op mystiek of occult terrein iets te doen. Wijsheid is vooral het vermogen de uiterlijkheden terug te dringen ten voordele van het essentiële en afstand te doen van de menselijke neiging alles ingewikkelder te maken dan nodig is. Wijsheid omvat dan ook mede een teruggrijpen op het magische principe, dat in het kind zeer sterk pleegt te leven, maar voor de wijze volwassene een leidraad wordt bij het bewuste streven en werken. Misschien klinkt u het woord magie in dit verband toch wat vreemd in de oren. In de volgende punten tracht ik u echter te illustreren wat er in de mensheid was, wat er nu is, en wat er mijn inziens zal moeten komen.

Voorouderverering.

Reeds zeer lang geleden waren er stammen die geloofden dat voorouders, zeker belangrijke voorouders in het ras, aanwezig bleven en als een soort beschermgoden en raadgevers konden optreden. Een voorbeeld is de z.g. Ainu-verering, waaruit vele groteske voorouderbeelden zijn overgebleven tot in deze dagen. De moderne mens gelooft ook in invloed van het voorgeslacht, maar nu meer mechanisch, namelijk via erfelijkheidsfactoren. Men heeft het geestelijk element van de voorouderinvloed uitgeschakeld en houdt zich alleen met de stoffelijke waarden bezig.

Wanneer er echter een binding tussen ouder en kind bestaat, zo zal deze ook uit bepaalde geestelijke harmonieën voortkomen. Het gevolg is, dat voorouders op het nageslacht wel degelijk ook geestelijk enige invloed zullen hebben, zodat ook op geestelijk terrein een soort samenwerking kan bestaan. Men kan hieraan dan toevoegen, dat een dergelijke samenwerking bevorderd en vereenvoudigd wordt door een overdracht van stoffelijke eigenschappen, waardoor een zekere gelijkenis en harmonie in het stoffelijke voertuig aanwezig zal blijven.

Tot een erkenning van dit laatste zal men moeten komen, een verwerpen dus van de voorouderverering en haar zienswijze, of een verwerpen van de waarden van de genetica. Maar een bewijs dat de harmonie die tussen bepaalde mensen kan bestaan en de overdracht van waarden naar verschillende nakomelingen niet gelimiteerd is tot stoffelijke waarden of een beïnvloeding, die beperkt blijft tot een gezamenlijke levensperiode in de stof. Men zal moeten beseffen, dat deze harmonie en de invloed ook daarna kan blijven bestaan. Dat de geestelijke inwerkingen en invloeden niet alleen van buitenaf, maar ook (dank zij een bestaande stoffelijke harmonie) zullen kunnen spreken, zodat de doden waarlijk voor een deel voort kunnen leven in hun nageslacht, terwijl zij gelijktijdig als geest een ander en persoonlijk bestaan voeren.

Men zal dus, om tot een juist begrip en gebruik van mogelijkheden te komen, een brug moeten slaan tussen het verre verleden en de toekomst, zoals wij dit ook bij andere dingen kunnen zien.

Wanneer wij bijvoorbeeld de hemelen bezien. Zo las men in de Oudheid de hemelse wil in het ‘hemelschrift’. Later ontstaat een eerste vorm van astrologie. Nu weet men dat aan de hemel geen lichtjes branden, maar dat hier sprake is van zonnen en sterren. Men weet dat die sterren bestaan, kan ze wegen en meent te weten hoe zij zich bewegen en zelfs soms, waarom zij dit doen. Het Al is voor de mens van heden een mechanisch geheel geworden, waarin de abstractie van een Goddelijke Wil, een zich uitdrukken van Gods wil in het licht der sterren, wegvalt. Wat overblijft is een mechanisch beeld van het Al, waarover overigens nog heel wat gedebatteerd kan worden. Maar het Al wordt niet bezield gezien. Wanneer wij zover komen dat de mensen bewust stellen: Wij hebben de astronomie, de stoffelijke leer, maar deze krijgt pas haar werkelijke zin indien wij daarbij een astrologie voegen, die ons inzicht geeft in meer geestelijke achtergronden van werelden en sterren. Dan komt men verder. Men zal beseffen dat deze beide wetenschappen niet met elkander in strijd zijn, maar elk een ander facet van het zelfde belichten. Men zal dan kunnen zeggen: Aan de hand van mijn stoffelijke kennis kan ik de betekenis van het oorspronkelijke op geloof en ervaring gebaseerde astrologische werken nu bewust hanteren op rationele wijze. De invloeden vanuit de kosmos, of dit nu stralen zijn of planeetinvloeden, kan ik berekenen, zodat ik met kosmische waarden rekening kan houden en daarmede leer werken.

En wat bijvoorbeeld zal men moeten gaan denken van het oude tovermedicijn? De oude tovenaars waren misschien wel de eerste psychologen en psychiaters van deze wereld. Zij gingen uit van geestelijke krachten en geestelijke werkingen. Verder maakten zij reeds gebruik van kruiden en andere stoffelijke middelen, zover die hen ter herschikking stonden. Op het ogenblik zegt men dat dit geen echte wetenschap kon zijn, omdat deze mensen bijvoorbeeld niet wisten dat er een bloedsomloop was. Zij zeiden immers alleen maar, dat er bloed was en dat dit ergens de drager van het leven was. Meer wisten zij van het mechanisme van het menselijk lichaam niet eens. De mens van heden zegt trots dat hij weet waar elke spier elke zenuw en elk adertje zich bevindt, dat hij weet, hoe de klieren functioneren. Hij meent daarom, dat hij in deze dagen heel wat meer kan doen dan de toveraars van eens. Deels is dit waar. Toch komt men in deze tijd reeds weer tot het besef dat de psychische behandeling van groot belang is. Men heeft zelfs een tak van geneeskunde, een psychosomatica, waarbij men de geestelijke behandelingsfactor veel hoger gaat waarderen en geneesmiddelen naast geestelijke geneeswijzen gebruikt. Vaak gebruikt men geneesmiddelen daarbij in de eerste plaats, om gewenste psychische ontwikkelingen mogelijk te maken, juist zoals de oude tovenaars.

Waarom zou de mens niet terugkeren tot de oude magische opvatting omtrent geesteskracht, geestelijke beïnvloeding van de patiënt, waarbij de magische krachten van de oude sjamanen in de medische wetenschap opnieuw hun intrede zouden kunnen doen. Ook al zouden zij niet meer gebaseerd zijn op het oude en primitieve goden geloof, maar op een erkennen van de geestelijke waarden van de mens. Men zal uiteindelijk beseffen, dat genezing voor een groot deel afhangt van de geestelijke inhoud en waarde van de mens waarmede men als genezer in contact komt, terwijl de erkenning van lichamelijke mogelijkheden en conditie van even groot belang is als een beseffen van eigen mogelijkheden en krachten ten aanzien van deze geestelijke achtergronden.

Men zal volgens mij uiteindelijk komen tot een, nu geheel bewust en op grond van feiten gebaseerd, genezen met dezelfde magische werkwijzen en waarden als in een ver verleden.

Zo waren er vroeger orakels. Hun werking berustte deels op een zien in ruimte en tijd, deels op gedachtelezen, deels op informatie. Vergelijkbaar daarmede is een moderne en tot nu toe beperkte wijze van werken, die opinieonderzoek of poll heet. In dit opinieonderzoek stelt men: Wanneer ik de mening ken van een voor het geheel representatief te achten aantal mensen is het mogelijk te zeggen wat in het gehele volk leeft. Op zich is deze stelling niet onjuist, men vergeet echter iets: Het oude orakel, de pythia en dergelijke, nam de uitstraling van de mensen in zich op.

Er was dus geen sprake van alleen maar een gokje maken in de tijd dat orakels nog eerlijk waren, maar van zekere kennis en een erkennen van de innerlijke waarden van een mens. Telepathie is op het ogenblik niet denkbaar. Vroeger werd zij echter wel aanvaard. Daardoor kon men ze ook beter gebruiken.

En waarom zou de mens niet kunnen terugkeren tot het kunstig handwerk, dat het intuïtief lezen van het innerlijk van een medemens is? Dan zou een opiniepeiling inderdaad juist zijn, daar het onderzoek niet meer in de eerste plaats afhankelijk zal zijn van de soort en wijze van vragen, maar van het erkennen van de mensen zelf. De prognoses, die men op dergelijke onderzoekingen baseert, zijn dan geen gissingen in het duister meer, een goochelen met tellingen. Het is mogelijk de reacties van de mensen tevoren werkelijk te beseffen en daarmede zou men een beter beheersen van de toekomst mogelijk maken. Wat slechts een enkel voordeel is van een opnieuw gebruiken van de oude kunst van het ‘gedachtelezen’. Juist een ras dat volwassen wordt, zal in staat zijn, zeer veel tot stand te brengen. Maar om dit werkelijk te doen zal het terug moeten grijpen naar vele dingen, die nu vergeten of als bijgeloof uitgelachen worden.

Ik wil u niet vervelen met te veel voorbeelden. Maar ik wil toch nog even wijzen op de methode, waarmede de mens zichzelf vroeger tot allerhande mystieke belevingen wist te brengen. Ik denk daarbij onder meer aan de heremieten, de anachoreten. Mensen, die zich in de eenzaamheid begaven en door onthouding, beweging en dergelijke tot het beleven van visioenen kwamen. In deze dagen weet men dat soortgelijke visioenen en verschijnselen ook kunnen worden opgewekt door lichte vergiftiging zoals bijvoorbeeld moederkoren en enkele andere stoffen bij geringe doses teweeg plegen te brengen. Zoals men in deze dagen ook wel degelijk beseft dat dergelijke beelden geen bewijs zijn van een ingrijpen der goden, maar van een zekere vermoeidheid en ondervoeding bij de mensen, evenals een verschijnsel, dat bij zwakte door ziekte wordt veroorzaakt en daarop gelijkt. Men vergeet daarbij echter op te merken, dat de zo ontvangen visioenen hierdoor nog niet hun kracht en gelding verliezen (al tracht men dit vaak aan te tonen door het visioen, zoals het beschreven wordt) in twijfel te trekken. De hedendaagse wetenschappen weten geen raad met visioenen, zelfs wanneer zij uitkomen en zinvol zijn. En probeert ze daarom weg te verklaren als het kan naar het onderbewustzijn toe, en anders helemaal, door verwerping als opzettelijk bedrog, zelfmisleiding door verkeerde herinnering van de visioenen na het plaats vinden van feiten en dergelijke.

In de Oudheid zag een anachoreet of heremiet vaak meer dan zijn eigen wereld. Hij zag (al besefte hij dit meestal niet helemaal) wat er zich naast het normale bestaan van de mensheid op aarde nog voordeed en afspeelde. Dit ‘leven naast het leven’ wordt door de moderne mens verworpen, omdat hij het vreest. Stel u alleen maar eens voor, wat het voor u zou betekenen, wanneer er in deze zaal iets of iemand (dat weet u niet) binnen zou komen, wat u wel zou kunnen ruiken en voelen bijvoorbeeld, maar niet zou kunnen horen of zien. Menige ‘rationele’ mens zou van iets dergelijks eenvoudig gek worden. Maar de oude kluizenaars en boetelingen hebben een contact met dergelijke wezens bereikt. Zij hadden een zeker contact met de ‘andere wereld’. Dit contact met een andere wereld was niet gebaseerd op een specifiek geloof aan bijvoorbeeld het voortbestaan, het was in alle gevallen het gevolg van een zich leren afstellen, een zich bewust richten op bepaalde verschijnselen.

Wij kunnen ook hier voorbeelden te over aanhalen, waarbij dergelijke wijzen niet alleen visioenen zagen, maar bijvoorbeeld over slangen regeerden, in hun nabijheid de leeuw met het lam deden samenleven, bijzondere vruchtbaarheid rond zich wisten te scheppen. Hierdoor hadden zij de wapens en bestrijdingsmiddelen, die de hedendaagse mens nodig heeft om eigen mogelijkheden en zekerheid in een natuurlijke omgeving te handhaven, niet nodig. Zij bleven in leven, waarin elke moderne mens zonder beschikking over vele mechanismen en een voortdurende aanvoer van wapenen en middelen, zou moeten sterven. Met andere woorden: de mens van heden heeft het gebruiken van innerlijke krachten, waarden en mogelijkheden in de natuur grotendeels terzijde gesteld. Hiervoor in de plaats nam hij de uitwendige hulpmiddelen van de techniek. Deze techniek kan echter falen, zij eist een voortdurend ter beschikking staan van hulpmiddelen, krachtbronnen en dergelijken. De innerlijke krachten zijn echter een waarde, die in elke mens ingebouwd is. Wanneer het leven op aarde nog veel ingewikkelder wordt, zal een mens onder natuurlijke omstandigheden niet meer kunnen bestaan zonder een teveel aan hulpmiddelen, die hij zelf nimmer kan vervaardigen, bezitten of hanteren. Wil men dus toch tot de mogelijkheid van een persoonlijk bestaan binnen de natuur zowel als binnen de mensenwereld komen, dan zal men terug moeten gaan grijpen naar de innerlijke krachten en het vermogen zich harmonisch in te stellen ten aanzien van de werelden van de geest en de natuur. Eenvoudig gezegd: De mens zal vele, nu misverstane mystieke disciplines moeten hervatten, omdat hij daarmede tot een zekere harmonie ten aanzien van het milieu kan komen. En daarnaast in dit milieu ook aanwezige waarden zal gaan beseffen, zowel toekomstige, als waarden die nu onder het doorsnee bewustzijn liggen, waardoor hij voortdurend met dit milieu in harmonie kan blijven. Ook hierover is natuurlijk veel meer te zeggen, maar ik gaf u enkele voorbeelden van wat was, is en in de toekomst mogelijk of noodzakelijk zal zijn. Ik meen, dat hiermede mijn stelling in dit tweede deel van het betoog duidelijk genoeg heb geïllustreerd en wil dit in enkele punten formuleren.

  1. De waarden van geloof, magie, kortom het voelen en denken van het verleden, zullen in de toekomst wederom een toepassing moeten vinden, waarbij men eigenlijk hetzelfde doet als eens, maar nu bewust en op basis van hetgeen ook materieel geleerd en erkend werd.
  1. Om innerlijke rust en vrede te vinden en daarmede als eenling en als ras de mogelijkheid tot voortleven te behouden, zal de mens moeten terugkeren van haar wanhopige pogingen het milieu voortdurend geheel aan eigen behoeften en wensen aan te passen en zal hij moeten leren zichzelf op harmonische wijze weer aan de mogelijkheden en waarden van het milieu aan te passen.
  2. Naarmate de mens leert zijn innerlijke waarden en krachten beter te gebruiken, zullen zijn feitelijke behoeften in het maatschappelijk vlak verminderen en zal hij hierdoor een gelukkiger, gelijkmatiger en gelijktijdig voor het geheel der mensheid nuttiger bestaan kunnen voeren. Ook hier zal de mensheid de oude mystiek moeten doen herleven en deze meer bewust moeten gaan gebruiken om zijn eigen behoeften zover te verminderen in stoffelijke zin, dat hij hierdoor onafhankelijker wordt van de scheppingen van eigen vernuft.

Indien de mensheid als geheel gevolg gaat geven aan hetgeen in deze punten is gesteld, zal men kunnen zeggen, dat er sprake is van een meerderjarigheid. Eerst wanneer de geestelijke waarden en instinctief aangevoelde mogelijkheden van het verre verleden samen kunnen gaan met de stoffelijke erkenningen van latere tijden en alzo de mens meester maken over zichzelf en zijn bestaan, zal men van een meerderjarig worden van de mensheid kunnen spreken. Hiermede kom ik aan het laatste deel van dit betoog. Ik kan mij voorstellen, dat een moderne mens stil met het hoofd schudt, wanneer ik kom aandragen met magie, godsdienst en andere niet direct wetenschappelijke bereikingen als noodzakelijk voor een geestelijk en stoffelijk zich verder ontwikkelen van de mensheid. Zelfs kan ik mij voorstellen, dat na diep nadenken wordt gesteld: Wat u zegt kan misschien waar zijn, maar wij leven nu eenmaal materialistisch in een maatschappij, die daarop geheel gebaseerd is en kunnen eenvoudigweg niet anders meer. Wij zijn gebonden aan bepaalde levensbeschouwlijkheden, zitten met een te groot geboorteoverschot, hebben maatschappelijke behoeften, wij kunnen de massa niet meer regeren en zullen daarom geen vermindering van het materialistisch element en de kunstmatige omgeving kunnen vinden, tenzij er een oorlog komt, waarbij zoveel vernietigd en verbruikt wordt, dat aan de mensen bepaalde eisen gesteld kunnen worden, zonder dat zij de mogelijkheid tot een zich verzetten krijgen.

Het voeren van oorlog is ook al een bewijs van geestelijke onrijpheid. Kinderen vechten wel, maar zullen daarbij niet bewust naar wapens grijpen, al ontaardt hun spel vaak in een gevecht en zal het gevecht even later weer overgaan in een spelen. Naarmate de mens ouder wordt, zien wij echter dat strijd en gevechten geen reacties meer op het ogenblik zelf inhouden, maar de oorzaak worden van ressentimenten. In vele gevallen zal men, wanneer men zelf tekortschiet of vreest te kort te schieten, dan naar wapens grijpen. De grootste voorliefde voor pistolen, messen en dergelijke persoonlijke wapens vinden wij bij …. geestelijke pubers. Volkeren, die onzeker zijn van hun eigen moeilijkheden, grijpen eveneens naar wapens en terreur. Het denkbeeld, dat het niet anders zou kunnen, berust op het onvermogen eigen fouten, onvolmaaktheid en gebondenheid aan de wetten van het leven, te verkennen. Dit is ongetwijfeld een teken van innerlijke onrijpheid.

Stel nu, dat de mens een rijkheid bereikt, waarbij hij de feiten wel onder ogen kan zien en aanvaarden. Hoe zal de wereld er dan wel uit gaan zien? Oorlogen zullen voorlopig nog wel niet te vermijden zijn. Ik meen zelfs, dat werkelijke banden tussen volkeren voorlopig nog niet aan ronde tafels, maar alleen op slagvelden tot stand zullen kunnen komen. Voorlopig is voor het ontstaan van wederzijds respect en een gevoel van verbondenheid vooral van belang, dat men eerlijk vecht en elkanders verdiensten erkent. Gaat men alleen uit van een meerderheid in het gebruiken van onpersoonlijke wapens, dan zal men de haat eenvoudig vergroten en zal de enkeling tot meer terroristisch optreden geneigd zijn. Wanneer de strijd op een meer persoonlijk vlak komt te liggen en dus vooral neerkomt op het tonen van moed, uithoudingsvermogen en vindingrijkheid, zal een wederkerige erkenning en later ook een samengaan mogelijk zijn, zonder dat ressentiment een te grote rol in de verhoudingen speelt of minachting voor de verliezer deze dwingt tot een hervatten van de strijd met alle middelen, waar en wanneer dit maar mogelijk is.

Na een volgende wereldoorlog (die heus wel komt, al zal het hopelijk nog een tijdje duren voor de mensheid daaraan toe is) zal die dan ook gevolgd moeten worden door een terzijde stellen van het onpersoonlijke wapen. Ontwapening dus.

Daarnaast zal de mensheid terug moeten keren tot het erkennen van de natuurwetten, die ondermeer het in leven blijven van eenling en soort baseert op vaardigheid en kracht in plaats van de nu geldende menselijke wetten en moraal, waarbij het zwakke wezen juist de grootste bescherming geniet en daardoor de grootste kans tot voortleven krijgt. Dit laatste klinkt voor u vreemd. Maar een geestelijk rijpere mens zal beseffen dat hij de verplichting niet draagt anderen tegen hun wil of kunnen in leven te houden. Een mens die op aarde geboren is, zo zal men beseffen, is een eeuwig wezen dat niet ten gronde kan gaan. Wanneer men een dergelijke mens in staat stelt in een te zwakke en misschien zelfs onbruikbare vorm op aarde voort te leven, terwijl hij zelf dit niet tot stand zou kunnen brengen, doet men de zwakkere alleen maar onrecht.

Hij zou immers anders sneller sterven en datgene wat aan stoffelijke ervaring nodig blijft, dus in een ander en sterker lichaam gemakkelijker en sneller kunnen verwerven. Men zal dan ook stellen: Wij hebben niet de taak anderen tegen zichzelf te beschermen. Wij zullen hen hoogstens moeten beschermen tegen onszelf, maar dat is iets geheel anders.

Op deze wijze zal er ondermeer een beperking van de bevolkingsaanwas die voor de mens van heden een reëel gevaar dreigt te worden, mogelijk zijn. Het zijn immers juist de geestelijk en stoffelijk zwakkeren, die zich onbeperkt plegen voort te planten. Men zal dan niet meer uit kunnen gaan van het standpunt dat je, wanneer je kinderen hebt, het ook de taak van de maatschappij is voor die kinderen en hun onderhoud zorg te dragen. Wie kinderen voortbrengt, zal persoonlijk voor hun wel en wee, hun onderhoud en opvoeding verantwoordelijk zijn. Men hoeft geen kinderen voort te brengen, dus bestaat er geen reden om de aansprakelijkheid op anderen af te schuiven.

In dit opzicht verandert het denken van de mensen al langzaam, maar men wordt in het vinden van deze normale en verstandige weg geremd door allerhande kerkelijke en politieke vooroordelen. De zorg voor de ‘zwakkere’ en de bemoeizucht, waardoor men meent een ieder een zeker en goed bestaan te kunnen bezorgen, zullen dus verdwijnen. Wil men niets uitvoeren, dan heeft niemand daarmee iets te maken. Verdient men niets en heeft men niets, zodat men dreigt dood te hongeren? Heel goed. Dan zal men zelf moeten besluiten om te gaan werken, men kan natuurlijk ook gaan bedelen. Daartegen is geen bezwaar, mits men dan ook genoegen neemt met alles wat men krijgt.

Vanuit uw maatschappelijk standpunt geen mooie of aanvaardbare vorm van samenleving. Maar u denkt en leeft in deze tijd nog veel te veel vanuit een soort ‘gang-solidariteit’. Het zal echter een ieder die de toenemende organisatie van elk aspect van het persoonlijke leven en de toenemende bemoeizucht (die gelijktijdig alleen op het voordeel van eigen groep gericht is) ziet, doen beseffen, dat de enige uitweg voor de toekomst een terugkeer naar grotere persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid kan zijn. Geestelijk volwassen kan een mens nooit worden, wanneer hij aan anderen eisen stelt en hen dan wil dwingen volgens zijn inzichten te leven. Hij komt alleen tot een geestelijke meerderjarigheid wanneer hij in staat is eisen slechts aan zichzelf te stellen en tegenover anderen slechts aansprakelijkheden te aanvaarden.

In de plaats van dwang, geleide economie en oorlog zal in de toekomst zelfbeperking op de voorgrond komen te staan. Wat betekent dat de economie zeer grote veranderingen zal moeten ondergaan. Want een op het winstmotief gebaseerde maatschappij en economie zal op den duur niet te handhaven zijn. U meent misschien dat dergelijke punten van weinig geestelijk belang zijn. Maar een economie die op het winstprincipe is gebaseerd bevordert het denkbeeld, dat voor iets ook altijd iets hoort, dat alles zin moet hebben door zijn gevolgen die een vermeerdering van ons bezit, geluk en dergelijke betekenen. En gaat daarmede in deze dagen zelfs zover, dat men aan God nog wel offers wil brengen, maar dan alleen wanneer Hij in ruil daarvoor ook een gegarandeerde eeuwige zaligheid teruggeeft. Zoals de mens voor de maatschappij wel iets wil doen, iets over heeft voor de groep. Maar langzaam aan dit alleen nog zal doen wanneer hij de zekerheid heeft dat de maatschappij of de groep ook voor hem iets terug zullen doen en zo mogelijk veel meer, dan hij aan groep en maatschappij besteedt.

Een dergelijke mentaliteit kan niet gehandhaafd blijven in een ras dat geestelijk meerderjarig is.

Eerst wanneer de mens leert dat de kern van het bestaan het geven naar eigen besef en willen is, zonder dat men daarvoor iets terug hoeft te verlangen of te krijgen, zal een redelijk leven en een redelijk, maar toch alomvattend contact met de medemens mogelijk worden. Dat winstmotief staat niet alleen tussen de mens en zijn grootste bereikingen, maar tevens tussen de mens en zijn medemensen. In een geestelijk volwassen wereld kunnen mensen op goede wijze samenwerken en iets bereiken onder omstandigheden, die vanuit het huidige standpunt een onaanvaardbaar anarchisch geheel lijken, zonder dat hierdoor de mensen elkaar uitroeien of zelfs maar schaden. Dan immers zal een ieder vanuit zich een verantwoordelijkheid tegenover anderen beseffen en dragen, terwijl niemand aan anderen eisen stellen wil. En dat is een ideale toestand.

Indien de mensheid rijper wordt, zo zal dit ook invloed hebben op de wereld, de wereldziel. Wanneer de mensheid rijper wordt en sneller rijpt dan de wereldziel (wat een kwestie is van wijsheid en niet van potentie) zo kunnen wij stellen: Er is altijd een zekere harmonie tussen wereld en mensheid. Is het de mensheid die hierin de waarden van de harmonie bepaalt, dan zal de wereldziel zonder meer daaruit leren en zich aanpassen aan hetgeen de mens innerlijk bereikte. Indien echter de wereldziel sneller wijs zou worden, sneller geestelijk zou evolueren dan de mensheid, zouden hierdoor voor de mensen (die geen eenheid vormen, geen gemeenschappelijk bruikbaar bewustzijn hebben en zich daardoor niet zo gemakkelijk aan nieuwe harmonische werkingen en waarden aan kan passen) een te snelle evolutie van de wereldziel een onmogelijkheid tot het als ras verder op aarde bestaan betekenen.

Ik wil dan ook besluiten met de opmerking dat het voor de mensheid van het grootste belang is, zo snel mogelijk meerderjarig te worden en (als het even kan) daarbij lang voor de wereldziel dit punt bereikt, een nieuwe wijsheid en wijze van leven erop te baseren. Want indien de mensheid in al haar delen een geestelijke evenwichtigheid bereikt, zal de wereld meewerken met de mensheid en zo een perfecte harmonie ook in de materie mogelijk maken. Indien de mensen echter menen, dat men de aarde kan uit blijven buiten en haar als een onbezield stuk bezit menen te mogen beschouwen, dan zal men tot de conclusie moeten komen dat de aarde het de mens onmogelijk maakt voort te blijven bestaan. Omdat zij nieuwe en eenvoudiger eisen voor het bestaan gaat stellen, waaraan de mens dan, door de complexiteit van zijn onvolwassen geestelijke wereld, niet meer kan beantwoorden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Staan vulkanische werkingen met dit laatste in verband?

Je zou kunnen zeggen dat vulkanische werkingen verband houden met

  1. de kosmische invloeden die op de aarde inwerken.
  2. reageren op de relatie wereld-mensheid, zoals die op dat ogenblik als geheel en plaatselijk bestaat.

Bij dit laatste moet men rekening houden met het feit, dat uitbarstingen niet onmiddellijk en zonder meer plaats kunnen vinden op de punten, waar op aarde de grootste disharmonie bestaat, maar op de dichtst nabijgelegen plekken zullen optreden, waar in het lichaam van de aarde, de aardkorst, zich zwakke plaatsen bevinden. Zo gezien kunt u zeggen, dat er wel enig verband bestaat.

  • Ik heb altijd gedacht, dat de aarde een soort school was, die door de mensen steeds weer verlaten wordt, wanneer zij rijp zijn. Ik meen dat er dus op aarde steeds een percentage zal zijn, dat aan de kinderschoenen ontwassen is…

In de mensheid kunnen wij aannemen, dat een aantal mensen rijper zijn dan het gemiddelde. Hun reacties, leefwijze en dergelijke zullen echter nog steeds bepaald worden door de gemiddelde status van het geheel. Zelfs tussen ‘primitieve’ en ‘beschaafde’ volkeren blijkt het verschil eerder een kwestie van cultuur, dan van geestelijke rijpheid te zijn. Aan te nemen, dat enkele bewusten op aarde een verandering kunnen veroorzaken op zich, is onjuist. Zij kunnen aan de mensheid in haar huidige ontwikkeling en status ontgroeien, maar kunnen niet al hetgeen aan onrijpheid in de mensheid bestaat, compenseren. De bereiking van een enkeling zal op de relatie wereld, mensheid, alleen invloed hebben, wanneer de inwerking op het geheel der mensen zo sterk is, dat dezen, en dan volgens de waarden van de originator, als geheel kunnen reageren.

Dit zal zelden het geval zijn, bekijk Jezus leer en openbaring, die wel een groot deel van de mensheid hebben beïnvloed, maar hoofdzakelijk in uiterlijkheden, daar zeker niet kan worden gesproken over een overname van de werkelijke inhoud van de leer als basis van het menselijke bestaan.

Tenslotte: De mens, die zich geestelijk verheft boven zijn medemensen, doet dit niet door begrip voor eigen mensheid, maar door onbegrip voor eigen feilen en een open oog voor de feilen van anderen. De mens die als ingewijde optreedt of dit is, kan zijn ingewijd zijn alleen rechtvaardigen door als dienaar voor het geheel der mensheid op te treden. De invloed die hij daarbij uitoefent, is niet voldoende om het geheel der mensheid geestelijk ook maar iets te verheffen. Het leven op aarde is een ‘leren’, maar dit neemt niet weg dat, tot men aan de aarde en haar waarden geheel ontgroeid is, de band mens-aarde blijft bestaan en als zodanig het lot van de mensheid ook deels het lot van de mens zelf blijft.

  • Zal door de natuurwet waarvan u sprak, niet te wijten worden dat een mens daardoor veel te individualistisch en daardoor ook te egoïstisch wordt?

Vanuit uw standpunt mag dit zo schijnen. Ik stel echter: Naarmate de organisatie sterker wordt en de groeps- of bendementaliteit (of solidariteit) sterker wordt, zal het begrip van persoonlijke verantwoordelijkheid verzwakken. Er ontstaat een verschuiven van alle verantwoordelijkheid naar de gemeenschap, waardoor eigen bewustwording en daarmede ook het altruïsme, het begrip voor de naaste en dergelijke bij het individu af zullen nemen. Een terugvallen op de natuurwetten mag dan, vanuit het huidige standpunt, wreed en onredelijk lijken, daar zij bijvoorbeeld niet meer spreken over ‘sociale rechtvaardigheid’ maar over ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’. Men vergeet daarbij, dat een juist leven volgens het begrip van persoonlijke aansprakelijkheid met zich brengt, dat in de plaats van een sociale (en theoretische) rechtvaardigheid, een weerkaatsing van de goddelijke rechtvaardigheid kenbaar wordt.

Verlies verder niet uit het oog dat het zoeken naar zekerheid, het behoud van alle leven en dergelijke in deze dagen grotendeels voortkomt uit een angst voor de dood, welke zijn oorsprong weer vindt in het onvermogen van de hedendaagse mensen zich, ondanks alle geloof, een beeld te vormen van het voortbestaan. Wanneer het voortbestaan echter een verworven zekerheid wordt, zal het leven op zich als een stoffelijke waarde steeds minder belangrijk worden. Men komt dan tot een levensbeschouwing, waarbij het stoffelijke bestaan slechts een werktuig, een mogelijkheid is. En het gebruiken van die mogelijkheid, het behouden van het leven, alleen zin kan hebben, indien men er ook werkelijk iets mee doet. Ofschoon de indeling van leven en levenswaarden voor u bedenkelijk veel lijkt op een handhaving van het recht van de sterkste, (wat ook nu bestaat, maar ontkend wordt) betekent het in wezen dat de sterkste voor zich alleen iets nuttigs in het leven kan volbrengen, iets bereiken kan, wanneer hij zijn kracht gebruikt om daarmede anderen te helpen, die dit wensen en het van node hebben. Het nutteloze wordt dus terzijde geschoven, niet vanuit egoïstische standpunten, maar eenvoudig vanuit een standpunt van doelmatigheid en persoonlijke verantwoordelijkheid. De mens zal dan minder egocentrisch kunnen leven in de vorm van een gemeenschap, die zich dan gaat ontwikkelen. Egoïsme betekent dan een zich van de gemeenschap distantiëren, zodat men alleen door het egoïsme zichzelf alle mogelijkheden tot werkelijk leven en werken zal ontnemen.

U ziet dus, dat ik het met het door u in uw vraag gestelde niet eens hoef te zijn. Ik wijs u er echter met nadruk op, dat dit deel van mijn betoog zich bezighield met toekomstige ontwikkelingen.

Indien daar misschien hier en daar ook een veroordeling van het heden in verborgen ligt, zo moet men begrijpen, dat dit een kwestie is van de fase van geestelijke ontwikkeling, waarin de mensheid zich bevindt. Men kan immers de eigenschappen van een bepaalde ontwikkelingsfase van een kind ook niet aan het kind verwijten? Ouderen kunnen misschien zeggen, dat het kind dom doet of anders zou moeten doen, maar de geestelijke instelling van het kind kan men daardoor nog niet veranderen, het moet eenvoudig aan zijn problemen ontgroeien. Zie dus mijn betoog niet als een veroordeling van de hedendaagse mens, maar eerder als een verklaring voor veel wat nu bestaat en een toch niet pessimistisch vooruitzien naar de tijd, dat de mensheid haar huidige problemen gaat ontgroeien. Bovendien, wanneer een kind eenmaal begrijpt, wat de oorzaak is van eigen problemen en eigen instelling en geestelijke achtergronden begrijpt, zal het daarmede gemakkelijker terecht komen, al verandert daarmede ook verder niet zo veel.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

De mogelijkheid van de mens zich in te leven in zijn innerlijke wereld, deze uiterlijke onbekende wereld (esoterische beschouwing).

In dit tweede deel van de bijeenkomst moet ik met u spreken over esoterie. Allereerst zou ik hierbij de aandacht willen richten op de mogelijkheid van de mens, zich in te leven in zijn innerlijke wereld, deze uiterlijk onbekende wereld. Al hetgeen bij de mens mogelijk is, zal in de onbekende werelden eveneens mogelijk zijn. Daarnaast zal echter haast al, wat in de normale wereld van de mens onmogelijk is, in de onbekende wereld tot de mogelijkheden behoren.

Indien wij alleen uitgaan van datgene wat wij zijn, leven en denken, bestaat er voor ons een groot gevaar: Wij zullen trachten het geestelijke leven terug te brengen tot de kernen van het normale bestaan. Het is echter niet gelijk aan het normale bestaan, doch een additie van het normale bestaan. Wie wil komen tot een werkelijk begrip van zijn innerlijke wereld, zal daarom niet uit mogen gaan van de gekende mogelijkheden, maar dient te proberen zich ook het onmogelijke voor te stellen. Wanneer ik het onmogelijke in mijzelf een zodanig beeld kan geven, dat het daarmede voor mij begrijpelijk wordt, omschrijf ik daarmede in stoffelijke zin een deel van de eigenschappen van mijn werkelijk (of groot) ego. Het werkelijke ego van de mens is constant, eeuwig, blijvend. Indien ik een deel daarvan leer kennen tijdens het stoffelijk bestaan, zal ik door kunnen dringen in de werkelijke wereld van het ik en bewuster deel kunnen hebben aan het werkelijke bestaan.

Het leven van de mens gelijkt in vele opzichten op het bestaan van de vossen, die een zo grote rol spelen in vele verhalen uit mijn oude land. De vos is daarin een wezen, dat zich, vooral bij nacht, veranderen kan in een mens. De vossen gaan als mensen door het land, zij ontvangen gasten, drijven handel, enzovoort. Zodra echter de dag aanbreekt, is de begoocheling voorbij. Zij zijn weer vossen en gedragen zich alleen als zodanig. De mens in zijn innerlijk kan komen tot het erkennen van zijn werkelijke persoonlijkheid. Indien hij zijn voorstellingen kan aanpassen aan een werkelijkheid, die de zuiver menselijke te boven gaat, zal hij in ogenblikken van rust kunnen leven, handelen, als een waarlijk geestelijk wezen. Men is dan niet slechts menselijk ego, maar kan ook als superego leven, ook wanneer dit niet constant mogelijk blijkt.

Daaruit komen voor mij dan weer een aantal andere beelden voort. Ik wil u niet lastigvallen met voorbeelden van de bekende meditatie-proeven als bijvoorbeeld: “Hoe loopt een man met één been hard?” Ofschoon het overwegen van dergelijke vragen vaak bij zal dragen tot een voorstelling van het menselijk onmogelijke. Ik zou u slechts willen vragen: wanneer u zich bezig houdt met innerlijke waarden, met uw persoonlijkheid, roeping, de bedoeling van uw leven, en daarbij alleen uitgaat van het menselijke, zo zult u zich toch kunnen vergissen. Probeert u dus eens voor te stellen, dat al het schijnbaar belangrijke in uw leven in feite maar bijkomstig is, terwijl de grote belangrijkheid van het bestaan gelegen is in het schijnbaar onbelangrijke. Dit vergt enig nadenken. Maar is men eenmaal zover gekomen, dat men in staat is voor zich een beeld te vormen van een uit onbelangrijkheden bestaand werkelijk leven, dan ziet men in het nu verwaarloosde deel van het bestaan opeens de werkelijke kracht van het ego, maar ook een openbaring van het goddelijke, het Licht, dat zich in eigen leven dan opeens kenbaar blijkt te manifesteren. Deze manifestatie brengt het Ik dan weer de mogelijkheid uit het grotere te leven.

Wanneer je weet dat alles, wat zo belangrijk lijkt, in de werkelijkheid onbelangrijk is geworden en je de onbelangrijkheden van vandaag in hun eeuwige en ware betekenis kunt overzien, blijkt het leven gemakkelijker te beheersen te zijn.

Het doel van het bestaan blijkt veel eenvoudiger te omschrijven. Wanneer u hier bent, zult u zeggen dat het uw taak is om anderen te helpen. Misschien getroost u zich daartoe onnoemelijk vele inspanningen. Maar wanneer u leert achter de uiterlijkheid te zien, in het kader van de schijnbare onmogelijkheden en het innerlijke bestaan, zo zult u ontdekken dat u onbewust vaak een mens veel meer helpt, veel meer geeft, dan met uw beste bewuste pogen.

U zult begrijpen dat het ‘toeval’ in uw leven, dat schijnbaar bijkomstig is, omdat u zo bewust leeft, vaak juistere aanduidingen bevat omtrent uw innerlijke waarde, omtrent de juiste betekenis van uw bestaan, dan alle bewuste bestrevingen bijeen.

Zoek daarom in het leven allereerst een verschil te maken tussen het nu belangrijke en het nu schijnbaar onbegrijpelijke, onbelangrijke. Werp dan het belangrijke terzijde en houdt u daarmede alleen bezig tijdens uw stoffelijk bestaan, wanneer u als mens onder mensen moet leven. Neem het onbelangrijke en onbegrijpelijke tezamen en leef daarmede in de tijd, die u uittrekt voor meditatie en rust. U zult tot uw verbazing ontdekken dat u een soort dubbelleven gaat voeren. Het denkbeeld van de mens, die zich in de ‘andere’ wereld een huis bouwt, mag misschien te eenvoudig en te belachelijk schijnen, maar in je besef van het leven zoals het nu erkend wordt, bouw je als mens wel degelijk een mogelijkheid op om één te zijn met het ware ego in tijden, die door de noodzaken van het stoffelijke bestaan niet worden opgeëist.

Heeft men dit geheel of ten dele bereikt, dan wordt het volgende punt van belang. Wanneer wij te veel met onze hersenen werken, zullen wij alle dingen wel mooi omschrijven, maar ze niet beleven. Je kunt een boek schrijven of lezen, het mooi en interessant vinden, er veel uit leren en het toch niet werkelijk beleven, de werkelijke waarden ervan (ondanks alles) niet beseffende. Zo is het met degene, die zijn innerlijk leven te nauwkeurig wil formuleren: Hij leeft in zichzelf, kan er wijzer van worden, maar ondergaat het geformuleerde niet geheel.

Degene die het innerlijke geheel doorleeft, zal de werkelijkheid beter beseffen dan degene die alles formuleren wil. Voorkom dus voor alles, dat u steeds weer zoekt naar mooiere, juistere (en ingewikkelder) omschrijvingen van uw innerlijke ontwikkeling. Zoek naar datgene wat u doorleven kunt. Besef wel, dat de onwerkelijke wereld van het onbelangrijke zijn werkelijke inhoud voor de mens krijgt, wanneer wij daaraan onze krachten gaan ontlenen. In het menselijke bestaan moet dan ook gelden: Niet de stelling, maar het resultaat is belangrijk.

Waar ik resultaten behaal, daar kan ik werken met het gevoel. Het innerlijke gevoel kan in de plaats treden van de beredenering en zo de mens in staat stellen steeds grotere delen van zijn werkelijk ik, zijn superego, tot uiting te brengen. Waar men echter de theorieën volgen blijft, zal men wel iets bereiken, maar nooit veel: Men zal nimmer in staat zijn eigen bereikingen te vergroten naar de mogelijkheden, maar blijft gebonden aan zijn theorieën die dan de eigen werkelijkheid blijven bepalen.

Indien dit alles voor u te eenvoudig is, verontschuldig ik mij hiervoor. Hoe moeilijk is het echter niet om wijsheid en waarheid te vinden in een formulering, die diepte aan eenvoud paart. Ik wil u enkele juwelen van wijsheid tonen, die hieraan volgens mij beantwoorden. Door dit te doen, erken ik echter nederig, dat ik zelf tot een dergelijke formulering nog niet in staat ben. “Wie leeft uit de Kracht die hij in zich erkent, bereikt zijn geestelijke werkelijkheid en maakt haar waar, zelfs al beseft hij haar nog niet.”

“Wanneer de mus een arend wil zijn, richt zij zichzelf ten gronde.”

“Het is belangrijker de schoonheid van een landschap te beseffen, dan de zorgen van de wereld te overdenken.”

“Wie veel spreekt over harmonie, bezit haar niet. Wie harmonie bezit, spreekt over de schoonheid en wijsheid in alle dingen!”

Er zijn meer van deze juwelen, maar deze geestelijke kostbaarheden vergen vaak toch weer een uitleg, omdat zij te eenvoudig zijn. Daarom wil ik de volgende citaten van enig commentaar voorzien.

“Niet wat anderen zeggen dat gij zijt, doch wat gij zelf beseft te zijn, bepaalt wat gij kunt worden.” Anderen kunnen niet waarlijk weten wat er in u leeft. Zelf denkt u misschien dat u iets bereikt hebt. Indien u uitgaat van de mogelijkheden die u in uzelf beseft, zult u echter waarlijk en blijvend iets bereiken. Want als je denkt iets bereikt te hebben, zul je al te vaak tevreden stilstaan op je weg, terwijl met de bereiking gerammeld wordt, zoals een dronken samoerai met zijn zwaard rammelt. Indien u echter een innerlijke mogelijkheid beseft, zult u haar ook waar gaan maken en ontdekken dat er meer taken zijn, naarmate men meer bereikt. Naarmate men meer taken vervult, zal men meer bereiken en nog meer taken kunnen vervullen.

“Het menselijk bestaan is de blinde plek op het oog van de ziel”. De ziel immers kent zichzelf en haar oneindigheid. In het menselijke bestaan echter kent zij slechts een deel van zichzelf en soms zelfs dit nog niet. Het moet duidelijk zijn dat in het werkelijke bestaan het menselijke zijn niet zo belangrijk is. Het is alleen belangrijk, omdat het door zijn eigenschappen na zijn opheffing als persoonlijk feit een beter besef in de totale persoonlijkheid brengen kan. Niet dus, omdat het in zichzelf waarde bezit.

“De worstelaar, die te veel pronkt met zijn krachten, vergeet vaak te oefenen”. Als u zich te veel bezighoudt met de wijsheid die u vergaard hebt, zult u vaak vergeten u te oefenen in het innerlijk vergaren van wijsheid. En het is steeds weer nieuwe innerlijke wijsheid die u nodig hebt, wanneer u iets wilt bereiken.

Ik besef, dat deze lessen op mijzelf vaak evenzeer van toepassing zijn, als zij voor u van toepassing kunnen zijn. Indien u echter even nadenkt, zult u begrijpen, dat deze kleine juwelen van wijsheid slechts de weergave vormen van de grote werkelijkheid die men niet kan omschrijven, maar waarvan men bepaalde werkingen wel duidelijk kan maken.

“Indien wij zien naar het poppenspel, vergeten wij de spelers.” Mogelijk is dit voor een Japanner duidelijker dan voor een Hollander. Maar indien wij het drama van het leven bezien, vergeten wij vaak dat de krachten die dit alles tot leven brengen en doen bewegen op de achtergrond staan.

Wanneer wij ons niet alleen, door het gebeuren zelf laten boeien, maar ook het bewegen op de achtergrond opmerken, zien wij de krachten die het alles doen bewegen, zien wij de werkelijke spelers en zien wij niet alleen de marionetten, die zij tijdelijk naar voren schuiven als uiting.

De werkelijke spelers in het leven (en dit zult u duidelijker beseffen, naarmate uw innerlijk schouwen beter wordt) zijn vaak goden en halfgoden of, zo u dit liever hoort: Grote geestelijke krachten, persoonlijkheden, stralen en werkingen. Deze spelers leren kennen, betekent ook hun techniek kennen. Wie de techniek van de speler kent, waardeert de techniek en het spel het best.

U moet daarom eens proberen de krachten, die ook achter uw leven schuilgaan, zo nu en dan te zien, er iets van op te vangen, iets te leren omtrent de vreemde machten, die de aarde en de mensheid het spel van het leven op doen voeren. Het spel zelf kent u. U noemt het ‘het leven’.

Maar wanneer men de spelers kent, zal men hun bepaalde techniek gaan beseffen en zo weten, wat de schoonheid, de grootheid van het leven uitmaakt. Terwijl men daarnaast kan voorzien wat er gaat gebeuren. Het leven is dan geen bloederig drama of een reeks van romantische onthullingen, maar een openbaring door de wijze waarop de uiterlijkheden tot stand komen.

Daarmede wordt de zin van de opvoering ook duidelijker. Wanneer ik mensen zie die naar innerlijke waarheid denken te streven, zo vraag ik mij altijd weer af: Kijken zij niet te veel naar het spel van de poppen, begrijpen zij niet te weinig van hetgeen de poppen doet bewegen?

“Wij vervullen datgene, wat voor ons is vastgelegd. Indien wij het bewust doen, vervullen wij het volmaakt. Doen wij het onbewust, dan werken wij minder volmaakt. Aanvaarden wij het niet, dan worden wij terzijde geworpen, omdat wij onjuist reageren”. De kosmische krachten, goddelijke waarden, zoeken in ons een uiting. Zij hebben voor ons in dit spel waarin het leven, maar ook het goddelijke bestaan wordt uitgebeeld, een bepaalde taak. Wij beelden uit wat God is, al is het maar in facetten. Doen wij dit met enig besef voor de Kracht, die ons manipuleert en een aanvaarden daarvan, dan zijn wij volledig deel van het goddelijke en kunnen wij van marionet in bewustzijn langzaam maar zeker mede tot speler worden. God is het kosmische beeld van bestaan, waaraan ons superego deel heeft. Vervult men zijn aandeel in de kosmische persoonlijkheid, beeldt men de innerlijke waarheid juist uit, dan is men in harmonie met het goddelijke. Is er een harmonie tussen stof en werkelijke ego, dan geeft men het beeld van het goddelijke juist weer en kan zich daarmede één gaan gevoelen, tot alle begrenzingen van het eigen wezen wegvallen. Het ik, zoals wij het zien, valt dan weg, maar het bewustzijn, het aandeel aan het geheel, dat het vertegenwoordigt, blijft in het geheel oneindig bestaan.

image_pdf