De mens als voertuig van de geest

9 januari 1968

Naar ik meen bent u een lange tijd bezig geweest met het over­wegen van allerhand effecten in de mens en de magische betekenis, die daaraan verbonden kan zijn. Voor vanavond zou ik dan graag met u willen spreken over de mens als de machine van de geest.

De mens is een eigenaardig wezen. Een groot gedeelte van zijn reacties en emoties worden bepaald door zijn eigen lichaam. U zou kunnen zeggen dat de mens ongeveer 43 verschillende soorten func­ties heeft, die vanuit het lichaam biochemisch gestimuleerd kunnen worden. Aan deze emotionaliteit kan de mens zich dus niet onttrekken. Hierdoor ontstaat een grote reeks associaties in het begrips­vermogen, die eigenlijk niets met de waarheid te maken hebben, maar die eerder doen denken aan een getrainde reactie of misschien zelfs aan een prikkelreactie zoals die van Pavlov.

De geest zelf is met het lichaam over het algemeen in concen­tratie volledig, in wezen en vorm slechts ten dele verbonden. Het zal u dus duidelijk zijn dat de geest in vele gevallen, het lichaam kan stimuleren, wanneer het niet mogelijk is het denkvermogen te stimuleren.

Het denkvermogen van de mens heeft een betrekkelijk rigide structuur. Eenmaal gebaande denksporen blijven zich steeds weer her­halen. U krijgt dus altijd dezelfde reeks van associatiebeelden. En uw eigen wereldvoorstelling is gebaseerd op altijd weer dezelfde, in uw denkvermogen vastgelegde reacties.

Wil de geest nu invloed uitoefenen buiten dit denken om, dan is de enige mogelijkheid om een emotie in het lichaam tot stand te brengen. Daar de geest beschikt over een astraal voertuig en een etherisch voertuig, kan in het zenuwstelsel over het algemeen een zeer scherpe impuls gelanceerd worden. En deze betekent dan meestal weer de een of andere afscheiding, soms ook een versnelling van spierreacties; en deze brengt dan in het lichaam een toestand te­weeg, waardoor het geheel emotioneel wordt.

Bij deze emotie ontstaat nu een kleuring (ik kan het niet anders zeggen), een kleuring van de associatie. Wat nu het eigen­aardige hierbij is, kan ik u niet in een paar woorden vertellen, want dat is een heel verhaal. Ik zal er daarom enkele hoofdpunten uit nemen.

Op het ogenblik dat een emotie van angst wordt geïnjecteerd, krijgen wij een versnelde reactie, zoals u misschien weet, meestal gepaard gaande met een minder beheerst reageren. Is iemand nu niet verstandelijk in staat om een bepaalde situatie te verwerken, zoals dat geestelijk belangrijk is, dan kan de geest zelf dus proberen in dat lichaam een reactie van angst tot stand te brengen. Deze angst­reactie betekent dus de afscheiding van verschillende prikkelende middelen vanuit klieren, gepaard gaande met een verhoging van bloed­druk en hartslag. De ademhaling verandert iets en de zenuwreacties versnellen zich. Gelijktijdig wordt een groot gedeelte van hetgeen er­felijk in het lichaam aanwezig is, sterker geactiveerd dan het denk­vermogen.

Wanneer je nu denkt, in zo’n situatie kun je niet meer logisch denken. Wat wij zien ontstaan is eigenlijk een soort kortsluiting, die tussen verschillende denkkanalen tot stand komt. Daardoor krijgen wij een reeks van associaties, die binnen de emotie nieuwe denksporen banen. En op grond daarvan kunnen wij allereerst zeggen:

Het is de geest mogelijk via haar beheersing van de emotionele prikkels in het menselijk lichaam tot op zekere hoogte niet-juiste denkwijzen te corrigeren, onjuiste reacties eveneens te corrigeren; en als zodanig heeft de geest dus op het verstand – ook met zijn afwijkingen van realiteit en norm – een voldoende invloed.

Dit is een aspect dat natuurlijk enigszins meer magisch is dan esoterisch, want op deze manier kan ik de mens brengen tot allerhand handelingen, reacties en ook prestaties, die volgens zijn normale denken niet mogelijk of niet aanvaardbaar zijn. Ik kan verder via dit geheel natuurlijk invloed uitoefenen op de omgeving en ik kan dus daarin allerhand effecten veroorzaken, die buiten de norm liggen.

Esoterisch – d.w.z. voor de mens die naar binnen toe streeft – is het heel erg moeilijk dit allemaal te verwerken, want je kunt je niet realiseren wat er precies gebeurt. Hoe vaak hebt u zelf niet een soort emotie gehad, waarvan u niet zou kunnen zeggen waar zij eigenlijk vandaan kwam. U hebt ze misschien verwaarloosd en uw denken is ook geneigd om dit maar terzijde te stellen.

Wat u niet hebt opgemerkt is, dat er een zekere sprong in zit. Uw denken is veranderd van type, van reactie. En terwijl u meent normaal verder te gaan en dus ook uw normale terminologie en uw normale innerlijk besef te kunnen handhaven, is er in wezen iets veranderd.

Het is misschien dit punt, waarop wij toch allereerst de aan­dacht moeten vestigen. Invloed van de geest op het lichaam uitge­oefend, verandert het denken van de mens, zonder dat de mens zich van deze wijziging in eigen denken op dat moment bewust is. En dat is heel belangrijk. Later realiseer je je wel dat je veranderd bent, maar je weet vaak niet hoe en waarom.

Een tweede punt dat hierbij erg interessant is, is de z.g. traumata, die lichamelijk-geestelijk voorkomen. Dat zijn – zoals men zegt – kwetsuren, overspanningen, die op het besef (op de hersenen o.m.) een zeer grote invloed uitoefenen.

Wij kennen allemaal de bekende term: een geboortetrauma. Dat klinkt psychologisch, maar het is eigenlijk veel meer dan dit. Want in de prenatale periode zal de geest over het algemeen (doordat zij probeert in dat lichaam toch ook nog een beetje vormend – althans conditionerend – op te treden) veel van haar vroegere weten en ook van haar vroegere levens in dat lichaam projecteren.

Maar nu komt die geboorte als een enorme schok. Zij is een verlaten van een wereld van geborgenheid voor een andere wereld, met een enorme spanning en een verbreking van allerhand tot op dit moment normale en vitale banden. Het resultaat is dat deze ervaring eigenlijk al het andere overheerst. De in het nog niet geboren kind aanwezige impulsen, impressies (kennis die dus ook in de hersenen is vastgelegd), worden overspoeld door de enorme indruk en spanning van de geboorte.

Er is dus in feite altijd een geboortetrauma aanwezig. Alleen is het zo normaal dat men het niet meer als zodanig noemt en men het alleen over een geboortetrauma heeft, wanneer er dus zeer bijzon­dere omstandigheden zijn geweest en daardoor het wezen (het kind bv. zelf) van de norm zou afwijken.

Hier hebt u dus weer iets, waarmee u rekening hebt te houden. Uw voorbestaan en uw geestelijk bestaan zijn – zij het zwak – in de her­senen aanwezig. En wanneer nu de geest dat lichaam a.h.w. dirigeert door verschillende toestanden daarin te scheppen, zullen deze ver­standelijke achtergronden, die dus nooit in het bewustzijn doordrin­gen, een rol gaan spelen. Waar de normale associaties dus niet meer hun vaste loop kunnen volgen, ontstaat een overbrugging, die vaak voor een zeer groot gedeelte bepaald wordt, door de geestelijke onder­grond, die uit het vorig bestaan en uit de geest in die hersenen aanwezig is. En zo is er geen willekeurige associatie onder bv. panische impulsen, maar er is een gegroepeerde associatie.

U hebt waarschijnlijk zelf weleens ervaren, dat u onder zware emotionele spanningen op een gegeven moment dingen voelde, die eigenlijk niet verklaarbaar waren. Dat u ineens denkbeelden had, die niet in uw eigen tijd en niet in uw eigen gewoonten van leven en denken thuishoorden. Deze komen heel vaak voort uit een voorbestaan van de geest dat is vastgelegd in de prenatale periode in het kind.

Wanneer je esoterisch streeft, dan weet je van dat alles niets af. Maar op het ogenblik dat je in jezelf vastloopt, dat je moet grij­pen naar het onbekende, treedt deze impuls weer dirigerend op. Want waar het normale denken, de normale menselijke logica e.d., geen houvast meer hebben en geen samenhang meer vertonen, daar treedt dus deze associatie van het voorleven op de voorgrond en brengt een ver­binding tot stand tussen schijnbaar niet-gelieerde omstandigheden, herinneringen misschien of kennis.

Als je van hieruit nu verder gaat denken, zouden wij voor het menselijk leven de volgende definitie kunnen geven:

Een bestaan, gebaseerd op de interpretatie van de aardse waar­den, waarin echter de associaties in bijzondere omstandigheden worden bepaald door geestelijke waarden, vóór de geboorte in het lichaam vastgelegd. Terwijl verder emoties, die mede via de geest of alleen door de geest tot stand worden gebracht, eveneens versnelde of gewij­zigde reacties met zich kunnen brengen.

De totale vorming van leven is dus eigenlijk voor een zeer groot gedeelte werk van de geest. Naarmate de geest een zuiverder inzicht heeft in wat belangrijk is voor haarzelf, zal zij duidelijker impressies kunnen vastleggen vóór de geboorte. Hierdoor zullen deze impressies minder sterk uitgewist worden door de gebeurtenis van de geboorte zelf. En zo zullen mensen, die dus een redelijk bewuste geest hebben (en dit behoeft dus niet wat men noemt een “oude” geest te zijn) in vele gevallen beschikken over herinneringen, die hen in staat stellen hun juiste plaats, hun juiste oriëntatie te vinden in het le­ven, zonder dat men eigenlijk menselijk redelijk hierover iets kan zeggen. Een schijnbaar instinctieve oriëntatie, veroorzaakt door de geest.

Voor de esotericus betekent dit, dat een groot gedeelte van zijn innerlijke erkenningen, van zijn associaties, tot stand wordt ge­bracht door geestelijke waarden. Wanneer u afwijkt van de normale in­terpretaties, van de normale gang van zaken, misschien zelfs wanneer in uzelf begrippen van menselijkheid, van God, van sferen, van kosmos, zich dus anders uitdrukken dan gangbaar is, dan hebt u een heel grote kans dat hierin uw eigen geest – vooral wanneer het een wat sterkere geest is – een heel grote rol speelt. Hierdoor wordt elke menselijke omschrijving van esoterie e.d. vraagwaardig, tenzij het ik voor zichzelf een bevestiging of een omschrijving daarvan vindt, die nog binnen het verstandelijk vermogen kan worden neergelegd.

Een ander punt dat misschien hiermee direct in verband staat, zou ik ook graag even willen aansnijden. Dat is nl. de kwestie van dood. Geboorte en dood zijn dingen die enorm dicht bij elkaar liggen. En het lichaam dat een zwaar trauma heeft ondergaan bij de geboorte, kent eenzelfde soort verweer tegen de dood, die – vanuit het lichaam gezien – een soortgelijke traumatische ervaring met zich zou moeten brengen.

Hierdoor is er eigenlijk een scheiding ontstaan tussen de wer­kelijke geestelijke gang van zaken en de zuiver stoffelijke. Het verzet van het lichaam brengt normale associaties met zich mee, zoals deze verstandelijk plegen voor te komen; en hieruit kunnen angstimpulsen, verweerimpulsen e. d. zonder meer ontstaan. Maar deze impulsen zijn meestal niet bepalend voor het geestelijk gehalte, dus voor de gees­telijke achtergrond.

Hetzelfde kun je natuurlijk zeggen voor een vredige aanvaar­ding van die dood. Ook hier speelt de geestelijke achtergrond vaak geen grote rol. Belangrijk is alleen maar dat de angst voor het trau­ma, de verwonding van de totale persoonlijkheid in de geboorte, over­wonnen is. Dat geeft blijk van een geestelijke rijpheid en dan krijgen we een vredige dood. Wij kunnen dan veronderstellen dat de geest in dat lichaam haar doeleinden dus goed heeft bereikt, want het heeft een soort rusttoestand in dat lichaam teweeggebracht.

Wij kunnen daarnaast ook aannemen dat reacties die vaak geweld­dadig zijn (het verzet tegen de dood bij mensen die misschien vloekend sterven; dat gebeurt ook weleens), voor een groot gedeelte instinc­tief zijn. Het zegt dus niets over de geestelijke waarden. Het vertelt ons alleen maar dat de beheersing die de geest tijdens het leven over het lichaam heeft gehad, waarschijnlijk kleiner is geweest.

De dood is overigens op zichzelf een vorm van hergeboorte. En bij deze hergeboorte verlies je niet – zoals op aarde – je voorge­schiedenis. Integendeel, je vindt die in haar essentiële punten di­rect terug.

De esotericus stelt nu heel vaak dat je om een zekere inwij­ding, een zeker begrip te bereiken, eerst moet sterven. Dat is in deze zin volledig begrijpelijk, maar zuiver lichamelijk meestal erg moeilijk door te voeren. Want hoe krijg ik weer toegang tot mijn wer­kelijke wezen, door het uitschakelen van de lichamelijkheid en de lichamelijke beperktheid? Dan krijg ik mijn totaal vroeger besef terug en uit dit besef o.m. menselijk gesproken mijn kennis, mijn vaardig­heden, mijn juiste erkenning van relaties in de geest en in de stof, mijn vermogen a.h.w. om mijzelf juist en harmonisch in te stellen t.a.v. hogere waarden, mijn mogelijkheid om mij in lagere werelden te projecteren. Bewegelijkheid.

Wie dit in de materie bereikt is natuurlijk wel een buitenge­woon gezegend mens. Maar hij zal het nooit kunnen bereiken via over­peinzingen. In de esoterie legt men heel vaak de nadruk op de con­templatieve processen, waarbij men a.h.w. door beredenering en door verstandelijk werken moet komen tot een erkenning van het Hogere. En dat is in 99 van de 100 gevallen kolder. Het spijt me dit te moe­ten zeggen.

Maar je kunt er wel iets anders voor in de plaats stellen. Wanneer de mens de harmonische ervaring kent – onverschillig op wel­ke manier die dus tot stand komt en wat daar verstandelijk allemaal bij gedacht kan worden – gewoon het feit van een bestaande harmonie, is de uitdrukking van een geestelijke rijkdom.

En het gevoel van die harmonie brengt lichamelijk bepaalde reacties. Want een mens die eens een ogenblik – onverschillig hoe -een harmonie volledig ervaart, zal ontdekken dat in zijn lichaam a.h.w. een ontspanning optreedt. En die ontspanning zie je zich uiten bv. in een snel herstel van krachten. Je ziet dat zij tot uiting komt in een bijzondere scherpte van denken, omdat het lijkt alsof je volledig je hersenen hebt kunnen laten rusten, weken en maandenlang. Er is dus een wegvallen van spanning. En daarnaast – secundair – is er over het algemeen een betere opruiming van afvalproducten in het lichaam. Dus de gezondheid wordt dan over het algemeen ook weer iets beter.

Deze harmonie nu heeft – esoterisch gezien – te betekenen dat ik de geestelijke waarden, die ik niet verstandelijk helemaal kan zeggen of duiden, zo sterk in mijn totale wezen (dus ook in mijn lichaam) bemerkt heb, dat hierdoor de associatieve processen bepaald worden. Dus niet de logische, maar de associatieve processen.

En de mens, die vanuit dit gevoel van harmonie zijn wereld be­ziet, ontdekt dat de stukjes op een andere manier in elkaar gaan pas­sen. Er komt een groter geheel. Hij ziet zijn mogelijkheden anders. Hij ziet zijn toestand anders. Hij begrijpt de dingen beter. En door dit begrip, door deze erkenning van mogelijkheden, is dan – maar ook pas dan – de verstandelijke weergave met de menselijke beperkingen erbij mogelijk in je eigen denken, in je eigen taal.

De harmonie, waarover ik spreek, heeft natuurlijk ook magische betekenis. Magie, dat weet u allemaal, is het gebruik van krachten of wetten, die normaal niet als zodanig erkend worden.

Wanneer ik die harmonie in mijzelf ken, gebeurt er iets in mijn eigen lichaam, als ik dat heb. Maar er gebeurt meer. Naast het li­chaam nl. ondergaan zowel het etherisch lichaam als het astraallichaam die invloed als een enorme toevoer van kracht. Deze toevoer van kracht betekent dat ik meer astraal kan projecteren. Het impli­ceert dat mijn etherisch dubbel a.h.w. gemakkelijker – hetzij in mijn eigen wereld, hetzij in andere werelden – kan waarnemen, kan ervaren. Mijn geestelijke vermogens verscherpen zich en mijn beheersingsmogelijkheid vanuit astrale en levenssfeer (en soms ook vanuit de mentale wereld) vergroot zich t.a.v. de wereld, waarin ik leef. Deze harmonie is dus ook een basis van magisch bereiken.

Heb ik al deze dingen nu zo bij elkaar behandeld, dan moet ik trachten de les te gaan afronden. En dat kan ik geloof ik niet doen met logische en verstandelijke argumenten. Want logische en verstan­delijke argumenten impliceren weer de beperking. De beperking, omdat ik een samenhang van het denken moet vinden, die voor u aanvaard­baar is. Ik wil die beperking voor zover het mij mogelijk is elimi­neren. En dan stel ik:

  1. Datgene waarin je voor een kort ogenblik desnoods harmonisch kunt zijn, ongeacht de vorm, de rationaliteit ervan, etc., brengt in het ik een vergroot vermogen tot uitdrukking van dit ik en de wil van het ik, ook in eigen wereld; een herstel van vermogen en krach­ten voor de voertuigen van dit ik; en op grond van dit alles een persoonlijke formulering, die voor het ik zelf als richtsnoer kan dienen.
  2. Elke impuls van harmonie kan slechts bestaan in samenhang met een impuls van disharmonie. Slechts wanneer de tegendelen beide in mij aanwezig zijn, kan ik één van beide realiseren. Een disharmonie omgezet in harmonie, betekent altijd een zeer grote winst aan ver­mogen en kracht en een erkenning van alleen voor het ik op dat moment geldende wegen en middelen ter bereiking. Een harmonie die slaperig is, die niet ervaren wordt, een soort dommeling, kan alleen actief worden gemaakt, wanneer wij ze door een disharmo­nisch effect onderbreken. Disharmonie kan dienen als een wekprikkel, opdat harmonie kan worden ervaren. In deze zin is een voortdurende afwisseling van harmonie en disharmonie in het be­staan noodzakelijk, omdat alleen daardoor bewustwording mogelijk is.
  3. Alle krachten van sferen, astrale wereld en zelfs van hogere geestelijke wereld, zullen reageren op harmonische contacten. Een harmonisch contact is nimmer mogelijk op één niveau, U kunt niet gelijktijdig harmonisch zijn met een hoge sfeer en disharmo­nisch zijn met een lage sfeer. Hieruit vloeit voort dat alleen de absolute eenheid van het wezen in harmonie (of – wanneer u een lagere sfeer wilt hebben – disharmonie) in staat is om de krachten van andere sferen en werelden binnen uw beheersing en vermogen in uw eigen wereld tot uiting te brengen.
  4. En dan voor de bewustwording van de Godheid in jezelf – ook een belangrijk punt – kun je zeggen: Aangezien God amorf is, ook wanneer ik Hem voor mijzelf antropomorf voorstel, mag ik stellen: Elk beeld dat ik mij maak van God is waar. Maar elk beeld van God dat ik mij maak, groeit uit mijn eigen wezen en is de uit­drukking van datgene wat ik in harmonie en disharmonie in mij­zelf bereik. Als zodanig is God niet Iets wat wij moeten aan­vaarden of verwerpen, maar slechts iets wat wij moeten ondergaan en beleven. De associaties, aan het begrip God voor ons verbon­den, zijn uit de aard der zaak persoonlijk en – mits voortkomend uit voornoemde wijze van erkenning, beter gezegd: van beleving – volledig waar. Al datgene wat als waarheid in God wordt erkend, wordt – har­monisch beleefd en uitgedrukt – een macht in mijn eigen wereld. Al datgene wat ik van God erken en disharmonisch beleef en uitdruk, wordt voor mij een demonisch element in mijn eigen wereld. Uit de godserkenning schep ik voor mijzelf engelen en demonen, schep ik voor mijzelf ontkenningen en bevestigingen en maak ik uit de kosmische eeuwigheid voor mijzelf naar believen hemel of hel.
  5. En dan een laatste punt, waarop ik toch ook wel even de nadruk wil leggen: Geloof kan pas waarlijk bestaan in de mens, wanneer het gebaseerd is op zekerheden, die de geest – meestal voor de geboorte – ook in de hersenen heeft afgedrukt. Waar een geloof bestaat, kan het wel redelijk worden omschreven, maar nimmer redelijk worden ver­klaard. De onredelijkheid van mijn geloof is het bewijs van de waar­de, die dit geloof voor mij heeft. En wanneer een geloof de uitdrukking is van een geestelijke waar­heid (dus van iets wat in mijn totale persoonlijkheid waar is en leeft), zal het totaal van kracht en beheersing, van mogelijkheden en erkenningen uit de totale persoonlijkheid, binnen het stoffelijk ik kenbaar kunnen worden via dit geloof. Geloof is een middel, waaruit een zekere zelfrealisatie kan voortvloeien. Het is niet op zichzelf een onaantastbare waarheid.

U ziet, ik heb mijn best gedaan zo verschillende punten naar voren te brengen en ik hoop dat u mij als invaller voor uw eigenlijke leider niet al te zeer afwijkend vindt t.a.v. degene, die u gewend bent.

In al deze dingen ligt voor u een hele reeks consequenties. En die som ik op, niet als deel van het onderwerp, maar om u een beeld te geven van wat er zich zo allemaal zou kunnen afspelen.

Banden met jezelf, met je wereld, met andere werelden, kunnen in het ik voortdurend gerealiseerd worden, maar slechts in de vorm en in de omvang, waarop zij in het ik – hetzij onderbewust, geestelijk of bewust – bestaan. Voorstellingen, die men zich daaromtrent maakt, hebben geen enkele relatie ermee.

Alle krachten, die voor mij voorstelbaar zijn, zijn voor mij han­teerbaar op het ogenblik dat ik ze mij kan voorstellen. Een voor­stelling behoeft niet redelijk te zijn. Zij kan geloof zijn. Zij kan mis­schien eenvoudig een rationalisatie zijn op grond van andere waarden. De kracht waarin ik geloof is de kracht die ik bezit. De kracht die ik bezit is de kracht die ik overal kan manifesteren, overal kan uiten.

En daaruit vloeit verder natuurlijk voort dat de begrenzingen die ik ken in mijn eigen wereld of sfeer, afhankelijk zijn van de wijze, waarop ik mijn totale persoonlijkheid werkzaam laat zijn in mijn huidige vorm of wereld. De grenzen, die in een vorm misschien geboorte en dood kunnen betekenen, zijn in feite voor het ik zelf alleen maar aan­duidingen van fasen, van werktuiglijkheden. En dit impliceert dat deze grenzen alleen bestaan, zolang de vormgebondenheid van onze voorstel­ling een rol speelt.

Een mens, die geen vormgebondenheid van voorstelling kent, heeft een voortdurend contact met alle wezens, alle krachten, alle invloeden die hij of zij maar kent, uit het verleden in het totale ik of uit het heden. En elk contact daarmee kan worden omgezet in een realisatie, meestal voor de mens die nog niet ingewijd is weer uit­gedrukt in een emotionele impuls, waardoor associaties optreden. Maar wordt het geheel beseft, dan kan ook deze impuls, die emotie en die associatie gebruikt worden als een soort hefboom om alle krachten en werelden in je eigen wereld actief kenbaar te maken.

En daarom – en dat is het laatste punt – is het niet goed om juist als mens uit te gaan van de beperkingen van het menselijk denken alleen. Hoe meer men zijn eigen wezen, denken, optreden en handelen aan vaste grenzen bindt, hoe minder men in staat zal zijn de geestelijke waarden en waarheden in en vanuit zichzelf kenbaar te maken.

Naarmate het eigen besef grenzeloos is en dus geen beperkin­gen voor het ik erkent, maar de innerlijke kracht via – ik zeg het alweer – emotie en associatie en misschien soms erkenning, het eigen handelen in een niet-begrensde wereld bepaalt, zal de totale be­heersing van eigen wereld en eigen wezen groter worden.

En wanneer dat allemaal een beetje moeilijk lijkt, dan wijs ik u erop dat de projectiemogelijkheid altijd bestaat. Datgene, wat u zelf niet meent te kunnen zijn of tot stand te kunnen brengen, kunt u toekennen aan een al dan niet reëel bestaande vorm of entiteit, die dan voor u de aanvulling wordt van uw eigen vermogen, omdat, door u tot deze entiteit te wenden, voor u de begrenzingen van moge­lijkheden wegvallen.

Een mens is een magisch machtig wezen. Hij is innerlijk een kosmisch wezen, maar hij zal dit alleen kunnen realiseren in een grenzenloosheid. En daarom heb ik wel één raad voor u:

Wanneer u esoterisch wilt streven of misschien magisch werk­zaam wilt zijn, onthoud één ding: Uw eigen gedrag moet voortvloeien uit uw eigen impulsen en associaties, dus niet uit uw beredenering. Maar uw erkenning van de wereld mag geen enkele grens stellen, voor niets en niemand.

Door alle dingen als mogelijk, als nuttig en bruikbaar te er­kennen op hun plaats en in hun eigen tijd a.h.w., bereik je een ze­kere harmonie met het totale leven, waarbij de grenzen, die de mens normaal kent, eigenlijk wegvallen en zo het leven veel voller en veel rijker en groter wordt, dan je je anders kunt voorstellen. En in je­zelf erken je dan ook de kosmische Godheid beter en zal je de krach­ten, die je in die God projecteert en ook reëel vanuit die God ont­vangt, volledig kunnen gebruiken voor al hetgeen, wat op dit moment aan de hand van eigen innerlijke wereld nuttig en dienstbaar is.

Wanneer u vragen hebt over het voorgaande, kunt u die vragen een volgende maal stellen.

Nu nog enkele punten over de spreker na de pauze.

Achtergrond- oosters. Filosofie: brahmaans met boeddhistische boventonen.

Rang: ongeveer grootmeester (men zou kunnen zeggen: vol adept), behorend tot de Witte Broederschap, actief in de uitvoerende Raad en in de Grote Raad van de Witte Broederschap.

Eigen werk op aarde: hoofdzakelijk lerarend, maar nimmer in verbin­ding met een bepaalde godsdienst of een bepaald klooster.

Eigen grootste belangstelling in het verleden: naast metafysica vooral ook de werking van God en goden op aarde.

En misschien nog interessant om erbij te vermelden: als persoonlijk­heid vroeger een heel eigenwijs mannetje, dat zich geestelijk echter wonderbaarlijk ontplooid heeft. En dat doet mij veronder­stellen dat die eigenwijsheid heel hard nodig was, om wat gees­telijk reeds aanwezig was meer nadruk te geven.

De gastspreker

Het leven is een wisseling van omstandigheden; een voortdurende gang, die zelden onderbroken wordt. Vanuit de ene wereld be­treden wij de andere, maar altijd weer leven wij in onze eigen wereld, want die dragen wij met ons. Niets van hetgeen werkelijk behoort tot ons leven, verlaten wij ooit. Alleen … wij worden geconfronteerd met de dingen die ons aangenaam zijn en met de dingen die wij liever zouden vergeten.

Dit is de kern van ons bestaan. Wat wij zijn, wat wij geweest zijn, dragen wij altijd met ons. Dat, wat op aarde een vluchtig moment is geweest, is voor ons eeuwig geworden. En naarmate wij vrijer wor­den van gebondenheden van een wereld, een duistere sfeer of helle­wereld of een lichtende wereld, worden wij ons meer bewust van dat, wat wij werkelijk zijn en van dat, wat wij werkelijk met ons voeren.

Ik kan geen enkel ogenblik vergeten vanaf de eerste maal dat ik van mijzelf bewust was als een klein insect, tot de laatste maal, toen ik trachtte wijsheid die ik meende te bezitten, aan ande­ren door te geven. Alles is daar aanwezig. De bloemen en de bossen van eens, datgene wat ik gezocht heb, de vele wisselingen en gedaan­ten, ze zijn met mij.

Al wat ik goed heb gedaan in de levens die ik gekend heb, is nu nog werkelijkheid. Ik betreed nog steeds huiverend de ogenblikken van falen, waarin ik tekortschoot t.a.v. mijzelf. En nog steeds on­derga ik met gloeiende vreugde de ogenblikken die voor mij zijn ge­weest, erkenning en geluk.

Indien ik moet omschrijven wat het wezen van een mens in wer­kelijkheid is, zo zou ik zeggen: Het is een veelheid van lichtende draden, die ontelbare punten van oneindigheid met elkaar verbindt. De mens is datgene wat de feiten van de schepping samenvoegt. Hij is a.h.w. de passage van een goddelijke Adem, waardoor werkelijkheid wordt geschapen in werelden die voor het schepsel dat zichzelf niet kent, waan zijn. Want veel, zeer veel is waan.

Hoe vaak heb ik in het verleden niet gemeend een mens te kennen, maar ik heb nooit een mens werkelijk gekend. Hoe vaak heb ik gemeend een mens te beheersen, maar nu moet ik erkennen hoe machteloos ik in wezen was. Ik heb vaak gemeend meester te zijn van mijn lot. Maar zelfs toen ik tezamen met de schreeuwende horden van een Kublai Khan de steden bestormde, was ik geen heerser en veroveraar, maar slechts de uitdrukking van wat ik ben … en meer niet.

Een mens droomt vaak dat hij het lot meester is. Een mens droomt vaak dat hij waar kan maken wat in hem leeft en wat hij wenst. Maar dan moet hij zich eerst realiseren wat hij werkelijk is. Hij moet eerst komen tot de erkenning van de onbelangrijkheid van feiten, voor hij kan komen tot het waarlijk zichzelf zijn, tot het beheersen. Maar wie zichzelf kent wenst niet meer te beheersen.

Wij maken allen fouten in ons leven. En onze grootste fout is altijd weer dat wij de dwaasheid niet beseffen van ons eigen beeld van wenselijkheden. Waan scheppen wij onszelf, doordat wij niet besef­fen hoezeer wij zelf het beeld van anderen maken. Die anderen, waar­mee wij spreken en leven, ze zijn voor ons grotendeels slechts datgene, wat wij van hen hebben gemaakt, het beeld dat wij scheppen.

Er is veel tijd voor mij voorbijgegaan. En sedert ik de laatste maal op aarde was, is er veel veranderd in uw wereld. Maar de waar­heid blijft onvergankelijk dezelfde. Ook nu leven mensen in de gedach­te dat zij weten wat goed is en kwaad. Ook nu leven mensen met de overtuiging dat zij iets kunnen waarmaken en bereiken. Ook nu leven mensen met de gedachte dat zij vrij zijn, zonder te weten dat hij die vrij is, nog altijd gebonden is aan zichzelf.

Sedert die tijd ben ik gekomen in geestelijke werelden en heb ik geleerd van daaruit te werken voor de mensen. Mensen die ik vaak – en dit siert mij niet – zie als dwazen. Maar mensen die onvermijde­lijk voor mij deel zijn van dit netwerk van lichtende draden, waarmee ik een onbekende oneindigheid omspan: mijn wezen.

En ik heb geleerd besluiten te nemen, richtlijnen te geven en bevelen; want dit is mijn aard. Maar ik weet dat ik niets verander aan de werkelijkheid. Ik verander verschijnselen; ik verander inter­pretaties; ik maak uit de begoocheling misschien een andere begoo­cheling; maar meer dan dit kan ik niet doen. Want ik kan geen jota veranderen aan de werkelijkheid, waarin wij leven.

Onveranderlijk wentelt zich het rad des levens. Onveranderlijk wisselen wij van wereld naar wereld en dragen wij ons eigen wezen en onze eigen waan met ons. En eerst wanneer je vrij begint te worden van de vele illusies die je wezen binden (en ik ben niet vrij van alle waan, want ook ik heb nog een weg te gaan), beseffen wij wat de rijkdom is van het bestaan.

Men zegt dat het leven is gebaseerd op de waarheid van een Christus, van een Boeddha, de waarheid van oude geschriften. Ook ik heb dat gedacht, maar deze dingen zijn in zichzelf waardeloos, tenzij wij erkennen wat zij ons geven willen.

Wijzelven, we moeten oprecht zijn. Niet in de oprechtheid die mensen voor zodanig verslijten, maar oprecht door onszelf niet te bedriegen omtrent onszelf.

Wij moeten trouw zijn. Niet trouw aan beperkte waarden of wet­ten of voorstellingen, maar trouw aan ons eigen wezen en de kracht, die daarin leeft.

Wij moeten ons niet hechten aan de dingen, want de vormen zijn vergankelijk. Maar het wezen der dingen hecht zich aan ons.

Ik heb gewoond in tenten en hutten en paleizen. En waarlijk, ik betreed ze nog steeds. En ik ken ze zoals eens. Zij zijn onvergan­kelijk.

Ik ken de mensen, vrienden, geliefden, vijanden misschien, degenen die ik vereerde en degenen die ik verachtte. En zie, ze zijn er nog steeds. En wanneer ik binnenga in één van mijn herinneringen, is de werkelijkheid daar. Alleen … ik zie anders. Ik leef anders.

Mijn leven daar was eens illusie. Nu is het werkelijkheid. Ik vereer niet meer en ik veracht niet meer, maar ik erken. Ik heb geen vijanden meer en geen vrienden; maar ik heb een eenheid, die uit één ogenblik van streven, uit een enkel leven misschien geboren is en deel van mij blijft tot in het oneindige.

Ik heb geliefden en ik heb degenen die ik heb afgewezen. En zij zijn daar, niet meer als persoonlijkheden die naast mij stonden, maar als delen van mijn wezen.

Denk niet dat ik leef in een wereld van dromen, al ben ik niet vrij van begoocheling en zijt ook gij niet vrij van begoocheling. Er is een werkelijkheid.

De paria, die ik eens van mijn weg deed zwepen, is nu daar. Hij is een mens. En ik ben één geworden met hem. Ik ben paria met hem, maar hij is brahmin met mij. Er is geen verschil tussen ons.

Mensen dromen van een eeuwig leven in hemelen, of van een vaagheid die zij niet begrijpen. Ik zeg u: Leven, leven gedeeld in vele levens en werelden door ons besef, is één onvergankelijke een­heid.

Ik spreek tot u en ik ontmoet u; en ik weet dat dit onver­mijdelijk is. Want zoals ik ben kan ik u niet weigeren. En zoals gij zijt zult ge – al verstaat ge mij niet geheel – antwoorden op mij. En in dat punt, waarin wij elkaar gekend hebben, zullen wij elkander nooit meer verlaten. En ik zal uw wezen en uw denken beseffen en begrijpen, wanneer het feit voorbij schijnt te zijn. En gij zult mij – dit deel van mij dat ik nu spreek en ben – met u dragen. En ge zult er nooit meer los van zijn.

Dit is het grote geheim van de werkelijkheid: Alle dingen zijn altijd. En alle bindingen die je kent, zijn blijvende bindingen. Al wat je hebt gedaan blijft bij je. Al wat je bent geweest zal je altijd zijn.

En in de veelheid, die uit vele levens en sferen is opgebouwd, ontstaat wat mensen noemen een hemel of een hel. Maar wat is: een sfeer van rust, een drijven in een oneindigheid, erkennende zichzelf en erkennende zichzelf in het vlechtwerk dat door alle tijden gaat; weten omtrent alle dingen.

En wie daarin zichzelve niet aanvaardt, leeft in een hel. En wie zichzelve daarin aanvaardt, leeft in een hemel. En wie zichzelve nog droomt, hij gaat wederom door de oude poorten. Hij kent de oude plaatsen. En – zijnde alle dingen – kent hij voor het eerst datgen, wat hij eens meende te beleven.

Je bent niet slechts mens met de mensen, maar ook rots met de rotsen. Je bent sneeuw die ligt op de toppen. En je bent de regen die valt, wanneer het jaargetijde de wolken doet samenkomen. Je bent de vruchtbaarheid die je eens niet erkende; en de honger, die je eens voorbij bent gegaan. Je bent het lijden van alle tijden en de vreug­de van alle tijden.

Maar geen lijden is ooit nutteloos. Geen vreugde is ooit zon­der lijden ontstaan. Geen lijden zou mogelijk zijn, zo er niet de vreug­de was.

De eenheid die gij in uw illusie nog kent als vreugde en lijden, zij is de doelmatigheid van het bestaan. Zij is de zin van het bestaan. Zij is de verklaring van het bestaan misschien.

Achter alles ligt nog steeds de sluier, het raadsel. Er is een scheppende Kracht, een Heerser. En ik heb Zijn aangezicht gezien, maar ik weet dat ook Hij gebonden is aan het vlechtwerk der dingen. Achter Hem schuilt misschien een eeuwige Adem, of misschien een on­bekend Niets. Deze dingen weet ik niet. Al droom ik soms dat ik er­gens achter deze schepping de hartenklop hoor van Iets dat alles is wat ik ben en méér.

Dromen in een leven is goed, wanneer de droom je niet weg­voert van de werkelijkheid. Dromen is voorvoelen wat je kunt zijn, misschien reeds als mens of geest. Teruggrijpen naar dat, wat je nog niet begrepen hebt uit het verleden.

Ik denk soms dat ik ben als het zout, opgelost in de zee. Eens zal ik in een zoutpan binnenspoelen, een druppel water misschien. En eens zal de werkelijke waarde van mijn wezen zich kristalliseren. Eeuwig en onveranderlijk zullen de vaste lijnen van mijn wezen kenbaar worden. Nu erken ik iets van mijn wezen.

En zo zal het u gaan. Gij zijt zoekers naar waarheid. Erken dan dat ge leeft in waan.

Gij kent in u vreemde, ongestilde verlangens die niets te maken hebben met mens of wereld of zelfs met geest. Vage lijnen van het kristal dat ge eens zult zijn.

Eer in uzelf dit onbekende. Want deze schijnbaar onredelijke honger, uw zoeken en uw worstelen met het leven van vandaag, zal eens de uitdrukking zijn van een werkelijkheid, die vrede is.

Spreek mij niet over de vreugden, die aan het einde van alle dingen zijn. Want er zijn geen vreugden. En spreek mij niet van het lijden, dat oneindig kan zijn. Want er is geen lijden. Maar spreek mij van het besef te zijn. Een zijn, dat alle dingen omvat, waardoor de tijd stroomt als het bloed door de aderen van een lichaam.

Denk aan jezelf niet als iets wat vreugde of lijden zal ken­nen, maar als een wezen, waarin een eeuwige kracht zal tintelen, een vluchtige gedachte van eeuwigheid misschien, maar onvergan­kelijk.

Ik heb lang gezocht naar de zin van het bestaan. En nog is mijn tocht niet voleind. Maar uit wat ik ben en wat ik heb geleerd, kan ik u dit zeggen:

Niets is nutteloos, niets is werkelijk lijden, niets is wer­kelijke vreugde, vóór gij uzelf vindt.

En ik kan u dit zeggen: Naarmate gij leert de poorten in uw wezen te doorschrijden en in te gaan in de herinneringen van uw le­vens, van uw zoeken in sferen en uw tochten misschien door helle­werelden, zult gij eerst weten wat meer is dan alle vreugde: het erkennende zijn.

Dan zult ge beroerd worden – zoals ik – door de behoefte om anderen waarheid te geven. En ge zult falen – zoals ik – omdat uw leven niet dat van een ander is. En ge zult slagen, omdat ge – verbonden met anderen – de waarheid van hun bestaan beseft.

Niets is zinloos. Alles is eeuwig. Tijdloos zijn wij. En in de wijze, waarop wij onze tijd waar maken, drukken wij uit wat de tijdloos­heid voor ons zal bevatten.

Velen heb ik gekend, zeer velen. Velen heb ik gedood. Velen heb ik behouden. En zie, uit dit alles heb ik gevonden: mijn vrede en een streven om deze vrede te delen met Al. En uit Al zal de vrede zijn, die méér is dan vreugde.

En wanneer de vrede mij geheel geworden is, zal ik weten wat de hartenklop is die ik meen te beluisteren zelfs achter het stra­lende Wezen, dat dit Al in stand houdt.

Wees daarom in uw leven vóór alles bewust van dit ene: Niets gaat teloor.

Wees vreugde voor anderen. En leef in vreugde waar ge kunt. Maar schuw het lijden niet. Want uit dit alles wordt de waarheid geboren.