De mens, zijn angsten, zijn begeerten

Een mens leeft over het algemeen voor datgene wat hij nog niet heeft en hij vreest voortdurend te verliezen wat hij meent te bezitten zonder dat hij het werkelijk bezit. Dit zijn de punten waartussen het gehele menselijke leven zich afspeelt.
Er zijn mensen die zeggen: Ik wil de schoonheid zien van de lente. En wanneer de bloesems komen, voelen zij zich aangegrepen door de wolken van witte schoonheid en lang, heel lang, staren zij ernaar en zeggen te­gen zichzelf: Hoe jammer dat reeds nu de bloesem als een witte regen ter aarde valt. Zij zeggen niet: Hoe schoon dat de bloesem die nu valt, het ooft van morgen zal worden. Dit is voor de mens, geloof ik, een zeer belangrijk punt.
Een oud beeld, ik heb het al eens verteld, is dat van de vroegere visverkopers in mijn land. Zij droegen meestal een of twee tobben met wa­ter met zich waarin zich een aantal vissen bevonden, grote en kleine. Nu mocht men ernaar hengelen. Men mocht dus proberen met aas één van die vissen te laten bijten. Beet de vis, dan was hij van u en ge mocht dit zo lang doen tot een vis had gebeten. De meeste mensen probeerden steeds een grote vis te vangen. Maar de verkoper zorgde er wel voor dat die vis, voordat hij in de tobbe kwam, zoveel had gegeten dat hij hoog­stens misselijk met de bek trok, als hem een nieuw stuk voedsel werd aan­geboden. Toch dacht eenieder: het is mijn penning wel waard want ik kan die grote vis winnen. En daarom betaalde iedereen teveel voor de kleine vis.
Dit nu is wat er in de wereld altijd weer gebeurt. De mens pro­beert niet te begrijpen wat hij nodig heeft en in arbeid, in gevoelens, het gewenste daarvoor terug te geven. Hij denkt altijd: ik kan een grote vis vangen. Daarom is hij altijd teleurgesteld, ook als hij de vis vangt die voldoende is voor zijn maaltijd.
In de oudheid bracht mijn volk de mens tot geloof aan de vaste or­dening. Er waren mensen die zich voortdurend beklaagden omdat ze nu een­maal in de stand van de koelies of de bedelaars waren geboren. Er waren anderen die zeiden: In zal proberen er het beste van te maken.
Er is een bedelaar geweest die rondging met een zevental blinden en die zoveel geld wist te vergaren dat hij één van de meest geziene koop­lieden van Hangchow werd en, wat nog mooier was, hoofd van een Tong, een koopmansgilde. Die man ging uit van: wat kan ik nu doen en wat wil ik morgen bereiken? Hij was niet bang dat het hem zou mislukken. Want, zo zei hij: wat kan ik verliezen? Hij verlangde ook niet het slagen boven alle dingen. Hij verlangde slechts vandaag wat hij zich had voorgenomen, zo goed mogelijk te volbrengen. En dit is nu de wet van evenwicht, van Tao: “Hij, die vandaag goed volbrengt wat hij wil en kan volbrengen, hij zal morgen veel kunnen volbrengen wat hij onmogelijk acht. Hij zal niet vrezen te verliezen, want in een dag kun je niet veel verliezen. En zo zullen zijn angsten hem niet tegenhouden. Daarom kan hij dag na dag verder stijgen, totdat hij binnengaan in de tuinen van de hemelse keizer. Zelfs daar is er niemand die hem kan beletten, dag na dag, verder te gaan, meer te worden en meer bewust te bepalen.”
Als een mens probeert wetten te maken, dan blijkt heel vaak dat ze eigenlijk geen echte wetten zijn. Men vroeg eens een wijsgeer: “Heer, wat denkt gij van de wetten die de landvoogd namens de keizer in deze provincie heeft uitgevaardigd?”
De wijze zei: “Wetten? Die heb ik niet gezien. Wel proclamaties, waarmee deze hoogwaardigheidsbekleder zijn ongetwijfeld zeer eerbiedwaardige winsten wil beschermen.” Is dat niet altijd zo in de wereld? In uw wereld, en zelfs vaak in de wereld van de geest, proberen wij niet onze angsten te bemantelen door er wetten tegenover te stellen?
Een mens, die niet bevreesd is, zal zijn medemens geen vrijheid weigeren. Maar hij, die bevreesd is voor zichzelf of voor hetgeen hij naar zijn gevoel onrechtmatig geniet, hij zal proberen zijn medemensen te knechten.
Hij, die het gevoel heeft op weg te zijn naar de waarheid, hij zal een ander niet beletten op zijn manier te leven en te denken. Hij zal hem niet minachten omdat hij anders denkt. Slechts hij, die het gevoel heeft dat hij niet op weg is naar de waarheid maar slechts armzalig balanceert boven een val in de absolute illusie, hij zal proberen anderen de vrij­heid te ontnemen. Hij zal trachten anderen te onderwerpen aan zijn denken opdat hij, gesteund door hun aanvaarding, zich wat veiliger voelt op zijn plaats die onveilig is omdat hij niet waarlijk in zich de kracht be­zit om die plaats te bekleden.
Men vroeg eens de zoon des Hemels: “Hoe kiest gij toch altijd, wijze keizer, de juiste dienaren?” Zijn antwoord was: “Ik kies geen juiste dienaren. De dienaren kiezen zich­zelf. Maar ik verkies slechts hen te aanvaarden als dienaar, indien zij mij juist dienen volgens mijn begrip. Hoe zij verder zijn, is niet mijn zaak.”
Deze keizer was wijs. In zijn tijd regeerde de vrede in het land en zelfs zijn krijgers waren geen papieren tijgers. Toen kwam er een zoon des Hemels die zei: “Ik zal mijn dienaren aanstellen. Ik stel de normen waaraan eenieder zal moeten gehoorzamen.” Het gevolg was, dat hij moest plaatsmaken voor de invallende Mantsjoes.
De Mantsjoes zeiden: “ Wij zullen het volk vernederen. Wij zullen hen ertoe brengen voor ons te buigen.” In die tijd kreeg de Chinees zijn staart, het ereteken van haar, dat ech­ter in die tijd alleen verplicht werd gesteld opdat de Mantsjoe op een eenvoudige manier het hoofd kon vastgrijpen als hij dit met zijn zwaard wilde scheiden van het bijbehorende lichaam. En wat zeiden de Chinezen: “Erger dan het was, kan het niet worden. Wij gaan verder.” En ze zeiden tot de Mantsjoes: “Schoon en edel zijt gij.” En ze gingen hun weg, misschien lachten ze in stilte. Toen zeiden de Mantsjoes: “Die Chinezen zijn toch sympathieke mensen. Zij aanvaarden onze hoogheid. Laten wij proberen hun zekerheid te vinden, zodat zij onze dienaren blijven.” Zo werden de Mantsjoes meer Chinees dan de Chinezen. En daardoor werden zij de slaven van het Chinese volk, dat zij eens dachten te beheersen.
Gaat het in uw wereld niet eender? Indien gij u stoort aan de mach­ten boven, zij zullen u ergeren, terecht of ten onrechte. Naarmate zij minder zeker zijn van hun macht, zullen ze feller trachten u te dwingen precies te doen wat zij juist achten. Zij zullen proberen uw gedachten te beheersen.
Maar indien gij zegt: “O, hoe schoon zijn uw gedachten, hoe vererenswaard zijt gij, hooggeachte heerser”, en verder gaat zoals gij zijt, zullen zij zeg­gen: “Wij moeten zijn als dezen, anders verliezen wij onze macht.” En als ze zijn geworden als u, zullen ze datgene voortbrengen wat gij wenst, niet wat zij wensen. Maar als dit nu in u met hetzelfde te maken heeft?
Er zijn dingen die gij verlangt en bang bent te verliezen. Hoe meer ge vreest ze te verliezen, des te meer ge het verlies naderbij brengt. Er zijn dingen die ge vreest, er zijn angsten in u. Hoe meer ge die angsten voedt en voorzichtig bent, hoe dichter bij de werkelijkheid ge komt van het gevreesde. Toch zijt gij uzelf. Leef dan uzelf.
Misschien zijn mensen wel in standen geboren. Misschien zijn ze wel met een bepaald bewustzijn op de wereld gekomen. Wees dan uzelf, dag na dag. En indien ge streeft naar meer, streef slechts naar dat wat ge elke dag meer kunt zijn en meer kunt beseffen. Wie zal u beletten op te klimmen tot de hoogste wijsheid? Maar tracht ge de hoogste wijsheid te stelen zonder haar eerst zelf te verdienen, dan verliest ge niet slechts wat ge dacht te hebben bereikt, maar ge gaat eraan ten onder omdat ge het wilt behouden, het niet kunt behouden en in vrees en begeren niet meer beseft wat ge kunt en wat ge zijt.
De westerling heeft een vreemde opvatting die hij ‘moraliteit’ noemt. Wat is moraliteit? Het is het stellen van gemiddelde zeden waarbij men niet uitgaat van het gedrag dat men tegenover een ander verplicht is, maar van een gedraging die de gehele persoon dient te beheersen. Nu zeg ik u: dit is dwaas. Elke mens kent zijn eigen wetten. Laat hem leven volgens die wetten zolang hij in de buitenwereld beantwoordt aan wat noodzakelijk is om met anderen te kunnen samenleven.
Beklaag u nooit over wat u verworpen heeft. Besef alleen waar de fout ligt in uw waardering of in het verworpene. Stel u vervolgens innerlijk zo in dat het storen u niet meer stoort, dat gij het bezit niet meer begeert en het verlies niet meer vreest. En wat u eens een kwelling was, wordt u plotseling tot vreugde. Dat is geen moraal, dat is werkelijkheid. Want zo schoon als de zon opgaat in de morgen en hoe kleurig ze de hemel ook doet gloeien, zeker is dat ze in het westen zal verdwijnen met diepe gloed, terwijl in het oosten het duister aanstormt dat het landschap wil begraven. Alle dingen gaan voorbij, maar wie de gloed van de zonsopgang in zich heeft geabsorbeerd, hij zal haar in zich bewaren wanneer het duister komt. Zoals Li Po, de dichtende drinker zei: “Laat mij dit moment slechts proeven. Pruimenbloesem, gij vervalt, maar in mijn herinnering zult ge leven zoals ge waart in dit moment.” Dat is de waarheid van ons leven.
“Wees sterk in uzelf”, zo roept de wijsgeer uit, “want hij, die zich niet hecht aan het voorbijgaan buiten hem, hij vindt in zich de vaste kracht die is als een zwaard, dat de draken van de onderwereld en de hemel gelijktijdig kan bedwingen: de sleutel tot de oneindigheden. Hij is gelukzalig, want hij bezit het enig blijvende dat er voor de mens kan bestaan.”
In u leven oneindigheden. Vervul ze, vrees niet de verandering buiten u en ge zult waarlijk de kracht vinden om alles te volbrengen wat nodig is zonder te vrezen, zonder een begeren dat u berooft van uw innerlijke kracht en zekerheid.