Mens en kosmos

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ september 1958

Inleiding.

De kosmos, het geheel van het bestaande, stelt ons voor zeer vele raadselen. Het is voor de mens van uit zijn beperkt standpunt onmogelijk het geheel van de kosmos te kennen en de geheimen, die in de kosmos schuilen, op te lossen. Wanneer wij dan ook filosoferen over deze kosmos, zal ons onderwerp in de eerste plaats moeten wijzen op de mens zelf. Eerst van uit de innerlijke weg is een benadering van de kosmos mogelijk. Van binnenuit kan het bewustzijn groeien, dat ons ten slotte het geheel van de schepping met al zijn wetten doet aanvaarden als een werkelijkheid.

Wij weten dat de kosmos niet alleen bestaat uit het bekende stelsel van drie dimensies plus de bewegende lijn van de tijd. Daarbuiten zijn vele werelden, die elk weer aan een andere reeks van condities onderhevig zijn, die elk een andere reeks van dimensionele waarden kennen. Toch zijn die werelden alle gebonden aan dezelfde wetten.

De kosmos is voor ons het gemakkelijkst kenbaar in haar wetten die op elke wereld gelijkelijk van toepassing zijn. De nadruk op deze wetten te leggen is soms noodzakelijk, maar wij kunnen verstandiger van uit een stoffelijk standpunt deze kosmos benaderen aan de hand van de verschijnselen. Datgeen wat zich aan ons openbaart plus de regels, die in het aanschouwde en ervarene kenbaar worden, zijn voor ons de enige weg om tot een reële benadering van het kosmische zijn te komen.

In onze cursus zullen wij trachten van velerlei standpunten uitgaande steeds weer deze in de menselijke wereld kenbare wetmatigheid te vinden en de indruk weer te geven, die ‑ vanuit een geestelijk standpunt ‑ gewonnen wordt omtrent de kosmos, zoals zij van uit ons standpunt in de mens zich openbaart.

 Mens en kosmos

Er staat geschreven dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Wanneer wij dit in een letterlijke zin willen toepassen, komt onmiddellijk de grote verwarring, de chaos. Want er zijn vele vormen, er zijn vele rassen, er zijn vele geaardheden van mensen. Welke is dan het beeld Gods?

Wanneer wij echter de mens nader bezien, dan toont hij in zich o.a. de capaciteit om het verleden te bewaren en voor zich te doen herleven in de herinnering, zoals in God alle tijden bevat zijn. De mens kan spe­culeren over de toekomst en indien hij intens genoeg wil, kan hij zijn eigen toekomst bouwen en geheel richten op de wijze, die hij zich had voorgesteld. God kent de toekomst, want God is heden en verleden.

God is onsterfelijk De geest, die in de mens bestaat als bewustzijn, is praktisch oneindig. De ziel is onsterfelijk en als kern kan zij niet tenietgaan. Wanneer het heelal niet meer bestaat, zal de kern van de mens, de ziel, blijven voortbestaan in de Schepper. Het gevolg is, dat wij in de mens een groot aantal aspecten van het kosmische weerkaatst zien. Hoe nu deze kosmos te benaderen?

Gaan wij uit van het standpunt van de macrokosmos, dan vinden wij daarin vele werelden en vele sterren. Elke wereld en elke ster heeft een bepaalde capaciteit, een zekere eigenschap. Deze eigenschap kan worden uitgedrukt door te spreken over de geest van deze wereld. Zo kennen wij dus de geest van Saturnus, van Mars, van Venus, van Mercurius, van de zon, van de maan. Hiermee wordt een bewustzijn aangegeven, dat in een dergelijke planeet werkzaam is. Nu zal echter een bekwaam astroloog u kunnen verzekeren, dat elke planeet op alle andere planeten ‑ en dus ook op de wereld ‑ een zekere invloed uitoefent. Dat zij alleen door haar placering in de ruimte verschijnselen op aarde kan bevorderen dan wel tenietdoen. Dus in de macrokosmos hebben wij niet alleen te maken met hemellichamen, maar ook met persoonlijkheden, welke interrelatie, welke onderlinge verbinding van een zeer groot belang is voor allen.

Indien wij dit stellen t.o.v. de planeten in een zonnestelsel, dan kunnen wij dit logischerwijze ook stellen t.a.v. de sterren, ja, van de sterrengroepen en ‑nevels. Reeksen van persoonlijkheden, die elkaar onderling beïnvloeden. Klaarblijkelijk is ontstaan, bestaan en ondergaan van al deze sterren en planeten onderling afhankelijk. Men kan niet zeggen dat zij op zichzelf bestaan of op zichzelf ondergaan. Er is een voortdurend verband. Het geheel is harmonisch en het wegvallen van een zichtbaar element moet worden gecompenseerd door het scheppen van een kracht, dan wel een ander element.

Deze zelfde verhoudingen vinden wij in de microkosmos. In de microkosmos hebben wij te maken met kleinste delen. Maar ook bij deze kleinste delen blijkt steeds weer dat de verhouding van atoomkern tot omringende delen een vaste verhouding is. Dat elke wijziging van de omringende delen een wijziging in de kern ten gevolge moet hebben en omgekeerd. Wij zien verder dat zij elkaar onderling beïnvloeden, elkaars kwaliteiten beïnvloeden en in sommige gevallen de banen zozeer door elkaar laten snijden, dat twee atomen zich kunnen gaan gedragen als één geheel, één molecule. Wij weten verder dat moleculair‑ structuren onder omstandigheden bv. de eiwitten kunnen beheersen, nog steeds microkosmos. Wij weten dat zij aan de hand van vaste stralingspatronen onder een juiste conditie tot kristal kunnen worden en dat in het kristal de zuivere en harmonische eigenschap van de stof wordt uitgedrukt.

Er is klaarblijkelijk een wetmatigheid, die gelijkelijk geldt voor macrokosmos en microkosmos. Indien dit waar is, mogen wij wel verdergaan en zeggen dat de gelijke wetten voor de mens kunnen gelden. Laat ons dan de mens eens toetsen aan de hand van deze wetten, in macro‑ en microkosmos erkend.

In de eerste plaats: De kern of nucleus is samengesteld. Deze kern is het eigenlijke bestaan van het atoom. Zonder dat bestaat het niet. De kern van de mens is een samengestelde. Zij bestaat uit de neutrale ziel (neutron), uit de actieve geest, die proton kan zijn maar ook antiproton. Zij kan zich daarbij verder aanvullen met reeksen eigenschappen van lagere voertuigen. Behalve deze lagere voertuigen bestaat het leven.

Wanneer de mens maar één leven zou hebben, zou hij zeer simpel zijn samengesteld, Men zou dan ongeveer een waterstofatoom hebben. Maar zo simpel is het niet. De mens heeft immers een hele reeks van bestaansmogelijkheden en een hele reeks van verschillende wereldmogelijkheden. U kunt bestaan in de geest zowel als in de stof.

In de microkosmos zien wij soortgelijke verschijnselen. En wel: Bij een atoom zullen de banen van elektronen over het algemeen in een ongeveer gelijk vlak liggen. Er zijn echter enkele banen, die daar met een betrekkelijk grote hoek van afwijken. Wanneer een van de normale banen uitvalt, dan wordt automatisch een verschoven baan door een nieuw ingevangen deeltje afgelegd, dat het evenwicht van de kern handhaaft, maar het totaal aspect tijdelijk wijzigt.

Wanneer een overvloed aan stoffelijke waarden bij de mens optreedt, dan zullen wij zien, dat daaruit een daadbehoefte, een dadendrang voortkomt. Wanneer er in een atoom ‑ of molecule wat dat betreft ‑ deeltjes zijn, die iets te veel in de uiterste banen aan energie hebben, dan krijgen wij te maken met instabiele elementen. Die zijn mogelijk voor elke stof. Dus die gelijkenis is hier betrekkelijk groot. Dan mag gezegd worden, dat de mens alleen stabiel kan zijn, wanneer zijn innerlijke drang (zijn geestelijk bestaan) in evenwicht is met zijn uiterlijk beleven. Het uiterlijk beleven zal echter meer moeten zijn dan de zuivere massa van geestelijk bewustzijn. Het zal overeen moeten komen met geestelijk bewustzijn plus ziel. Dit is tamelijk moeilijke stof misschien. Maar ik zal proberen het te vereenvoudigen.

De mens beleeft. Dit beleven kan niet alleen worden afgemeten aan het geestelijk bewustzijn. Wanneer het geestelijk bewustzijn alleen voor de daad aansprakelijk zou zijn, en de daad en het geestelijk bewustzijn in een volkomen evenwicht zouden blijven, zou er geen sprake zijn van bewustwording of ontwikkeling. Het feit echter dat men naast de geest ook een ziel heeft, een kernkracht uit het Goddelijke geboren, maakt het noodzakelijk dat het uiterlijk beleven groter is dan de geest; en wel zoveel groter als het verschil tussen geest en ziel bedraagt. (Dit laatste is rekenkundig niet helemaal juist, esoterisch wel.)

Daarnaast zullen wij ons ook afvragen; “Hoe staat het dan met de mens t.o.v. de macrokosmos?” De mens is evenzeer een constellatie als bv. een zonnestelsel. Gaat u maar even na wat er in de mens bestaat. Wij vinden naast het stoffelijk gebied, het astrale, het mentale en nog een aantal fijn‑geestelijke gebieden. Ten slotte de lichtsfeer, die ook nog beleefd wordt door de mens, bewust of onbewust. Elk van deze werelden heeft een eigen persoonlijkheid, een eigen kracht. Zoals de planeten elkaar onderling beïnvloeden en de zon alle planeten beïnvloedt, zo beïnvloeden alle voertuigen de mens van uit hun eigen wereld. Er is dus sprake van een voortdurende wisselwerking; en daarbij is de progressie, de ontwikkeling van de verschillende voertuigen niet parallel.

Wanneer u dus leeft in de stof, is het mogelijk dat u een zeer grote ontwikkeling doormaakt op mentaal terrein en stoffelijk terrein, terwijl u astraal niet tot een uiting komt. Dan is het astrale gebied retrograde, terwijl daarentegen dus het mentale en stoffelijke progressief zijn. Hieruit volgt dat in de mens voertuigelijke constellaties kunnen voorkomen, die alle bekende aspecten van bv. astrologie vertonen. Uw eigen innerlijk evenwicht verplaatst zich voortdurend. Er mag niet worden gezegd dat slechts één enkele regel voor uw hele leven een zuivere en juiste uitdrukking is. Integendeel. Datgene wat voor u juist is, wijzigt zich van moment tot moment, zoals dat in de kosmos gebeurt. Reageert men juist op elkaar, dan ontstaat een harmonie, een gebondenheid, waarbij de verschillende functies in de verschillende werelden elkaar volkomen aanvullen. Deze aanvulling brengt ten slotte een wél‑volledige harmonie tot stand. Hierbij is de onderlinge beïnvloeding zo dat elke differentiatie wordt opgeheven.

Om hiervan een voorbeeld te geven, het volgende: Wanneer wij een kern hebben van een atoom of van een zonnestelsel, waarin de planeten zozeer volkomen gelijkmatig om de zon gaan, dat geen wisselingen in onderlinge bestraling of zwaartekracht optreden, dan zijn die werelden steriel, dan is die zon volkomen passief geworden. Zij wijzigt haar energie output praktisch niet, kan misschien langzaam versterven, maar er treedt geen wijziging en geen grote uitbarsting op. Wanneer wij dit terug­brengen op de mens, dan zou dus gezegd kunnen worden. Op het ogenblik, dat alle voertuigen onderling in evenwicht zijn, treedt een rusttoestand op, waarbij de mens als een volkomen afgesloten eenheid t.o.v. het omringende functioneert.

In de verhouding met de kosmos moet de mens dus de uitdrukking vinden van het “ik”. Het is onmogelijk uit te gaan van een kosmisch standpunt, maar wij kunnen van onszelf uitgaan. En wanneer wij komen tot een volkomen innerlijke evenwichtigheid, zijn wij harmonisch met de kosmos en reproduceren wij in onszelf het totaal der volmaakt geuite mogelijkheden en wetten die het Goddelijke in de kosmos heeft vastgelegd. Wij groeien a.h.w. naar de kosmos toe, tot wij er een miniatuurreproductie van zijn. Daarin ligt de mogelijkheid om in onszelf de gehele kosmos te begrijpen. Begrijpen wij de gehele kosmos, dan kennen wij de kracht, waaruit zij voortkomt. En het begrijpen daarvan, het kennen daarvan, is het hoofddoel van het leven, is de oplossing van het grote kosmische raadsel: God. En voor God kunnen wij in de plaats zetten: bestaan of leven. Want deze zijn identiek.

Er is natuurlijk heel veel over te praten, wat die kosmos nu eigenlijk is van uit een stoffelijk standpunt. Het eenvoudigst uitgedrukt: een reeks van elektromagnetische velden, waarbinnen zich verschijnselen kunnen afspelen. Maar dan wel velden, die wetend zijn, die een volkomen persoonlijkheidsuitdrukking hebben. Het is onredelijk aan te nemen dat een overal voorkomende wetmatigheid een toevalsproduct zou zijn; wanneer wij zien dat niet slechts het hele leven zich aanpast aan deze wetten, maar dat deze wetten op hun beurt zich wijzigen in hun felheid van toepassing, in de strengheid waarmee ze de wereld benaderen, om zo een harmonische groei van het geheel mogelijk te maken.

Kosmisch gezien is er dus sprake van een variabiliteit van de verschillende kosmische wetten. Deze ligt niet in hun geaardheid maar wel in de wijze, waarop zij hun stempel drukken op een bepaalde tijd, op een bepaalde periode, op een bepaalde sfeer. Het is mogelijk dat een wereld, die vandaag zuiver geregeerd wordt door oorzaak en gevolg, morgen geheel geregeerd zal worden door de wet van evenwicht, omdat oorzaak en gevolg terugtreedt voor de directe uiting van de wet der evenwichtigheid. Zij blijft wel functioneel, maar zij komt niet meer zo sterk tot uiting. Dit kan in elke afzonderlijke wereld gebeuren. Daarom nemen wij aan dat de kosmos een denkend wezen is.

Wij trekken onwillekeurig een parallel met onszelf. Ook wij zijn denkende wezens. De kosmos wijzigt niet haar wetten, maar varieert de toepassing daarvan om een maximum resultaat te krijgen. Dit zou voor de mens evenzeer moeten gelden. De mens moet de kosmos a.h.w. imiteren om zo snel mogelijk naar een kosmisch bewustzijn toe te groeien.

Naast deze zuiver menselijke kwesties, zoals ze in de stofwereld zich voordoen, hebben wij echter ook nog te maken met de geestelijke werelden. Deze geestelijke werelden kennen evengoed als de stoffelijke wereld, buitenliggende oorzaken. Dus zoals u mensen om u heen heeft in een bepaalde tijd, een bepaalde omgeving, die uw eigen mogelijkheid tot handelen beperken, zo vindt u in alle sferen een gelijksoortige omgeving in overeenstemming zijnde met de eigenschappen en wetten, die in die wereld op dit ogenblik gelden. Waar echter de gedachten een vormende invloed krijgen, zodra wij over de stoffelijke wereld zijn weggeschreden naar het astrale gebied, zullen wij ook begrijpen, dat in deze gebieden daarnaast een tweede omgeving wordt opgebouwd. En wel de omgeving van het eigen denken.

Ook hier treden weer overeenkomsten op. Het kenbaar worden van verschijnselen in de kosmos is te danken aan het ontstaan van een tegenstelling, die ‑ uit één veld gegroeid ‑ een schijnbare tegenstrijdigheid veroorzaakt heeft. In de mens: uit één bewustzijn wordt het denken tot het kennen van een gebied, waarin tegendelen zijn vastgelegd. Uit een bron voortgekomen, zijn twee verschillende voorstellingswerelden, die – met elkaar in strijd zijnde ‑ het verschijnsel, de waarneming en het bewustzijn mogelijk maken. Dit resulteert ‑ zodra wij komen in een sfeer, waar de gedachte vorm beheerst ‑ in het optreden van twee soorten uit onszelf geboren wezens, die wij eenvoudigheidshalve kunnen noemen: de engelen en de demonen.

Nu is elke demon een fragment van onze eigen gedachten. Wij zijn voor werkelijke demonen niet te benaderen, tenzij dan, dat vrij een overeenkomst ermee hebbend, zoals iemand, die geboren is onder een bepaalde planeet, de invloeden van die planeet juist bijzonder fel blijft ondergaan in zijn gehele leven. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor het goede.

Dit wetende zullen wij heel voorzichtig moeten zijn met elke benadering van de kosmos, juist in deze tegendelen. Wij hebben geen reden ze te verwerpen. Alle dingen, die in ons als voorstelbaar bestaan, hebben een reden. Zij zijn noodzakelijk voor onze innerlijke evenwichtigheid en als zodanig een uitdrukking van een kosmische mogelijkheid binnen ons eigen wezen. De wijze waarop wij evenwicht brengen tussen deze dingen, is onze eigen zaak, zolang wij dit evenwicht weten te bewaren.

Nu heb ik u gesproken over de noodzaak tot evenwichtigheid tus­sen de voertuigen. Dit betekent dat de defecten of eenzijdige afwijkin­gen van een bepaald voertuig zullen moeten worden aangevuld door tegen­gestelde afwijkingen van een ander voertuig. De uitdrukking, die op aar­de wel eens wordt gebruikt, “hoe groter geest hoe groter beest,” heeft hier indirect wel iets mee te maken. Want de volheid van voorstellings­vermogen leidt tot de noodzaak in een vrijheid van handelen de tegen­stelling tot eigen gedachtewereld te scheppen. De grootste fijngevoeligheid wordt dikwijls verborgen achter de grootste ruwheid. Een compensatie‑verschijnsel.

Ditzelfde nu zien wij in de kosmos. Ook de kosmos compenseert. Datgene, wat in een geestelijke wereld op dit moment niet past, verhuist naar een andere wereld en zijn bewustzijn en wordt daar een werkende invloed. Teruggekomen in die andere sfeer is het mogelijk, dat men daar blijft.

Hetzelfde geldt voor sterren. Er zijn sterren die tijdelijk een buitengewone intensiteit van straling tonen. Men noemt ze dan bv. een nova. Lang niet altijd betekent dit dat die ster dan ook werkelijk uitgebloeid is. Het betekent ook niet, dat die opvlamming slechts korte tijd duurt. Er zijn novae, die ongeveer een 10 à 15 duizend jaar hun felheid behouden. Soms 22000 jaar. Er zijn andere die dit voor een betrekkelijk korte periode van bv. 3 dagen doen. Dit heeft zijn reden. Op het ogenblik dat ergens anders een verstoring optreedt, begint de ster te stralen. Haar straling is gericht op het geheel. Zij vraagt zich niet af of zij daarmede vernietigt, wat ongetwijfeld gebeurt. Ze vraagt zich ook niet af of zij daarmee schept. Zij compenseert.

Dit compensatie‑verschijnsel kennen wij in onszelf evenzeer. Ook bij ons komt het voor, dat wij een bepaalde geestelijke drang nagaan ten koste van alle stoffelijke redelijkheid, of omgekeerd, dat wij een stof­felijke drang nagaan ten koste van onze geestelijke idealen. Dit is een uiting van dit kosmisch evenwicht zoeken, het zoeken van een voortdurende innerlijke harmonie, het bereiken van de geslotenheid, waarover ik sprak.

Dit impliceert dat wanneer dit voor ons mogelijk is, dit ook mogelijk is voor het denkend vermogen, voor de God, Die het heelal, de kosmos, beheerst. En dan vinden wij daarom dit; Het Goddelijke in Zichzelf moet voortdurend gelijk blijven als geheel. Maar de nadruk van het Goddelijke kan wisselen. Het is volkomen evenwichtig. Deze evenwichtigheid zal ongetwijfeld blijken uit het evenwicht, dat blijft bestaan tussen de onderdelen. Het wil niet zeggen dat de onderdelen niet variabel zijn. Verder spreken wij over God als liefde, of over de kosmos als een liefdevolle kracht. Er is reden om dit te zeggen, want de kosmos houdt ons allen in stand. Wij kunnen niet zonder de kosmos bestaan; de kosmos kan niet geuit zijn zonder ons; een directe wisselwerking die voortdurend in standgehouden blijft. Maar naarmate wij ons verplaatsen binnen de kosmos door ons voorstellingsvermogen, zolang wij dus onevenwichtig zijn ‑ en dat is het grootste deel van ons bestaan – zullen wij ons daardoor different, verschillend plaatsen t.o.v. dit totaal van deze kosmos. De kosmos, altijd gelijk zijnde in zijn werkelijke inhoud en bedoeling t.o.v. de mens, wijzigt zijn werking naarmate de plaatsing die de mens in de kosmos inneemt.

Niemand die in kosmische filosofie verder wil gaan, zal daarom de volgende regels mogen vergeten:

In de mens bestaan alle mogelijkheden die in de kosmos bestaan. Zij worden a.h.w. in miniatuur weergegeven. Het kennen van de in‑het‑ik‑bestaande waarden, maakt een kennen van de kosmos als werkelijkheid mogelijk.

De werking van de kosmos berust op een volkomen evenwichtigheid. Deze evenwichtigheid wordt in stand gehouden door een wijziging van functioneren t.o.v. zich verplaatsende of van betekenis veranderende waarden binnen de kosmos.

Wanneer de mens in zichzelf de evenwichtigheid tracht te handhaven, zal ook hij dit moeten doen door een voortdurend verplaatsen van zijn belangstelling en werking, waarbij elk in hem levend gebied, elk in hem bestaande sfeer, zijn eigen werking en invloed zal moeten aanpassen aan alle andere sferen en werkingen.

De onevenwichtigheid, waarmee de mens zich gedraagt t.o.v. zijn omgeving en de kosmos, wijzigt de invloed die de kosmos op hem heeft. Ofschoon er dus een absolute binding bestaat tussen de mens en de kosmische kracht, is het de mens, die bepaalt hoe van uit zijn standpunt de kosmische krachten ervaren worden. Het aanpassen van zijn ervaren der kosmische krachten in alle wereldbeleving aan zijn ideaal van innerlijke harmonie en vrede brengt hem tot de werkelijke bewustwording en doet hem ingaan tot het bereik van groter begrip, groter beslotenheid en gelijktijdig groter ervaring en aanvaarding van de kosmos.

Inhoud en uiting.

Wanneer wij iets zien of iets scheppen, is dit altijd een uiting. Zelfs het woord dat wij zeggen, de gedachte die wij hebben, uiten wij. Wij uiten onszelf. Dat wil zeggen dat geen uiting mogelijk is, wanneer er niet eerst een oorzaak bestaat. Elke oorzaak heeft een bepaald aantal uitingsmogelijkheden.

U kunt het misschien het eenvoudigst zeggen wanneer u zegt: De oorzaak is een knikker. Ik laat een knikker vallen in water. Dan zal het water spetten. Het kan op duizend verschillende manieren spetten, maar als het spet, is het de uiting van de inslag van de knikker op de vloeistof, waarmee de daardoor ontstane verstoringen samenhangen.

Zo kom je vanzelf ook op meer artistiek gebied tot wat men noemt, de uiting. Wanneer de kunstenaar schept, doet hij eigenlijk niets anders dan zichzelf reproduceren. Maar hij reproduceert niet zichzelf volledig. Dat wil zeggen, voor elk kunstwerk dat er ontstaat, zijn dui­zend andere mogelijkheden om hetzelfde uit te drukken in diezelfde per­soon terzijde gezet. De mens selecteert: En hij doet dit, omdat hij een gevoelsleven heeft. Dit gevoelsleven zegt: “Dit is voor jou het meest aanvaardbare.”

Hoe intenser de uiting is, hoe meer zij een eigen leven heeft. Aardige voorbeelden kunt u hier bv. vinden bij grote kunstenaars. Als ik er een anekdote mag tussenvoegen: Toen Alexandre Dumas père bezig was met zijn roman “Veertig jaren later” (dat is geloof ik de Hollandse titel), barstte hij op een gegeven ogenblik in tranen uit. “Want” zei hij, “nu heb ik mijn goede oude vriend Porthos moeten doden.” Men vroeg zich af waarom hij daarover zoveel drukte maakte, want hij kon hem toch met één streek van de pen weer laten opstaan. Maar dat was niet zo.

 In Dumas leefde de begeerte naar die oude riddertijd, naar het soldateske. Dat had hij waarschijnlijk te danken aan zijn vader, die ‑ kleurling zijnde ‑ een tijdlang generaal is geweest en alleen aan zijn verschil van mening met Bonaparte het had te danken, dat hij in het triumviraat geen grote rol speelde. Onze vriend Dumas had dus innerlijk een hang naar het avontuur en hij ging scheppen. Die schepping gebeurde zeker ook op zakelijke gronden; hij was een grote veelschrijver. Maar…toen hij eenmaal iets geschapen had, was het zozeer in harmonie met zijn eigen wezen, dat hij een deel van zijn eigen persoonlijkheid ging uitleven in een denkbeeldige situatie. Daarom waren juist deze helden ‑ Forthos, Aramis en d’Artagnan – dat zijn wel zijn grote lievelingen ge­weest ‑ eigenlijk delen van zijn persoonlijkheid. Zij leefden voor zich­zelf. En hij kón niet iets veranderen in zijn romans, zonder daarbij zich­zelf te verloochenen. Hij schreef graag hele stukken af, maar het moest in overeenstemming zijn met zijn eigen wezen. Zo schept eigenlijk iedere kunstenaar, bewust of onbewust, wanneer hij werkelijk kunstenaar is. Je uit iets om de doodeenvoudige reden dat het in je lééft.

Nu zult u zeggen: Wat heeft bv. het schilderen van een portret te maken met iets wat in je leeft.” Wel, u hebt een bepaalde voorstel­ling van een ideaal. De ideale man, de ideale vrouw, het ideale kind. U hebt in de tweede plaats op grond hiervan een oordeel over de per­soon, die u schildert. De reactie bepaalt, wat u van dit ideale mede in het portret kunt verwerken en wat u zult terughouden. Wij zien dan ook kunstenaars, die bv. (als onze vriend Rembrandt van Rijn) eigen­lijk erg getrokken zijn door het vader en moeder‑imago. Zij willen dus het vaderlijke, het moederlijke voortdurend weer uitbeelden, omdat dat voor hen een ideaal is.

Bekijk nu alle schilderijen ook die van Hendrikje Stoffels, ja, zelfs de zelfportretten van de overigens tamelijk vrolijke Rembrandt en vraag u dan eens af: Wat ligt hierin? Is dit in de eerste plaats de vitale man of is dit de vader? Is dit de vrouw alleen of is dit de moederlijke vrouw? U zult zien, dat u als antwoord krijgt: Hé, Rembrandt heeft in de meeste van zijn werken ‑ zelfs in zijn portretten – geprobeerd een bepaalde figuur iets van dat vaderlijke mee te geven, iets van dat moederlijke.

Daar staat weer tegenover bv. een fijnproever als Rubens, die in de vrouw eerder de bajadère zocht dan de moeder. Bekijk zelfs zijn Madonna’s. Zij zijn niet moederlijk, zij zijn in de eerste plaats vrouwelijk. En zo kunt u verdergaan.

De interpretatie van het geziene, de interpretatie van de voorstelling in het “ik”, wordt onmiddellijk onderworpen aan eigen gevoels- en levensinhouden. Daardoor wordt de uiting bepaald. Die uiting krijgt dan een gestalte, een vorm, die een voortdurend compromis is; een compromis tussen hetgeen men scheppen wil en hetgeen men onderbewust zoekt in de schepping.

Wij kunnen op elk terrein deze zelfde eigenaardigheid terugvinden. Laat ons bv. eens denken aan de zgn. modernen. Als wij dan kijken naar de scheppers van de lichte, helle, zonnige kleuren, valt ons onmiddellijk op, dat zij ongelukkige mensen zijn. Haast allemaal. Een Van Gogh komt tot zijn zonnigheid pas, wanneer hij praktisch geestesziek is. Een vriend van hem schildert pas werkelijk zijn lichte kleuren, wanneer hij reeds door de tering is aangetast. Een derde lijdt weer op een andere manier. Het lijden, de duisternis in het “ik” dus, dwingt de mens te dromen van zon. En hij probeert die felheid en die helheid weer te geven. Wanneer je alleen maar zoekt naar het zonnige, naar de impressie van geluk en vreugde, dan is de vorm niet meer belangrijk. Ze wordt niet meer heel precies neergezet. Wanneer ze met een lijn een voorstelling vormt, is dat voldoende.

En ga dan verder met een nog moderner. Mensen in vervorming, mensen vol van een verwrongen symboliek, omdat ze in voortdurende strijd zijn met hun wereld. Ze zoeken naar zekerheid en vinden die niet. Ze zoeken naar een zich uitleven en vinden niet de volledige voldoening. Hoe moeten ze dat uitleven?

Kijk naar hun schilderijen. Eigenaardige combinaties van een fel, soms haast lichtend coloriet tegen sombere en donkere kleuren. Een spel van verworden lijnen, omdat er geen wereldbeeld meer is. Er is alleen een onbestemd verlangen uit deze dreiging weg te breken. De werkelijke kunstenaar kan ook abstract schilderen en toch de waarheid zeggen.

0, ik spreek niet over de kunstenmakers die vaak voor modernen doorgaan. Ook dezen, van binnenuit, zullen hun levens‑ en gevoelsinhoud uitdrukken (dus uiting geven aan hun innerlijk probleem, hun complex) op een wijze, die ze dan redelijk kunnen omkleden met mooie woorden. Het is niet voor niets dat er in zoveel kunstenaarskringen vaktermen bestaan. Dan spreken wij bv. over de psychologisch gezien zeer juiste gespletenheid van het gevoel, die wordt uitgedrukt in de tweeledigheid van een fel coloriet op een donkere ondergrond. Het zegt niets. Het is een praatje voor de vaak. Een reeks van vaktermen zonder inhoud. Het is iets wat voortdurend is herhaald door alle tijden heen. 0, de woorden veranderen misschien een beetje, maar de tendens blijft gelijk.

Zo hebben oude kunstenaars gesproken over de achtergronden, die als onbelangrijk slechts door hun statisch effect de figuur tot leven moesten brengen. Dat was in de tijd van de grote Florentijnen.

Het gaat niet om de verklaring die de mens geeft. Het is zijn innerlijk dat hij uit. En zoals de kunstenaar dit scheppend doet, zo doet onbewust elke mens dit in zijn leven. De droombeelden, die in hem leven, de verlangens, de onzekerheden, zij vormen de gezamenlijke inhoud van zijn wezen, En wanneer hij komt tot een actief handelen buiten zichzelf, een scheppend handelen, dus een van zich uit tot stand brengen of bereiken, dan speelt dit alles daarin mede een rol.

Ga kijken bij de gewone mensen. Hoeveel mannen staan er tegen­over hun gade eerder in een vaderlijke dan in een toch meer erotisch bepaalde man‑vrouwverhouding? Hoeveel vrouwen zien hun mannen eer­der als hun kinderen ‑ zichzelf dus als moeder ‑ dan dat zij de ge­lijkheid en de strijd van de seksen accepteren? Probeer eens te zien, hoe de innerlijke stemming zelfs wordt uitgeleefd in het menu. De vrolijkheid van moeder komt al heel gauw tot uiting in een dotje mayonaise en een schijfje tomaat, want dat fleurt zo op. En haar neerslachtigheid doet zich onmiddellijk kennen in het ietwat onverschillig in de schaal neersmijten van de aardappelen en de groente. U zult zeggen: “Wat is het? Het gaat toch zo voorbij. Het is eigen­lijk moeite voor niets.” En toch is hier een scheppende werking aan de gang. De gevoelsinhoud uit zich, zoekt een vorm, een omschrijving, waardoor ze kenbaar is.

Je kunt het zelfs nog verder doorzetten. Wanneer een mens werkelijk innerlijk ongelukkig is, wat doet hij dan? Hij trekt al zijn spieren in een overeenstemming met deze innerlijke gesteldheid. Wanneer hij zo ongelukkig blijft, wat doet hij dan? Dan gaat hij zo ver, dat hij zichzelf ziek maakt, hij krijgt een maagzweer, heeft last van reumatiek, hij heeft voortdurende hoofdpijnen. Hij gaat zo ver, dat hij zijn denkbeelden zelfs als vormbepalend gebruikt op zijn eigen wezen.

Hoe is het mogelijk, dat sommige losbollen jarenlang aan de rol kunnen zijn, zonder dat er in hun uiterlijk ook maar enige dissipatie te merken is, enig verval? Vindt u dit een vraag? Ik niet. Deze losbollen zijn mensen die niet in de losbolligheid gevlucht zijn. Het is voor hen niet een trachten te ontkomen aan iets anders. Er is dus geen tweestrijd en daardoor behouden zij een vitaliteit en een frisheid, die voor anderen verwonderlijk zijn.

Er zijn er ook die na betrekkelijk kleine belevingen onmiddellijk beginnen te vervallen. Die dat uiten in de bekende zakken onder de ogen, rimpels, enz. enz. Waarom? Omdat de inhoud van het wezen niet in overeenstemming is met de uiting. Omdat hun uiting in feite eenzijdig is, een vlucht. De innerlijke onvrede moet ook geuit worden en wanneer we ze niet kunnen uiten metterdaad, wordt ze geuit in het lichaam zelve.

U zult dus wel begrijpen dat inhoud en vorm met elkaar wel zeer direct verbonden zijn. Elke vormgeving is afhankelijk van de inhoud. Hoe vollediger de vormgeving is, hoe zuiverder de inhoud erin weerspiegeld wordt, maar ook hoe groter de eenheid die tussenvorm en inhoud bestaat.

Er is een verhaaltje van Oscar Wilde: The portrait of Dorian Gray. Het portret van Dorian Gray begint te verouderen, terwijl de mens zelf voortleeft zonder ouder te worden. Zijn ziel zit in het doek. Hij voelt er zich misschien ongelukkig door. Maar in deze legende zit onwillekeurig iets van de schepper, die zozeer opgaat in zijn kunstwerk, dat hij niets meer overhoudt. Dat is mogelijk. Soms brengt een mens, een kunstenaar, zozeer zijn leven over op zijn kunstwerk, dat het begint te leven als bij een Pygmalion. En dan is de vorm het antwoord op de innerlijke bede.

Zo is elke mens in zijn leven van de vorm die hij daaraan geeft, voortdurend eigenlijk de schepper. Wat in hem leeft probeert hij te open­baren en te uiten. En naarmate hij daarin beter slaagt en dit juister en harmonischer doet, zal hijzelf gelukkiger en gezonder zijn, maar zal zijn wereld ook meer doel van zijn leven worden. En pas wanneer dan het nieuwe in de mens is gerijpt, de nieuwe inhoud, wordt het oude verwor­pen. Zoals de kunstenaar zijn vorige kunstwerken plotseling onvolledig en onjuist ziet, omdat hij met iets nieuws bezig is en er niets meer aan vindt, of zo alleen als een herinnering liefheeft. Zoals mensen soms een woning waarin ze jarenlang geleefd hebben, verlaten, zonder er ooit nog aan terug te denken, omdat de nieuwe woning hun ideaal is. Zo gaat de mens verder van ervaring tot ervaring, steeds het in hem levende uitend, er vorm aan gevend in de buitenwereld. Hetgeen hij niet gevormd heeft, verwerkend in zichzelf, om zo uiting na uiting tot stand brengend, vormbepaling na vormbepaling de wereld te hebben ingeslingerd, ten slotte zichzelf te realiseren.

Wat ik hier heb gezegd op stoffelijk plan, geldt nog veel sterker op geestelijk plan, op astraal gebied. Want ook daar geldt hetzelfde: De mens uit zichzelf en schept zo de vormen rond hem, doordat hij zijn wezensinhoud buiten zich projecteert, is het daar ook vollediger, in feite blijft het gelijk. De mens leeft pas, wanneer hij zichzelf uiten kan, wanneer hij deze uiting zelf erkent en deze erkenbaar ziet voor anderen. Deze participatie met de gemeenschap is een van de kenmer­kende eigenschappen van het menselijk ras en van alle geest, die de menselijke vorm heeft doorgemaakt.

Alle begin is moeilijk

Wanneer wij zo zeggen: “Alle begin is moeilijk,” dan moeten wij één ding niet vergeten: De moeilijkheid ligt niet zozeer in het begin dan wel in het zelf‑in‑beweging‑komen. Wanneer een wagen op de rails staat en je moet hem in beweging trekken, dan kost je dat heel wat kracht, Wanneer hij eenmaal rolt, gaat hij rustig verder.

Alle begin is het overwinnen van een weerstand en daarom vooral is het moeilijk. Ik meen dan ook dat we dit misschien aardig in een soort leerdichtje kunnen samenbrengen. Dan kunt u zich daarover nog eens vermaken.

“Alle begin is moeilijk,” zei de man. “Wanneer ik maar beginnen kan en daarvoor krachten in mij voel, dan breng ik het wel tot stand. Voorlopig heb ik het gevoel dat ik het nog niet kan, heb ik alle land.”

“Alle begin is moeilijk,” zei de dame. “Ik zoek de wetenschap van al het bestaan tezamen en kan ze niet omvatten. Hoe moet ik voort, zonder mij direct hier te overstelpen met problemen, die mij maar bedreigen?” Een ding vergat ze: Te denken en te zwijgen.

Alle begin is moeilijk. Waarom zou dat zo zijn? Omdat je het te groots wilt maken en niet tevreden bent met klein begin, dat langzaam verder gaat? Ben je misschien overweldigd door de veelheid van de taak die voor je ligt? De bergtop die daar voor je staat en je daagt om te klimmen? Begrijp het wel. Zelfs bij het spel is ’t moeilijk te beginnen,

Maar wie met frisse moed begint en zich door moeite niet meer laat weerhouden, die vindt al dra de werkelijkheid: Een eenvoudig werken, dat je vooruitbrengt, verder steeds geleidt en tot een nieuw bereiken verheft. Want moeilijk is slechts ’t beginnen, wanneer je twijfelt zelf. Maar ga je voort vol zelfvertrouwen, dan kun je alles overwinnen. Dan kun je zelfs een wereld bouwen of scheppen het heelal.

De kracht is je gegeven, het weten reeds in je gelegd; wanneer je zelf maar ’t recht niet ontzegt om te streven volgens de kracht die je erfdeel is. Dat is het begin juist, dat moeilijk is. Niet te leren, te weten, te begrijpen, te beheersen; maar om jezelf te zijn zonder wantrouwen.