De mens en het licht

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 5 ) – februari 1975

De mens en het licht

Als wij spreken over bewustwording en dergelijke, dan hebben wij het over het licht. Tegenwoordig heet licht God. Het heet misschien ook Christus, maar daar blijft het bij. We moeten een eind in de historie teruggaan om te zien wat er nu eigenlijk is gebeurd.
Oorspronkelijk was het licht de kracht van de natuur. De hele natuur heeft een ritme. Dit ritme en de vibraties daarin maken ook het leven van de mens op aarde uit. Ze zijn de stimulans voor zijn bewustwording. Sedertdien is er echter veel gebeurd, vooral in de gedachten van de mensen.
Volgens een heel oud verhaal leefde Adam eerst samen met Lilith. Nu was Lilith een zeer natuurlijke vrouw en het schijnt dat in het begin Adam niet te klagen had. Zij was gewoon deel vat de goddelijke. natuur. Met een beetje goede wil kunnen wij de gestalte van Lilith vergelijken met de Grote Moeder, zoals wij die elders tegenkomen. Op een gegeven ogenblik horen wij dat Adam van haar af wil. (Zie de uitgebreide bijbel) Wat staat daarin? De vrouw wilde voortdurend boven liggen. Ze wilde dus de leiding hebben en dat nam Adam niet. Je zou kunnen zeggen dat hij op een gegeven moment genoeg had van het matriarchaat en vanaf die tijd gaat hij op zoek naar wat anders. Wat krijgt hij? Een stuk van zijn eigen body, een rib. Dus eigenlijk is Eva een stuk menselijke karbonade. Vanaf dat ogenblik begint de geschiedenis. Maar er is toch een vreemd ding bij.
In het joodse geloof noemt men Lilith een van de gevaarlijkste demonen. Ze doet allerlei kwade dingen. Ze laat bevallingen mislukken en dergelijke dingen. Waarom eigenlijk? Wat dat betreft kunnen wij ook naar het christendom kijken.
Neem de godin Astarte. Astarte is een orgiastisch vereerde godin, dat geef ik toe. Ze is als bijna alle godinnen (zoals b.v. de Noorse Freya) niet veel anders dan een vruchtbaarheidssymbool. Het symbool van de zichzelf vernieuwende natuur en daardoor ook van de zichzelf vernieuwende wereld. Nu komt het christendom. En wie vinden wij onder de demonen? Astarte, alleen heet ze nu Astaroth.
Diana, de jagende maagd, is een godin. Waar Diana is, daar is de zuiverheid, de helderheid van de natuur, de totaliteit van het pure leven. Het christendom komt en plotseling verandert zij; ze wordt Diases, een demon. Alle goden en godinnen uit het verleden, tot zelfs de god van licht Bel, die Belial wordt, worden demonen. Het is alsof de mens bang is voor de eenheid van de natuur en probeert een scheiding te maken tussen zijn eigen bestaan en het licht, de kracht waaruit het bestaan voortkomt.
Nu heeft elke mens in zich wel licht ‑ dat hopen wij althans ‑ maar dat licht van de mens, de levende kracht, kan niet losstaan van het geheel waar hij bij hoort. We kunnen niet zeggen: iets is opeens een demon, alleen maar omdat het niet bij het licht behoort. En toch, lees de voorgeschiedenis van de schepping. Lucifer, Prins van het Licht, valt en wordt Vorst der Duisternis. Dat is een heel eigenaardig iets. Wij zien dat in de historie steeds weer.
Een mens weet dat hij het licht nodig heeft. Niet alleen de zon, maar ook van binnen een zeker licht, een zekere vreugde, een zeker besef. Een licht dat hij misschien kan overdragen, iets wat aanstekelijk werkt. Een licht dat ook in de duisternis kan branden. Maar wat doet de mens? Hij zegt: Dat is te lastig. Ik kan geen twee heren tegelijk die­nen. En hij vergeet dat de ene heer alleen maar voortkomt uit de ander.
Jezus doet het heel aardig. Hij neemt de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De ene soort was gehoorzaam, was netjes, die hield het licht brandend. De andere zei: De Heer, de bruidegom, komt voorlo­pig toch niet. Laten we maar gaan slapen, we doen het licht zo lang uit.  In die vergelijking wordt iets gesymboliseerd van de verhouding van de mens tot het licht. Het licht is niet iets wat je kunt verwer­pen, zo min als je de natuur kunt verwerpen. Je kunt niet zeggen: wij zijn alleen bovennatuurlijk. Als het bovennatuurlijke er niet is, dan gaan we rustig slapen, dan doen we er niets aan. We laten ons maar drijven op het gebeuren. Je hebt werkelijk dat licht altijd nodig omdat je nooit weet wanneer het ogenblik aanbreekt dat dat licht noodzakelijk is. Maar de mens is er bang voor. De mens kan niet begrijpen dat het hoogste licht en het laagste licht een eenheid zijn. Zoals hij misschien ook een tijdlang niet heeft begrepen dat verschillende kleuren niets anders zijn dan de weer­kaatsing van een en hetzelfde licht. Toch is dat waar.
Als ik ongeveer 4000 jaar terugga in de historie, dan vind ik daar een heel eigenaardige situatie. Overal zien wij het vrouwelijke belang­rijk op de voorgrond komen: de vruchtbaarheidssymbolen. Gaan wij naar het Noorden, dan wij vinden wij Freya, de maagdelijke godin en Freyr, de echt­genoot. Gaan wij naar het Zuiden, dan vinden wij Ishtar, de liefelijke, godin van de liefde, naast Ishtar, de geweldige, de dodende. Overal speelt de vrouw een belangrijke rol, ook in het geloof. De mannelijke goden zijn er wel, maar het is als een soort kunstwerk. De mannelijke go­den kunnen ingrijpen omdat ze vorm en gestalte kunnen geven aan het­geen de vrouwelijke goden voortbrengen.
De vroegere mensen stonden misschien een beetje anders tegenover het leven. En vanuit het standpunt van de moderne mens is dat erg dwaas. Laten we dan eens kijken wat ze zo’n 4000 jaar geleden o.m. wisten te vertellen.
“Zij (Ishtar) brengt voort. Zij, de lichtende, zendt haar duiven uit. En waar zij gaat, is het roze licht van de rijzende zon. Waar zij spreekt, daar vervult zij de aarde. Hoog boven haar reist Bel langs de hemel en werpt zijn schichten, opdat leven ontsta en gestalte en vorm krijge al datgene wat zij, de liefe­lijke, heeft mogelijk gemaakt. Maar daar waar haar vijanden komen, wordt zij de verschrikkelijke en met haar zwaard en haar liefde verdelgt zij de bedreiging.”
Dit is een onvolledig citaat uit een heel mooie legende en hangt o.m. samen met het oordeel van Nebu, de god van wijsheid, die recht moest spreken tussen de goden en godinnen. In die legende ligt de oude wijs­heid uit een tijd dat de mensen anders leefden, dat de mensen meer ma­gisch bewust waren, veel meer werkten met hoge geestelijke krachten, maar gelijktijdig veel dichter bij de wereld stonden. Ze waren niet zo bang voor de natuur en de krachten en verschijnselen in de natuur.
Als je denkt aan die toch wel erg orgiastische vereringen van Ishtar, zoals bij de veel mildere Isis de tempelprostitutie (iets wat ze zelfs in Jeruzalem niet helemaal konden wegwerken, men deed alsof het er niet was), dan zie je daarin vandaag alleen maar de prehisto­rische seksclubs in. Daar was het echter ernst. De ernst waarmee de natuur in al haar aspecten moest worden uitgedrukt. Het betekende bo­vendien nog iets meer. Het betekende dat het werkelijke licht alleen daar kan ontstaan waar de mens niet bang is voor de natuur, haar in al haar aspecten durft erkennen en aanvaarden en van daaruit toch de hoge­re kracht kan vinden. Dat zijn dingen die in deze tijd nog wel eens on­der de tafel worden geveegd, hetzij in de naam van de orthodoxie als van die der progressiviteit.
In die oude tijd wisten de mensen een paar dingen die men tegen­woordig vergeten is. Een daarvan is de z.g. Litanie van het Licht. Daarin wordt o.m. dit gezegd:
“Gij doortrilt mij en wekt mij, als ik eenzaam ben in de stilte der dalen.
Gij fluistert tot mij en doet mij visioenen zien als de bomen ritselen. Gij streelt mij met de wind en ik erken uw liefde. Gij geselt mij met de storm en ik erken mijn kleinheid. Dan schenkt gij mij het licht van uw zon en ik weet mij ver­bonden met al deze dingen, totdat mijn ziel kan vliegen op de wind, mijn stem kan spreken met het ruisen der bladeren en de trilling van de aarde door mij wordt weerkaatst in de eenheid van het Zijn.”
Nu is men dat een beetje vergeten. Van al die dingen is misschien nog maar een fragmentje over Wat wordt hier in feite bedoeld?
De mens is deel van het licht en het licht neemt allerlei ge­stalten aan. Hetzij de gestalten van goden en godinnen, hetzij de ge­stalten van wolken zo goed als van wouden, bergen en dalen. Het leeft in de zee en in de rivier. Het borrelt uit de bronnen. Het is overal. Het licht van die oude mensen, van wie men zegt dat ze zo dom en zo bijgelovig waren, was een licht dat in alle dingen leefde. Het was geen god. Daarover spraken zij niet. Goden waren wezens waarmee je kon vech­ten, kon handelen, die je kon overhalen om je een voordeeltje te ver­schaffen. Dat waren je beschermers. Maar het licht was in alle dingen. Dat licht kwam uit alle dingen. En als een mens wilde gaan tot een nieuwe werkelijkheid, dan moest hij in dat licht verkeren.
Het is opvallend, dat juist over de inwijdingen van het Licht maar heel weinig bekend is geworden. Wij kennen ze van allerlei goden, van allerlei esoterische groeperingen en magische scholen. Soms kun je ergens een klein fragmentje achterhalen. Het fragment dat ik u nu ga geven is ongeveer 2600 à 2700 jaar oud. Daarin wordt dit gezegd:
“Gij zijt gevormd uit licht en ik ben gevormd uit licht. Zal ik voor u wijken?
Gij zijt licht en gij maakt het tot duisternis. Ik ben duisternis die tot licht geworden is en zo ben ik sterker dan het duister, sterker dan het vormloze, ben ik sterk als het licht zelve en niets kan mijn kracht begrenzen, omdat ik licht ben in en met het licht.”
Dat is één van de bezweringen waarbij je a.h.w. tegenover de goden staat.
Een mens die wat later in de geschiedenis licht zoekt, gaat dat meer en meer zoeken in het gezag van anderen. Als wij gaan kijken rond Christus’ geboorte in de buurt van Alexandrië, dan vinden wij daar alle dingen waarover wij hebben gesproken. Het zijn grote tuinen, gewijd aan Diana waarin de lusten vaak hoogtij vierden naast de orakels. De meeste mensen zijn meer te vinden in de bibliotheek, de twee gebouwen, later één ge­bouw waarin alle boeken van wijsheid zijn samengebracht.
Er zijn denkers, die proberen met een soort stelkunde (in zekere zin het begin van algebra en meetkunde) de zaken te omschrijven. In plaats van zich te verbinden met de totaliteit, gaan ze de facetten van de totaliteit omschrijven. Ze fragmenteren de werkelijkheid in de hoop zich zo daar boven te kunnen plaatsen.
Nu zijn er ook mensen die dat op een wat andere manier doen, neem b.v. de Pythagoreeën. Men zegt wel dat Pythagoras hoofdzakelijk rekenkundige was. Vergeet het maar. Hij was filosoof en mysticus. Hij ging uit van het standpunt dat de mens moest leren te luisteren, moest leren te denken en dan pas moest leren te spreken. Als dat zo was, zouden veel mensen tegenwoordig hun mond moeten houden. Pythagoras zegt:
“Wij kunnen omschrijven, maar elke omschrijving die wij geven, geeft ons slechts een vertrekpunt om de eenheid te vinden. Wie het segment meet, moet de cirkel construeren. Wie de cirkel construeert, kent de segmenten die mogelijk zijn. Hij kent alle binnen de cirkel bevatte mo­gelijke voorstellingen en figuren.”
De cirkel is voor hem zoiets als het licht in de oude inwijdingen voor degenen die daar zochten naar de heerschappij over goden en godinnen. Het ging allemaal wel goed ondanks alle flauwe nonsens van politiek. Het is logisch. Een vorst zit daar en heeft een figuur nodig om door hem gezag te kunnen uitoefenen. Dus wordt hij de zoon van een god of de uitverkorene van de een of andere godheid. Hij zet een groot beeld neer, brengt offers enz. Dat doet men tegenwoordig ook. Men houdt een herdenkingsplechtigheid op de Dam in Amsterdam, men marcheert over het Rode Plein of men houdt een grote voetbalwedstrijd tussen Army en Navy in de U.S.A. Men maakt er een hele plechtigheid van. Dat is allemaal een poging om de eigen grootheid op de een of andere manier uit te druk­ken. En ik geloof, dat daar eigenlijk schuilt wat fout is.
Wij zoeken iets te vinden wat achter ons staat, als wij tegenover een ander staan. Zolang wij dat doen, zullen wij nooit licht kunnen vin­den. Het is net alsof iemand zegt: Ik heb rood achter mij en alle ande­re kleuren kunnen verder opduvelen. Maar als er geen wit licht zou zijn met zijn brekingsmogelijkheden, dan zou er ook geen rood zijn. Het witte licht is altijd sterker. De tegenstelling komt voort uit de fragmenta­tie van waarden. Dat heeft men nooit begrepen. Wat dat betreft, zijn er vele vreemde verhalen in omloop.
Ik weet niet of u gehoord heeft van paus Alexander VI? Hij was een Borgia. Ik meen dat hij er een was die het meest geërfd heeft, hij zorgde er zelf voor dat hij erven kon. Nu gaat de legende dat op een gegeven ogenblik de kas weer eens leeg was. Cesare betaalde geen alimenten en Alexander ook niet, maar ze kostten toch wel en aangezien ze het goede der aarde beminden, was de pauselijke kas vaak leeg. Er was een kardinaal (Manelli) die er aardig bij zat. Zij dachten toen: dan gaan we daar maar eens een feestje vieren. Het was de gewoonte dat de paus met zijn familie uit een speciale kan dronk. Er was een tweede kan waaruit de wijn geschonken werd voor hoogwaardigheidsbekleders en er was een pot waar het gevolg wat uit kreeg. Men dacht dat de wijn in de kleine kan was vergiftigd. Natuurlijk werd er eerst uit de grote kan geschonken. Zodra de kardinaal een glas had (de rest hoefde niet dood) zei Alexander ‘proost’, Cesare zei ‘proost’ en wat kon de kardinaal anders doen dan ook ‘proost’ zeggen. Hij dronk en was vergiftigd. Dat is heel gewoon een vergissing, kan elk mens overkomen. Maar wat is nu het gekke? Vanaf dat ogenblik liep de legende dat, toen de kardinaal stervend ineen zak­te, Alexander uitriep: “Twaalf jaren ben ik paus geweest, Satan. Ik weet, dat je mij komt halen.”
Een mens kan slecht of goed zijn. Maar kan nu de duivel, aangenomen dat de paus werkelijk de vertegenwoordiger is van Petrus en indirect van Christus op aarde, die plaats maar gewoon voor een zieltje verkopen? Dat is kolder. Maar mensen die in tegenstellingen denken, zijn ook niet zo logisch. De paus was slecht, dus moest de duivel er achter zitten. Ze dachten er niet over na dat, als de duivel achter het hoofd van de kerk staat, de hele kerk dan toch wel fout moet zijn. Zo dacht men in die periode.
Men had het gevoel: God staat tegenover de duivel en de duivel kan alles. Daarin heeft men gelijk, want de God die de christenen maar al te vaak aanbidden, is een kleine en een enghartige God. Het is zo­iets als de God van een stam of van een volk. Deze God staat tegenover al het andere in de natuur. Tegenover alles wat er is aan licht, alles wat er is aan leven. De totaliteit van de natuur zelf, daar is die God een vijand van want hij moet boven die dingen staan. Maar hij kan er niet boven staan, hij moet deel van het geheel zijn.
Wat men heeft gedaan in die tijd en wat vele christenen nog doen, is uit het licht een kleur kiezen en dan zeggen: die kleur is de enige waarheid, vergetend dat ze alleen door een breking van de werkelijkheid van het witte licht tot stand kan komen.
Mijn eerste conclusie is dus dat die mensen in de oudheid toch niet zo stom waren als men nu denkt en dat vele arme heidenen dichter bij de lichtende waarheid staan dan vele vromen, die geloven in hun eigen uitverkiezing ten aanzien van de gehele wereld.
Een tweede conclusie: Als ik slechts een klein deel van het licht kan aanvaarden en de rest gewoon verwerp, dan zal ik met dat beetje licht nooit veel kunnen doen. Ik zal nooit sterk genoeg zijn om met dat licht een disharmonie bij een ander op te heffen. Ik zal nooit bewust genoeg kunnen zijn om de werkelijkheid te begrijpen zoals die achter de veelkleurigheid van de begoochelingswereld toch altijd aanwezig is. Om waarlijk bewust te kunnen leven met het licht, te werken uit het licht en met de kracht bij het licht, moet men bereid zijn het geheel te aanvaarden zonder tegenstellingen. Eerst dan kan men in een besef en met de aanvaarding van het geheel de krachten van dat geheel kenbaar maken in een harmonie die niet de werkelijkheid ver­stoort maar haar onderstreept en daarmee anderen gelukkiger en gezon­der maakt, wijzer maakt, de werkelijkheid duidelijk maakt.
Wij zouden ook moeten denken aan paus Clemens die ook veel op zijn geweten heeft. In het jaar 603, het jaar voor zijn dood, begon hij name­lijk met de eerste vervolging van degenen die geloofden in de natuur: de heksenvervolging. Hij begreep niet dat heksenvervolging iets anders was dan heksenwaan. Men kon eenvoudig vanuit kerkelijk machtsstandpunt niet aanvaarden dat er mensen waren die geloofden in de natuur en die met de krachten en de middelen van de natuur meer wisten te doen dan de gewijde priesters van de kerk. Vanaf dat ogenblik gaat de zaak zich ver­der ontwikkelen. Men bestrijdt alles wat de eenheid der dingen aanvaardt en propageert daarbij dat die eenheid het werk is van de Satan, de dui­vel. (Satan en sater lijken veel op elkaar. Van een vormafleiding is er in ieder geval wel sprake.)
Als wij horen over de heksen van Loudun (het klooster waar enkele nonnen bezeten waren van de duivel), dan moeten we niet in de eerste plaats aan de satan denken. Het is de naam die zij eraan geven. Deze men­sen staan buiten de werkelijkheid van de natuur. Niet alleen dat ze een eenzijdigheid van leven en denken hebben, neen, ze proberen te leven bo­ven de natuur. Maar hoe kun je leven boven de natuur als alles wat je bovennatuurlijk noemt, mee een rol speelt in de natuur? Deze mensen wor­den bezeten door demonen. Zeker, het zijn demonen die ze zelf hebben geschapen en opgeroepen maar vergeet niet dat die demonen meestal be­noemd worden door de ondervragers en niet door de bezetenen.
Er zijn heel veel verhalen over de heksensabbat. Het klinkt als iets ontzettend griezeligs en sinisters. Tegenwoordig imiteren ze het wel eens en dan wordt het iets belachelijks. Wat was eigenlijk die heksensabbat?

In Griekenland hadden de vrouwen de gewoonte om in grote groepen de wouden in te trekken of de vlakten op te gaan. De mannen moesten dan zorgen uit de buurt te blijven. Die vrouwen hadden hun eigen ritu­elen en als ze een man in de gaten kregen, bleef daar alleen een hoopje gehakt van over. Die vrouwen hebben altijd hun mystieke riten en geheimen gehad, ook de mannen. Het is opvallend dat de inwijding van de vrouw bij elke primi­tieve gemeenschap sterk verschilt van de inwijding van de man. Maar er is nog iets typerends en dat weten de meeste mensen niet. Dat is dat de hoogsten in rang in zo’n inwijdingsgemeenschap (meestal zijn dat de oudsten, soms de tovenaars) ingewijd zijn in de geheimen van mannen en vrouwen, dat geldt ook voor de priesteressen. Wat krijgen we dus in de primitieve gemeenschap?
Er zijn twee lijnen van inwijding waarbij ieder uitgaat van zijn eigen aard. Zijn eenzijdigheid, die daardoor voor een deel bepaald is, groeit naar een steeds meeromvattend beeld van de werkelijkheid om ten slotte in staat te zijn de twee zijden van de werkelijkheid als één geheel te beseffen. Dit is ook verwaterd in vele gevallen.
Nu waren heksen over het algemeen vrouwen. Er was echter weer een eigenaardigheid bij. Zoals de vrouwen, die in Griekenland rondtrokken, aan het einde van een tocht altijd een priester ontmoetten, zo vinden wij in de covey van de heksen (een kring van een bepaald aantal heksen) veelal een man als leider. Is dat niet het geval, dan wordt toch een mannelijke gestalte aangeroepen en vereerd. Er is hier dus ook een sa­mensmelting. Nu heb ik het helemaal niet over de meer materiële samensmelting die deze aarde m.i. wel wat te ijverig, gezien de bevolkings­aanwas, beoefent. Ik bedoel hier de geestelijke eenheid. Die geeste­lijke eenheid namelijk betekent dat je komt tot een geestelijk wezen dat de perfecte hermafrodiet mag heten, iets wat wij terugvinden in bepaal­de vormen van de hermetica en zeker ook in bepaalde vormen van kabba­lisme en alchemie.
Wat is nu die perfecte hermafrodiet, geestelijk gezien? Dat is iemand die met besef van de tegenstellingen, die voor een oriëntatie in de we­reld noodzakelijk zijn, gelijktijdig de opheffing van tegenstellingen geeste­lijk kan ervaren.
De mens, die naar het licht groeit, kan niet naar het licht toe­gaan met het gevoel van “ik ben dit” of “ik ben dat”. Hij moet naar het licht toegaan met het gevoel dat hij steeds meer deel is van het licht. Dat klinkt allemaal heel erg gewichtig. In de praktijk is het veel een­voudiger.
De praktijk vinden wij in de periode van de heksen. Dan moeten we vooral de kant uitgaan van o.a. Bohemen (waar dit heel sterk was), bepaalde delen van Italië, waar de Hecate‑overlevering een grote rol heeft gespeeld en het zuidelijk deel van Frankrijk. Wat gebeurt hier met de heksen?
Zij geloven niet dat er een lering nodig is. Hun geheimen zijn eigen­lijk geen geheimen. Het geheim is doodgewoon de erkenning van eenheid. In bepaalde boeken over geneeskunde, en wel speciaal door middel van krui­den, staat: “Waar de ziekte is, daar groeit het kruid nabij”. Deze heksen geloven iets dergelijks. Zij zeggen tegen zichzelf: Indien ik mijzelf ben, zonder daarbij mijzelf te willen onderscheiden van anderen, dan is de kracht die ik nodig heb nabij. Als ik die kracht wil gebruiken, zal ik haar uiten volgens mijn wezen. Zij gaan dus uit van het standpunt dat je licht bent op het ogenblik, dat je niets van jezelf of van de wereld verwerpt en je je uit volgens je besef van wat je in de wereld bent.
U begrijpt, dat de christenen daar helemaal niet mee konden instem­men. Toen dat een beetje verbreid werd, hebben ze dat wel moeten be­strijden. Ik kan het wel begrijpen want het ondermijnt elk begrip van orde.
Bij de heksen is er een hiërarchie. Maar die kan alleen bestaan krachtens bekwaamheid. En bekwaamheid is niets anders in hun natuur­geloof dan het vermogen om niet alleen het licht nabij te weten maar jezelf, waar dat nodig is, één te weten met het licht.
In vele riten komen we dan ook de z.g. transformatie van de leid­ster of leider van de kring tegen. Tijdens de rite is er dus een persoon die het dichtst bij het licht staat en deze gaat langzaam maar zeker veranderen. Zij wordt de representant van het licht. Zij is niet een de­mon of een naam. Zij is een kosmische moeder of een kosmische vader ge­worden, laten we het zo maar zeggen. Kortom, het alomvattende. En dan kan dat alomvattende, volgens het geloof in die kringen, reageren op de noden en de behoeften van elk afzonderlijk. Want waar het witte licht schijnt, kan dat worden gebroken in alle kleuren die behoren tot het spectrum.
Ik wil u zeker niet aanmoedigen tot hekserij, onthou dat goed. Hekserij is langzamerhand onzin geworden. Het is een poging om door het aanroepen van krachten en het murmelen van geheimzinnige spreuken, din­gen tot stand te brengen waarbij men niet weet met wie men werkt en wat men ten slotte tot stand brengt, en dat lijkt mij bedenkelijk. Er zijn en­kele uitzonderingen maar die zijn niet zo veelvuldig en gemakkelijk toe­gankelijk dat u daarmee geredelijk in contact zou kunnen komen.
Laten wij dan proberen de wijsheid van die oude heksen in een vorm te gieten, die past bij deze wereld. Dan gaan we gewoon uit van het volgende:

  1. De mens is een besef dat in staat is te erkennen krachtens het licht dat in de mens leeft en rond de mens aanwezig is.
  2. De mens, zoals hij is, is een uiting van het licht. Ongeacht wat hij doet of niet doet ten aanzien van anderen, aan dit deel­ hebben van het licht kan hij niets veranderen. Het enige dat voor de mens dus noodzakelijk is, is zich niet te verwijderen van dit besef: ik ben deel van het licht en rond mij is alles deel van het licht en lichtend.
  3. Hier zitten wij al heel dicht bij wat men hekserij noemt: Daar waar in een ander het licht niet wordt beseft, kan ik dit licht uit mijzelf ‑ indien ik het althans besef ‑ overdragen aan die ander. Daarbij niet mijzelf kracht of licht ontnemend maar door een harmonie bij die ander het licht zo te wekken dat hij erdoor wordt beïnvloed en zich daarvan bewust kan worden.
  4. Daar waar iemand niet wakker wordt, wanneer je hem het licht toezendt, zul je grijpen naar alle andere delen van het licht die rond je zijn. Want daar waar de geest voor zichzelf het duister verkiest, zal hij zich niet kunnen onttrekken aan het licht dat hij no­dig heeft om te bestaan.

Indien ik iemand dus niet kan benaderen met het directe licht, dan kan ik hem b.v. een vrucht geven. Indien ik het licht in die vrucht heb erkend en zeg: Hier is dat licht, dan maak ik daarmee dat licht wakker. Als we dat dan in onze termen vertalen, dan is het doodgewoon dit: Het niet erkennen van het licht of slechts niet willen erkennen van bepaalde delen van het licht, veroorzaakt in het bewustzijn, maar ook in het lichaam, vormen van disharmonie. Wil ik die disharmonie opheffen, dan moet ik dus een bewustzijn van dit licht tot stand brengen. Daartoe moet ik harmonie bevorderen en wel altijd in alle delen van het wezen dat ik benader. De moeilijkheid hierbij is dat je eerst zelf het licht volledig moet beseffen voordat je er iets mee kunt doen.
Gelukkig hebben wij nog andere voorbeelden in de historie. Er zijn heksen geweest die misschien de mythe van het licht wel kenden maar er zelf niet meer mee verbonden waren. Zij hadden er allang hun geliefde duistere meester van gemaakt of iets dergelijks, kortom, een stimulans voor hun eigen hysterie. Zij gingen echter nog steeds uit van het standpunt dat er harmonieën bestaan in de natuur. Ook waren ze heel knappe kruidkundigen. Dat ze met kruiden zo knap werkten, lag niet aan hun kennis van chemische bestanddelen. Waarom zei men dat b.v. de belladonna pas dan krachtig is, indien ze wordt beschenen door het licht van de volle maan? Heel eenvoudig, omdat er een sapcyclus is en inderdaad de actieve stoffen in de plant op dat ogenblik het sterkst zijn. Zo zijn er meer dingen.
Men zei dat je kerkhofaarde moest nemen als je een plaats vruchtbaar wilde maken. Dat is ook logisch. Kerkhofaarde is vermengd met al­lerlei leven gevende bestanddelen. Waarom zou die aarde niet vruchtbaar­der, niet beter zijn dan alle andere aarde? Als er in kerkhofaarde een plant eenmaal groeit, dan zal zij de vruchtbaarheid uitdragen naar de om­geving. Dat klinkt weer gek, totdat we ons herinneren dat er tegenwoor­dig in de moderne bosbouw iets bestaat wat men ‘de techniek van aanvul­lende beplanting’ noemt. Daarbij gaat men uit van het standpunt dat, als er eenmaal op onvruchtbare bodem een aantal gewassen voldoende diep wor­telen, er een verandering in de waterhuishouding ontstaat waardoor o.m. een grotere oplosbaarheid van voedingsstoffen mogelijk wordt en dus steeds meer planten kunnen wortelen in diezelfde grond. Wat voor de mens het­zelfde is als: het vruchtbaarder worden van de omgeving.
Die heksen waren dus niet gek, integendeel. Alleen de manier waar­op ze het zeiden, was misschien een beetje vreemd. Zo zeiden ze b.v. dat je een wond moest verbinden met spinrag. Dat klinkt misschien krank­zinnig maar wat is nu het geval. Als je schoon spinrag hebt (de webben van een aantal kruisspinnen, afgehaald van een struik in de morgen en zo mogelijk met dauw erop) en je legt dat op een wond, wat gebeurt er dan? In die webben zit een lijm (namelijk de kleefstof die de spinnen afschei­den en aan de draad hechten) die samen met de dauw oplost in het lymfe­vocht. Daardoor ontstaat er een filmpje dat de wond beschermt tegen verdere infectie. In beschimmeld brood zit penicilline. Dus beschimmeld brood, een beetje warm en vochtig gemaakt en dat op de wond, is eigenlijk een primitieve penicillinebehandeling.
Als we kijken wat de heksen allemaal deden met verschillende soor­ten kruiden, dan komen wij ook tot de conclusie dat daarbij heel veel ge­beurde op een wijze die nu medisch verantwoord kan worden genoemd. Zij begrepen dat, als er een kwaal is, er een disharmonie moet zijn. Die disharmonie probeerden ze op te heffen door na te gaan op welk ogen­blik de natuur de grootste kracht manifesteerde die, volgens hen, een be­strijding van de kwaal inhield. Daarom krijgen we al die vreemde voor­schriften van bepaalde kruiden plukken in de morgen, andere in de avond, sommige alleen in een bepaalde tijd van het jaar, enz. Die heksen geloofden nog in de natuur, ook al vereerden ze daarnaast misschien de Satan, waarmee wij eigenlijk heel dicht komen in de richting van een nymfomane Pan-verering.
Andere heksen hielden zich bezig met chemicaliën. Vergeet niet dat alchemie in de middeleeuwen ook onder hekserij werd gerekend. Wat deden ze? Ze zochten evenwichten (harmonieën) te vinden en gingen zelfs zo ver in de alchemie dat ze zeiden: Als je in de materie de perfecte harmonie vindt, vind je de Steen der Wijzen. En wat is de Steen der Wijzen anders dan de gematerialiseerde weerkaatsing van de alomvat­tende harmonie ofwel het Licht? Wij zijn ook niet zo volmaakt en wij hebben ons beperkt geloof, de conditionering van de opvoeding, van het milieu en de rest. Maar als wij als mens willen werken met het licht, dan hoeven we alleen maar rekening te houden met een paar heel eenvoudige regels.

  1. Indien ik hetgeen ik wil doen, besef als juist, zal ik – aanvaardend dat ik deel ben van een geheel ‑ de kracht kunnen ontwikkelen waardoor de grootst mogelijke harmonie van mij uit­gaat en dus het beste resultaat wordt verkregen.
  2. De kracht van het licht wordt niet bepaald door enigerlei harmonie of aanroeping. Maar onze mogelijkheid om dit licht te beseffen en te aanvaarden, kan wel degelijk worden bepaald door ceremonieel, door aanroepingen, kortom, door zelfsuggestief werkende middelen waardoor wij een grotere werkelijkheid aan­vaarden door ons tijdelijk te ontdoen van een deel van onze da­gelijkse werkelijkheid.

Laten we zo weinig mogelijk poespas gebruiken. Maar als wij merken dat wij het zonder dat niet kunnen, dan is het niet erg om het te gebruiken, mits wij beseffen dat die dingen alleen op onszelf inwerken, niet op het licht en de krachten die daarvan kunnen uit­gaan naar anderen.
Een eenvoudige tip voor beginners. Je moet het later zelf aan­vullen. Er bestaat in de wereld geen gelijk en geen ongelijk dan slechts in het scheppen van een tegenstelling tussen delen, die wij hebben afgezonderd van het geheel. Waar ik een tegenstelling ervaar, zal ik die in de eerste plaats moeten uitwissen door wat tegenover mij staat, te aanvaarden als deel van de totaliteit en mijzelf eveneens als zodanig te beseffen. Eenvoudiger gezegd: Als u ooit te maken heeft met krachten, invloeden of wat dan ook die u vijandig gezind zijn of waar u niet aan kunt komen of die u niet kunt bereiken, probeer dan niet het van u af te stoten maar besef: ik ben deel van het licht en dàt is deel van het licht. En in de versmelting zijn wij het licht, weergegeven. Op dat ogenblik zal alles wat zelf bewust disharmonisch is met het licht, wegvluchten en al wat in zich die harmonie begeert, met u te­zamen die harmonie ervaren. Dit geldt voor mensen waarmee u te doen heeft, voor dieren, voor plan­ten, voor geesten, demonen, spoken, kortom, voor alles wat u zich den­ken kunt. Begin met eenheid te beseffen en probeer nooit de andere te bena­deren vanuit een tegengesteld standpunt. Probeer ook niet het stand­punt van de ander te verwerken of te begrijpen. Reageer uit de lichten­de eenheid zoals u die kunt beleven en beseffen. Daarmee bereikt u de meest juiste harmonie in uw omgeving en het beste harmonische contact met alle schijnbaar heel verschillende vormen en persoonlijkheden rond u.
Ik heb u verteld over de pausen enz. Maar allemaal ‑ of ik nu te­rugga naar de farao’s, de hogepriesters van Amon, de heersers van de grote Ziggurat ‑ we zien altijd weer dat een mens die een bepaalde macht of gave bezit, geneigd is deze te gebruiken om zich daardoor te onder­scheiden van anderen. De mens die de werkelijkheid van het licht zoekt, kan het niet af­wijzen en hij kan het niet aanvaarden. Hij kan het slechts constateren als deel van zichzelf of, om het in de termen van de Boeddha uit te drukken: ‘Vrees niet wat u aanvalt, begeer niet wat u wordt aangebo­den, doch besef dat alle dingen één en hetzelfde zijn en ge zult los zijn van al hetgeen u kan beëngen en benauwen. Gij zult los zijn van al uw gebondenheden en hartstochten. Gij zult ,het geheel be­seffend, kunnen spreken uit het geheel.’

Het overdragen van licht

Elke mens bezit licht. Elke mens kan het licht overdragen. Het licht kan vanuit menselijk standpunt worden ontleed in verschillen­de factoren waarbij men dient te beseffen dat ze een eenheid blijven vormen. Het licht kan worden ontleed in zuivere levenskracht, geestelijke kracht en kosmische kracht. Als wij een van deze factoren hanteren, dan doen wij dit vanuit een menselijk besef maar wij zullen moeten begrijpen dat we niet één van deze factoren kunnen uitstralen zonder de andere mee te activeren.

Het uitstralen van levenskracht

Elke mens bezit een hoeveelheid levenskracht die hij voortdurend aanvult uit zijn omgeving. Voor een deel is dit een zuiver natuurlijke zaak (o.m. ozon speelt daar een rol bij), voor een deel is het ook de straling van de aarde zelf die wordt opgenomen terwijl daarnaast be­paalde vibraties worden opgenomen die bij de zon behoren. Dit betekent dat levenskracht voortdurend kan worden aangevuld indien de mens open­staat voor die levenskracht. Hierdoor is de bron in feite onuitputte­lijk geworden indien men in staat is te beseffen dat deze kracht steeds toevloeit en men deze kracht gericht kan uitstralen. De uitstraling kan geschieden op verschillende manieren. Er is de overdracht bij contact. Dit kan zijn handoplegging e.d. Er zijn ook andere mogelijkheden. Er is de uitstraling in nabijheid als wij bewust (meestal met de handen, soms ook met de ogen) een punt fixeren waarop de uitstraling in sterke mate gericht zal zijn. Het kan ook gebeuren op grond van voorstelling, door ons een voorstel­ling te maken van degene aan wie wij de levenskracht willen overdragen. Hierbij is afstand niet meer bepalend en kan op grond van deze voorstel­ling de energie aan de ander worden toegevoerd. In het laatste geval is het heel belangrijk dat we ons ook de specifieke punten waaraan we die kracht willen geven, weten voor te stellen. Ik zal dit punt nader voor u uitwerken.
Als wij iemand op afstand willen behandelen of genezen, dan moeten wij iets hebben waardoor wij op die persoon zijn afgestemd. Naar gelang van onze eigen geaardheid kunnen wij hier werken met een foto, een voor­stelling waarop de persoon wordt uitgebeeld, een voorwerp waarin de eigen straling van de persoon zit ofwel een voorwerp dat wij zelf heb­ben geladen en dat de persoon in kwestie bezit. Hiervan zullen wij zelf een replica, eveneens geladen, in onze nabijheid houden. In al deze ge­vallen geldt dat wij een bepaald punt van concentratie hanteren waar­door wij ons ook mee afstemmen op de persoon die we willen helpen.
Als wij bezig zijn met het uitstralen van de kracht, dan dienen wij ons te realiseren wat de bezwaren van de ander zijn. Die bezwaren kun­nen wij ons voorstellen aan de hand van b.v. een medische diagnose, maar meestal kunnen we ook aanvoelen waar bij een ander een disharmonie zit. Dan moet er gewaakt worden voor een onevenredig kracht uitstralen naar het punt waarop die disharmonie bestaat. Indien we namelijk alleen dat punt onze kracht geven, ontstaat er een verstoring van evenwicht waardoor weliswaar genezing op één punt kan intreden maar gelijktijdig zwakte of onevenwichtigheid elders het resultaat kan zijn. Wij zullen dus onze kracht naar het geheel uitstralen maar ons a.h.w. concentreren op het punt van binnentreden van de kracht. Wij kiezen dan dat deel van het lichaam waar wij de schade of de onevenwichtigheid vermoeden of heb­ben geconstateerd.

Geestelijke kracht

Geestelijke kracht behoort tot de wereld van de geest. Ze kan niet middels gebaren of anderszins worden overgedragen. Ze kan alleen worden overgedragen door een zuiver geestelijke concentratie. Hier is het niet mogelijk deze kracht over te dragen terwijl men zich gelijktijdig een voor­stelling maakt van de ontvanger. Men zal zich dus eerst door een con­templeren van de ontvanger en eventueel van diens behoefte richten op deze persoon en daarna zichzelf richten op het eigen grootste geeste­lijke vermogen. Voor veel mensen kan dat worden uitgebeeld in een kleur, anderen zul­len daarvoor een bepaald symbool kiezen. Het best bent u af indien u werkelijk in het witte licht of in het gouden licht kunt treden.
Waar u vooral levenskracht wilt geven, maar nu op meer geestelijke wijze, zou ik het gouden licht willen aanbevelen. Hier hebben wij te ma­ken met krachten die behoren tot de wereld van de geest. Ze kunnen alleen door de geest van de ontvanger worden opgenomen en moeten dus via de kanalen, die tussen de geest van de ontvanger en diens voertui­gen bestaan, worden overgedragen aan het voertuig (lichaam) van de ont­vanger. Een onmiddellijk richten op het voertuig is hier niet mogelijk. Daarom is het ook niet belangrijk dat men zich de kwalen of fouten van de persoon voor ogen stelt. Men moet eenvoudig trachten om de totale kracht die men beseft, over te dragen aan de ander door zich er eerst mee in harmonie te brengen.

De kosmische kracht

Deze kracht is veel complexer. Het werken ermee is over het alge­meen voor de meeste mensen moeilijk. De kosmische kracht is namelijk het geheel van alle werkingen, alle astrologische werkingen, alle stralin­gen die er in de kosmos bestaan, alle veldverschuivingen en machten, alle geestelijke krachten en machten die er zijn plus de alomvattende of goddelijke Kracht.
Wij noemen dit kosmische kracht omdat wij eigenlijk alleen te maken hebben met de resultante van dit geheel. Indien wij in staat zijn daar­mee te werken, kan dit alleen als het eigen bewustzijn stoffelijk is uit­geschakeld. Het werken ermee zal een mens dus alleen kunnen volbrengen indien hij zijn bewustzijnsdrempel dermate weet te verhogen dat hij, zich geestelijk bewust zijnde van zichzelf maar op geen terrein meer stoffelijk actief, de krachten aanvoelt die rond hem zijn en de ander a.h.w. baadt in deze kracht. Hierbij dient men zich voor te stellen ‑ voor zover een voorstelling in geestelijke zin nog voor u denkbaar is ‑ dat er geen af­stand en verschil in tijd meer bestaat. Werken met kosmische krachten geschiedt dus altijd vanuit het besef van tijdloos zijn met de ander. Hiermee heb ik over de vormen en de ontleding ervan voldoende gezegd.
Als wij licht aan een ander willen overdragen, kunnen wij dat ook doen vanuit het standpunt: ik erken een licht en ik geef dit licht aan een ander. En dan zullen wij ook weer bepaalde voorwaarden aan onszelf en aan de ander moeten stellen.

  1. Ik kan geen kracht geven aan iemand die de kracht niet aanvaardt. Dat moet u goed begrijpen. Het is dus alleen mogelijk licht over te dragen aan degenen die daarvoor openstaan.
  2. Licht kan ik niet definiëren. Licht is datgene wat kenbaar maakt wat rond mij is. Dit is voor de menselijke voorstelling de meest juiste omschrijving. Ik moet dus niet uitgaan van een kracht die op een specifieke wijze de ander treft maar van een lichter worden rond de ander waardoor hij zichzelf en al hetgeen hem be­treft, beter zal kunnen beseffen.
  3. De laatste en misschien moeilijkste voorwaarde waaraan wij moeten voldoen is: Indien wij niet in staat zijn innerlijk de werking van het licht zodanig te beseffen dat wij ook ten aanzien van onszelf, onze omge­ving en onze mogelijkheden scherper zien, heeft het weinig zin te trachten zonder meer dit licht aan een ander uit te stralen. Hoe beperkter wij namelijk zijn in het innerlijk erkennen van waarheid binnen de werking van het licht, hoe minder wij ook in staat zullen zijn dit licht wezenlijk aan een ander over te dragen.

Wij hebben hiermee een aantal van de voornaamste punten gehad die voor u eventueel actueel kunnen worden. Maar ik moet er toch nog wat theorie aan toevoegen. Het zal u duidelijk zijn dat wij allen een zijn in een en dezelfde kracht omdat het deze kracht is die ons in stand houdt en al onze mo­gelijkheden feitelijk bepaalt. Of wij deze kracht God noemen of iets an­ders, doet verder niet ter zake, mits wij erkennen dat deze oerkracht bestaat en voortdurend actief is. Dat wij deze kracht als licht omschrij­ven, komt voort uit het feit dat wij alleen krachtens de werkingen van de oerkracht in staat zijn tot beseffen. Wie zich bezighoudt met de oerkracht, zal ontdekken dat, naarmate hij meer tracht haar te definiëren, ze gelijktijdig meer ongrijpbaar wordt. Het is dus zuiver een gevoelskwestie die niet redelijk kan worden aan­gevuld en hoogstens de gevoelswerkingen redelijk kunnen worden erkend en gedirigeerd naar een ander of naar een bepaald doel in of rond ons. Wie de gehele werking van de kosmos beseft, kan natuurlijk alles doen, er is niets onmogelijk. Maar dan hebben wij, wat men noemt, ‘het Ko­ninkrijk Gods’ in ons d.w.z. wij hebben de werkelijke goddelijke Kracht in ons beseft. Op het ogenblik dat dit niet het geval is, maar slechts een klein deel daarvan wordt aanvaard of beseft, zullen onze gaven en mogelijkheden in verhouding verminderen. Iedereen dient te beseffen dat eenieder die probeert innerlijke gaven en krachten op een redelijke wijze te benaderen en te hanteren, hierdoor zelf zijn mogelijkheden met die kracht limiteert. Voor degene die licht wil overdragen aan een ander, zou ik zeggen: Ga gewoon intuïtief te werk en beredeneer desnoods later wat er gebeurd kan zijn. Probeer niet van te voren te constateren: dit of dat ga ik doen. Hier is de impuls een zeer belangrijke waarde. Indien wij die impulsen terzijde zetten, komen wij nergens terecht.
Theoretisch misschien voor de meesten van u maar ook erg belangrijk is dit:
Ofschoon ik het licht als een eenheid kan aanvaarden in mijzelf, zal ik het licht altijd zien in een aantal uitingen die voor mijn gevoel aan elkaar tegengesteld kunnen zijn of elkaar kunnen aanvullen. Ik zie dus het licht slechts in delen. Ook in mijzelf besef ik het licht nimmer als een eenheid, maar zal ik het als een soort vereenvoudigde wereld aanvoelen.
Ik kan mij in een wereld bewegen omdat ik tegenstellingen zie. Ik kan mij in mijn innerlijke wereld bewegen en daar wel degelijk een se­lectie maken doordat ik de tegenstellingen, die ook in mij bestaan, besef. Hierdoor kom ik tot het bepalen van een standpunt. Dit stand­punt kan erg belangrijk zijn omdat dit mij mogelijk maakt aan te geven waar ik wel licht kan delen en waar niet. Het is ongetwijfeld een er­kenning van harmonieën, maar het is nog veel meer; het is het erken­nen van een samenhang tussen mijzelf en de ander. Waar geen samenhang wordt erkend tussen het ‘ik’ en een ander ego, is een overdracht van licht over het algemeen niet mogelijk. Ik moet dus eerst erkennen dat er een band bestaat tussen mij en de ander, dan is een overdracht van licht op alle voornoemde manieren denkbaar.
Banden tussen personen kunnen bestaan uit alle vormen van gene­genheid, datgene wat u meevoelen of medelijden, haat of hartstocht noemt, datgene wat u ziet als sociale verplichting, dus een plicht heb­ben tegenover een ander of ook wel recht hebben op een ander. Ook als de voorstellingen op zichzelf niet juist zijn, kan de instelling die daaruit voortvloeit, worden beschouwd als een band en daardoor bestaat dus de mogelijkheid om licht over te dragen.
Dan heb ik nog enkele gegevens, die hoogstens aanvullend zijn.
Daar ik het licht zelden als volkomen wit en verblindend in mij ervaar en erken, zal ik in mijn voorstelling een preferentie hebben voor een bepaalde kleur of voor een bepaald symbool. Waar deze voor­keur bestaat, kan ik dit beeld of deze kleur hanteren voor alle vanuit mij bewust gedirigeerde werkingen. Dit betreft dus meestal de over­dracht van levenskracht en geesteskracht. Bij kosmische kracht heeft het geen betekenis.
Als ik kom tot een instelling op het licht, dan zal dit symbool voor mij wel belangrijk zijn, onverschillig of het een vorm of een kleur is. Want de wijze waarop ik dit innerlijk besef als uiting van de tota­liteit, maakt het mij mogelijk door concentratie daarop meer van die to­taliteit te ervaren.
Eenieder moet beseffen dat een symbool of een kleur, die een tijd­lang goed werkt, niet altijd op dezelfde wijze actief kan blijven. Aangezien uw bewustzijn verandert, zullen ook uw instelling en daarmee de voor u meest hanteerbare kleuren of vormen zich wijzigen. Wie dus blijft bij oude gebruiken en symbolen zonder meer, zal daardoor op den duur een vermindering van werking en mogelijkheden ervaren.
Als u tracht een kosmische waarheid, wijsheid of zelfs een geeste­lijke waarheid of wijsheid tot uiting te brengen, dient u het volgende te beseffen:
Elk ogenblik waarop u probeert zelf mee te denken, limiteert u el­ke mogelijkheid van het andere om zich door u te manifesteren. Naarmate de mens meer tracht te doen wat hijzelf goed acht, zal hij min­der aan het licht en aan alle voor ons bestaande fragmenten daarvan de mogelijkheid geven om zich in en door die persoon te manifesteren. Bewust werken is dus alleen op lager niveau mogelijk. Zeker indien het gaat om het ontvangen van boodschappen of bewustwording. In vele gevallen blijkt zelfs dat de poging, de krampachtige poging soms, om contact te krijgen met hogere krachten en waarden, deze mogelijkheid geheel frustreert zodat eenvoudig niets wordt bereikt. Ook daarmee dient u rekening te houden. Het is dus beter u zeer algemeen innerlijk op uw hoogste kracht te concentreren, ook als het gaat om het verkrijgen van inspiratie en wat dies meer zij .
Wilt u ‑ dat zou ik mij kunnen voorstellen ‑ zelf dat licht beleven, dan moet u beseffen dat ook hier krampachtigheid uit den boze is. Het licht komt niet als u probeert er naartoe te gaan. Het is er al. Als u tracht er naartoe te gaan, loopt u ervan weg. Als u probeert ervoor open te staan, zal het zich eerder kunnen manifesteren. Zeker, indien u vooral probeert om in harmonie te zijn met alle dingen die u beseft, zelfs met uw eigen leven dat u normaal onaanvaardbaar lijkt. Op deze manier kunt u maximale resultaten behalen.

Een laatste tip: Als u ooit probeert, op welke manier dan ook, magisch te werken, dan zult u al heel gauw leren dat de resultaten minder worden naarmate u er meer komedie omheen maakt.
Alle magisch werken berust op een innerlijk besef. Dat innerlijk besef kan actief worden op het ogenblik dat het ‘ik’ een harmonie heeft gekregen. Als dat ontstaat alleen door de erkenning van een toestand of een wens, is het dwaas om er verder iets aan te doen. Want hoe meer u doet terwijl u die harmonie al beseft heeft, hoe minder u zult bereiken. Werk dus zo direct mogelijk.

Blijdschap

Ik ben blij. Waarom? Blij, omdat het iets anders is dan ik heb gedacht? Blij, omdat iets beantwoordt aan dat wat ik zelf beleef? Blij gewoon, omdat ik mezelf ben? Werkelijke blijdschap is eigenlijk niets anders dan jezelf zijn, jezelf weerkaatst zien in het geheel van de schepping. De meeste mensen die geen blijdschap kennen, zoeken datgene wat zij niet zijn in de wereld. Zij verwachten van de wereld datgene wat de wereld niet is. En uit het geheel van hun teleurstelling bouwen ze tussen zich en de werkelijkheid een grens, een scheidsmuur waar zij niet meer overheen kunnen komen.
Blijdschap is aanvaarding van het leven zoals het is. De eeuwige balans van licht en duister in jezelf beleven, doorleven en voortdurend in je de schoonheid beseffen van dit geheel. Het betekent het uitschakelen van oordeel en vooroordeel in vele gevallen. Het betekent het aanvaarden van de dingen zoals ze zijn.
Wie werkelijke blijdschap wil kennen, zal moeten beginnen met alles te aanvaarden wat is en vanuit zichzelf en in erkenning van het zijnde, datgene te maken waarin het geheel wordt weerkaatst, zonder dat je daarbij jezelf ontkent.