Mens en lot

image_pdf

 15 september 1967

Mag ik u, voor wij aan het onderwerp beginnen, er nog even aan herinneren dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn? Het is voor ons altijd prettig, wanneer u zichzelf een oordeel wilt vormen over alles wat te berde wordt gebracht. Ik wilde vanavond eens met u spreken over: Mens en lot.

Wanneer je als mens gevangen bent in wat men noemt de omstandigheden, ontdekt men al snel dat men maar zeer weinig werkelijke vrijheid van handelen bezit. Daarbij blijkt dan bovendien dat steeds weer geheel onverwachte invloeden het eigen leven beïnvloeden en het ik dringen in richtingen, die men, wanneer men het zelf voor het zeggen zou hebben, zeker niet gekozen zou hebben. Het is geen wonder dat men reeds in de Oudheid meende dat er een godin van het lot was, Fatum, die de mens gunsten zou kunnen verlenen, maar hem ook zou kunnen dwingen bepaalde wegen te bewandelen. De legende vertelt ons dat deze godin van achteren kaal was, maar van voren een lok droeg. Je kon haar aan die lok pakken en zo tijdelijk meester van het lot zijn. Wie echter te laat toegreep, vond aan de kale achterkant geen houvast en had het nazien. Deze voorstelling kan verhelderend werken ten aanzien van hetgeen ik heden met u wilde bespreken.

Een mens is een wezen dat leeft in een wereld, die op zich wel reëel is, doch door de vele interpretaties, die de mens aan die werkelijkheid pleegt toe te voegen, in feite een waanwereld wordt, waarin de mens moeizaam zijn weg zoekt en slechts zelden het verwachte ontmoet. Het noodlot dat de mens dan ziet, is in 9 van de 10 gevallen het resultaat van zijn verkeerde interpretatie van het gebeuren rond hem en zijn verkeerde waardering voor de mogelijkheden, situaties en voorwerpen rond hem. Wanneer je in de wereld met iets te maken hebt, bezie je dit hetzij als subject of als object. Gaat het om een subject, dan kent men daaraan persoonlijkheid toe en is men geneigd aan het beschouwde object waarden uit het eigen ik toe te kennen. Het gevolg is dat men in al het andere rond zich voortdurend tracht zichzelf terug te vinden, maar het andere bezit eigenschappen, die geheel tot dit andere behoren en weinig of niets met de eigenschappen van het beschouwende ik te maken hebben. Waar men steeds weer zich denkt terug te vinden in de ander of het andere, komt men als vanzelf reeds tot geheel verkeerde beoordeling van, en reactie op, dit andere.

Beschouwt men iets als verwerpelijk, dan is men geneigd dit te nemen als zonder eigen leven, kracht of inhoud, een feit zonder meer. Het gevolg is dat men in de mening verkeert dat het object geen andere mogelijkheden bergt of eigen invloed kan hebben. Het is alleen maar een bepaling van de omgeving, maar bevat in zich geen mogelijkheid in die omgeving op eigen wijze, anders dan uiterlijk vastgesteld werd, te ageren. Ook deze voorstelling is natuurlijk verkeerd. Een object of zogenaamde objectieve waarde kan wel degelijk eigen werkingen, invloed of waarden bevatten, die het daaromtrent geconstateerde maar een heel betrekkelijke waarde laten.

Een voorbeeld? Een zogezegd dood voorwerp kan een straling bezitten, krachten geabsorbeerd hebben, die de werking en eigenschappen daarvan bepalen op een wijze, die bij een beschouwen alleen zeker niet kenbaar zullen zijn. Voorwerpen kunnen verder onder omstandigheden uw emoties wekken, waardoor uw oordeel eveneens vertroebeld wordt. Men mag niet uit het oog verliezen dat met alle wil tot objectiviteit er toch steeds een wisselwerking op meer emotioneel vlak zal bestaan tussen het ik en de voorwerpen, wetten en waarden buiten dit ik. Besef je dit, dan wordt al snel de stelling aanvaardbaar, dat noodlot slechts ontstaat als gevolg van het onvermogen van de mens de werkelijkheid te zien of te aanvaarden. Wie meester van zijn lot wil zijn, zal de werkelijkheid rond zich steeds moeten erkennen en zich daarop, met uitsluiting van die persoonlijke gevoelens en dergelijke, alleen moeten baseren.

Deze stelling zal menigeen onder u nog wel met een welwillend knikje willen honoreren. Maar er zit aan dit alles meer vast. Wanneer ik denk, zo is mijn denken steeds een projectie van mijn eigen waarden. Al wat in mij bestaat, ook wanneer het herinnering of ervaringen betreft, is in wezen niets meer dan de interpretatie, die het ik geeft aan een vroegere beleving of werkelijkheid. Het denken is steeds gebouwd op zuiver persoonlijke reacties. Het zijn deze reacties, die de eigen persoonlijkheid en het eigen karakter weergeven.

Gelijktijdig bepalen zij echter op welke wijze het ik de buitenwereld zal zien. Waarom bijvoorbeeld zal voor menigeen onder u rood een gevoel van onveiligheid of zinnelijkheid te weeg brengen? Rood op zichzelf beschouwen de meeste mensen in de westerse wereld als een kleur van hartstocht of gevaar, ofschoon elders geheel andere reacties op deze kleur bekend zijn. Deze kleur rood heeft in zich deze betekenis zeker niet. Maar wanneer u rood ziet, denkt u bijvoorbeeld aan rood in een verkeerslicht of als een rode gloed van licht, of een blos, die bepaalde facetten van het menselijke bestaan wel begeleiden. Daarom reageert u op het rood niet als eenvoudig een kleur, een kwestie van absorptie en weerkaatsing, maar alsof het een symbool zou zijn van bepaalde krachten of mogelijkheden. De emotie gaat een rol spelen. Men kan dus stellen dat zodra de kleur rood in het geding komt, de mens emoties ondergaat en zo niet meer objectief, maar gepreconditioneerd is. Zou men van deze ingebouwde reacties echter afstand kunnen doen, dan zou de kleur rood u niet meer belemmeren de werkelijkheid onbevooroordeeld te beschouwen.

De mens heeft wel degelijk de mogelijkheid de werkelijkheid zonder vooroordeel en geheel op eigen waarde te bezien. De meeste mensen vrezen echter op deze wijze van de werkelijkheid kennis te nemen. Zij hebben het gevoel dat, wanneer zij hun herinneringen uitschakelen, zij hun eigen oordeel en zogenaamde levensinhoud terzijde moeten stellen, er niets meer van hen overblijft, hun leven dus geen persoonlijke waarde of inhoud meer zal bezitten. Het begrip ik wordt niet geassocieerd met het werkelijke en objectieve feit van bestaan, het zijn, maar met de wel zeer subjectieve interpretatie van de waarden van dit zijn, die wel kentekenend genoemd mogen worden voor de wijze van denken van de mens en medebepalend is voor de verhouding tussen het ik en de omringende wereld.

Hier rijst de vraag of men, om de werkelijkheid te ervaren en daarop juist te reageren, het denken en de ervaringen van het verleden, de herinnering, nu van node heeft of niet. Het antwoord is hier volgens mij neen. Het verleden kan vaardigheid geven die ook in het heden bruikbaar is, dat is waar. Maar de vaardigheden van de mens zijn minder denken en oordelen, dan wel een gewoonte op grond van ervaring ontstaan. Het oordeel dat men in het verleden verbond aan de reactie, hoeft in het heden echter niet waar te zijn. Ik kan dus alle overwegingen, die op het verleden gebaseerd zijn, beter terzijde stellen. Dit zal moeite kosten.

Maar dan staat het ik ook tegenover het heden als een onbeschreven blad. De reacties en vaardigheden zijn weliswaar aanwezig, maar worden niet meer vertroebeld door interpretaties en overwegingen. Ook hier is een eenvoudig, zij het niet volledig, voorbeeld te geven.

Wanneer u een stofje aan ziet komen, zo beseft u dit niet eens. Maar zodra het in de buurt van het oog komt, sluit u de ogen om te voorkomen dat het stofje in het oog zou kunnen komen.

Dit is een automatische reactie, een instincthandeling. U reageert hierbij zo snel, dat de meeste mensen zonder het te beseffen 10 tot 12 malen per dag een prikkeling van het oogvlies voorkomen door tijdig de ogen te sluiten. Hier wordt onoverlegd op de objectieve werkelijkheid gereageerd. Stel nu eens, dat de mens dit bewust zou moeten doen. Hij zou zoveel tijd nodig hebben om te beseffen wat er is en wat hij moet doen, dat hij eenvoudig al lang de pijn van het stofje in het oog zou ervaren, voor hij tot een reactie zou komen. Instinctief sluit men de oogleden wanneer er maar gevaar schijnt te dreigen. Er is geen overweging, of het gevaar al dan niet werkelijk bestaat, er is eenvoudig een reactie, die alle gevaar zoveel mogelijk uitsluit. Je zou nu kunnen zeggen dat degenen die eerst na moet denken en overwegen, als het ware achter het noodlot aanloopt. Er is een zodanige traagheid in het concipiëren van het nu noodzakelijke, een zo grote vertraging in het reageren, dat men door de omstandigheden wordt geleefd en niet meer zelf, door eigen reactie, het gebeuren in eigen leven leert beheersen.

Ik stel nu verder: In de droomwereld zijn mijn gedachten juist. Omdat zij niet systematisch zijn, bepalen zij mijn belevingen. Indien mijn gedachten geheel harmonisch zijn en geen beeld van de buitenwereld vormen, maar slechts bepalend zijn voor mijn relatie met de buitenwereld zonder de feitelijke verhoudingen daarbij ook maar te stellen of te beïnvloeden in uiterlijkheden, zal de relatie met de buitenwereld onder alle omstandigheden voor het ik harmonisch zijn. Dan zal de mens meester zijn over vele krachten, die hem anders als  demonen schijnen te achtervolgen. Hij verandert daarmede de objectieve feiten en verhoudingen niet, maar wel de mogelijkheden, die daarin voor hem schuilen. Waarin een stukje magie schuilt.

Nu weet ik wel, dat het begrip magie bij vele mensen een slechte naam heeft. Maar er zijn vele dingen, die een goede naam hebben, zonder deze te verdienen. Volgens mij verdient een begrip als magie een veel positievere erkenning dan het in doorsnee krijgt. Magie is namelijk het heersen over de omstandigheden, het komt neer op het gebruik maken van bijvoorbeeld incantaties, toverspreuken, mantra’s enzovoort, die in wezen op het innerlijk van de mens werken. Wanneer ik echter mijn innerlijk kan beïnvloeden en daardoor de relatie met de werkelijkheid kan veranderen, zonder daarbij eerst eens die werkelijkheid te gaan interpreteren en aan mijn ‘denken’ aan te passen, zo zal mijn relatie met die werkelijkheid door dit denken wel geheel kunnen worden vastgesteld. De feiten blijven over, maar worden zodanig positief ervaren, dat zij steeds weer mogelijkheden en krachten voor het Ik schijnen in te houden.

Meer dan men beseft, wordt de reactie van alles, wat buiten het Ik bestaat bepaald door de houding, die het Ik aanneemt. Ik geef een voorbeeld. Een wijze loopt door het hoge gewas. Opzij rust daar, in de zon, een slang. Zou nu de wijze die slang zien en zich de aanwezigheid daarvan als een gevaar realiseren, met het besef dat dit dier giftig is enzovoort, enzovoort, dan zal de uitstraling van de mens naar de slang er één van schrik zijn, de reactie van de mens zal schokachtig en minder beheerst, meer krampachtig worden. De kans is groot dat de slang dit als een teken van agressie beschouwt en tot de aanval overgaat. De wijze ziet nu wel de slang, maar in hem is alleen een goedwillendheid tegenover de gehele schepping, inclusief de slang. De slang is een wezen, dat niet gestoord mag worden. Maar aan de andere kant wil de wijze dit wezen niet storen. Hij kan dan ook rustig verder gaan, omdat zijn uitstraling en ook zijn gedrag teken zijn van onverschilligheid of tenminste grote zekerheid zonder agressieve inhoud. De slang realiseert zich als het ware dat hier geen gevaar bestaat en voelt wel aan dat dit geen bruikbare prooi is. Dus zal zij niet aanvallen, zelfs wanneer de wijze kort voor haar voorbij rustig verder schrijdt.

Dit is een schoolvoorbeeld. Maar op hoeveel andere manieren zou men hetzelfde ook niet kunnen voorstellen? Om u een voorbeeld te geven dat wat dichter bij de werkelijkheid van alle dag ligt. U bevindt zich in het verkeer. Er komt een auto met hogere snelheid nader. U ziet deze auto en beseft haar als een gevaar. De kans is zeer groot, dat uw eigen gedrag onzeker wordt. Door deze onzekerheid bent u niet meer in staat snel te reageren op wat de auto in wezen doet. U kunt natuurlijk in zo groot mogelijke zekerheid blijven wachten (en tijd verspillen) of u kunt oversteken, maar nu met vele gevaren voor u en andere inzittenden van de auto. Want zodra angst optreedt, bent u niet meer in staat de verhoudingen en waarden juist te overzien. Het gevolg is één van die onjuiste beslissingen, die zo vaak in het verkeer (en onnodig) tot ongelukken voeren.

Een mens die niet bang is, zal automatisch de snelheid en afstand van de auto bezien, eigen mogelijkheden daartegen afwegen en verder gaan. Zo iemand kan oversteken op een ogenblik, dat eenieder meent dat dit levensgevaarlijk is, zonder dat werkelijk gevaar ontstaat of maar een enkele hapering in het verkeer ontstaat. Aan de andere kant zien wij zo iemand vaak stil blijven staan op een ogenblik, dat iemand anders nog verder zou willen gaan. Daarbij berekent hij zijn plaats niet, maar hij staat eenvoudig en zonder nadenken stil op die plaats, waar hij op het ogenblik het veiligste is, terwijl hij met zo min mogelijk vertraging zijn weg kan vervolgen. Dit alles is een kwestie van reageren op de omstandigheden.

Nu zeg ik het volgende: Als mens heb je de mogelijkheid vele factoren automatisch en gelijktijdig te verwerken. Een mens is materieel en ook geestelijk, wat dat betreft, een soort computer op het ogenblik dat hij niet ‘bewust overdenkt’. Hij kan dan zelfs 49 tot 50 verschillende gegevens samenvoegen en in zeer korte tijd daaruit een uitkomst verkrijgen die zijn verdere gedragslijn bepaalt. Maar dan mag hij die gegevens ook niet interpreteren, hij moet slechts waarnemen en samenvoegen. De mens heeft dus de mogelijkheid op de actualiteit te reageren met een erkennen van alle daarin voorkomende factoren, zonder ze daarbij te overdenken. Pas wanneer hij interpreteert en overdenkt, schakelt hij, door het inwerken van vooroordelen, angsten en dergelijken zijn computer als het ware verkeerd in en komt hij tot foutieve uitkomsten. Dan kan worden gezegd: De mens die, zelfs alleen zuiver stoffelijk gezien, alleen op de feiten reageert en zich daarbij baseert op zijn vermogen tot waarnemen en reageren, zonder daaraan een bewust denkproces te verbinden, is in staat zijn omstandigheden zodanig in te schatten, dat hij het gebeuren, zover het hemzelf betreft, dit voor 99 ten honderd ook zelf kan bepalen.

Geestelijk is dit nog veel intenser waar. Het benaderen van een entiteit in een geestelijke sfeer berust in feite op het bestaan van harmonie, disharmonie, aanvaarding, angst etcetera. Ben ik harmonisch in mijzelf, dan zal deze in mij bestaande harmonie elke niet met mij harmonische kracht eenvoudig wegdringen. Ik zelf zal alleen reageren op alles wat met mij harmonisch is. Mijn afweren van de invloed of kracht van andere entiteiten vloeit dus reeds alleen uit mijn instelling voort. Omgekeerd: Indien ik bang ben voor een entiteit, zo zal deze in zich niet agressief hoeven te zijn. Door mijn angst zal ik echter op die entiteit disharmonisch reageren en dientengevolge van die entiteit voor mij een disharmonische reactie tot stand brengen. Iemand die bang is, zal in de geest vaak door wezens, entiteiten en zelfs schillen achtervolgd worden die in wezen niets kwaads in de zin hebben, maar voor mij een dreiging vormen, omdat ik zelf bang ben. De werkelijk agressieve waarden in de verschillende sferen zullen mij echter alleen aan kunnen vallen, wanneer ik deze agressieve neiging erken en daarop reageer.

Ben ik echter harmonisch, dan is mijn reactie steeds volkomen logisch en in overeenstemming met de feiten, inrekende mijn vermogen om alle niet harmonische waarden van mij verwijderd te houden door mijn innerlijk harmonisch zijn.

Laat ons nu terug gaan tot het eigenlijke onderwerp. Ik weet wel dat u het niet helemaal met mij eens bent, maar daarover kunnen wij zo dadelijk nog praten. Indien ik zeg dat de mens een lot heeft, zo kan dit lot alleen gelegen zijn binnen de reeks van zijn mogelijkheden. De beperking van het voor het ik mogelijke kan beschouwd worden als een bepaling van het lot. Er is dus geen noodlot dat werkelijk binnen het kader van de bestaande mogelijkheden een bepaalde gang van zaken af kan dwingen, ook geen karma of iets anders. Er is slechts de mens die, door zijn interpretaties, binnen de voor hem bestaande mogelijkheden een reeks van gebeurtenissen veroorzaakt, die hij noodlot noemt, omdat hij meent dezen niet te kunnen beheersen. Hij beseft daarbij niet, dat de onmogelijkheid tot beheersen niet voortkomt uit de werkelijke omstandigheden, doch uit zijn eigen reactie op die mogelijkheden.

Mijn onderwerp kan ik afronden met enkele eenvoudige punten:

  1. Er bestaat nimmer een algemene wet buiten misschien de goddelijke wetten. Dientengevolge kan er geen vast systeem bestaan buiten misschien een in en vanuit het goddelijke vastgelegde systeem, dat dan voor alles en allen gelijkelijk zal gelden. De mens zal dus steeds moeten reageren volgens de in hem besefte waarden en zonder interpretatie van de werkelijkheid, wel echter met geheel zijn wezen en al zijn vermogens echter reagerende op de werkelijkheid. De zo opgedane ervaring of besef zullen het hem uiteindelijk mogelijk maken zichzelf te kennen in een grotere objectiviteit dan bij alle interpretatief reageren ooit mogelijk zal zijn.
  2. Hoe minder men gebonden is aan verleden, wetten of regels en hoe meer men uitgaat van de voor het ik mogelijke harmonie met alles rond het ik, zal men in het anderen en ten aanzien van het andere, zuiverder en juister bereiken, wat (gezien vanuit eigen ik) het goede, het beste is.
  3. Alle geestelijke bewustwording en bewustzijn is een persoonlijke zaak. Deze persoonlijke zaak kan slechts gediend worden door ontmoetingen met de buitenwereld, die op de feitenzijn gebaseerd en waarbij alle interpretaties achterwege blijven, daar de interpretaties de feiten en de waarheid zozeer vertroebelen, dat geen passende en juiste ervaring meer kan worden opgedaan.
  4. Wanneer wij desalniettemin aan een noodlot onderworpen zijn of menen te zijn, zo zullen wij in de voortdurende ervaring en mislukkingen onze zelfoverschatting leren beseffen en via een besef van eigen eenvoudige waarheid en mogelijkheid kunnen komen tot een erkennen van de feitelijke werkelijkheid van ik en wereld, waardoor ook de totale werkelijkheid van God en de tijdloze schepping voor het ik benaderbaar worden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Is geluk of ongeluk, wat men toch vaak noodlot noemt, niet eigen maaksel? Kan geluk niet ook ongeluk zijn?

Ik weet wat u bedoelt. Wij komen hiermede echter op een ander onderwerp. Geluk of ongeluk berusten in feite op een uit het ik voortkomende en daardoor subjectieve interpretatie van de feiten. Geluk is een harmonische verhouding van het ik ten aanzien van het zijnde of het gebeuren, ongeluk is een disharmonische verhouding. Indien ik dus innerlijk harmonisch weet te blijven ten aanzien van alle dingen, zo kan er in het leven wel eens een moeilijk ogenblik voorkomen, maar uiteindelijk is dit toch weer geluk. Geluk is iets, wat de meeste mensen najagen, maar nooit werkelijk zullen vinden, omdat het geluk niet iets is wat je buiten je kunt vinden, maar iets, wat je vanuit het eigen ik moet genereren.

  • Wanneer ik oversteek en er een wagen aankomt, zo moet ik toch de snelheid inschatten. Ik moet denken, want ik moet de situatie waarderen.

U moet waarderen. Maar u hoeft daarom nog niet te overdenken. Met andere woorden, waarderen en interpreteren zijn twee verschillende dingen. Het menselijke denken is nu eenmaal 999 ten 1000 interpretatief en slechts 1 per 1000 reëel waarnemend. Het waarnemen van de feiten zult u dan ook instinctief, dus zonder overwegen of beredeneren veel sneller en ook veel beter kunnen verwerken dan met overleg.

Ik geef een voorbeeld. Stel dat een tweemaster, een bark bijvoorbeeld, moet manoeuvreren. Hierbij komen vele factoren in het geding, zoals golfslag, wind, de eigen drift, het verlijeren van het schip, de veilige helling van het schip bij de wind, de spanning die masten en zeilen kunnen doorstaan zonder dat het gevaarlijk wordt, enzovoort, enzovoort. Al deze dingen gezamenlijk worden door de kapitein geobserveerd. Hij gaat echter niet bewust deze waarden afschatten en de mogelijkheden bewust overwegen. Hij is, wanneer hij een goed zeeman is, instaat om te ‘voelen’ wat hij kan en moet doen. Dit is geen intuïtie, maar een waarnemen, dat echter niet bewust geïnterpreteerd wordt. Er is dus sprake van een constatering, waardoor de erkenning in het ik als vanzelf een resultante voortbrengt, gebaseerd op ervaren feiten, zonder dat zij geïnterpreteerd worden. Er is geen sprake van overweging, maar eenvoudig van reactie op grond van in het ik bestaande kennis en ervaring. Bij de auto waarover wij spraken, gaat het om hetzelfde. Men mag niet beredeneren. De ellende van de mens is altijd weer, dat hij ten aanzien van het buiten hem liggende wil beredeneren. En dit kun je nooit eerlijk, waarlijk en nuttig ten aanzien van hetgeen buiten je ligt. Alle beredeneren betreft het ik. Elke beredenering is in zich alweer onjuist, omdat de feiten niet geconstateerd, maar geïnterpreteerd worden. Zoals delen van hetgeen ik nu zeg voor enkelen van u onjuist zijn of kunnen zijn, omdat u niet in staat bent mijn interpretatie van de feiten geheel volgens mijn bedoelingen te verwerken.

  • Maar de verantwoordelijkheid dan van bijvoorbeeld een onderwijzer met een klas? Het is nog erger wanneer het de leerlingen zou treffen dan wanneer het hemzelf zou treffen.

Het is verkeerd te stellen dat een mens verantwoordelijk kan zijn voor zijn medemensen. U kunt alleen verantwoordelijk zijn voor alles wat uzelf betreft. Uw verantwoordelijkheden kunnen dus ten hoogste zover gaan, als u vanuit uzelf in staat bent het gedrag en de reacties van de ander geheel te redigeren. Dit betekent dat u in staat moet zijn de acties en reacties van de anderen, in casu de kinderen, geheel te kunnen beheersen. Een beredeneren van hetgeen voor de groep al dan niet goed is zal echter ook in dit geval een verkeerde uitslag brengen. Een erkennen van de ogenblikkelijke noodzaken en mogelijkheden en het overdragen van de daaruit voortkomende gedragsnoodzaak aan de groep, zover deze beheerst wordt en redigeerbaar is, zal echter resulteren in een zo juist mogelijk reageren van de groep, ook zonder dat hierbij overleg en bewuste beredeneringen te pas komen. Vergeet niet dat bij bewuste overwegingen veel van de wel aangevoelde, maar niet besefte factoren verwaarloosd worden. Voorbeeld: de moderne woningbouw.

Men redeneert dat er zo goedkoop mogelijk zoveel mogelijk woningen gebouwd moeten worden en wel zo, dat men daarmede enige tijd vooruit kan komen, terwijl er ook op dit terrein continue werkgelegenheid zal zijn. Daarbij houdt men verder rekening met stadsplanning, de eisen van het verkeer enzovoort, enzovoort. Het resultaat is een wel rationele verpakking voor mensen die onderdak van node hebben, maar met het nadeel dat de woningen niet het eigene in sfeer, in afzondering bezitten, waardoor de mens in eigen home ook werkelijk en ongestoord geheel zichzelf zou kunnen zijn. Er zijn te veel beperkingen thans duldbaar aangenomen, er is te veel intrusie van buitenaf. Het resultaat is dat juist de moderne woning in vele gevallen bijdraagt tot het overspannene in de leefwijze van de moderne mens en het gebrek aan objectiviteit en werkelijke, daadwerkelijke gemeenschapszin, dat wij bij steeds meer mensen in de huidige tijd waarnemen. Hier ziet u, waartoe overwegingen en beredeneringen kunnen voeren. Men heeft hier niet gesteld: Dit is de erkende behoefte, dit willen de mensen, wij zullen daaraan dus tegemoet komen met alle middelen die wij hebben, zo snel als wij kunnen. Men heeft overlegd en gesteld: Wij weten wat goed is, dus kunnen wij de mensen zeggen wat zij moeten doen en willen, want wij beredeneren de zaak, dus weten wij het beter. Daarbij hield men geen rekening met de psychische moeilijkheden, die de mensen kennen. Het gevolg is, dat in bijvoorbeeld Nederland op dit gebied de meest krankzinnige situaties voorkomen.

Op gelijksoortige wijze hield men bij industrialisatie wel rekening met werkgelegenheid, maar niet met de behoefte tot ontspanning, redelijke schone atmosfeer enzovoort. Via dezelfde wijze van beredeneerd en overlegd werken kwam men in het verkeer tot het aanleggen van rechte en zeer snelle wegen, zonder te beseffen dat de mens voortdurend een doel voor ogen moet hebben, indien men wil voorkomen dat hij onbeheerst en in een roes van niet besefte snelheid, zich sneller gaat voortbewegen dan zijn reactievermogen in feite toelaat. Slingerende wegen zouden dus in feite veiliger zijn dan de zogenaamde op veiligheid berekende snelwegen.

Overal is men, na rijp beraad, beredeneerd en overlegd, bezig met het ontwerpen van plannen voor het jaar 2000. Maar bij deze plannen houdt men geen rekening met de mens, ofschoon de planners in hun normale bestaan steeds met de eigenschappen, eisen en reacties van hun medemensen rekening zullen houden. Maar dan beredeneren zij de zaak ook niet. Het gevolg is, dat zij met hun vele planningen nooit in staat zullen zijn aan de feitelijke behoeften van de mensen te voldoen. Een opvallend en menselijk trekje is, dat men de zo ontstane mislukkingen, ongelukken en dergelijken niet wijt aan eigen verkeerde planning, maar aan de dwaasheid van de mensen, die immers maar niet schijnen te beseffen wat goed voor hen is… In feite is de schuld echter bij de planner, die dwaas genoeg was geen rekening te houden met de mens. Ik zei het reeds in verband met de wegenbouw. Indien je ongelukken wilt voorkomen, moet je ervoor zorgen dat men zich steeds naar een gesloten horizon beweegt en zich door een afwisselend milieu kan bewegen. Misschien vindt u dit maar vreemde voorbeelden. Maar ik geef ze in de hoop u te doen inzien, dat je moet reageren op de feiten zoals zij zijn en ze niet moet interpreteren, zodra het om actie gaat. Een ander voorbeeld? Je kunt een mens wel vertellen hoe hij heilig moet worden of innerlijk zijn God moet bereiken, maar al is het alles nog zo logisch opgebouwd, nog zo mooi beredeneerd, het zal altijd fout zijn. Want kunt u een mens vertellen wat voor hem (innerlijk en niet theoretisch) God betekent? Dat gaat eenvoudig niet. Kunt u weten wat de ander innerlijk en dus werkelijk in God zoekt en van die God verwacht of verlangt? Neen. Men kan slechts vanuit eigen standpunt interpreteren. Zolang men uitgaat van een systeem, zal men dan ook niet waarlijk in staat zijn een ander te helpen om zijn God te vinden of de meest juiste wijze van leven zoals die voor hem bestaat te vinden. In deze zin kan men een ander slechts helpen door hem zoveel mogelijk de door hem gewenste hulpmiddelen te verschaffen, waardoor het hem mogelijk zal zijn innerlijk en volgens eigen waarde die God ín zich te benaderen. Bewustwording wordt groter, naarmate de vrijheid tot persoonlijke bewustwording groter wordt en de beperkingen, zowel aan mogelijkheid als risico, die het systeem oplegt, kleiner worden. Maar laat mij dit alles niet te luid zeggen, want dan krijg ik onmiddellijk last met vele godsdienstige, esoterische en andere groepen, die het allen zo goed weten. Je hoeft maar naar de wereld te kijken om te zien hoever zij het gebracht hebben in bijvoorbeeld 2000 jaren. Wanneer wij spreken over mens en lot (en dat doen wij vanavond toch) dan moeten wij begrijpen, dat lot en noodlot alleen beheerst kunnen worden, wanneer wij leren reageren volgens de in ons bestaande waarden. Noodlot ontstaat wanneer wij reageren volgens onze (beredeneerde) waan en niet volgens de werkelijkheid. Zolang wij kunnen reageren volgens de feiten en de werkelijkheid en de feiten (en deze niet interpreteren of aanpassen aan eigen denkbeelden) sublimeren tot zij iets anders schijnen te zijn, kunnen wij het lot beheersen.

Want wij zullen dan steeds weer zelf kunnen kiezen hoe wij van bestaande mogelijkheden volgens eigen wezen op de meest juiste wijze gebruik kunnen maken, zonder daarbij ooit volgens niet bestaande waarden te reageren. Zodra echter organisatie en algemeen geldende regels optreden, blijkt dit niet meer mogelijk.

  • Volgens u bestaat karma dus niet, want alle noodlot en lot komt voort uit de beschouwing van de mens.

Karma bestaat dus niet als een dwingende macht: Karma is de door interpretaties ontstane afwijking in het werkelijkheidsbesef, waardoor de relatie met een nieuwe werkelijkheid zodanig wordt beïnvloed, dat voor het ik de waarden van het oude daarin doorwerken, ofschoon dit niet feitelijk het geval, of onvermijdelijk is. Op het ogenblik echter, dat de nieuwe werkelijkheid wordt beseft in haar eigen, objectief geziene waarde, valt karma weg, daar het ik met zijn bekwaamheden, kundigheden en mogelijkheden, op de nu juist erkende werkelijkheid harmonisch kan reageren volgens de behoeften en normen van eigen wezen.

  • Geldt dit in alle situaties?

Dit geldt in alle situaties, omdat je, gebruik makende van je werkelijke persoonlijke mogelijkheden (en niet alleen van dat wat de mens als zodanig beschouwt) alles kunt bereiken, wat voor het Ik harmonisch en werkelijk noodzakelijk is. Besef wel dat vele mensen in hun leven iets in feite niet willen bereiken, al zeggen zij ernaar te streven of dingen voor zich in feite zoeken, al beklagen zij zich dan over het feit dat zij gebeuren. Er zijn mensen, die voor zichzelf ongevallen veroorzaken, zelf onaangenaamheden zoeken, ofschoon zij zich er over beklagen wanneer zij daarin eenmaal geslaagd zijn. Het blijkt dat vele mensen in ongelukken, oorlogen en dergelijken terechtkomen, niet omdat deze voor hen onvermijdelijk zouden zijn, maar omdat hun gedrag, gevoel van schuld, behoefte zich te doen gelden, hen er toe brengt een verkeerde interpretatie van feiten te aanvaarden, waardoor zij, al weten zij in zich wel beter, juist zeggen te handelen en daardoor het slachtoffer worden van iets, wat door het schijnbaar als onontkoombaar noodlot is opgelegd.

Om veel onaangenaams te voorkomen, is het voldoende te beseffen, dat eigen gedachteleven altijd weer interpretatief is, zodat men beter doet volgens eigen gevoelens en de omstandigheden te reageren. Indien men twijfelt aan de feiten, heeft het geen zin, terug te vallen op rationalisaties of beredeneringen van de feiten, zoals die mogelijk zouden kunnen zijn. Men zal er beter aan doen dan zich te baseren op eigen stemming, dus harmonisch of disharmonisch ten aanzien van het andere. Verder kan men dan automatisch reageren, dus zonder te overdenken wat nu wel het beste zou zijn en dergelijke. Wanneer men dan later beseft wat men gedaan heeft en zich realiseert wat de gevolgen waren, kan men daaruit in ieder geval leren. Lering uit de feiten komt echter nooit voort op het ogenblik dat zij actueel zijn, maar eerst wanneer zij, als gebeuren tot herinnering geworden, vanuit het ik en volgens de waarden van het ik beoordeeld kunnen worden.

  • Dan is dus waar wat, naar ik meen, ook Napoleon gezegd heeft: lot is karakter….

Ik weet niet of Napoleon dit nu precies heeft gezegd. In ieder geval zit in deze uitspraak maar zeer weinig waarheid. Karakter is niet, zoals u misschien denkt, het totaal van uw eigenschappen. Wij kunnen natuurlijk gaan redeneren dat het karakter van een mens in feite het resultaat is van de werking van interne organen en de balans van secreties, zodat het gedrag tegenover de buitenwereld voortkomt uit een behoefte- of verzadigingspatroon binnen het stoffelijk ik, dat tevens de reactie op de buitenwereld bepaalt. Indien u het woord karakter in deze zin wilt gebruiken, dan is voor de uitspraak tenminste nog iets te zeggen, maar de meeste mensen beschouwen karakter als de wijze, waarop zij de wereld benaderen en sluiten dus in het begrip karakter ook gedachten en gevoelsleven in. Er zijn vele mensen, die te dom zijn om voor de duvel te dansen, zo koppig als een ezel en dit dan ‘karakter’ noemen, ofschoon er in feite alleen maar sprake is van stompzinnigheid.

  • Die stompzinnigheid is dan toch deel van het karakter?

Niet noodzakelijkerwijs, want deze stompzinnigheid is vaak geen noodzaak, geen onontkoombaar deel van de eigenschappen van de mens, maar eerder een gekozen rationalisatie, waardoor eigen gevoelens van meerwaardigheid kunnen worden gestreeld. Men kan wel zeggen dat deze vorm van stompzinnigheid karakteristiek is voor vele mensen, die zich als belangrijk beschouwen. Maar dat betekent nog niet, dat het ook hun karakter is, dus een onverbrekelijk deel van de grond geaardheid van deze mensen, Daarom kan ik zeggen: De stelling, dat lot en karakter identiek zijn, is onjuist. Want het lot wordt niet gevormd door onze werkelijke geaardheid, maar door de verkeerde interpretatie, die men, daarbij mogelijk stoelende op deze geaardheid, geeft aan het andere. Noodlot is de vertekening van de werkelijkheid vanuit het ik, kenbaar wordende in de reactie van deze werkelijkheid op de pretenties van het ik. Noodlot ontstaat niet door het erkende deel van het ik, maar juist door het deel van het ik, dat wij als werkelijk deel van het ik dragen (en meestal beseffen) zonder dit voor onszelf of de wereld toe te willen geven.

  • Wat wij denken te zijn? En wat wij zijn?

Je kunt natuurlijk nog veel verder doorgaan en zeggen, dat wij in werkelijkheid niets anders zijn dan een projectie van het goddelijke, maar dan ontstaan vele filosofische verwarringen. Indien ik immers slechts een projectie van het goddelijke ben, is al wat ik denk te zijn waardeloos, een illusie. Al wat ik ben en doe als projectie van het goddelijke zal alleen binnen dit goddelijke werkelijke zin en betekenis kunnen hebben en nooit voor mijzelf iets kunnen betekenen. Dit houdt weer in, dat ik nooit zonde, deugd, goed of kwaad, schuld, zal kunnen kennen enzovoort.

Ik wil hierop niet te lang voortgaan. Maar wanneer ik, zoals u wenst, stel dat God de enige zin en essentie van mijn wezen is en ik niets kan zijn of doen zonder die godheid, is alles wat als uiterlijkheid voor mij bestaat, denk te zijn enzovoort, het product van die godheid, kan het door mij niet wezenlijk worden beïnvloed en ligt de aansprakelijkheid voor alles eveneens bij die godheid, zodat er voor mij noch verdienste noch schuld kan bestaan.

Een redenering, die foutief is, omdat zij aanneemt, dat er geheel geen zelfstandigheid bestaat.

Het feit dat wij een lot kennen en dit kunnen leren beheersen, impliceert echter dat wij wel degelijk iets zijn, dat wij vanuit ons besef een zelfstandige waarde of betekenis hebben. Dat de kern van het iets dat wij zijn, de goddelijke kracht is, kan waar zijn. De waarden, die in ons liggen, kunnen door ons echter gebruikt worden om in het geheel van het Zijn harmonisch te werken ten aanzien van het andere of disharmonisch te zijn. Wij kunnen interpreteren en daardoor onjuist ten aanzien van de werkelijkheid optreden enzovoort, enzovoort. De reacties die dan ontstaan, zien wij als noodlot, maar zij zijn niet onvermijdelijk. Dies kan men stellen, dat, zo al alleen in voorstellingsvermogen, wij een zekere zelfstandigheid hebben, waardoor voor ons (en waarschijnlijk niet voor God) begrippen als zonde, schuld, verdienste en deugd een reële waarde hebben en een onder onze eigen aansprakelijkheid vallende werkelijkheid zijn.

  • In het moderne verkeer spelen zeer vele factoren een rol. Wanneer men een rijbewijs wil halen, moet men een boekje met regels uit het hoofd leren en wordt van u verwacht, dat u ze ook werkelijk toepast…….. dit is in tegenspraak met …..

Geheel juist, maar geen tegenspraak. Wie zich geheel aan alle regels houdt zal het verkeer steeds weer in de war sturen en zo heel wat ellende kunnen veroorzaken. Toch stelt de mens het voor of het juist kennen en opvolgen van deze regels noodzakelijk is. Dit vloeit voort uit het onvermogen van de mens zich in te denken, dat zonder de interpretatie van situaties volgens regels, alleen door logisch reageren een goed verkeer tot stand zou kunnen komen. Toch zou men, in de plaats van alle wetten en regels, in feite kunnen volstaan met een enkele wet in drie artikelen. Deze zou altijd kunnen en moeten gelden:

  1. Ieder, die zich in het verkeer begeeft, is volledig aansprakelijk voor alles wat hij binnen het verkeer tot stand brengt.
  1. Elk in gevaar brengen van anderen of goederen van anderen, in het verkeer, ongeacht de situatie waaruit dit voortspruit, blijft geheel voor de verantwoordelijkheid van de verkeersdeelnemer en impliceert zijn algehele aansprakelijkheid voor alle gevolgen.
  1. Alle middelen van vervoer, die op enigerlei wijze, zelfs slechts op een enkel punt, gevaar opleveren of hebben opgeleverd in het verkeer, en dat hier materiële gevolgen uit voort kwamen, zullen aan het verkeer worden onttrokken, zonder dat enige vergoeding daarvoor aan de eigenaar of bestuurder zal worden gegeven.

Hiermede zou men alle verdere regels in het verkeer overbodig kunnen maken, daar degene, die onverantwoordelijk is en geen rekening houdt met anderen, zonder meer zijn vervoermiddel verliest, terwijl alle betrokkenen in een ongeval gezamenlijk de schade zullen delen en geen vraag van schuld meer hoeft te rijzen. Het nemen van rechten en dergelijken zal dan vanzelf snel tot het verleden behoren. Na korte tijd zal de doorstroming van het verkeer bovendien bevorderd worden, daar velen niet meer gemotoriseerd aan het verkeer deel zullen wensen te nemen, daar de mogelijke gevolgen hen te zwaar wegen.

  • Maar men zal toch een bevoegdheid moeten hebben om aan het verkeer deel te nemen?

Daar praten wij eenvoudig niet over. Want hoe meer ik regel, hoe meer ik interpretaties mogelijk maak en dus in het verkeer een verschillend interpreteren van de rechten van de eenling bevorder. Stel ik bijvoorbeeld dat rechts altijd voorrang heeft, dan zal de oplettendheid ten aanzien van van links komend verleer afnemen en de neiging om van zijn voorrangsrecht gebruik te maken steeds toenemen. Waarmede ik hopelijk duidelijk maak, dat de houding tegenover andere verkeersdeelnemers en niet het kennen van de wet en alle spelregels, in feite voor de verkeersveiligheid bepalend zal zijn en dat u leeft in een maatschappij, die voor 3/4 op illusies leeft, omdat zij steeds verder gaat met haar interpretatie van hetgeen goed, juist en nuttig is van wetten, zonder daarbij met de werkelijk optredende mogelijkheden en situaties ooit rekening te kunnen houden.

Ik gaf u reeds eerder voorbeelden onder andere ten aanzien van huisvesting en industrialisatie in de moderne maatschappij. Indien u eerlijk nadenkt hierover, zult u waarschijnlijk de volgende conclusie trekken. Onze maatschappij bestaat niet krachtens haar reële waarden, maar krachtens de fictie omtrent waarden, die zij algemeen weet te handhaven. Juist hierdoor wordt een toenemend aantal regels en wetten noodzakelijk, daar men zonder een uitbreiden van de fictie zou moeten terugvallen op de werkelijkheid, die echter voor grote delen van de maatschappij reeds onaanvaardbaar is geworden.

  • U bent het dus eens met een instructeur, die stelt dat men in het verkeer geen rechten, doch alleen maar plichten heeft?

Ik zou deze regels zelfs willen uitbreiden tot het gehele leven. Men heeft in het gehele leven nimmer rechten, doch alleen maar plichten, waarbij men uit moet gaan van het feit, dat de plichten nimmer door anderen kunnen worden opgelegd of bepaald, maar voortvloeien uit het harmonisch houden van de relatie tussen ik en wereld.

  • U veronderstelt een zekere volmaaktheid in het menselijke wezen bij dit alles.

Ik veronderstel geen volmaaktheid, maar ga uit van het standpunt, dat de mens als kern van eigen wezen een zekere volmaaktheid bezit, die gerealiseerd kan worden wanneer de mens, uitgaande van zichzelf, en een voortdurend, harmonische relatie met het zijn rond hem, leert reageren en zo, door de concrete reactie op een concrete werkelijkheid, komt tot een concrete definitie omtrent zichzelf. Terwijl de meeste mensen uitgaan van het standpunt, dat je als mens enkele illusies moet hebben, omdat je zonder illusies nu eenmaal niet kunt leven.

Waardoor zij zoveel illusies scheppen, dat zij hierdoor vaak voor anderen het leven onmogelijk maken en zelf niet meer werkelijk leven, maar te midden van hun denkbeelden vegeteren. Ik vraag dus zeker geen volmaaktheid, maar verg wel een terugkeer tot het natuurlijk jezelf zijn, het terzijde stellen van interpretaties, die in wezen een werkelijkheid vervreemding inhouden door het ontkennen van eigenschappen en neigingen of het toekennen van eigenschappen aan ik en omgeving, die niet in feite zo bestaan. Maar ik ga zo langzaamaan mijn onderwerp besluiten. Ik weet wel dat alles wat ik gezegd heb, voor de meesten onder u op het ogenblik nog hoofdzakelijk theoretische waarde heeft. Want voor u er in de praktijk toe komt die stellingen ook maar te proberen, zal nog wel even duren.

Maar zelfs wanneer u zich er alleen maar van bewust bent, dat dit noodlot, dat u schijnt te achtervolgen, dat dit leven, dat u maar voortdurend in bepaalde kanalen dwingt, vooral voortkomt uit uw eigen verkeerde houding, interpretatie van het leven en alles wat voor uzelf in dit leven belangrijk is, dan bent u reeds een stapje verder. Dan zult u op de duur leren met uzelf te leven. Want de mens die de grootste waarheid bereikt, beleeft geheel en waarlijk zichzelf en komt vanuit deze zelferkenning tot het besef van de waarheid, in en van zijn God.

Al het andere is dan voor zo iemand van voorbijgaande aard, een vorm of verschijning. De blijvende waarde van alle dingen vindt hij slechts in het goddelijke, waarmede hij vanuit zichzelf een harmonische band erkent.

Dat is de oplossing voor veel van de menselijke problemen. Uitgaande van deze denkwijze kun je voor jezelf reeds doordringen in de werkelijkheid die men nu nog magie noemt. Een werkelijkheid, waarin het niet de toverspreuk is, die krachten in de wereld rond je in beweging brengt, (daar de spreuk slechts een sleutel is, waardoor je voor jezelf je relatie tot de omwereld vaststelt) en reagerend volgens deze voor het ik geheel ware en erkende verhouding op de feiten, resultaten tot stand kunt brengen voor jezelf, die volgens menselijk denken onmogelijk zouden zijn, maar in wezen behoren tot de concrete in u liggende krachten, capaciteiten en mogelijkheden.

De mens, die zich met illusies bezighoudt, vermindert voortdurend zijn eigen waarde en betekenis. De mens die leert het ogenblik te gebruiken als benadering van elk feit pour soi en eerst later deze dingen eventueel overweegt en uitlegt, om zo voor zich een overzicht van hun voor het ik bestaande mogelijkheden en betekenis te krijgen, die mens zal meester worden.

Meester niet alleen over het zogenaamde noodlot, want hij zal tevens leren zijn eigen wezen, geestelijke krachten en vermogens te gebruiken. Hij zal leren meer volledig zichzelf te zijn, zichzelf te beseffen en zo voor anderen meer waar te zijn. Bovenal zal men voorkomen, dat men, zoals zovele mensen, een groot deel van zijn leven en bewustzijn besteedt aan in feite waardeloze dingen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie: Geestelijke constipatie

Wanneer wij moeten spreken over de meer esoterische waarden in het leven, wil ik dit graag op mijn eigen wijze doen. Want vele mensen lijden onder hun idealen en beseffen niet dat dit hoofdzakelijk een kwestie van geestelijke constipatie is. Dit ideaal is over het algemeen een formule, waarmede de mens zich bindt aan de onwerkelijkheid en ten koste van eigen bestaan en meer nog ten koste van het bestaan van anderen tracht dit onwerkelijke te verwezenlijken, terwijl hij de wezenlijke noodzaken en mogelijkheden ter zijde stelt.

Juist in de esoterie komt zoiets vaak voor. Vele mensen menen dat streven naar het hoogste, in feite een vluchten voor de feiten van het heden noodzakelijk maakt. Vele bemoeiingen van de mens met God en hogere krachten berusten dan ook in wezen eerder op de behoefte van de mens het aardse tranendal zo snel en ver mogelijk achter zich te laten, dan op een ware erkenning van die God of die hogere krachten. Goed bezien is het aardse bestaan (en zo waar mogelijk beseft) een noodzaak voor elk bewustzijn, dat een hogere vorm van erkennen wil bereiken. Dientengevolge is elke ontvluchting van alles, wat op aarde werkelijk en normaal is, in feite een gelijkelijk zich onttrekken aan alle mogelijkheid tot werkelijke bewustwording. Indien wij de esoterie op de juiste wijze willen beoefenen, zullen wij van enkele eenvoudige standpunten uit moeten gaan. De eerste stelregel is: Ik heb er geen behoefte aan om anders te zijn dan ik ben, maar neem er genoegen mee zo goed mogelijk dat te zijn, wat ik ben. Slechts hij, die begint zichzelf te zijn en daarin het beste tot stand te brengen wat volgens eigen besef daarin mogelijk is, heeft de kans door de ervaring het Hogere, zowel in eigen ik als daarbuiten, te leren kennen.

In de tweede plaats: Handelen is voor mij steeds de beste vorm van bidden en mediteren. Want waar ik met de gedachten alleen bespiegel, kom ik nog steeds in een wereld terecht, die voor mij niet geheel reëel is en niet geheel gecontroleerd kan worden. Ga ik uit van de daad, van eigen bewustzijn en actiemogelijkheid, dan kan ik altijd voor mij controleerbare resultaten bereiken, zodat mijn meditatief proces voor mij altijd weer een erkennen van bereikingen in de werkelijkheid inhoudt en mij een bewustzijn van de werkelijkheid doet gewinnen, waarbij niet de werkelijkheid verandert, maar hetgeen zij omspant groter wordt.

Ten derde: In alle leven is contemplatie belangrijk, niet omdat het een beschouwelijk zich terugtrekken uit de werkelijkheid kan zijn, maar omdat ware contemplatie een vanuit zichzelf zozeer in de werkelijkheid van het andere doordringen omvat, dat men zich daarvan deel gevoelt en zo in staat is grotere delen van de werkelijkheid dan in het ik alleen kenbaar zijn, te beseffen en zo vanuit dit groter begrip te handelen, te denken en te werken.

Wat dan weer een paar punten zijn, waarmede men wel iets zou kunnen doen. Ofschoon op een bijeenkomst in een ander taalgebied werd mij kortgeleden gezegd: U weet het altijd zo spits te formuleren, zou u mij kunnen zeggen hoe ik een esotericus word? Mijn antwoord was: Niet door te trachten aan esoterie te doen, maar door in alles wat u bent en doet, het hogere mede te beseffen. Men reageerde: Daar vraagt u heel wat. Mijn antwoord was: Hiermede vraag ik niets van u wat ingaat tegen uw wezen, wat voor u onmogelijk is, of ingaat tegen uw dagelijks bestaan. Ik vraag van u alleen datgene wat, zo u het tot stand brengt, u wel ten aanzien van eigen waarde en betekenis kan ontnuchteren, maar u de hogere waarden en Goddelijke Waarden in alles zal doen erkennen.

Waarop een andere spitsaard onmiddellijk inviel: Ik meen dat esoterie toch vooral gebaseerd is op het kennen van jezelf. Mijn antwoord was: Als je wilt weten hoe je er uitziet, moet je in de spiegel kijken. Zonder dat weet je niet hoe je er uitziet. Wanneer u wilt weten, wat u werkelijk bent in het leven, zou u dit moeten erkennen uit alles wat u in het leven voortbrengt, betekent en tot stand hebt gebracht. Want daaruit alleen blijkt voor u kenbaar datgene, wat u wezenlijk bent. Zodat de bestreving naar buiten toe en de erkenning van de wereld noodzakelijk is voor hetgeen u kent als esoterische bewustwording.

Het werd wat rustiger, zodat ik probeerde enkele dingen te formuleren. U kent het wel: “Bewustwording is het proces, waarbij men steeds de beperkte wereld achter zich laat om een ruimere wereld te aanvaarden, die echter de beperkte wereld, die men achter zich laat in zich blijft omvatten.” Ook vertelde ik hen: “Alles wat men zich aan daadbeperking oplegt in dit leven, terwijl het niet uit uzelf voortkomt, is onnodig, overbodig en voor de bewustwording eerder schadelijk dan nuttig.” Waarop men onmiddellijk begint over love-in’s, iets wat kennelijk op dat ogenblik daar erg in de mode was. In mijn tijd was het anders. Wat nu love-in heet, kwam, zover ik het kan begrijpen, in mijn tijd meer buitendijks voor.

Toen men mij uitlegde, waarom men tegen love-in’s was, heb ik echter geantwoord: Waarom zou dit geen waarde bezitten? De waarde ligt immers in de eerste plaats steeds in het oog van de beschouwer, zoals schoonheid allereerst in het oog van de beschouwer is gelegen. Er was er een, die dat niet kon geloven. Ik heb hem toen maar de mond gesnoerd door te zeggen: Dan moet je maar eens kijken met wie je getrouwd bent.

En dat was dan weer voldoende om ze even stil te houden. Toen heb ik ze duidelijk gemaakt dat al de wetten die men in het leven heeft, gebaseerd zijn op taboes uit de Oudheid en regels die voortkomen uit wat men sociale noodzaken noemt, maar niets te maken hebben met het werkelijke ik van de mens. Waarop ik natuurlijk onmiddellijk, zij het beleefd, voor a-sociaal werd uitgemaakt. Het viel mij overigens nog mee dat men mij niet een communist noemde, maar dat vindt men tegenover een geest kennelijk toch wel wat te bruut. Tegenover een gewoon mens zouden verschillende aanwezigen dat ongetwijfeld onmiddellijk gedaan hebben. Weet u wat tegenwoordig een communist is? Iemand die het niet eens is met hetgeen de regerende partij doet en meent dat hij daar iets aan moet doen. Zo vreemd gaat het tegenwoordig.

Maar om weer ter zake te komen: Wie leeft in een gemeenschap, moet voor zichzelf eerst uitmaken in hoeverre hij die gemeenschap wil aanvaarden en daarmede samenwerken. Er is geen bezwaar tegen, dat u zich buiten de gemeenschap stelt, mits men dan ook geen aanspraken maakt tegenover die gemeenschap. Bewustwording is niet gebaseerd op de sociale, de maatschappelijke samenhang der dingen, maar eenvoudig op de innerlijke verwantschap, die men heeft men anderen en de innerlijke erkenning die men vindt ten aanzien van de totaliteit.

Ik zal niet de gehele conversatie gaan herhalen, maar wil nog wel even reveleren dat men mij voorwierp dat de houding van de Orde in deze dingen niet erg realistisch is. Ik merkte toen op dat volgens de moderne opvatting iemand realist is wanneer hij bereid is alle geldende uitvluchten als volle waarheid te aanvaarden en in overeenstemming daarmede te handelen. Ik hoop echter dat u in mijn standpunt toch wat meer realistische waarden erkent en mijn betoog niet beschouwt als een poging om u te schokkeren of zo. Per slot van rekening vraag ik mij ook wel veel dingen af, zonder daaruit nu ook onmiddellijk mijn conclusies te trekken. Waarom bijvoorbeeld maken zo veel mensen zich wel druk over de vraag wie met wie naar bed gaat, maar trekken zij zich er niets van aan wie de kluit belazert.

Wat ik vandaag wilde zeggen: Wanneer je de wereld beziet en uitgaat van de werkelijkheid, dan kom je al snel tot de conclusie, dat de verhouding van mens tot mens altijd weer in de war wordt gestuurd door allerhande leuzen. Het jongetje mag niet met het meisje trouwen, omdat hij katholiek is en zij protestant. Twee mensen mogen geen vrienden zijn, omdat de één toevallig zwart is en de ander blank. Mensen kunnen eenvoudig niet als elkanders gelijken worden beschouwd, mogen niet elkander vertrouwen, omdat de één behoort tot staat a, terwijl de andere nationaliteit b heeft. Wanneer je de wereld zo beziet, komt het er kennelijk op neer, dat de verhouding van mens tot mens steeds weer wordt overschaduwd, om niet te zeggen beheerst door in feite fictieve verschillen en waarden, die in de wereld echter als beslissend gelden.

Zou esoterie voor mensen dan ook niet in feite een terugkeren tot de persoonlijke relatie moeten zijn? Kunt u geestelijk of materieel harmonisch zijn met iets of iemand, wanneer u niet eerst bereid bent dit andere te erkennen en te aanvaarden voor wat het is, te waarderen volgens de werkelijke inhoud daarvan en ook uzelf daarbij te geven, zoals u werkelijk bent? Je eigen besef en waardering spelen natuurlijk ook hier een rol: zolang je God ziet als een vorst, lijkt het mij niet juist tot die God te willen spreken voor je eerst toilet hebt gemaakt en je haren voldoende te hebben gekamd. Dat is uiterlijkheid, maar past nu eenmaal bij het contact met een vorst. Indien je God echter beschouwt als je vader dan liggen de zaken anders. Het is niet zo erg als je vader eens in de badkamer komt binnenlopen. Dan kun je tot deze God, die Vader is, ook onder alle omstandigheden spreken. Maar je kunt volgens mij niet gelijktijdig stellen dat God een Vader is en Hem als een vorst, een heerser, zien. De vader zal een macht bezitten, die meeromvattend en concreter is dan een heerser ooit zal hebben. Maar de benadering van het contact met een vader is nu eenmaal anders dan met de heerser.

In de esoterie gaat het er nu om de benadering van alle dingen, ook van God, te vinden op grond van alles wat voor het ik volgens het huidige besef waar is. Ten aanzien van mijzelf moet ik dan beginnen met gemaaktheid terzijde te stellen en wanneer je eenmaal alle machten terzijde hebt gesteld, wat blijft er dan nog over? Iemand die, wanneer hij eerlijk is, moet erkennen een even grote zondaar te zijn als alle anderen, iemand die toe moet geven, dat hij vaak anderen veroordeelt voor wat hij zelf doet of zou willen doen. Daarom juist geldt in de esoterie dat je, indien je tot de grote waarheid wilt komen, eerst eens moet weten wat je zelf in waarheid bent.

Dit betekent in het begin dat je al je fouten op moet sommen, al is het alleen maar om duidelijk te beseffen, dat je nu niet bepaald degene bent die de buitenwereld verwijten mag maken. Wees eerlijk: Je bent niet volmaakt. Er zijn er onder u die hoog-esoterisch zijn ingesteld, maar zodra het om werk voor de baas gaat, ook maar de lijn trekken. Wat diefstal van tijd en geld betekent. Ik weet dat er onder u mensen zijn die erg eerlijk en idealistisch zijn, maar wanneer het eropaan komt, toch eigenlijk menen dat een ander de onaangename karweitjes best even voor ze op mag knappen. Wat erg egoïstisch en niet bepaald idealistisch is, wanneer u het mij vraagt.

Erken je eigen fouten, constateer waar je faalt volgens je eigen maatstaven. Kijk dan waar je aan die eigen maatstaven wel beantwoordt. Het is eenvoudigs: een mens die begint met een esoterische bewustwording, zal moeten beginnen eigen onvolkomenheden te constateren.

Daarna zal hij na moeten gaan waar hij, ondanks de onvolkomenheden, ergens nog eerlijk en oprecht beantwoordt aan hetgeen hij als ideaal ziet. Laat hij deze beantwoording aan dit ideaal voortdurend versterken in zijn leven. Laat hij in zijn denken eigen fouten beschouwen als een reden om de wereld met haar fouten te verdragen. Laat hem het goede dat hij tot stand kan brengen, zien als een mogelijkheid om ondanks fouten en onvolkomenheden steeds meer waar te zijn in de wereld en steeds meer betekenis te krijgen voor die wereld. Dat klinkt niet zo erg esoterisch volgens de leer van het innerlijke pad. Maar dit is de kortste weg naar de waarheid.

Al te vaak heb ik het gevoel, dat de mensen, die zo ijverig aan esoterie doen, een soort familieroman vol dramatische schoonheid opbouwen, maar altijd weer ergens buiten de werkelijkheid blijven steken. Mijn vraag is: Hoe kun je bewust het goede doen in de wereld, zonder daardoor innerlijk bewuster te worden? Hoe kun je, wanneer je de waarheid omtrent jezelf beseft, nog de zaken dramatiseren en anderen verwijten maken. Kortom, hoe kun je nog disharmonisch zijn wanneer je in de wereld tracht het goede te doen en de waarheid omtrent jezelf beseft. Ik wil daarom trachten mijn betoogje te sluiten met enkele eenvoudige grondregels voor de esotericus.

Beschouw de esoterie nimmer als iets, wat buiten of boven het normale leven ligt. Zie haar slechts als de uitdrukking van het beste in het normale leven plus een erkenning van de kwade aspecten van eigen leven.

Erken het kwade in uzelf, opdat gij de wereld niet zult gaan haten om haar onvolkomenheden.

Erken het goede in u zelf, opdat u harmonie kunt vinden met al datgene, waarin God zich in wereld en sferen openbaart.

Praat niet veel over esoterie met jezelf, met anderen of God, maar verwerk het besefte, tot het in jezelf je tot een kracht is geworden.

Volg een systeem, zolang u dit logisch lijkt, maar besef dat geen enkele door de mens gestelde waarde, geen enkel dogma of axioma, een onaantastbare waarheid kan zijn binnen het goddelijke. Zoek de goddelijke waarheid en laat daartoe de menselijke waarheden en systemen achter u, wanneer dit noodzakelijk lijkt.

Begrijp dat esoterie nimmer het opvoeden van anderen omvat. Het is een opvoeden van uzelf, waardoor u, wanneer de opvoeding slaagt, dienstbaarder zult worden ten aanzien van anderen, zonder hen ooit te willen beheersen.

De grote deugden van de esotericus zijn de volgende: Openstaan voor de waarheid, nederigheid ten aanzien van God en de wereld, dadendrang voor stof en geest gelijkelijk, om het goede waar te maken.

U ziet, met een paar woorden kun je al heel wat zeggen omtrent de ware esoterie, maar nu meen ik dat het voor heden genoeg is. Dit betekent dat ik tijd over heb. Deze tijd zou ik gaarne gebruiken om enkele definities te geven van begrippen, die u een definitie waard acht.

Humor: Humor is het vermogen de belachelijkheid en onjuistheid, de onwaardigheid ook in het totaal der dingen te zien en lachend je verwantschap daarmede te erkennen.

Overlast: Iets wat ontstaat als gevolg van een mentaliteit, waarbij men zozeer met zichzelf rekening houdt dat men eenvoudig vergeet, dat er anderen bestaan, die ook rechten hebben.

Lot: De benaming voor alles, wat men zelf had kunnen doen of voorkomen, maar wat men niet deed of niet voorkwam, omdat men te dom of te lui was.

Conflict: De diplomatieke uitdrukking voor een normale ruzie, waarbij de beide partijen weten dat zij ongelijk hebben, maar het vertikken dit tegenover elkander toe te geven.

Verantwoordelijkheid: Het besef dat alles wat jezelf tot stand brengt, ook wat de gevolgen voor anderen betreft, voor jou van betekenis en waarde is, zodat je je aan hetgeen je voortbrengt, ook wanneer het anderen treft, niet zult willen onttrekken. Of: Verantwoordelijkheid is het gevolg van eigen daden, waaraan de meerderheid der mensen zich voortdurend en krampachtig tracht te onttrekken, door anderen verantwoordelijk te stellen.

Geweten: In de mens een bouwsel van alles wat je geleerd hebt, wat de maatschappij je heeft bijgebracht en je zo belemmert jezelf te zien zoals je werkelijk bent, het je moeilijk maakt te handelen zoals je moet handelen en je steeds weer in twijfel stort, wanneer je toch eens een keer handelt op de wijze, die volgens jouw besef en gevoel onvermijdelijk en juist is.

Politiek: Het festival van de behoudzucht, waarbij zelfs de progressieven erop uit zijn de macht van de orthodoxen te behouden, maar dan voor zichzelf.

Wijsheid: Het vermogen, niet slechts de feiten te zien, maar ook hun onderlinge relaties te erkennen, waardoor uit waarnemen en kennen begrip voortkomt.

Opvoeding: De waan waarin vele ouders verkeren, wanneer zij hun kinderen datgene leren wat zij terzijde zullen stellen, zodra zij daartoe te kans krijgen.

Love-in: Een woord voor een gezellig samenzijn, dat gekenmerkt wordt door een veelheid van muziek, bloemen en vlucht voor de werkelijkheid in een wereld, waarin men weinig anders dan zorgen schijnt te kunnen vinden.

Taboe: Een verbod, dat niet op feiten is gebaseerd, maar berust op een veronderstelling, die niet waar blijkt te zijn wanneer men eenmaal de moed heeft het taboe te verbreken.

Symbolen: Een schematische voorstelling, waarin een geheel van gedachten, werkingen of krachten zodanig is weergegeven, dat men door het aanschouwen van de simpele uitbeelding een complex van waarden in eigen denken kan zien ontstaan.

Rituaal: Een reeks tevoren vastgelegde gebaren, woorden, klanken etcetera, die gezamenlijk de uitbeelding vormen van iets, wat men innerlijk reeds bezit en dat door deze uitbeelding herbeleefd wordt, zodat het een grote stimulerende waarde kan krijgen. Is het besef niet aanwezig, dan kan men zeggen dat het rituaal een plechtig verhullen van een leegte wordt.

Mantram: Een woord of spreuk, welke ten doel heeft de in de mens levende krachten van geestelijke geaardheid plus in het onderbewustzijn liggende waarden zo te stimuleren, dat hierdoor een bijzondere staat van zijn tot stand komt, waaruit dan weer voor het ik krachten of erkenningen voort kunnen vloeien.

Mensheid: Een naam voor de grootste diversiteit van menigeen, die ooit bestaan heeft, daar het mens-zijn een jezelf kennen en beschouwen in heet te houden, maar de mensheid kennelijk alleen bestaat uit individuen, die zich bezighouden met het beschouwen van anderen.

Falen: Tekortschieten in dat, wat je voor jezelf en vanuit jezelf als mogelijk hebt gezien, ongeacht of je wel of niet probeerde het te verwerkelijken.

image_pdf