Mens en maatschappij

image_pdf

22 september 1967

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na over alles wat gebracht wordt en vorm u een eigen oordeel.  Zoekende naar een passende titel koos ik: Mens en maatschappij.

De mens leeft in de maatschappij. Voor de maatschappij is de mens een van de factoren, die gezamenlijk deze maatschappij vormen. Voor zichzelf is de mens een ego – een persoonlijkheid – met eigen behoeften, inzichten en gedachten. Hij tracht deze persoonlijkheid binnen het kader van de gemeenschap, waartoe hij behoort, tot uitdrukking te brengen. Er ligt dus een zeer groot verschil tussen de benadering van de mens tot de maatschappij en die van de maatschappij – geconcretiseerd in instellingen en bestuurlijkheid – t.a.v. de mens. Dit is voor het ego van de mens niet altijd even goed geweest. Er zijn nogal wat beschadigingen aan het ego ontstaan, onder andere aan de menselijke psyche. En dit is begrijpelijk. De maatschappij begint u te brengen in een milieu, dat geconditioneerd is door wetten, morele regels en de af- en goedkeuring via beloning en uitstoting.

Er zijn dingen in het leven, die in feite geheel normaal zijn, maar zodra de mens deze buiten het maatschappelijk daarvoor geschapen kader om doet, zal men deze ervaren als iets schuldig, iets onaangenaams. Een van de meest moderne punten, waarover veel gesproken wordt, is wel seks. Nu kunnen de jonge mensen zeggen, dat zij zeer modern en vrijzinnig zijn daarin, maar in wezen zijn zij dit toch niet. Zij doen zeer veel op dit gebied in wezen uit verzet tegen de maatschappij en voelen zich dan schuldig tegen die maatschappij, terwijl zij zich z.g. “geheel vrij” uiten.

Wanneer een mens denkt, denkt hij binnen het kader, dat de maatschappij daarvoor heeft gesteld. Wanneer hij van deze regels afwijkt, gevoelt hij zich niet meer behaaglijk en tracht op de een of andere wijze het geheel van zijn handelingen, reacties, gedachten toch weer aan te passen aan de opvattingen van de gemeenschap, waartoe hij behoort. Hieruit blijkt wel, dat de mens door de maatschappij in een groot gedeelte van zijn uitingen en mogelijkheden wordt beperkt, niet alleen via wetten en macht, maar nog eerder via een psychische dwang, die wel niet altijd bewust door de gemeenschap aan de eenling zal worden opgelegd, doch die uit haar wijze van bestaan reeds voortvloeit.

Hierdoor is de mens niet in staat zijn eigen persoonlijkheid geheel te ontplooien. Misschien kan je het nog het beste als volgt zeggen. De tegenstelling tussen de mens en de maatschappij is de tegenstelling, die tussen de levende, voelende en denkende mens enerzijds, en de statistiek bestaat. De statistiek is koud, dood. Wel is zij waarheidsgetrouw indien zij juist wordt gehanteerd, maar zij geeft alleen uiterlijkheden, factoren zonder persoonlijkheid. Voor hen, die dit betwijfelen, wil ik een voorbeeld geven. Iemand werkt op het bureau van een levensverzekering. Hij is statisticus en rekent uit, hoe groot uw mogelijkheid wel is, om tot 60, 70 of 80 jaar ouderdom te leven. Hij deelt u in een groep en heeft misschien in zich zelfs een zeker gevoel van macht, omdat hij immers weet, hoe groot de kansen van de mens zijn om verder te leven. Voor hem gaat het hierbij echter niet om echte mensen. Hij is niet bezig met het werkelijke levende, met drama’s, die dood in kan houden, dit alles gaat aan hem voorbij.

Indien men deze mens nu eens, al is het maar voor enkele dagen, de gave zou kunnen geven, om van ieder mens, die hij op de straten passeert, te zien hoelang deze werkelijk nog te leven heeft, zo ziende, dat er hier een gaat met een begin van longkanker die nog vijf jaren zal leven, en dat er daar een gaat, die binnen korte tijd een hartinfarct zal hebben met fatale afloop, terwijl die krakende wagen van een mens daar nog vele jaren lang al lijdende zal leven… Denkt u, dat deze mens na enkele van die dagen nog zo onpersoonlijk tegenover zijn statistieken zou kunnen staan en nog zo koelbloedig zijn conclusies daaruit zou kunnen trekken? Ik meen, dat de getallenreeksen opeens leven, inhoud gekregen zouden hebben. De statisticus kan zich nu niet meer wat verheven boven de andere mensen gevoelen, omdat hij meer weet. Het zal hem niet meer mogelijk zijn in koele rust uit te rekenen, hoe groot de kans is, dat een bepaald aantal mensen voortijdig overlijdt en dus aan de verzekeringsmaatschappij in feite niet genoeg zal storten. Ik meen, dat zo iemand niet meer “nuchter wetenschappelijk ” zou kunnen werken.

En stel nu eens, dat de mens in wezen een groot aantal mogelijkheden en gaven bezit, die juist door het gebrek aan contact met de individuele waarde van het zijn steeds meer te loor gaan.

Eén daarvan is, ofschoon het in de moderne tijd steeds meer verwaarloosd wordt, het vermogen tot improviseren. Wat wil zeggen, dat men met de beschikbare middelen het schijnbaar niet mogelijke toch weer mogelijk weet te maken. In tijden van nood en gevaar, in tijden, dat de binding aan de regels van de maatschappij op de een of andere wijze verslapt, komt de mens echter weer tot dergelijke vindingrijke oplossingen. De meesten onder u zullen wel vergeten hebben, hoe nasi goreng van bloembollen smaakt. Maar het ontstaan van dit gerecht was m.i. een voorbeeld van improvisatievermogen. De mens van heden mag eigenlijk niet meer improviseren, daar de maatschappij, waarvan hij deel uitmaakt, steeds meer zich richt op perfectie. En dit betekent niet alleen een verbeteren van de normen van bestaan, vergeet dat niet. De gemeenschap is steeds meer bezig u “op te trekken” tot een volgens haar ideëel peil van bestaan.

Zij doet dit niet door uw persoonlijkheid en mogelijkheden als zodanig te erkennen, maar door u binnen het geheel van de maatschappij via steeds meer regels, wetten en maatregelen te beperken. Dezen zijn misschien goed bedoeld, maar hebben als gevolg, dat de mensen steeds minder de mogelijkheid vinden waarlijk zichzelf te zijn en eigen initiatieven te tonen. Zij vallen als gevolg van de vér gaande regeling van hun bestaan steeds meer in het kader van de statistiek, de berekeningen en wetenschappelijke beredeneringen, die het wezen van de massa eenvoudig een bepaalde waarde geven, zonder dat deze ook uit het geheel van de eenlingen, waaruit zij bestaat, voortkomt.

Natuurlijk zijn er ook in de maatschappij factoren, die men nimmer geheel zal kunnen overzien.

Denk maar eens aan de emotie van een enkele mens, een mens die geheel maatschappelijk is aangepast. Want zo iemand kan onder bepaalde omstandigheden eenvoudig amok lopen, ruiten kapotslaan, of medemensen aanvallen. De gemeenschap vindt dit dan treurig, maar ziet dit als gevolg van een geestelijke afwijking, een “ziekte”. Is dat echter wel waar? Volgens mij niet. Het amok is een verschijnsel van radeloosheid, die ontstaat doordat men geen mogelijkheid meer vindt zich binnen het milieu voldoende uit te drukken. Denk eens aan de inlanders op bv. Java en herinner u, indien u kunt, de akelige angstkreet ‘amok’, wanneer er zo iemand schuimbekkend door de straten gaat. Dat is het gevolg. Wat ging eraan vooraf? Die mens heeft iets verloren, heeft volgens zijn begrip geen kansen meer, ziet geen uitweg meer. Hij ziet zich de gevangene van omstandigheden, waaraan hij niet kan ontsnappen. Hij wordt beheerst door schuldbewustzijn, gevoelens van tekort schieten waaraan hij niet kan ontsnappen. Als gevolg daarvan werpt hij alle rede terzijde en begint een wilde, redeloze agressie tegen eenieder en alles. Hij valt niet de omgeving aan, de mensen, maar de maatschappij, het geheel der dingen die hem maken, tot wat hij is. Deze amok reactie zal in de komende tijd heus wel meer op de aarde voor gaan komen. Zij zal misschien massaler voorkomen dan menigeen op het ogenblik maar durft denken.

Dit is natuurlijk maar één enkel facet van de zaak, dat iemand amok loopt. Dat is de kwestie van de eenling, waarmede de maatschappij in wezen geen rekening wil en kan houden. Men redeneert: tegen de tien die amok lopen, hebben wij miljoenen, die het op het ogenblik nog goed doen. Deze velen geven ons de zekerheid, dat wij juist handelen, dus moeten wij degenen, die het niet met ons eens zijn of zelfs amok durven lopen, eenvoudig dwingen zich aan het geheel te conformeren, of hen ten onder laten gaan. Maar heeft de maatschappij met deze opvatting nu ook gelijk? Deze maatschappij gaat uit van de uiterlijke waarden. Zij kan de innerlijke waarden van de mens niet voldoende betrouwbaar kennen, omschrijven, redigeren.

Het resultaat daarvan is, dat zij op de uiterlijkheden af moet gaan. Wanneer er 10 man werkelijk en onbeperkt amok lopen, zo kunnen wij aannemen, dat er 10.000en mensen zijn, die dicht bij de grens daarvan komen, maar nog niet het kritieke stadium bereiken, zodat zij hun agressie niet in een zo verschrikkelijke en onmiddellijk kenbare vorm uitleven, waarmede de verhoudingen al veranderen. Een aantal van rond 10.000 mensen die tot de grens van amok komen, geven meer extreem weer, wat in vele anderen als een vage niet geheel erkende onrust bestaat, een onzekerheid. Neemt men aan, dat er op 10.000 mensen 10 amoklopers zijn, dan kan men het aantal van deze laatsten op rond één en een half miljoen stellen.

De totaliteit van de maatschappij is dus niet zo gezond als uit de uiterlijke conformiteit van de massa wel zou moeten blijken. Nu is de vraag, wat deze maatschappij de mens kan en mag bieden, wil zij haar werkelijke functie vervullen, terwijl omgekeerd ook de vraag mag luiden, wat de mens in de maatschappij kan en mag zijn. De maatschappij zou m.i. de mens moeten bieden: Een zo groot mogelijke vrijheid om zichzelf te zijn, zonder dat hierdoor zijn contact met anderen alleen op kracht, macht, sterkte komt te berusten. De maatschappij moet daarnaast de mens de mogelijkheid geven met anderen gezamenlijk op te treden, zonder hierdoor tot een al te groot onrecht t.a.v. anderen te kunnen komen. Ten laatste kan men van de maatschappij eisen, dat zij de mens de mogelijkheid zal bieden door specialisatie in de gemeenschap een groter vermogen tot gelukkig leven – men noemt dit tegenwoordig verkeerdelijk ‘welvaart’ – te verwerven, dan zij zonder dit samengaan met anderen ooit zou kunnen bezitten.

De vorm van die maatschappij is daarbij verder van geen belang. Zolang zij aan voornoemde voorwaarden voldoet, is zij goed. Wanneer zij echter verder gaat dan dit en tracht de mens aan te passen aan hetgeen zij als ideaal beschouwt, zal zij de mens de hem toekomende rechten ontnemen. Zij zal de mens onmondig maken en zo langzaamaan de menselijke waarde in zijn bestaan te loor doen gaan. Waar zij hierin niet slaagt en dus geen voldoende versuffing, en afstomping van de delen van de maatschappij optreedt, krijgt de top van de gemeenschap te maken met een steeds agressievere reactie van de massa, die hier en daar zelfs op amok uitloopt, maar in de meeste gevallen als en smeulende opstandigheid aanwezig blijft.

Wat kan nu de enkele mens voor de maatschappij doen? Hij kan die maatschappij niet veranderen. Hij kan slechts die maatschappij alleen zo ver aanvaarden, als zij voor hem werkelijk aanvaardbaar is. Dit betekent, dat de mens niet in de eerste plaats mag beginnen, met het stellen van eisen aan de maatschappij. Hoe meer eisen je stelt aan de maatschappij, hoe meer je ook aan die maatschappij in haar geheel – en niet slechts in een deel van haar uitingen – gebonden zult zijn. Hoe groter voor jou de belangrijkheid is van het aanpassen van het ik aan de normen van de gemeenschap, hoe meer men ook de eigen waarden heeft prijsgegeven aan de voordelen, die men in de maatschappij denkt te vinden.

Wel kan men stellen: In de maatschappij zijn een aantal aspecten, die ik kan aanvaarden.

Daarmede moet ik werken. Deze zal hij dan ook aanvaarden. Van de rest van de door de maatschappij gestelde normen dient hij zich niets aan te trekken. Tracht als mens nu eens niet precies zo te leven en te denken, als men gezegd heeft, dat u leven en denken moet. Doe afstand van dat schuldbewustzijn, dat men u alleen maar heeft aangepraat, probeer de eigen situatie niet te ervaren als een conflict met anderen, of een zich conformeren aan anderen, maar eenvoudig als een persoonlijk gedrag, waardoor men met anderen in contact komt.

Zodra je dit weet te doen, kun je voor de maatschappij een zeer stimulerende factor zijn, want je maakt in en vanuit jezelf het vermogen tot improviseren, intuïtief reageren, tot het gebruik van allerhande innerlijk erkende waarden – die theoretisch gezien misschien waanzin zijn, maar toevallig voor u werken – tot een ook in de maatschappij actieve factor. Hierdoor kun je aan de maatschappij een vergroting van respect voor vrijheid geven aan de ene zijde en aan de andere zijde het al te conformistisch streven van de maatschappij, dat niet alleen de mensen, maar ook de maatschappij zelf op de duur gaat bedreigen, helpen beperken. De mens, die de maatschappij dient op deze wijze, voorkomt dat de maatschappij de mens gaat overheersen, maar zal gelijktijdig in alle voor hem aanvaardbare aspecten de maatschappij steunen en een betere samenhang geven.

Misschien lijkt u dit alles niet erg interessant, maar er komt nog meer. Ik ga uit van een standpunt in wat volgt, dat de meesten van u wat overdreven voor zal komen. Dit vloeit voort uit het feit, dat ik alleen de waarde zelf moet stellen, zonder de tijd te hebben alle bijkomstigheden en verschijnselen, die tot de stelling voeren, voor u geheel uit te werken. Ik stel dan: zowel de staat als de kerk – beiden de werkelijk vormende principes in het maatschappelijk bestel – gaan uit van schuld en schuldbesef bij hun onderdanen. Het aankweken van de gevoelens van schuld bij de eenling zijn voor hen dan ook een van de belangrijkste factoren in de uitoefening van macht en daardoor ook bepalend voor de maatschappelijke vorming en groepering. Ik weet, dat het u overdreven voorkomt, maar hieraan zit heel wat meer vast, wat ik vandaag niet voor u uit kan werken. Neem dus voorlopig het gestelde als werkthese aan.

Door de mens met schuld te confronteren, brengt men hem tot een zekere terughoudendheid in zijn gedragspatroon. Zolang dit slechts in zijn contacten met andere mensen een zekere rol speelt is, dit nog niet zo erg, maar het gaat verder dan dit. Het schuldbewustzijn wordt, zowel door de staat als door de kerk, zodanig gepropageerd, dat de mens – geconfronteerd met eigen denken, met eigen denken en dromen, schuldgevoelens krijgt. Om het duidelijk te stellen geef ik een voorbeeld, dat u mij hopelijk zult vergeven. Het is toch wel krankzinnig, dat een jongen van een jaar of 17, die een natte droom heeft gehad, zich schuldig gevoelt tegenover God en mensheid, omdat hij “zinnelijk” is geweest. Dit is krankzinnigheid en toch komt het meer voor, zelfs nu nog, dan u zou vermoeden; dit is dan een uitvloeisel van de kerkelijke moraliteitsleer.

Dit is een uitvloeisel van de maatschappelijke verhoudingen, waarin die jongen is opgevoed. Wanneer iemand in een droom een handeling verkeerd uitvoert – bv. verkeerd rijden met een auto – en nu schuldgevoelens krijgt, omdat hij daardoor in zijn droom een ongeluk veroorzaakt, maar in het waakbewuste leven voor korte tijd eveneens zijn zekerheid van reageren verliest, zo is dit toch wel dwaas. De mens zelf zal dit niet zo kunnen ontleden. Hij heeft zelfs in de droom, zelf alles vertekend en de normaal in hem levende droomsequentie verbroken, omdat hij opeens besefte, dat hij, volgens de regels van de maatschappij, schuldig was.

Iemand droomt, dat hij gaat kamperen of picknicken. Hij droomt, dat hij stilletjes iets snoept, iets wegneemt, waarop hij geen recht heeft. Opeens begint het in de droom te onweren en is de gehele picknick naar de maan. Waarom? Schuldgevoel. Aantasting van eigendommen van anderen is zonde. De normale neiging tot wegnemen en proeven, die in de droom werd uitgeleefd, kwam nu in conflict met het gevoel van schuld. Daarom verdween het licht en het gevoel van welbehagen, om plaats te maken voor onrust, frustratie en teleurstelling. Daar de droom in vele gevallen een veiligheidsklep is, waarin agressies van het waakbewuste bestaan kunnen worden afgereageerd, zal hierdoor een frustratie ontstaan, die zich later in de maatschappij, maar nu volgens de daarin aanvaarde normen van goed, zal worden uitgedragen.

Dit alles speelt zich in de mens af en heeft dus in wezen weinig te maken met zijn uiterlijk gedrag, al kan het daarin wel tot uiting komen.

De maatschappij beïnvloedt dus zelfs het innerlijke leven van de mens vaak zeer sterk. Wat meer is: Door deze beïnvloeding maakt zij de mens psychisch tot invalide, daar hij zijn gedachten niet meer geheel kan denken, zoals hij dezen krachtens zijn wezen en inhoud zou moeten denken. Hij kan niet eens meer reageren, zoals hij krachtens eigen natuur en wezen zou moeten reageren. Hij kan niet meer voor zich een geluk en vrede in het leven vinden, zoals deze voor hem in het leven te vinden zouden moeten zijn. De mens blijft door de invloeden van de maatschappij maar al te vaak aan de grenzen van het voor hem noodzakelijke, nuttige en normale staan.

Wanneer iemand intuïtief reageert en denkt, komt hij maar al te vaak tot gedragingen, conclusies, vaststellingen, die volgens de maatschappelijk geldende normen onlogisch zijn. En alles wat vreemd zou kunnen zijn in de ogen van anderen, zou voeren tot een verandering van de waardering voor het ik in de maatschappij en zo een aantasting vormen van het beeld, dat het ik zich, door opvoeding en milieu, van het ik heeft leren maken. De mens is dan ook bang een aantasting van het maatschappelijk beeld tot stand te brengen. Er is een vrees, waardoor de intuïtie sterk wordt onderdrukt. Hierdoor zullen in vele gevallen foutieve beslissingen worden genomen op grond van z.g. gedegen en maatschappelijk als juist erkende feiten, terwijl het ik wist, dat de actie verkeerd was. Wat dan later onnodige schuldgevoelens in het ik doet ontstaan, waarmede men geen raad weet, omdat men, gezien vanuit de maatschappij, niet schuldig is en  toch zich schuldig gevoelt.

Vele geestelijke fasen van ontwikkeling, vele mogelijkheden tot bewustwording zullen zo worden weggedrukt door rationalisaties en de daaropvolgende innerlijke onvrede. Bijvoorbeeld, iemand komt in contact met de een of andere uitspraak van een spiritualistische spreker. Iemand als ik, een medium, waarzegger of iets dergelijks. Dit is voor die mens een waarheid. Het roert hem tot het diepst van zijn ziel. Wat betekent, dat er een harmonische factor in zijn wezen gestimuleerd werd. “Maar deze dingen kunnen alleen uit de duivel zijn!” Dat heeft men deze mens geleerd. En je moogt niet met de duivel in contact treden. Dus verwerpt men iets, wat voor eigen innerlijke ontwikkeling van het grootste belang zou kunnen zijn en voor de geestelijke rijping en zelfs tot grotere maatschappelijke stabiliteit had kunnen bijdragen. Men voelt zich zelfs schuldig dat men geluisterd of begrepen heeft en voelt zich in gevaar: de hel dreigt. Misschien begrijpt u nu, wat ik tracht duidelijk te maken. Mens en maatschappij vormen in wezen een tweestrijd, die reeds langere tijd aan de gang is. Deze tweestrijd wordt bewuster en sterker beleefd, naarmate de maatschappij meer invloed op het leven van de enkeling uit gaat oefenen.

Dit is de oorzaak van veel opstanden en revoluties, maar tevens de oorzaak voor vele in wezen onredelijk egoïstische standpunten, die door verschillende groepen worden verdedigd en toch in hen in feite een gevoel van onvolkomenheid en schuld teweegbrengt, waardoor hun streven steeds meer fanatiek wordt. Dergelijke groepen zijn georiënteerd op de maatschappij, zoals deze zich aandient. Zij zien de maatschappij niet meer als een vorm van samenwerking, maar als een afzonderlijk lichaam, waaraan men rechten kan ontlenen, gunsten kan afdwingen, maar gelijktijdig een lichaam, dat je kan vertellen, wat goed en kwaad is.

Goed en kwaad zijn waarden, die alleen van God uit kunnen voortkomen, waarden die wij alleen – en werkelijk alleen – vanuit onszelf en voor onszelf kunnen kennen, of wij nu in de geest leven of in de materie. Wij worden door het leven niet gebonden aan regels. De banden en wetten van het leven kan men omschrijven als de bestaan waarden. Deze bestaanswaarden omvatten voor ons dan inderdaad goed en kwaad, in zoverre dat zij volgens ons ervaren soms ons bewustzijn en onze mogelijkheid tot leven ondersteunen, in andere gevallen dezen echter aan schijnen te tasten.

Hier ligt de kern van veel, wat in deze tijd plaats vindt. U hebt misschien gemerkt, dat er steeds meer onrust ontstaat, vaak op de vreemdste wijze. Om een recent voorbeeld te nemen, de acties van de Belgische douane. Ontleed dit eens. Deze stand, deze ambtelijke beroepsgroep eist voor zich bijzondere voorrechten. Waarom doet zij dit? Omdat zij voor zich gevoelt en weet, dat een groot deel van haar handelwijzen en gebruiken niet in overeenstemming is met wat volgens hun omgeving recht en juist is. Anders gezegd – en zonder een beschuldiging uit te spreken tegen bepaalde personen – bij deze instantie wordt nogal eens met willekeur gewerkt. Men wijkt men vaak af van alles, wat volgens de wet juist of menselijk recht juist en redelijk zou zijn. De groep beseft dit zeer wel. Zoals zij beseft, dat zij, mede hierdoor, in de gemeenschap minder geliefd is. Men weet, dat men wordt aangezien voor omkoopbaar, kruimeldiefje enz.- of dit nu waar is of niet. Gevolg is, dat men voor zich op andere wijze een aanzien wil vergen. Men wil meer betekenen en zoekt een uitdrukking daarvan in het bereiken van een bijzondere salariëringsregeling, die, wanneer zij op de keper wordt beschouwd, zich kenmerkt door de behoefte meer en anders te worden behandeld dan anderen.

Indien ik goed ben geïnformeerd, zo is deze staking of actie voortgekomen uit het geheel van deze mensen, die zich zo in wezen willen stellen buiten en gelijktijdig ietwat boven de ambtelijke delen van de gemeenschap waarvan zij deel uitmaken. Dit schijnt de psychologische kern van het conflict te zijn. Indien deze mensen in staat zouden zijn terug te keren tot een doelmatiger en meer plichtsgetrouw werken, zouden zij meer trots zijn op hun korps en zo, ongeacht het wegvallen van vele emolumenten, waarschijnlijk eerder genoegen willen nemen met de vergoeding voor hun taak die zij nu ontvangen. Velen zouden waarschijnlijk terug willen keren tot een eenvoudiger en eerlijker betrachten van hun plicht, maar daar dit, zij het door vermindering van inkomen of spot van vrienden, hun “status” zou verminderen, komen zij hiertoe niet, zelfs indien zij dit in wezen begeren. Daar dit conflict in de komende tijd bij velen meer acuut wordt, zal men ook in de toekomst moeten rekenen met steeds hogere eisen en enkele haast onwaarschijnlijke acties.

Een dergelijke achtergrond vinden wij ook vaak bij andere stakers en opstandelingen. In vele landen wordt gestaakt door mensen die innerlijk wel weten en beseffen, dat dit meer loon uiteindelijk zal gaan ten koste van de werkgelegenheid, terwijl het netto revenu van de verworven loonsverhoging door de opschroeving van prijzen en lasten voor hen in feite nihil zal zijn. Ik wil hierbij opmerken, dat het niet overal zo erg is als in Nederland. Daar immers krijgt de staat niet alleen, net als jij, iets meer, wanneer je meer gaat verdienen, maar zij vraagt ook een groter aandeel, zodat zij in feite van elke loonsverhoging tweemaal profiteert en zo de enkeling maar weinig werkelijk nut van zijn verhoogde loon laat trekken. Iemand, die de bijkomende factoren begrijpt, zal volgens mij toch eerder moeten vragen om een laag salaris in een munt, die een behoorlijke koopkracht heeft. Maar getal in salaris is meer dan geld alleen, het is een status teken, een teken van waardering. Het is opvallend, dat groepen, naarmate zij gemiddeld meer tekortschieten t.a.v. taak en gemeenschap, meer behoefte hebben aan die waardering, en van de gemeenschap dan ook een grotere beloning eisen.

Bij revolutionaire acties werken soortgelijke invloeden vaak mee. Ook wanneer de revolutie geen geweld omvat. Zo treedt de Gaulle steeds sterker op tegen Amerika en Engeland. Waarom doet hij dit? Omdat hij erkent, dat hij als staatshoofd van Frankrijk te midden van de anderen alleen maar een tweederangs staatshoofd kan zijn. Zijn verzet is in de eerste plaats een poging een belangrijker plaats in het geheel te verwerven, door af te wijken van de norm, en het aanzien van degenen die hij aanvoelt als zijn meerderen, onder verdenking te stellen. Hij voelt zich echter hierdoor ook schuldig, want hij beseft zeer wel, dat vele van zijn acties en uitspraken niet juist zijn. Het gevolg is, dat hij feller en agressiever te keer gaat tegen degenen, die hem in wezen aan het gezag geholpen hebben, dan dit door de feiten alleen verklaarbaar zou zijn. Dit geldt overigens voor het optreden van een groot deel van de gaullisten.

Ook bij de kleurlingen zien wij in toenemende mate een strijd om zelfstandigheid en macht.

Begeren zij deze zelfstandigheid nu ook in feite? Neen. Zij zoeken eerder een maatschappelijke erkenning, een verbetering van hun positie en aanzien volgens de normen, die het Westen hen heeft leren kennen. Zij zijn steeds verder weggegroeid van de stamgemeenschap en de groepsidentificatie, waarin men een eigen waarde kan vinden, die niet uitdrukbaar is in materiële goederen, zodat zij steeds meer menen, dat materiële goederen alleen een reden tot trots en gelding zijn. Ook zij doden een groot deel van hun geestelijke mogelijkheden in een strijd om macht en aanzien. Black power in de US bv. betekent een sterven van een groot deel der werkelijke en waardevolle negermystiek en daarmede een te loor gaan van een groot deel van de supernaturale waarden die in de zwarte bevolking van de US nog zeer sterk aanwezig waren.

Ik kan voortgaan met het geven van dergelijke beelden.

De mens, die met de maatschappij wordt geconfronteerd, maakt steeds weer de fout, dat hij tracht zijn waarde en belangrijkheid te bewijzen volgens de normen van die maatschappij, zonder daarbij te beseffen, dat de normen van deze maatschappij op de duur niets meer met de werkelijke waarden van de mens te maken hebben. Men beseft niet, dat de maatschappij, zodra zij begint de eenling te beheersen, in feite alleen een systeem is, dat ten hoogste geduld kan worden bij gebrek aan beter, maar waaruit men nimmer voor zich werkelijke waarde kan putten.

De zin van al het voorgaande kan ik in enkele woorden kort samenvatten: Naarmate de maatschappij zich meer richt op het beheersen van de gehele samenleving in al haar aspecten, zal zij de spanningen, die tegen de maatschappij leven, steeds sterker maken, tot een kritiek punt wordt bereikt. Dan valt men de maatschappij aan. Gezien de opvoeding, die de maatschappij echter aan haar delen heeft gegeven, zal een dergelijke aanval niet voeren tot een werkelijke en grotere vrijheid van het individu, doch slechts voeren tot een nog eenzijdiger opleggen van andere normen aan allen, door degenen, die dan de macht in handen krijgen. Dit is de bron van veel strijd en revolutie in de komende tijd en de verklaring voor veel extremisme bij hen, die de macht zoeken, of in deze dagen weten te verwerven.

Wat kunnen wij uit dit alles, zo negatief als het klinkt, nog aan positieve waarde halen?

In de eerste plaats geldt: De mens die beseft, dat zijn waarde niet is gelegen in datgene, wat hij uiterlijk is of bezit, maar in datgene, dat hij in en voor zichzelf aan geluk, harmonie en innerlijke rijkdommen weet te vergaren, zal de maatschappij kunnen gebruiken, zonder zich daaraan te onderwerpen. Men zal hem niet begrijpen en daarom alleen dan aanvallen, wanneer zijn wijze van gedrag en leven een voorbeeld dreigt te worden voer vele anderen.

In de tweede plaats: Naarmate de mens zijn innerlijke waarden en gaven beter beseft en gebruikt, zal hij de maatschappij minder misbruiken en zal hij deze maatschappij eerder zien als middel tot het, ook voor hem noodzakelijke, contact en samenwerken met anderen.

In de derde plaats: Naarmate de mens zich bewuster wordt van de werkelijke functie, die het maatschappelijk bestel heeft, namelijk communicatie – en dus niet beheersing – zal hij komen tot een houding, waarbij een vermindering van de feitelijke machtspositie van de maatschappij gepaard zal kunnen gaan met een intensifiëring van haar betekenis voor allen.

Ten laatste: Juist de mens, die in vrijheid binnen de gemeenschap en maatschappij vanuit eigen besef werkt en dienstbaar is, zal, door het gebruik van zijn geestelijke en materiële mogelijkheden die maatschappij grote voordelen verschaffen daar hij als eenling immers veel sneller kan denken, reageren en eventueel meer intuïtief constateren dan de maatschappij als complex organisme voor zich ooit zal kunnen. De eenling kan de maatschappij behouden, redden, instand houden, door te reageren, voordat de maatschappij daartoe zelf in staat is en door te handelen volgens intuïtie en menselijke logica, waar de staat via vele overwegingen eerst tot een theoretisch juiste beslissing zoekt te komen, zodat zij in wezen te laat ageert en reageert.

Uit dit alles blijkt verder, dat de maatschappij zichzelf sneller ten gronde zal richten, naarmate zij perfectionistischer tracht de mogelijkheden van het individu binnen een stelsel van normen, wetten en kunstmatig gekweekte gevoelens van schuldbewustzijn vast te leggen. Daaruit blijkt ook, dat een periode van revolutie en omvorming, zoals dit tijdperk van Aquarius nu eenmaal met zich brengt, eigenlijk berust op het verkeerd in de maatschappij geschapene. Het denkbeeld, dat staat, het bestaan van de staat als instelling, gelijkkomt met het bestaan van rijkdom, van macht enz. is een waan, die velen op het ogenblik doet grijpen naar staatkundige en politieke zelfstandigheid, terwijl zij daarvoor nog niet rijp zijn. Men heeft hen dit echter bijgebracht: De staat is macht en rijkdom; wanneer ik maar gehoorzaam ben, moet de staat voor mij zorgen.

Men heeft hen niet geleerd, dat zij deel zijn van een gemeenschap, die nooit meer kan betekenen en geven, dan de mensen als delen der gemeenschap daarin brengen.

Door deze en dergelijke misvattingen komt het kookpunt van sociale, politieke en economische spanningen in deze dagen ten top. De grote vraag is nu, welke oplossing men zal vinden voor dit alles. Men zoekt in vele gevallen oplossingen als mens, die voeren tot de conclusie, dat men zich zover mogelijk van de maatschappij en haar regels los moet maken. Verschijnselen als provo, flowerpower e.d. tonen aan, waartoe dit leidt: Deze groepen denken nu wel zich buiten de maatschappij te kunnen stellen, of zich grotendeels aan haar gezag te kunnen onttrekken, maar in feite erkennen zij in hun protest deze maatschappij nog sterker als macht dan de volgzamen. Bovendien blijkt, dat zij in hun verzet tegen de maatschappij, menen rechtens een beroep te kunnen doen op de gemeenschap, waar zij zich verder buiten willen stellen. Dit is natuurlijk onzin en negatief.

Stel nu echter, dat diezelfde mensen op hun eigen houtje beginnen uit te vinden en te creëren. Daarmede bedoel ik niet allen maar schilderen. Dat is heel vaak kladderen. Ik bedoel, dat zij bewust beginnen iets te doen, maar zonder maatschappelijke plannen. Want als buiten de maatschappij staande groep zullen dergelijke mensen binnen de maatschappij nooit pressie genoeg kunnen uitoefenen om hun denkbeelden door te voeren. En zo zij daarin desondanks zouden slagen, zo zouden zij automatisch tot een machtsgroep worden, die begint de vrijheid van anderen te belemmeren. Door echter als mens en persoonlijk te creëren en vanuit zich tot stand te brengen, zouden dergelijke groepen zeer veel kunnen doen. Alleen maar negatief leven zal voor zeer vele mensen niet genoeg kunnen zijn. Wij weten, dat de jeugd van tegenwoordig onnoemelijk veel zwamt. Ik hoop nu maar, dat dit woord nog “in” is. Het feit blijft natuurlijk bestaan, al wordt tegenwoordig veel gezwam conferentie genoemd. ….. . Dus, de jongelieden zwammen. Dit betekent dat zij praten zonder te beseffen dat er ook nog een brug geslagen moet worden tussen hun plannen en de werkelijkheid, terwijl zij verder nog niet beseffen, dat zij zelf het zijn, die die brug moeten slaan. Want een ander zal dit voor hen niet doen. In het feit, dat zij zoeken naar een vernieuwing, komt als vanzelf het ogenblik van vermoeidheid, het niet meer kunnen leven met het grote verschil tussen een in feite machteloze plannenmakerij en de werkelijkheid. Dan ontstaat een strijd om de macht die in vele gevallen tot nu toe alleen tot een strijd met de politie als vertegenwoordiger van het gezag heeft geleid, maar in vele gevallen op de duur zal voeren tot een vergrote creativiteit.

Dan kunnen jonge mensen bv. zeggen: De ouderen willen dit vernietigen, maar wij willen het in stand houden, en wij zullen mogelijk maken, dat het in stand blijft. Wij zullen laten zien, dat het kan. Dan zullen jonge mensen gaan zeggen: Wij geloven niet op de manier, waarop jullie ouderen dit doen, maar wij voelen, dat een geloof goed is. Wij zullen metterdaad uitleven wat wij geloven, zonder dat wij daarbij bekeerlingen willen maken en met allerhande pressure methoden anderen trachten te overhalen. Zoals u weet is “pressure”: Druk. Ik zou een dergelijke methode van “bekeren” een pressure-cook-methode willen noemen, omdat men met veel middelen bereikt, dat de mens eerder gaar is. Maar het lukt zelden iemand geheel gaar te maken, met als gevolg het feit, dat er na een dergelijke poging meer dan normaal halfgare gelovigen rondlopen met een bovennatuurlijke halfgaarheid in hun denkbeelden, die in de praktijk echter op niets uitdraaien.

Nu stel ik – en dit wordt dan meteen het besluit van mijn betoogje: De verhouding mens – maatschappij wordt bepaald door het vertrouwen dat de mens heeft in zichzelf, zijn vermogen de angsten, die de maatschappij tracht in hem te projecteren te zien voor wat zij zijn – illusies – , en daarnaast vast te houden aan zijn eigen besef van goed en kwaad. Want een maatschappij kan alleen bestaan, wanneer zij niet uit factoren is opgebouwd, maar uit werkelijk levende en zelf denkende mensen. Want alleen dan is zij een werkelijk levend organisme, dat zich kan aanpassen, veranderen en ontwikkelen, zoals dit door de omstandigheden noodzakelijk is. Voor de mens geldt, dat hij binnen de maatschappij alleen gelukkig en juist kan leren leven, wanneer hij innerlijk zowel als uiterlijk zijn eigen normen leert hanteren en leert dit te doen binnen een maatschappij, waarin hij deel heeft aan de gemeenschap op een voor hemzelf logische, aangename en verantwoorde wijze.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Ik stel, dat een compromis noodzakelijk is, omdat men niet tegen de normen van de maatschappij in kan gaan zonder strijd te veroorzaken, zodat het gevolg daarvan kwaad is.

Een dergelijk compromis wordt vaak als noodzakelijk voorgesteld. Dit vloeit voort uit angst voor de maatschappij. Misschien heeft u reden voor die angst: Wanneer wij zien wat er is gebeurd met grote profeten, vernieuwers, geestelijke leiders op allerlei terrein, zo zien wij, dat zij juist daarom door de maatschappij vervolgd en doodgemarteld zijn. Ik kan mij voorstellen, dat iemand daarvoor bang is. Maar dan betekent dit, dat degene, die stelt, dat een compromis noodzakelijk is, reeds zo zeer de maatschappij vreest, dat het hem aan de moed en mogelijkheid ontbreekt om waarlijk zichzelf te zijn. Volgens mij is nu de vraag, wat belangrijker is: Jezelf te zijn met het risico, dat de maatschappij je ten gronde richt – wat overigens meestal niet gebeurt – of het ik te verloochenen en een compromis te sluiten, waarin veel van de werkelijke mogelijkheden en waarden van het ik te loor gaat. Zo groot als u veronderstelt, is het gevaar overigens niet. Alleen wanneer u door uw wezen een directe aanval betekent tegen de maatschappij, of daarin heersende belangengroepen – wat niet zo vaak voorkomt – zal de maatschappij u werkelijk vervolgen om u te vernietigen. Anders zal zij u slechts beschouwen als vreemd, niet belangrijk enz. Vergeet daarbij niet, dat degene die bereid is zichzelf te zijn zonder daarbij zich te storen aan de maatschappelijke aspecten die niet passen bij zijn innerlijk bewustzijn, juist hierdoor vaak een bijzondere plaats en betekenis krijgt voor alles rond zijn persoon. Slechts wanneer u steeds meer mensen door uw wijze van leven en denken zou winnen voor uw wijze van leven, dus veel volgelingen zou maken, zou men u als gevaarlijk beschouwen en trachten te vernietigen.

Wanneer u dus stelt, dat een compromis onvermijdelijk is, zo vloeit dit voort uit angst voor de maatschappij, waarbij het grootste deel van die angst bovendien denkbeeldige en geen reële gevaren betreft. Het is zelfs een goed teken, wanneer veel mensen aanstoot nemen aan uw gedrag; naarmate echter minder mensen aan uw gedrag aanstoot gaan nemen, wordt het gevaar groter, dat men u zal vervolgen en buiten spel zal zetten. Het klinkt u misschien vreemd, dat dit juist gebeurt, naarmate er minder mensen aan uw afwijkend gedrag aanstoot nemen, maar daarvoor is een verklaring. Zolang u in de ogen van iedereen een verwerpelijk of eigenaardig mens heet te zijn, bent u voor de maatschappij betrekkelijk schotvrij. Dan laat men u wel met rust. Naarmate echter meer mensen in de maatschappij u voor vol gaan aanzien, ongeacht uw afwijkende normen, zullen degenen, die overblijven, menen dat het noodzakelijk is u te overwinnen, uit te schakelen, of zelfs te doden, omdat zij hierdoor hun eigen zekerheid – het maatschappijtje, omdat zij weinig of geen vertrouwen in zichzelf en innerlijke zekerheid bezitten – zal kunnen vallen. Dan krijgen wij spreuken te horen als: “het is beter, dat één mens sterft, als dat een volk ten onder gaat”. Overigens een stelling, die ook nog in deze dagen vaak, zij het met andere woorden, wordt gesproken en, zij het met niet zo eclatante gevolgen voor de toekomst, in de praktijk wordt gebracht.

  • U gebruikte het woord psyche. De psychologen weten dit nog niet geheel te omschrijven. Zij weten schijnbaar nog niet, wat dit precies wil zeggen. Kunt u het definiëren?

Wanneer ik de term psyche moet omschrijven, zo definieer ik haar van mij uit als het totaal van de bewuste processen en mogelijkheden, ook die, welke niet tot het waakbewustzijn behoren, zoals zij bestaan in de mens en niet behoren tot de automatische reacties, die als gevolg van erfelijkheid en ras in hem zijn ingelegd. Verder wil ik de psyche nog ontleden en stel: Zij bestaat uit een materieel gebonden deel, waarin zekere mate van erfelijkheid een rol kan spelen als bij bv. denkvermogen en herinneringsvermogen, plus een onbewuste reeks van herinneringen, die uit stoffelijke belevingen en invloeden ontstaan. Het tweede deel van de psyche omvat het geheel van de niet zuiver materiële waarden van het bewustzijn, die vaak worden omschreven als geestelijke voertuigen en hun eigenschappen, maar soms ook als ziel of kern worden aangeduid. Dan kan ik u nog verklaren waarom men het woord psyche wel vaak gebruikt, maar zelden of nooit omschrijft. Dit is een gevolg van dezelfde maatschappelijke angst, waarvan wij reeds spraken.

De wetenschappelijke wereld is bang iets te zeggen, wat zij niet zo overtuigend kan beredeneren en bewijzen, opdat ieder ander zich daarin moet kunnen conformeren, of in de ogen van een ander tot dwaas of zonderling wordt. Dientengevolge zullen de psychologen elk voor zich wel een vaak zeer omschreven denkbeeld hebben omtrent de psyche en haar inhoud, zonder deze omschrijving naar buiten toe te durven en te willen gebruiken, omdat deze te vele niet bewijsbare en aantoonbare factoren in zich bevat. Dat men zich zo vaak terugtrekt achter vaagheden als: Het onbewuste en de psyche, maakt overigens begrijpelijk, dat de eigen stellingen en constateringen van de psychologen zo vaak eveneens een zwevend karakter dragen. Wat een kleinigheid is tegen grote delen van de psychologie, die geen waarden van het werkelijke ego willen erkennen, maar het ego nog steeds blijven benaderen vanuit een wetenschappelijk standpunt. Zoals de psychiatrie zich in wezen niet ten doel heeft gesteld het ego als zodanig en voor zich te erkennen en tot harmonie te brengen, maar zich in hoofdzaak bemoeit met de relatie tussen ego en maatschappij en als haar taak dan ook niet de ontwikkeling van het ego in zijn eigen kwaliteiten ziet, maar het aanpassen van het ego binnen de maatschappij, zodat het, onvolledig of niet, harmonisch of niet, maatschappelijk aanvaardbaar blijft.

  • Mensen kunnen innerlijk geheel vrij zijn en toch zich aan de maatschappij conformeren.

In de meeste gevallen is dit innerlijk vrij blijven slechts een rationalisatie van een verloochenen van een deel van het ik, voortkomende uit een – vaak onbewust tot stand gebrachte en in feite niet aanvaardbare – scheiding tussen de extroverte waarde van het bestaan en eigen gedrag, tegenover de innerlijke waarden en ontwikkelingen daarvan. Dit heeft, zoals u zult beseffen, een splitsing van het bewustzijn ten gevolge en kan zelfs ontaarden in een vorm van schizofrenie.

  • U schetst een wat Kafka-achtige maatschappij. Ik neem aan, dat dit een weergave, vereenvoudigd, van moderne ontwikkelingen is, maar is er nu ook een voorzienbare tendens, die voert tot een ruimere maatschappijvorm?

Deze is te voorzien. Bezien binnen het kader van Aquarius kan men ongeveer als volgt stellen: De maatschappij zal, door een in haar optredende en voortdurend groter wordend perfectionisme, dat een steeds sterkere frustratie van de massa en de eenling ten gevolge heeft, op den duur zichzelf oplossen in een aantal snel van vorm en waarde wisselende bestuur organismen met elk geheel differente maatschappelijke normprojecties. Het resultaat hiervan zal zijn, dat komende generaties steeds minder gevoelig worden voor de op angstgevoelens gebaseerde normhandhaving in de maatschappij en de daaruit ontstane drangverschijnselen.

Hun grotere innerlijke vrijheid zal voeren tot een in wezen – anarchistisch, ofschoon niet agressief – gedrag binnen de maatschappij, zonder dat destructie hiervan het gevolg zou zijn. Hierdoor zullen de maatschappelijke normen steeds verder op de achtergrond komen, tot de maatschappij in feite weer is geworden wat zij behoort te zijn: Een samenwerken van mensen onderling, een mogelijkheid tot contact voor mensen onderling, welke met zo gering mogelijke aantasting van leefwijze, leefwaarde, persoonlijke verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en daadkracht van de eenling, hem in staat stelt tot die samenwerking te komen met anderen, die hij werkelijk begeert en noodzakelijk acht, hem daarbij alleen beschermende tegen een opgedwongen samenwerking die niet voor hem aanvaardbaar is.

Dat is dus de ontwikkeling van deze maatschappij. U zult begrijpen, dat een dergelijke maatschappij geen ambtelijk karakter meer kan hebben, dat zij een niet-godsdienstig, maar volkomen utilitair karakter heeft. Zij zal in haar op nut alleen gericht optreden, dat zich niet met idealismen e.d. bezighoudt, en zich tot het minimum beperken. Roem, eer, persoonlijke bevrediging van de bestuurders zal dan liggen in een met zo weinig mogelijk ingrijpen en actie tot stand brengen van een zo groot mogelijk geluk en een zo groot mogelijke harmonie in de gemeenschap, terwijl het op de voorgrond treden als bestuurder onder dergelijke omstandigheden niet meer de bevrediging van roem en belangrijkheid zal bieden die deze nu nog voor velen bezitten.

  • Hoe meer ambtenaren, hoe slechter de tijd?

Dit is niet geheel juist, omdat de tijd en de ambtenaren niet samenhangen. Het is niet zo, dat een slechtere tijd noodzakelijkerwijze het aantal ambtenaren toe doet nemen, terwijl het evenmin zeker is, dat het toenemen van het aantal ambtenaren de tijd slechter zal maken.

De zaak ligt anders. Naarmate men een eenzijdiger beschouwing krijgt van de noodzaken en mogelijkheden binnen de samenleving ontstaat de behoefte tot een verdere normalisering en regeling van deze samenleving. Naarmate de regelingen toenemen, zal het aantal ambtenaren toenemen. Het toenemen van het aantal ambtenaren maakt, daar een vrije interpretatie van zovele verschillende persoonlijkheden een sfeer van onrecht zou kunnen doen ontstaan, een steeds verder gaande en nauwkeuriger regeling noodzakelijk, welke dan weer meer ambtenaren ter uitvoering en controle vergen. Zo ontstaat een topzwaar apparaat. Met het goed of slecht zijn van de tijd heeft dit echter niet te maken, het vloeit slechts voort uit de perfectionistische behoeften van een maatschappelijk gezag, dat niet in staat is zichzelf te zien als de werkelijke en volledige uitdrukking van datgene, wat leeft in die maatschappij. Een toenemen van het aantal ambtenaren geeft dus in feite de vervreemding weer van de regering t.a.v. degenen, waarover zij regeert.

Een ander aspect is de vereenvoudiging van waarden, waarbij men in feite steeds meer werkt in tegenstellingen van zwart-wit, terwijl de tussentonen eenvoudig worden weggelaten. Men beseft dan kennelijk niet meer, dat een grote hoeveelheid van varianten en reacties noodzakelijk is, om een gemeenschap tot een werkelijke gemeenschap te maken. Onvoldoende erkenning van waarden ook bij de regeerders, vloeit hieruit weer voort, zodat ook de handelingen van de regering in een zwart-wit schema worden beoordeeld, zonder dat hierbij rekening wordt gehouden met de verschillende noodzaken en behoeften.

  • Men zegt, dat de roos, die zichzelf is, een sieraad in zich is, en voor de hof die zij siert. Kunt u dit verklaren?

Wanneer de roos niet zichzelf is, en zij niet meer werkelijk roos en daardoor als roos niet meer sierlijk, kan zij de harmonie in een tuin dan ook verstoren, tenzij deze even kunstmatig is als zij of een wildernis wordt. Wanneer de mens zich niet kan ontwikkelen tot dat, wat hij waarlijk, innerlijk bewust, oprecht en vanuit zich in de wereld als juist erkennende, moet zijn, zal hij voor de maatschappij nimmer de betekenis kunnen hebben van harmoniserende factor, die hem in wezen – als mens – eigen zou moeten zijn. Als gevolg zal de mens, die, waarom dan ook, zich misvormt t.a.v. zijn werkelijk wezen, niet slechts zelf minder menswaardig leven, maar hij zal ook de gemeenschap waarin hij leeft schaden en niet baten.

Waarmede ik eveneens het eerste deel van de bijeenkomst besluit. Misschien denkt u nu: Weer alleen maar politiek en staatkunde, psychologie enz. Wanneer komt die geest nu eens met werkelijk geestelijke onderwerpen?

Wanneer je in drassige bodem het fundament voor een huis moet leggen, moet je eerst heien. Palen door de blubber heenslaan, tot zij houvast hebben. Dan kun je daarop een fundament leggen, dat later ook niet meer zichtbaar is. Daarop eerst kan het werkelijke bouwwerk verrijzen.

Zo is het met ons. Wij kunnen pretenderen, dat wij hogere geestelijke waarden in onszelf beseffen en bereiken, maar wanneer wij dit alles niet kunnen baseren op feiten, op de waarden van vandaag, op eigen leven, denken en werken, hebben die pretenties geen enkele werkelijke betekenis. Wij moeten eerst een fundament leggen. En in een periode vol vreemde en verwarrende ontwikkelingen, angsten en tegenstellingen, is het belangrijk dat u gaat begrijpen, hoe u zelf in deze wereld staat, dat u begrijpt, wat er in uw maatschappij aan de gang is. Eerst dan kunt u leren u daarvan in zoverre te distantiëren, dat u eerst uzelf kunt zijn voor u uit het erkende ik, de relatie met de maatschappij vast gaat stellen. Uit die eenvoudige, vaak op zeer stoffelijke feiten gebaseerde belevingen en waarden, is uw geestelijke groei mogelijk en is zelfs uw vermogen tot het in waarheid beleren en realiseren van de hogere geestelijke waarden gebaseerd.

U kunt niet vliegen, voor u vleugels hebt. Wie in deze tijd wil vliegen, heeft bovendien nog een punt nodig, vanwaar hij kan vertrekken. Het is in deze dagen vooral ons een behoefte, u een punt van vertrek te geven voor een werkelijke vlucht in de geest. Daarom heb ik u vandaag gesproken over mens en maatschappij. Niet dus om de mens of de maatschappij aan te vallen, maar om u duidelijk te maken, hoe ook in u vele haast onbewuste angsten voor die maatschappij en leringen en regels, die u zonder werkelijke achtergrond, of misschien zelfs redenen, lange tijd zijn voorgehouden, en bepalen hoe u reageert, zelfs indien u met uzelf alleen bent, en bepalen, hoe u reageert op wat in u ontstaat. Ik moest u duidelijk maken hoe gemakkelijk u uzelf geheel vervreemd van hetgeen u werkelijk zou kunnen zijn. Indien ik u tot nadenken heb gebracht, is het mij genoeg. Ik besef zeer wel, dat u niet in staat bent die maatschappij met haar waarden en regels nu opeens geheel terzijde te schuiven. Maar u kunt binnen het kader van deze maatschappij in ieder geval bewuster trachten, althans zoveel mogelijk, uzelf te zijn en zelfstandig te denken, te reageren. Indien ik hiertoe heb bijgedragen, is mijn doel bereikt.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

Er was eens een oude man druk bezig jonge fruitbomen te planten. Een vreemdeling kwam voorbij en sprak tot de oude: “Je bent een dwaas. Dit kost je veel werk en de bomen heb je ook niet voor niets gekregen. Maar wat zul jij daar nog van genieten?” De oude man glimlachte en antwoordde: “Als ik de eerste bloesems zie aan deze bomen, verheug ik mij over de oogst van mijn kinderen.” Hier ligt een gevoel van eeuwigheid, van voortgang in. De mens, die zijn leven ziet als afgesloten op het ogenblik, dat hij overgaat naar een andere wereld, heeft niet het gevoel dat zijn leven altijd belangrijk zal zijn, maar déze oude man verheugde zich. Hij zag de toekomst, hij leefde de toekomst. Voor hem was de dood alleen maar een veranderen van zijn eigen werken in het heden. De vreemdeling kon dit niet begrijpen. Hij meende dat je onmiddellijk resultaten moet kunnen zien, dat het belangrijk is onmiddellijk gedroomde bouwwerken op te richten. Hij meende, dat alleen een oogst die je zelf binnen kunt halen, werkelijk waarde heeft. Want hij was een haastig reiziger en hij kende niet het genoegen, de vreugde, van juist de langzame groei, die in zich altijd weer de vreugde draagt van de uiteindelijke oogst.

Velen onder ons leven hun innerlijk leven als haastige reizigers. Zij willen onmiddellijke resultaten zien. Zij vinden het overbodig zich bezig te houden met dingen, die misschien eens, eens vrucht zullen dragen. Zij zijn dwazen. Want als je in het heden tijd over hebt om voor de toekomst te bouwen, dan kun je juist daardoor ook nu bewuster leven en later bewuster leven, zelfs indien dit latere leven zich uit in een andere vorm. Maar hij, die de hemel beschouwt als iets, wat onmiddellijk bestormd moet worden, zal door de sterke verdediging van het Licht steeds weer worden teruggeslagen. Wie echter langzaam, schrede na schrede voorwaarts gaat, zich steeds weer voorbereidende op dingen, die komen kunnen, zelfs wanneer zij nu onmogelijk schijnen, gewent zich aan het Eeuwige Licht. Hij zal dan ook binnentreden, waar de ander niet kan gaan met al zijn macht.

Er is op dit ogenblik een nieuwe ontdekking gedaan. Het gaat om een soort scherm, dat berust op zeer sterke magnetische fluctuaties. Wanneer daarin een projectiel binnendringt, wordt het door de te snel ondergane en steeds wisselende veldwaarden a.h.w. in stukken gescheurd, het kan niet doordringen, het kaatst terug of verbrandt uiteindelijk; toch kan een mens in ditzelfde scherm binnen wandelen, zonder dat hij zelfs maar de aanwezigheid daarvan ontdekt. Ik meen, dat wij hier in de moderne techniek een voorbeeld zien van iets, wat ook t.a.v. ons werkelijk ik en van God een feit is: Zolang wij gestaag voortgaan, kunnen wij alle wisselingen en veranderingen van het leven verdragen, ja, wij bemerken ze haast niet. Wij kunnen verwerken, wat er in ons optreedt en zo ongehinderd voortschrijden naar een doel, dat wij misschien nog niet eens geheel kunnen omschrijven of beseffen. Maar degenen, die veel haast hebben, die zich met grote snelheid willen ontwikkelen en voortbewegen, zijn niet in staat alles te verwerken, wat in leven en beleven op hen afkomt. Zij worden door de vele verschillende denkbeelden en ideeën a.h.w. innerlijk verscheurd. Zij zien het nut en de reden niet meer. Zij trachten voortdurend zich een oordeel te vormen omtrent dingen, waarover je niet eens zou moeten denken. Toen men mij dan ook zei, dat het tijd werd, dat ook ik u weer eens iets op esoterisch terrein zou gaan stellen, kwam mij dit wapen onmiddellijk te binnen en besloot ik van daar uit te gaan.

Want waarheid is iets, wat je niet alleen moet begrijpen, maar ook moet kunnen verdragen; zoals leven niet alleen maar iets is, wat je moet kennen, maar wat je ook moet kunnen ondergaan. De absolute ontwikkeling is een proces, dat in onze geest plaats vindt. Er is een voortdurend klein samenvoegen van kleinste stukje naast kleinste stukje, zoals dit gebeurt in de beroemdste mozaïeken. Het is als het slijpen van een jadebeeldje, voorzichtig korrel na korrel wegnemend, tot uiteindelijk precies de juiste lijn is ontstaan. Het is een enorme geduldstaak. Wanneer wij ongeduldig zijn, worden wij ons sterk van de tegenstellingen bewust. Natuurlijk, onze gehele wereld en ons eigen wezen zijn samenvoegingen van Licht en duister, van wat men goed en kwaad noemt. Evenwicht in zichzelf zijn zij, een harmonisch geheel vormend, dat op zichzelf kan bestaan en toch een tegenstelling inhoudt.

Maar wanneer wij te snel gaan, zien wij niet meer, dat de tegenstellingen toch een geheel vormen, dat zij in wezen een eenheid zijn. Wij menen alleen te leven tussen twee legers, die elkander met groots geweld bekampen, legers waartussen wij, of partij moeten kiezen dan wel door beiden vertrapt ten onder moeten gaan en zullen moeten sterven in pijnen. Dat is een dwaasheid. Het gehele bestaan is een harmonie. Alles wat wij kennen aan Licht en duister, aan goed en kwaad, voegt zich samen tot een perfect patroon, een geheel dat zin heeft en betekenis in zichzelf, iets wat, zoals het is, waarde heeft. Wanneer wij dit patroon uit elkander nemen, omdat wij sneller willen begrijpen, sneller willen constateren, wanneer wij niet ten onder wensen te gaan, maar wensen te bekritiseren en te lijden, dan dringen wij te snel door in de vele waarden, die ons leven bepalen. Dan zij wij te snel geconfronteerd met de volgens ons tegenstrijdige grootmachten in de kosmos. Dan kunnen wij niet meer.

Dan gaan wij in verwarring en duisternis ten gronde. Juist daarom moeten wij beginnen met geduld. Hij, die niet het geduld heeft om te kweken, desnoods voor komende levens, of voor een onbekende toekomst, zal in het heden niet veel bereiken. Maar hij, die de moed heeft vandaag te bouwen aan datgene, waarvan hij weet, dat hij het nooit zal voltooien, alleen omdat het bouwen in zichzelf hem vreugde geeft, hij, die het geduld heeft om alle lasten en gevaren te ondergaan in het heden, daar hij weet, dat zij doel hebben in de toekomst, die zal bereiken, die zal eeuwigheid leren kennen.

In de esoterie stelt men het maar al te graag voor, of wij moeten, kiezen tussen wereld van goden en demonen, of wij wankelen tussen een wereld van wetenschap en levensschoonheid.

Maar zo is het niet. Wij groeien, in ons zijn wijsheid en schoonheid vereend. Tezamen vormen zij één patroon van leven, dat wij moeten aanvaarden, dat wij niet ontleden, maar tot harmonie brengen voor onszelf.

De goden en demonen waartussen wij menen te leven, zijn slechts de projectie van onze levenswaarden. Wanneer zij in ons harmonisch zijn, wanneer de dualiteit van het bestaan voor ons wordt vervangen door de eenheid van bestaansbesef, dan zijn er voor ons geen problemen.

Maar dat kan alleen, wanneer je het heden aanvaardt met zijn mogelijkheden, met zijn werkingen, zoals het is. En toch…, toch zul je in het heden vaak moeten reageren. Dat gaat niet anders.

Er was eens een man, die biddend neer zat langs de weg. Er kwam een tijger, die dreigde een nabij spelend kind te verslinden. De biddende man bleef zitten en bad. Een ander zag het gevaar en wist met moedige kreten de tijger te verdrijven. Alsof de man een grote draak was, stormde hij op de tijger af, die, verschrikt en niet al te hongerig, zich omkeerde en verdween tussen het hoge struikgewas. Toen sprak hij, die het zwaard had gehanteerd tot hem, die had gebeden, en sprak: “Wat heb jij eigenlijk gedaan?” De bidder sprak: “Ik heb gemediteerd over harmonie.

Want als ik maar genoeg aan harmonie denk, zal de tijger het kind niet deren.” De ander achter zag hem verachtelijk aan en merkte op: “Je wist dus niet, of je het kon doen? Dan had je met de middelen die je had, je stem, je gebaren, moeten trachten, om de tijger af te leiden. Want hij die neerzit om volmaaktheid te bereiken, terwijl het heden vraagt om actie, is een dwaas.

Bovendien, wanneer de tijger het kind werkelijk zou hebben verslagen, en bloed geroken hebbende, zou hij ook u niet gespaard hebben.”

Ook dit kleine verhaal kan duidelijk maken, hoe dwaas de mens vaak is. Wanneer ik geen haast heb, wanneer het gebeuren zich zonder schade ontwikkelt, dan mag men zich bezighouden met het zoeken naar de juiste harmonie en de juiste volmaaktheid. Want op dat ogenblik heeft men tijd en kan men zijn vervolmaking bevorderen, zonder dat er iets gebeurt. Maar er komt steeds weer een ogenblik, waarop men weet, dat actie noodzakelijk is, dat men handelen moet. Indien men dan tracht alleen met geestelijke middelen het noodzakelijke te bereiken, is men een dwaas en wordt men zelf het slachtoffer van zijn onvolledigheid en zelfoverschatting. De ware esotericus is een nederig mens. Hij begrijpt, hoever hij nog moet groeien, voor hij beantwoordt aan het beeld, dat hij ziet in zijn dromen. Juist daarom zal hij ook niet te nederig zijn, om eigen streven te volgen, maar niet te hoogmoedig zal hij ook niet zijn, zodat hij bereid is alle noodzakelijke taken te volbrengen.

Misschien vindt u mijn verhalen wat exotisch, maar ik wil er toch nog een vertellen. In een klooster woonden vele zeer heilige mannen. In de morgen kwamen zij bijeen en lazen, elk voor zich en luidkeels, bladzijden van de heilige geschriften. Dan gingen zij heen en zetten zich neer tot meditatie. Zoals overal, ook in kloosters, verzamelde zich het vuil. Steeds moeizamer zochten de vromen zich een weg door gevallen bladen en uitwerpselen van dieren naar de tempel, maar zozeer waren zij gehecht aan hun meditaties, dat geen van hen er ooit aan dacht iets te doen, om hierin verandering te brengen. Op een morgen gingen zij op naar de tempel. Wie schetst hun verbazing, toen zij hun abt als de nederigste koelie met schop en bezem bezig zagen de trappen naar de tempel zuiver te maken. Zij spraken tot hem en zeiden: “O, Heilige, doet gij deze arbeid?” En hij antwoordde hen: “Indien ik mijn broeders het mogelijk maak eenvoudiger en zonder vuil te tempel te betreden, zo zal mijn hart lichten door de verdienste, die ik mij verwerf. Doch zo ik mij te hoog en te heilig acht, om datgene te doen, wat gij verwaarloost, ben ik voorwaar minder dan gij allen.”

Ook hierin ligt voor u misschien lering. Esoterie is niet alleen maar het in jezelf streven, maar ook het eenvoudige daadkrachtige optreden, datgene doen, wat een ander misschien niet wil doen, omdat het hem te laag is. Het is het noodzakelijke doen, opdat allen in geestelijke harmonie kunnen leven. Toch lijkt harmonie een zo groot woord. Het samengaan en samenklinken van mensen en van mensen én goden lijkt soms een onbereikbaar doel. Maar hoe eenvoudig is harmonie in wezen. Harmonie is de aanvaarding van alles, wat is en het erkennen in jezelf van al wat kan zijn. Voeg deze beiden samen, u niet verheffende op wat gij zijt, of uzelf ziende als minderwaardig tegenover anderen. Werk dan, opdat anderen zich zo kunnen gevoelen als gij, en gij zijt niet slechts de perfecte esotericus, maar gij bereikt ook de perfecte harmonie.

Zo eenvoudig zijn de dingen. Velen menen dat het noodzakelijk is jarenlang in eenzaamheid te vertoeven en te spreken met de schimmen, die men heeft voortgebracht uit eigen denken en dan weer moet overwinnen, om grote geestelijke kracht te kunnen bezitten. En toch zeg ik u, dat menig kind meer geestelijke krachten bezit dan zo een wijze, die worstelt met zijn demonen.

Want het kind leeft en aanvaardt ter wereld. Niet zonder ressentimenten, maar snel vergetend en altijd weer bereid op elk moment harmonisch te zijn, waar het kan. Dit nu is de grootste wijsheid. Wie worstelt met God, gaat ten onder, wie worstelt met engelen, verkrijgt misschien een gunst. Maar wie leeft met God en alle dagen met Hem gaat, heeft geen behoefte aan strijd en kent slechts de vreugden van het zijn.

Uit vele filosofieën tracht ik nu enkele citaten te vinden, die het voorgaande nog illustreren. “Ik zag sterren fonkelen in een roemer wijn; ik zag eeuwigheid in de ogen van een vrouw en; vond oneindigheid in mijzelf, toen ik mijzelf vergat.”

Dit schreef een dichter-denker op de muur, toen hij te veel had gedronken van de rijstwijn. Zodat de waarheid ook in dit geval door een dronken mens werd neergeschreven…. Een andere denker schreef: “Niet meer te zijn dan ik ben, maar te vervullen alle taken en plichten van wat ik ben, is de hoogste bereiking. Want hij, die zich waardig toont, wat hij is, zal verwezenlijken, wat hij kan zijn.”

En deze, wat Laoïstisch ingestelde wijsgeer, kwam dicht bij de waarheid, evenals de oude tovenaar, die uitroept: “Als ik afdaal tot de rode draak en hem bedwing met mijn zwaard, of opwaarts ga en nederig de witte draak aanschouw, ik ben mijzelf.”

Dan is de magie, hetgeen ik ben en niet wat is. Want ik geef de waarde aan de dingen, en waar ik de waarde bepaal, ben ik heer van alle dingen. Doch waar ik mij laat bepalen door het andere, ben ik de slaaf van alles, wat ik ken en niet ken, besef en niet besef.

Overigens had deze tovenaar beter kunnen zwijgen. Want na deze uitspraak werd hij snel uitgestoten door zijn medetovenaars. Toch had hij gelijk. Want de grote waarheid is deze: In mij draag ik het Licht van het leven. En waar ik het Licht van het leven niet zie schijnen, struikelt mijn voet in de duisternis op de weg. Doch waar het licht van mijn leven schijnt, ken en vind ik de weg die ik moet gaan en zal ik door de onverwachte beleving, ja, door de heerschappij der demonen zelfs schrijdende, steeds mijzelf zijn en kennen, zo komende tot besef van de verbondenheid tussen mijn wezen en dat, wat alle wezens voortbrengt.

Deze citaten vertaalde ik zeer vrij. U zult mij dit vergeven. Anders zouden zij te cryptisch, te  onbegrijpelijk en raadselachtig klinken in uw oren. De essentie van de gedachte echter bracht ik juist over: Het is de essentie van de esoterie, de essentie van het menselijk zijn.

Wanneer u wijs wilt zijn, moet u eerst vandaag leven, begrijpen en handelen. Wanneer u tijd over hebt, moet u bouwen voor morgen en in geduldig wachten reeds nu u verheugen over de mogelijkheden van komende bestaanswaarden.

Daarmede, wil ik mijn bescheiden betoog eindigen. Niet veel heb ik u voorgelegd, maar ik citeerde enkele juwelen. En een juweel vergt een zekere eenzaamheid, wil zijn flikkering het oog treffen en het hart bekoren.

image_pdf