Mens en natuurkracht

image_pdf

18 oktober 1957

Aan het begin van deze avond moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Voor deze avond hebben jullie een onderwerp gekozen, waar u uit kunt halen wat u er uit wilt behouden.

Toelichting vanuit het publiek:
Prof.Dr.H.C.v.d. Hulst, hoogleraar te Leiden, sprak over het onderwerp “Mens  en Natuurkracht”. Naar aanleiding van Psalm 8 besprak hij de verschillende houdingen die de mensen tegenover God en de natuur aannemen. Hij betoogde, dat eenieder zich  moet realiseren, dat ook de techniek en alle voortbrengselen ervan door God geschapen zijn. God heeft de natuur in de hand en het begrip “natuur” moet ruim genomen worden. God heeft zelfs de kunstmaan geschapen. (Op 04 oktober, dus twee weken voordien, was voor de aarde het ruimtetijdperk begonnen met de lancering van de eerste  kunstmaan; Red.)

Ik vind het natuurlijk erg mooi. Mij dunkt, dat de Amerikanen wel blij zullen zijn, dat zij horen, dat die kunstmaan uiteindelijk toch niet van de Russen komt… U moet mij niet kwalijk nemen dat ik deze kleine aardigheid hier verkoop. Maar laten wij nuchter en logisch blijven. Ruim genomen kan alles natuur worden genoemd en kunnen de menselijke zeden, zelfs menselijke moraal, ja, de godsdiensten, natuurlijk genoemd worden en niet bovennatuurlijk. Want zij beantwoorden aan de natuurlijke behoeften, neigingen en eisen van de mens. Het is dus wel zeer eenvoudig om alles bij de natuur te betrekken.

Maar zeg ik “Mens en Natuur”, dan schep ik een tegenstelling, die gelijktijdig impliceert de begrenzing van het begrip “natuur”, want ik stel daarmee de mens tegenover de natuur. Dit is noodzakelijk, want zou ik de mens betrekken bij de natuur, dan mag ik geen enkele kritiek uitoefenen op zijn wijze van denken, zijn gedrag, noch mag ik hem op enigerlei wijze verwijten, wanneer hij goed of slecht is.

Niet, dat ik iemand zal verwijten, dat hij goed is… Ofschoon al te goed buurmans gek wordt… Realiseer u, wanneer ik zeg “mens”, dat ik daarmee een wezen, een aantal wezens, een bepaalde soort afzonder van alle andere wezens. Ik kan dan alle andere wezens “natuur” noemen. Mag ik tot de natuur rekenen, wat de mens heeft geschapen? Naar mijn inzicht: neen. Want waar de mens de krachten van de natuur gebruikt volgens eigen inzicht, de materialen door de natuur ter beschikking gesteld, wordt hierin door het menselijk vernuft en het menselijk denken een veranderde geaardheid geboren. Datgene wat de mens creëert, behoort tot het werk van de mensheid, is als zodanig niet meer de onbeperkte uiting van de natuur. Hier dient m.i. een scheiding gemaakt te worden.

Wanneer wij de mens bezien, dan blijkt ons, dat deze mens over het algemeen tegen de natuur strijdt. Menigeen zal dit willen ontkennen. Maar het niet aanvaarden van een normaal proces van leven en dood, doet de mens in verzet zoeken naar een hiernamaals. Ook wanneer het hiernamaals bestaat, wordt dit zoeken uit de strijd geboren. Wanneer de mens zich huizen bouwt, dan verzet hij zich tegen het klimaat, de natuurlijke toestand en wordt in zijn leven, binnen steden en gemeenschappen tot een wezen, dat onnatuurlijk leeft. Wanneer de mens kleding draagt, wanneer de mens zijn voeding bereidt en niet in de oorspronkelijke toestand tot zich neemt, leeft de mens onnatuurlijk, want hij brengt datgene tot stand, wat de natuur niet presteert en niet geeft.

Dan blijft ons de vraag, of het werkelijk onnatuurlijk levend wezen in de natuur een plaats heeft, in de natuur een bepaalde functie kan vervullen? Nu ga ik misschien iets zeggen, wat in strijd zal zijn met veel opvattingen. Aannemend, dat God alle dingen heeft geschapen, ook de mens, zal God noch over de mens noch over de natuur als afzonderlijke wezens spreken. Zij zijn gezamenlijk Zijn Schepping. Een poging om de mens af te zonderen van het totaal Goddelijke, te stellen tegenover andere delen van de Schepping, is dus een menselijke vermetelheid, die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid van het menselijk bestaan.

De mens leert de natuur gebruiken en hanteren. Dit kan worden uitgelegd als een deel van de Goddelijke Kracht die door de mens, krachtens zijn vernuft en weten en wezen, beheerst en bestuurd kan worden. Daar echter, waar de krachten van de natuur groter zijn dan menselijk vermogen, zal de natuur de mens beheersen.

In feite blijkt, dat de beheersing van de natuur door de mens ongeveer één vierde is t.o.v. de totale werking van de natuur; in de andere werkingen is de natuur nog machtiger. De mens echter dringt door in het wezen van de natuur en leert steeds meer van haar geheimen ontsluieren. In dit ontsluieren van geheimen weet de mens voor zichzelf een inzicht te gewinnen, dat hem gelijktijdig tegenover de natuur stelt, die hij tracht om te buigen naar zijn eigen verlangens en toch dieper één maakt in bewustzijn met het totaal van de Schepping.

Het schijnt dat deze kunstmaan nergens weg kan blijven in deze dagen. In de ruimte kan men dus wel aflezen, dat dit bestaan van deze kunstmaan de mens toch wel buitengewoon boeit. Deze kunstmaan echter bezit een reeks van apparaten en inrichtingen, waardoor zij gegevens naar de aarde seint, haar gedrag is van tevoren berekend en bepaald. Zijn haar gedragingen ook niet – zo min als haar hoogte van baan – volledig in overeenstemming met wat men verwachtte, toch durf ik hier te spreken van iets, wat zuiver menselijk is, daar de manen van de natuur niet functioneren, niet in verbinding staan met de mens, noch uitzendingen t.o.v. sententiatie, van wetende wezens uit zich doen plaatsvinden. Zij kunnen worden geconstateerd, maar zij zijn passief in het geheel, terwijl de kleine Spoetnik als een zeer ondeugend – de aarde verstorend – kosmisch kind, geboren is uit het menselijk brein, een actief bestaan heeft, het kennen van de mensen vergroot en daarmede dus speciaal een in het menselijke liggende functie vervult.

Mijn tweede punt is dan ook dit: degene, die tracht om enigerlei redenen, zij het geloof of technisch inzicht, een menselijk gewrocht te vergelijken met de natuur, doet daarmee zowel aan de natuur als aan zichzelf onrecht.

  • Waarom?

Om de eenvoudige reden, dat het toeschrijven van hetgeen men zelf produceert aan de natuur, een ontkennen inhoudt van eigen bewustzijn en gelijktijdig een aan de natuur toekennen van een vermogen om stommiteiten uit te halen, zoals de mens dit meestal doet.

  • De mens is toch ook deel van de natuur?

Vanuit God is de mens deel van de Schepping. Maar op het ogenblik dat de mens zich beoordelend, eventueel beheersend, tegenover al het andere stelt in het Zijn, is hij voor eigen bewustzijn geen deel meer van de natuur. Vandaar dat ik in het eerste deel van mijn betoog getracht heb aan te tonen, dat de mens, gezien de wetten, die normalerwijze het leven regeren, een onnatuurlijk wezen is.

Nu kunnen wij natuurlijk teruggaan tot God, tot de eerste Bron. Wij kunnen dan alles aannemelijk maken. Wanneer ik in uw geslachtsboom terugga tot Adam, kan ik nog aantonen, dat wij allen verre neven en nichten van elkaar zijn. Maar praktisch heeft dit betekenis noch zin. In feite hebben wij te maken met de natuur en de mens. Twee krachten, die met elkaar in voortdurende strijd gewikkeld zijn; de natuur, die zich niet laat beheersen en de mens, die juist beheersing wenst.

Ik stel dan dit: Gezien het feit, dat de mens zich stelt tegenover de natuur en tracht de normale regels van de natuur in zijn voordeel te wijzigen, ja, uiteindelijk steeds streeft naar het dienstbaar maken van alle wetten en krachten van de natuur aan zijn wensen en verlangens, moet worden gezegd, dat het menselijk bestaan vanuit menselijk standpunt, een absolute tegenpool is van de natuur, daarmee veelal ook van de Scheppende Kracht, die Zijn Wezen in het totaal van de Schepping geuit heeft.

Anders gezien: de mens, in zijn bestaan, is te allen tijde disharmonisch t.o.v. de natuur. Slechts in een enkel ogenblik van beschouwing, waarbij hij zijn mens zijn en menselijk denken voor een ogenblik achter zich laat, kan hij de harmonieuze invloed van de natuur ondergaan en voor een ogenblik vervuld zijn van het gevoel – in een ogenblik van eenheid met een storm, of het ervaren van schoonheid van de natuur – daarin op te kunnen gaan. Dit is echter een uitzonderingstoestand, zij mag dus niet alleen menselijk genoemd worden, maar mag wel gezien worden als resultaat van de menselijke ontwikkeling. Gesteld kan worden, dat de mens na eerst de natuur bestreden te hebben, de meest onnatuurlijke omgeving gekend te hebben, de meest onnatuurlijke methoden te hebben gebruikt, langzaam maar zeker terug keert tot de natuur.

Hierbij zou ik aan willen stippen:

  1. De geneeskunde. Oorspronkelijk uitgaande van natuurlijke methoden en suggestieve processen is men gekomen tot aanwending van een Farmacopoea, die in hoofdzaak gifstoffen en normaal aan het lichaam vreemde stoffen bevatten. Veelal stoffen, die met de feitelijke ziekteprocessen weinig te doen hadden, maar onder omstandigheden in het lichaam een tegengestelde reactie zouden kunnen verwekken. Het blijkt echter, dat naarmate de medische wetenschap zich verder ontwikkelt, zij haar vroegere wijsheid terugwint. Zij grijpt nu terug in steeds grotere mate naar het natuurlijke middel, het organische product en geeft dit de voorkeur, waar mogelijk boven niet-organische middelen. Ook wint de psychische, of geestelijke geneeswijze veld op de zinloze operatie. Dit toont aan, dat, zij het langs een omweg, men als verbeterde uitgave van Rousseau terug streeft naar de natuur.
  2. Ook op andere gebieden is dit streven zichtbaar, zoals woongewoonten: de mens, die de mogelijkheid vindt zich uit de stad terug te trekken, zoekt zich te vestigen daar, waar enig natuurlijk groen, nog niet verpest door benzinedampen, bestaat. Hij zoekt daarmee voor zichzelf een verhouding tot het zijn te vinden, waarbij hij deel is van de wereld, niet slechts een eenheid, onbekend te midden van vele andere eenheden in een kolossaal gewrocht, waarvan hij inhoud en betekenis ternauwernood kent en ervaart. Ook hier een drang terug naar de natuur.
  3. Ook wanneer wij de godsdiensten beschouwen is het opvallend, dat veel godsdienstige beschouwingen van de laatste tijd zoeken naar een bevestiging van de natuurlijke werkingen in de mens. Niet meer een forceren van de mens naar het geestelijke in zuiver dogmatische zin, maar eerder een leiden van de mens, zodat hij, zelfs binnen kerkelijke en dogmatische stellingen, zichzelf kan zijn. Hierdoor kan hij een normaal natuurlijk en organisch deel uitmaken van het kerkelijk lichaam, dat religieus gezien het zijn met het niet-zijn verbindt. Niet meer het geforceerd, strenge dogma, de achtervolging van de mens met pijnbank en brandstapels, maar een poging de mens intens te doen groeien als geestelijk deel van de eenheid. Ook dit is m.i. een poging om terug te keren tot natuurlijker leven en streven.

Men zou mij voor kunnen werpen, dat de technologie van de laatste tijd een voortdurend zich verwijderen betekent van de werkelijke natuur en haar krachten. Indien wij ons echter de moeite getroosten een ogenblik bepaalde technische facetten te overzien, blijkt ons, dat de eerste vliegtuigen hun vorm langzaam maar zeker gewijzigd hebben, tot zij ons in het heden doen denken aan gevleugelde vissen, of enorme vogels. Bij de bouw van machines en apparaten zien wij, dat in de mechanica processen worden geïmiteerd, die van het begin af aan in levende wezens bestonden. Een elektronisch brein imiteert – zij het nog onvolledig en primitief – de werking van het dierlijk zenuwstelsel. Grote productiemachines, die meerdere reeksen van handelingen, opeenvolgend juist en automatisch verrichten, doen niets anders dan het bekende instinct imiteren, dat immers als antwoord op buiten het “Ik” aanwezige condities – ook in het lichaam – a.h.w. automatisch reeksen van opeenvolgende reacties laat ontstaan.

De mens streeft er op het ogenblik vanuit een onnatuurlijke toestand, een onnatuurlijke omgeving, terug te keren tot de natuur. Hij brengt dit in zijn omgeving tot uiting. Hierdoor tracht hij een deelgenootschap te verwerven in de uitingen van de natuur, dat hij tot op heden niet bezit. Met de vissen wil hij onder de wateren zwemmen, met de zwemvogels over het water scheren, zich met de arenden tot hoog in de lucht verheffen. Als de mol wil hij doordringen in de diepten van de aarde. Uiteindelijk wil hij de aarde verlaten om te reizen in de oneindige ruimte als de partikel, kleine wezens, die door de straling van het licht over deze onmetelijke afstanden kunnen worden voortgedragen.

De mens, met zijn techniek, met zijn denken en moraal, – waarden die op het ogenblik nog onnatuurlijk zijn – streeft, bewust of onbewust, terug naar een volmaakte harmonie met de natuur. Hij zal uiteindelijk leren, zowel met geestelijke krachten als met stoffelijke vermogens, op te gaan in de natuur, haar regels respecterend, zich niet beschouwend als belangrijke eenheid of groep, maar in éénklank met het totaal. Is dat ogenblik gekomen, dan zal de mens weer voortdurend kunnen beschikken over een gezond lichaam en een geest, die kan groeien in algehele vrijheid. Dan zal de mens kunnen komen tot een voltooiing van zijn stoffelijke taak: het bewust volbrengen van Gods Wil op aarde, het aanvaarden van één zijn met Schepping en natuur op een zodanige wijze, dat deze eenheid ook een realiteit wordt en niet slechts de fictie blijft van werkelijkheid, vreemde dromers. Dan komt het ogenblik, dat het voor niemand meer noodzakelijk is te verklaren, dat een kunstmaan deel is van de natuur, omdat zij, dank zij natuurlijke wetten, bestaat en ontstaat. Het is dan niet meer nodig te verklaren, dat alles uiteindelijk natuur is. Geen vlucht meer voor de werkelijkheid van het “Ik”, maar de trotse verklaring: Zie mijn leven en wezen… Zij zijn natuurlijk; niet een deeltje van de natuur, maar bewuste uiting van eenheid van de kracht, die leeft in de Schepping.

Dan draag je in je wezen alle wetten, die stof en geest regeren en ben je in staat zo op elk gebied een maximale bewustwording te ervaren. Eerst dan is het mogelijk een werkelijk gelukkig en gezond en toch redelijk leven te voeren.

  • Zouden wij dit betoog opsturen naar de professor?

Dat begrijpt hij toch niet…

Dit is een van de eigenaardige verschijnselen, veroorzaakt door het onnatuurlijk element. Een dier zal zich aanpassen aan nieuwe omgeving en elke nieuwe ervaring gebruiken ter vergroting van inzicht om zo steeds weer meer aangepast te zijn voor nieuwe natuurlijke condities. De mens echter weigert nieuwe invloeden te erkennen, omdat zij hem storen in zijn onnatuurlijke verhouding. Zij zouden hem tot een natuurlijke verhouding met het bestaande brengen, iets wat hem, uit hoofde van zelfverheerlijking en zelfverzekerdheid, niet wenselijk lijkt.

Misschien zal men u voorwerpen: wij moeten alles terugbrengen tot God… en daarbij Bijbelteksten als wapen gebruiken. Hierop wil ik u echter nog het antwoord geven: hiermee kan ik alleen akkoord gaan, indien u ook bereid bent alles, maar ook werkelijk alles in uw leven: bezit, prestatie en vermeende rechten, te herleiden tot God en deze niet voor uzelf op te eisen. Doet u dit echter slechts theoretisch, doch handelt u er in de praktijk niet naar, dan bewijst u hiermee, dat uzelf niet een zelfaanvaard deel van de natuur bent, of een bewust deel van God, ongeacht het feit, dat u in staat bent hierover te spreken en te denken.

Esoterie : De relatie tussen mens en God en tussen de mens en de schepping.

Het ligt in de bedoeling dat wij op het ogenblik ons bezig houden met esoterische beschouwingen. Nu zou ik hier gaarne, indien u mij althans toestaat dit te doen, een punt willen belichten, dat in het eerste gedeelte aan de orde werd gesteld, namelijk de relatie tussen de mens en God, en tussen de mens en de schepping

Wanneer wij denken aan God, dan wordt dit voor ons een vaag begrip. God staat a.h.w. te ver boven ons, om ook maar enigszins door te kunnen dringen in Zijn Wezen. Dit brengt met zich, dat onze beelden, die wij God noemen, veelal vervormd en vaag zijn. Vanuit de mens kan dan ook niet worden gesproken over een werkelijk contact met God. Er is wel sprake van een contact, dat van God uitgaat. Tussen van de mens uit en van God uit gaan de contacten, waartussen echter een groot verschil ligt. God, de Algeest, de Kracht, Die alle dingen omvat, in Zich in stand houdt, voortbrengt en tot Zich terugneemt, kent alle dingen, leeft in alle dingen en openbaart Zich in alle dingen. Het schepsel, zich niet geheel bewust van de Goddelijke Krachten, die in en rond hem werken, kan soms vaag zich bewust worden van dit werken, scheppen, in het “Ik”, maar nooit kan hij beseffen, hoe de eenheid van de Schepping in elk wezen afzonderlijk wordt geopenbaard.
De Schepper is voor ons slechts het middelpunt van eigen wezen, want slechts uit onszelf kunnen wij tot God gaan. Er bestaat geen weg die buiten het “Ik” leidt tot een bewustzijn, dat de Algeest ontwaakt. In deze stellingen is m.i. al neergelegd wat belangrijk is, wanneer wij de verhouding God – Mens – Natuur willen bezien.

De natuur is voor ons niet God, maar slechts een deel van de Schepping, waarin ongetwijfeld zich iets van het Goddelijke openbaart, zonder dat het Goddelijke Wezen daarin Zelf kenbaar wordt. Ons werken met de natuur is ten allen tijde een werken met een onvolmaaktheid, met een onvolledig bestel, dat regels vertoont, die uitzonderingen kennen. De Schepper Zelf echter kent geen uitzondering op Zijn Wetten. Want de Goddelijke Wetten zijn de uitdrukking van het Goddelijk Wezen. Bedenk dan wel, dat alle werken van de mens met de natuur en elke verhouding van de mens tot de natuur slechts de uitdrukking is van een zo onvolledige Godsrealisatie, dat deze, van uit het standpunt van de werkelijkheid gezien, een leugen mag heten.

Vanuit onszelf bestaat er een onbewuste band met God. Nu kan men het geheel van de wetten, die voor de mens bestaan, als volgt omschrijven: daar waar de mens bevestigt, wat God in hem heeft gelegd, bevestigt hij de wetten van de natuur, is in harmonie, niet slechts met de natuur, maar met alle krachten, die binnen de Schepping bestaan.

Een Oud Christen schreef eens: daar, waar de reinheid regeert, daar waar God heerst, kan geen duivel en geen duisternis binnendringen. Men zou ook kunnen zeggen: waar het wezen in het “Ik” streeft tot God, eerlijk en oprecht, zij het ook onbewust, daar zal het kwaad terzijde blijven, omdat het kwaad nooit en te nimmer deel van het Goddelijke kan zijn. Het kwaad is niet een actieve factor in de Schepping. Het is de schaakpartij, het is de duisternis, die in zich het ontbreken van Licht betekent voor ons. Het ontbreken van Licht zal altijd voor ons moeten worden vereenzelvigd met een ontbreken van bewustzijn. Het kwaad is onbewust zijn van de Goddelijke Kracht, waardoor wij handelen tegen de in ons gelegde Goddelijke Wetten. Wij kunnen daarmee niet de Wet overtreden, maar zullen in onszelf een disharmonie scheppen, waardoor wij niet in staat zijn de werkelijkheid van het leven te aanvaarden.

De kern van mijn betoog voor deze avond is als volgt te stellen: God is volmaakt, volmaakt is ook Zijn Schepping, want Gods Wil tot uitdrukking van Zijn Wezen, betekent de volledige Schepping uit het volledig Goddelijk Bestel.

Zelfs wanneer door onbekend zijn de huidige Schepping slechts een deel van de Goddelijke Mogelijkheid openbaart, zal deze Mogelijkheid in zichzelf de Goddelijke Volmaaktheid moeten tonen. Als gevolg kunnen wij niet buiten God handelen, noch kan een van de dingen, die ons gebeurt, een onvolmaaktheid betekenen van uit het standpunt van de Schepper, de onvolmaaktheid ligt in ons. Zij is ons onbegrip, ons onvermogen om op te gaan in datgene, wat in de volmaakte Schepping, in de volmaakte uiting van ons wezen bestemd is. Niet slechts God, maar elke uitdrukking van het demonische berust in ons. Zij wordt afgegrensd, beperkt door het bewustzijn, dat wij bezitten.

Het is belangrijk, dat u deze dingen ten volle leert begrijpen Niets in het leven is onvolmaakt, behalve uzelf. Niets in het leven is onvolledig, behalve uzelf. Indien u echter tracht om de wil, die u erkent van het Goede, van het Hoogste, te vervullen in uw huidige bestaansvorm, dan mag het u soms lijken, of u niets bereikt. In feite echter zult u vervuld hebben uw aandeel in een volledige openbaring van Gods Wezen, voor zover in deze Schepping geopenbaard.

U hoeft niet bang te zijn, dat ik u deze avond bezig zal houden alleen met abstracte beschouwingen. Ik weet, dat het gebruikelijk is, om een gelijkenis toe te voegen aan de argumenten, die wij in het tweede gedeelte gebruiken. Ik wil u daarom een sprookje vertellen, het is het sprookje van:

De roos en de tuinman

In de tijd, dat de bloemen nog spreken konden, leefde er ergens in de wildernis een rozenstruik. Toen de winter voorbijtrok en de bazuinen van de lente haar wekten in een zomerse nacht, ontplooide zij haar blaadjes, liet haar knoppen zwellen en werd tot een geurige roos van schoonheid. De vlinders en de bijen kwamen, puurden haar honing en zeiden: “Het is goed te zijn”. Doch verwilderd was het land, het gras kwam nabij en de wortels van de bomen haalden het voedsel, dat zij nodig had om schoon en groot te zijn.

Toen sprak de roos, zij richtte zich tot het Onbekende: “Wanneer er een plan is in de Schepping, dan moet mijn bestaan en mijn schoonheid een reden hebben. Indien men mij deze schoonheid neemt en het voedsel, ja, het leven, bestaat er geen plan in de Schepping”.

Een engel, die juist voorbij zweefde, hoorde de klacht van de bloem en op haar gezag nam de tuinman van de Koninklijke Tuinen een spade. Voorzichtig, om niets te deren, groef hij de struik uit. Zij werd naar de hoftuin gebracht en neergeplant en zij bloeide trotser dan ooit tevoren. Doch toen het najaar was, kwam de tuinman en hij sneed veel weg van wat, naar haar eigen idee, deel was van haar wezen en schoonheid. En toen de zomer kwam, kwam de tuinman wederom en bracht haar voeding aan haar stam, maar ontnam haar tevens nog meer van haar takken. Het was, alsof de bazuinen van de lente flauwer klonken. Later ontplooide zij haar bladeren en haast mistroostig richtte zij haar vuurrode bloemen ten hemel.
De engel kwam voorbij en vroeg haar: “Wat treur je? Je hebt nu toch alle voedsel wat je begeren kunt. Uw schoonheid wordt bewonderd door de groten van het land. Zeg mij, roos, wat deert u?” Toen antwoordde de roos: “Men is gekomen en zie nu de vorm die ik thans heb. Mijn eigen vorm is teloor gegaan, niets meer bezit ik en ik bloei en ik weet niet waarom.” Toen glimlachte de engel en zei: “Deze nacht, wanneer je slaapt, zal ik je laten zien wat de werkelijkheid is”. En de roos zag zichzelf te midden, alleen, van een wildernis. De engel zei haar: “Zie, indien je hier gestorven was, zo zou de kracht des levens in anderen ontwaakt zijn. Jouw schoonheid zou zijn overgegaan in de schoonheid van anderen. Maar de schoonheid die geschapen is, blijft bestaan.”

Toen toonde zij de roos haar eigen gestalte, zoals zij was, toen zij pas in de tuinen van de Koninklijke Tuin werd geplant. “Zie, indien je zo zou blijven staan, zou je niet harmonieus kunnen zijn met je omgeving. Er zat dood hout tussen het levende en er waren bloemen die te laag waren om werkelijk te bloeien in schoonheid”. Zij toonde haar de gesneden vorm, hoe zij kaal en gesnoeid, beledigd onder de tuinman zijn schaar, voor het eerst haar blad naar buiten dreef. “Zie, zo pas je hier, want de wet van de schoonheid is, dat niets schoon is in zichzelf, doch alle dingen schoon zijn, omdat zij gezamenlijk een deel der Schepping vormen”. Toen bloosde de roos. Toen zij die morgen dauw bepareld ontwaakte, waren haar bloemen fier omhoog gericht, feller haast van kleur én het leek, alsof zij de zon tegemoet jubelde. Zij had begrepen dat verliezen niet altijd wil zeggen armer worden, dat één zijn met de plaats waarop je gesteld bent, vervullen de taak die je gegeven is, belangrijker is dan jezelf te zijn.

De mens is vaak als deze roos. Hij beklaagt zich over de sombere taak die het leven hem oplegt. Hij klaagt, omdat het voedsel dat hij meent voor het eigen “Ik” nodig te hebben, hem ontnomen wordt. Hij klaagt zelfs wanneer zijn wensen vervuld worden, omdat hij tegelijk het nieuwe en het oude wil zijn. Voor de mens geldt hetzelfde als voor de roos. Slechts dan bent u waardevol en schoon, wanneer u past in uw omgeving. Slechts dan hebt u betekenis voor de Schepping, wanneer u het doel vervult waarvoor men u hier heeft gesteld.

Men hoeft niet te roepen tot een verre God. Indien men slechts leeft met in het hart de innige overtuiging: dit is mijn plaats, mijn doel, mijn taak. Want wie zo leeft, niet vragende voor zich, maar trachtend één te zijn met de wereld, wekt in zichzelf de Goddelijke Kracht, die hem doet opbloeien en ontplooien tot grotere schoonheid, ja, misschien eens uit de wildernis van menselijk bestaan verplaatsen zal naar de volle Lichtende Tuinen, waarin God wandelt te midden van Zijn Schepping.

Het is een sprookje, vrienden, met een moraal. Maar het drukt uit, wat belangrijk en noodzakelijk is voor ons allen. Onze taak te aanvaarden, niet te zoeken naar de verre God, niet te zoeken naar het grootse ideaal, maar te zijn wat wij moeten zijn.

Anders gaat het ons als de krijgsman, die door de koning werd uitgezonden. De vorst zei hem: “Ga met mijn soldaten en verdrijf mij de vijand”. Maar de soldaat sprak tot zichzelf: “Zou ik onder het bevel van zo velen gaan? Gewoon soldaat onder de soldaten?” Hij nam een strijdros en meende de vijand aan te vallen. Doch toen hij op het slagveld neerlag, moest hij horen, dat hij zijn eigen partij had geschaad, evenals zijn aanzien in het gelaat van de koning. Want de koning keek niet meer naar de soldaat, omdat hij niet aanvaardde wat hem als taak was gegeven. Hij had gedroomd van generaals roem, van grootse overwinningen. Zijn enige taak was geweest klaar te staan en op te treden wanneer anderen zouden falen.

Onze koning is de Kracht, die in ons leeft. De Kracht, waaruit wij bestaan, is God. Onze koning geeft ons niet altijd de taak, die wij wensen, noch de wijsheid, die wij zouden willen bezitten, of de gaven, waarnaar wij verlangen. Maar Hij geeft ons een plaats in het leven en daarmee een taak die wij dienen te vervullen. Vervullen wij die taak goed, dan zullen wij groot zijn voor God. Maar laten wij onze gedachten en begeerten teveel bepalen, hoe wij handelen, waarheen wij streven, wij zullen niets veranderen aan de wereld, maar zullen klein en verachtelijk zijn, vluchtend voor een Schepper, Die wij ontkend hebben.

Het is niet mijn taak voor u te prediken. Daarom wil ik besluiten met nog twee kleine citaten. Het eerste zegt:

“De wijze weet dat de grootste wijsheid is het aanvaarden van de Wijsheid, die allen leidt  op het pad.”

“Het is de dwaas, die zich verzet tegen de wereld, het is de wijze, die de wereld wint door te zijn met de wereld.”

Wanneer u deze spreuken wilt overdenken, kan ik hier mijn betoog besluiten.

Het schone woord

Wij zullen een viertal woorden, door u te noemen, nader omschrijven en definiëren in dichterlijke taal.

Levenskracht – aanvaarding – gezang – het absolute.

De regen valt neer,  het klettert op het dak en ik mag leven, dag na dag.

Na regen komt zon en regen weer.

Ach, ik leef en verlang niet meer. Ik wil uit mijn vreugde geven, omdat het mij een zegen is, in vreugd te mogen leven.

Er ligt mij in het hart een kathedraal, waarin een orgel ruisend zingt en soms een lied in vreemde taal van het eigen hert mij klinkt.

Wanneer ik treed in deze zaal en luister naar het lied, dan weet ik: God is hier met mij.

Ik ken de woorden niet, maar het is Zijn Stem, die mij geleidt en schrijft de melodie.

Waar je ook gaat, hoe je ook leeft, hoe de wereld soms stormt en de aarde je beeft. Je streeft in het bestaan naar hogere waarden en moet des levens nood aanvaarden.

Als het leed je komt, die bittere vrucht, die allerwrede dood, bedenk:

het leven is zo wijd, de Schepper is zo groot, Hij geeft ons meer dan dit en dat in eeuwigheid. Geen lijden en misschien geen vreugd, maar vrede van het bestaan.

Ik aanvaard, wat is. De schepper telt, het andere blijft mij waan.

Niet verborgen in het Niet en toch in het Zijn reeds aanschouwd. Wat zijt gij? Waaruit is dit Al, die wereld, toch gebouwd?

Wat is vreugde, wat is leed?

Wat duister, wat het zonnelicht? Wat is het, dat des levensdrang  in vaste banen richt?

Wat is dan d’ impuls in al ‘t bestaan? Wat is het, dat klinkt met elk woord? Wat is het, dat met elke klank  in alles wordt gehoord?

Wat is de Stem, die, mits wij verstaan, schrijft ons Zijn en Lot? De absolute werkelijkheid: Het is Scheppingskracht, het is God.

Voor mijzelf kies ik het woord “blad”.

Blad, zo groen, zo sappig en schoon waait in de luchten en hoog in de boom.  Het droomt bij het zuchten der strelende wind en voelt zich de wereld welgezind.

Het blad, nu vergelend, voelt der winden kracht en vreest haast te sterven in duis’tre nacht.

Blad, losgereten als ritselend goud, valt op een aarde, nog niet vertrouwd. Blad, in vocht en modder vergaan, doortrekt voedend de boom en schenkt haar ‘t bestaan.

Blad, door de cirkelloop reeds volbracht, vindt zijn weg tot de top. Groent opnieuw, vol van pracht. Het kent niet lot en werkelijkheid, toch is ook het blad:

Beeld der Eeuwigheid.

Daarmee, vrienden, zullen wij deze bijeenkomst besluiten. Ook namens de andere sprekers dank ik u voor uw aandacht.

image_pdf