Mens en wereld

Inhoudstafel

uit de cursus ‘ Zelfverwerkelijking ‘ ( hoofdstuk 2 ) – november 1964

De mens met zijn innerlijke verdeeldheid en met zijn veelvoud van voertuigen staat te midden van een wereld, die hij niet geheel juist kan waarderen of kennen. Het is voor hem altijd weer de grote vraag wat nu waarheid is, wat werkelijkheid is in zijn wereld en wat alleen uit hem voortkomt of eventueel een vervalsend persoonlijke interpretatie van feiten of toestanden is.
De relatie van die mens tot de wereld kan dan ook nooit alleen gebaseerd zijn op de rede, daar de rede te beperkt is om de verschijnselen van het leven in hun geheel te bevatten, te begrijpen en te omschrijven.
Hij kan zich ook niet geheel baseren op zijn gevoelens, aangezien daarin het persoonlijk element vaak zo sterk overheerst, dat hoewel er voor een persoonlijke weg vele indicaties in liggen, toch t.o.v. de werkelijkheid te grote discrepanties optreden om daarop te kunnen vertrouwen.
En dan mogen wij ten laatste nog opmerken, dat die mens ook niet kan vertrouwen op wat hij noemt: zijn geestelijke leiding. Ik weet, dat dat voor velen een schok is, als je dat zo stelt en daarom wil ik dat laatste graag iets duidelijker maken.
Wanneer u te maken hebt met wat men noemt een geestelijke leiding (dus een beïnvloeding van uit een andere wereld), dan zal dit niet gebeuren aan de hand van de werkelijke situatie, zoals die voor u in uw wereld bestaat, maar altijd aan de hand van een erkende wenselijkheid in een andere wereld. Soms zou er zelfs een strijdigheid van belangen kunnen bestaan tussen de inzichten van de Meester en de praktische mogelijkheden op aarde.
Wij hebben die mens dus staan in een wereld, waarmede hij niet voldoende contact heeft. Een wereld, waarin hij ook geen perfecte leiding kan ontvangen, kortom een mens in moeilijkheden, die de oplossing ervan overal zoekt, maar haar zelden vindt.
Dan gaan we proberen om de relatie, die er tussen mens en wereld bestaat, zodanig te ontleden dat we hieraan weer de mogelijkheid tot een zekere aanpassing en ook de verwerving van een noodzakelijk inzicht kunnen verbinden. En ik zou dit graag weer artikelsgewijs doen.
1. Het is niet mogelijk voor de mens om de feiten en de feitelijke werkelijkheid geheel te beseffen. Zijn relatie tot de wereld is een persoonlijke en kan van dit persoonlijk element nimmer geheel worden ontdaan. Als gevolg van dit eerste punt moeten wij dan ook stellen: Alle leven en beleven moet gebaseerd zijn op de eigen persoonlijkheid en kan slechts worden beschouwd als een uitdrukking daarvan. Elke andere waardering is irreëel.
2. De wereld omvat zeer vele werelden en verschijnselen, die niet vallen onder het voor de mens kenbare. Daar deze onzienlijke krachten en ook de onzichtbare werelden een zeer grote invloed kunnen hebben op het gebeuren in de stoffelijke wereld, zal de mens hierdoor worden beïnvloed. Dan mag aan de hand hiervan worden gesteld: De relaties van de mens worden voor een groot gedeelte bepaald door voor hem niet redelijk kenbare factoren en slechts daar waar zijn vermogen tot aanvoelen groot genoeg is om althans te vermoeden welke invloed werkzaam is, zal hij in staat zijn juist te handelen.
3. Alle geestelijke waarden in de mens zijn in wezen vreemd aan de wereld, waarin hij leeft. Op het ogenblik, dat de mens dus uitgaat van de feiten van de stoffelijk wereld alleen, kan hij daarom niet beantwoorden aan zijn eigen wereld. Elke poging om tot een interpretatie van de feiten te komen, waarin deze geestelijke waarden mede bevat zouden zijn, impliceert een vervalsing van de stoffelijke feiten en gelijktijdig een compromis, waardoor ook de geestelijke waarden niet voldoende tot hun recht komen.
4. Al datgene, wat wij innerlijk kunnen bereiken en dus ook voor onszelf kunnen beschouwen als volledig werkelijk, bepaalt voor ons de relatie met de buitenwereld. Dan moet worden gesteld: Het “ik” in zijn persoonlijke relatie tot de buitenwereld bepaalt dat deel van de werkelijkheid, dat met het “ik” overeenstemt. Ten aanzien van dit punt moeten wij eraan toevoegen: Je kunt dus als mens en zelfs als geest alleen datgene in de wereld werkelijk beïnvloeden, wat een voldoende verwantschap bezit met je eigen wezen, niet alleen in stoffelijke maar zeker ook in geestelijke zin.
En nu zetten wij even een streep onder deze reeks artikelen, omdat het prettiger is zo nu en dan eens conclusies te trekken en samen te vatten op een minder systematische wijze.
Het feit, dat wij maar gedeeltelijk een mogelijkheid tot invloed in de wereld hebben, dat wij dus maar een beperkte werkingssfeer in die wereld bezitten, betekent ook dat een groot gedeelte van onze handelingen, van onze daden, ja, zelfs van onze gedachten moet worden beschouwd als inactief, voor de wereld onbelangrijk en niet reëel en slechts voor het “ik” van betekenis is. Het begin van aanpassing aan de wereld en ook van een juiste erkenning van je “ik” moet dus wel uitgaan van het besef: Wat is in mij belangrijk? Wat is er in mij, dat tot de wereld spreekt? En in hoeverre zal de wereld kunnen beantwoorden aan datgene, wat ik de wereld geef?
Een probleem, zoals u zult begrijpen, waarop het antwoord voor een ieder enigszins anders is en daarom ook wel eens moeilijk geheel te formuleren. Voor mij zie ik het echter zo. U moogt er zelf anders over denken en u moogt proberen daarvoor een eigen formulering te vinden.
Alles, wat ik doe, heeft voor mijzelf betekenis. Ik moet dus uitgaan van het standpunt, dat mijn handelingen, mijn daden en mijn gedachten altijd moeten beantwoorden aan mijn persoonlijkheid en de eigen waarde die ik bezit (volgens mijn denken dan) in de wereld.
Indien ik ontdek, dat een deel van de wereld volgens mij juist en reëel reageert, zo zal ik moeten nagaan, of die reactie incidenteel is, dan wel blijvend. Elke slechts incidentele reactie kunnen wij terzijde schuiven als zijnde niet belangrijk voor ons contact met de wereld; het is slechts iets, wat voor òns betekenis heeft. De betekenis voor de wereld kunnen wij niet overzien.
Op het ogenblik, dat een voortdurend contact blijkt, een voortdurende gelijkheid van streven, van instemmingen, een voortdurende wisselwerking met een deel van de wereld (of dit nu mensen zijn, dieren, planten, materiaal of wat anders) kunnen wij zeggen: Voor ons wezen bestaat hiermede een voldoende harmonie. Binnen dit kader kunnen wij onze persoonlijkheid zoals zo nu is (na een eventuele ontwikkeling of verandering kan dat anders worden) volledig uitdrukken.
Hoe belangrijk het is dat men dit beseft, zal men niet zo gauw inzien. Tenslotte denkt een ieder: Wanneer die wereld mij nu maar antwoordt, is het in orde. Of: Ja maar wat geeft het nu eigenlijk, of het ene deel van de wereld beter antwoordt dan het andere? Voor onze erkenning van de werkelijkheid is het echter zeer belangrijk. Want slechts waar die harmonie bestaat (en dat mag niet een harmonie zijn, die alleen berust op een idee of op een actie maar die dus als het ware wederkerig is en een wederkerige uitdrukking mogelijk maakt) kunnen we zeggen: Hier is een deel van de werkelijkheid dat ons bijna onvervalst bereikt. Ik zal hier een voorbeeld geven om dat iets duidelijker te maken.
Er zijn mensen, die schrijven, musiceren, schilderen, beeldhouwen enz. In geen van hun kunstuitingen kunnen ze een volledige eenheid bereiken met het materiaal dat ze gebruiken. Alleen wanneer ze boetseren, blijkt dat klei (en dan meestal nog niet eens elke soort klei, ze hebben dan een bepaalde soort) hen in staat stelt om hun gedachten precies uit te drukken. We kunnen dan zeggen, dat in het laatste geval de overdracht van de gedachten op de klei direct mogelijk is. Er moet dus een zekere affiniteit daarmee bestaan. Al datgene, wat in die klei is uitgedrukt — of het door mijzelf is gebeurd of door anderen — spreekt eveneens sterker tot mij dan muziek, schilderwerk, in steen gehouwen werk enz. Er ontstaat dus voor mij een grotere gevoeligheid. In die gevoeligheid heb ik misschien een soort vakkennis of kunde, waardoor ik kan waarderen wat er in die klei geschiedt, waardoor ik kan begrijpen wat er wordt bedoeld met wat in de klei wordt uitgedrukt en waardoor ik ook in staat ben om a.h.w. tot een communicatie te geraken.
U ziet hier een voorbeeld, waarover mogelijk nog gediscussieerd zou kunnen worden. Maar een voorbeeld dat aangeeft, dat we dus in exceptionele materialen de juiste reactie vinden.
En zo hebben we dat ook in mensen. Er zijn mensen die je graag mag. Voor wie je alles zou willen doen en toch blijft er altijd ergens een hiaat. Je kunt niet precies begrijpen, waarom die mensen zo reageren. Er is altijd toch nog wel een verschil in streven merkbaar. Dan moet je dus zeggen: Hier is ergens een nog niet te overbruggen iets. Mijn interpretatie van die mens en zijn motieven is dus in feite persoonlijk. Ik zie niet de werkelijke mens, ik zie slechts mijn voorstelling van die mens.
Nu kan er een ogenblik komen, dat een medemens zo precies reageert dat hij uw gedachten, uw motieven onmiddellijk door heeft en dat u bij die ander ook precies hetzelfde kent; dat omvat dan een deel van uw leven of soms het gehele menselijke en soms het gehele geestelijke bestaan. In dat geval zal alles, wat ik in die mens tot uitdrukking breng, werkelijkheid zijn. Het bestaat niet slechts in mij maar ook buiten mij in de wereld. Omgekeerd zal al datgene, wat ik in die mens ontdek, dus ook voor mij een weergave zijn van iets wat werkelijk is. Het bestaan in de wereld en. het is voor mij te begrijpen. Dan heeft u dus een houvast gevonden, waardoor u in een verwarde wereld, in een tijd waarin u misschien geen raad weet met uzelf en met uw naaste, toch weer dat ene vindt: het herkennen van uzelf.
Er is een door een wijsgeer gezegd: “De wereld is een spiegelende bol. Wij staan in het midden en beschouwen ons beeld naar alle zijden.”
Dat is waar, zolang die wereld waan is. Waar binnen die bol een punt “werkelijkheid” wordt ontdekt, is de spiegeling onderbroken. Ik kan op dat punt in plaats van mijzelf waarheid zien.
Waarheid is in 9 van de 10 gevallen en misschien wel 99 ten 100 het meest belangrijke, waarover wij kunnen beschikken. Want de essentiële waarheid, de nuchtere waarheid der dingen, maakt het ons mogelijk het beeld dat wij van onszelf hebben gevormd, te toetsen en te kijken, of dat wel zo mooi is of zo juist of zo machteloos misschien ook als wij het ons hebben voorgesteld. Vandaar dat wij dus toch wel zeer veel nadruk moeten leggen op die erkenning van de werkelijkheid. En dat kunnen wij nooit, als we onze relatie met de wereld niet juist kunnen formuleren en omschrijven. Bij de contacten, die we met de wereld hebben, zitten nogal wat bedrieglijke factoren. We zullen ook die even artikelsgewijs opsommen, althans enkele daarvan.
1. De eerste vorm van bedrog, die voorkomt in de wereld in misschien wel de meest voorkomende, is zelfbedrog. Bij zelfbedrog wordt aan de wereld toegeschreven wat het “ik” daaraan wenst te zien. De plaats van dat “ik” in de wereld wordt niet bepaald door de feiten maar door de wensen, die er in het “ik” bestaan; en elke juiste oorzaak en gevolgwerking, die niet past in dit schema, wordt vergeten of verworpen, omdat men de werkelijkheid niet wenst te zien. Zelfbedrog kort in zeer grote mate voor. Er zijn er onder u, die denken dat ze dom zijn of wijs, dat ze arm zijn of rijk. Niet omdat het feitelijk zo is, maar alleen omdat zo het graag willen zijn. Wij kunnen daarvoor allerhand psychologische factoren en drijfveren gaan aanhalen, maar het feit blijft bestaan. Daarom moeten wij aannemen dat in de wereld van de mensen zelfbedrog een van de meest belangrijke factoren is. In de contacten tussen de mensen berust de relatie mens tot mens en mens tot wereld in vele gevallen niet op de werkelijkheid, maar op een zelfbedrog, waardoor men een ongewenste werkelijkheid voor zichzelf weet te verdringen.
2. Dit punt is bijna net zo moeilijk, nl. de “ik” projectie. Een deel van eigen “ik”, eigen verlangen en eigen wensen wordt geprojecteerd in een al dan niet werkelijk bestaand iets in de wereld. Zo zal dit “ik” dus zijn aanvulling zien buiten zichzelf en altijd in overeenstemming met die aanvullingsmogelijkheid reageren. Een eenvoudig voorbeeld hiervan: Een mens is zich bewust van zijn onvolkomenheden. Hij schept zichzelf een God, een profeet of verlosser, die zijn eigen tekortkomingen wegneemt. Hij richt hierop zijn gehele leven in en meent daardoor inderdaad een volledigheid van bestaan, van streven en van werken te bereiken. Wat is echter het werkelijke resultaat van die manier van leven? Dat je nimmer een vaste maatstaf hebt. Als je over God spreekt dan verandert die God naarmate je zelf verandert. Spreek je over een verlosser, dan wordt de verlossingsboodschap niet een feitelijke leer maar een voortdurende aanvulling van jezelf en dus ook een rechtvaardiging van de onvolkomenheden. Het is gevaarlijk om op die manier te reageren. Want ik zal in dit geval niet mijzelf, zoals bij het zelfbedrog, maar een projectie van mijzelf, die ik niet eens meer ken als deel van het “ik” en die ik daardoor met nog veel meer eerbied en veel minder begrip behandel dan bij zelfbedrog zonder meer, stellen als maatstaf voor de wereld. Op het ogenblik, dat ik een maatstaf schep, die imaginair is en deze aan de wereld opleg, ontstaat er niet alleen een vertekening van het beeld van de wereld maar ook van elke verhouding met de wereld en van elke mogelijkheid, die in het “ik” is gelegen.
3. De verheerlijking. Ook indien wij ons wezen niet projecteren, zijn wij geneigd aan sommige dingen een belangrijkheid toe te kennen, die ze in wezen niet bezitten. Ik denk hierbij aan de mens, die een dier b.v. boven de mens gaat stellen, omdat hij daarin alle eigenschappen projecteert, die hij in de mens niet vindt. Er is hier dus sprake van een projectie van menselijkheid. Het dier wordt verheerlijkt en men eist daarvoor een betere verzorging, een betere bescherming en meer rechten dan men aan een medemens gemiddeld wil toekennen. Op dezelfde manier kunnen wij een theorie verheerlijken. Wij kunnen b.v. kunst verheerlijken of een bepaalde vorm daarvan. Wij kunnen komen tot een verheerlijking van een bepaalde vorm van literatuur, van muziek, van uiting. Op het ogenblik, dat die verheerlijking plaatsvindt, betekent dit dat wij alle eigenschappen, die over de wereld verdeeld daarin bestaan, trachten te concentreren op één punt, waarvan wij overigens de onvolkomenheid verder willen erkennen. Het resultaat is niet, dat wij de oplossing van ons leven zien in het verheerlijkte, maar dat wij de eigenschappen, die er in de wereld verder nog bestaan, niet zien, omdat wij ze reeds aan het verheerlijkte hebben toegekend. Als ik zeg, dat het summum summarium van de muziek Bach is, dan is het heel logisch dat ik niet verder wil nadenken over een meer moderne musicus. En als ik zeg, dat Wagner de enige man is, die in klank de juiste uitdrukking van een idee heeft gevonden, dan zal ik zelfs Beethoven willen verwerpen, of slechts dan willen aanvaarden, indien hij wordt uitgevoerd als Wagner. Begrijp dus goed, dat u ook hier weer een valse maatstaf hanteert.
Ik zou nog een tiental punten kunnen opnoemen, naar ik wil voorlopig met deze drie volstaan om eerst weer eens buiten de artikelen om commentaar te geven.
Elke factor in ons leven, waaraan wij een meer dan normale aandacht geven en waarin wij trachten alles wat voor ons van belang is a.h.w. te concentreren, voert tot een verwijdering van de werkelijkheid. Wij moeten trachten tegenover alle dingen gelijk te blijven. Misschien klinkt het u dwaas in de oren, als ik hier de bekende spreuk aanhaal: “Bemin uw naaste gelijk uzelf.” Een absolute gelijkheid van waardering voor het “ik” en voor alles in de wereld, impliceert ook het erkennen van de verhoudingen, die er buiten het “ik” bestaan. Het betekent een reageren op de werkelijkheid van de wereld en niet alleen maar op bepaalde emoties of gedachten.
Wij kunnen dus zeggen, dat de mens in de wereld heel veel mogelijkheden heeft om zichzelf te verwijderen van de feiten van de werkelijkheid. Een terugkeer tot die feiten en een terugkeer tot de werkelijkheid is vaak buitengewoon moeilijk, omdat een prijsgeven van een bepaalde vorm van zelfbedrog, van een bepaalde projectie of van een bepaalde verheerlijking en van nog ettelijke andere punten, voor de mens schijnbaar een ontwaarding inhoudt van zichzelf en de wereld.
Ik geloof, dat ik hiermede dan wel het eerste deel van de les van vandaag kan besluiten. Dit eerste deel kunt u vooral goed beschouwen, indien u de vorige les erbij neemt. De onevenwichtigheid van de mensen, de innerlijke verdeeldheid is ten dele oorzaak voor alle discrepanties tussen “ik” en wereld, die ik op het ogenblik naar voren heb gebracht.
Nu we dus hebben gesteld, dat de verhouding tussen mens en wereld niet direct een volkomen reële is, moeten wij proberen die realiteit dichter bij de mens te brengen, zonder hem daarbij gelijktijdig aan te grote en te sterke beproevingen te onderwerpen. Want zou voor een mens de gehele wereld opeens ineenstorten, dan zou het wel erg moeilijk voor hem zijn, denk ik, en zijn eigen rationaliteit te behouden.
Laat ons dus de verhouding mens — wereld nu eens bezien van uit oorzaak en gevolg. Daar, waar een door mij bewust geschapen oorzaak het verwachte gevolg brengt, is mijn waardering van dat deel van de wereld, waarop ik tot uitwerking kom, juist. De juistheid betreft echter alleen de factoren, die in de oorzaak zijn besloten.
Hier heb ik dus alvast één maatstaf. Als de wereld anders reageert dan ik verwacht, heb ik de wereld niet juist beoordeeld of erkend. Zijn de verschillen te groot, dan moet ik even nadenken waar ik kan hebben gefaald. Het is dus niet: de wereld heeft verkeerd gereageerd. Neen, het is: ik heb mijn mogelijkheden of misschien de capaciteit om de juiste invloed uit te oefenen in mijzelf verkeerd beoordeeld. Indien ik steeds het falen tot mijzelf herleid, kan dit natuurlijk een schuldbewustzijn, een gevoel van onvolkomenheid of zelfs machteloosheid veroorzaken. En daarom zou ik de doorsnee mensen de raad willen geven: Wanneer u als toets neemt: oorzaak en gevolg voor de realiteit van uw verhouding tot de wereld, stel dan daarbij: Er is nimmer sprake van schuld, zolang mijn intentie juist is. Maar intentie op zichzelf is nimmer voldoende. Slechts intentie plus actie, plus het verwachte gevolg, geeft een rechtlijnige en volkomen reële relatie “ik” — wereld aan. En dan komen wij nog tot een andere conclusie:
In vele gevallen zal ik een oorzaak scheppen, waarvan ik zelf niet alle waarden volledig ken. Het gevolg dat ik bereik is het verwachte. De wijze, waarop het tot stand komt echter, is voor mij niet geheel begrijpelijk. Dat is ook een belangrijk punt, omdat men hier per slot van rekening staat voor het feit dat de wereld onkenbaar blijft; want ik weet niet wat ik heb ingeschakeld. Nu kunnen we gelukkig daarvoor een noodoplossing vinden.
Op het ogenblik, dat ik gebruik maak van oorzaak en gevolgwerkingen, waarbij in de oorzaak voor mij niet gekende of niet omschrijfbare factoren optreden (denk b.v. maar aan geestelijke genezing of iets dergelijks), is het meest juiste om deze oorzaken niet zonder meer te verwaarlozen, maar zo te stellen als een onbekende waarde in het “ik” (nooit in de wereld, altijd in het “ik”). En dan blijkt uit het gevolg plus de door mij geschapen oorzaak wat er nog eventueel ontbreekt. Ik zal weer het voorbeeld genezing nemen.
Ik wil een mens genezen. Ik ken zijn kwaal niet of ten dele. Ik heb de wil tot genezing en ik volvoer een aantal handelingen, die voor mij — symbolisch of reëel — bijdragen tot de genezing. De genezing wordt een feit. Dan kan ik zeggen: Ik heb deze mens genezen. Ik kan ook zeggen: Een andere kracht heeft dat gedaan. Maar voor mij is de werkelijke relatie niet met het ongeziene dat optreedt, maar met mijn eigen wezen. Indien er een ongeziene waarde optreedt, moet die bestaan in mij of in verband met mij. Al wat in verband met mij bestaat, kan in mijzelf worden erkend. Stel dan:
In plaats van het redelijk kenbare zal ik de gevoelswaarde althans voorlopig accepteren als aanvullende factor in de oorzaak. Wil ik een volgende maal eenzelfde resultaat hebben, dan zal ik trachten te werken van uit dezelfde gevoelswaarde plus dezelfde actie. Door dit herhaalde malen te doen — en dat komt in een leven wel voor — kunt u op den duur ook de niet redelijke factoren in het eigen “ik” beter leren kennen; en door de voortdurende controle van het gevolg blijft de relatie met de wereld zo reëel mogelijk.
En dan komen wij vanzelf tot de grootste moeilijkheid, althans in relatie tot de wereld, want wij willen vaak de wereld niet zien zoals zij is. En daarom mogen wij de volgende regel zeker wel in acht nemen.
Op het ogenblik, dat ik bang ben een geloof, een stelling, een theorie aan de praktijk en de praktische toetsing te onderwerpen, moet ik aannemen dat zij niet juist is en dat mij dit innerlijk reeds bekend is. Hierdoor voorkomt u, dat u bepaalde lievelingsstellingen, vormen van zelfbedrog ook vaak, blijft handhaven door eenvoudig te weigeren ze op de proef te stellen.
Als ik zeg: Ik kan genezen uit de naam van God en ik blijf dat herhalen, maar ik doe het nooit, dan kan ik die stelling rustig blijven handhaven. Indien ik haar op de proef stel, dan zal blijken dat ik het niet altijd kan; maar het zal mij ook blijken, dat het op een bepaalde manier wèl kan. Dat vast te stellen betekent weer de relatie tussen mijzelf en de wereld zuiver te stellen.
Mijn innerlijke wereld verschilt natuurlijk heel veel van de wereld buiten mij. Ik kan die innerlijke wereld moeilijk op de proef stellen. Het is in zekere zin een fantastische wereld, die zoveel verschilt van de feiten rond mij, dat er vaak zelfs geen verband met de werkelijkheid is te leggen. We hebben daarover in de vorige les trouwens ook al gesproken. Indien ik de innerlijke wereld wil handhaven en dat zal voor de doorsnee mensen toch noodzakelijk zijn, naar ik meen, dan moet ik mij steeds afvragen wat van die innerlijke wereld volgens mijn eigen bewustzijn waar moet worden gemaakt.
Tracht uit die fantastische wereld in uzelf bepaalde dingen waar te maken door dus uit die wereld de oorzaken te putten voor uw streven en toets dan de resultaten. Waaruit wel blijkt, dat de oorzaak en gevolgverhouding, waarbij het “ik” als oorzaak optreedt, een van de meest belangrijke is om de relatie mens — wereld zuiver te stellen. De gevolgen, die ik van de wereld onderga, kunnen daartoe dienen, omdat ik niet in staat ben de motivering, die daarvoor in de wereld bestaat en ook eventueel de zelfmisleiding die daarvoor oorzaak is geweest, geheel te erkennen. Voor bewustwording zowel van de waarden in het “ik” als van de wereld rond het “ik” is het voortdurend noodzakelijk dat het “ik” actief is.
Dan voegen wij aan dit onderwerp — ofschoon daar niet geheel onder vallend — nog even snel een paar korte regels toe, die voor de realisatie van de verhouding mens — wereld toch ook wel zeer praktisch en bruikbaar zijn.
1. Hoe meer ik mijzelf meester ben, hoe juister ik de relatie tussen mijn “ik” en de wereld kan leren kennen.
2. Hoe sterker ik mij alleen door de gevoelswereld laat leiden, des te sterker mijn invloed op de wereld mogelijk is, maar des te kleiner mijn mogelijkheid zal zijn tot de reële erkenning zowel van mijn eigen wezen als van de feitelijke inwerkingen, welke ik op die wereld heb.
3. Uitgaande van mijzelf zal ik in de wereld altijd daar initiatie nemend moeten optreden, waar ik voor mijzelf belangrijke feiten, mogelijkheden of toestanden wil toetsen. Ik kan nimmer betrouwen op anderen, daar zij niet in staat zijn mijn persoonlijke relatie met de wereld voor mij reëel uit te drukken.
4. Alle leerstellingen, openbaringen, systemen, esoterische en geheimleren, die mij ter beschikking staan, zijn slechts dan werkelijk van nut en werkelijk dienstig, indien ik daardoor leer:
• Mijzelf te kennen en te beheersen en dit “ik” te toetsen aan de wereld rond mij.
• De niet reële waarden, die ik aan het “ik” heb toegeschreven geheel te verlaten en de zo ontstane eenzaamheid te aanvaarden: een vorm van dood.
• Door de aanvaarding van de werkelijke wereld te komen tot een besef van de werkelijke betekenis van mijn “ik” op dit moment plus de mogelijkheden, die dit “ik” dan zal hebben in eeuwigheid.

De schijngestalte

Schijngestalte wil zeggen: een vorm, die niet reëel bestaat; althans niet reëel zo bestaat als zij wordt gezien of verondersteld. Wij mogen dus niet alleen maar denken aan een schijngestalte in de vorm van een persoonlijke projectie, zoals zovele mensen dit doen.
Er zijn in het Al vele mogelijkheden en vele krachten, die wij niet kunnen zien in hun werkelijk bestaan en in hun werkelijke verhouding. En dus kan worden gesteld dat b.v. het Godsbeeld, dat men zich maakt in een bepaalde religie, in feite een schijngestalte is. Een complex geheel, samengesteld uit enkele werkelijk kosmische persoonlijkheden of krachten, en een projectie van de hoop en verwachtingen van de mensen plus een aantal beperkingen en formuleringen, die uit de godsdienst zijn voortgekomen.
Het denkbeeld, dat een dergelijke gestalte absoluut irreëel is, lijkt mij te ver te gaan. Het zal u duidelijk zijn, dat wij de idee “schijngestalte” vooral vinden in de psychologie, waarbij Freud maar vooral Jung van groot belang zijn. Jung vooral in zijn meer mystieke periode, terwijl wij daarnaast soortgelijke beelden onder een andere naam vinden in vele oude magische inwijdingspraktijken.
De eenvoudige stelling, die wij in de primitieve benadering van de magie vinden, luidt als volgt:
Indien wij in onszelf tekorten erkennen, dan betekent dat, dat deze tekorten slechts praktisch, maar niet feitelijk bestaan. Wij erkennen nl. slechts datgene als tekort, wat in onszelf als mogelijkheid sluimert. Door voor onszelf een persoonlijkheid aan te nemen en tot werkelijkheid te maken, die al wat wij in onszelf als tekort erkennen als eigenschap in positieve zin bezit, hebben wij een aanvulling verkregen van onze eigen vermogens door het beroep dat wij op deze schijngestalte kunnen doen.
Dit is dus een praktische formulering. Maar ergens is zij zeker ook gevaarlijk. Evengoed als het gevaarlijk is een te scherp geformuleerde en gedefinieerde Godheid te vereren. Even gevaarlijk als het is om bij onderzoek; in wetenschap of elders uit te gaan van te vaste axioma’s, te zeer onomstotelijk vastgestelde waarheden.
De schijngestalte, zoals wij die voor onszelf opbouwen, is een hulpmiddel. Zij is a.h.w. het fictieve steunpunt dat wij voor ons concretiseren om de wereld uit haar waan te brengen. Zolang wij weten, dat deze schijngestalte inderdaad een deel van onszelf is, is zij bruikbaar. Op het ogenblik, dat wij dit niet meer beseffen, beheerst zij ons. En in dit opzicht lijkt mij het idee van de schijngestalte in deze dagen toch wel degelijk van groot belang te zijn.
Als wij zien hoe de maatschappij zichzelf heeft gevormd, dan ontdekken wij daarin ook vele theorieën, die door de praktijk zeker niet worden bevestigd. Wij zien dat deze theorieën worden gesteld als het criterium voor al hetgeen er in de maatschappij gebeurt. Er is een schijngestalte ontstaan, die — naar men meent — de gehele sociale samenhang, het gehele economische verloop en zelfs de politieke constellatie in de wereld zal bepalen, terwijl in feite de theorie niets anders is dan een mogelijkheid om eigen optreden te rationaliseren. Het houdt dus in, dat men door de werkelijkheid uit het oog te verliezen wordt beheerst door ideeën, die in de praktijk voortdurend tot falen leiden. Een falen, zoals wij dit hebben gezien in kerken, in staten, zelfs in bepaalde groeperingen en verenigingen, mag dan ook wel worden teruggebracht tot de opbouw van de schijngestalte.
En nu zou ik voor u willen formuleren wat een dergelijke figuur is. Op het ogenblik, dat er een gedachte in een mens bestaat, zal al datgene, wat met die gedachte harmonisch is (ook indien het qua geaardheid van die mens zeer sterk verschilt), reageren. Elke gedachte is als zodanig een kracht, die meer omvat dan de mens zelf.
Wanneer ik bij voortduring gedachten uitzend volgens een gefixeerd plan of een gefixeerde voorstelling, dan ontstaat er een aantal inwerkingen, die geestelijke werelden en sferen, zelfs kosmische krachten kunnen omvatten, maar die niet gelimiteerd zijn zoals de mens, die deze gestalte, deze vorm tenslotte tot aanzijn brengt door zijn denken.
Hoe sterker de gedachte van de mens afwijkt van de werkelijkheid, des te sterker hij een aantal krachten samenvoegt in dit voor hem aanvaardbare beeld, welke volgens kosmische geaardheid — en niet alleen menselijke geaardheid — op de mensheid inwerkt. Datgene, wat voor de eenling misschien een bruikbaar hulpmiddel is voor het bereiken van bepaalde magische resultaten, wordt voor de gemeenschap ongewoon gevaarlijk; want de harmonie in de gedachte is niet slechts gelegen in haar formulering. Om u een klein voorbeeld te geven.
Als ik denk aan rassenverschil, dan kan ik daarop een zekere superioriteitsgedachte bouwen. Dit is in het verleden meermalen gebeurd en ook in het heden bestaat dit. Nu stel ik: Als een aantal mensen denken: Een edel germaan is meer waard dan een jood; een blanke is meer waard dan een neger, dan bouwen zij een kracht op, die niet alleen hierop reageert, maar zij zal ook reageren op gedachten als: Een jood is meer waard dan een edel germaan, een neger is meer waard dan een blanke; een christen is meer waard dan een heiden, maar ook een niet christen is meer waard dan een christen. Kortom, de schijngestalte, die zo wordt opgebouwd bevordert alle extreme richtingen waarin dezelfde emotionele waarde, dezelfde persoonsrationalisatie ligt opgesloten. En hier komen wij dus tot het belangrijke in dit alles.
Ik kan nimmer een schijngestalte opbouwen, welke meer mensen gelijktijdig omvat en gelijktijdig reageert op meer mensen, zonder een reactie te verkrijgen op alle harmonische waarden. Want het is niet slechts één schijngestalte die wij opbouwen, maar het is een grote reeks schijngestalten. En sommige daarvan zijn met elkaar in strijd, terwijl voor de mens tussen deze verschillende vormen van projectie wel degelijk harmonie bestaat. Ik geef u een voorbeeld.
Wanneer ik enerzijds het beeld van het begrip machtshandhaving opbouw en aan de andere kant van het begrip vrede, zo kan ik van uit mijzelf voor deze beide een systeem aanvaarden. Ik kan voor beide gedachten uitzenden. Maar macht en vrede zijn kosmisch gezien strijdige waarden. Vrede is een absentie van macht. Macht is een geweld, een kracht, die alles overheerst en als zodanig een toestand van onvrede.
Nu kan de mens in zijn goedwillendheid theorieën bouwen van b.v. vredeshandhaving door atoommacht. Maar hij beseft niet, dat hij gelijktijdig de vergroting van de behoefte aan atoomgeweld schept naast de behoefte aan vrede. En nu is het maar de vraag: welke van deze schijngestalten zal het meest krachtig zijn? We laten nu even alle reacties op kosmische waarden buiten beschouwing.
Op het ogenblik, dat de gedachte aan de macht intenser is dan de behoefte aan vrede en de projectie ervan, zal alle vrede verloren gaan en zal macht overblijven. Ik neem aan, dat beide gestalten in de mensheid ongeveer even sterk zijn. Op het ogenblik, dat er een kosmische kracht komt, die extremisme bevordert, zal automatisch daardoor het vermogen van de schijngestalte “geweld” of “macht” groter worden dan die van ‘vrede’. Want vrede kent geen extremen. Vrede kent slechts zichzelf. Macht daarentegen kent juist vele strijdige punten en belangen en zal extremisme tot zich trekken.
Op deze wijze is rond de wereld een groot aantal schijngestalten opgebouwd, die voor de mensheid onnoemelijk grote gevaren kunnen inhouden. De Witte Broederschap en met haar verscheidene andere grote kosmische krachten, hebben getracht de waarde van deze niet zelfstandig bestaande mogendheden in de geest (vooral in de astrale sfeer) te beknotten. Men kan dit als volgt doen:
Indien ik het begrip “vrede” onaangetast en gelijktijdig breng ik in het begrip “macht” een aantal strijdigheden, dan kan als een amoebe die teveel gevoed is, de schijngestalte “macht” zich delen in twee op zichzelf minder grote delen. Deze beide zijn minder sterk in hun invloed dan de ene ongebroken kracht “vrede”.
Op dit systeem berust dus de overheersing van het goede. Het goede kan zich nimmer overmatig voeden. Wanneer het goede teveel is, deelt het zich en verliest het zijn invloed. Daarom zal in vele gevallen het schijnbare kwaad moeten worden bevorderd, omdat het uiteen kan vallen in concurrerende krachten.
En nu een ogenblik terug naar de zuiver persoonlijke schijngestalte. Wanneer u een schijngestalte opbouwt en deze vindt ergens een parallel (d.w.z. een schijngestalte die wezensgelijk is, ook al omvat zij meer) dan is het zeer waarschijnlijk dat de door u opgebouwde denkbeelden niet zelfstandig blijven, maar zich in dit grotere geheel verliezen. Daarom blijven een aantal wetten en regels in b.v. de magie altijd van kracht. Niet omdat zij kosmische wetten zijn, maar eenvoudig omdat door de jaren heen gestalten en krachtcentra zijn opgebouwd in bepaalde sferen (waaronder de astrale) die al deze denkbeelden en behoeften omvatten. Zij worden daar in leven gehouden.
In deze zin kan men zeggen, dat de schijngestalte, die menigeen voor zich bouwt, in feite één van de oude goden wordt, die in naam vergeten zijn, maar die in de gedachtenuitstralingen en verlangens van de mens voortleven.
Voor de eenling volgt hieruit dus: Wanneer een schijngestalte wordt opgebouwd, die meer is dan alleen een aanvulling van eigen wezen, zal zij een worden met een grotere kracht. Daardoor kan dan de schijngestalte niet worden vernietigd. Hoe belangrijk dit kan zijn, mag een voorbeeld u illustreren.
Men bouwt een schijngestalte op om daarmee op aarde verschillende dingen tot stand te brengen. Nu is op een gegeven ogenblik deze invloed niet meer gewenst. Men wil zich niet laten drijven door iets, wat uit een andere sfeer komt of daarop een beroep doen. Men wil zich bewust worden van de eigen capaciteiten. Is er nu sprake van een persoonlijke schijngestalte, dan wordt deze kleiner naarmate het “ik” zich meer van zijn eigen vermogen bewust wordt. Is er sprake van een algemene gestalte, dan zal — vooral wanneer niet alleen het goede (dus de gelijkblijvende waarde van het leven) maar ook wel degelijk actieve mogelijkheden daarin zijn gezet — een poging om zich daaraan te onttrekken worden ervaren als in strijd met het wezen van de schijngestalte die zijn kracht aan andere bronnen ontleent. Het zal zijn: een bestrijding van het zelfstandig worden van het “ik”.
Met dit punt hoop ik duidelijk gemaakt te hebben, dat godsdienstige schijngestalten het de gelovigen onmogelijk maken om vrijelijk bewust te worden. Gemaakt als een middel een om bewustwording te bereiken zijn ze zozeer zelfstandig geworden, dat ze elke poging de bewustwording om te zetten in een persoonlijke werkelijkheid gelijktijdig bestrijden.
Vele van de problemen op religieus terrein zijn daaraan te wijten en ook veel van de moeilijkheden die de mens ondervindt, wanneer hij zelf een eigen weg gaande toch altijd weer in zich een behoefte ontdekt aan zijn vroeger geloof; een teruggrijpen niet alleen naar de beelden maar ook naar de praktijken van vroeger. De terugkeer tot het geloof is in vele gevallen het succumberen van het eigen streven voor de grotere macht van een gemeenschappelijke schijngestalte.
We kunnen zo ook verklaren hoe de traagheid ontstaat in b.v. een sociale hervorming. Het is niet alleen maar de traagheid van de mens, die hier een rol speelt, hoe vreemd het klinkt, want deze belangenstrijd tussen mensen zou in korte tijd en betrekkelijk eenvoudig kunnen worden afgedaan. Maar er is meer. Zelfs wanneer de feitelijke omstandigheden niet meer bestaan, blijft de gestalte, gevoed door de gedachte, wel voortbestaan en zij zal overal, waar geen voldoende persoonlijk bewustzijn — zij het nu misschien in sociale zin — aanwezig is, terugdwingen naar het oude en de oude praktijken. Je kunt de gehele wereld socialistisch maken, maar daarmee kun je de kapitalistische verlangens van alle socialisten niet onderdrukken. Zij zijn gebonden aan een voorstellingswereld (een schijngestalte), die misschien officieel en wettelijk niet meer bestaat, maar die in de mens wordt aangemoedigd en die zelfs pressie uitoefent om zichzelf te herwinnen.
Ik geloof, dat dit alles kan bijdragen tot het begrip van uw eigen persoonlijkheid en ook tot een begrip van de moeilijkheden, die juist in deze tijd van vernieuwing voor de mensheid op de wereld bestaan.
Je kunt eenvoudig niet zondermeer grote zelfgeschapen of uit de gemeenschap gevormde krachten verlaten. De band tussen schijngestalte en “ik” is altijd een wederkerige. En slechts waar het bewustzijn tevens de krachtbron is van de schijngestalte kan het bewustzijn deze beheersen. In alle andere gevallen zal zij die gestalte moeten bestrijden.
Er is slechts één oplossing voor dit alles: Op het ogenblik, dat een mens (een bewustzijn) door schijngestalten worde beheerst — zelfgeschapen of anderszins — en zich daarvan niet kan bevrijden, kan het “ik” in zich alle begeren, alle angst doen afsterven. Wanneer het “ik” sterft in de zin van verbreking van zijn bewuste relatie tot het Al, wanneer het het toppunt van eenzaamheid kan bereiken en doorstaan, dan is door de verandering van het “ik” elke binding met deze astrale en in sommige gevallen ook in andere sferen bestaande krachtcumulaties verbroken. Het “ik” keert tot zichzelf terug en kan dan weer zijn eigen relatie met het Al stellen. Het is daarom dat in vele leringen wordt gesteld:
Mens, bouw je een schijngestalte op in eenzaamheid, tot zij zo werkelijk is, dat je daarmee kunt spreken; dat je die kunt zien en — zonder die gestalte te gebruiken — zul je haar daarna door je bewustzijn weer vernietigen, tot zij niet meer bestaat en niet meer kan reageren.
Dit is ook het proces van vorming en dood door de wil veroorzaakt. De magiërs, die dit niet weten en het hulpmiddel langzaam maar zeker zien als een zelfstandige werkelijkheid, worden vaak het slachtoffer van de schijngestalte, die zij zelf geschapen hebben.