Mensbeeld en Godsbeeld

18 februari 1986

Als je vraagt naar het beeld dat de mens in zich draagt over God en over zichzelf dan zou je eigenlijk kunnen zeggen: de mens schept zijn God naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Dat klinkt een beetje brutaal en er zijn waarschijnlijk heel wat mensen die daar bezwaar tegen hebben. Maar de werkelijkheid is deze: God in zichzelf is een onkenbare en onbenoembare factor. Het is duidelijk dat we in een dergelijk geval zoeken naar een beeld dat bij ons past. Wanneer we gaan kijken hoe het in het verleden is geweest, dan zien we dat de meest primitieve beelden, o. a. van de moedergodin zijn. Ja, als je niet weet waar de kindertjes vandaan komen, dan is dat een wonder. Iemand moet er verantwoordelijk voor zijn en pa wist toen nog niet dat hij het was.

Wat later zien we goden in gedaanten van de krijgsheren en de heersers die allemaal tezamen voortdurend bezig zijn om hun kleine staatjes te regeren en onder ons gezegd en gezwegen, hun wil en willekeur opleggen aan iedereen die in de omgeving is.

De goden van de Germanen zijn typisch Germaanse goden. De strijdhamer, een wapen van de Vikings, maar er is een god die er wel mee weet te werken. Raven geven voortekenen: een god hield raven bij zich en zo kun je verder gaan. De gebruiken van een volk zijn verweven met zijn godsvoorstelling. Denk niet dat dat op dit ogenblik anders is.

Wanneer u naar China gaat en u vindt daar een katholieke kerk, ze zijn er tegenwoordig weer, dan vindt u daar een Moedermaagd van zuiver Chinese origine met een kind dat inderdaad ook van Chinese origine is. Gaat u naar Afrika, dan zijn de madonna’s heel vaak zwart, vooral in de laatste tijd. Jezus is eveneens zwart. Alleen Judas, vreemd genoeg, wordt meestal als blanke voorgesteld. Wanneer je dus zo nagaat wat er in al die tijden is geweest, dan zien we het onverklaarbare dat de mensen voortdurend fascineert en wanneer je dan die kracht, die vreemde kracht probeert op een af andere manier voor te stellen, dan begint je eigen wens te leven. U zou zelf rechter willen zijn. U zou zelf God willen zijn die als een krijgsheer de scharen aanvoert. U zou zelf allerhande kunstjes willen doen en je vrienden belonen en je vijanden straffen met de meest verschrikkelijke straffen die er maar denkbaar zijn.

Daar waar het godsbeeld eerder vaag wordt, zien wij dat het godsbeeld helemaal verdwijnt. Het wordt een symbool. In het Taoïsme is het symbool bijvoorbeeld het middelpunt van de Yang-Yin figuur. Gaan we kijken bij de Indische mensen dan vinden we ofwel de kenbare oppergod Brahma, de adem, Atma, die eigenlijk in allerhande gedaanten zich manifesteert.

En hoe meer de mens leert omtrent zijn milieu en omtrent zijn omgeving, hoe meer zijn godsbeeld langzaam maar zeker zijn menselijke vorm begint te verliezen. Juist degenen die zich hebben beziggehouden met natuurstudies en wat dies meer is, hebben lange tijd allerhande geheimen doorvorst. En wanneer we kijken naar het godsbeeld van bijvoorbeeld de alchemisten, dan vinden we tot onze verbazing dat de mensvoorstelling er een is van kosmische aard, maar dat de godsvoorstelling een vaagheid blijft, een naam, een symbool.

Daaruit kun je een gevolgtrekking maken. Naarmate de wereld verandert, verandert het godsbeeld. Maar is er nu ook een relatie tussen mensbeeld en godsbeeld? De mens heeft natuurlijk zijn opvattingen over zijn eigen wezen, zijn eigen rechten, plichten, noem maar op. Daarnaast heeft hij een eigen emotionele voorstelling van zijn betekenis in het heelal. Heel dikwijls wordt dit laatste dan getransformeerd in een behoefte aan sociale betekenis, maar over het algemeen is de emotionele binding met het onbekende toch wel de basis, dacht ik.

Dan is de conclusie duidelijk. Er is een verschil tussen godsbeeld en mensbeeld, maar het godsbeeld kan worden afgeleid van het kennisbeeld van de mens. Hoe omvangrijker de kennis waarover de mens beschikt, hoe verder God van hem af komt te staan en hoe meer hij daardoor de behoefte gevoelt om zich met die God één te voelen. En daarom was een lange tijd gehanteerd godsbeeld dat van de Kracht of van de Macht, of van het Licht.

Wanneer je dat verder ontwikkelt dan kom je tot de conclusie: eigenlijk is elke mens een beetje deel van God en wanneer de mens een deeltje is van God dan is God of godheid het totaal van alle menselijk zijn. Hierbij is de mens eigenlijk ingegaan op zijn eigen sociale verandering en wanneer we dit beeld geven dan doen we dit omdat het in deze tijd zo verklaarbaar, zo begrijpelijk wordt. Want wat is het geval? Je hebt te maken met een wereld waarin de mens steeds meer deel wordt van een sociaal organisme. Hij heeft veel meer functies bepaald door de maatschappelijke samenhang dan zoals vroeger door zijn afstamming of het beroep van zijn vader. Hij zoekt steeds meer in die gemeenschap te regelen. Er wordt een maatschappij opgezet waarin alles tot het uiterste geregeld en verzorgd dient te zijn.

Dat het niet lukt, is begrijpelijk. Het is de mens eigen zich tegen zijn eigen regels te verzetten en de regels van God te interpreteren zoals hem dat op het ogenblik het beste uitkomt. Maar die hele neiging dan om alles te zien als een mechanisme, dat valt samen met de opkomst van een technische ontwikkeling en de tijd zeg omstreeks 1600-1700 wanneer we nog te maken hebben met gentleman-wetenschappen, is wetenschap eigenlijk iets op de achtergrond. Mensen als Darwin hebben grote moeilijkheden wanneer zij alleen maar het afstammingsbeeld, de directe relatie met God proberen te vervangen door een op wetenschappelijke ondergrond gebaseerde en eigenlijk veel natuurlijker andere ontwikkelings- of evolutieleer.

Maar naarmate de techniek toeneemt, naarmate de mechanisatie hand over hand toeneemt, het weten door steeds meer mensen wordt gedeeld, zien wij als vanzelfsprekend ook een God ontstaan waarin alle dingen een beetje in elkaar grijpen. God wordt een beetje een kosmisch uurwerk, gedreven door een onbekende kracht.

Hier zit u dus ook weer met een wat moeizame situatie want het mensbeeld zit natuurlijk wel in dit solidariteitsbegrip, dit gemeenschapsbegrip ingebouwd, maar dat dit begrip kosmisch wordt uitgebreid en bovendien wordt gezien als een voortdurende samenhang van allerhande gekende factoren, ja dat lijkt me toch een verder gaan dan het mensbeeld.

De macht van God, eens voortdurend door wonderen gemanifesteerd, deint steeds verder weg. Het is zelfs zo dat degenen die dingen doen die de mensen nog wonderen noemen, voor het ogenblik bijvoorbeeld helemaal niet geliefd zijn. Daarom moest pater Pio verhuizen en uiteindelijk in een afgelegen klooster sterven. En dat was wel een heilige, maar heiligen zijn lastig want ze houden zich niet aan de regels van de gemeenschap. God dient dat ook te doen. Dus God heeft eenvoudig het recht niet meer om profeten op de wereld te zenden, om te spreken met vele stemmen. Zijn stem moet die zijn van een paus, of desnoods van een koning of een minister-president. Die weten het, die regeren uit het goddelijk gezag met hun onfeilbaarheid en gelijktijdig onttrekken ze zich aan de verantwoordelijkheid door te zeggen dat God het wel anders zou regelen wanneer Hij het anders wenste. God is a.h.w. het product geworden van een democratisch overleg. Daarmee staat hij nog steeds niet dicht bij de mens.

Wij hebben dus te maken met een God die we niet meer kennen en wat is het grootste geheim van deze tijd? De tijd zelve, de zwaartekracht en eventueel al of niet reëel zijn van de materie als iets wat zelfstandig bestaat. Een bekende theorie is dat alle materie uiteindelijk terugvalt tot energie in kleine wervelingen, gebonden tot een eigen veld producerend en daarom onafhankelijk partikel. Dat is allemaal op God toepasselijk, vind ik. God doet geen wonderen meer. Nou ja, misschien één enkel en als er wonderen gebeuren moeten die ergens anders vandaan komen. Desnoods uit de geest of uit de parapsychologische mogelijkheden die onderzocht zijn of misschien zelfs uit de niet onderzochte, nog wat occulte geheime wetenschappen. Maar God zelf heeft er eigenlijk niet veel meer mee te maken want God is kracht, God kan zich manifesteren in elke vorm, dat is duidelijk, maar de vorm is geen God meer, de vorm is mens geworden. En daarmee zitten we heel dicht bij een stukje geloofsbelijdenis. De zoon van God die mens is geworden en onder ons heeft gewoond. Het beeld is kennelijk ook al in de oudheid van belang geweest. Maar men heeft het nooit zo genomen. Jezus was een God in menselijke gedaante. Zoals Hij onder de mensen rondging, wonderen verrichtte in menselijke gedaante om zich dan weer op te lossen.

Neen, de God van nu is de God die Kracht is, die in ons woont. Hij is de basis waar alles uit bestaat. Hij is de ontwikkeling van het menselijk denken, de menselijke wetenschappen en ongetwijfeld ook van de door de spanningen, die bevolkingstoename nu eenmaal met zich brengt, tot abstractie geworden verte. Niemand gelooft meer dat God de atoombommen uitschakelt. Misschien kunnen we dat doen met mensen die in Ufo’s komen en technisch veel verder zijn dan de mensen op aarde. Dat zou nog kunnen. Maar dat God het doet, nee, dat zit er niet meer in.

Dan zou ik nog een voorzichtige conclusie willen trekken. Naarmate de spanningen in de mensen toenemen, zal de onredelijkheid van de mens toenemen. Naarmate het begrip van de mens toeneemt, zal zijn voorstelling echter van het aangevoelde vervagen. De situatie waarin we ons bevinden is er dus één waarin God een afgeleide is, een composiet van de maatschappelijke structuur en de emotionele verbondenheid die de eenling voelt met het onbekende.

Laten we ons dan afvragen: Wat zal een God zijn die Kracht is? En dan weten wij: Tijd is geen constante. Tijd is kennelijk iets wat de omstandigheden van massa, van beweging, van rotatie wijzigt. We kijken dan naar zwaartekrachtsvelden, eens een normaal verschijnsel, maar langzaam maar zeker iets dat samen schijnt te hangen met de rotatie van een planeet in een stralingsveld, waarbij sterren dan heel waarschijnlijk ordinatoren zijn van stralingsvelden. Er zijn delen van de ruimte die zwaartekrachtloos zijn. Door meting zien we dat daar partikels voorkomen, de atomen bijvoorbeeld, maar met dichtheden van zeg maar een paar duizend per vierkante kilometer en dat is niet veel. De ledige ruimte wordt verondersteld maar kan niet bewezen worden.

Laten we dan, wanneer we een modern godsbeeld willen hebben, eens kijken naar wat we weten over die kosmos. Energie, massa, straling zijn de belangrijkste factoren. Zij zijn het die het bestaan mogelijk maken. Zij zijn het ook waardoor eigenlijk alle verschijnselen uiteindelijk tot stand komen. Dan zou dit God moeten zijn. Maar er is meer. Dit heelal is door de kromming van het licht uiteindelijk in zichzelf besloten. Er kan veel buiten liggen, er kan niets zijn. Maar niets is ook iets. Stelling eens gehoord: God is het niets waarin de schepping berust.

Willen we nog verder gaan dan vragen we misschien: Is God interactie? Interactie kan alleen daar ontstaan waar een bestaand evenwicht verstoord wordt. God is een verstorende factor. Anderen zeggen: Nee, dat is de duivel. Maar God en duivel zijn langzaam maar zeker één en hetzelfde geworden. Het is zoiets als democratie en communisme. Volgens het communisme is de democratie een euvel. Volgens de democraten het communisme en beide zijn het vertoon van de organisatiebehoefte die de menselijke maatschappij in deze eeuwen kentekent. Laten we dan zeggen: God is een ordenend principe. Dan zitten we weer dicht bij wat kabbalisten vanaf ongeveer 1100 al en de alchemisten van ongeveer 300 na Christus, de Griekse dan, hebben vermoed. God is een ordenend principe en de demon of duivel is een chaos verwekkend principe. Is dat reëel? Ik geloof het niet, want wanneer je reëel bent dan moet je zeggen: Datgene wat evenwicht schept en dit verstoort, is van dezelfde grootorde en het evenwicht kan zich dus altijd herstellen, dat weten we. Er zijn zelfs kosmische wetten op gebaseerd.

Dan is de duivel een wilsakte en dan ontstaat het beeld van een God die in zichzelf onvatbaar is maar die zichzelf vertoont in tegenstellingen. We vinden iets dergelijks in een eenvoudig getallenleertje dat in de tijd van Walter Böhm nogal de ronde deed.

Eén is de ongekende. Twee is de goddelijke uiting. Drie is de openbaring. Eén: er is iets, maar we weten niet wat. Twee: het wordt pas kenbaar wanneer het zich in tegenstellingen uit, twee delen als het ware. Drie: wanneer er een waarnemer is, worden de tegenstellingen zinvol, zonder dit niet. We kunnen dan verder gaan met de vier elementen of het dierlijke, de vijf van de dierlijke mens, de zes van…enz. Maar die dingen zijn eigenlijk voor ons niet belangrijk voor het ogenblik. Belangrijk is hier dat men meer en meer begint te beseffen dat de tegenstelling noodzakelijk is. Zelfs godsdiensten zijn in feite op die tegenstelling gebaseerd. Niet op een waarheid zonder meer Die waarheid kan wel bestaan maar er zal nooit een godsdienst, een religie uitkomen wanneer je niet de tegenstelling schept tussen bovenwereld of hemel en de onderwereld of hel. Hierbij wordt kennelijk de bovenwereld bijzonder mooi getoond, de onderwereld als zeer verschrikkelijk, om zo een spanningsveld te creëren waarin de boodschap het gemakkelijkst aanvaard wordt. Om een collega van mij te citeren: In mijn tijd preekten de dominees zoveel over de hel, terwijl ze de hemel alleen maar noemden, dat je wel kon horen waar ze vandaan kwamen. Dat is natuurlijk maar een grapje, maar het zegt iets over de behoeften van de mens. Alles wat we zijn, alles wat we doen, ligt tussen die twee factóren: de angst en de begeerte. We kunnen er namen voor vinden, we kunnen het zuiver emotioneel beleven, we kunnen proberen het verstandelijk te registreren, maar het feit blijft bestaan.

Ons beeld van onszelf is echter dat van een eenheid. Onze angsten proberen we weg te praten en onze begeerten proberen we te veredelen tot iets buitengewoon hoogs en moois. Het is begrijpelijk dat we juist dit ook zullen doen ten aanzien van een God. God kan niet gelijktijdig mooi en lelijk zijn. Dat zou in strijd komen met onze eigen levensdrang en de factoren die daarin een hoofdrol spelen. Je kiezen voor een godsbeeld dat beantwoordt aan ons begeerte-element en zoeken daarbij bescherming tegen het ons drijvende angstelement.

De vraag die in het onderwerp ligt is hiermee niet expliciet beantwoord. Er is een relatie tussen het menselijk beeld van God en de mens. Maar het beeld van zichzelf wijkt toch wel heel sterk af van het beeld van zijn God. Wil je daar ook een verklaring voor zoeken dan moet je je bezighouden met het onbewuste en we weten zo langzaam maar zeker dat in dat onbewuste een aantal herinneringen liggen die niet behoren bij dit leven en deze persoon. In hoeverre deze herinneringen reëel zijn is nog niet aangetoond, maar men heeft bijvoorbeeld een grote waarschijnlijkheid gevonden voor het hier en daar bestaan van reïncarnatie.

Wanneer er herinneringen zijn in het onbewuste, dan zullen die meebepalend zijn voor zowel begeerte- als angstbeelden die we nu kennen. Daarnaast blijft een deel onuitbaar. Er is mede een emotionele stimulans die bij glandulair bepaalde emoties in feite bijstuurt en geloven is in wezen voelen.

Wanneer je iets gelooft kun je niet bewijzen dat het waar is, maar je voelt dat het waar is. Waarom? We kunnen dan zeggen: Het is een ontvluchting, maar dat zal in vele, maar niet alle gevallen doeltreffend zijn. Je kunt ook zeggen dat het onbekende hoort bij werelden die niet in stoffelijke normen uitdrukbaar zijn.

Nu is er wel één opvallend ding. Wanneer je bezig bent met regressie dan krijg je zelden of nooit ook maar enige aanduiding van de dood en het leven na de dood. Op een andere wijze is het al zeer waarschijnlijk gemaakt dat er een voortbestaan is. Waarom is er dan geen herinnering van? Indien het een herinnering is die niet verwoordbaar is en die slechts vaag in vergelijkende beelden zou kunnen worden uitgedrukt, dan zou dat een verklaring kunnen vormen voor de emotionele beleving van de mens, zijn geloof, ook wanneer dat rationeel misschien bindt aan de mensheid, een systeem, een goddelijke openbaring of iets anders. Indien we de mens als geheel zien en daarbij dan al deze onbekende factoren even als bestaand aannemen, kunnen we ook zeggen dat er een grote overeenkomst is tussen mensbeeld en godsbeeld, want de godsvoorstelling wordt emotioneel kennelijk sterk beïnvloed. Het onbewuste van de mens speelt hierbij een belangrijke rol. De vormgeving in bijvoorbeeld menselijke, of mensgelijke gedaante wordt natuurlijk bepaald door de omgeving. Voorbeeld: de vroegste afbeeldingen en Vikingtekeningen van Thor zijn in feite die van een zegevierende krijgsman. Kijken we naar Wodan, dan heeft die alle kentrekken van een druïde, een tovenaar-krijger. Gaan we in de moderne tijd dan denken we aan Lourdes. Bernadette ziet een maagd. Ze beschrijft die uitvoerig maar wat is het wonderlijke? Op twintig kilometer afstand staat er een kerkje waarin een gesneden en geverfd beeld staat dat praktisch gelijk is aan haar beschrijving. Conclusie: Ze heeft iets gezien en heeft daar een herinneringsbeeld aan toegevoegd. Ze heeft het beeld van die maagd geschapen op grond van een herinnering maar ze heeft wel iets werkelijks beleefd. Wat? Dat is een vraag die je alleen in het geloof kunt beantwoorden maar zeker niet rationeel. Wanneer een Bernadette Soubirous, en er zijn later nog wel enkele beelden van kinderen, andere mensen, die verschijningen zien en die verschijningen beantwoorden aan stoffelijke herinneringsbeelden, dan moet de mens hier het beeld van een God scheppen, maar hij moet gelijktijdig iets beleven dat juist dat beeld uit de herinnering naar voren doet komen.

Ik stel dat de totale mens in zich een weten heeft waardoor een meer reële godsbeleving en -voorstelling mogelijk wordt. Maar binnen de beperking van de menselijke ratio, van de menselijke emotie kan men zich alleen uitdrukken in beelden, ontleend aan de maatschappelijke samenhang, aan de preleverende voorstellingen die dan aanwezig zijn en dit in vereniging met emoties die verder niet omschrijfbaar of uitdrukbaar zijn. Conclusie: godsbeeld en mensbeeld in stoffelijke zin hebben een verschillende waarde, een verschillende samenhang en hun relatie is betrekkelijk.

Uitgaande van de totale mens en het godsbeleven, anders dan een godsbeeld dus, moeten we echter zeggen dat dat godsbeleven zeer waarschijnlijk de werkelijkheid benadert, zij het op onvolledige wijze. Hier zou de mens- en godsbeleving een volledige eenheid zijn waarbij het geheel van bewustzijn en vermogen wordt uitgedrukt in een beleving van het onbekende.

  • Is het godsbeeld van de mens een ideaalbeeld?

Elk ideaalbeeld van de mens is een droombeeld. Het godsbeeld is dat eveneens. Wat u zegt zou dus juist kunnen zijn. Maar laten we één ding niet vergeten. Het ideaal is iets wat niet reëel is, maar in de plaats van de realiteit wordt gesteld in de hoop zo een aantal aspecten van die realiteit te kunnen ontvluchten. Ik geloof niet dat dat voor een godsbeeld helemaal waar is. De emotie hier is er geen van begeerte, wanneer je in de uiterste consequenties komt, het is er ook niet in de eerste plaats een van angst. Bij de beleving van de Kracht is het goddelijke alleen maar een vrede waar geen naam voor is. Misschien iets dat je kunt omschrijven met de woorden van Mozes op de berg Sinaï. “Hij sprak tot mij in een duizelende stilte”. Ik denk dat je daar heel dicht bij de werkelijkheid ligt. En daarom zou ik niet graag willen beweren dat het godsbeeld een ideaal is. Maar aan elk godsbeeld worden consequenties verbonden. Er ontstaat dan een ideaalbeeld ten aanzien van God en de wereld afhankelijk van de gedraging van de mens. En elke mens hoopt dat dit ideaal waar wordt en wacht voortdurend ongeduldig tot alle anderen ermee begonnen zijn

  • Waarom laat God zijn schepselen zo in het onzekere?

Als God een mens was, dan kwam hij misschien op theevisite maar het is duidelijk met een abstractie en dat is God voor ons denken, kun je niet even een pint gaan pakken. God is wel, maar God is geen mens. God is een totaliteit en die totaliteit heeft wel een bewustzijn neem ik aan, maar dat zal dan zodanig verschillen van alles wat een mens denkt dat er zelfs geen analogie te vinden is die dat enigszins; kan uitdrukken.

Datgene wat een mens innerlijk aanvaardt, probeert hij te verwoorden. Dat is het geval geweest bij Jezus. Dat is het geval geweest bij Boeddha, bij Mohammed, bij Apolonius, noem ze maar op, al die bekende sterren uit het verleden. Hun verwoording is echter een persoonlijke benadering die wordt omgezet in een kosmische waarheid omdat de bron ervan een kosmische waarheid is. Een God die zich aan u laat kennen is een God die tot uw peil moet afdalen en dan is Hij geen God meer, want dan valt de omvattendheid weg.

Het is hetzelfde als ik tegen u zeg: Wij vingers, zouden u vragen, o duim spreek tot ons. Die duim kan wel waggelen, maar de vingers snappen het niet. En de mens kan niet begrijpen dat zelfs die duim, die hij God noemt, met de vingers samen deel is van de hand die alleen maar een bepaald functioneel deel is van het menselijk lichaam, begrijpt u? En dan is het duidelijk: een werkelijke God kan zich niet aan de mensheid openbaren op een wijze die voor de mens begrijpelijk en verstaanbaar is. Hij kan de mens misschien voor een ogenblik iets in zijn wezen doen beleven, maar die beleving zal dan altijd terugvoeren tot een zuiver persoonlijke interpretatie waarbij analogieën op grond van een voorgaand beleven, bepalend zijn voor de uitdrukking die je geeft.

  • Dan moeten we God niet zoeken?

Neen, dat vind ik ook onzin. Kijk, als ze zeggen: Zoek God of God zoekt u, dan ontkennen ze de totaliteit van het goddelijke die ze weer in andere woorden gelijktijdig leren. Waarom zou je God zoeken als Hij alomtegenwoordig is? Dan hoef je God niet te zoeken, want die is er. Wanneer God deel is van ons en van alle dingen zonder het direct tot animisme te maken, dan is die God aanwezig. Hij hoeft ons niet te zoeken want Hij is de basis van wat wij denken te zijn. Wij hoeven God niet te zoeken, want Hij leeft in ons en rondom ons voortdurend met ons. En ja, dat is waarschijnlijk dan weer een schisma, of misschien wel een anathema in de ogen van hen die juist het zoeken naar God als de basis van hun leven maken. Maar zou je niet het best naar God zoeken in je medemens? Het is maar een vraag. Een medemens is iets wat je kunt proberen te begrijpen. Voelen dat op de achtergrond de levende kracht van God is stelt u bovendien in staat om hem te waarderen en misschien zelfs lief te hebben gelijk uzelf. Want er is geen wezenlijk verschil buiten dat in uiting. Ik denk dat u daar het antwoord hebt.