Menselijk geluk

image_pdf

15 december 1967

Allereerst ga ik u weer vertellen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, in de hoop, dat u dit steeds beter zult onthouden en dus ook steeds meer zelf na zult denken. Mijn onderwerp voor heden gaf ik de titel: Menselijk geluk.

Indien er iets op aarde is, wat moeilijk gedefinieerd kan worden, zo is het wel datgene, wat achter het begrip menselijk geluk schuilgaat. Menselijk geluk bestaat over het algemeen in een verscherpte appreciatie van waarden. Ik geloof niet, dat iemand, die gelukkig is, dit voor zichzelf zo zal omschrijven. Maar wij zijn normalerwijze als wezens in de materie nu eenmaal gewend de dingen oppervlakkig door te maken, oppervlakkig te zien en te beleven. Wij zien, wij horen, wij voelen en denken, maar staan door de grote snelheid van impressies, de afwisseling van waarden, slechts zelden bij een van deze indrukken langer stil. Men mag wel stellen, dat de mens op aarde laboreert aan een zodanige luiheid van perceptie, dat hij maar zelden tot een volledige beleving komt.

Op het ogenblik, dat er voor de mens op welk ogenblik dan ook, harmonie optreedt – wat wil zeggen: Een gevoel van verbondenheid – zien wij in het ik de waarneming opeens verdiepen.

Zij wordt intenser en zal desnoods andere waarnemingen, die normaal oppervlakkig zouden plaats vinden, uitschakelen, om de diepte van het harmonische beleven geheel te kunnen door proeven. Daarnaast zullen de wel geregistreerde andere indrukken zozeer de inhoud van de harmonische verdieping ondergaan, dat hun betekenis voor het ik sterk afwijkt van hetgeen normaal pleegt te zijn. Vergelijkenderwijze: het is, of men meer kleuren gelijktijdig op meer stralende wijze zou kunnen waarnemen. Maar onder deze invloed is het, of ook geluid een nieuwe diepte en inhoud gewint, of alle onopgemerkte fenomena van het eigen stoffelijk bestaan – zelfs als hartslag en ademhaling – beseft worden op een geheel nieuwe wijze, in een samenspel, dat niet omschrijfbaar is, maar elke functie nieuwe inhoud en kostbaarheid geeft.

Het geluk blijkt bij de mens niet afhankelijk te zijn van uiterlijkheden, althans uiterlijkheden alleen. De uiterlijke verschijnselen zijn over het algemeen wek prikkels, waardoor het vermogen tot gelukkig zijn wordt gewekt. Dit klinkt wat vreemd en voor u misschien zelfs als een betoog dat enigszins langs de kwestie gaat die u bedoelde. Maar wanneer ik een fenomeen als menselijk geluk moet ontleden, zo kom ik tot de conclusie, dat geluk en ongeluk voor de mens vaak in uiterlijk geheel gelijke waarden en betekenissen te vinden zijn. De een is ongelukkig met hetzelfde, wat een ander gelukkig maakt en omgekeerd. Kennelijk is hierbij dus geen sprake van een concrete waarde, die van buitenaf aan het wezen wordt toegevoegd. Het is iets, wat uit de mens zelf lijkt voort te komen.

Men heeft wel eens geluk verward met tevredenheid. Nu blijkt mij echter, dat een tevreden mens wel in de ogen van anderen gelukkig is, maar dat een tevreden mens toch niet komt tot die intense waardering van het bestaan in zich, die men geluk pleegt te noemen. Geluk blijkt in wezen zelfs vaak een soort onevenwichtigheid te zijn. ‘Onevenwichtigheid’ is althans meer juist, dan het stellen, dat geluk een gelijkmatigheid, een evenwichtige toestand betekent. In het ik zoekende naar de oorzaak van dit alles moet ik dan wel stellen, dat bij een mens, die gelukkig is – of wat dat betreft ongelukkig, want dit is de keerzijde van dezelfde medaille – de betekenis der dingen zich wijzigt. Hoe een dergelijke wijziging van waardering tot stand komt, blijkt weer niet op algemeen geldende wijze te verklaren. Maar in althans zeer vele gevallen blijkt, dat men het gebeuren anders interpreteert, doordat men, op grond van een enkel beeld, of een enkele ervaring, bij de interpretatie van verder ervaringen van een ander dan het normale standpunt uitgaat.

Op gevaar af hen te beledigen, die zelf gelukkig zijn geweest en dit als een werkelijkheid hebben ervaren, wil ik toch stellen, dat volgens mij de basis van geluk – en eventueel ook van ongeluk – in de eerste plaats een vorm van fantasie is, een soort droom. Ik heb in mijzelf ook bepaalde voorstellingen, dromen en verlangens, die mij in mijn werkelijkheid onmogelijk toeschijnen. Ook bij anderen is, zover ik dit na kan gaan, dit juist. Nu ontmoet men ergens iets, wat in die droomwereld bestaat, iets wat schijnt te beantwoorden aan die droomwereld. Het geheel van het ik word opeens opgeschrikt. Als reactie gaat het ik de ervaring of waarneming nader beschouwen, tracht de betekenis en waarde daarvan nauwkeuriger te door proeven. Dat betekent, dat op een dergelijk punt de perceptie t.a.v. de normaal geldende norm sterk is verdiept. Het gevolg is, dat men ook op alles wat van dit eerste fenomeen uitgaat, scherper en feller reageert, zodat de emoties daarbij sterker naar voren komen.

In de tijd, dat ik mij nog in meer stoffelijke vorm op aarde moest bewegen, bestonden er romans, waarin werd beschreven, “hoe hij haar beroerde…”. Dit was dan prompt voor haar een tinteling, een schok, die haar ontroerde tot het haar leek, of zij zou bezwijmen, Ik neem aan, dat dergelijke beschrijvingen – die ook in mijn tijd al niet geheel feitelijk juist waren, – nu wel achterhaald zullen zijn door de moderne gebruiken. Maar als illustratief materiaal lijkt mij een dergelijke voorstelling van zaken nog steeds bruikbaar. Een dergelijke schok of prikkeling, kortom, sensatie, kan nimmer alleen van het gevoel uitgaan. Er is hier sprake van een stoffelijk feit, dat zelfs niet door het optreden van een sterk persoonlijk magnetisme zonder meer als geheel verklaard kan worden. Kennelijk speelt, voor de lichamelijke reacties plaats kunnen vinden, reeds een in het ik bestaande voorstelling een rol. Ik meen, dat het de psychische schok van herkenning is, – de herkenning van iets, wat in jezelf leeft als een verborgen droom, een ideaal, een fantasie, – die nu werkelijk kan gaan worden, de omschreven meer lichamelijke emoties kan doen ontstaan.

Een mens, die gelukkig is, blijkt verder de behoefte te kennen aan dit geluk tegenover anderen uiting te geven. Dit schijnt voor het behouden van het geluksgevoel zelfs op de duur van zeer groot belang te zijn, vooral wanneer de eerste schok voorbij is. Een ongelukkig mens zal door eenieder beklaagd willen worden. Hij zoekt medelijden. Een gelukkig mens wil echter niet door anderen gelukkig geprezen worden, maar wenst werkelijk iets van zijn geluk aan anderen door te geven, anderen evenzeer gelukkig te maken, te zien. Hieruit blijkt, volgens mij, dat, terwijl ongeluk in feite een disharmonie met innerlijke beelden, een teleurstelling is, waarbij men vanuit de wereld een compensatie tracht te gewinnen, het geluk in wezen een innerlijke harmonie is. En wel een vorm van harmonie met innerlijke waarden, die, eenmaal erkend en beleefd, naar buiten toe verder moet worden uitgedragen, om zo het gevoel van harmonie nog sterker tot uiting te doen komen.

Binnen het kader van de psychologie is het ongetwijfeld mogelijk om voor veel, wat door de mensen geluk wordt genoemd, een omschrijving te geven, waarbij voorgeschiedenis, interne afscheidingen, vastgelegde voorstellingen en waarderingen enz. een grote rol zullen spelen.

Maar zelfs wanneer men deze verklaringen zonder meer als geheel geldend en logisch aanvaardt, zal men nog toe moeten geven, dat het middels deze verklaringen nog niet mogelijk is geworden mensen nu ook gelukkig te maken. Zij kunnen de mens een enkel ogenblik de illusie van “gelukkig zijn” wel geven. Dat is waar. Dat kan ook de geest via bepaalde suggestieve methoden bereiken, terwijl de mens hetzelfde kan bereiken door suggesties, het toevoegen van bepaalde stoffen aan de lichaamssappen, of het tijdelijk uitschakelen van bepaalde delen van het denkvermogen. Een dergelijk geluk blijkt echter een roes te zijn, iets wat na zich de kater brengt.

Een dergelijke roes heeft typerende eigenschappen. Allereerst zal zij de mens steeds voeren tot een vervreemding van eigen werkelijkheid, terwijl zij daarnaast steeds een scherp contrast vormt met deze werkelijkheid, zodat de onvermijdelijke terugkeer tot de feiten een ontnuchtering betekent, of zo u de term prefereert, een katereffect met zich brengt. Deze poesachtige gelukstoestand, steeds door katers achtervolgd, is m.i. niet werkelijk als geluk te waarderen. De mens trekt zich daarbij immers terug in een droomwereld en interpreteert alle dingen geheel afwijkend van zijn normaal besef daaromtrent.

Werkelijk geluk is eerder het herkennen van een deel van je dromen in de werkelijke wereld. Ook dit geluk vervliegt natuurlijk. De gewenning aan de toestand van waar geworden droom doet immers de aandacht daarvoor en daarmede ook de verhoogde toestand van perceptie en de verdieping van het ervaren afnemen. Wat de mens eens een lichtend geluk betekende, is al snel een normaal deel van eigen bestaan geworden. Men heeft dan weer andere dromen en fantasieën, zodat men slechts zo nu en dan het bereikte waarde(volle) nog opnieuw beschouwt en dan, eerder met vertedering dan met diepe emotie, als geluk weer erkent. Normalerwijze maakt het echter deel uit van de oppervlakkige wereld, die haast ongemerkt aan je voorbijgaat.

Na het beleven van een dergelijk geluk betekent het wegebben van de verhoogde perceptie echter geen kater. Er volgt geen tegengestelde toestand op, omdat hierbij immers geen sprake was van een zelfmisleiding t.a.v. de werkelijkheid. Het pijnlijke kater-effect ontstaat eerst wanneer men, niet tevreden met het bereikte, de gelukstoestand kunstmatig tracht te continueren. Indien men echter blijft uitgaan van de beleving en deze als een herinnering in zichzelf behoudt, blijkt dat het harmonisch perceptie element, dat in het geluk sterk tot uiting kwam, een bron van nieuwe mogelijkheden is geworden voor de wereld van droom, de innerlijke wenswereld.

Een mens, die eens werkelijk gelukkig is geweest, zal een grotere mogelijkheid en, mits hij de eerste maal juist reageerde, ook een veel grotere mogelijkheid tot gelukkig zijn bezitten. Het verstoorde evenwicht en de daaruit volgende voorstellingsmogelijkheden, dit mag ik u niet verhullen, vergroten echter ook het vermogen tot teleurstelling of ongelukkig zijn, als gevolg van een verkeerdelijk eigen dromen in de wereld zoeken, zonder dat hiertoe aanleiding  bestaat en zonder dat innerlijke erkenning aan het begin staat. Uit dit alles blijkt, volgens mij, dan ook, dat ik niet ten onrechte geluk definieer door te stellen: Geluk is de herkenning van iets, wat reeds in ons leeft buiten ons zelf. In de schok van deze herkenning ligt dan gelijktijdig een ontwaken tot een gevoeligheid voor vele factoren en waarden in de wereld, waarvoor men normalerwijze enigszins blind is. Voor een mens zou m.i. deze definitie voldoende kunnen zijn.

Ik moet echter mijn betoog nog uitbreiden, daar geluk ook geestelijk een factor van het bestaan vormt. In onze wereld is geluk ten dele erkenning. Daarnaast blijkt in de geest de waarde van het geluk toch vooral in het vermogen tot communicatie gelegen te zijn. Je draagt in jezelf rijkdommen – vaak tot dan onvermoede rijkdommen – die je aan de wereld kunt tonen. Dat, wat je van jezelf, als denkbeeld, als levenswaarde – in de geest – wegschenkt, bestaat buiten het ik voort en vormt zo weer een antwoord van die wereld op het ik. Het antwoord van de wereld op mijn wezen zal in mijn wereld voor mij beleefd worden als geluk. Geestelijk gezien – zuiver materieel kan men deze formulering m.i. niet geheel als juist aanvoelen of doorvoeren – is geluk te vertalen als het schenken van de waarden, die je in jezelf erkent, waardoor de wereld op deze waarden in je wezen kan antwoorden.

Een wisselwerking dus, die uiteindelijk voor de geest zal voeren tot een: Ik ben gelukkiger, naarmate ik meer van mijzelf kan geven. Het ontvangen is bij dit alles een factor, die in het feit van het geven reeds besloten ligt. Op aarde ligt dit wel wat anders. Op aarde is geven iets, waarvoor je wel iets terugontvangt, maar meestal in een niet als zodanig herkenbare vorm.

Geestelijk is het ‘geven’ echter het wekken van een antwoord. Als ik geef, is een gave voor mij er het kenbare resultaat daarvan. Deze, voor u op aarde, misschien wat curieuze toestand, doet mij veronderstellen, dat ook voor de mens in de materie geluk dus kan bestaan uit het projecteren van iets van jezelf in de wereld. Vooral meer geestelijke vormen en bestrevingen lijken mij een dergelijke gelukswaarde ook op aarde wel degelijk te bevatten. Zo kan ik mij voorstellen, dat studie voor iemand op aarde een geluk kan betekenen, omdat hij in de studie het vermogen tot het, desnoods later, geven van iets aan die wereld beseft.

Op aarde vergeet men al te vaak, dat de functie van het ik de uitdrukking van het geluk kan vormen, maar tevens voor het ik de betekenis van het gelukkig zijn duidelijk kan maken. Er zijn zeker punten van overeenstemming t.a.v. de definitie van geluk voor de geest en die voor de stof, omdat in beide gevallen het de reactie van het ik is, op iets wat buiten het Ik ligt, als gevolg van een reeds eerder in het Ik bestaande waarde, dat het geluk tot stand brengt. Hierdoor zal geluk overal en onder alle omstandigheden kunnen bestaan, zodat het niet aan bepaalde functies, lichamelijk of sociaal, dan wel aan bezittingen e.d. gebonden is. Het vloeit voort uit datgene, wat men is en datgene, wat men in zichzelf droomt.

Nog enkele kleine punten, die incidenteel, maar niet over de gehele linie van toepassing zullen zijn. Voor sommige mensen, die zichzelf nutteloos gevoelen in de wereld, kan het grootste geluk vaak zijn, dat zij in zich een mogelijkheid tot nuttig zijn in de wereld ontdekken. In dergelijke gevallen vormt niet zozeer een verandering van toestand, dan wel een verandering in besef, in erkenning ven de toestand, de bron van het gelukkig zijn. Wij zien mensen vaak zeer gelukkig, omdat voor hen juist het onverwachte waar wordt. Hier blijkt het geluk niet gebonden aan de waarde van de erkenning of gebeurtenis, maar voortgekomen uit de schok van het waar worden van een droom, die onmogelijk werd geacht, of waarvan men zich op het ogenblik in kwestie in feite niet bewust was. Opvallend hierbij is, dat het onverwachte de schok geeft, waardoor het gevoel van gelukkig zijn ontstaan, maar het feitelijke geluk voortkomt uit de wijze, waarop men dit gevoel wil delen met anderen. Men kan wel stellen, dat hier de eerste impuls, waardoor het geluk wordt beseft, in wezen onbelangrijk is, maar dat het werkelijk gelukkig zijn voortkomt uit het feit dat men met zijn geluksgevoel een antwoord in de wereld wekt, waardoor de ogenblikkelijke blijde verrassing of erkenning eerst in het delen met anderen tot waar geluk kan worden.

Opvallend is verder, dat de mens, die het antwoord op zijn gave aan de wereld tracht te bepalen, nimmer waarlijk gelukkig zal zijn. Hij verwacht iets bepaalds en krijgt het niet volgens zijn verwachten, waardoor onvrede en zelfs ongeluk in hem ontstaat. Degene echter, die geeft zonder daarop antwoord te verwachten, krijgt steeds weer antwoord en dit antwoord is een aanvulling van zijn innerlijke krachten en vermogens, een verdere verdieping van zijn besef voor bepaalde factoren in het leven.

Rekening houdende met het voorgaande zou men zelfs kunnen stellen, dat het meer duurzame geluk voor de mens in feite een geslaagde communicatie met anderen is en gepaard gaat met een projectie van het Ik in de wereld. Als voorbeeld hiervoor mag ik moedervreugde nemen. Deze vreugde is het grootst, wanneer de moeder zichzelf in het beschouwen van haar kind kan vergeten, zodat een beleving van innerlijke waarden in het kind voor haar zonder meer mogelijk wordt. De eigen eisen van het leven die – veelal meer bewuste – stelt aan het leven zowel als aan het ik, om bepaalde rechten te ontlenen, vallen weg, waardoor het innerlijk zich beter in de wereld kan uiten en daardoor een antwoord uit die wereld verwerft, dat het Ik dieper zal beroeren dan normaal denkbaar is. De moeder is gelukkig met haar kind en krijgt zo een haar geluk versterkende reactie van het kind, terwijl zij daarnaast vaak openbloeit als mens voor anderen en zo ook met dezen een beter contact verkrijgt, wat voor haar dan weer een vergroting van het geluk inhoudt. Het aantal harmonische reacties wordt groter, waardoor het geluk intenser kan zijn en ook in duur langer kan beslaan.

Men kan ook gelukkig zijn met iets, wat voor een ander onaanvaardbaar is of schijnt. In dergelijke gevallen kan men stellen, dat de openstelling van eigen persoonlijkheid als gevolg van de gelukservaring een vergroten van de ontvankelijkheid voor anderen bepaalt. Op het ogenblik, dat ik mijzelf deel gevoel van een totaliteit, zonder dat ik zelf in waarde verminder door mijn deel zijn van die totaliteit, zal ik als mens of geest gelukkig zijn. Geestelijk gezien is het opgaan in hogere sfeer gelukkiger zijn. Want geluk kan men in graden van intensiteit onderscheiden. Naarmate ik meer bewust deel ben van een totaliteit en gelijktijdig daardoor meer mijzelf ben, mijn dromen als het ware voor mijzelf meer waarmaak, zal ik gelukkiger zijn.

Wij hebben een oneindigheid voor ons, waarin alle ooit gedroomde en alle nog niet gedroomde dromen waar zijn, en zo ook voor ons waar te maken zijn. Daarom is ons vermogen tot gelukkig zijn oneindig, maar dan moeten wij ook wel bereid zijn om de disharmonie te ontkennen, te bestrijden in onszelf, en te negeren waar wij kunnen buiten onszelf. Want geluk is een positieve erkenning. Wie het positieve in het leven erkent en zijn innerlijke reactie daarop voortdurend aan de wereld weet te schenken, wordt steeds gelukkiger, zelfs wanneer de uiterlijk omstandigheden dit voor anderen niet onmiddellijk en kenbaar bevestigen. Wie alle afwijkingen van droom en normbesef echter in de eerste plaats blijft registreren, zal altijd ongelukkig zijn, daar hij steeds minder waarden in de wereld vindt, die aan zijn droom nog beantwoorden en steeds minder harmonisch antwoord uit de wereld kan verwachten.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

De goden van vandaag.

Er zijn in deze dagen vele begrippen, die direct of indirect met goden en verering in verband kunnen worden gebracht, ofschoon een erkennen of beleven van een werkelijke God daarbij veelal geen rol speelt. God is voor de mens de kernwaarde van zijn leven. Maar al te vaak vertaalt men echter dit alles in gelijk hebben, iets voor niets krijgen en, als het even kan, een voorstelling, waarvan je ook nog kunt denken, dat je haar misschien waar zult maken, of zelfs misschien zelf zult worden. Met deze aanduiding wordt reeds duidelijk, dat men onder het het begrip God, zowel als voor andere vormen van verering, kan spreken van een vervalsen van levenswaarden of daaronder een projectie van persoonlijke belangen kan verstaan.

Deze vervalsing houdt vaak een rechtvaardiging in van hetgeen men in wezen zelf wenst te doen. Zo is Jezus in alle leringen, die wij omtrent hem horen, een voorbeeld van liefde en rechtvaardigheid, dat o.m. leert, dat men, wanneer men op de rechterwang wordt geslagen, de linker toe moet keren. Enz. Maar in naam van deze zelfde Jezus, die zich aan niemand ooit heeft willen opdringen, worden zelfs in deze dagen in bepaalde landen in de naam van Jezus nog steeds andersdenkenden vervolgd, beroofd van hun recht, eigen geloof op eigen wijze en beleven. Misschien meent u, dat dit typerend is voor katholieke landen. De mentaliteit is echter mondiaal: zelfs in uw eigen land heeft kort gelegen een dominee kans gezien met enkele zuiver christelijke woorden en armgebaren een opgesteld altaar te demoleren, terwijl hij iets uitkraamde over afgoderij, alleen maar, omdat men in die kerk en tijdens die dienst Jezus wilde eren en erkennen op een andere wijze, dan dominee aanvaardbaar achtte. Een zeer christelijke daad.

Zeker, altijd weer beroept men zich daarbij op God en diens woord of wetten, maar met een werkelijk erkennen, laat staan eren van God hebben dergelijk handelingen m.i. niet veel te maken. Zij zijn eerder een uitvloeisel van eigen onzekerheden, de angst voor de invloed, het gezag van anderen. Zodra ik iemand hoor beweren, dat de mens God alleen maar op een bepaalde wijze mag dienen – die hij natuurlijk verkondigt – krijg ik zo een gevoel, dat men met het beroep op het gezag van God eigenlijk niet God, maar wel eigen ik-je bedoelt. Wie anderen ervan tracht te overtuigen, dat een dergelijk protest de wil Gods is, lijkt mij een vervalser van alle godsbegrip en ware godsdienst, iemand die in feite een afgod predikt, niet een ware God.

Moeilijkheden te over door dit zich beroepen op God, wanneer men anderen in een bepaalde richting wil dwingen. Zo zal men in de politiek meemaken, dat iemand een sociale maatregel verdedigt met de leuze, dat dit “de Wil des Heren” is. Voor zich mag die mens dit rustig zo aanvoelen: dit is zijn geloof. Maar wanneer hij nu weet, dat anderen, die het misschien met de voorgestelde sociale reform nog wel eens zouden zijn, alleen op grond van een dergelijk argument – dat, mits ook maar schijnbaar aanvaard – verder strekkende gevolgen zou kunnen hebben – daardoor juist een dergelijke motie zullen afwijzen, dan vraag ik mij toch waarlijk af, of het niet beter zou zijn niet zo veel over Gods wil te spreken, en op een meer rationele wijze datgene, wat men als Gods wil ziet, door te voeren. Jezus wordt in vele landen geëerd als vredesvorst of vredebrenger. Maar de gelovigen, die hem eren, ook onder die titel, blijken voortdurend in de weer te zijn om strijd te voeren met anderen – meestal niet-christenen – in naam van het christendom. Jezus leert de mens te strijden met de kracht van de geest, en de kracht van de Vader. De volgelingen voelen zich echter geruster, wanneer zij in plaats van God over atoombommen als zwaar wapen kunnen beschikken. Met deze voorbeelden wil ik niemand ervan beschuldigen, zijn geloof op huichelachtige wijze voor eigen belang alleen te gebruiken. Wel wil ik aantonen, dat men het begrip God steeds meer heeft losgemaakt van zijn feitelijke betekenis. Men heeft eenvoudig de werkelijke waarden van de grote leringen op aarde steeds meer vervalst, tot zij uiteindelijk het recht, ja, zelfs de plicht gingen inhouden anderen de eigen geloofswaarden en visie op te dringen, terwijl God als een kracht, die in het geheel van de schepping werkzaam is, maar liever buiten beschouwing wordt gelaten, en een soort ja-broer moet zijn voor de wensen van de gelovige.

Het is geen wonder, dat steeds meer mensen in de praktijk de godsdienst terzijde stellen. Men voelt, dat ergens de zaak niet meer klopt. Kan men het vele jongeren dan kwalijk nemen, dat zij geen behoefte hebben om urenlang naar zalvende heren te luisteren, die de fiolen van, goddelijke toorn over de wereld staan uit te braken, of koerende een goddelijke liefde verkondigen, die zelden of nooit door deze verkondigers in de praktijk wordt getoond? Steeds meer mensen, vooral jongeren, wensen kort, duidelijk en helder een waarheid te horen, die ook in de praktijk geldt. En wanneer zij deze niet te horen krijgen, blijft als laatste redmiddel nog de beatband in de kerk. Overigens begrijp ik niet, hoe men het produceren van dergelijke geluiden in kerkelijke samenkomsten oneerbiedig kan noemen: God heeft de pauw en de ezel evenzeer hun stem gegeven als de nachtegaal. Oprechte beleving schijnt voor velen minder te tellen dan de “juiste sfeer”, de juiste formule dus. En toch meen ik, dat men God evenzeer kan vinden onder muziek als van de Beatles als onder de klanken, die een Jehudi Menuhin pleegt te produceren. Beiden lijken mij meer mogelijk heil te bieden tot ware beleving dan de traag donkere gezangen van een gemeente, afgewisseld met een misvormde en door de meesten nooit begrepen stukje Bach.

Indien waarlijk God het doel is, zijn alle middelen die deze God doen leven in de mens, even aanvaardbaar. De veroordeling heeft niets te maken met God of godsdienst, maar alleen met de behoefte van bepaalde mensen, om eigen meningen en gevoelens te laten prevaleren, zelfs indien zij zelf geen deelhebben aan de dienst en dus in wezen geen enkel belang hebben bij hetgeen daarin geschiedt. Toch roepen dergelijke mensen maar al te vaak uit, dat zulke vernieuwingen strijdig zijn met de wil van God en de waardigheid van de kerk. Ik heb het gevoel, dat de zaak eerder omgekeerd ligt. De mensen, die God gebruiken als argument om daardoor anderen te dwingen hun oordeel, gewoonte, voorliefde als alleen juist te aanvaarden, verloochenen volgens mij de universaliteit van God. Het contact met God is volgens mij overigens een zeer persoonlijke zaak, een innerlijke beleving, die door uiterlijkheden misschien gesteund, maar nimmer veroorzaakt kan worden. Men kan God vanuit zich benaderen via heilige boeken als bijbel en evangelie, maar evengoed via bepaalde oefeningen en meditaties of het overdenken van de oudste godsdienstige geschriften van andere volkeren. Ik zou willen stellen, dat het niet zo belangrijk is langs welke weg en op welke wijze wij God benaderen, wanneer wij maar de mogelijkheid vinden, om die God te benaderen en te beleven. Daarom lijkt het mij vreemd, onlogisch, egoïstisch, wanneer men de euvele moed heeft anderen voor te houden, dat het beter is God geheel niet te kennen en te ervaren, dan het op een andere wijze te doen dan de verkondigers voorstaan. Hier wordt in wezen de methode zelfs tot God verklaard en wordt een onfeilbaarheid aangepredikt, die in God wel maar in het werken en streven van mensen niet aanvaardbaar is. Ik vrees, dat juist degenen, die zo, vol ijver, het begrip God in de maatschappij als een knuppel menen te hanteren, de werkelijkheid die God voor ons alle(e)n moet zijn, voor eenieder ontoegankelijk maken.

De denkbeelden, die men omtrent God koestert of voorgeeft te koesteren, doen mij ook eerder aan afgodendienst dan aan geloof denken. God is rechtvaardig, maar Hij heeft zijn uitverkorenen. En die vindt Hij alleen onder de leden van een bepaald genootschap. Wat zeker niet rechtvaardig is. Zoals degenen, de rustig geloven dat God alleen de uitverkorenen van eigen geloof in de hemel op zal nemen, maar alle andere “verdoolde zielen” uit die hemel zal weren, door hen geheel uit te blussen, of desnoods in een hel eeuwig te martelen, niet God eren, maar eigen rechtvaardigheid. Bij hen is de zelfverheffing in wezen de God, die zij aanbidden.

Let wel: Ik kan respect opbrengen voor de eenvoudige gelovige, die niet verder kan denken door gebrek aan kennis, en mogelijkheid van andere zienswijzen kennis te nemen. Maar degenen, die een dergelijke leer verkondigen eisen in feite goddelijke eer op voor hun eigen onfeilbaarheid, die zij dan in pseudo-bescheidenheid, natuurlijk als een genade van God aanprijzen. Steeds meer blijkt, dat vele geestelijke leiders in feite in de plaats van hun god zouden willen treden en alles doen, om dat te kunnen bereiken. Zij verbazen zich erover, dat zij op de duur volgelingen ontberen en slechts dwazen in hun gevolg zien. Zoals zij zich erover verbazen dat vele jongeren God in feite de rug toekeren, desnoods nog lippendienst bewijzende voor de goede vrede, maar in wezen als een soort god een persoon zoeken, met wie zij zich kunnen vereenzelvigen. Vaak zijn dergelijke personen dan een gitaarspeler met excentriek uiterlijk en een hoge gage, of filmsterren e.d. Zelfs sportlieden worden tot idolen, die voor vele jongeren gelijktijdig meer reëel en belangrijker zijn dan God. Zij doen alles om op dergelijke figuren te lijken en hun wijze van handelen en leven na te bootsen. Wie een goede christen is en van Jezus alle heil verwacht, wie Jezus als zijn kampioen zegt te kiezen, zou volgen dezelfde regel alles moeten doen, om zoveel mogelijk op die Jezus te lijken in gedrag en desnoods uiterlijk. Maar dat komt maar zelden voor.

Dit lijkt mij reeds een duidelijk oordeel over de werkelijke waarde van het hedendaagse christendom, een bepaling van de waarde van de hedendaagse godsdiensten. De gelovigen volgen niet de idealen na van de Meesters en Verlossers, maar kiezen liever meer zichtbare figuren of meer praktische wijzen van handelen als ideaal.

De mensen preken wel over God, maar streven in wezen naar het zichtbare succes in eigen wereld en volgens de eigentijdse maatstaven. Daarvoor moet een reden zijn te vinden. Volgens mij kan men de oorzaak van dit verschijnsel voor elke mens wel anders interpreteren, maar een gemiddeld geldende uitleg zal een benadering van de oorzaak bij de meeste mensen toch mogelijk maken: Ik meen, dat de gerichtheid op de meer zichtbare en hedendaagse idolen voortkomt uit het feit, dat God te veel is gebruikt als een soort boeman, een stok achter de deur, door mensen die ten koste van alles het gehele leven van hun medemensen wensen te bepalen. Indien je het beeld van God en de eisen, die Hij heet te stellen aan de mensen, ontleedt, komt er zoiets voor de dag als een kruising tussen Sinterklaas en zwarte Piet. Een spel met veronderstelde straffen en beloningen, waarvan je in de aardse praktijk maar heel weinig bemerkt, zodat zij niet als werkelijk worden ervaren.

Men heeft de mensen steeds weer God voorgehouden als een macht, die buiten hen staat, een macht, die wonderen kan doen enz.  Is het een wonder, dat de mensen nu reageren met een: “Wij willen dan ook wel eens iets werkelijk zien”? Is het een wonder, dat zij de affectie, die men voor God zou moeten tonen, over zijn gaan dragen op mensen, die bijzondere prestaties leveren, prestaties, die je wel kunt zien, meten, meemaken, waarmede je jezelf wel zonder meer kunt vereenzelvigen? Juist waar de godsdienstige leringen vaag blijven en enerzijds spreken over allerhande bovennatuurlijke verschijnselen en machten, maar aan de andere kant in gebreke blijven werkelijk iets daarvan kenbaar te maken, zullen de zo gefrustreerde mensen op de duur weg gaan lopen met geleerden, bepaalde stellingen, en systemen, die hun pretenties beter kunnen waarmaken. Het is zelfs niet te verwonderen, dat de mensen die door de godsdiensten steeds weer geconfronteerd worden met de meer irreële aspecten van God, op de duur de controleerbare menselijke kennis, de meer zichtbare menselijke prestaties in de plaats van de werkelijke God gaan stellen en hieraan dezelfde verknochtheid betonen. De verkeerde benadering van God, de wijze, waarop men de persoonlijke beleving van God de mens onthoudt, brengt hem er toe, andere goden te eren, die meer bereikbaar zijn.

Ik sprak dus niet voor niets over “de goden van vandaag”. Zo deze kunstmatige vervangingen van de innerlijke beleving van God nu nog zuiver menselijk zouden blijven, zou ik nog bereid zijn om protesten achterwege te laten. Maar zoals eens de priesters – waarschijnlijk als gevolg van eigen onvermogen God voldoende werkelijk te beleven – deze God buiten de menselijke werkelijkheid hebben gesteld, zo doen nu ook de aanhangers van bepaalde systemen en werkwijzen, die in de plaats van deze God bestemd waren om de mens vertrouwen en bevrediging van meer geestelijke aard te geven in het leven. Het gevolg is, dat men nu dwaasheden kan horen als: “Wij nemen aan dat het gevaar voor een atoomoorlog steeds groter wordt. Bouw daarom schuilplaatsen, sla voedsel op en zorg vooral dat u uw verzekeringspolissen in veiligheid brengt.” Eenieder kan bij enig nadenken wel weten, dat een schuilplaats, zoals een particulier deze bouwen kan, in geval van een atoomoorlog geen voldoende veiligheid kan bieden, zelfs niet tegen radioactief uitval, laat staan tegen een directe treffer. Eenieder kan begrijpen, dat verzekeringsmaatschappijen, in een dergelijk geval niet uit zullen betalen. Maar deze raadgevers gaan kennelijk, evenals vele verkondigers van meer abstracte waarheden, uit van het standpunt, dat men, wanneer er een atoomoorlog komt, eerst te laat zal ontdekken, hoe nutteloos alle voorschriften in wezen zijn. Maar ondertussen kunnen zij hun positie en macht in ieder geval handhaven, terwijl je bovendien de mensen op die manier rustig kunt houden.

Voor anderen blijkt de atoombom gelijktijdig als demon en als God te fungeren. Hun stelling: het strategisch atoomwapen geeft ons de noodzakelijke superioriteit en onaantastbaarheid, zoals eens bij de uittocht van de Joden de leiders hebben uitgeroepen: “Zie de rookzuil, die ons voorafgaat. Jahweh gaat met ons, daarom kan ons niets gebeuren.” Eens was men tevreden met leuzen als: “Gott mit uns”. Nu is het geworden: de atoombom gaat met ons. En wanneer je dan hoort hoe de voorstanders van dit wapen in vrome termen ook God verheerlijken en in Hem hun vertrouwen schijnen te stellen, kom je tot de conclusie, dat ook de vromen van deze wereld kennelijk in God toch minder vertrouwen dan in het eigen vermogen tot destructie.

Het ziet er naar uit, dat in de hedendaagse tijd zelfs voor de z.g. oprechte gelovige allerhande dingen belangrijker zijn dan het enige, dat voor de geest eeuwigheidswaarde heeft: de innerlijke ontmoeting met de scheppende God, de krachtproef in eigen wezen. Uit de moeite, die men zich getroost om bv. een bepaalde voorstelling of wedstrijd bij te wonen, een bepaalde star te zien, kan men zich een beeld maken van de werkelijke verhoudingen. De mensen hebben nog geen 20ste deel van die moeite over voor een poging, innerlijk contact met God te krijgen. En dit, terwijl men toch innerlijk hongert naar een zekerheid, een contact met hogere waarden. Deze vervalsing van de werkelijke waarde van het leven heeft vele nevenverschijnselen, die u zelf steeds weer kunt constateren.

Hier speelt de menselijke psyche een rol. Zolang een mens een waarde kent, die voor hem onveranderlijk en onvergankelijk is, iets, waarin hij onvoorwaardelijke kan vertrouwen, zal zijn leven inhoud en betekenis bezitten. Juist uit het gevoel van een eeuwigheid in jezelf, een kracht zonder grenzen, die met je is, kun je als mens de kracht putten, om jezelf en ook je wereld te beheersen. Zonder dit zweeft men in de ruimte, zal men toegeven aan de meest eigenaardige impulsen en door veranderlijkheid niet slechts de voor de mensen noodzakelijke zekerheid in het leven, maar ook de zin daarvan aantasten, tot men steeds meer door de omstandigheden beheerst wordt en steeds minder in staat is, bewust en gericht te blijven handelen op grond van de werkelijke inhoud van eigen wezen.

Het eigen bestaan van de mens ontbeert steeds meer richting. Een mens, die in een God gelooft, maar daarnaast deze in zichzelf ontmoet en beleeft, zal hierdoor niet alleen inhoud in het leven vinden, maar zal ook t.a.v. de uiterlijkheden tot een voortdurende actieve keuze worden gedwongen. Dan wordt een persoonlijke weg gevonden, waarbij de mensheid als geheel of het lot van de enkelingen rond je pas op de tweede plaats komen. Men zal in vele gevallen worstelen met zichzelf, maar steeds daarin weer vreugde en bereiking vinden. De werkelijke waarden van het leven gaan dan steeds meer tellen, terwijl onbelangrijkheden terzijde worden gelaten, zonder dat men dit ook maar een enkel ogenblik met spijt doet.

Een voorbeeld is de angst van de mensen voor de dood. Toch heeft elke mens in zich ergens een gevoel, dat hem zegt: De dood kan niet zo belangrijk zijn. Sommigen vertalen dit in een ongeloof van eigen einde. Zij hebben het gevoel, dat alle mensen kunnen sterven, zij weten, dat voor hen de dood onvermijdelijk moet zijn, maar kunnen dit eenvoudig niet aannemen. Hoe dichter de mens bij de dood meent te leven, hoe feller zijn acties zullen worden, die ten doel hebben die dood te overwinnen. De mens, die innerlijk God heeft leren kennen, zal de dood zien als iets wat, zoals alles in de wereld, een doel heeft. Bij degenen, die dit innerlijke contact niet werkelijk kennen, komen vooral bij ouderen, die aan het feit van de komende dood moeilijker kunnen ontsnappen – twee typen voor.

Het eerste type is voortdurend bezig zichzelf en de wereld krampachtig te bewijzen, hoe vitaal en belangrijk hij of zij nog is. Dit zijn de oude bemoeials, die het vaak tot minister-president of dictator brengen, vele dingen willen doen, maar in feite alleen nog de wens kennen hun stempel op de wereld te drukken. Dat is hun wijze, om aan de angst voor de dood te ontsnappen.

De tweede soort leeft rustig. In feite brengen zij ook in latere levensjaren veel meer tot stand dan de luidruchtige, vitaal doende mensen. Zij uiten zich niet zo luidruchtig in woorden en begrippen, bemoeien zich niet zozeer met het lot van anderen, maar gaan hun eigen weg gestaag verder. Naarmate deze mensen ouder worden is het, of zij zich in de dood a.h.w. reeds inleven. De dood is voor hen geen verandering, die dadelijk later zal komen, maar een toestand, die zij innerlijk reeds kennen, een toestand, die een bijzondere waarde geeft aan alles, wat zij hier nog tot stand kunnen brengen en gelijktijdig een waarde, die het leven eerst werkelijk waardevol maakt, omdat de oneindigheid reeds in het heden meespeelt en rust geeft. Het eigenaardige is daarbij, dat juist deze tweede groep niet behoort tot de z.g. vromen. God is voor hen zozeer een feit, dat zij met Hem weten te leven, zonder daarop voortdurend de nadruk te leggen. De eerste soort echter blijkt voortdurend over God te willen spreken, hem aan te roepen, dan wel, in sommige gevallen zijn bestaan geheel te ontkennen. Duidelijk: voor hen is God slechte een woord, iets uiterlijks, dat in uiterlijkheden voortdurend bevestigd moet worden, of, indien dit niet aanvaardbaar of mogelijk is, eenvoudig moet worden ontkend.

Men kan het als volgt weergeven: Zolang God voor mij een naam is en meer niet, is Hij voor mij onbereikbaar en iets, waaraan ik steeds weer nieuwe betekenissen kan toedichten. De naam is een uitspraak, die ik zelf heb gedaan. Al geeft men dit voor zich niet toe, zo houdt het in wezen in, dat de mens zijn God en diens eigenschappen zelf kan bepalen, dat hij in die god alles kan leggen, wat hij wenselijk acht. Vandaar, dat de verleiding groot is zich als de bijzondere gezondene of profeet van die god te beschouwen. Zodra God echter voor mij meer dan een naam, in feite een beleving, is geworden, kan ik aan Hem niets meer toeschrijven. Dan is deze god geen manipuleerbaar begrip meer voor het ik, maar een feit.

De afwijkingen van deze tijd, waarbij het woord god een factor is geworden in de menselijke samenleving, maar gelijktijdig dient als rechtvaardiging van de mens in eigen streven, ligt volgens mij hoofdzakelijk daaraan, dat God voor slechts weinige mensen nog een feit is. Onze innerlijke behoefte ons steeds met het hogere, sterkere, betere te associëren wordt tegenwoordig veruiterlijkt. Wat men eens God noemde, is nu een veranderlijke waarde geworden waarin alleen de mogelijkheid, eigen ik te projecteren of iets te bereiken, bepalend is voor de eigenschappen, wetten enz., die aan die God zullen worden toegeschreven.

Menigeen gaat met een god om alsof het mogelijk zou zijn deze waarde langs magische weg over te brengen op alle gewenste waarden. Men gedraagt zich als de pastoor in het mopje, die op vrijdag kip wilde eten en haar daarom plechtig omdoopte tot schol. Een dergelijke benadering van de waarde van het leven komt veel meer voor dan u wel zou denken. Een voorbeeld: Iemand in de politiek ontdekt, dat progressiviteit op het ogenblik populariteit brengt. Hij ontdekt onmiddellijk, dat het progressieve streven volgens de wil Gods is en hij verkondigt zijn eigen ommezwaai als de wil Gods. Maar zodra blijkt, dat enige orthodoxie meer kiezers oplevert, zal hij, met dezelfde overtuiging, verkondigen, dat het de wil Gods is dat de mens meer behoudend optreedt. Het ergste is dan nog, dat hij zichzelf overtuigt van de waarheid van zijn stellingen, zodat hij niet meer in staat is te beseffen hoezeer de wil Gods voor hem overeenkomt het eigen grootste voordeel. God wordt een soort etiket dat men overal op kan plakken.

De mens, die innerlijk Gods bestaan als een feit ondergaat, zal echter ontdekken, dat dit besef ook eisen stelt, eisen, die niet meer gebonden zijn aan eigen belang en in eigen wereld, maar eerder een weergave vormen van andere, mogelijk hogere waarden en wetten. Dan wordt het leven door God a.h.w. geleid en zullen de handelingen niet meer kunnen worden gezien als de wil van God, tenzij zij innerlijk als bevestiging van daad en streven wordt ervaren. Maar dan blijkt dit erkennen van God en het vervullen van de wil van die God het ik bijzondere mogelijkheden te geven.

In de oude overleveringen van Egypte komt men, zij het schaars, een beschrijving tegen van een kamer der goden. Deze zou in de grote sfinx verborgen zijn geweest. Zij vormde voor de priester-magiërs de bekroning van hun inwijding. Eerst leerde men in de tempel God kennen als een naam. Deze naam was verbonden met wetten en eigenschappen. Wie dit alles met goed gevolg had doorlopen, kreeg in de binnenste tempel een opleiding, waarbij men geconfronteerd werd met de kennis, die de god gaf. Deze kennis bestond uit een soort catechismus, ook al bevatte zij vele dingen, die men tegenwoordig als normale wetenschap beschouwt. Hier maakte men een keuze voor eigen werkwijze. Kende men de reeks van vragen en antwoorden voldoende, dan volgde een periode, waarin dichterlijkheid een hoofdrol speelde. De leerling werd geconfronteerd met de mythos van de god en kreeg voorlichting over de werkelijke betekenissen van het gangbare verhaal. Men bekleedde daarna een hoge rang onder de priesters. Maar degene, die daaraan nog niet genoeg had, werd voor enige tijd naar een soort klooster gezonden – altijd erg afgelegen – waar men onderricht werd in het hanteren van apparaten, het uitvoeren van operaties, de technieken van meditatie, het gebruik van- en ontwikkelen van paranormale gaven enz. In deze kloosters werd eigenaardig genoeg de naam van de god niet meer gebruikt als naam voor een goddelijk wezen, maar diende eerder om eigen ritus en leer te omschrijven.

Met Isis of Osiris bedoelde men dus niet meer een godheid, maar de gemeenschap, waarvan men deel was. De godheid had geen eigen naam meer.

Wie ook hier alle proeven wist af te leggen, werd in een verborgen kamer gebracht. In het vertrek, dat men niet meer zelf kon verlaten, waren vele instrumenten en voorwerpen aanwezig. Men mocht dit vertrek eerst verlaten, wanneer men een voorwerp had gekozen als symbool van de werkelijke god. Dit voorwerp was dan voortaan het teken van magische macht. Soms kwam er iemand uit met een sistrum – een soort rinkelbom – anderen brachten alleen een stukje steen mee of werktuigen, maar voor de nu ingewijde magiër-priester was het gekozen voorwerp – wat het dan ook mocht zijn – voortaan een bron van paranormale krachten. Men had hierdoor God a.h.w. tot werkelijkheid voor zich gemaakt. Men ging daarbij zelfs zover, dat men nooit een voorwerp van gelijke vorm als door een magiër was gekozen, in de kamer terugbracht voor hij gestorven was. Want de magiër kon bepalen, dat zijn “gods-talisman” na zijn dood werd teruggelegd in de proefkamer. Hij kreeg dan zelf een soort kopie daarvan mee in zou, volgens het geloof van die dagen, deelhebben aan alles, wat door anderen middels het voorwerp tot stand werd gebracht, terwijl hij deze anderen bovendien vanuit de geestenwereld zijn krachten en ervaringen kon zenden via dit voorwerp.

De kern van dit alles was wel, dat eenieder een eigen God had, of tenminste een eigen toegang tot God. De kracht zetelde niet in het voorwerp zelf, maar door de afbeelding van hetgeen God voor jou betekende – een symbool dus -, was God voor de mens iets geworden, waarmede hij voortdurend en volgens eigen wil contact kon hebben, iets, wat voor de magiërs a.h.w. hanteerbaar was geworden. Om het modern uit te drukken: Dit is voor mij het teken van de macht, die achter alle goden, leringen en verschijnselen bestaat. Door dit symbool ben ik in contact met de Godheid en kan ik met de krachten, die Hij op de aarde uitstort, bewust iets gaan doen. Tussen de priesters waren natuurlijk, zoals men ook nu wel pleegt te stellen, vele handige oplichters en goochelaars. Maar ik zou er geen hand voor in het vuur willen steken, dat dit nu niet meer voorkomt. Zeker is echter, dat velen van hen meer konden, dan volgens de stand van wetenschap in hun daden en de menselijke mogelijkheden van die dagen, denkbaar was. Zij deden dingen, die voor andere mensen onbegrijpelijk waren, wisten dingen te zeggen, die later waar bleken te zijn. Dit werd dan geïnterpreteerd als God, die in hem sprak. In de bijbel horen wij over profeten. Ook hier treffen wij vaak dergelijke verhalen aan. Iemand loopt over het veld, er komt een man op hem af, legt hem de handen op, of overhandigt hem een staf en vanaf dit ogenblik zijn zij profeten, stemmen van God. Ook hier weer een teken en onzichtbare overdracht. Toch gaat het hier niet om het overdragen van God, van een naam of geheim, maar eerder van iets, waardoor voor de nieuwe profeet opeens God een waarheid wordt, iets, waarin hij zodanig gelooft, dat hij uit de God weet te handelen en zo niet alleen profetieën geeft, maar ook wonderen kan doen. Nu kan men wel met zekerheid stellen, dat vele van de profetieën in de eerste plaats de persoonlijke reacties waren van de profeten, politieke, godsdienstige overtuigingen, die in de gedane uitspraken op de eerste plaats komen. Maar steeds weer treffen wij daarin ook een element aan, dat verder gaat dan men van een normaal mens zou kunnen verwachten. Het vertrouwen in God maakt kennelijk dergelijke profeten, evenals de ingewijde priester, – magiërs bij andere volkeren, – tot meer dan een gewoon mens.

In deze dagen zou men iets dergelijks ook van priesters mogen eisen. Het blijft echter steeds weer achterwege of zal, indien het voorkomt, worden ontkend en bemanteld. Waarom? Naar ik meen, ligt de reden in het wezen van de persoonlijk beleefde God. Deze is immers niet te vangen binnen het kader van een organisatie of vaste leer en haar belangen. Vandaar dat voor de moderne mens in vele gevallen de enige mogelijkheid zich met een god verbonden te weten, schijnt te liggen in het uitoefenen van pressie op anderen, opdat zij ja zullen zeggen tegen de woorden, het systeem. Naar ik meen, zal de mens innerlijk in dergelijke gevallen wel degelijk beseffen, dat hij met dit “bekeren” van anderen, niet zijn god verheerlijkt, maar zichzelf. Vandaar, dat men dit bekeren van anderen als een noodzaak en verdienste gelijktijdig beschouwt.

De nadruk, die gelegd wordt op de juistheid van de leer, draagt in zich altijd weer een ondertoon, welke schijnt te zeggen, dat de verkondiger ook wel aanvoelt, dat alles wat hij zegt en beweert, niet een werkelijke weergave van God, diens Wezen of wil kan zijn. Dit maakt geloof voor de mensen van heden zo moeilijk en veroorzaakt, zoals ik reeds probeerde duidelijk te maken, een feitelijke afwijzing van de innerlijke God door onbegrip. De goden van vandaag, de leringen van vandaag, maken alleen de indruk van een flauw aftreksel van een werkelijkheid uit het verleden te zijn. Het is, alsof iemand eens een ets van de waarheid heeft gemaakt, maar daarna zoveel prenten heeft getrokken van de geestesplaat, dat de omtrekken steeds vager en flauwer werden, tot op de duur slechts reeksen van vlekken overbleven. Indien men de werkelijke beleving van God, de ware God, terug wil vinden, kan een dergelijke vage afdruk, bestaande uit wat kleurvlekken en wat vervagende lijnen, niet meer voldoen. Een vernieuwen van het oude is ook niet goed meer mogelijk: Je kunt ondanks alle zorgen van een oude etsplaat nooit meer een nieuwe en geheel scherpe afdruk maken. Je zou eerst een geheel nieuwe plaat moeten maken.

De mens van heden zal daarom, wil hij zijn feitelijke afgoderijen en woordendienst weer omzetten in een werkelijk beleven van de godheid, teruggaan naar het oerbeginsel. Hij zal zijn leringen moeten prijsgeven en God niet meer moeten benaderen in diensten, systemen en leringen, maar weer terug moeten vinden als een persoonlijk feit, dat voortdurend in het eigen ik werkzaam is.

Dit zou vele moeilijkheden met zich brengen. Een vriend van mij heeft eens gezegd: Wanneer Jezus de moed zou hebben, zoals hij eens was, nu weer op aarde te komen om te leraren, wonderen te doen en de Vader aan de mens te openbaren, zou hij binnen enkele dagen – mede op verzoek van de kerken – gevangen zitten en beschuldigd worden van het beledigen van de godsdiensten, het verstoren van de openbare orde, het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde, oplichting, bedrog enz. Daarnaast zou men hem waarschijnlijk nog beschuldigen, dat hij de goede naam van eerzame burgers en misschien zelfs bevriende staatshoofden had aangetast. Mijn vriend had gelijk. Jezus, zoals Hij was, paste in de tijd, waarin hij leefde al niet al te goed. Wat hij tot stand bracht, was in feite een niet al te grote aanpassing van het denken en de orde, zoals deze in zijn tijd bestonden. Een godsbegrip, dat op deze oude en geringe aanpassingen is gebaseerd, past in feite niet meer in de tijd van heden. De krachten waarmede Jezus werkte, zijn voor de wereld van vandaag geen wonderen meer, maar een aantasting van de zekerheid van het maatschappelijk bestel en de heersende orde. Trouwens, de heersende orde van eens heeft Jezus doen kruisigen, en het Sanhedrin, dat het oordeel sprak, bestond heus niet uit schurken, maar uit eerzame en geleerde mensen. Uit bestuurders, die handelden omdat zij hun verantwoordelijkheid tegenover het volk beseften.

Let wel, ik stel hiermede niet, dat de Christus geen plaats meer heeft in deze tijd. Ik stel slechts, dat de voorstelling, die men daaraan verbindt, niet meer past in deze tijd, terwijl het godsbegrip te zeer op uiterlijkheden is gebaseerd, zodat in deze dagen de werkelijkheid van de Christus een lachspiegelbeeld, een verwrongen geheel, moet worden. Maar ook wanneer Jezus in deze dagen op meer aangepaste wijze in uw wereld zou komen om te leven en te werken onder u, zou hij niet welkom zijn. Hij zou iemand zijn, waarvan de maatschappij liever niet hoort, iemand, die wel mag werken, maar alleen, wanneer dat zijn zending de belangrijke waarden van het leven niet zou verstoren. Hij zou dus, volgens de nu geldende normen, een werkschuw mens genoemd worden. Die Jezus zou verder de euvele moed hebben, om zich onder alle omstandigheden te beroepen op de Vader in de hemelen, in plaats op de diensten van sociale zorg. Daarom zou men Hem a-sociaal noemen. Hij zou zich niet bezighouden met de vraag, of deze of gene kerk nu de ware is, maar zou elke kerk respecteren, waarin men eerlijk tot God bidt met de uitspraak: Dit is het huis mijns vaders. Dus zou men Hem a-religieus noemen. En degenen, die zeergeleerd duidelijk maken, waarom dít Gods wil is en dat niet, zou Hij waarschijnlijk windbuilen noemen. Wat hem tot provo zou stempelen. Ik kan mij voorstellen, dat Jezus over vele geleerde theologen zou spreken als windbuilen, die steeds weer uitbarsten in lege woorden, of psalmen bij gebrek aan een werkelijke inhoud. Jezus zou tegen een psychiater, die een gek behandelt, misschien zeggen: “deze man is bezeten”. Wat hem waarschijnlijk een plaats in de inrichting op zou leveren. En Hij zou de velen, die anderen aanmoedigen iets te doen voor onderontwikkelde landen en rampgebieden, zeggen: “Geeft eerst, wat gij zelf bezit. Dan eerst, hebt gij recht van spreken”. Kortom, Jezus zou, zelfs indien hij zou werken in moderne termen en met aangepaste leringen, niet meer in uw maatschappij passen, omdat Hij leefde met God en niet met een systeem. Hij zou de Vader beschrijven al de Vader van alle mensen, zelfs van communisten. Zoals hij vele van de zich uitverkoren gevoelende mensen zou beledigen door duidelijk te maken, dat het hiernamaals geen kwestie is van een enkel dogmatisch hemeltje, maar weer zou herhalen dat er in het Huis des Vaders vele woningen zijn.

Hij zou het gezag van de kerkvoogden afwijzen met een: “Het koninkrijk Gods is in u”. Jezus zou vooral de mensen gelukkig willen maken, en dat zou men hem ook kwalijk nemen, vooral wanneer hij van water wijn of desnoods cola zou maken. Jezus was niet de profeet van de plicht volgens menselijke opvattingen en zou dit ook nu niet zijn. Hij predikte de vreugde van het geven, maar dan een vreugde met innerlijke waarde, de vreugde met wezenlijke inhoud. Hij zou de mensen leren in de vreugde zichzelf te vinden in plaats van zich, tot meerder gewin van de industrie, te verliezen in zogenaamde vreugde. Hij zou leren, dat de ware vreugde voortkomt uit het leven als bevestiging van eigen wezen en de innerlijk erkende godheid en niet uit bezit of zoiets.

Alle predicaties en mooie leuzen van deze tijd hebben geen werkelijke inhoud meer. Ik wilde, dat ik u dit duidelijk kon maken. Denk eens aan de kerstliederen die u zo dadelijk wel weer zult zingen of aanhoren. “De herdertjes lagen bij nachte…” Waar vind je nu nog herdertjes, die hij nachte in het veld willen liggen, wanneer zij daarvoor geen extra uitkering krijgen? Waar vind je nu nog eenvoudige mensen, die willen leven met een minimum aan gemak, al bevredigt dit leven ook nog zozeer? Een kindje geboren in een stal? Dat mag tegenwoordig niet meer.

Desnoods gaan de mensen dood op straat, omdat er geen ambulance tijdig genoeg ter plaatste komt – vanwege de vraag, wie het karwei op moet knappen – maar mensen laten wonen in een stal gaat eenvoudig niet meer, al zouden zij het ook nog zo graag willen, al zou het ook maar voor kort zijn, zoiets is niet meer sociaal en ethisch verantwoord…. Vrede op aarde aan mensen van goeden wille? Zeker, een paar dagen wapenstilstand omentwille van de publieke opinie kan er wel af. Maar ondertussen kun je dan tenminste toch troepen en munitie aan gaan voeren, nietwaar?

Het kerstverhaal is in feite een vertederende legende geworden… maar het werkelijke leven is iets anders. De tederheid van kerstmis is een sprookje geworden, zoals het christendom dreigt tot een sprookje te worden in uw wereld, al wil u allen ook nog zo graag goede christenen zijn.

Want u bent niet meer in staat de oude waarheden te zien en te beleven, zonder ze aan te passen aan uw wereld en uw behoeften. Het christendom leeft niet meer in de mensen, maar wordt meer en meer een uiterlijke vorm. Datgene, wat men in naam van het christendom doet, neemt de plaats in van de innerlijke beleving van de Vader en van de waarheid, die Jezus verkondigde. Afgoderij in wezen, zo niet in naam. God vinden in deze tijd betekent: Eerst je los leren maken van de vele afgoden, die heersen. Jezus vinden wil zegen, eerst loskomen van het sentimentele vertelsel, dat niets meer heeft te maken met een Jezus, die in zijn tijd een revolutionair was, de opstandige, die niet, zoals ook toen gebruikelijk was, de naam van God in de tempel wilde eren, maar de wil van God wilde leven.

Mijn vraag luidt: Hoe deze dagen God nog waarlijk beleven, wanneer je zoveel namen en voorwaarden stelt tussen Hem in de werkelijkheid en je eigen leven? God ontmoeten in jezelf wil nog niet zeggen, dat je alle belangstelling voor de wereld ontbeert. Het betekent alleen, dat je vrij wordt van namen en procedures. Bij vele profeten treffen wij een sterke sociale en zelfs politieke bewogenheid aan. Maar zij laten zich niet meer vangen door de gewoonten, modes en regels van hun gemeenschap. God is voor hen een wijze van leven, geen naam en eredienst. God in jezelf vinden en beleven wil niet zeggen, dat je meer dan mens wordt, maar houdt wel in, dat je leven en werken volgens je beste besef een weergave is van die in jezelf erkende kracht en waarheid. Misschien is de fout wel, dat de mensen deze ontmoeting met God in het innerlijk te veel zien als een groots, duidelijk en overweldigend gebeuren. God ontmoeten in jezelf kan niet zo gemakkelijk worden gerealiseerd in menselijke termen. Voor de mens is het vaak een vaag gevoel van geroepen zijn, uitverkopen worden voor een taak, dat verdere vormen ontbeert. God in ons ontmoeten resulteert voor het redelijk denken vooral in het besef, dat men meer zou moeten zijn dan men is.

De ontmoeting met God in onszelf is nimmer een verwerven van macht en gaven, maar eerder een uitdaging om onszelf eens op de proef te stellen. Zij uit zich in de behoefte, het Ik eens op de proef te stellen en na te gaan, wat men eigenlijk waard is. Daarnaast is de ontmoeting met God ook het verwerven van een innerlijke zekerheid, die men logisch gezien nooit zou kunnen hebben. Het is een gevoel van rust, waardoor het lijkt, of vele dingen je eenvoudig niet meer aangaan, zonder dat je daarvoor nu blind wordt. De ontmoeting met God is het innerlijk ogenblik, waarop de wijsgeer zijn studieboeken overboord gooit, zich neerzet en iets ondergaat, waarvoor zelfs hij geen termen weet te vinden, maar dat in hem de wereld en alle dingen met nieuwe ogen doet zien. De innerlijke ontmoeting met God is een vernieuwing van het bestaan, het denken.

De mens, die dit benadert, wil maar al te vaak het geheel toch weer herleiden tot de termen van zijn reeds bestaande godsdienst of denkwijze. Hierdoor zal hij, ofschoon vanuit zich eerlijk, anderen vaak misleiden en op de duur zichzelf verliezen in een procedure, waarbij alleen het gevoel van gezonden zijn in stand wordt gehouden, maar alle werkelijk contact met God – en daarmede alle eerlijke zelfkritiek en erkenning – steeds meer teloorgaat.

Anderen ondergaan dit gevoel in zich, maar wachten dan rustig af, omdat zij menen hun taak, zending enz. van buitenaf, kenbaar en gemakkelijk te zullen ontvangen. Dergelijke tekenen blijven natuurlijk uit. Men reageert dan met een: “Nu ja, het was maar een droom”; toch was het geen droom, maar een innerlijke werkelijkheid. Wat men echter, vooral als mens, van buitenaf pleegt te verwachten, moet men innerlijk erkennen als mogelijkheid en zelf waarmaken, zelfs indien dit het prijsgeven van alles, wat men bereikt meent te hebben, zou inhouden. En dat is meestal te veel gevraagd.

Om het in mijn eigen woorden te zeggen: De ontmoeting met God is gelijktijdig een naam en woordloze belofte en een gevoel uit te moeten trekken voor iets nieuws, iets anders. Ik besef, dat dit alles weinig te maken heeft met hetgeen men u omtrent God predikt, vooral wanneer het op de praktijk aankomt. De grootste moeilijkheid is altijd weer, dat de mens – en ook de geest – vaak niet beseft, wat in feite voor het ik mogelijk en belangrijk is. Men wacht dan maar, tot de H. Geest de boodschap thuis komt brengen en beseft niet, dat men alles, wat werkelijk noodzakelijk is, reeds heeft.

De ontmoeting met God is niet hoog, onbegrijpelijk, een innige verstilling of iets dergelijks, maar gewoon de verwondering, waarmede wij opeens beseffen, eigenlijk uit te moeten gaan in de wereld en te volbrengen. Het is niet verheven, maar een eenvoudig gebruiken van eigen mogelijkheden in overeenstemming met eigen innerlijk besef. God is gelijktijdig dan een innerlijke noodzaak en een kracht, die wij rond ons gevoelen ook zonder te kunnen zeggen, wat zij precies is of wil. Maar dit durven de mensen van heden geen God te noemen. Daarom grijpen zij steeds meer naar de goden van de eigen tijd, hopende zo het gevoel van onvolkomenheid te overwinnen, dat alle mensen steeds weer belaagt.

Nogmaals: Al het omschrevene is God, zonder naam, maar Leven en de Kracht van het Leven.

De mensen van heden beleven God wel, maar zij willen niet, zoals eens de oude Egyptenaren, zoeken naar de persoonlijke God en de weergave daarvan in het leven, zonder uit te roepen, dat dit het teken is voor de gehele wereld, maar in het eenvoudige besef, dat de uiterlijkheden alleen maar het teken zijn van de eigen innerlijke kracht, waardoor men de innerlijke God waar kan maken in eigen wereld door eigen wezen. De mensen van heden vinden dit kennelijk niet voldoende. Zij willen iets, wat je kunt zien, kunt pakken of tenminste iets, wat mooi klinkt en door anderen wordt erkend, vooral wanneer het weinig verplichtingen met zich brengt.

Daarom heeft uw wereld vele goden, maar is God een zeldzame erkenning geworden. Als u op steravond of in de komende kersttijd geconfronteerd wordt met voor u vreemde gevoelens en macht, en wilt trachten om de dingen voor uzelf een naam te geven, zo vraag ik u dit eens niet te doen, niet uitgaan van de uiterlijkheid en de omschrijfbaarheid, maar alleen van het gevoel in jezelf. Laat de kracht, die je voor een ogenblik gevoelt, de noodzaak, die je, onredelijk en onverwacht, opeens in jezelf ontmoet, tot een expansie van het eigen wezen worden, ook zonder beredeneringen, opdat u God kunt beleven, ook zonder Hem aan anderen te kunnen verkondigen. De wijze, waarop u met God leeft in uzelf, zal die God dan beter en zuiverder verkondigen in de wereld, dan u met woorden en redenen ooit zou kunnen doen.

  • Maar de werkelijkheid achter hetgeen men doet, het symbool, geeft toch het geheel waarde? Jezus heeft zich toch ook laten dopen?

Zeker, en hij ging vroom ter tempel, maar gelijktijdig sprak hij voor de Samaritanen en legde uit, dat men God net zo goed kan vinden op de toppen van de heuvels als in de tempel van Jeruzalem. Jezus verwerpt de uiterlijkheden niet. Maar Hij wil voor alles het werkelijke wezen der dingen behouden. Mijn betoog richt zich niet in de eerste plaats tegen de uiterlijkheden, al meent u misschien dit in mijn betoog beluisterd te hebben. Ik verzet mij tegen het feit dat de uiterlijkheden in uw dagen steeds meer in de plaats zijn gekomen van het wezenlijke. Zoals Jezus bij zijn aanvallen op de farizeeën niet hun vroomheid en geleerdheid heeft aangevallen, maar het feit, dat zij deze dingen slechts uiterlijk manifesteerden en bezaten. Hij verweerde zich tegen de façade zonder inhoud of achtergrond. Hij stelt dan ook, dat men een mens niet moet beoordelen naar hetgeen hij zegt, maar naar hetgeen hij doet. Mijn betoog was wel degelijk positief, maar ging uit van het standpunt, dat een werkelijk kerstfeest de geboorte van God in u moet inhouden, niet een feestelijke herdenking van iets, wat in een leer belangrijk is, maar als feit reeds lang zijn waarde voor de innerlijke mens verloren schijnt te hebben.

  • Ik wilde zeggen, dat het uiterlijke er in sommige gevallen bij behoort.

Maar wanneer dan wel en wanneer niet? Ik stel, dat het uiterlijke belangrijk is op het ogenblik, dat de innerlijke waarde bestaat. Op het ogenblik, dat de uiterlijke vorm voor u een behoefte en noodzaak is, zonder welke u de innerlijke beleving niet zult bezitten, is zij voor u reeds waardeloos geworden. Als een uitdrukking van een innerlijk besef kan de uiterlijke vormgeving zin hebben. Maar zij is niet al belangrijk, blijft een persoonlijke benadering en zal nimmer anderen bindend kunnen worden opgelegd. Vooral zal men de uiterlijkheden nooit anderen mogen opleggen als zijnde een onveranderlijke en eeuwige waarheid.

Daar er geen verdere opmerkingen meer zijn, dank ik u voor de mij gegeven aandacht en spreek de hoop uit, dat u dit betoog niet zult beschouwen als een bestrijding van de godsdiensten of een belediging voor de godsdienstigen en vromen, maar eerder wilt beschouwen als een analyse van misstanden in de mensen van heden, die door godsdienst en idealistische leuzen naar al te vaak worden bemanteld.

image_pdf