Menselijk geweten of zijn intuïtie

image_pdf

9 mei 1967

We hebben deze maal weer de gewone indeling; allereerst een les mijnerzijds, daarna een gastspreker, waarvan ik zelf nog niet weet wie dat deze keer zou kunnen zijn. Wij zitten op het ogenblik een beetje in de richting van de Wessac bijeenkomst en dat maakt zich allerwege natuurlijk merkbaar.

Wanneer wij nadenken over al deze dingen (Wessac bijeenkomst, Witte Broederschap, Geestelijke Leiding en al die dingen meer), dan is het misschien wel eens goed de nadruk te leggen op een eigenaardigheid, die elke mens heeft. Elke mens heeft iets, wat hij zijn geweten pleegt te noemen, of zijn intuïtie. Wij weet niet precies waar het vandaan komt. Het is niet altijd te verklaren vanuit het onderbewustzijn en vaak ook niet vanuit de opvoeding.

Willen wij begrijpen wat er zich in ons afspeelt, dan kunnen wij naar rationalisaties grijpen zoals bv. wij hebben een geleidegeest. Maar de zaak moet nog ingewikkelder zijn dan dit en misschien gelijktijdig eenvoudiger.

Wij kunnen ons voorstellen, dat bepaalde wezens in symbiose leven. D.w.z. dat zij voor elkaars levensfuncties noodzakelijk zijn. Er is bv. een vissoort, die een soort algea in het darmkanaal heeft. En daar zien wij de eigenaardigheid, dat de algea zorgt voor de mogelijkheid van de voedselvertering door een afscheiding. Terwijl omgekeerd de vis door zijn omzetting het levensklimaat schept, waarin weer die algea kan leven.

Wij zien elders bv. bij de gewone heide in de wortel een soort gast, die het mogelijk maakt, dat deze heide op een zodanig armetierige en kale grond groeit, dat bijna geen enkel gewas daar houvast kan krijgen. Symbiose is dus eigenlijk een vorm van samenwerking, samenleving, waarbij beide partners voor elkaars welzijn bijna onontbeerlijk zijn. Wanneer wij spreken over het gewone principe van de geleidegeest, dan denken we toch in de eerste plaats aan een persoonlijkheid. Er mogen banden zijn, maar er bestaat een afzonderlijk bestaan voor de mens en voor de geleidegeest. De geleidegeest kan dan ook tijdens een leven vele malen wisselen, dat kan een ander worden. Weer dat eigenaardige, dat wij in ons hebben (een soort bestemming, een noodlot geef het maar een naam), dat blijft eigenlijk vanaf de eerste jeugdjaren tot aan het overlijden van de mens actief en hetzelfde. Wanneer wij dit willen verklaren op grond van persoonlijkheden, lopen wij vast. Maar wanneer wij het gaan beschouwen als een deel van de kosmos, dat eigenlijk abstract is vanuit menselijk standpunt, dan wordt het begrijpelijker.

Er zijn heel veel dingen, die de mens als buiten hem liggende waarden beschouwt en die toch eigenlijk waarden zijn, die uit zijn eigen denken voortkomen. Wij weten bv. dat het menselijk denken de tijdsfactor voor de mens maar ook voor zijn lichaam kan beïnvloeden.

Stel nu eens dat er ergens in de kosmos een veld is (doodgewoon een veld, een kracht) en dat die mens op die kracht georiënteerd is. Noem deze kracht mijnentwege de toevoer van geestelijke energie. Noem hem iemand, die het mogelijk maakt Oddkracht op te nemen. Het is een energie, die wij niet als een persoonlijkheid in de menselijke zin van het woord kunnen beschouwen. Maar het is wel een kracht die verbonden is veel sterker dan dit voor de geest mogelijk is met de totaliteit. Dan zal deze kracht ons dus a.h.w. corrigeren, wanneer wij binnen het kader van die totaliteit onjuist reageren. Het kan nooit een bestemmende invloed zijn, want er is sprake van symbiose. En een kracht, die als een symbioot optreedt, kan alleen meeleven met ons, zoals wij tot op zekere hoogte alleen met die kracht kunnen meeleven.

Er zijn ogenblikken dat die kracht ons regeert. Dan kunnen wij niet anders reageren en wij zullen vaak daarbij tegen alle menselijke instincten en heel vaak ook tegen onze eigen geestelijke concepten in kunnen handelen. Eveneens hebben wij – en dat komt veel meer voor – opwellingen in onszelf, die a.h.w., een kritiek geven op hetgeen er aanwezig is en vaak als een soort stem (het is maar een vergelijkende term) een aanduiding geeft t.a.v. de toekomst, een verwachting. Ik wilde nu beginnen met het volgende te stellen: Naast datgene, wat wij God noemen, is er een functie van God. Deze functie maakt zich merkbaar als een kracht, welke o.m. de verbinding tussen geest en stof mogelijk maakt en daarnaast ook in de stof (buiten de geest en haar bewustzijn om) het goddelijke plan tot uitdrukking brengt. Deze factor wordt natuurlijk niet bepaald door de menselijke visie. Maar de menselijke visie als geheel past binnen het goddelijke scheppingsplan. De wijze, waarop de menselijke ontwikkeling binnen het scheppingsplan valt, zal door deze kracht worden uitgedrukt. Dan hebben wij wanneer wij innerlijk willen streven te maken met een intuïtie, die tegen de rede, tegen de filosofie, maar ook vaak tegen onze eigen ontwikkeling schijnt in te druisen. Deze echter is een aanduiding van de voor ons meest juiste weg.

Het is te eenvoudig, wanneer wij de mens enerzijds reduceren tot een aantal instincten, aan de andere kant er een hogere geest in zetten en zeggen; zo loopt de zaak. Wanneer je in jezelf gaat zoeken, dan ontdek je steeds weer dit stemmetje. Wanneer je innerlijk de meest logische, de meest juiste, de meest mystiek ervaarbare elementen afhandelt, dan is er iets, dat zegt; stop. Of dat zegt; een andere kant uit. Dit zou ik willen beschouwen als een van de uitingen van deze symbiose met een kosmische kracht.

Anderzijds komen wij soms tot prestaties, die ver te boven gaan aan alles, wat wij voor onszelf mogelijk achten. Ik kan u voorbeelden te over geven. Er zijn overprestaties op zuiver lichamelijk terrein onder invloed van bv. een ideële prikkel. Iets wat dus niet eens reëel is voor de mens, maar een denkbeeld. Wij zien dat paniek eveneens lichamelijke overprestaties tot stand brengt.

Maar eveneens ontdekken wij mensen, bij wie juist de moeilijke situatie schijnbaar een onmiddellijke versnelling van denkvermogen te zien geeft. En wij weten, dat er mensen zijn die, wanneer zij zich niet normaal kunnen afreageren, daarvoor in de plaats bepaalde z.g. occulte of paranormale fenomenen produceren. U kent allemaal die onder de naam van Poltergeistverschijnselen bekende gooi- en smijtpartijen, waarbij heel vaak blijkt, dat deze een uiting zijn van iemand, die innerlijk in oproer is en die daarvoor een uitweg zoekt.

Nu stel ik: Op het ogenblik dat ik met mijzelf geen raad weet, maar wel een groot vertrouwen in mezelf koester, geloof ik ook (bewust of onbewust) in deze kracht, waarmee ik in een eenheid leef. Door deze kracht wordt het mij mogelijk eigenschappen te realiseren, die ik normalerwijze en naar mijn beste weten niet bezit. Er komt een totale reeks van overprestaties voort uit dit veld, dat wij misschien kunnen noemen; de goddelijke Levenskracht.

Wanneer naar binnen als naar buiten toe deze werking bestaat, dan moeten wij als mens of als geest t.a.v. die kracht ook betekenis hebben. Want symbiose houdt in; een wederkerigheid van werking en beïnvloeding. Wanneer de mens niets terug zou kunnen geven, dan zou hij eenvoudig een parasiet zijn. Hij is dit kennelijk niet; hij geeft ook krachten. En nu blijkt dat de mens, naarmate hij meer bewust deze kracht (dit goddelijk lot of deze richting of hoe u het noemen wilt) vanuit het Goddelijke in zichzelf beleeft en aanvaardt, ook komt tot een zuiverder vormgeving, een zuiverder vormuitdrukking van die kracht.

Stelt u zich een kracht voor (of een wezen mijnentwege), dat geen eigen vorm heeft. Het kan niet voor zich onmiddellijk werktuiglijk optreden. Wanneer echter iemand tijdelijk een vorm schept, kan die kracht ín deze vorm en zolang die vorm bestaat wel onmiddellijk en actief optreden. God althans dit deel van de goddelijke kracht kan door de mens tijdelijk a.h.w. van een vorm voorzien worden. Deze vorm zal  altijd moeten beantwoorden aan de eisen, die het veld (het Goddelijke) in Zichzelf stelt. Eerst dan zal ook die vormgeving concreet plaatsvinden en ontstaan beïnvloedingen, die ver te boven gaan aan de kenbare oorzaak.

Conclusies:

  1. Indien wij vertrouwen hebben in onszelf, in onze bestemming (iets anders dan geloof, maar werkelijk vertrouwen) en wij zijn bereid om te handelen aan de hand van wat wij onze inspiratie of ingeving plegen te noemen, wij zijn bereid om dat, wat wij geweten noemen (ook al weten wij, dat dit deels uit de opvoeding voortkomt) te stellen boven al het andere, dan zullen wij vanuit onszelf een zo gunstig mogelijke relatie scheppen met deze oneindige symbioot van ons. Wij zullen daaruit dan kracht putten. Wij zullen daarin begrip vinden.
  2. Een dergelijk veld of een dergelijke kracht zal niet zijn afgestemd op de mens. Het zal zijn afgestemd op leven en bewustzijn. D.w.z. dat een eenvoudige paalworm net zo goed een symbiose heeft met dit veld als de hoogste geest. Er is geen onderscheid kenbaar. Alle leven wordt beïnvloed. Omdat voor onszelf dit veld altijd de vorm aanneemt van iets, dat ons helpt of raad geeft, kunnen we zeggen: In zekere zin staat geen enkele mens volledig alleen.
  3. Overal, waar ik zelf kennelijk en volledig tekort zou schieten, kan dit afgaan op niet mijn verlangens, maar wederom op mijn geweten en deze corrigerende impulsen, mij helpen om alsnog te bereiken. Het woord onmogelijk valt weg, zodra wij een voortdurend beroep kunnen doen op deze kracht.

Ik hoop, dat deze drie constateringen voor u aanvaardbaar zullen zijn en dat u ze zult willen overwegen. Want wij zitten met een grote moeilijkheid.

Zoals wij in enkele eerder gegeven lessen hebben getracht duidelijk te maken, is een mens een zeer complex wezen is er van mens tot mens een bewust en onbewust wederkerig beïnvloedend bestaan er allerhande waarden als obsessies, manische verschijnselen, die dus het gedrag van de mens toch wel in hoge mate bepalen. U moet echter wel begrijpen, dat deze afwijkingen van de norm over het algemeen gebaseerd zijn op afwijkingen van eigen levensnorm. Anders gezegd:   Een obsessie zelfs indien zij onmiddellijk door een geest zou worden veroorzaakt kan alleen ontstaan, wanneer er in de geobsedeerde een onevenwichtigheid is. Een manie is een uitdrukking van onevenwichtigheid.

Wanneer in de mens een evenwichtigheid aanwezig is, zal een manisch verschijnsel niet optreden. Wanneer een mens evenwichtig is, kan hij alleen in zijn evenwichtigheid en dus in zijn juiste functie te midden van het leven worden beïnvloed door zijn omgeving. Omgekeerd zal hij zelf alleen in juiste zin zijn omgeving kunnen beïnvloeden.

Wanneer wij de mens dus in zijn grote complexiteit willen bezien, zijn wij geneigd om te zeggen; deze veronderstelde symbiose met een kosmische veld, met een abstracte waarde, is eigenlijk maar een doekje voor het bloeden. Toch is dat niet zo. Want wij zien, dat mensen inderdaad magische resultaten bereiken niet alleen door hun kennis, maar eenvoudig door hun inspiratie. Wij zien, dat mensen innerlijk grote waarden bereiken, niet omdat zij deze logisch kunnen benaderen, maar omdat zij ze eenvoudig aanvoelen. Wij kunnen er ons vanaf maken met mystiek. Maar de realisatie, de gerichtheid, die dan het einddoel zou moeten zijn van een lange ontwikkeling, is opeens aanwezig. En dat kun je niet wegvagen. Waarom zeg ik: Er is voor ons een kracht, die met ons samenwerkt.

Maar zou dit een kracht zijn? Want u weet zelf wel, dat u heel vaak geconfronteerd wordt met hetgeen u dan goed en kwaad noemt. Dat sommige impulsen volgens uw eigen idee ten goede zijn en andere ten kwade. Wat men daarbij natuurlijk vergeet, is dat de mens zichzelf als arbiter stelt. En hij is niet de rechter, de beoordelaar van hetgeen kosmisch juist is. Maar toch splitsen wij als mens dit vaak in twee delen.

Wij denken bv. aan de voortdurende tegenstelling tussen de witte draak en de rode draak, Wij denken aan het principe van Yang en Yin, die elkaar wel aanvullen, maar die ergens toch strijdig zijn. De strijdigheid ligt in onszelf. Maar wij moeten ook, wanneer het om dit geweten gaat, wanneer het gaat om die intuïtie, de verdeling. ergens handhaven. Anders kunnen wij onze eigen maatstaven, die ons leven bepalen, niet meer als juist zien. Daarom zeg ik nu: Elke intuïtieve waarde, die spontaan optreedt en niet slechts een uitdrukking is van eigen begeren (een heel belangrijk punt!), kan geacht worden een uitdrukking te zijn van een samenwerking met een andere kracht of een ander leven. De samenwerking met deze kracht wordt altijd uitgedrukt als een impuls en nimmer als een bevel. Door voor onszelf te selecteren ontkomen wij aan een absoluut geleid worden in het leven, maar zullen wij anderzijds in staat zijn meer te bereiken dan zonder die leiding mogelijk is.

Nu weet ik wel, dat dit voor u allen een beetje moeilijk te verwerken is. Maar ik ga nog een stap verder. Ik stelde in het begin, dat bepaalde heideplanten in zich een soort schimmel hebben in de wortels, waardoor zij meer voedsel kunnen puren uit de schrale bodem dan anders mogelijk zou zijn. De mens draagt in zijn vertakkingen t.a.v. het leven eveneens vreemde kracht of vreemd wezen, waardoor het hem mogelijk is meer te putten uit het bestaan dan normalerwijze mogelijk is. Ik stel:  De bereiking van eigen bewustzijn alleen aan de hand van menselijke feiten en menselijk leven is klein en de mogelijkheid tot absolute bereiking daarbij is zeer beperkt. Uit hetzelfde leven en dezelfde feiten kunnen echter grote krachten en een groot bewustzijn gewonnen worden, wanneer een andere kracht met ons samenwerkt en ons leert meer te bevatten van de mogelijkheden, die in onze ervaringen besloten liggen.

Ik hoop, dat het niet te droog is of te verwarrend, want de stelling, die ik u hier verkondig, is misschien in vele opzichten wat revolutionair. Zij veronderstelt een andere kracht. Daar ik deze kracht reeds als een abstracte heb omschreven (althans vanuit menselijk standpunt), is het niet erg goed mogelijk ze te beschrijven. Maar u kunt zich misschien denken, dat leven op zichzelf kan worden uitgedrukt als een stroom van kracht. Die kracht is in alle levensverschijnselen. Het omzettingsproces uit de zon bv. is een verschijnsel van deze levenskracht. Maar ook het eencellig dier is een verschijnsel van deze kracht. De mogelijkheid om deze kracht nu als een vloed, als een ontwikkeling te laten optreden, ligt m.i. binnen een deel, een facet van de goddelijke werkelijkheid. Dit facet is dus het veld, waarover ik spreek.

Ik heb dit behandeld als een symbioot, omdat ik zeg, dat het Goddelijke de werkelijkheid van de totale schepping evenzeer moet bevatten, als wij de levenskracht van de totale schepping nodig hebben om onze gedeeltelijke ervaring van de schepping mogelijk te maken. Deze goddelijke kracht is een kringloop. Er is niet slechts een Panta Rei, een voortdurende wisseling van vorm van diezelfde kracht, maar er is bovendien een noodzaak tot voortdurende beweging, tot voortdurende actie. Zodra deze kracht tot stilstand komt, daarin geen beweging, geen verandering meer optreedt, is er geen leven althans geen geestelijk bezield leven meer mogelijk.

De kracht in zich tracht te conformeren aan de rest van de goddelijke of algemene, de tijdloze werkelijkheid. En dat is begrijpelijk, zij is daar een deel van. En zolang zij zich kan conformeren als verschijnsel aan de vibratie van de goddelijke werkelijkheid, heeft zij een vast tempo en een vaste mogelijkheid. Nu is de bewustwording van het leven te vergelijken met een steen in de stroom. De stroom zal voortdurend trachten die steen te verplaatsen. Zij zal daaromheen gaan kolken, dus een groter dan normale krachts- en wrijvingsafgifte geven. Zij zal daarnaast trachten de steen weg te slijpen; erosie.

Wanneer wij dit bezien en wij denken nu aan die levenskracht als een dergelijke stroom, dan kunnen wij misschien begrijpen, dat die kracht alles, wat tegengericht is aan de harmonie met de tijdloze totaliteit, beschouwt als iets wat verplaatst moet worden. Wanneer wij ons bewust zijn van die druk, dan kunnen wij op twee wijzen reageren. Wij kunnen ze weerstaan, maar dan zullen wij toch te enige tijd verplaatst worden of weggeruimd. Wij kunnen ook begrijpen wat die kracht van ons wil en dus gaan optreden als een met die kracht harmonisch element. De kracht heeft onze medewerking van node om haar eigen harmonisch geheel te handhaven. Wij hebben de pressie van deze stroom nodig, om niet alleen te leven maar om daarnaast de harmonie te vinden met de totaliteit, die in het leven ons einddoel is. En nu kunnen wij daaruit weer enkele conclusies trekken:

  1. De invloed, die uitgaat van deze voor ons abstracte kosmische veldwerking of kracht, zal nimmer gebaseerd zijn op de menselijke waarde. Zij is alleen gebaseerd op een kosmische harmonie, dus op een totale evenwichtigheid.
  2. Wanneer de kracht ons beroert, kunnen wij trachten te weerstaan wij kunnen trachten mee te gaan. Wij kunnen ook trachten de kracht, die op ons wordt uitgeoefend, op enigerlei wijze een andere inhoud of betekenis te geven. Denkt u maar weer aan het kolken van het water.
  3. Ik stel: Naarmate wij beter begrijpen welke kracht er op ons wordt uitgeoefend, is het voor ons ook eenvoudiger om eraan toe te geven, wanneer dit volgens ons eigen begrip juist is en zullen wij wanneer wij de noodzaak daartoe erkennen de levenskracht en alle daarin optredende verschijnselen tijdelijk anders kunnen formeren. Een afwijking dus van de normale gang van zaken.

Nu staat u dus wanneer u dit alles aanneemt in de volgende positie:  U hebt uw eigen leven te leven. In dit eigen leven spelen uw biologische instincten, uw geestelijke achtergronden, datgene wat u karma noemt (ook wel verzameld geestelijk bewustzijn) een grote rol. U bent in de eerste plaats uzelf. In de tweede plaats bent u deel van de wereld, van het leven. Uw relatie met dat leven is niet beperkt tot de relatie met de mensheid, maar is een relatie met alle levensverschijnselen, die op u kunnen inwerken en waarop u op uw beurt weer inwerkt, zij het direct of indirect. In de derde plaats heeft u buiten dit bewustzijn en die inwerking in u de neiging om uw eigen verhouding tot het geheel voor het geheel zo juist mogelijk uit te drukken.

Dat kan eigenaardige consequenties hebben. U stelt zich misschien het schaapje of het dartele lammetje voor als een van de meest geliefde beelden voor een menselijke ziel in ontwikkeling: Onschuld, liefde. Maar het kan zijn dat de wereld, waarin u leeft, behoefte heeft aan een dictator aan een prooi verslindend wezen. Wanneer een leeuw nodig is in de wereld, dan hebben we niets aan een lammetje. En wanneer er lammeren nodig zijn, hebben we niets aan een leeuw.

De kracht, die op je inwerkt, probeert zover het mogelijk is bepaalde eigenschappen in je wezen naar voren te schuiven. Ze probeert je ertoe te brengen je relaties met de omgeving op een voor het geheel gunstige basis te brengen. Dan is uw geweten en uw inspiratie en hoe u het verder noemen wilt niet alleen maar een kwestie van een persoonlijk noodlot. Het is een oriëntatie op een totaal gebeuren.

En nu ga ik nog een stapje verder en dan hebben we de meeste stappen achter ons voor vandaag, Dat is n.l. dit: Wanneer er een goddelijk scheppingsplan is, een tijdloos bestaan waarin alle tijdswaarden en alle zijnswaarden gelijktijdig omvat zijn, dan kan het niet anders of dit heeft een vaste vorm t.a.v. alles, wat in tijd en in ontwikkeling bestaat. Het geheel van de mensheid en de historie is vastgelegd. Wat niet is vastgelegd is de verdeling van het leven daarin. Wanneer wij ons voelen aangespoord om in een bepaalde richting te ageren, dan doen wij dit niet alleen, omdat wij het zelf op dit moment zo gevoelen. Wij reageren tevens zo, omdat dit voor het geheel het beste, het meest noodzakelijke is.

Het is dus esoterisch en magisch denkbaar dat iemand, die schijnbaar ten kwade keert, het beste is wat er geschieden kan voor de mensheid. Het is denkbaar dat datgene, wat buitengewoon goed lijkt en edel, ten nadele van de gehele mensheid strekt. Waarden als goed of edel of slecht zijn dus alleen persoonlijk hanteerbaar, maar kunnen nooit de betekenis van het geheel vastleggen. Dientengevolge zullen wij voor onszelf, omdat wij mens en geest zijn, goed en kwaad moeten proberen vast te leggen… voor onszelf.

Wij doen dit over het algemeen door bepaalde gestalten op te bouwen, waarop wij ons beroepen ook bepaalde gestalten op te bouwen, die wij vrezen. Wij zitten vaak tussen God de Vader, waarbij de Vader erg belangrijk is (een vaderimago eigenlijk), de geborgenheid van het daadloze (de moederimago), en daarachter de duivel of de angstverschijning, de boeman die wij dan de duivel noemen. Deze drie invloeden bepalen dus voor ons de wereldwaardering. Of ze juist zijn of niet doet niet terzake.

Om onszelf te kunnen blijven (want een zelferkenning en een zelfvertrouwen is noodzakelijk) zullen wij datgene, wat wij verafschuwen, moeten blijven verafschuwen. We kunnen misschien langzaam een deel van het verafschuwde naar het aanvaarde overhevelen, maar dat is ook alles. Wij kunnen niet ingaan tegen datgene, wat wij juist achten, omdat dit een zelfvernietiging zou inhouden.

Impulsen, die tot ons komen en ons zouden willen richten tegen onze eigen geaardheid en ons eigen werkelijk wezen in, zouden ons zo kort als werktuig kunnen gebruiken, dat daaruit voor het geheel weinig goed voortkomt en voor onszelf ongetwijfeld grote bezwaren en schade. Wij moeten dus uitgaan van goed.

De stemmen, die wij beschouwen als kwaad, mogen wij negeren, mits wij begrijpen, dat hetgeen waarop zij aansturen wel een noodzakelijkheid kan zijn voor de totaliteit. Wij hebben alle recht om dan te trachten op een volgens ons goede wijze op hetzelfde aan te sturen.

Wij zullen daarnaast elementen hebben, die wij als juist, als goed of zelfs als volkomen natuurlijk ervaren in onszelf en die toch voor de wereld niet geheel aanvaardbaar zijn. Deze elementen zullen wij allereerst in onszelf moeten verwerken. Wij zullen deze beschouwen niet alleen als een invloed, die ergens goed voor is, maar eveneens als een bron van kracht. Indien wij n.l., voldoende kracht weten te putten, kunnen wij in ons leven en denken, in onze benadering van de omgeving zowel als in onze pogingen om in onszelf het Goddelijke te vinden, komen tot een prestatie, die ver boven onze normale ligt.

Wij moeten een dergelijke prestatie nimmer bij voortduring zoeken. Zij is de sprong, waardoor het ons mogelijk is menige, schijnbaar onoverkomelijke kloof of ravijn in denken, in leven, in ervaren te overbruggen. Gebruik de overprestatie zowel naar buiten toe als ook in het innerlijke proces met mate. Maar gebruik ze met een vol vertrouwen op uzelf en met het vaste weten, dat hetgeen u op dat moment probeert te bereiken ook voor de totaliteit belangrijk is.

Nog een laatste punt, eigenlijk een verklaring.

U hoort heel vaak spreken over noodlot, over fatum e.d. Men spreekt vaak over een bestemming. (Denk aan Shaw, a man of destination.) Hier is het geloof aan een soort leidster. De mens, die zegt dat hij vertrouwen heeft in het leven en fatalistisch gaat zitten, heeft geen vertrouwen in het leven. Het leven is een samenwerking, met het lot in een samenwerking met de levende kracht rond ons. Zodra wij hetzij in zelfvertrouwen, hetzij in persoonlijk pogen en streven, of in geloof aan onze mogelijkheden tekort schieten, falen wij. Wanneer wij echter uitgaan van het standpunt, dat wij onze leidster volgen door te vervullen wat zij ons schijnt te beloven, dan zullen wij ongeacht hoe ons eigen leven of lot verloopt voor de gemeenschap een enorme invloed vormen ten goede en zullen wij, een grotere harmonie met een deel van de goddelijke werkelijkheid en goddelijke kracht niet slechts voor ons, maar vaak voor veel komende geslachten tot stand brengen.

Eindconclusie: Het leven van de mens heeft niet alleen betekenis door zijn persoonlijke bewustwording van God of zijn persoonlijk ervaren en doen. Het heeft tevens belang door de invloed, die hij vormt in de totaliteit van de mensheid en de wijze, waarop hij deze doet beantwoorden aan wat wij een goddelijk scheppingsplan of desnoods de uiteindelijke bestemming van alle leven kunnen noemen. Onze bijdrage aan dit bestaan is belangrijker dan onze ogenblikkelijke, persoonlijke ontwikkeling of bereiking.

De volgende spreker is een van onze Orde. Ik neem aan, dat hij u zal trachten voor te lichten over datgene, wat op dit moment van groot belang is.

0-0-0-0-0-0-0-0 

Bij de mens valt het op, dat hij minder geneigd is zich dood te vechten voor een feitelijke noodzaak dan voor een idee. Het is eigenaardig, dat hij zijn eigen gemak en leven wel wil offeren voor een idee, maar niet voor een feitelijke noodzaak. Maar zodra de mens aan een idee te veel gaat offeren, komt hij in een toestand te verkeren, waarbij hij de werkelijkheid van zijn eigen wereld, zijn mens-zijn en zijn behoeften niet meer voldoende beseft.

Wij hebben in het verleden getracht om de te grote spanningen, die tot geweld zouden leiden, te keren voor dit jaar. En al datgene, wat wij in de afgelopen tijd hebben gedaan, heeft naar ik meen te mogen veronderstellen zeker een goede en gunstige invloed gehad. Wanneer je de mensen nu echter te ver door laat slaan in hun poging anders te zijn en anders te denken, ontstaat een zo grote verwarring, dat gezien de gevaarlijke wapens die er zijn, de vele spanningen tussen groepen die bestaan een grote oorlog onvermijdelijk zou worden.

Wij kunnen op dit moment misschien de religie in zeer korte tijd hervormen. En dat zou in vele opzichten noodzakelijk en goed zijn. Maar doen wij dit in een snel tempo, dan krijgen wij een groot aantal mensen, die als reactie daarop volkomen a-religieus worden en daarbij dus elke hogere waarde in eigen leven en als bestaansaanvaarding ook gaan ontkennen.

Het is een moeizaam zoeken naar het juiste evenwicht, waarbij voor bijna elke groepering een apart geestelijk element moet worden ingevoegd, moet worden gezocht. Uiteraard moeten wij eerst wachten tot de grote krachtuitstorting is geweest en tot wij in staat zijn na te gaan wat de krachten zijn, die ons in het komende jaar ter beschikking staan. Wat onze werkmogelijkheden zijn, en ook in hoeverre onze visie op het totale gebeuren op dit moment juist is. Maar toch probeer je altijd weer om de zaak voor te bereiden.

Om een juist antwoord te krijgen, zelfs uit een uitstorting van goddelijk Licht, is het noodzakelijk dat je een juiste vraag formuleert. Wij gaan daarbij ongeveer te werk als volgt: Wij bezien de problemen van deze wereld en wij formuleren daarover laten wij zeggen 70 & 80 volgens ons zeer belangrijke vragen. Op ongeveer 20 kunnen wij geen antwoord krijgen, d.w.z. onze visie is verkeerd. Op ongeveer 30 krijgen wij een ontkennend antwoord. d.w.z. ons streven is hier niet in overeenstemming met de werkelijke bewustwordingsnoodzaak van de mensheid.

Op de andere krijgen wij een bevestigend antwoord, en hierin verdiepen wij ons in de eerste plaats. Dit n.l., geeft ons de mogelijkheid om positief en handelend op te treden en gebruik te maken van de ervaring, van de kennis die wij in het verleden hebben opgedaan.

Nu zijn wij dus aan het formuleren van deze vragen op het ogenblik bezig. Dat is een kwestie van geestelijke contacten, die gezien de vele verschillende mensen in de stof, die daarbij geraadpleegd moeten worden, de vele geestelijke elementen die t.o.v. elkaar moeten worden afgewogen wel een paar weken duurt. Ik wil u een voorbeeld geven van een enkele vraag, die op het ogenblik geformuleerd is. Ik weet niet of deze juist is of niet. Dat moeten wij afwachten.

Wij hebben gezegd: Is het belangrijk om in het komende jaar met bijzondere nadruk een herziening van de mores (van de zedelijkheid dus en bepaalde delen van moraal) teweeg te brengen vooral in Zuid-Azië en daarnaast ook in bepaalde delen van Europa. Wij menen n.l., dat dit noodzakelijk is.

Wanneer nu het antwoord negatief is, dan zullen wij ons van elk ingrijpen op dit terrein moeten onthouden. Wanneer het antwoord ontkennend luidt, dan betekent dit dat wij zelfs het bestaande tijdelijk moeten steunen waar wij kunnen. Is het antwoord echter bevestigend, dan is de vraag; welke krachten hebben wij ter beschikking, wat is de tendens van het jaar dat komen gaat wat zijn de ontwikkelingen die op dit moment wenselijk zijn.

Men moet altijd een keuze doen. Een keuze tussen de gemeenschap en de eenling.

Eenlingen kunnen soms zeer belangrijk zijn. Zij hebben voor de mensheid als geheel soms een beslissende betekenis. Maar over het algemeen is de massa, de menigte, belangrijker. Zij is n.l. het behoud van de mogelijkheid tot werken en leven. En deze is vaak veel belangrijker dan het op zichzelf onbelangrijke werken en leven van een eenling in volkomen harmonie, vrijheid en vrede.

Vrede op zichzelf is ook een van de problemen, waarmee wij altijd geconfronteerd worden. Wij zouden graag ieder op aarde vrede geven. Maar vrede geven kun je alleen, wanneer de mens in zichzelf vrede en evenwicht vindt. Zolang in de mens een zekere ferociteit aanwezig is (en die is er bij de meesten), moet daarvoor een uitweg worden geschapen, ook wanneer dat oorlog en geweld betekent. Wanneer in de mens bepaalde instincten een overheersende rol spelen, dan is het misschien niet prettig dat deze tot uiting komen. Maar het is beter dat ze geuit worden, dan dat ze onderdrukt worden en daardoor een veel groter conflict veroorzaken.

Ook zeer belangrijk in al deze overwegingen is altijd weer de vraag in hoeverre men bij een aantal personen een inwijding tot stand kan brengen. Inwijding wordt door heel veel mensen beschouwd als iets zuiver geestelijks, als een opeens weten bv. Maar weinigen beseffen, dat inwijding een verandering is van visie. Een inwijding kan bv. ten gevolge hebben, dat men zich t.a.v. de mensen anders gaat oriënteren en ook vaak t.a.v. geestelijke waarden. Iemand kan juist doordat hij een inwijding ondergaat – al omschrijft hij deze misschien niet zo – zijn eigen leefgewoonten veranderen. Hij kan zijn oude geestelijke richting al was dat een heel belangrijke geestelijke school terzijde zetten. Hij gaat anders leven. En in dit anders leven moet een ander bewustzijn ontstaan.

Wij hebben natuurlijk allen onze eigen filosofie t.a.v. deze inwijdingen. Dat is logisch. Een ieder moet op grond van de feiten zich een bouwwerk oprichten van gedachten. Maar is zo’n bouwwerk juist? Alleen wanneer voldoende mensen op aarde op dit moment er harmonisch mee kunnen zijn. Een mens, die onbevredigd is op welk terrein ook kan alleen passen in een filosofie, die vrede geeft en dus ook bevrediging. Iemand, die onder grote spanning verkeert, kan nimmer harmonisch zijn met een inwijding of een filosofie, die die spanningen nog verder vergroot. Je moet dus proberen uit de vele filosofische benaderingen diegenen te kiezen, die voor het grootst aantal mensen aanvaardbaar zijnen daarbij een zo groot mogelijk aantal wat wij noemen inwijdingen (dus vergrotingen van geestelijke contacten en mogelijkheden) tot stand te brengen. Ook dit is een van de punten, waarover vaak en lang wordt gedelibereerd.

U moet zich dit niet voorstellen als een Tweede Kamervergadering. Het is eerder het samen zoeken uit vele splinters naar een patroon, dat past bij de uitstraling van het goddelijk Licht van dit jaar. Het is ook geen kwestie van; mijn filosofie is zo goed, dus moet ik de inwijdingen onder mij hebben. Het is eenvoudig waar past de inwijding op dit moment het beste. Maar daar een ieder graag zoveel mogelijk wil bijdragen, zoekt een ieder toch wel een zo groot mogelijk aandeel te krijgen juist in het geestelijke werk.

Het is niet altijd prettig te ontdekken, dat je eigen groep op dit moment alleen maar geschikt is een beetje de kwade sfeer hier en daar weg te nemen. Je zou meer positieve dingen willen doen. Het is niet prettig de vloer te vegen, wanneer je een groot beeldhouwwerk zou willen maken. En hierin komt dus ook weer de menselijke achtergrond van de geest (zelfs van de hogere geest) vaak kenbaar naar voren.

Wanneer ik u dit inzicht geef, dan doe ik dit in de hoop dat u zult leren, dat de hoge geest niet hoger is dan u. Ze heeft haar eigen vermogens vergroot, haar wijze van levenserkenning, en doelstelling in het leven is misschien een andere. Maar wij zijn en blijven nog zeer lang allen individuen. Wij kunnen eenvoudig niet zonder meer opgaan in anderen. Het blijft altijd een compromis, een geven en nemen a.h.w. Een samenwerking is altijd het product van een toegeven allerzijds. Zonder dit is het niet mogelijk.

En wanneer u dat in uw eigen leven gaat verwerken, dan zult u ontdekken dat ook u met uw eigen denkbeelden, met uw geestelijke belangstelling, en heel vaak ook met uw stoffelijke problemen ergens zult moeten schipperen. Het doet nooit prettig aan, want schipperen, een compromis treffen, wordt heel vaak beschouwd als een soort verraad aan jezelf. Maar wanneer wij in die Witte Broederschap zoeken naar datgene, wat wij kunnen bijdragen aan een totaliteit, daarbij onszelf achterstellend ergens, dan kunt ook u op aarde dit ongetwijfeld doen.

Het gaat er niet om dat wat u goed vindt volbracht wordt. Het gaat erom, dat t.a.v. een gemeenschappelijk belang u datgene van uw eigen kunde, van uw wezen, uw persoonlijkheid, uw manier van beleven inzet, wat voor dat geheel een betere invloed geeft.

Het gehele leven is een mozaïek, dat wij opbouwen door steeds weer andere facetten van ons wezen in het geheel in te passen. Elk jaar, ja, eigenlijk elke maanmaand, elke 28 dagen, verandert er wel iets. En wij moeten steeds mee veranderen. Niet een zinloos je aanpassen, maar een bezien van de noodzaak. De noodzaak om geestelijk te leven, om te werken. De noodzaak om te komen tot een onderling begrip misschien. De noodzaak om een bepaald werk in stand te houden of om een vernieuwing ergens te realiseren. Dan gaat het er niet om; wie ben ik? Maar het gaat erom, wat ik op dit moment vanuit mijn wezen geven kan, zodat dit waar wordt. Het klinkt een beetje verwaand, wanneer ik zeg, dat in de Broederschap en de Raad van de Broederschap het uiteindelijk doel God is, maar dan God, kenbaar geworden ook in de mens.

Toch moet je een doel omschrijven. En waar wij zoeken naar de eeuwigheid in het tijdelijke, waar wij trachten de eeuwige harmonie waar te maken zelfs in de beperkingen van een menselijk leven, van een enkel jaar in de menselijke historie, een enkele wenteling van uw planeet rond de zon, daar moeten wij toch een beeld hebben, dat voor ons boven alle dingen staat.

Wat wilt u doen met uw leven? Ik geloof dat dit de eerste vraag is die gesteld wordt, of je nu hoort bij de Witte Broederschap of dat je alleen maar op aarde leeft. Niet; wat wilt u hebben? Of wat wilt u zijn? Maar wat wilt u doen met uw leven?

Uw leven moet een gerichtheid, een bestemming hebben. Die gerichtheid en die bestemming moet je voor jezelf bepalen. Je moet zoeken in de wereld iets te vinden, wat past bij jouw denken, bij je streven, bij je behoeften, bij je beleven. En dan moet je daarin steeds weer die delen van je persoonlijkheid geven, van je kracht, van je streven, van je kunde, waardoor dit geheel in stand kan blijven.

Dat betekent heel vaak, dat je terug moet treden op een ogenblik dat je eigenlijk graag naar voren zoudt willen treden. Het houdt vaak in, dat je een lagere, minder prettige taak moet aanvaarden, en soms ook een verantwoordelijkheid, die je bijna te zwaar is. Het betekent altijd weer, dat je binnen dit erkende doel vanuit jezelf initiatief neemt. U denkt misschien, dat wanneer eenmaal boven het z.g. altaar de kracht neer straalt in de Wessac-vallei alle problemen zijn opgelost dat een ieder zijn plaats weet. Maar dat is niet waar. Wij weten alleen daardoor beter, wat wij zijn. We beseffen juister, wat wij zouden willen. En wij zien in elkaar de mogelijkheid om die dingen waar te maken.

De taak van de Orde zal in het komende jaar misschien een heel andere zijn binnen de Broederschap dan tot nu toe. Er is een tijd geweest, dat wij a.h.w. speciaal een uitlaatklep waren voor bepaalde, zeer belangrijke leringen en openbaringen. We hebben het daarna moeten doen met een aantal beperkingen. Misschien zal dit een volgend jaar anders zijn. Niemand kan precies zeggen hoe.

Maar één ding is zeker: Wij, die ons de Orde der Verdraagzamen noemen (ook al weer een groep, die gezamenlijk ongeacht verschillen van persoonlijkheid en mening komen tot iets, wat zij de moeite waard achten en waar zij alles voor willen doen), wij zullen onze positie moeten bepalen… niet aan de hand van wat wij willen zijn, maar aan de hand van wat wij binnen het geheel kunnen betekenen.

En dat is misschien de meest belangrijke lering, die ik u vanavond kan geven. Het lijkt niet erg diepgaand misschien het lijkt niet erg hoogstaand. Maar het is de basis van alle geestelijke ontwikkeling, van alle werkelijke mystieke beleving, die zin heeft. Het is de basis van alle werk, van het meest eenvoudige en materialistische af tot het hoogste toe. En toch zijn er altijd een paar regels, waarmee je rekening kunt houden: Kies uw taak volgens uw juiste besef en uw kunnen. En kies die taak zo, dat u daarin zoveel mogelijk vreugde kunt scheppen. Iemand, die een taak a.h.w. tegen zijn wil probeert te vervullen, zal het nooit voldoende goed doen. Zoek een methode, waardoor je er zelf vreugde in kunt vinden.

Probeer nimmer een taak te vervullen, die ver boven je krachten gaat. Hierdoor zul je op den duur falen, tekort schieten t.a.v. anderen. Kies liever een nederiger en beperkter taak, die je wel kunt volvoeren. En ten laatste geldt altijd weer voor ons; vraag je niet af wat je zou willen doen, maar wat je kunt doen. Nu. Zelf.

Beroep je nooit op anderen. Beroep je in de eerste plaats op je eigen besef, op je eigen vermogen en je eigen bewustzijn. Pas wanneer je op deze wijze inspeelt in de totaliteit van leven, geestelijk en materieel, eerst wanneer je op die manier bewust aandeel neemt in de gemeenschap, in het gezamenlijk bereiken en streven, kun je misschien een beroep doen op andere krachten.

Voor jezelf kun je altijd wel een beroep doen op hogere kracht. Maar dat faalt heel vaak, omdat je zelf niet weet wat je feitelijk bent en wilt. In de gemeenschap kun je de hogere kracht vinden, wanneer je je eerst beperkt tot je eigen mogelijkheden. Wanneer je taak is gebaseerd op jezelf, vind je de kracht haar te vervullen. Wanneer je met je taak verder grijpt dan je in feite kunt gaan, speculerende op de andere kracht, die je zal aanvullen, dan blijkt vaak dat je niet meer de reserve hebt om die kracht te ontvangen, om er mee te werken.

Dus, vrienden, wanneer de Witte Broederschap deze regels in acht neemt, wanneer wij ook binnen de Orde deze regels aanvaarden, wanneer wij allen in de geest (ook degenen onder ons, die zeer hoog in aanzien staan op aarde) trachten steeds onszelf op deze wijze dienstbaar te maken in de gemeenschap, dan kunt ook u op aarde dit doen.

Dien de wereld naar uw beste vermogens. Niet door uzelf te etaleren in die wereld, maar door datgene wat ge weet in uzelf, dat mogelijk is en dat bestaat, juist daar te geven waar het bruikbaar is. Geef nimmer meer dan de wereld nodig heeft. Tracht niet de gemeenschap meer te geven dan ze vraagt. Dit roept alleen problemen op. Vervul uw beste functie volgens beste vermogen, en binnen de gemeenschap de taak, het ideaal, dat u gevonden hebt.

Besef daarbij ten laatste, dat een denkbeeld alleen waarde heeft, wanneer het in contact blijft met uw eigen realiteit. Elk denkbeeld, dat zich daaraan totaal onttrekt, maakt het u onmogelijk om daarbinnen vruchtbaar te werken.

Wanneer de Wessac-bijeenkomst is geweest, zullen wij zeer zeker trachten u voor te lichten over datgene, wat van belang is. Misschien zullen wij ook een beroep op u moeten doen. Ik weet dit nog niet zeker. Hoe het echter ook zij, wat ik u vandaag heb gezegd, geldt zeker voor het komende jaar voor ons allen. Het geldt voor u in uw eigen leven, zoals u bent.

Wie weet te geven wat van node is niet meer en ook niet minder vanuit zijn eigen wezen, wie zich beperkt door te geven wat werkelijk van node is, door te uiten vanuit zichzelf wat voor hem en anderen waarlijk nodig of nuttig is, die bereikt in zich, vóór zich, in de gemeenschap en voor de gemeenschap het beste. En zo iemand kan volgens mij zeggen: Ook wij trachten waar te maken de eeuwige God, kenbaar in de tijdelijkheid van een menselijk bestaan. Wij trachten het tijdloze te comprimeren in een volmaakte openbaring in het heden.

Wij zoeken de verplichtingen, waar de mensen altijd mee spelen, te herleiden tot de deelname aan de oneindigheid.

Ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt, dat ik u deze les geef. Nogmaals, ik ben hier enigszins malgré moi ik ben hier enigszins als uitvlucht of noodhulp, omdat anderen op dit moment moeilijk te bereiken waren.

Wat ik u gezegd heb is volledig in overeenstemming met de feiten, zoals ze bestaan binnen de Witte Broederschap. Wat ik getracht heb u te leren is volledig in overeenstemming met de goddelijke wetten. Het is ook volledig in overeenstemming met uw eigen zijn, uw eigen vermogen tot geluk, uw eigen vermogen om een werkelijke rol te spelen in alle bestaan.

Ik hoop dan ook, dat u uit dit alles voor uzelf toch enige consequenties zult willen trekken, en zo u dit doet u daarbij baseert op het werkelijke belang van de gemeenschap, zoals u die ziet en op uw eigen reëel besefte mogelijkheden en vermogens.

Ik hoop, dat u wetend of onwetend deel zult mogen hebben aan de uitstorting van Licht, die wij verwachten. En dat u daarin – evenals wij – helderder uw eigen mogelijkheden maar ook uw taak zult mogen beseffen.

image_pdf