Menselijk leven en God

image_pdf

12 juli 1976

Deze laatste cursusavond hebben wij een gastspreker die in zijn tijd in de literatuur heeft gezeten, dominee is geweest en die een redelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, ook aan onze kant. Zijn visie op het leven is op zijn minst genomen interessant en zijn lievelingsonderwerp – en daarbij komt toch de oude aap weer een beetje uit de nieuwe mouw kijken – is menselijk leven en natuurlijk God. Hij heeft zijn schrijvers- en domineesambities gemixt en wat daaruit naar voren komt is een wat wonderlijk beeld.

Nu moet u niet denken dat u van hem een preek te horen krijgt. Zijn visie kan ik misschien kort weergeven.

Tijdens het interview vroeg ik hem: “Wat denkt u nu van de wereld van de mensen?

Toen zei hij: “Wat ben ik blij, dat ik niet meer wist omtrent de werkelijkheid toen ik mens was, want nu ben ik als mens gelukkig geweest en als ik het niet was geweest, had ik later toch bij moeten leren.”

Dit antwoord is typerend voor de man. Hij kan zich niet helemaal losmaken, naar ik meen, van het denkbeeld dat het menselijk leven een beetje beschermd moet worden tegen de werkelijkheid.

Wanneer je probeert door te dringen – en ik ben nu eenmaal geen hard interviewer – vraag je: “Wat is dan volgens u de bedoeling van het leven?”

Zijn antwoord: “Voor zover ik kan nagaan, leren zien hoe dom je bent en hoe wijs God geweest is.

Mijn reactie: “Dat moet u mij duidelijk maken.”

“Wel” zei hij, “wij denken dat wij alles weten. Op een gegeven moment echter worden wij geconfronteerd met een kracht, die inderdaad alles weet. En dan blijkt dat wij niets weten. Als blijkt dat wij niets weten, dan willen wij pas leren.

Ik heb getracht dit om te zetten in praktijk; ik zal zo dadelijk mijn eigen visie geven. Het beeld dat zich bij mij ontwikkelde in een betrekkelijk lang gesprek was het volgende: Het leven op aarde wordt door heel veel mensen gezien als een voorbereiding voor het hiernamaals. Maar het hiernamaals kun je niet voorbereiden terwijl je op aarde leeft. Het is eigenlijk alleen maar een jezelf uiten. Duidelijk maken wie en wat je zelf bent volgens je eigen inzichten. Want pas wanneer je dat zelf geformuleerd hebt kun je in de spiegel kijken en zien wat de werkelijkheid is.

Ik heb hem ook gevraagd waarom hij God er zo weinig bijhaalt in vergelijking met vroeger.

“Ach,” zei hij, “mensen praten over God omdat ze er niets van afweten. En hoe verder een mens van de Goddelijke werkelijkheid afstaat, hoe meer hij over God spreekt.”

Toen wilde ik even doorprikken en zei:

“Dus daar spreekt u wel een oordeel over uzelf uit.”

Hij zei toen: “Dat hoef ik niet te doen, dat hebben anderen al gedaan.”

“Wat observeert u in de mens?” Toen kwam er een heel verhaal over de eigenaardigheden van mensen. Hoe eigenlijk in een uitermate grote pluriformiteit toch weer een eenheid kenbaar wordt e.d.

“Waarom wil u doorkomen?”

Antwoord: “Ach, preken is zoiets als een slechte gewoonte en als je jezelf niet in de verleiding brengt, zul je ook nooit preken.”

“Dus u meent dat u gaat preken?”

“Neen, ik wil juist proberen om het niet te doen.”

“Denkt u dat u zult slagen?

“Dat ligt aan de mensen die er zitten.”

“Waarom?”

“Niets brengt de vroomheid van de prediker zo op peil als de kwezelachtigheid van zijn gehoor.”

Toen werd hij mij, om eerlijk te zijn, iets sympathieker.

“Wat gelooft u dan wat de innerlijke werkelijkheid van een mens is, want het is een esoterische groep waarvoor u moet spreken.”

“De innerlijke werkelijkheid van de mens is de levende leegte temidden van zijn illusies.”

Daarover moest ik even nadenken. De levende leegte?

“Ja, want in die innerlijke werkelijkheid zijn de dingen die je niet kunt beseffen. Die je alleen maar kunt beleven. Daaromheen groepeer je al je illusies en al je denkbeelden en zeg je: dat is mijn innerlijke werkelijkheid.”

Voor mij mag het. Een laatste punt:

“Denkt u de mensen die op aarde leven een raad te kunnen geven?”

“Neen, dat heb ik vroeger teveel gedaan. Ik kan ze hoogstens zeggen wat ik er zelf van denk en dat is (en dit is een vrije samenvatting mijnerzijds) ongeveer het volgende: Mens, wanneer je leeft op aarde, besef dan dat je op aarde leeft. Probeer eerst eens op aarde al het goede wat je bent en wat je rond je ziet, waar te maken. Beleefbaar te maken. Wat er later komt zie je vanzelf wel weer.”

Ik zei: “Vroeger was u zo bezig met het Koninkrijk der Hemelen.”

“Ja, tot ik tot de conclusie ben gekomen dat wij door te preken over het Koninkrijk der Hemelen vele mensen dicht bij de hel brengen.”

En hier hebt u een korte sketch van onze gast van vandaag. Ik dacht dat u in deze spreker misschien iets van uzelf zou kunnen herkennen.

Als ik mijn eigen visie hierover geef zeg ik: Het is een confrontatie met de innerlijke gespletenheid van de mens en gelijktijdig met datgene wat eruit voortkomt.

Ik heb soms het idee, dat de mensen zoiets zijn als een kastanje. De kastanje aan de boom: een stekelige bol. Als hij op de grond valt, breekt de vrucht en dan komt er iets anders uit. Iets wat glans heeft en wat het eigenlijke leven heeft terwijl dat, wat daarbuiten zo levend leek, dood is. De wijze waarop je met de wereld omgaat en werkt met de wereld. Ik geloof dat de mensen in een voortdurend verweer zijn tegen de werkelijkheid waarin ze leven. De werkelijkheid van het bestaan wordt door de meeste mensen het beste omschreven door alle dingen die ze niet willen. Zodra mensen zeggen wat ze willen, zeggen ze in feite wat ze niet willen dat anderen doen. Op die manier kom je in een wereld te leven waarin je alleen maar tegenstellingen ziet. Tegenstellingen, conflicten, moeilijkheden.

Maar is dit wel reëel? Want je werkelijke leven is een voortdurende hunkering naar bevestiging, naar iets waardoor je betekenis hebt. Maar aan dat wat je betekent loop je voorbij. Dat is normaal.

Je wilt het allemaal buitengewoon. Maar het buitengewone kan niet, want je bent maar gewoon en dus zet je je stekels naar buiten toe uit en probeer je je te verweren. Je hebt niet in de gaten dat in jezelf een levend iets schuilgaat met een heel andere inhoud, met andere mogelijkheden, met een heel andere kleur zou ik haast zeggen.

De trillingen van een mens zijn tweeledig. Wanneer je naar de aura kijkt kun je het zien. Om het lichaam zit het laagje lichamelijkheid met een piekje emotie dat ook nog lichamelijk is en daarbuiten hebben we de gloed waarvan je zegt: dat is de geest die er in woont.

In een aura ben je nog geneigd het als één geheel te zien. Maar als je het bekijkt vanuit menselijk standpunt zijn het twee verschillende dingen.

Je innerlijk leven, de geest is eigenlijk iets waarvoor je bang bent. Waarvoor je wegvlucht.

Er zijn zelfs mensen die voor het begrip God wegvluchten. Niet omdat ze niet in God geloven. Niet omdat ze zich niet ergens verbonden willen voelen met het geheel, maar het zou iets kunnen zijn dat je persoonlijke wereld of gevoelens op de een of andere manier beroert. Ze zetten hun stekels op en zeggen: dat mag niet.

Er zijn mensen die zeggen: ik zou ten goede moeten leven, maar …. de wereld. Ze zijn bang voor het beste wat in hen leeft en juist daarom zetten ze naar buiten toe hun stekels op.

Wanneer ik nu dan kennis maak met een figuur waarin die gespletenheid al tijdens het leven enigszins kenbaar is geweest, dan dringt zich niet alleen dat beeld aan mij op. Het is ook die wonderlijke synthese die ondanks alles ontstaat. Want het gekke is, dat wanneer je voortdurend die werkelijkheid in je op de een of andere manier hebt afgesloten, verborgen hebt gehouden, je stekels tegen die buitenwereld hebt opgezet, je aan de andere kant in dit leven voortdurend bezig bent die innerlijke kracht op de een of andere manier actief te maken. Je kunt niet anders en wanneer de bolster valt blijf je over met dat geactiveerde. Dat innerlijk geactiveerde is echter een wereld in zichzelf.

Het is net alsof er in elke mens een andere wereld leeft. Een wereld die wij als mens misschien droom- of wenswereld noemen en waarin wij natuurlijk werken met symbolen van een stoffelijke wereld, maar waarin het in feite gaat om bepaalde verbondenheden of harmonieën waarbij God en al die dingen wel degelijk een rol spelen, alleen niet op een manier die we in ons uiterlijke leven kunnen uitdrukken. Daarom zijn wij zo bang voor onszelf.

De gast van vanavond, waarmee ik een hele tijd heb zitten praten probeerde – en dat doet eenieder geloof ik – te laten zien dat hij toch wel een eenheid was. Dat probeer ik ook, maar zijn we het wel? Zijn wij niet ergens innerlijk verdeeld juist omdat het wereldje aan de buitenkant en dat wat van binnen zit altijd blijft verschillen?

Blijvend bij het beeld van de kastanje zeggen we: “De bolster is gevallen. Kijk eens hoe mooi ik glans.” Maar het gaat niet om de glans. Het gaat om de mogelijkheid van nieuw leven die erin schuilgaat. Het is de mogelijkheid van continuïteit, van eeuwigheid die een rol speelt.

Wanneer wij ons bezighouden met die eeuwigheid in onszelf zien wij dat die bijkomstigheden niet zo belangrijk zijn. Die tellen niet zo. Maar op het ogenblik dat we de eeuwigheid –  eigenlijk omdat we ze misschien een beetje vrezen – proberen te onderdrukken, kijken we naar de uiterlijke dingen. Dan hebben we enorme emoties, hebben we enorme moeilijkheden met onszelf en de wereld, terwijl we weten dat het eigenlijk niet nodig is. Maar we doen het naar buiten toe, want dat is onze wereld. Dit ben ik en nu moeten ze niet denken dat ze dat mij kunnen aandoen.

Dit is het typerende. Innerlijk de synthese, de eeuwigheid, God en al wat je hebben wilt. Naar de buitenkant de enorme angst om dat in je besef toe te laten.

Er zijn mensen die streven om zichzelf te kennen. Maar als ze met God worden geconfronteerd, met het schijnbare Niets lopen ze weg.

Het schijnbare Niets, want het is wel degelijk Iets. Het is kracht, het is leven. Het is beleving. Het is schepping en ondergang zoals alle dingen: Dat ligt in ons wezen. Maar we kunnen gewoon niet verder komen. We kunnen de grens niet over, de grens die ligt tussen die innerlijke wereld, die zo volledig is, maar die ook volledige eisen stelt. Waar geen compromis meer mogelijk is. En die uiterlijke wereld waarin we zo heerlijk met voorstellingen en beelden kunnen schuiven. Waarin wij illusies kunnen koesteren en die zelfs agressief aan de wereld kunnen opleggen.

Ik geloof dat de gastspreker van vandaag ergens typerend is voor zowel dit menselijke conflict als voor de daaruit voortkomende geestelijke fasen.

Nu kan ik lekker over hem spreken, maar ik kan het net zo goed over mijzelf doen. Alleen ik was minder vroom en daarom kan ik mij nu voorstellen dat ik ruimdenkender was, ofschoon ruimdenkendheid over het algemeen maar betekent een mate van onverschilligheid voor zeer vele onderwerpen. Bekrompen blijf je altijd op die punten die jezelf raken. Dat moet u niet vergeten.

Eeuwigheid, tijdloosheid is een innerlijk waarde. Maar het is ook een innerlijke kracht. Ik krijg zeer sterk het gevoel, elke keer weer – ook wanneer ik zelf met sommige dingen geconfronteerd word – dat wij ook voor die kracht bang zijn. We zijn bang voor dat wat we werkelijk zijn en werkelijk kunnen.

We willen graag pretenderen dat we belangrijk zijn. We willen graag een klein wonder doen, maar geen groot wonder, want daarmee weten we geen raad. We willen graag een klein beetje medemenselijk zijn, maar we willen niet in de medemens opgaan, want dan zouden we misschien de illusies omtrent onszelf kunnen verliezen. Het is een enorm conflict.

Van de mogelijkheden die er voor een mens bestaan – er zijn honderden omschrijvingen voor – kies ik er een paar: Wanneer ik ga tot de werkelijke essentie van mijn wezen ben ik gelijktijdig overal en in elke tijd. Dan is er niets wat mij aangaat wat ik niet weet, wat ik niet ervaar en niet kan uitdrukken als het nodig is. Maar dan moet ik ook de gelijktijdigheid ervan aanvaarden.

lk moet aanvaarden dat ik gelijktijdig, bij wijze van spreken voor, een man, een held en een schoft ben of voor de vrouw, een heilige maagd en een sloerie. Je kunt niet zeggen: Ik ben dit of dat. Je kunt alleen maar zeggen: Ik leef en in de volheid van mijn leven en ervaren kom ik tot de erkenning dat het niet belangrijk is. De onbelangrijkheid van de verschijnselen.

U zit hier en doet aan geestelijk werk. Dat is erg belangrijk denkt u. Maar er is een tijd geweest, dat u heel ander werk hebt gedaan en misschien was dat allesbehalve geestelijk. Toen dacht u dat dat belangrijk was.

Wat is belangrijk? Je denkt misschien dat je de wereld kunt veranderen. Maar de wereld draait verder. Zelfs wanneer u nu voor een eeuw lang het lot van de wereld kunt bepalen, wat is dat dan nog op die paar miljoen jaren dat de mensheid zal leven?

Zeg dat er een kracht is, die alle dingen beheerst. Dat is waar. Als ik die kracht ben die alle dingen beheerst of ik ben er deel van, dan moet ik alles kunnen. Maar dat betekent ook dat ik door de vloer kan zakken of door de lucht kan vliegen net zo ik wil.

Dat betekent dat ik materiaal kan nemen en zeggen: ik maak er goud van of een slagroomsoes. Wat u maar wilt. Er zijn geen grenzen en geen limieten meer. Er is geen vaste wereld meer en ik heb het gevoel dat juist dit bestaan van vaste wetten, regels en verhoudingen in de wereld – onze wereld, want daarop kom het neer – dat dat iets is waaraan wij ons vastklampen.

Neem nu onze gast. Hij heeft verschillende sferen doorgemaakt en hij komt nu op een punt dat hij zegt: ik kan dat allemaal aanvaarden. Maar als je zegt: “Er is meer” zegt hij: “Is dit niet genoeg?

Wanneer je zegt: “Maar dit is eigenlijk allemaal niets. Wat vroeger was, bestaat nog steeds”, dan zegt hij: “Ja, maar ik ben gestegen.” Maar is hij gestegen? Een moeilijke vraag.

Weet u, wanneer je een druppel olie op het water gooit dan breidt die druppel olie zich uit. Op het laatst zie je alleen nog maar een film op het water. Moet je nu zeggen dat die olie meer is geworden, dat die olie anders is geworden of moet je alleen maar zeggen, dat de olie zich anders manifesteert? Ik meen dat dat met ons het geval is.

Wanneer ons wereldje langzaam maar zeker verdwijnt, omdat ons bewustzijn zich uitbreidt totdat wij steeds meer van werelden, van krachten gaan beseffen, dan kunnen we veel meer bewegingen van de eeuwigheid meemaken, want die hele deining zit er dan in. Maar zijn we meer geworden of zijn wij eigenlijk anders geworden? Alleen: wij hebben geen zekerheid meer.

Zolang je de druppelvorm hebt, ben je zeker: “Dit ben ik.” Maar als je een film bent die dobbert op de oneindigheid, waar ben je dan? Wat ben je? Wat van je wereld staat dan nog vast?

Het probleem van de eeuwige onzekerheid. De onzekerheid die menselijk gezien onaanvaardbaar is. En eerlijk gezegd: die geestelijk ook niet zo gemakkelijk te aanvaarden is.

Ik heb onze gastspreker gevraagd: als je gaat praten probeer het dan zo te doen dat je de mensen boeit.

“Maar ik ga niet preken.”

“Wel, dan kun je de mensen toch wel boeien?”

“Waarom zou ik de mensen ketenen?”

Ketenen is het verkeerde woord. Boeien is hier het woord, omdat je een eenheid van bewustzijn, van besef moet bereiken.

Toen zei hij: “Dat doe je het beste door ze een verhaal te vertellen.”

“Luister eens even, het is geen kinderklasje en geen zondagschool. Het is een esoterische groep van mensen, die ook veel hogere entiteiten dan wij beiden ontmoet hebben. Die kun je toch geen verhaaltje vertellen?

“Maar” zo zei hij, “een verhaal is vaak de waarheid die je niet kunt zeggen, omdat je ze alleen in een hypothese durft uit te drukken.”

“Zoek je het dan in symboliek?

Toen gaf hij mij een antwoord, dat volgens mij weer wijst op hetzelfde waarover ik het hierboven heb gehad. De angst om je ergens te verliezen. Hij zei:

“Kijk, wanneer ik een boek schrijf, durf ik tegen God te vloeken. En dat doe ik omdat ik het innerlijk ook wel gedaan heb, anders zou ik het niet kunnen neerschrijven. Maar ik kan het niet persoonlijk zeggen. Ik kan het wel iemand anders in de mond leggen.”

Mijn conclusie daarbij was: doen wij eigenlijk niet precies hetzelfde? Leggen wij anderen niet iets in de mond? Zijn er niet bepaalde bedoelingen en intenties, die eigenlijk van ons uitgaan en die wij vlug naar een ander projecteren? Bijvoorbeeld niet: “ik wil houden”, maar: “een ander wil hebben”. Of: “ik wil wel geven maar ze nemen het toch niet aan” en daarmee is het zinloos. We verschuiven het probleem. Wij draaien het naar buiten toe.

Wanneer wij een conflict met de werkelijkheid hebben, met de kosmos, met de eeuwigheid of met God, dan begint het ritueel. Het ritueel van het leven, waarin we alles buiten ons groeperen in schitterende kolommetjes met mooie namen en zo onszelf gebruiken als bezieling voor een aantal ledenpoppen, die wij door elkaar schuiven en waarna wij zeggen: Dat is de werkelijkheid. Maar wij hebben die werkelijkheid zelf gemaakt.

Om alles wat in jezelf bestaat gauw over te brengen naar een ander is ergens ritueel. Ik geloof dat we onszelf pas zijn in datgene wat we in anderen zien. Als je dan nog een stapje verdergaat zeg je: wanneer ik buiten mij de totaliteit van de kracht zie, dan ben ik die zelf.

Zo komen wij weer terecht op het oude Sanskriet, het “Tat Tvam Asi: Dit zijt gij.” Het is het denkbeeld van eenheid waarin ik mijzelf kan zijn, terwijl ik door het maken van een onderscheid tussen mijzelf en wat buiten mij is, de werkelijkheid omtrent mijzelf in een eenheid projecteer, maar gelijktijdig er zelf buiten blijft staan. Het is a.h.w. onze vriend die, op de kansel staande, God’s zegen afsmeekt over de gelovigen en vergeet om het over zichzelf te doen. Daardoor zichzelf tot de zegenende Heer maakt, maar gelijktijdig zijn gemeente tot dat deel van zichzelf dat gezegend wil worden. Hij heeft niet de moed het zelf ook voor zichzelf te doen. Vreemd, vindt u niet?

U leeft. U hebt, naar ik hoop, een hoop plezier en in dit leven moet u dan nagaan wat de waarheid is. (nu ga ik nog belerend worden ook!) Is het zo belangrijk wat u doet en laat in dit leven? Wanneer u heel eerlijk bent: is het zo belangrijk wat je bereikt of niet bereikt hebt? Is niet heel veel eigenlijk meer een soort spelletje wat je met jezelf speelt? Als dat waar is, wanneer je in feite een spelletje met jezelf speelt, kun je dan niet beter zeggen: Zo ben ik. Dat wil ik! En niet zeggen: De wereld zegt het. Dan vloeit dat deel van jezelf a.h.w. over naar het andere, maar de grens tussen ego en wereld is weggevaagd.

Ik weet het, er zijn geen zekerheden meer, er zijn geen heilige boeken meer, waaruit je dan nog leefregels kunt halen. Dan zijn er geen openbaringen meer waardoor je alles kunt rechtvaardigen wat je doen wilt of gedaan hebt, maar één ding blijft over: Eenheid en kracht.

Wanneer wij diep in onszelf kijken, dromen we allemaal dat wij almachtig zijn. We zijn begaafd met superkrachten. Wij genezen en we wreken onrecht. De een wil kanker genezen, de ander wil Amin ophangen, want een ieder heeft zo zijn eigen lievelingsdromen. Zijn dergelijke dingen eigenlijk niet een erkenning van de macht die in onszelf schuilt? De werkelijke betekenis die wij hebben?

Niet wat wij gaan doen. Neen, wat wij zijn. Niet wat anderen in ons moeten zien. Neen, wat wij zijn. Toch is het waar. Wat wij zijn!!

Conclusie: Wat wij zijn is al datgeen wat in ons als wens, droom en angst bestaat. Dat is onze werkelijkheid. Dat is de wereld waarin wij leven en niets anders kan aansprakelijk zijn. Niets anders kan werkelijk activerend of beïnvloedend zijn dan wijzelf.

Wij leven in een wereld waarin alle zekerheden die wij veronderstellen voortdurend verdwijnen. De tijd vreet je zekerheid op. Je bezit van vandaag heb je morgen niet meer en wat je vandaag nog denkt te kunnen is morgen onmogelijk. Uiterlijkheden tellen niet. Wat je “bent” wel. Wanneer je die uiterlijkheden terzijde kunt stellen, wanneer je de grens tussen jezelf, je droomwereld en je zg. werkelijkheid kunt uitwissen, wanneer je de onzekerheid durft aanvaarden, vind je het enige werkelijke evenwicht met de Goddelijke kracht. Met het bestaan, met het leven.

Dat is de lering die hierbij hoort. Voor menigeen moeilijk te verteren. Voor anderen mooie woorden waaraan je geen inhoud kunt geven. U hebt gelijk. Maar toen ik met deze gastspreker bezig was, kwamen deze dingen in mij naar boven. Toen werd ik geconfronteerd met een wonderlijke tweeslachtigheid, die gebaseerd is op een behoefte aan zekerheid. Aan wat wij misschien noemen: zelfrespect of zelfhandhaving e.d.. Ik geloof dat hij er al een eind bovenuit is, zoals ik er misschien ook een stukje bovenuit gekomen ben. Maar wij zitten er nog aan vast, zo goed als u. Ook wij spelen nog het rituele spel van het bestaan in een wereld buiten ons die aansprakelijk is.

Ik hoop dat u dit denkbeeld in uw achterhoofd wilt houden als u zo dadelijk naar de gastspreker luistert. U zult ontdekken dat er heus wel sfeer in zit. Het is ergens een prettig mens. Het is een geest, die veel mooie denkbeelden heeft, maar ergens heb ik het gevoel dat hij, zo goed als ik, teveel bezig is met zichzelf als een waardemeter voor een wereld die los staat van die wereld. En dat kan niet. We zijn er deel van en alleen als deel kunnen wij de werkelijkheid beleven. Alleen als deel van de werkelijkheid kunnen wij onze kracht waarlijk openbaren.

Vrienden, ik wens u een prettige en leerrijke avond. Maar let u op het ritueel van “de wereld en ik”. Twee verschillende dingen.

De gastspreker.

Ik zat al in de consistoriekamer, de geestelijke wel te verstaan, en ik ben blij dat ik mij nu ter plaatse mag melden. Het is een hele beleving wanneer je door kunt komen – ik vind dat een verschrikkelijk woord – in een groep van dit gehalte. Ik hoor een zachte kreet van een naar ik aanneem anglofiele dame die “hear, hear” roept.

Men heeft mij – het is gebruikelijk dit zo te zeggen – verzocht om niet te preken. Ik zal proberen om niet in oude en slechte gewoonten te vervallen. Toch moet ik u het een en ander vertellen over mijn visie op de mensheid, op het leven en uiteraard ook over de “hoogste instanties.”

Als ik aan mensen denk, zie ik altijd weer het kleine kerkje voor mij, waarin de notabelen onder onderling kritische blikken de woorden van de preek langs hun zondagse kleren laten glijden. Als je ze zo ziet, vraag je je af of ze een Bijbelwoord kunnen verstaan. Maar spreek je met hen, dan is elk derde woord een citaat uit de Bijbel. Dat is natuurlijk erg mooi wanneer dat gebeurt zoals het behoort: binnen de betekenis en het verband, dat in het boek zelf wordt gelegd. Maar dat blijkt vaak minder juist te zijn.

“Parelen voor de zwijnen gooien” zien zij als geld uitgeven dat geen rente opbrengt.

Dan denk ik aan al die mensen met hun zorgjes en probleempjes, die hele kleine gemeenschap, die bezig als mieren in hun nest – en vergeef mij de opmerking: ook in elkaars nest zo nu en dan – eigenlijk niets anders doen dan eindeloos dezelfde gebaren herhalen.

Men zegt dat in uw tijd de wereld wijder, opener is, maar als ik goed zie is alles nog hetzelfde. De vernieuwers spreken van anarchie en de verkondiging van het woord wordt met hetzelfde lome enthousiasme aangehoord om daarna over te gaan tot de handelingen die eigen grootheid en voordeel bevorderen.

Hieruit kunt u opmaken, dat mijn visie op de mensheid niet altijd even florissant is en dat ik niet geloof in de opvallend snelle verbetering van het menselijk ras. Toch zie ik in de mens meer dan alleen maar het wezen, dat met oude gebruiken en gewoonten zijn weg pleegt te gaan.

Kijk je als geest naar de mens – iets wat ik niet zonder verwondering enige tijd heb kunnen doen – dan zie je plotseling in die mens allerlei vreemde onbegrijpelijke emoties kolken. Een mens wil graag erkend worden. Belangrijk zijn. Erbij behoren. Zeker. Maar waarom? In de hele geschiedenis van de mensheid moet dit wel ongeveer gelijk zijn geweest. Er is geen mens geweest die voor zichzelf kon zeggen, waarom hij eigenlijk bij een groep wilde behoren. Bij anderen.

Vergeef mij, dat ik op mijzelf wijs. Ook ik wilde behoren tot een kerk en niet tot zo’n kleine genootschap, maar tot een wat strengere kerk. Niet zo’n lichtzinnig floddergedoe. Waarom? Zekerheid. We willen zeker zijn. Maar kun je zeker zijn door anderen?

Wanneer ik zeker wil zijn moet ik mijzelf zijn.

Als ik mijzelf moet zijn, kan ik niet meer het beeld tonen dat anderen van mij willen zien.

Het is altijd weer het wonderlijke spel van angst en zelfzucht dat eens een Simon Petrus tot de verloochening van zijn Meester bracht. Drie malen zelfs voor de haan kraaide. (Dit riekt volgens mijn gezel en inleider teveel naar een preek en hij heeft gelijk!) Ik vraag mij af hoe het komt, dat een oude gewoonte om in die beelden te spreken zo moeilijk teloor gaat. Wil ik misschien gezag ontlenen aan boeken, die geen gezag hebben, tenzij ze in de mens leven? Neen.

Een verhaal mocht ik u ook al niet vertellen, ofschoon ik u menige interessante domineesanekdote had kunnen vertellen. Zoals die van de vrouw die kwam en zei: “Dominee, ik ben in gewetensnood, want ik weet dat ik een grote zondares ben.”

“Als je dat weet moet je veranderen, berouw hebben. De Heer om kracht vragen.”

“Ja maar, wanneer moet ik dat doen?”

“Nu.”

“Het spijt mij dominee, maar ik heb over een kwartier alweer een afspraak.”

Een domineesanekdote, maar gelijktijdig een typerend beeld van de mens en al wat de mens pleegt te zijn. We willen graag goed zijn, maar dat moet dan niet de zaken of onze genoegens storen. Want dan wachten wij nog even voor wij de waarheid aanvaarden. Het is misschien een wat pijnlijke bekentenis, maar ik geloof niet in deze uiterlijkheden.

De mensen spelen komedie. Die komedie is vaak buitengewoon goed en geloofwaardig, maar zij verloochenen wat ze zijn.

Wij zeggen dat wij Gods schepselen zijn. Maar als je het goed bekijkt, gedragen wij ons of de tegenpartij in onze vervaardiging een ruime hand heeft gehad.

Wij spreken over God als de kracht die alles goed maakt en daarna gaan wij rustig verder te klagen over al wat er verkeerd is. “Wat de Heer heeft gedaan is wel gedaan” en nu moeten we gauw zien dat we de zaken een beetje beter laten lopen.

Ik heb een ouderling gehad die, wanneer het ging om de kosten van de verkondiging en de bijdragen aan de zending en zo altijd weer zei: “Dominee, Gods wil is heilig. Maar God betaalt de rekening niet. Dat doen wij.” Zo is het eigenlijk ook. Laten we dus eerst teruggaan tot de werkelijkheid die wij zijn.

Ik vind het goed dat wij diep in onszelf zoeken naar de Schepper en de Kracht. Dat we luisteren of Gods stem in ons spreekt. Als Hij gesproken heeft gaan we toch weer verder. Maar dan weten wij misschien dat Hij er is.

Is het belangrijk dat er een God is? Vanuit menselijk standpunt maakt het weinig verschil uit.

Vanuit geestelijk standpunt maakt het een gevaar uit en niet alleen een zegen. Je hebt een kleine wereld waarin je gelukkig bent en dan ineens begint die wereld groter te worden. Alle knusse gezelligheid verdwijnt en daarvoor in de plaats komen continenten die je moet gaan verkennen. Het avontuur is aantrekkelijk en aanlokkelijk, vooral wanneer een ander het ondergaat.

Ik heb in mijn dagen geprobeerd om het een en ander te zeggen over God.

‘De Heer is mijn Herder. En ziet, ik volg Zijn Stem.” Jawel, “ik volg zijn stem”. Ik geloof niet dat God ooit werkelijk een stem in het kapittel heeft gehad. Zelfs mijn preken werden niet door God gecorrigeerd. Dat gebeurde door de raad van ouderlingen.

Ik heb geschreven in mijn tijd. O, niet veel. Wat schetsen, wat gedichtjes en de meeste stammen uit mijn studententijd. Maar ik heb nooit toegegeven dat ik ze geschreven had, want anders waren ze ook door de ouderlingen gecorrigeerd. En ik had het genomen. Want, mijn lieve vrienden, als mens en als geest ben je gebonden. Je bent gebonden aan jouw wereldje. Aan de krachten waaruit je denkt te leven. Maar ben je wel gebonden?

U zult mij niet geloven, maar het maakt mij zenuwachtig tot u te spreken. Ik heb de zenuwen als iemand die zijn proefpreek komt houden en op een beroeping hoopt. Ofschoon ik nu geen beroep meer van node heb.

Ik wil proberen om eerlijk te zijn en te zeggen wat ik denk. Wat ik leef. Zover de woorden reiken.

Wat u bent is niet belangrijk, want dat verandert steeds weer. Uw beeld wordt bepaald door de mensen waarvan u meent dat zij naar u kijken. En anders niet.

Uw verleden is voor u belangrijk. U hebt herinneringen. Maar de tijd heeft die herinneringen al verteerd.

U denkt dat u later belangrijk zult zijn. Ik heb zelfs gemeend dat ik een plaats verdiend had, dicht bij de rechterhand Gods …. En nu zit ik in een genoeglijke sfeer met de zekerheid dat ik nog heel wat zal moeten leren.

Niets is belangrijk buiten het licht in uzelf. Dat hebt u waarschijnlijk reeds vaak moeten horen, maar dat licht in jezelf is geen besef.

Ik heb gebeden om Gods leiding en ik heb alleen mijzelf misleid. Ik heb geroepen om de kracht van de heilige geest en mijn inspiratie kwam uit een vergeeld prekenboek en een toevallig gelezen hoofdartikel van een man die in een politiek weekblad schreef.

Ik heb gezegd: “lk wil de waarheid zien. Ik heb de riten precies gebruikt. De juiste woorden gesproken, de juiste gezangen laten zingen en er was niets. Helemaal niets.” Dat is moeilijk om te zeggen.

In mijzelf is er iets dat al die dingen verteert, zoals een vlam een vod papier verteert en de as doet wegdwarrelen tot er niets overblijft. Iets in mij verteert het verleden. Het beeld van mijzelf. Mijn beeld van de wereld en angstig zoek ik het steeds weer te reconstrueren. Maar als ik toegeef aan deze waarheid in mij is het onbelangrijk, niets waard. Is God dit vuur? Ik weet het niet.

Ik heb jaren gestudeerd om te kunnen zeggen wat God is. Hoe God zich geopenbaard heeft en wat God wil. Ik ik kan niet eens zeggen of dit vuur in mij, dat de herinnering doet vergaan, dat de belangrijkheid wegvreet tot alleen nog een siddering van leven overblijft: God is, of niet. Ik kan alleen naar zeggen: Ik weet dat die vlam er is.

Wil ik de vlam zien, dan moet ik dromen; dromen van wat ik ben, dan moet ik mijn herinneringen beschouwen en terwijl het vuur in mij ze vreet en verpulvert, besef ik de vlam en blijft alleen de vlam over. Geen laaiing van vuur, maar een ijle tinteling waarin mijn wezen is en niet is tegelijk. En in een flard besef ik: dit ben ik.

Ik vraag dan: Is dit God? En het spel begint opnieuw.

Herinneringen, beelden van mijzelf. Beelden van de wereld. Sferen herontstaan. Het verleden bloeit weer open en is zinloos tot het ogenblik dat dit vreemde vuur in mij het verteert en mij overlaat als een ijle siddering in het onbekende.

Geen taal voor een dominee. Armzalige formulering voor iemand die denkt dat hij kan schrijven. Maar de waarheid. Mijn conclusies zullen wel verteerd worden zoals de rest. Ik heb nu weer een fase dat ik zeg: dit ben ik.

Wat je bent, mens, is niet belangrijk. Wat je denkt, mens, is niet belangrijk. Wat je weet, mens, is nietig. Het enige belangrijke is die vreemde siddering waardoor je werkelijk leeft en ik weet niet eens of die siddering God genoemd mag worden. Misschien is het alleen maar een ijle uitwaseming van één die elders droomt. Dat is de waarheid.

Wanneer ik naar de mensen kijk, heb ik soms medelijden en soms glimlach ik. Zie ze gaan in hun mooie gewaden, met mooie gebaren en het passende woord. Zie ze daar elkander bestaren en onderling fluisteren hoe het wel hoort. Ik zie ze stil denken en ik zie ze stil dromen. Ik zie ze ook hopen op anderen tijden en weet: dit alles wordt verteerd door het leven. Het is een schijn, slechts omgrenzend de werkelijkheid.

Wij preken en spreken, wij oordelen, breken de staf en hebben de rede vermoord, de emotie gewurgd, de naam van een God die wij niet kennen en hebben verloren, omdat we de waarheid niet kennen en niet horen.

Wie preekt van een God is niet meer dan een zot.

Het werkelijk leven, het werkelijk streven, de werkelijke kracht en intensiteit ligt diep achter het leven, diep achter de zorgen. Diep achter verwachtingen, uiterlijk verborgen. Het enige Licht van de eeuwigheid.

Nu verval ik in een andere fout en nog slechter dan ik het vroeger deed.

Wat kan ik u anders zeggen dan dit: Het menselijk spel is onbelangrijk. Besef het en speel het goed. Het geloof en het spel van het geloof is spelen met een blokkendoos van woorden en gedachten, maar speel! Misschien leer je iets van de werkelijkheid. Zoek in jezelf zo je wilt. Bedelf je zelf onder de dromen die instorten als je verder graaft, zoekend naar waarheid. Misschien vind je een begrip dat werkelijkheid is.

Ik heb geleefd. Ik heb gesproken, gepredikt, gezocht en ik moet zeggen: weinig heb ik gevonden. En toch dat weinige is zo’n krans van geluk. Het is een verwaaiende droom van voleinding. Het is leven op een manier die je je haast niet kunt voorstellen. Toch was het maar zo weinig wat ik had.

Wees niet bang voor de werkelijkheid, mens. Ga rustig verder. Laat de plechtige woorden langs je kouwe kleren afglijden. Maar denk niet dat dit het belangrijke is. Soms zal je zelfs als mens – want ook dat weet ik uit ervaring – een lichte verwondering voelen. Een ogenblik dat je zegt: droom ik nu of waak ik? Ergens een intensiteit voelen en dan is het alweer voorbij. Even een glans van een onuitsprekelijk, onuitdrukbaar, onomschrijfbaar gelukkig zijn. Dat is je werkelijkheid.

Ik weet niet of het God is en als het God niet is: mijn God, wat ligt dat dan dicht bij het beeld dat wij ons van u maken.

Daarom zeg ik: in de riten vragen wij om zegen. Maar die wordt ons altijd gegeven al beseffen wij het niet. Daarom zeg ik u: wees jezelf zolang je in jezelf maar even, voor een enkel moment iets voelt van die sidderende vlam, die de uiterlijkheden teniet doet, de herinneringen verteert en de wonderlijke vrede overlaat waarin je bent en niet eens meer vragen kunt: is dit God?

Ik ben blij dat er geen raad van ouderlingen meer is. Die zouden dit ongetwijfeld niet genomen hebben.

Ik ben ook blij, dat u ergens geluisterd heeft achter mijn woorden. Het ellendige van woorden is dat ze de werkelijkheid vaak begraven. Ik heb nog maar één ding en dan mag ik gaan:

Probeer een beetje gelukkig te zijn. Probeer een beetje vrede te kennen. Probeer te leven en te voelen, werkelijk te bestaan. Dat brengt je het dichtst bij die korte droomachtige ogenblikken van werkelijkheid.

Wees gelukkig, mens. De vrede des Heren zij met u op uw wegen.

image_pdf