Menselijke psyche en sferen

uit de cursus ‘Inzicht 1’ – (hoofdstuk 3) – december 1962

Menselijke psyche en sferen

Er bestaat een verband tussen de mens en een groot aantal sferen. Dit verband kan over het algemeen astrologisch worden gelegd aan de hand van de verschillende planeten. Wij kunnen echter ‑ naar ik meen – verstandiger uitgaan van de verschillende bewustzijnsvormen, die in de mens bestaan.

Hij heeft allereerst natuurlijk zijn stoffelijk, redelijk bewustzijn. Daarnaast heeft hij verschillende vlakken van emotioneel beleven en vervolgens kent hij een inspiratief vlak, dat bij de meeste mensen slechts zelden tot uiting komt. Al deze vlakken kunnen worden gezien als in verband staande met bepaalde sferen. Nu ligt het voor de doorsnee-mens als volgt:

Ten eerste is hij natuurlijk zuiver materieel gebonden.

Ten tweede heeft hij in de rede (voor zover deze abstract denkend of ideologisch denkend is) meestal een contact met het astrale gebied, met de levenswereld.

Dan vinden wij in deze mens een emotioneel denken, dat vreemd genoeg onmiddellijk met het mentaal gebied is verbonden. Hieruit krijgt hij voor zijn bewustzijn een groot aantal impulsen, die echter niet meer een redelijk of een normaal denken zijn, maar met gebruikmaking van het redelijk denken sprongsgewijs progressie mogelijk maakt in het benaderen van zekere problemen, vooral persoonlijke problemen.

Daarnaast vinden wij dan een tweede emotioneel vlak, dat niet zo gemakkelijk is te omschrijven. Hier is de mens nl. gebonden aan een hogere waarde. Hij gaat hier werkelijk al contacten krijgen met de lichtwerelden; maar in dit contact bereikt hij slechts de gevoelens. Hier wordt a.h.w. de toon aangegeven, waarop hij met zijn stoffelijk voertuig én met de rede werkt. Hier wordt dus eerder een tendens bepaald dan een invloed gegeven. De progressie, gemaakt in deze sfeer, komt dan ook zelden of nooit tot uitdrukking in de directe ontwikkeling van een denkbeeld, in de directe inspiratie. Het komt eerder tot uiting in de wijze waarop; het is a.h.w. de toon, waarop men spreekt, de wijze waarop men leeft, die hierdoor weer wordt bepaald.

Hierboven vinden wij een volgend vlak, dat eveneens emotioneel wordt genoemd. Dit emotionele vlak is eigenaardig genoeg direct verknoopt met vele stoffelijke emoties. Alles, wat hier bewust wordt ervaren als een geestelijk denkbeeld, wordt naar de aarde geprojecteerd, maar wordt daar tot instinct. Het is niet meer een beredeneerd iets, het heeft niets meer met abstracties te maken, het is een directe behoefte. Deze behoefte openbaart de inhoud en de werking van het geestelijk voertuig.

Daarboven ligt dan voor velen – maar niet meer voor allen – nog een vlak, waarin het goddelijk Licht of de goddelijke Waarheid is vervat.

Alles wat hieruit voortkomt is inspiratief, er worden plotselinge associaties geboren, die echter niets meer te maken hebben met enige pro­gressie van denkbeelden of van bewustwording. Het zijn eenvoudig beelden (woorden of begrippen), die men heel vaak niet kan thuisbrengen en deze inwerking kan de mens helpen om zich in het leven juist te oriënteren. Er wordt voor de mens a.h.w. een verschil gemaakt tussen goed en kwaad. Met het z.g. stoffelijke geweten heeft dit verder niets te maken.

Nu zult u moeten begrijpen dat wij – als wij willen streven in de richting van de esoterie, van de magie, van de bereiking, van onze bewustwording – rekening zullen moeten houden met deze verschillende factoren in het wezen. En om dit op de juiste wijze te kunnen doen moeten wij allereerst beseffen wat de sferen zelf betekenen.
Wij kunnen zeggen, dat alle vormkennende sferen op enigerlei wijze samenhangen met uw eigen wereld. Het zijn andere uitingen, andere vormen, maar er gelden ongeveer gelijke wetten en denkbeelden. Kan in een sfeer de vorm meer vervagen en sneller overgaan in een andere sfeer dan in een stoffelijke wereld, dan betekent dit nog niet dat uw reactie een to­taal andere is. U zou kunnen zeggen: In alle vormkennende sferen zal het eigen wezen of de voertuigen van dat wezen, die daarin bewust zijn, menselijk reageren.

Krijgen wij te maken met werelden van zuiver licht, dan valt het men­selijke in het denken weg en daarmee ook alle beperkingen en vooroorde­len die in een vormwereld nu eermaal blijken te bestaan. De scheidingen of grenzen, zoals die in een vormwereld voorkomen, zijn hier eveneens niet aanwezig. Het gevolg is een grotere ruimheid en een grotere scherpte van denken met een steeds juistere conceptie a.h.w. van eigen doel. Hierdoor zult u dus in een dergelijke sfeer kosmisch kunnen denken. Dat kunt u op aarde niet; u kunt het hoogstens proberen te benaderen.

Komen wij in de daarboven liggende werelden of sferen, dan mag wor­den gezegd, dat zij vreemd zijn aan wat de mens de werkelijkheid noemt. Zij behoren tot een goddelijke wereld die volledig concreet is, maar gelijktijdig volkomen evenwichtig. Er is geen beweging, er is geen tijd, er is geen ruimte. Er is alleen maar Het Zijn. En voor het ervaren van het perfecte wordt dus een aanpassing gezocht.

Is men zich – wat ook voorkomt – in nog hogere voertuigen bewust, dan zal men de juiste verhoudingen, die het geheel van het “ik” uit­maken, in die hogere sferen nog veel scherper moeten ervaren.

Nu ik deze sferen, althans voor dit doel heb gekenschetst, moet ik teruggaan tot de menselijke psyche zelf. En dan kom ik tot een aantal conclusies, die ik u achtereenvolgens wil voorleggen.

  1. De doorsnee-mens leeft niet volgens zijn werkelijk wezen, maar volgens een illusoir beeld, dat hij zich van dat wezen heeft ge­maakt. Slechts door zich aan de illusie vast te klampen kan hij de werkelijkheid verdragen.
  2. De doorsnee‑mens is zich ervan bewust dat die waan bestaat. Hij weet wel degelijk, dat veel van wat men hem voorzet niet echt is. Hij voelt heus het verschil wel aan tussen een werkelijke mede­deling en iets dat propaganda is. Tussen werkelijk enthousiasme en een opgeschroefd enthousiasme. Tussen een zuiver natuurproduct en de imitatie ervan. Maar hij kan dit onderscheid zelf niet meer aanvaarden, omdat zijn eigen wereld te veel schijnwaarden bevat. De doorsnee‑mens is vervreemd van de directe werkelijkheid van het leven.
  3. Wanneer wij beginnen met geestelijk streven en esoterisch denken, zoeken wij ergens buiten deze strijd van werkelijkheid en illu­sie waarin een mens leeft, te komen tot een nieuw beeld, dat voor het “ik” wel aanvaardbaar is en volgens het “ik” waar. Zolang een dergelijk beeld wordt opgebouwd aan de hand van illusoire beelden, die men in de wereld nu eenmaal aanvaardt, zal dit beeld van nul en generlei waarde zijn. Het resultaat is, dat religieuze spanningen kunnen optreden; dat men zich teleurgesteld kan voelen in de geest, in geestelijke gaven en krachten en in vele gevallen in opstand komt.
  4. Een ander punt dat ons opvalt, is de neiging van de mens om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. U moet begrijpen, dat de verantwoordelijkheid voor de mens niet altijd een echte is. Er zijn heel veel dingen waarvoor men zich persoonlijk verantwoor­delijk acht, terwijl men in feite daarvoor geen verantwoordelijkheid kan dragen. Men meent verantwoordelijk te zijn, maar men wil deze verantwoordelijkheid niet dragen. De poging om deze te ontgaan en bv. door opdracht, bevel of op instigatie van anderen de persoon­lijke aansprakelijkheid van zich af te wentelen, is dan ook zeer groot. Dit lukt natuurlijk nooit volledig; want men kan wel zeggen, dat een ander aansprakelijk is, maar men kan niet zelf ervan over­tuigd zijn. Ook hierdoor ontstaat strijd in eigen wezen; en deze strijd voert dan weer tot een verdere vervalsing van de realiteit waarin men leeft.

Wij moeten nu de menselijke psyche ontleden. En dus begin ik allereerst te stellen, dat juist het redelijk vlak, dat zeer sterk verwant is aan het astrale en de gevoelswerelden (de gevoelsvlakken in de mens, die verbonden zijn met vormkennende werelden) aanleiding geeft tot deze vervalsing en tevens tot de behoefte om zichzelf anders te zien dan men is. Wij ontdekken, dat de doorsnee‑mens bv. ontzettend graag argumenteert over dingen, die hij zelf niet in praktijk kan brengen of probeert dingen in praktijk te brengen, die boven zijn macht en buiten zijn vermogen liggen, terwijl hij gelijktijdig van anderen eist dat zij daarom zijn eigen fouten dulden. Dit is natuurlijk niet aanvaardbaar en zolang wij dit niet in onszelf erkennen, zal onze bewustwording voortdurend worden geschaad door de spanning, die wij tussen ons en onze omgeving wekken. Misverstand, onbegrip, een poging om anderen de erkenning van eigen wezen of eigen denken af te dwingen en de strijd om eigen superioriteit te bewijzen komen hieruit voort.
Nu zijn – zoals u weet – vooral de lagere sferen en de astrale wereld zeer sterk gevoelig voor het menselijk denken en voor alle gedachtevorming, die ook van uit geestelijke sferen daarin kunnen worden geopenbaard. Het gevoel van onwerkelijkheid, het leven in een illusoire wereld, dat bij menige mens voorkomt, maakt hem tot een direct slachtoffer daarvan. Hij is nl. geneigd astrale waarden als even grote realiteit te beschouwen als de waarden van zijn eigen wereld, die immers – zo voelt hij onbewust aan – toch ook vervalst zijn. Hierin ligt voor de zelfkennis, maar ook voor het gebruik van eigen vermogens en krachten, een zeer grote belemmering.
Wanneer wij willen uitgaan van het innerlijk wezen van de mens, dan moeten wij in de eerste plaats uitgaan van zijn innerlijke werkelijkheid. Ik heb u al eerder gezegd, de vraag zal steeds weer luiden: Wat wilt u; wat droomt u; wat bent u? Zolang u op deze vragen geen eerlijk antwoord wilt geven, zolang u voor uzelf steeds weer probeert de waarheid te omzeilen, kunt u voor uw eigen idee een goed mens zijn, maar dan zal uw prestatievermogen klein worden.
Hier ligt dan ook voor u allen een zeer belangrijk punt. Wij kunnen niet direct van u eisen of verlangen, dat u uitmaakt wat voor u illusoir is, wat de illusies zijn waarin u leeft en wat de werkelijkheid is. Maar u kunt wel beginnen de werkelijkheid te erkennen die rond u bestaat. Probeer niet anderen uw idee op te dringen; anderen a.h.w. in te passen in het kader van uw illusies. Probeer niet anderen te dwingen tot een erkenning van uw wezen, zoals u het zelf zou willen zien, maar accepteer dat deze anderen u ook zien volgens hun denken. Wanneer u dit doet, ontstaat de eerste graad van werkelijkheid en zult u daarmede tevens enigszins ontgroeid zijn aan die gedachte-invloeden, die uit het astrale optreden.

U zult dan nog niet ontgroeid zijn aan de emotionele werkingen in uzelf, die uit de vormkennende werelden stammen, maar u kunt ervan verzekerd zijn, dat u dan ook uw emoties beter en juister gaat zien. U gaat afstand doen van de vervalste wereld. En u gaat uw emoties nu niet meer uitdrukken binnen een bepaald raam van gebruiken, van opvoeding, van gedachte-invloeden, maar binnen het raam van een erkende werkelijkheid. Niets is belangrijker voor een mens dan dat hij leert te handelen en te reageren in de werkelijkheid. Want alle krachten, die in de sferen bestaan, alle mogelijkheden om contact te krijgen met de geest, om een inwijding te verkrijgen, om steun te krijgen, om deel te nemen aan een of ander lichtend werk, om een goddelijke taak waarlijk te beseffen en te vervullen zijn afhankelijk van de erkenning van de werkelijkheid waarin men leeft.

Zolang u denkt dat u kunt betalen met ideeën, bent u een valsmunter. U probeert de munt der bewustwording te vervalsen. Maar op het ogenblik dat u kunt overgaan tot het eerlijke en spontane antwoord, dat is gebaseerd op de beleving van die andere werelden, is de energie van die andere werelden voor u toegankelijk. U zult dus uit die werelden bewustwording verwerven. U zult uit die werelden kracht en inzicht verwerven; en u zult kracht, inzicht, wijsheid, alle mogelijkheden die er bestaan, in uw wereld tot uiting kunnen brengen en toepassen, niet op schijntoestanden maar op werkelijk bestaande toestanden en situaties.

Nu heb ik daarmede getracht de psychologie eens een beetje anders te beschouwen. En dat kan ik slechts doen, als ik naast de voorgaande uitleggingen ook nog een andere gebruik.

U hebt allen in uw eigen wezen een aantal invloeden, die wij planetair kunnen noemen, maar die wij ook kabbalistisch kunnen uitdrukken. In de praktijk komt het erop neer, dat in elke mens gemiddeld ongeveer 20 invloeden kenbaar zijn. Deze zijn willekeurig gekozen. We onderscheiden dan twee vlakken. Wij zeggen: We hebben 12 horizontale invloeden en 14 verticale. Die getallen mag u wat mij betreft vergeten. Het is alleen maar het kader (het ruitjessysteem), waarmee men werkt.

Wanneer nu in uw leven een aantal invloeden optreden, dan bepalen zij dus welke vlakken, welke sferen voor u bewust benaderbaar zijn. Wanneer de horizontale invloeden in uw leven bepaald zijn, dan blijkt daaruit op welke wijze de werkelijkheid kenbaar is. Dit lijkt tegenstrijdig, maar het is niet zo. Want de stoffelijke eigenschappen en de stoffelijke mogelijkheden die u bezit, zullen bepalen welke geestelijke werkingen in u kunnen worden ontvangen. Ze bepalen de kracht die in u leeft en waaruit u zelf werkt. Ze bepalen verder ook – en dat is heel belangrijk – de mogelijkheid voor een bepaalde sfeer om een werkelijke uitdrukking te vinden in de stof; dus niet slechts een contact, maar een ware uitdrukking, een ware reactie.

De z.g. verticale invloeden kunnen het best worden gezien als een deel van de stralen; de verschillende lichte invloeden, die elke mens ook weer beroeren. Bij de meeste is dit aantal beperkt tot 7 of 8. Een enkeling brengt het inderdaad tot meer.

Wanneer u nu die invloeden hebt, dan ontstaan er enkele hiaten. Er zijn bepaalde sferen waarin uw wezen zich ‑ althans in deze fase van bestaan ‑ niet bewust is. Dit betekent ook, dat er in uw stoffelijk wezen, in uw karakter hiaten ontstaan, die u niet kunt verklaren. Want karaktereigenschappen, die normalerwijze geestelijk zouden worden geleid, worden dat niet, omdat er geen direct bewustzijn is.

Nu heeft een mens soms een ongelukkige constructie; d.w.z. dat hij een aantal stoffelijke ontvangstmogelijkheden heeft, die niet door de verticale krachten (de lichtkrachten] worden gebruikt. Terwijl er omgekeerd enkele invloeden op hem inwerken, waarvoor hij geen feitelijk ontvangstmogelijkheid heeft. U moet proberen dat voor uzelf eens uit te tekenen. U zult dan ontdekken dat het aantal punten, waarin een feitelijk contact bestaat in een mens, uiteen kan lopen; en dat iemand die alle waarden in zich draagt, 144 verschillende invloeden heeft, resulterende in 14 hoog geestelijke werkingen. Degene echter die tot een minimum komt en mens is, heeft er niet meer dan 3. Bij de anderen zijn er wel mogelijkheden maar ze zijn niet gerealiseerd.

De kabbalist berekent dit alles aan de hand van getallen en spreekt over de invloed der Engelen. Dat zijn dan over het algemeen de 7 Heren der Uren en de 7 Heren der Planeten; en die hebben ieder een eigen getal. Hij gebruikt die namen verder dikwijls in omzettingen om zo nog wel eens de eigen geheime naam van de mens te construeren. Dit is voor u van weinig of geen belang. Maar voor degene, die aan de kabbala doet, verduidelijkt dit misschien het een en ander.

Nu beseft u wel dat wij nooit kunnen werken met meer dan wij werkelijk bezitten. Dus wanneer wij maar 3 contactpunten in onszelf hebben, dan is het dwaas te proberen er 5 te krijgen, wij zullen dit niet kunnen realiseren. Wij kunnen slechts de 3 bestaande contactpunten zo intens mogelijk gebruiken. Zou u overigens onder de volledige inwerking staan van alle 14 hogere krachten, dan zou dit betekenen dat u Boeddha bent, dat u grootmeester bent in de geestelijke vermogens en krachten en dat u een zekere lichamelijke volmaaktheid bezit.

Ga uit van het standpunt dat u in uw eigen leven een bepaalde eigenschap ziet, die u voortdurend achtervolgt, die onder alle omstandigheden a.h.w. weer tevoorschijn treedt; die het ene ogenblik wordt geassocieerd met geestelijke en het volgend ogenblik met zuiver stoffelijke dingen; die de ene keer met de wet wordt geassocieerd en de andere keer met vrijbuiterij.

U kunt misschien het verhaal van de jongeman die ze allerhande abstracte kunstwerken laten zien. Elke keer vroegen ze hem: “Waar denk je aan?” Hij zei dan steeds: “Ik denk aan een meisje.” Dat vonden ze een beetje vreemd. Toen zei hij: “Ik denk altijd aan een meisje.”

Op dezelfde manier heeft de gemiddelde mens bepaalde dingen in zijn leven, waaraan hij altijd weer denkt. Verder is er in zijn leven altijd wel een periode waarin die denkbeelden bijzonder sterk op de voorgrond komen. Bij de één is dit een zeker ideaal; bij de ander kan misschien seksualiteit een rol gaan spelen; een volgende heeft plotseling behoefte aan religieuze verdieping en eenzaamheid; weer een ander heeft juist weer de behoefte om druk bezig te zijn voor anderen of met anderen of om de aandacht van anderen te trekken.
Wanneer zo’n eigenschap is geuit, is zij voor u het punt van waaruit u kunt werken. Dit is heel belangrijk! Het is niet een eigenschap, waarvan je moet zeggen: Ga het nu maar uitleven’. Het is iets dat moet worden erkend en dat wij moeten zien als motiverend voor wat wij doen, maar gelijktijdig ook als de werking, waaruit de grootste kracht voor ons kan ontstaan.

Wij zullen ontdekken dat sommigen deze dingen negatief hebben. Ze hebben dus een paar eigenschappen in zich, waarvan men zou kunnen zeggen: Ja, maar die gaan eigenlijk tegen alles in; dus trots, eigenwijsheid verwaandheid. Een tweede heeft bv. weer behoefte anderen naar beneden te sleuren, of om zichzelf te vernederen of in de modder te rollen. Kijk, wanneer dit negatief is en het achtervolgt ons, dan betekent dat ook dat het positief aanwezig is. Zoek uit hetgeen u beroert en bezielt of wat u steeds achtervolgt in een bepaalde periode de meest positieve mogelijkheden.

Geen irreële dromerij maar gewoon de meest positieve mogelijkheid die er bestaat. Werk daarmee en gebruik deze punten als concentratiepunten. Wanneer u geestelijke krachten nodig hebt en daarmee wilt werken, kunt u ervan verzekerd zijn dat de krachten, die op dat terrein bestaan, voor u op dit ogenblik van buitengewoon groot belang zijn.

Probeer niet een ander na te doen. Wij zijn heel vaak geneigd de eigenschappen, die wij in anderen bewonderen, te imiteren. Alle imitatie is uit den boze. Wij hebben in onszelf het contact met het licht, met de lichtende kracht; dus de mogelijkheid om van uit onszelf te werken. Elke mens heeft zijn binding met bepaalde sferen. En elke mens heeft daarnaast de binding met bepaalde lichtkrachten, een deel van zijn eigen weg: de weg van zijn bewustwording.

Deze dingen beseffen geeft helderheid en klaarheid in uw eigen denken. Omdat u het andere uitschakelt, kunt u de werkelijkheid weer zien. U kunt uzelf in die werkelijkheid bewegen. U beseft de moeilijkheden, de consequenties, waarvoor u staat en u maakt voor uzelf uit: zo kan het of zo kan het niet. Er komt evenwicht in uw stoffelijk leven. De mogelijkheid dat u een waanwereld opzoekt om te ontkomen aan de onmogelijkheid om dit te zijn en de noodzaak om dat te zijn, valt eveneens weg, want u erkent: hierin is kracht gelegen, hier is sterkte, hier is voor mij een bron van innerlijke bewustwording en tevens van bereiking.

Natuurlijk duurt het een hele tijd voordat u voldoende zelfkennis en inzicht in uw eigen wezen hebt om deze krachten op de juiste manier te gebruiken. Er zal ook hier altijd een periode van experiment optreden. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Maar bega niet de fout het experiment te zien als een blijvende waarde. Alle experimenten in uw leven – en zeker een experiment dat wordt ondernomen, omdat men daarin probeert innerlijke vrede, kracht en geluk te vinden – moeten worden gezien als onbelangrijk op zichzelf; ze zijn van voorbijgaande aard, ook als er uiterlijke dingen mee verknoopt zijn. Wanneer u het experiment zich a.h.w. ziet ontwikkelen, begin dan reeds te zeggen: Het is zo dadelijk afgelopen, het betekent voor mij niets. Maar laat u niet door allerhande illusies ertoe brengen daarin emotionele banden en verwarringen te scheppen. U ziet, wanneer men inzicht in zichzelf probeert te krijgen, dan staat men nogal eens voor moeilijkheden.

Soms hebben we ook de gedachte dat we waardeloos zijn; en dat is dan meestal ook het ogenblik dat wij letten op de negatieve punten. Want elke mens, die een aantal punten heeft waar hij wel een stoffelijke mogelijkheid heeft maar geen geestelijke aanvulling, voelt dat als een hiaat. In andere gevallen kan men nog zeggen: Nu ja, het blijft buiten het directe bewustzijn. Maar als er een stoffelijke mogelijkheid is en geen geestelijke kracht, dan is het een hiaat. Is er een geestelijke kracht en geen stoffelijke mogelijkheid, dan voelen wij een heimwee, een zekere pijn. Wanneer u zich daarop concentreert, zult u het goede dat in u is, de mogelijkheid die u bezit verwaarlozen en daardoor uzelf dus nog ongelukkiger maken dan u zich al voelt. Neem dus het positieve.

Dan ga ik nu de les besluiten.

Elke keer wanneer wij in de mens zoeken naar waarheid, naar een nieuw vermogen, naar een nieuwe kracht, moeten wij daarvoor ook een soort bouwwerk oprichten. Vroeger zei men:”Telkenmale dat u een nieuwe God erkent, moet u een nieuwe tempel bouwen.” Zo is het ook voor u. Wanneer u in uzelf iets nieuws hebt erkent, een nieuwe kracht, een nieuwe mogelijkheid of een nieuwe weg, zult u voor uzelf een structuur moeten vervaardigen, waarbinnen dat te beleven is. Wij zeggen wel dat de mens een tempel Gods is. Maar dat is slechts een heel vage uitdrukking die niemand iets zegt. Maar als ik u vertel, dat u – wanneer u gaat werken met een kracht of zoekt naar een innerlijk bewustzijn, wanneer u zelf alleen maar zoekt naar zelfkennis – voor elk vaststaand feit een gedachteconstructie moet maken, waardoor zij verankerd wordt, dan is dat heel wat concreter.

Ik wil u een voorbeeld geven: U ontdekt bij uzelf dat u gebrek aan moed hebt. U zult dan zeggen: “Wanneer er in mij een gebrek aan moed bestaat en ik realiseer mij dit, kan ik moedig zijn.” Dan heeft het geen zin uw moed voortdurend op de proef te stellen. Maar het is wel noodzakelijk uzelf die moed te bewijzen. Wij moeten dus een gedachtestructuur hebben, waarbij wij onszelf trachten te bewijzen dat wij over de capaciteit ”moed” beschikken. Deze structuur maakt het ons mogelijk om met een verticale lijn, met een verticale kracht a.h.w. in ons leven kennis te maken. En voor ons wordt dan gedefinieerd wat die kracht wel en niet betekent. Iemand, die zijn moed op de proef heeft gesteld, zal zichzelf nimmer moedig noemen, maar hij zal ook nimmer werkelijk laf zijn. Hij weet ook hoever zijn moed reikt en hij zal dus proberen een te zware proef uit de weg te gaan. Maar hij zal ook elke proef, die binnen zijn vermogen valt, eenvoudig accepteren. Dit is noodzakelijk.

Want, vrienden, alleen wanneer wij in ons leven een denkwijze opbouwen, die is gebaseerd op de kern van waarlijk persoonlijke eigenschappen, is het mogelijk in deze wereld steeds bewustzijn te gewinnen, steeds verder door te dringen in nieuwe kracht om een inwijding te ondergaan.

Ik weet, dat heel veel mensen aan een inwijding denken als zijnde een plotseling gebeuren. Geloof mij, het is eerder een strijd. Een strijd met vele kleine overwinningen en met vele teleurstellingen, omdat je dacht sneller te kunnen gaan. De inwijding komt echter voort uit het raam van de gedachten dat u in uzelf opbouwt, een mentaliteit scheppende, waarbij de positieve punten van uw leven zichzelf voortdurend kunnen en mogen bewijzen.

Ik weet niet of dit nog psychologie in de zin van de wetenschap mag worden genoemd. Maar de positiviteit van eigen wezen is nu eenmaal het enige middel om het ware “ik” te ontdekken. Het positief gebruik van eigen vermogens is de enige mogelijkheid om de juiste samenwerking tussen het “ik” en hogere krachten of werelden tot stand te brengen. En wat meer is: de innerlijke drang, die in de mens bestaat, kan alleen aan de hand van zijn werkelijke eigenschappen worden omgezet in een reële en aanvaardbare kracht, een aanvaardbare ervaring.

Ik weet dat men in de psychologie heel graag spreekt over allerhande complexen van de mens. De mens heeft er over het algemeen voldoende. Maar wat wij zoeken is niet een complex. Leef rustig met een paar complexen en neurosen, dat is helemaal niet zo erg. Maar, vrienden, leef dan met deze dingen eerlijk. Want op het ogenblik dat u de illusie opzij zet en daarvoor in de plaats een werkelijke erkenning van uw vermogens stelt, zullen die illusies steeds meer in belangrijkheid afnemen.

Een psychiater geeft soms aan iemand een werktherapie. En daarmede probeert hij hem door het scheppend werk tot een uitleven van zijn persoonlijkheid te brengen. Maar dit uitleven van uw persoonlijkheid (meestal overdrachtelijk) kan eigenlijk nooit voldoende zijn om een werkelijke genezing tot stand te brengen.

Wanneer wij echter werken met de wereld, met het leven zelf, dan is onze taak er één die gelijktijdig de mentale gezondheid tot stand brengt. En gezond moet je zijn. O, niet lichamelijk; een beetje reumatiek betekent helemaal niet dat u een sfeer lager terecht komt, maar gezond moet u zijn in uw denken, in uw opvattingen. U moet uw gevoelswereld a.h.w. kunnen onderkennen in haar betekenis. U moet weten op welke wijze u het beste doet. En wanneer u het beste voor uzelf verlangt, moet u niet zeggen, dat u het voor een ander verlangt en omgekeerd.

Sterk kunt u alleen dan zijn, wanneer u in uzelf overtuigd bent, dat u juist handelt. En in de overtuiging van de juistheid van handelen kunt u alleen verwerven, indien u uitgaat van de sterke en van de positieve punten in uw wezen. Gaat u uit van het negatieve, dan zal er altijd een twijfel blijven bestaan en daardoor een schrijnend en blijvend gevoel van onvolkomenheid of zelfs een lijden.

Alle bewustwording – ik herhaal het nogmaals – alle zelfkennis en alle realisatie van hogere krachten, moeten worden gezien vanuit deze werkelijkheid; maar dan vanuit de positieve krachten en punten die men in deze werkelijkheid bezit. Heeft men dit volbracht, dan is hiermede beantwoord aan het doel van het aardse leven en kan – dank zij deze bereiking – een fase van intens geestelijk leven ontstaan.

Een Thibetaan

Vrienden, te spreken over de weg naar zelfkennis is één van de meest moeilijke opdrachten. Zelfkennis is het zoeken naar het eigen pad dat voert tussen de omstandigheden.

Wanneer onze daden geschieden en onze gedachten gaart, zijn zij als een vaan met een gebed, die biddend wappert in de wind. Want onze daden worden gedreven door de wind der Oneindigheid. Wij menen zelf daarmee verbonden te zijn, maar wie zijn daden achteraf beziet, ziet nimmer de waarheid, want de gevolgen die ontstaan, zijn niet de gevolgen die hij zocht. Het zijn de gevolgen, die geboren zijn uit de onontkoombaarheid van een weg, die van uit het Hoogste wordt geleid.

Daarom is het niet goed terug te zien en zichzelf verwijten te maken. Wie terugziet, vergeet zichzelf. Hij ziet wat de werkelijkheid van zijn wereld was, wat de gevolgen waren van zijn daden; en hij vergeet de haat, de liefde; hij vergeet de sereniteit, die op het ogenblik van handelen en denken bij hem bestond. En toch zijn deze dingen de werkelijkheid.

Het westen lacht, wanneer de priester of de leek een gebedsmolen draait. Want, zo zegt men, hij bidt niet. Maar is dan de beweging zelf geen bidden? Is het noodzakelijk dat ik de spreuk tienduizend maal herhaal, als één beweging van mijn hand haar honderd malen doet gaan en ik, dit wetende, in mijn ziel honderden en duizenden malen deze zelfde erkenning naar het Oneindige werp?

Zo nu is het leven. Wat wij doen, is de gebedsmolen draaien. Met het vaste gebaar van de hand laten wij voortdurend de krachten van de Oneindigheid circuleren in onszelf. En dat wij daarbij spreken over andere dingen, neemt niet weg dat wij leven en bidden. Dit kan een westerling zelden begrijpen.

De weg naar het innerlijk wezen, naar het ware “ik”, komt voort uit de intentie, niet uit de feiten. De feiten zijn slechts een bevestiging, wanneer wij een ogenblik ons eigen wezen in de Oneindigheid in overeenstemming brengen met de wegen van het lot.

Wij spreken onze spreuken en laten de heilige klanken klinken; en men denkt, dat men ver is. Maar wanneer ik duizendmaal een woord spreek, zo zal het misschien slechts éénmaal die sonoriteit bezitten, waardoor krachten van het Oneindige mijn wezen doen vibreren en 999‑maal is het nutteloos en heeft het geen betekenis.

In het westen denkt u, dat alle dingen in het leven belangrijk zijn. Maar dit is niet uw ware wezen, het is het uiterlijk.

Wanneer ik denk te zweven, zo zweef ik. Maar slechts wanneer mijn zweven zin heeft, geeft mijn zweven de werkelijkheid weer. Dan is, wat ik in mij erken als noodzaak en gave, gelijk een droom: één met de wereld waarin ik leef. En het zijn die momenten alleen die tellen.

De ziel gaat haar pad. Ze gaat van wereld tot wereld, van hemel tot hel. Zij wordt herboren in duizend vormen. Maar is die wereld dan werkelijkheid? En is, wat ik ben in die wereld, werkelijkheid? Een dwaas is het, die zegt dat men heden in werkelijkheid mens kan zijn en morgen de tijger die door de steppen gaat, dat men heden kan leven als een bloem en morgen als een mens. Dit is het uiterlijk. Maar het ware “ik” is het moment, waarop het leven overeenstemt met de Oneindigheid.

Verder bouwen wij aan onszelf door onze intentie, door de bedoeling van ons leven. Want onze bedoeling moet goed zijn. Het is als het woord AUM. Van de 1000 malen zal onze bedoeling 999 keren geen echo wekken, maar de 1000ste keer is er de vibratie der werkelijkheid.

Het westen gaat gebukt onder schuld. Maar kan het “ik” schuld kennen? Ontken ik dan niet wat ik ben? Schuld zou zijn: handelen tegen mijn wezen, tegen de wil van de Eeuwige, tegen de leer van de Verhevene. Maar dat doe ik zelden of nooit. Altijd beantwoord ik wel aan één van die dingen. Schuld is een deel van de waan. Maar het niet erkennen van het ogenblik dat ik goed moet zijn, het ene ogenblik dat ik faal in mijn intentie en mijn bedoeling op het moment dat die bedoeling wordt verwerkelijkt, zodat ik geen deel heb aan de weg die de Schepper tekent, dat is een tekortkoming. Hier heb ik dan – zo men over schuld wil spreken – schuld tegenover mijzelf.

Gij tekent in het westen uw schreden en gij spreekt van de grote geheimen, die het u mogelijk zullen maken binnen te treden in de wereld der lichtende geesten. Maar ben ik dan op dit ogenblik geen lichtende geest? Is mijn wezen meer of minder kracht, omdat het leeft in een oud, een vuil of een jong lichaam? Is mijn wezen anders, wanneer ik leef in het duister of in het licht? Ik ben. Ik ben deel van de Oneindigheid en deel van de kosmos. Ik leef. En daarom kan ik niet zeggen dat mijn wezen ergens verdergaat, beter wordt of slechter. Ik kan slechts zeggen, dat mijn “ik” in zijn vormen bewuster handelt in overeenstemming met het God­delijk pad, zodat ten slotte elk beeld een erkenning is van een goddelijke waarheid en het niet slechts is een zoeken naar de toevalstreffer, waar­in God en mens intentioneel tezamen komen.

Gij zoekt een weg naar uzelf en u wilt uzelf kennen. Leg uzelf op een ontleedtafel en snijd uzelf uiteen. En wat blijft er over? Een dood lichaam. Een lichaam als van een dode, die ritueel werd verminkt en voor de dieren achtergelaten, zonder leven. U ontleedt uzelf in alle dingen, maar u blijft tot uzelf beperkt.

Wie van u zou ooit het geluk hebben gekend te staan in een klooster boven op een rots en uit te zien over het storm-gezweepte land; te kijken in de dalen naar de verborgen hutten van mensen? En toch zijn dit de ogenblikken dat je beseft waar het om gaat.

Wij leven in de dalen; en soms durven wij reeds iets te stijgen. Maar altijd weer zoeken wij de beschutting. De stormwind van het leven, waarin wij werkelijk bestaan, kunnen wij niet aanvaarden. En toch zijn er machtigen, die – staande in de storm – hem een woord toeroepen en hem doen zwijgen. Men noemt hen dan bij u ingewijden; bij ons verhevenen. Zij kennen zichzelf. Zij hebben in vele levens van mediteren én zoeken, van leraren en beleven niet gezocht naar het “ik”, waarnaar u nog zo gaarne zoekt, maar zij hebben gezocht naar de verwantschap van het “ik” met alle dingen.

Hij, die spreekt tot de storm, draagt de storm in zich. En in zich beheerst hij de storm; en daarom zal de stormwind hem gehoorzamen.

Voor het westen zijn dit sprookjes. Voor ons zijn zij werkelijkheid. Want indien ik, mijne vrienden, doordring in mijzelf en ik erken, hoe daarin alle dingen leven, ik erken in mijzelf het lijden van de mensheid en het zoeken van de mensheid en haar bereiking, dan ken ik mijzelve. Want, ik ben deel van alle dingen en verbonden met alle dingen; en in mij moeten zij leven. Ik moet ze erkennen, maar zij mogen mij niet beheersen. Dit is het pad der verlichting.

Haat niet en bemin niet, verwerp niet en begeer niet. Ga in aanvaarding van het Zijnde voort; en wanneer u een noodzaak erkent, schep haar in uzelf en de wereld zal antwoorden.

Wees één met de schepping en met al wat leeft.

Erken de geest en de uitstraling van de mens.

Laat uw gedachten uitgaan en echo’s wekken, totdat de bergen stem krijgen, totdat de gebouwen tot u spreken en de mensen hun zielen blootleggen; en u zult weten: daarin ligt God, daarin ligt werkelijkheid.

De verlichte begint met zichzelf. Hij worstelt met de problemen. Eerst leert hij de gebeden zeggen en begrijpt ze niet. Hij citeert de oude geschriften, strofe na strofe, tot hun klank in hem wordt als de stem van een bronzen klok. En hij wil weten wat de klok zegt. Zo leert hij lezen. En lezende vindt hij een enkel beeld in zichzelf. En dan is het meestal tijd om te sterven. Maar hij keert terug. En weer leest hij en herleest hij en denkt hij. Steeds weer vindt hij tijd voor de meditatie. Misschien wordt hij kluizenaar en trekt hij zich in de verte terug en ontzegt hij zich alles wat het lichaam zou eisen. Misschien leeft hij in de drukte van steden; maar hij denkt, hij mediteert. En daarin gaat voor hem langzaam de waarheid leven. Die waarheid moet uiting vinden en hij leraart. Hij spreekt tot zijn chela’s, hij spreekt tot de verzamelde broeders; hij predikt. En in hem groeit de stem, omdat nu hij heeft uitgedrukt wat in hem leeft, hij de onvolmaaktheid ervan beseft.

En zo in een wisseling van denken en leraren zoekt hij het allerlaatste geheim. Soms leven na leven, 10.000 jaren. Dan komt er het ogenblik dat hij huiswaarts keert naar zijn klooster, naar zijn stad, naar zijn volk, naar hen die aan hem verwant waren in het verleden. Dan verheft hij zijn stem; eerst aarzelend, want hij moet weer zichzelf leren kennen. Hij mediteert. En denkend en zoekend, bouwt hij in zich de wereld op; en hij ziet de eenheid en hij spreekt van eenheid. Dan wordt het woord AUM in zijn mond de kreet waarop het Al wacht. Dan sidderen de bergen en zijn de sterren verstart in hun licht, dan luistert de Oneindigheid. En dan keert de ziel terug in het lichaam als zij wordt geroepen; of zij gaat uit, bevrijd van banden door diezelfde klank. Want dan spreekt de waarheid, het werkelijke “ik” dat deel is van het Oneindige.

U zegt: Ik zoek zelfkennis. Zoekt u soms ook eerst uzelf. Zij, die zichzelf zoeken, zij zoeken niet naar kennis van zichzelf. Want om jezelf te kennen moet je afstand doen van dat begrip “ik”. Ik als een gescheiden eenheid, een gescheiden kracht, die tussen alle dingen afzonderlijk bestaand, het grote is. Ik met zijn eigen wetten, zijn eigen regels en gebruiken. Ik met zijn eigen gewaden en zijn eigen plaats in de rangorde der broeders.

Wie zichzelf zoekt, vindt slechts zichzelf. Wie zichzelf zoekt vindt vergankelijkheid. Maar wie de kennis van het “ik” zoekt, hij maakt zich los van dit “ik”. Hij bevrijdt zich van zijn persoonlijkheid, terwijl hij leeft en toch zichzelf is. Hij ziet zich als deel van het grote geheel. Hij ziet hoe de weg, die hij gaat, hem getekend is; en hoe onbekende krachten hem zijn leerlingen sturen of hen van hem wegzenden. En zo beseft hij, dat zelfkennis is: beseffen deel te zijn van alle dingen.

Er komt een ogenblik voor de bewuste, dat hij denkt; en dat in zijn denken de demonen tot hem spreken. En hij zegt: “Ik bied u mijzelf als offer. Gij demonen, komt en verscheurt mij.” Want hij weet, dit “ik” kan misschien vallen, maar het Zelf, dat ik ben in het Oneindige kan niet vergaan. En daarom weigeren de demonen zijn offer.

Er komen ogenblikken, dat hij zegt: “Nu trek ik uit. Ik, die abt en overste ben van een klooster, ik wil minder zijn dan de minste.” En zelfs het gewaad legt hij af en hij gaat als een reiziger langs de wegen. Hij spreekt en hij luistert. En er rijpt in hem het begrip van het hele land, van een hele wereld. Hij ziet de emoties van de mensen als rode golven slaan over de landen. Hij ziet het vuur van de ik-bewusten, dat de vloed soms een ogenblik terughoudt en indamt. Dan keert hij terug en is weer abt; maar hij is ook de zwerver op de wegen. Want dit is waarlijk jezelf kennen.

Men zei mij, dat u wilde horen over inwijding. En u denkt dat inwijding misschien een plechtigheid is. Zoals het jonge monnikje komt in het gewaad, dat hij heeft geleend van een oom, plechtig de ogen gesloten, opdat het hoofd hem geschoren kan worden. Maar inwijding is iets anders. Want een ieder strijd toch voortdurend. Hij strijd om de zelfkennis, die het “ik” onbelangrijk maakt en deel van het geheel. Hij zegt tegen zichzelf: “Ik ben materie. Ik ben mens; en in mij leeft de hartstocht, in mij leeft de trots en de begeerte.” Dan zegt hij tot zichzelf: “Maar ziet, die stof is geen deel van mijn wezen” en hij overwint moeizaam zijn trots, zijn begeerte, zijn angst. En zo is hij meester geworden over de stof van de aarde.

Maar hij begint niet te regeren, zoals de magiërs, die offers vragen van de mensen voor zinledige spreuken of om een pijl des doods te richten vanuit de verte. O, neen. Hij gaat verder; en hij ziet rond zich de wateren der wereld, waaruit het leven is geboren; hij ziet rond zich de wateren, die in de hemel drijven als wolken; hij ziet zichzelf verbonden met het ontstaande leven. En gaande door het leven en mediterend over het leven meent hij een ogenblik dat hij rijk is. “Want,” zegt hij, “ik sta hoger dan anderen. Mijn uiterlijk verduistert het licht van de zon. Het is mijn goedheid, die vruchtbaarheid brengt in de dalen.” Maar dan beseft hij, dat het niet zijn wil is, waardoor hij groeit of valt. En hij worstelt in zich met de gedachte van het deelgenoot zijn om zo anderen te regeren en te helpen; en hij wordt meester over de wateren; over aarde en hemel.

Dan roept hij zijn ziel op en zegt: “Zie, als het vuur van de zon ben ik! In mij is een loutering, want alles, wat ik erken, wordt hersmeed tot nieuwe vormen.” En terwijl hij op het aambeeld der gedachte sonore woorden smeedt, erkent hij: “Ik spreek; en ik kan niet spreken over wat in mij leeft. Ik spreek slechts wat mijn tong wil uiten:” En hij zegt: “Zie, het vuur ben niet ik, maar het vuur is de kracht die mij doet leven. Zo wordt hij Heer van het vuur der aarde.

Dan werpt hij zijn ziel in de wind en hij wil met hem ruisen tot ver achter de sterren. En hij ziet hoe beperkt hij is. Hij ziet zijn grote kracht, hij ziet hoe hij karavanen weet te bedreigen, tot zij verstikt en bedolven onder sneeuw of stof op de weg vallen. En hij zegt: “Ben ik dan de wind, die wreed is?” Maar hij ziet ook hoe de wind de wolken jaagt, zodat er voedsel is in de dorpen. En hij zegt: “Ben ik dan goed?”

De storm, die hem drijft, doet hem krachten uitzenden. Hij zendt zijn dubbel uit, hij laat zijn gedachten uitgaan, hij omvaamt de wereld, hij profeteert; maar in zijn woorden van profetie erkent hij de ledigheid. Want hij kan niet spreken over zichzelf, maar slechts over de kracht die de wind is. Zo aanvaardt hij hem en wordt hij Heer van de wind.

En nu kent hij de wereld, niet haar lijden en haar mensen. Hij kent de krachten van het leven; en het is niet genoeg. Hij keert in zichzelf en denkt. En hij vindt de etherische werelden. De werelden, waarin doden zijn en zielen, waarin demonen wonen en engelen afdalen. En hij zegt: “Ik ben als deze werelden” en hij wil er binnengaan als een strijder die licht brengt. Maar hij wordt teruggewezen. Hij wil er uitgaan, brekende door de wanden van duister om een engel te zijn in het licht; en hij kan niet stijgen. Hij erkent: “Zie, deze duistere werelden ben ik. Ik ben het rijk van de dood.” En zo wordt hij Meester over de zielen der gestorvenen, die niet kennen de lichtende waarheid.

Dan zegt hij: “Deze heerschappij is niets. Niets van wat ik beheers is waardevol. Waardevol is slechts, dat alles één geheel is en beantwoordt aan de Kracht die het geschapen heeft. Ik begeer niet, ik verwerp niet. Vrij wil ik staan!”

Dan siddert zijn wezen en ontplooit zich in hem plotseling de bloem der bewustwording. Hij gaat binnen in de lichtende werelden en dient in licht de mens. Zijn woorden zijn waarheid; maar het is niet zijn waarheid. Zijn profetieën zijn de voorspelling der feiten; maar niet hij spreekt ze, maar de Kracht die hem beweegt. En toch is hij. En dan erkent hij: “Nu is mijn taak volbracht.” Hij zet zich neer en terwijl het lichaam in een vrome houding langzaam verstijft, terwijl anderen misschien nog de sjerp kussen in eerbied, laat hij zijn ziel gaan. Niet opdat zij zichzelf zij, maar opdat zij één moge zijn met alle dingen. En zie, dan is er een Verlichte geboren. Dan is er een bewuste, die – zijnde en toch niet‑zijnde “ik” – de eeuwige Kracht beleeft in alle dingen.

Dat is inwijding. Ons begrip van inwijding. Geen geheimen van magisch woord en magische spreuk, geen geheimzinnige fluistering en zware beproeving, maar een erkennen van deelgenootschap in waarheid, tot men beseft dat men deel is van alle dingen, niet meer en niet minder.

Zo ziet u dat hij die zoekt zichzelf te kennen, eindigt met zichzelf te ontkennen en de Kracht die hem vormt te erkennen.

Dit zijn de waarheden van een land, dat nu in geweld gebaad, zichzelf verliest, maar niet in waarheid. Dit is het erfdeel van ongetelde incarnaties en gelijktijdig de gave, die men kan uitspreken, maar niet kan geven.

U wilt uzelf kennen. Begin met uzelf niet te ontkennen in uw eigenschappen en in uw wezen. Ontken slechts dat u en u alleen beslist wat u bent en hoe u handelt.

U zult uzelf kennen. Besef dan, dat u bent als een pluisje, gedreven door de wind; een pluisje misschien met zaad dat wordt tot een bloem, die bloeit ergens langs de woestijnweg of ergens in de vruchtbaarheid van het woud. Zelf hebt u het niet bestemd.

Kinderen zijn wij van het leven. Kinderen van het Licht, kinderen van de vreugde. Maar eerst wanneer wij niet meer zeggen: “Ik ben,” maar zeggen: “Zie, Al is in mij en ik ben deel van Al,” erkennen wij de vreugde van ons bestaan.

Meer kan ik u voor heden niet geven, vrienden. Misschien zullen onze zielen elkaar ontmoeten wanneer wij mediteren. Misschien zult u beseffen, hoezeer uw wezen én mijn wezen versmolten moeten zijn in de werkelijkheid, wanneer u mij verstaat en ik langs deze weg spreek. Hoe het ook zij, wanneer wij werkelijk verlicht zijn en ons ware zelf hebben gevonden en hebben leren kennen, zo zullen wij één-zijn in de Grote Kracht en in de vrede van de vredige wereld het geluk kennen van het zijn in de Kracht, Die ons schept, zonder de grenzen die wij voor onszelf zo gaarne scheppen.