Microkosmos en macrokosmos

2 april 1968

Er was eens een man, die normaal een bril droeg omdat hij een beetje bijziende was en die zich wierp op onderzoek met een microscoop. Omdat hij alles in de microscoop helder zag, vergat hij dat hij een bril nodig had. Dientengevolge beweerde hij dat de hele wereld maar vaag was van vorm.

Ook het omgekeerde kwam voor. Er was een man, die altijd bezig was met een verrekijker de horizon af te spieden. En wat er in de ver­te geschiedde zag hij buitengewoon scherp. Maar ook hij vergat dat zijn gezicht dichtbij niet zo goed in orde was. Het resultaat was dat ook hij beweerde dat de gebeurtenissen vlakbij ondefinieerbaar, onbepaalbaar waren.

Iemand, die zich bezighoudt met de macrokosmos, heeft de nei­ging alle grote gebeurtenissen scherp en duidelijk te zien. Hij pro­beert ze goed te formuleren. Maar zodra het gaat om de kleine dingen van het dagelijkse leven, is hij niet meer in staat te weten wat hij moet doen. Bij wijze van spreken: een minister is in staat een handel met 100.000 ton aardappelen af te sluiten en dat gaat allemaal prima. Maar als hij voor moeder 5 kg aardappelen moet meebrengen, weet hij het eigenlijk niet.

Een andere keer zijn er mensen, die zozeer in de microkosmos duiken, in de kleine waarden van het leven, dat ze in de details hun eigen persoonlijkheid en hun eigen leven verliezen. Ik geloof dat we dit wel als punt van uitgang kunnen gebruiken.

Wanneer ik mijn eigen wereld niet goed besef, kan ik een ander deel van het zijn wel goed beseffen. Het is alleen de vraag of dat waarde heeft. De man, die eigenlijk in de verte leeft, zal in de verte niet kunnen ingrijpen en hij zal dichtbij verkeerd reageren. Degene die alle details haarscherp ziet maar niet in staat is uit het geheel een synthese te bouwen, die in zijn eigen wereld past omdat hij die wereld niet kan omschrijven, kan er weinig mee doen. Dit is eigenlijk een beeld van heel veel mensen.

De kern van alle esoterie en alle magie is volgens mij het ver­mogen om gelijktijdig ver te zien, door te dringen in de mystieke kosmos, de grote relaties van de dingen enigszins te beseffen; en dan toch terug te komen tot je eigen zijn en je eigen wereld en daarin die din­gen te hanteren. Terwijl je anderzijds in jezelf afdaalt (laten we dat dan maar een soort microkosmos noemen) en uit de vele verschillende facetten, gedachten en denkbeelden die je in jezelf vindt, toch weer een logische conclusie moet trekken omtrent jezelf en de wereld waar­in je leeft.

Wanneer je bv. denkt aan het magisch werken van de mensen, heeft men de neiging om dat ook weer op een afstand te zien. Men projecteert dat ver van zich af. Een ander kan dat. Natuurlijk, en het is mogelijk. We hebben dat theoretisch geconstateerd. Wij geloven daarin. Maar in de praktijk kunnen wij dat niet. Waar ligt de fout? Kennelijk in het feit dat men zijn eigen wereld minder scherp heeft geobserveerd dan die occulte wereld, waaruit men dan die magische regels en wetten heeft gehaald.

In zichzelf dringt men door tot kosmische waarheid. Men vindt God in zichzelf. Maar de kracht van die God is naar buiten toe niet kenbaar. Je kunt er niets mee doen. Waarom niet? Alweer omdat wij een scheiding plaatsen tussen die erkenning en ons eigen wezen, onze eigen wereld.

Als je de doorsneemens bekijkt, is hij eigenlijk van de werke­lijkheid aardig geïsoleerd. Dat geïsoleerd zijn van de eigen werkelijk­heid kan ik wel begrijpen. De gewone dingen zijn zo normaal. Ze hebben zo weinig betekenis. Je bent er zo aan gewend. Je neemt ze als van­zelfsprekend. Je ziet ze niet. En wanneer je je daarentegen gaat bezighouden met groot-kosmische geheimen of je gaat je bezighouden met de verborgenheden van de innerlijke wereld, dan is dat iets spe­ciaals, iets bijzonders.

Mijn eerste conclusie is duidelijk: De aandacht van de mens is vaak verkeerd gericht. Ik wil niet – zoals zovele anderen – hier spreken over een waanwereld, waarin je leeft. Want tenslotte is dat ook maar een relatieve aanduiding. Waanwereld is: interpretatie van een werkelijkheid. Niets anders.

Maar ik wil toch wel opmerken dat de doorsneemens zijn leven niet helemaal beseft; de waarde ervan niet beseft. Heel veel dingen, die je als normaal hebt beschouwd, gaan pas tellen wanneer ze niet meer normaal zijn. Heel veel dingen, die je als normaal beschouwt, krijgen pas betekenis en nadruk, wanneer ze van exceptionele bete­kenis worden; bv. om in leven te blijven; of om jezelf te kunnen handhaven.

Waarom zou dat nu niet mogelijk zijn in het normale bestaan? Want als ik kijk naar die esoterie, dan geloof ik dat ik dat eigen­lijk in een soort vergelijking kan uitdrukken in een soort geestelijk E = mc2. Ik kan nl. zeggen: Het totaal van mijn geuite potentiaal is gelijk aan mijn werkelijkheidsbesef en mijn innerlijk besef (dus met elkaar vermenigvuldigd). En dan kunnen wij daarbij mede zeggen: Zodra het innerlijk besef een innerlijke beleving wordt, kunnen we dat tot een kwadraat verheffen.

Hier heb je eigenlijk de formule. Want wanneer ik een inner­lijke beleving heb en ik besef mijn werkelijkheid, dan beschik ik over kracht. Wanneer ik over kracht beschik, kan ik daaruit mijn werke­lijkheid definiëren. Ik kan komen tot een innerlijke beleving en een besef van mijn innerlijke werkelijkheid. Daar heb ik een zekere energie voor nodig. Deze relatie blijft bestaan. Maar voor mij is het ellendi­ge dat ik – zeker als mens en in de meeste gevallen ook als geest – de factor E (dus energie) eigenlijk zelf niet bepaal. En mijn wereld­besef kan ik dus alleen bepalen binnen mijn vermogen tot beseffen.

Maar dan kan ik in ieder geval komen tot een scherpe defini­tie. Ik moet de zaak weten te omschrijven, te erkennen; niet als een vaag geheel, maar als een scherpomlijnde reeks van feiten.

En in mijzelf moet ik ook niet komen tot een vage kwestie als: in mij is dit of dat. (Dat is zo heerlijk, weet u wel; zo schwärmerisch. Zoiets als esoterie in de versie van Johann Straus en de librettis­ten.) Neen, wat wij nodig hebben in onszelf is ook een besef van eigen­schappen, van kwaliteiten; niet alleen van mogelijkheden. Wanneer wij die kwaliteiten en die mogelijkheden erkennen in onszelf, dan zullen wij ongetwijfeld ook een gevoelsreactie hebben, een beleving. Die ge­voelsreactie kunnen wij weer niet helemaal zelf bepalen. Maar wij heb­ben twee dingen, waar wij zelf invloed op hebben: werelderkenning en omschrijving van het ik ergens. Dan moet daarmee dus ook wel voor ons de mogelijkheid aanwezig zijn om de factor energie (actief potentiaal) te omschrijven. Wij moeten weten: werken met de werkelijkheid en met de innerlijke werkelijkheid plus het beleven van die innerlijke werkelijkheid impliceert het ontstaan van een kracht, die onze normale levens­kracht te boven gaat. Wanneer die factoren aan deze kant groter wor­den, moeten ze aan die kant ook groter worden. Dat kan niet anders.

En daarmee heb je eigenlijk het magische principe. Magisch principe is nl. het gebruik van krachten die niet tot de normale kracht van de mens behoren. Verder niet. En je kunt dan zeggen dat in de magie die dingen geformuleerd zijn en wetenschappelijk zijn aan­geduid. Maar ik geloof niet dat dit zo erg veel inhoudt. Want magie is weliswaar in bepaalde procedures vast te leggen en gemakkelijker tot stand te brengen. Maar aan de andere kant is toch het karakter van de magiër eigenlijk wel het meest belangrijke. Het wezen van de magiër, de kracht van de magiër bepaalt wat hij tot stand kan bren­gen; nooit de procedure alleen.

In de esoterie is het precies hetzelfde. Je kunt nu wel be­weren dat je innerlijk kunt stijgen alleen door allerlei concentratieoefeningen, maar wáár is het geloof ik niet. Ik heb zo het idee dat de mens zijn actief naar buiten toe moet vergroten om ook zo zijn geestelijk potentiaal te kunnen vergroten. Het is een wisselwerking. Je kunt niet het één verwaarlozen en het andere ontwikkelen. Zou je dit toch doen, dan ontstaat een explosief effect.

Ik kan mij voorstellen dat iemand probeert zozeer innerlijk en esoterisch of geestelijk of magisch te werken, dat hij helemaal ver­geet dat hij ook naar buiten toe die dingen waar moet maken. En dan moet het resultaat dus zijn een zodanige strijdigheid in het ik en een zodanige spanning in het ik t.a.v. die werkelijkheid, dat zo iemand eenvoudig breekt; dat hij gek wordt.

Dit geeft dus weer – naar ik meen – aanleiding tot verschil­lende verdere beschouwingen.

En nu weten we allemaal dat we de mens in een groot aantal typen kunnen indelen. Broeder Abraham gebruikt bv. een indeling in 144 typen; de astrologen gebruiken 12 typen; en zo zijn er meer. Eenieder heeft daarvoor zo zijn eigen manier. Je kunt het daarnaast doen met 3 of meer elementaire karaktertypen. De praktijk is geloof ik ge­lijktijdig complexer en eenvoudiger dan al die systemen.

U hebt een bepaald type. D.w.z. dat u lichamelijk – en dat moeten wij er dus wel bij zeggen – gepredisponeerd bent om op een be­paalde manier te reageren. De één reageert traag en daardoor ook wat bedachtzaam; de ander overprikkeld snel en is dus een nerveus type. De ene mens is in staat de feiten te correleren; de ander reageert eerst voor hij begint te denken. En zo kun je verdergaan.

Wil je nu praktisch dus iets gaan doen in esoterische of ma­gische richting, dan geloof ik dat je in principe toch rekening moet houden met je eigen karakter, met je type. En iedereen weet wel ongeveer voor zichzelf wat voor type hij is. Tenminste … zodra u zich niet bezighoudt met datgene, wat u de buitenwereld zo graag wilt la­ten zien.

Misschien hebt u zo het idee: Als ik me laat zien zoals ik ben, zeggen ze allemaal: “dat is een hysterisch type.” Maar per slot van re­kening, als u dat nu toch al tegen uzelf zegt, waarom dan niet erkennen: Ik ben dus een type dat door bepaalde lichaamswerkingen bijzonder sterk gedreven wordt; en vaak tot in het extreme. Ik ben gemakkelijk overprikkeld. Dat is helemaal niet zo erg.

Of misschien meent u dat u eigenlijk lui bent. U zegt dat na­tuurlijk nooit. U zegt: Ik ben een beetje lethargisch. Of: Ik ben erg bedachtzaam. Als u nu voor uzelf denkt: “ik ben lui”, dan moet u dit niet zien als een doodzonde of zoiets, maar doodgewoon als een con­statering: ik ben dus traag. Ik doe graag het minimum dat mogelijk is. (Er zijn veel meer mensen zo, dan je van hun uitingen zou verwach­ten.) Heb ik dit geconstateerd, dan weet ik dus ook op welke manier ik eigenlijk te werk moet gaan. Want mijn type; mijn karakter zal toch wel in zeer sterke mate bepalen wat ik eigenlijk doe.

Wanneer iemand, die werkelijk lui is, werkelijk traag is, zich eindelijk zover heeft gebracht dat hij begint aan innerlijke bespiege­lingen, dan moet hij nooit proberen daar nu ineens snel een grote be­wustwording te bereiken. Hij moet alleen zeggen: Wanneer ik iets van mijzelf ga begrijpen, dan moet ik om die reden mijn praktijk en mijn ge­bruik van energie een beetje veranderen.

En wat zien we dan? Dan zien we dat iemand, die volgens zijn eigen opvatting lui is, in feite door rationeel energiegebruik dit bij zichzelf dus bevordert en daardoor al meer energie ter beschik­king krijgt. Want de mens, die het meest rationeel werkt, is over het algemeen de mens, die zo lui is dat hij alle overbodige moeite tracht te vermijden.

Op deze manier krijg je dus vanzelf al een effect naar buiten toe. Maar dat effect naar buiten toe geeft ook weer het gevoel van: In mijzelf moet ik nog iets meer kunnen beseffen of iets meer kunnen doen.

Iemand die overprikkeld is weet, dat hij altijd onmiddellijk losbarst. Die moet het dus zeker niet gaan zoeken in emotionele er­varingen in het ik. Dat zou wel het gemakkelijkst zijn, maar dat voert alleen maar tot niet verder dirigeerbare of verklaarbare uitbarstin­gen van energie, die in feite irrationeel zijn. En daaraan heb je als mens geen behoefte. Je moet dan dus proberen te werken met de kennis van je eigen ik, de facetten van het ik beseffen.

Op deze manier kan eenieder voor zich een formulering gaan opbouwen, waarmee hij zowel esoterisch als magisch gemakkelijker uit de voeten kan. Het is gemakkelijk om te zeggen: het staat in de boe­ken. Als je ze lezen kunt, staat er inderdaad veel in. Maar ik ge­loof dat het veel eenvoudiger is te zeggen: Mens, de basis van alle dingen ben je zelf. Voor jezelf ben je de bron van alles, of je het nu toegeeft of niet. (Behalve wanneer het onaangenaam is; dan is het natuurlijk de schuld van een ander. Maar dat is ook een vorm van zelf­bedrog; het is een verontschuldiging van jezelf.)

Kijk dus naar je eigen type. Dat behoeft u heus niet onder te brengen in een van de 144 klassen; dat is helemaal niet nodig. Als u maar een klein beetje weet: Zo ben ik eigenlijk. Dat is mijn manier van reageren, mijn manier van optreden. De één weet: Ik ben erg gebonden aan regels; m.a.w. ik heb een houvast nodig. Terwijl een ander juist zegt: Regels zijn er alleen maar om overtreden te worden, wanneer ik er voordeel uit haal. Dat is dus iemand, die veel meer op zichzelf vertrouwt. Teveel misschien.

Maak uit voor jezelf wat voor type je bent. Ga bij je innerlijke processen uit van dit type. Dus definieer jezelf nu niet in eigen­schappen, zoals de wereld het ziet. Neen, ik ben nu eenmaal zo. En wat heb ik aan mogelijkheden? Wat zijn mijn mogelijkheden? Wat zou ik willen en wat zou ik niet willen? Wat kan ik wel en wat kan ik niet? Waar ben ik bang? Waar ben ik overmoedig? Ga die dingen eens na. Dat lijkt misschien niet erg esoterisch. Maar ik verzeker u dat u daardoor een veel beter inzicht krijgt in uw eigen wezen en uw persoon­lijkheid. U krijgt a.h.w. inzicht in de moeilijkheden van uw eigen persoon, maar ook in de mogelijkheden. En begin die mogelijkheden dan maar voorlopig te gebruiken. De energie – dus het vermogen in je wereld invloed uit te oefenen – neemt al toe.

Maar wanneer ik nu toch zo bezig ben en ik doe dingen, dan ontstaat er altijd in mezelf ook weer een beleving. U weet, de daad is voor de doorsneemens gelijk aan emotie. Niet voor iedereen, maar voor de meeste mensen wel.

Emotie, mits gebaseerd op dit innerlijk erkennen, is in feite die esoterische bewustwording, die weliswaar emotioneel is, maar waar­in toch als dragende factor het eigen karakter, het eigen wezen zit verwerkt. De emotie geeft mij dus a.h.w. een hergroepering aan van mijn eigen waarden. Mijn mogelijkheden worden uit het vage gericht op het bijzondere. En uit het bijzondere vind ik dan weer de daad, de ener­gie. Wanneer mijn daad de uitdrukking is van het doel dat ik in mijzelf stel, moet een invloed ontstaan, die verder gaat dan mijn normaal pres­tatievermogen. Anders gezegd: Er ontstaat een magische werking.

We hebben nu dus geconstateerd dat we magisch kunnen werken. Dat kan iedereen. Dat is helemaal niet moeilijk. En het is geen vast recept. Het is eigenlijk eerder een toestand, een innerlijke toestand.

Nu komen we vanzelf op de vraag: Hoe kun je een innerlijke toestand bepalen?

Wanneer je jezelf een beetje kent, dan weet je dat je door sommige dingen beïnvloed wordt en door andere niet. Wanneer je die beïnvloeding voor jezelf tot stand brengt van buitenaf, dan verander je daarmee a.h.w. het emotioneel quotiënt van je eigen wezen. Wanneer ik het emotioneel quotiënt verander (en ik gebruik dit woord opzette­lijk, het is niet een foutieve term, zoals sommigen zouden denken; nl. het deelgetal emotie dat in de totale persoonlijkheid werkzaam is, want het is een deel van het ik; en ik verhoog dus de emotie t.a.v. de persoonlijke waarde, die ik ken), dan moet ik door die invloeden vanzelf ook weer meer energie gaan uiten.

Ik geloof dat ook dit heel begrijpelijk en heel duidelijk is. Het is misschien wat moeilijk in praktijk te brengen in het begin, want al die dingen zijn uiteraard vaag. Iemand die wil werken met esoteri­sche en magische krachten moet zich realiseren, dat je altijd begint in de mist. Werkelijk soepdikke, Londense mist, waarin je bijna blind en op de tast verder gaat. Pas wanneer je je georiënteerd hebt in dit brijachtige geheel, in die vaagheid, dus voor jezelf hebt gecon­stateerd waar je staat, kun je een richting inslaan; niet voordien.

En dat kan niemand voor je doen. Eenieder van u staat in de totaliteit van het menselijk bestaan op het ogenblik op een ander punt. Hij heeft andere geestelijke waarden, heeft andere materiële mogelijk­heden, andere krachten, enz.

U kunt dus zeggen: Ik sta nu wel in die brij, maar ik kan zelf a.h.w. zoekende en tastende op een gegeven ogenblik zeggen: Hé, dit ben ik; hier sta ik; dat kan ik. Dan trekt de mist pas op.

Er zijn geen recepten te geven en geen algemene regels vast te stellen. Je kunt het natuurlijk wel doen; en dan zullen ze voor 20 mensen wel passen, voor de volgende 10 absoluut foutief zijn en er zullen er ook nog 10 zijn, die er geen schade van hebben. Een algeme­ne regel is alleen maar iets, waar een mens mee kan werken, wanneer hij leert die voor zichzelf te interpreteren. Weer datzelfde mistprin­cipe. Daarom moet ik het wel een beetje vaag houden.

Ik kan u niet precies vertellen hoe u bent en hoe u het moet doen. En wanneer ik u ga vertellen hoe u er in mijn ogen uitziet, be­hoeft dat nog lang niet altijd waar te zijn, want ik zal ook dingen over het hoofd zien. Ik ben misschien ook wat bijziende wat sommige eigenschappen betreft. Laten we een heel eenvoudig voorbeeld nemen.

Bij u speelt misschien seks een rol. Bij ons is dat bijna niet het geval. Bij ons is men eigenlijk in zekere zin aseksueel. Het re­sultaat is dat ik dergelijke factoren en mogelijkheden in uw bestaan waarschijnlijk zal onderschatten, zowel in belangrijkheid als in moge­lijkheid. Daarom moet u mij niet vragen hoe het met u gaat. Dat moet u zelf vinden.

Maar het is niet belangrijk uzelf nu helemaal te ontleden, helemaal in stukjes te snijden. Wanneer u maar een algemeen begrip hebt. En in dat algemene begrip spelen natuurlijk zekere waarden een rol, die u kunnen helpen.

Bent u erg idealistisch in uw dromen? Ja? … Neen? Sommigen zijn zeer materialistisch in hun dromen. Maar het is maar een retorische vraag.

Wanneer u idealistisch bent, dan moet dat ideaal een zin heb­ben. Wat is hetgeen wat u door dit idealistisch dromen wilt ontlopen? Wat wilt u compenseren met uw ideaal? Kijk, dan kunt u al weer een beetje meer over uzelf weten. U droomt zo uitermate materialistisch, zegt u. Maar wat u droomt maakt u niet altijd waar. U zou het niet allemaal waar willen maken misschien. Waarom droomt u het dan? Waar­om houdt u er zich dan toch mee bezig? Wat probeert u uit te drukken?

De meeste mensen zijn voortdurend met zichzelf in conversatie. In hun droombeelden, in afwijkingen van normale reacties, in hun inter­pretaties van wat er in de wereld gebeurt. Een mens praat voortdurend met zichzelf. En elk woord dat hij op die manier tegen zichzelf zegt, is in feite een vorm van zelfanalyse, wanneer je leert het te zien. Niet als een aanduiding van feiten zonder meer, maar het werkelijk te zien als iets, waarmee je probeert je wereld te vormen.

Het klinkt misschien vreemd, maar een mens is iemand, die zel­den iets werkelijk zinloos doet. Het mag zinloos lijken. Maar iemand, die in paniek de gekste dingen doet, heeft daarvoor een reden. Die reden kunnen we dan zoeken in het samenvoegen van een aantal verschil­lende impulsen om te ontsnappen, om te helpen, om te redden, die door elkaar lopen, die niet beheerst zijn.

Zoals je soms mensen hebt, die bijzonder interessante spreek­woorden weten te vervaardigen; bv. “wie het paard voor de wagen spant, trekt hem aan.” Weet u wel, die voegen die dingen zo vreemd samen. En dat moet een reden hebben. Wanneer men de begrippen zo door elkaar hanteert, dan denkt men twee zinnen tegelijk en voegt ze samen. Daar­voor moet een reden zijn.

Kijk, dat is nu het interessante. Je bent met jezelf voortdu­rend in discussie. Het is een eeuwige dialoog tussen het uiterlijk ik en datgene wat je verborgen in jezelf bent. Wanneer je die gesprek­ken leert verstaan, leer je jezelf kennen. Leer je jezelf kennen, dan behoef je helemaal niet dat ik in allemaal afzonderlijke vakjes te verpakken. Je kunt het gewoon als een geheel beschouwen.

Wanneer u weet dat iemand sterk is en u hebt kracht nodig, dan gaat u toch ook niet vragen of hij ook een sterke maag heeft? Hij kan een uitermate gevoelige maag hebben; of een maag waar een struisvogel jaloers op zou kunnen zijn. Maar dat interesseert u toch niet? Als u kracht nodig hebt, dan gaat het erom of die mens op dat moment die kracht heeft. Wanneer u die kracht nodig hebt en u erkent dat u een bepaalde vorm van kracht of mogelijkheid hebt, dan moet u daar even mee volstaan. Begin dus niet eerst de perfectie te zoeken van de zelf­analyse, maar doodgewoon een middel om mee te werken,

En dan zijn er verschillende facetten bij, die heel typerend zijn. In jezelf is bv. je tijdswaarde, je tijdsbeleving, een heel andere dan buiten in de wereld. Buiten je heb je te maken met een genormde tijdsbeleving, in jezelf heb je met een ervarings-registratie als tijdsbeleving te maken. Het is mogelijk die twee met elkaar te verwisselen.

Dat klinkt vreemd. Maar je kunt zonder meer een andere tijd aannemen. Sommige van onze sprekers doen dat weleens. Die hebben haast op een gegeven ogenblik; of ze vergeten dat u niet mee kunt komen. En dan hebben ze toevallig een andere tijd instaan en dan spreken ze veel te vlug. Dat komt voor. Of ze spreken zo traag dat u erbij in slaap valt, terwijl ze voor hun eigen idee toch het normale tempo van de buitenwereld handhaven. Ze zijn dan van die persoonlijke, die relatieve tijdswaarde niet voldoende overgestapt in de genormde tijdswaarde, die voor u een rol speelt. En u bent niet voldoende ge­schoold om over te stappen in hun tijdswaarde.

Met voldoende concentratie gebeurt dat wel. Wanneer u volle­dig bent geconcentreerd op een spreker, kan die spreker langzaam zijn tijdstempo aanmerkelijk versnellen en dat geeft helemaal niets, want u kunt hem volledig volgen. Alles wat hij zegt – hoe snel het ook gaat – is voor u volkomen te volgen, omdat u geheel geconcentreerd bent en als zodanig meegaat in de relatieve tijd die de spreker hanteert. In het andere geval, wanneer de spreker traag is en u gaat op in zijn begrip, dan kan hij langzamer en langzamer gaan spreken; en in de traagheid van zijn woorden bemerkt u door uw concentratie niet dat hij een andere tijd aanneemt. De relatieve tijd blijft dan gelijk, doordat uw concentratie synchronisatie betekent.

Het gaat er dus om dat u zich door concentratie kunt inscha­kelen op een andere tijdsscala. En dat betekent, dat uw actie- en reactiemogelijkheid t.a.v. de genormde buitenwereld door u ook gevarieerd kan worden.

U bent niet gebonden aan alleen maar de menselijke tijdsreke­ning. De mogelijkheden van de tijd bestaan voor u, omdat u ze als norm aanvaardt. Maar op het ogenblik dat u gaat werken met uw innerlijke processen en de tijd in de buitenwereld a.h.w. uitschakelt (zeg maar: vergeet), dan zal – mits u alweer voldoende energie hebt – een aan­merkelijke versnelling van reactie mogelijk zijn. U kunt dan bv. meer doen in minder tijd. En u kunt ook tijd, die anders teloor zou gaan en vermoeiend zou zijn, door een vertraging van uw eigen tijdsreactie nuttig maken. En dan kun je met één gedachte misschien 100 km in een auto afleggen, zonder dat het iets uitmaakt op het automatische pro­ces van besturing en reactie op de weg.

Dat zijn eenvoudige gebruiksmiddelen. Maar nu kunt u zich mis­schien ook voorstellen dat wij op een gegeven ogenblik met geeste­lijke krachten aan het werk zijn. Er zijn tenslotte astrale vormen van kracht, er zijn gedachtenstralingen, er zijn werkingen in het gemeen­schappelijk bewustzijn of het gemeenschappelijk bovenbewustzijn. Er zijn allerhande factoren. Wanneer u genormd bent, bent u aan deze massali­teit onderdanig. Het is een ondoordringbare massa, u moet mee. Maar op het ogenblik dat u in staat bent uw eigen proces te versnellen, bent u a.h.w. neutraal geworden.

Je zou kunnen zeggen: het is eigenlijk net als bij atomen. Wan­neer je die met protonen of elektronen gaat bombarderen, ontstaan er allerhande werkingen. Maar wanneer je een neutronenstraling gebruikt, gaat die bijna overal doorheen. Alleen bepaalde elementen zoals water stoppen dat, maar andere elementen niet.

Wanneer je nu dat element in de gaten houdt, kun je zeggen: “Ik kan dus a.h.w. met mijn denkbeelden, met mijn energie, door alle astrale krachtverzamelingen heen dringen, alleen doordat ik mijn eigen tijdsbesef verander. Daar hebt u alweer een principe van de magie. En ook van de esoterie. De mens, die met zijn eigen tijd kan werken en zich dus kan onttrekken aan de normen, de normatieve waarden van een bovenbewustzijn, van een astrale wereld, die is plotseling on­kwetsbaar geworden voor die wereld, voor die begrippen. Hij kan zich­zelf blijven. Hij kan zijn wil doorzetten zonder de weerstanden te over­winnen die een ander uitputten.

Hij kan ook in zichzelf hoge waarden en krachten beleven, die voor een ander niet te verdragen zijn, omdat hij a.h.w. de eeuwigheid heeft om ze te verwerken. Terwijl de ander dat in een tijdslimiet moet doen en daarin een dergelijk groots begrip of een dergelijke grootse emotie eenvoudig niet verwerken kan. Waarmee ik hoop u duidelijk te maken dat het eigenlijk allemaal niet zo wonderlijk is als u denkt. Het is eigenlijk allemaal heel erg normaal. En het is – wanneer je leert ermee te werken – ook heel eenvoudig.

Ik heb nu maar een paar dingen aangestipt: uw eigen persoon­lijkheid, hoe u die energie moet omzetten, de wisselwerking tussen uw buitenwereld en uw eigen wereld als mens; uitermate belangrijk. Maar ik heb u ook iets geleerd over die concentratie, over die ver­andering van de tijdsscala. Wanneer u nu alleen die dingen eens ont­houdt, bent u dan eigenlijk al niet in staat om veel verder te komen?

Het geheel van wat ik betoog zou u eigenlijk allemaal kunnen en moeten weten. Maar de doorsneemens kan het ergens niet – ik heb het in het beginbeeld al gezegd – omdat hij ergens bijziende is. Dat­zelfde is het geval met alle grote begrippen, waarmee je te werken krijgt in de esoterie, in het geestelijk leven.

Een begrip als naastenliefde werkt meestal op een afstand fantastisch mooi, maar dichtbij komt er weinig van terecht, omdat men die zaak niet kan zien in de eenvoudige, directe verhouding.

Wanneer u hoort over gedachtekracht, dan gelooft u daarin; maar u kunt er weinig mee doen, omdat u het wel op een afstand ziet maar niet kunt overzien als een directe werking dichtbij.

Wanneer men spreekt met u over een contact met de geest, dan gelooft u wel dat het mogelijk is – u bent er misschien van overtuigd – maar u kunt het niet. Ergens faalt het elke keer. Het is net niet wat je zoekt. Waarom? Is het misschien ook, omdat je aan de eenvoudige dingen voorbijziet?

Als ik contact wil opnemen met uw wereld, moet ik werken met mijzelf. Een kwestie van afstemming, zeker. Maar daarnaast toch ook wel degelijk een kwestie van besef eigenlijk krijgen van de eenvoudige dingen in mijn eigen wereld, die zodanig parallel lopen aan uw wereld dat ik a.h.w. van het één op het ander kan overstappen. Uit twee wa­gens, die met een verschillende snelheid rijden, kun je niet overstappen. Maar zodra ik twee wagons heb, die naast elkaar met een gelijke snelheid rijden, kan ik overstappen. Dat is: van sfeer tot sfeer in­werken. En dat moet u nu eigenlijk ook doen.

U moet dus niet zoeken naar de dingen, die ver weg zijn en die hoog-esoterisch, hoog-geestelijk, zeer occult of zeer magisch zijn. Maar u moet eenvoudig zoeken naar die dingen, die een parallel hebben, die dichtbij liggen bij hetgeen u zoekt, hetgeen u bereiken wilt. Dat is een heel eenvoudig iets. Daarmee kunt u uw contact maken met de sferen. Daar kunt u uw gedachtekracht bijzonder scherp tot uiting brengen. Daar vindt u allerhande mogelijkheden tot besef en inwerking.

En daarom besluit ik deze inleiding met iets heel eenvoudigs: Mensen, kijk rond je. Kijk naar de eenvoudige dingen in het leven, de normale dingen in het leven. En vraag je af in hoeverre zij een paral­lel kunnen zijn voor hetgeen je geestelijk wilt bereiken, voor hetgeen je magisch tot stand wilt brengen. Leer deze vorm van simpele over­dracht. U zult ontdekken dat in uw eigen wezen de werking van de door mij voorgestelde formule groter is dan u vermoedt, meer direct. U zult ontdekken dat u meer kracht hebt, maar ook dat u – doordat u uzelf ook beter begrijpt en uit – dichter komt bij die verborgen waarde van het innerlijk, waar je als esotericus toch naar streeft.

Dit is het einde van mijn betoog. Ik hoop dat ik u hiermede de gelegenheid heb gegeven om veel oude waarden toch eens in een nieuw licht en een nieuwe samenhang te bezien.

Wij hebben – zij het met moeite – een gastspreker voor u kun­nen krijgen. Hij is ergens bijzonder geneigd om bespiegelend, dichterlijk te denken, maar iemand die het meestal toch ook wel in de praktijk weet om te zetten. Iemand die klank en kracht buitengewoon goed combineert. Iemand die met dichterlijke denkbeelden de werkelijkheid vaak beter benadert dan je dat met concrete termen kunt doen. Een heel eigen­aardig iemand. Hij behoort tot de Witte Broederschap en oorspronke­lijk tot de oosterse kant daarvan. In de uiting zal dat wel niet zo scherp blijken, want ik meen dat hij via bemiddeling (dus via over­dracht) zal spreken. Maar dat merkt u zelf wel.

De gastspreker

Ik hoop, dat deze avond u een beetje meer licht, een beetje meer kracht en een klein beetje meer levensvreugde brengt.

Levenskracht is het geheim dat niemand helemaal kan door­gronden. Wij spreken over kosmische krachten en eeuwige machten en verklaren zo aan onszelf ons bestaan. Uit de onzekerheden, die ons werkelijk zijn voor ons omschrijven; uit de onaanvaardbaarheid van de feiten hebben wij ons de kosmos opgebouwd. Het leven, geheimzinnig als het moge zijn, kan voor ons altijd weer een bron zijn, waarin wij het onbekende als weerkaatsing in het oppervlak van het Zijn waar­nemen.

De bespiegeling waarin wij het leven beschouwen, heeft slechts dan zin, wanneer wij zelf deel zijn van het leven. Want hij, die terzijde treedt van het bestaan, is niet meer in staat waarlijk te beseffen wat hij aanschouwt.

De beelden van de oneindigheid zijn voor ons altijd weer naast hun raadsel gelijktijdig de uitdaging. Wij trekken naar God, zoals ie­mand uittrekt om een onbekende wereld te verkennen. Wij zoeken de on­eindigheid en het goddelijk rijk, zoals wij zouden zoeken naar een ver­loren Eldorado.

Deze tocht, dit eeuwig zoeken naar het onbekende, is ons fei­telijk motief in het bestaan. Al datgene wat wij als bereiking beschou­wen, is niet veel meer dan een uitbeelding van het onbekende. Wij jagen naar de symbolen van de eeuwigheid, omdat de eeuwigheid zelf ons steeds weer schijnt te ontvlieden. Maar als wij die symbolen waar hebben gemaakt en bereikt, verliezen ze hun betekenis en zoeken wij andere en nieuwe waarden te vinden, die voor ons dit beeld van eeuwigheid en onbeperkt­heid opnieuw zullen weergeven.

Wie waarlijk leven wil moet beseffen dat het leven voornamelijk is: het streven, het voortdurend zoeken. Hij die meent dat in het le­ven bereiken belangrijk is, is een dwaas. Want wie immers wil zich op een goede zode neerzetten langs de weg, wanneer hij weet dat de reis verder moet gaan? Hij die blijft zitten om te wachten tot hij verder wordt gedragen door onbekende krachten, verhongert langs het pad, dat hem zou kunnen voeren naar de onbekende herberg, waarin hij zich kan voeden. En dit nu is het kenteken van de gehele mensheid: Wij moe­ten een keuze doen. Wij moeten kiezen voor de beleving, voor het voortdurend streven dat ons bestaan is. Of voor de daadloosheid die ons steeds meer doet verliezen aan kracht, aan inzicht en aan werking. Naarmate wij meer actief kunnen zijn als mens en als geest, naarmate wij verder kunnen uitgrijpen in de doelen die wij nastreven, hebben wij het gevoel dichter te komen bij de Bron van het Al-zijnde, bij de Levens­kracht zelf. Waarom zouden we dan de bereiking vooropstellen? Ze is immers van geen betekenis?

Het is niet belangrijk wie en wat ik ben. Het is belangrijk dat ik ben en mijn zijn voortdurend bevestig door verder te gaan. Het is niet belangrijk dat ik over machten of krachten beschik. Deze zijn ten hoogste de werktuigen, waarmee ik mijn weg gemakkelijker afleg. Belang­rijk is dat ik op weg ben.

Wie zich laat leiden door dat wat is, en voortdurend zijn eigen zijn en doen fixeert in de dingen die bestaan, is genageld aan het eeuwige rad, de eeuwige kringloop, waarin men voortdurend herverschijnt en verdwijnt als een eeuwigdurende, monotone repetitie van on­begrepen motieven. Maar hij, die voortdurend streeft en tracht te be­reiken, hij verandert zijn waarde. Hij is niet meer een zich herhalend motief, maar hij is een motief dat zich ontwikkelt tot een melodie met contra-melodieën verweven. Een langzaam ontstaande schets, waar­in de veelheid van afzonderlijke waarden een eeuwigheid, een bereiking en een kosmos tekenen.

Wij vormen onszelf, totdat wij een wereld zijn. En wanneer wij een wereld zijn, geven wij aan al wat wij bereikt hebben en in ons dra­gen, levenskracht. En omdat wijzelf leven geven aan datgene wat wij hebben voortgebracht, omdat wijzelf in stand houden de wereld die uit ons is geboren, beginnen wij te begrijpen wat de Bron van alle kracht moet zijn.

Streven en leven zijn onafscheidelijk. Wie bestaat behoeft niet te streven. Maar zodra het bestaan tot leven moet worden, tot erken­nen, is het voortdurend verder willen gaan onontbeerlijk. Waarom zou de mens niet altijd verdergaan? Waarom zouden de lokkende, onbekende verten voor de mens niet een voortdurende aansporing zijn? Is het misschien omdat hij gelijktijdig verlangt naar het onbekende en het vreest?

Er zijn mensen, die hun kracht willen beproeven in de eenzaam­heid van een jungle, die in de diepe nacht en duisternis de geesten willen uitdagen en zich als voedsel aanbieden … en toch terugschrik­ken, omdat zij niet alleen durven zijn in de onbegrensde ruimten en eeuwigheden die hen omgeven. Zij durven het onbestemde en de drei­ging niet aanvaarden. En daarom kunnen zij zichzelf niet bevestigen.

Hoe onzeker is de mens die door zijn angsten terugvalt op datgene, wat altijd weer – zich herhalend – als zekerheid bestaat. Hij leeft niet waarlijk. In hem is zelfs de onverzadigbare honger ge­worden tot een vervalsing van leven. Hij spreekt over zijn gevoelens. Maar zijn gevoelens zijn niet veel meer dan een vage echo, die uit een intens streven zou kunnen voortkomen als volle klank.

Er is eens gezegd dat uit een wereldzee van gif de wereld is gekarnd. Ik geloof dat dit waar is, al is het niet in de mense­lijke zin van het woord. Want is er rond ons niet zoveel, wat voor ons gif is, wat ons brengt tot waandromen of tot waanzinnige smar­ten, wat ons doet ondergaan in hellewerelden of ons verder doet stijgen naar een hemelse verrukking, die uiteindelijk niets anders blijkt te zijn dan de verstijving, de verstarring, waarin wij onszelf verliezen?

Rond ons zijn zovele dingen. Maar uit die dingen is onze wereld voortgekomen. Onze wereld. Niet alleen maar een draaiende bol die rond een zon spint, alsof hij een web wil weven uit de tijd. Neen, een wereld, die de samenvatting is van alle mogelijkheden van bestaan. Een wereld die is besef; die is begrip; en die bovenal ook is be­heersing van het gekende en een antwoord op de uitdaging van het onbekende.

Wie zoekt naar wijsheid, weet dat de kern der wijsheid niet ligt in de bestaande waarde. Ze ligt in het feit, dat men het be­staande ziet als de steun, waartegen men zich kan afzetten voor de sprong in het onbekende.

Er is veel wat je niet begrijpt; er is veel wat je niet kunt omschrijven en wat je niet kunt vasthouden in je herinnering. Er is als mens en als geest voortdurend weer de vraag, of het zin heeft wat je doet. De vraag of het niet anders of beter zou kunnen. Mis­schien dat deze vraag wel kentekenend is voor ons bestaan. Ik vraag mij vaak af: waarom zoek ik toch zo naar de zin der dingen?

Wanneer ik werk om het lot der mensheid mede te bepalen, dan doe ik dit, omdat ik een zin wil zoeken in het menselijk bestaan. En misschien ook omdat ik zin wil geven, inhoud wil geven, aan mijn ei­gen bestaan. Maar gelijktijdig grijp ik eigenlijk naar het onbekende. Ik weet dat ook zonder mij het verloop der dingen ergens reeds moet zijn vastgelegd. Ik kan misschien iets in de kleur veranderen. Ik kan een enkele toonsequentie anders laten klinken in het eeuwige lied, dat de Schepper zingt of neuriet voor Zichzelf. En dat is alles.

Waarom zou ik mij dan bezighouden met het zoeken naar de zin van mijn bestaan? Moet mijn bestaan dan zinvol zijn? Is het niet beter de vraag naar de zin van mijn bestaan terzijde te stellen en te zeg­gen dat het leven, het beleven zelve, de voortdurende erkenning van de uitdaging die leven betekent en het voortdurende antwoord op die onbekende machten die je dreigen – of ze nu leven heten of dood, of ze duisternis heten of licht – zou daarin niet veel meer het antwoord moeten liggen op de vraag: waarom leef ik?

Het gaat niet om de zin, om de reden. De samengestelde se­quentie, die moet voeren tot een uiteindelijke verheerlijking en op­lossing, is m.i. iets wat door mensen moet zijn opgebouwd. Dat is toch niet goddelijk meer? Is het goddelijk om aan te nemen dat wij op den duur in een hemelwereld binnentredende dadeloos zullen wach­ten op wat er verder gebeurt? Of misschien glimlachend de nutte­loosheid van alles beneden ons zullen gadeslaan?

Neen. Wie leven wil, werkelijk leven, kan niet volstaan met deze sublimatie van het Zijnde tot een onveranderlijke, verstarde ik-heid, afgodsbeeld, ergens geplaatst in een eeuwige hal van lichtende glinstering. Er moet meer zijn.

God kan niet alleen maar de instandhouder zijn, ook al is Hij de levenskracht en de bron van alle dingen. Hij is – naar ik meen -ook de voortdurende uitdaging. Wij moeten God niet zien als een vij­and, dat zou dwaas zijn; maar wij moeten Hem zien als één Die ons voortdurend, voortdurend wéér vraagt a.h.w. de strijd met Hem te aan­vaarden. Een bijna speels gevecht, waarin wij moeten leren wat de Kracht, waaruit wij voortkomen, al kent.

Soms denk ik aan God als één, Die als meester speelt op een instrument, als een meester in het hanteren van zwaarden en die tot de anderen zegt: “Kom, laat ons tezamen spelen of laat ons tezamen strijden. En zie wat Ik doe, opdat je kunt doen zoals Ik.”

Ik geloof niet in de zin van het leven in die betekenis dat er ergens een einddoel is, vast en gefixeerd. Daarvoor lijkt mij het begrip van eindeloosheid te weinig zinvol. Maar ik kan mij voorstellen dat ik leer scheppen als eens de Schepper. Dat mijn zoeken op dit moment naar het welzijn van de mensheid zo dadelijk wordt tot het creëren van een wereld, die ik goed acht. En als ik dan zeg dat het goed is in mijn schepping, dan zal ik moeten ontdekken dat ook daarin de zin, de reden ontbreekt. Dat ook daar de levenskracht voortdurend zichzelf moet hervinden, tot ze zelve creëert.

Ik hoorde een denker in het westen spreken over een explode­rend heelal. Ik stel mij de levenskracht voor als een soort explosie. Een enkele gedachte, die vele gedachten baart, die elk voor zich nieuwe gedachtewerelden openbreken, totdat een netwerk van gedach­ten wordt tot een omschrijving van iets, wat ik niet ken.

Daarom, wanneer ik spreken moet tot u, zoek ik naar de uit­drukking van de zin … niet van het leven, maar de zinrijkheid mis­schien van de wijze, waarop wij het leven benaderen. Het leven bena­deren is iets anders dan leven, weet u. Ik kan in de veelheid van mijn woorden en mijn dromen de beelden opbouwen, waarin op den duur ik ergens ook weer het gevoel krijg zelf te kunnen creëren of te kunnen handelen. Kortom, van machteloosheid te groeien tot een begrip van vermogen. Ik denk zo dat de mens moet leren om – zoals ik het geleerd heb trouwens – uit zijn streven naar iets wat buiten hem is, te komen tot de bereiking van iets wat in hem is. Hij moet meer zijn, meer omvatten.

Dat wat je doet is alleen maar de bevestiging van wat je bent en meer niet. Maar wat je bent, dat staat niet vast. Levenskracht, ja. Maar wat meer? De gedachten, die wij hebben samengeraapt en die wij ego noemen, die kunnen misschien teloorgaan in de een of andere kosmische wind. Zoals wij weten dat de gestalten, die wij ons “ik” noemen, steeds weer verbleken onder de invloed van de tijd. En toch zijn wij. Toch is er een bestaan en een leven en een streven dat ver­dergaat. Is het misschien dan de zin van alles om steeds méér te leven?

Er wordt tot u in uw kring gesproken over esoterie. Ik heb jaren – en niet slechts enkele uren – in overpeinzing neergezeten. Ik heb getracht werelden te voelen. Ik heb getracht te weten wat het is om een berg te zijn en een boom en een bloem. Ik heb de dieren, de gevaarlijke en de niet-gevaarlijke, mijn vrienden genoemd. En wat heb ik tenslotte bereikt? Misschien één ding: de aanvaarding van wat er is. Maar heb ik daarmee en zin gevonden in mijn bestaan en in mijn leven? Neen.

Deze overpeinzingen van het leven, dit zoeken naar een ver­heerlijking van het innerlijk ik, heeft mij ergens gebracht naar een standpunt, waar ik wederom in het ledig moest staren en waar ik mij wederom moest afvragen: waarheen nu? Ik heb geen trap beklommen die een einde heeft. Ik heb alleen steeds vanuit een nieuw standpunt de wereld gezien en altijd weer geweten dat ik verder moest gaan.

En men predikt u de magie. Velen hebben mij ook magiër genoemd, omdat ik de dieren kende en omdat ik de krachten der natuur naar mijn hand wist te zetten. Eigenlijk kinderspel. Wat heb ik ermee bereikt? O zeker, ik heb er iets mee bereikt. Ik heb met mijn spel anderen ge­holpen. En ik heb ook anderen doen denken. En dat is veel. Maar ben ik ergens gekomen tot een eindbestemming? Neen. Ik ben niet tot een einde gekomen. Met alle wonderen die ik heb gedaan, de zieken die ik heb genezen, de beelden en fantasmagorieën die ik heb opgebouwd uit het niets, heb ik alleen maar bereikt dat ik weet, hoe zinledig deze dingen zijn. Ze hebben alleen betekenis, wanneer een deel van mijn stre­ven zich uit in een ander. Dan hebben die dingen betekenis, omdat ze deel zijn van een werelduitbreiding. Meer niet.

Misschien spreek ik naar uw denken wel heel weinig opwekkend, weinig positief. Toch is dit waarheid. Ik confronteer u met mijn er­varingen, zoals ik die heb opgedaan. Niet met een of ander sprookje over mooie werelden en uiteindelijke beloningen, die voor ontbering en onthouding en al die dingen gegeven worden. Ik confronteer u met de werkelijkheid. Niets is belangrijk buiten het streven zelf.

En misschien dat u nu zegt: Er moet toch een einde zijn. Ik heb dat ook wel gedacht in het verleden. In het verleden toen ik meende dat mijn bestaan ergens, ergens eindigen moest in een heerlijkheid, een voltooiing, zodat al het Zijnde mij zou erkennen voor het kostbare …. Maar is dat zo belangrijk? Is die erkenning nu werkelijk zo belangrijk als je soms denkt? Is het niet belangrijker om steeds te leven en steeds opnieuw te leven? Geloof mij, hij die meent bereikt te hebben, stikt in zijn bereiking. Hij die streven kan, zal altijd weer nieuw leven, nieuw wezen, nieuw werken zien. En hij zal steeds meer begrijpen van zichzelf en van al het zijnde. Dat is de zin van het bestaan.

In uw wereld heeft een apostel zijn stempel gezet op uw maat­schappij met het begrip dat men God moet eren en de naaste liefhebben. Maar hoe hebt u dan uw naaste lief? En hoe eert u uw God? Is uw God dan zo dichtbij? Is uw God niet alleen maar een schim die u oproept, wanneer u geen raad meer weet voor uzelf? Is die God niet alleen een licht dat u in uzelf ontsteekt, wanneer u vreest voor de duisternis van de wereld? En uw naastenliefde, wat is deze dan? Is ze dan wer­kelijk de erkenning van uw naaste, van uw medemens als uw gelijke? Of is ze eerder een kreet, waardoor je tracht te ontsnappen aan het be­grip van eigen onvolkomenheid?

Naastenliefde heeft betekenis, zeker. Maar de betekenis van naastenliefde is niet – zoals u misschien denkt – de vage, al-omhel­zende kracht, waarin wij dan alles samen opnemen en tot dit geheel zeggen: “Wij zijn één met u”, zonder verder iets te bereiken.

Ik zeg u één ding: Naastenliefde is weten en voelen wat een ander weet en voelt. Naastenliefde is het streven om niet alleen te leven in jezelf, maar in het totaal van een wereld en van een mens­heid. En God liefhebben? God liefhebben is niet alleen maar een vage aanvaarding van het onbekende. Maar het is de voortdurende streving waarin je tracht weer te geven; weer te geven wat je weet van die Levenskracht die als kern in je wezen staat.

Misschien is het moeilijk voor u – zeker met deze tussenschakel – al deze denkbeelden te aanvaarden en te verwerken. Laat mij u daarom nog het volgende zeggen:

Ik zoek niet – dat heeft u wel begrepen – naar de voleinding. En sedert ik ben opgehouden te zoeken naar die voleinding en daarvoor in de plaats heb gezet het voortdurend a.h.w. veroveren van al wat mij onbekend is in het Zijn, het dragen van verantwoordelijkheid voor steeds meer dingen, omdat daarin de uitdaging en het probleem ligt, ben ik gelukkig. Gelukkiger dan ik ooit ben geweest in mijn geloof aan de mogelijkheid op te stijgen tot in een wereld der goden. En ik besef meer van mijzelf nu ik leef, mij steeds weer werpende op de verantwoor­delijkheid en op de taken die haast onuitvoerbaar schijnen. Ik ken mij-zelve beter dan in die dagen dat ik meende bespiegelend in mijzelf te moeten opstijgen.

Geluk, mijne vrienden, is niet wat je hebt. Geluk is datgene wat je gevoelt, wanneer een doel dichterbij komt. Nooit wat je voelt, wanneer een doel bereikt wordt. Zoals vreugde meer de verwachting is dan het feit.

Ons leven is vreugde, omdat de levenskracht in ons zelve bron van vreugde is. Maar zodra wij beginnen om die bron vast te leggen aan bepaalde waarden en bepaalde wetten, verliest zij deze. Hij die gees­telijk volwassen wil worden moet de moed vinden om uit de beslotenheid van de beloning de rechtvaardiging, de uiteindelijke bekroning van het zinvol streven door een vaststaand en eeuwig blijvende voltooiing, prijs te geven. Ga in het onbekende duister. Roep de geesten en demo­nen op. Meet je met hen en zeg: “Neem mij als voedsel en verslind mij.” En weet dat je voortbestaat. Weet dat er niets is wat je kan vernie­tigen, wanneer je jezelf niet vernietigt. Dat is vreugde. En, o wonder, naarmate je die vreugde meer leert kennen van het zelf gaan in het on­bekende, in het duistere, heb je ergens die Levenskracht meer lief.

Niet meer omdat die kracht God is, maar omdat leven met, in en door die kracht zo’n uitbundig avontuur is. Ik geef u nu terug aan de vertaler, die voor mij nog kort zal besluiten.

U hebt gehoord, vrienden dat hier een vreemde vorm van mystiek aan de gang is. En ik geloof dat u deze gastspreker, die ik geprobeerd heb zo goed mogelijk weer te geven, dan ook niet zonder meer moet zien als de verkondiger van een evangelie. Hij is iemand die altijd voor al­les tijd heeft. Dat is vreemd. Hij is iemand, die allerhande dingen be­reikt en verdergaat zonder om te zien. Maar dat wil nog niet zeggen dat zijn denkwijze noodzakelijk de uwe moet zijn. Wanneer ik, sprekend vanuit de Orde (en dus niet zoals de gastspreker vanuit een andere en eigen instelling) dit alles voor u wil samenvatten, dan komt het ei­genlijk hierop neer:

Er zijn andere methoden om te denken aan het leven dan aan de bereiking van een hemels Jeruzalem. Vrede is stilstand. En vrede is niet noodzakelijkerwijze datgene wat ons geluk geeft. We hebben hier een spreker gehoord die zijn bestaansvreugde, zijn Godserkenning, zijn zelferkenning, kortom alles wat het leven het leven waard maakt, vindt in het voortdurend aanvaarden van de uitdaging van het onbekende. Dat is een vorm van zelfoverwinning. U zult misschien op uw eigen wijze moeten zoeken naar uw wijze van bereiken en leven.

Maar zeker is één ding: Dit is een geest die zeer, zeer veel licht in zich draagt. Dit is een wezen dat zeker niet gerekend kan worden onder de dwazen of onder de dwaalgeesten. En als er één denk­beeld is, waarmee ik het in mijzelf eens ben (en ik meen dat er meer in de Orde zijn, die dat zullen gevoelen), dan is dat wel vooral het denkbeeld dat het voor ons niet de zaak is om God te bereiken, maar om van God te leren. Ik geloof dat het belangrijker is te leren ons­zelf te zijn – maar dan in de kosmische betekenis van het woord – dan ergens een God te bereiken Die wij toch niet kunnen begrijpen.

Dat is de kern van alles. En alle streven, esoterisch en ma­gisch, zou volgens mij rekening moeten houden met dit feit. Het gaat er niet om wat je hebt gedaan. Het gaat erom wat je wilt gaan doen. Het gaat er niet om wat je innerlijk bereikt, maar hoe je van daaruit verder kunt gaan. In zoverre ben ik het zeker met deze spreker eens.

En ik geloof dan ook dat deze gastspreker, die zich heel vriendelijk ter beschikking heeft gesteld, u een beeld heeft gegeven van een denkwijze, die u allemaal niet zo kent of waar u misschien een beetje bang voor bent. Maar die toch zeker ook eens beschouwd moet worden, willen we eerlijk staan tegenover het fenomeen leven; en willen wij de inhoud en de betekenis van alle esoterisch en magisch streven voor onszelf een beetje kunnen omschrijven.

Ik weet dat mijn vertaling hier en daar wat onvolledig is ge­weest. Maar ik hoop toch dat ik u een klein beetje heb kunnen weer­geven wat er in een grote geest kan leven en hoe hij het uitdrukt.