Mijn probleem

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

Nadat wij nu een negental lessen hebben besteed aan de meest voorkomende problemen, die vooral bij een zoeken naar geestelijke bewustwording op de voorgrond treden, zijn wij dan vandaag gekomen tot het punt, waar de cursisten zelf hun speciale problemen nogmaals kunnen doen belichten. Ik ben ervan overtuigd dal onze cursus geen aanspraak mag maken op volledigheid. Dat is in de korte periode van zegge en spreken 9 à 10 uren niet mogelijk. Wel echter zullen wij nu trachten de meest belangrijke punten zo kort mogelijk te beantwoorden.

Eerste probleem: bij het verder voortschrijden van de ouderdom kan kindsheid optreden en men stelt dat de geest hierdoor wordt aangetast.

Dit laatste is natuurlijk alleen vanuit een menselijk standpunt misschien aannemelijk te maken. We weten allen dat de ouderdom met gebreken komt. Wanneer een mens langzaam naar zeker de levenskracht van zijn voertuig heeft verbruikt, zullen o.a. de hersenen niet meer juist functioneren en zal vooral het denkvermogen een aanmerkelijke vertraging vertonen. Hierbij treedt verder vaak het verschijnsel op dat laatste waarnemingen en latere gebeurtenissen teloorgaan, terwijl oudere perioden van het leven bijzonder fel op de voorgrond treden. De handelingen van een dergelijk mens zijn niet meer redelijk volgens de aanvaarde norm. Wij weten dat dit een lichamelijk euvel is. Voor de mens echter lijkt het of de persoonlijkheid ook werkelijk geestelijk aangetast is. Dit laatste nu is niet waar. De geest zelf zal nog steeds trachten in het voertuig bewustzijn op te doen. Zij zal ook wel degelijk steeds weer zoeken naar nieuwe wegen voor bewustwording, maar haar voertuig kan haar commando’s niet meer opvolgen. Langzaam maar zeker hebben de automatismen, die op zichzelf ook al niet juist meer functioneren, een groot gedeelte van de levensprocessen overgenomen en zelfs het denkproces is grotendeels automatisch geworden en bestaat voor het merendeel uit herhalingen die men zichzelf niet bewust is. De geest echter zal juist in deze periode reeds in de stof een aantal emoties kunnen doormaken die eigenlijk behoren bij de overgang. Hierdoor komt zij vaak gunstiger te staan na de overgang zelf t.o.v. haar nieuwe wereld. In de tweede plaats zal zij ‑ ongeacht de onvolledigheid van uiting ‑ vaak nog zeer sterke emotionele bindingen met haar omgeving kunnen tonen en zal zij haar stoffelijke karaktereigenschappen sterker dan ooit tevoren in dit kinds geworden voertuig zien uitgedrukt. Dit maakt het voor de geest mogelijk een juister oordeel te winnen omtrent de werkelijke betekenis van een groot aantal belevingen die de eenheid geest‑stof in dit leven heeft doorgemaakt. Wij mogen dus niet stellen dat kindsheid de geest aantast. Evenmin mogen wij beweren dat kindsheid een vertraging van bewustwording zou betekenen of zelfs een stilstand. De bewustwording gaat verder, maar op een vlak dat voor de normale mens niet meer aanvaardbaar is. Het wordt dan ook noodzakelijk de kinds geworden oudere mens te beperken in zijn handelingsvrijheid en hem steeds meer te verzorgen. Laat ons echter niet vergeten dat zelfs in deze periode, waarin de oude mens werkelijk weer als een klein kind behandeld mag worden (dus zonder respect voor grijze haren), de geest wel degelijk registreert wat er gebeurt en juist uit de eigen reacties ‑ onredelijk als die mogen lijken t.o.v. de omgeving, haar lering weet te trekken. Ik hoop dat dit probleem hiermee voldoende belicht is.

  • U spreekt van de bewustwording. Maar wij hebben toch geleerd dat de bewustwording wel degelijk iets actiefs in ons is, waarvoor wij werke­lijk ons best moeten doen. Als dus bewustwording toch doorgaat ondanks het tekort aan geestelijke vermogens voor de bewustwording, hoe is dat met elkaar te rijmen?

Nu stelt men hier op het ogenblik, dat een tekort aan “geestelijke vermogens” de bewustwording zou stilzetten. Dit wijst op een verkeerd begrip van het actief zijn in een bewustwording. Ook wanneer het lichaam minder uitingsmogelijkheden heeft, blijft de geest normaal. Zij wordt niet door een slijtageproces aangetast. Zij blijft evenzeer actief ‑ of kan althans actief blijven. Dat deze activiteit naar buiten toe niet of op een zeer verwrongen wijze kenbaar wordt, is misschien te betreuren voor de omgeving maar voor de geest zelf van geen belang. Geestelijke bewustwording is in feite een activiteit van de geest. Dat wil zeggen dat ook een idioot, een krankzinnige, kortom eenieder die zgn. in zijn geestelijke vermogens gekrenkt is, in staat is toch een actieve bewustwording door te maken. Deze bewustwording loopt dan echter langs andere banen dan de normaal stoffelijke. In het normaal stoffelijk bestel is de daad een directe noodzaak voor het vastleggen van het bewustzijn in de geest, dus het maken van de daad en haar gevolgen tot deel van het “ik”. Maar laat ons niet vergeten dat de geestelijke interpretatie van de daad hetgeen is wat wordt vastgelegd, zodat wat voor de één een dramatisch leven betekent, voor de ander misschien met een eenvoudig gebaar evengoed gefixeerd kan worden. Ik stel daarom met nadruk vast dat een actief geestelijk streven niet behoeft op te houden wanneer een stoffelijk voertuig onvolledig is of de reacties van dit voertuig niet voldoende betrouwbaar zijn om t.o.v. de buitenwereld een redelijk aspect te bieden.

  • Tweede probleem: bij dit tweede probleem wordt dan gesteld dat de wijze waarop het Godsbegrip beleefd wordt ‑ hetzij vaag, hetzij aan dogmatische voorstellingen gebonden ‑ plus het ik‑ begrip en een begrip van placering in de wereld, een grote tegenstand vormen in de persoonlijkheid om een actieve bewustwording, zoals wij die trachten te onderrichten en trachten te leren, te aanvaarden.

Ik kan mij dit zeer wel indenken. Ten slotte is het voor de mens vaak zeer moeilijk om God te concretiseren voor zichzelf op een wijze die hem een persoonlijk vrije ontwikkeling toelaat. Zeker nog moeilijker is het voor hem zich los te maken van het begrip “de consequentie” maar de daad zelf, het juist handelen, het juist reageren, als enig levensdoel te stellen. Wij begrijpen dat wij van praktisch niemand die op deze wereld leeft, een opvolgen van al onze raadgevingen mogen verwachten. Wij beseffen zeer wel dat velen met het nalezen van enige hoofdschudden van onze stellingen zich afvragen: ja, maar wanneer ik zo ga leven, wat wordt het leven dan? Anderzijds echter moet ik hier stellen dat het toch wel noodzakelijk is allereerst van de mogelijkheid kennis te nemen. En het feit alleen dat men ook van onze stellingen wil kennisnemen, is voor ons hoopgevend en een beloning voor veel werk dat wij verzetten. Het gaat er ons niet om de mensen als door aanraking met een toverstaf plotseling te veranderen in volmaakt actief geestelijk strevende mensen. Wij weten dat dit onmogelijk is. Maar juist de wijze van beschouwing, die wij in de laatste jaren hebben toegepast, zal voor velen een nieuwe zelfrealisatie kunnen betekenen. Men krijgt een ander gezichtspunt t.o.v. zichzelf, men gaat zijn eigen relatie met de wereld en ook met het Goddelijke op een andere wijze voelen en beschouwen. Het is logisch dat hieruit haast onmerkbaar, maar indien men eerlijk de zaak overdenkt ook onophoudelijk, kleine veranderingen voortkomen. Bedenk wel, er komen perioden dat u vermoeid zult raken van deze beschouwingen en van deze leerstellingen. Er zijn tijden dat u zich zou willen terug verplaatsen, laten we zeggen in een meer stoffelijk leven. Dat is natuurlijk en daar kan zelfs vanuit onze zijde geen groot bezwaar tegen bestaan. Want of u het weet of niet, u verandert. En u verandert ten goede, juist omdat u niet genoopt wordt alle voorstellingen die in u leven, los te laten, maar er wel toe wordt gebracht ‑ zo goed wij kunnen ‑ tot een concretiseren van de beelden die in u bestaan en ook het in handelingen vastleggen van de consequenties van het in u levend ideaal, de in u levende voorstelling. Laat ons dus vooral niet pessimistisch zeggen: Het gaat zo langzaam. Laat ons vast­stellen dat de eerlijke wil om van deze dingen kennis te nemen op zich­zelf een grote mogelijkheid tot verbetering inhoudt. Ik mag hieraan toevoegen dat wij dankbaar zijn de gelegenheid te krijgen. Dat wij dankbaar zijn zelfs voor de meest verterende kritiek die gegeven wordt t.o.v. deze onderwerpen, want de mens die hierover nadenkt, verandert iets in zichzelf, zodat hij bewuster wordt. En dit is bewustwording, geestelijke bewustwording, die ongetwijfeld actief en daadwerkelijk zich zal gaan uitdrukken in het beleven van de mensen.

  • Derde probleem: het derde probleem vind ik een op zichzelf wel praktische uiting. Hier stelt men: ja, wanneer wij een probleem kunnen en dur­ven formuleren, zullen wij de oplossing daarvan ook kunnen vinden. Inderdaad hebben wij er in vorige lessen op gewezen dat het kennen van het probleem inhoudt de mogelijkheid tot oplossing daarvan. Maar ‑ zo gaat hier de probleemsteller verder‑ wanneer wij het probleem hebben opgelost in de theorie, dan is het nog heel moeilijk om het ook in de praktijk op te lossen.
  • Wanneer wij denken aan het probleem “hoe word ik verdraagzaam?” of “hoe aanvaard ik God?” dan lijkt mij dat toch wel een beetje erg moeilijk.

Een theoretische oplossing van een probleem en de feitelijke verwerkelijking zijn twee dingen  die ver uit elkaar kunnen liggen. Maar ik mag hier dan misschien wijzen op de constructie‑bezigheden die wij vinden in alle grote vliegtuig‑ en automobielfabrieken, elektronische fabrieken e.d. Er is een idee. Die idee wordt omschreven, het wordt een vraag. De vraag die men zich stelt, wordt beantwoord aan de hand van vele proefnemingen. En nu hebben dus ook het antwoord op de vraag. Maar zijn wij er dan? Neen. Dan hebben wij misschien het patent. Maar nu begint de vraag: hoe kan ik dat patent toepassen? Hoe kan ik dit zo gebruiken dat het past in de wereld van heden? Hoe kan ik op een aanvaardbare en economisch verantwoorde wijze de constructiemethode die nu bestaat, om­bouwen opdat ze bruikbaar is voor hetgeen ik thans wil scheppen? En wan­neer wij zo zien wat bv. op het ogenblik de aerodynamische oplossingen van de luchtvaartfabrieken ons voorstellen (de push‑pull‑motor, de monte­ring van de propeller als een stuwende dan wel als een trekkende, de po­ging om ook met straalaandrijving de straalmotor een nieuwe plaats te ge­ven, nieuwe vormen), dan moeten we toch wel zeggen dat er ontzettend veel mogelijkheden tot verwerkelijking op dit terrein gevonden zijn. U zult zeggen: Wat heeft nu een grote fabriek met al haar capaciteiten te maken met een mens, een mens die bv. verdraagzaam wil zijn. In de eerste plaats bent u zelf een soort fabriek. U fabriceert leven, beweging, bewustzijn, daarnaast weefsels, voedingsstoffen voor de weefsels. En wanneer u zo bezig bent over een probleem na te denken en u vindt de oplossing (bv. ik moet mijzelf beheersen, maar ik mag ook niet over mij laten lopen, ik moet op de juiste wijze verdraagzaam zijn), dan duurt het nog een hele tijd, voordat de fabriek daarop is ingesteld. Wanneer wij weten dat tussen een prototype in een fabriek en het eerste proefmodel vaak 4 tot 5 jaren liggen, dat tussen eerste idee, eerste ontwerp dus en productie aan de band vaak 5 tot 10 jaren liggen (dat kunt u wel con­troleren), dan is het heel begrijpelijk dat het ook in de mens niet zomaar in één slag gaat. Maar wat is typisch in het fabricageproces. Dat men voortdurend alle omstandigheden tracht toe te passen en alle ex­perimenten uitvoert, die maar mogelijk zijn om deze idee dichter bij de realiteit te brengen. Wanneer u staat voor het probleem “hoe word ik verdraagzaam?” dan betekent dit niet dat u plotseling een verdraagzaam mens bent omdat u vaststelt dat het goed is verdraagzaam te zijn. Maar het betekent dat u steeds meer uzelf van uw onverdraagzaamheden bewust wordt. En dit bewustzijn op zichzelf schept een remming tegen onverdraag­zaamheid. Hierdoor wordt dus a.h.w. het hele lichaam meer en meer op ‑ mag ik zeggen ‑ de productie van verdraagzaamheid ingesteld. U verandert niet en toch verandert u wel. Want zelfs wanneer u heftig bent, zal er nog een achtergrond van verdraagzaamheid zijn, waardoor u geneigd bent automatisch die heftigheid toch even te corrigeren.

Hetzelfde is het met het aanvaarden van God. Zeker, er kan een leegte bestaan daar, waar voor anderen de vast gevormde en vast omschreven God is. Maar wij menen toch deze jaren aannemelijk te hebben gemaakt dat er een Kracht is sterker dan wij, waaruit wij leven. Ik geloof ook wel dat dit voor de meesten van u aanvaardbaar is. Als we die Kracht kunnen aanvaar­den, moeten wij ook de consequenties daarvan aanvaarden. En nu zullen wij toch onze eigen weg moeten gaan. Er is niemand die ons beletten kan onze eigen weg te gaan, omdat dit een goddelijke impuls op zichzelf is. Maar daar staat tegenover dat ons bewustzijn “God is hiermee verbonden” ook een voortdurend correctieve factor wordt. Wij vervormen ‑ bewust of onbe­wust (ik heb het zo-even al opgemerkt bij de beantwoording van het tweede probleem) ‑ ons wezen en ons denken door de wijze waarop wij tegenover de problemen staan. Hoe dichter wij bij het Goddelijke komen, hoe meer wij na­denken over het Goddelijke en hoe meer wij trachten God te zien als een actieve factor in ons eigen leven, hoe meer ook God zichzelf openbaart. Dat wil zeggen, hoe juister wij reageren. Langzaam maar zeker wordt de idee (ergens misschien op de afdeling “ontwerp” geboren) overgenomen door de rede (de tekenkamer, het uiteenrafelen van de mogelijkheden en het opzetten van verschillende ontwerpen). En vandaaruit gaat het ten dele naar het laboratorium, want elke daad en elke reactie wordt dan een proefneming, wanneer ons bewustzijn dus scherp genoeg gericht is. En van­daaruit begint de, voor de rede plus de impuls, haast niet waarneembare langzame omstelling, waardoor het bedrijf op een gegeven ogenblik klaar is om op de juiste wijze te reageren. Ik mag hierbij opmerken dat zelfover­winning, het brengen van kleine offers, zoals men dat noemt, offers van tijd, van geld, van aandacht, in vele gevallen een gunstige werking hebben. Zij dwingen de mens nl. om tegen wil en dank daden te stellen, En het verzet daartegen wekt weer een schuldbewustzijn. “Ik mag mij daar niet tegen verzetten.” Zodoende wordt een grotere levensaanvaarding gewonnen en in die levensaanvaarding ongetwijfeld een ideëler bewustwording. Hetzelfde geldt voor uw onverdraagzaamheid. U kunt driftig zijn misschien, maar u weet dat het niet mag: u weet dat het niet hoort en u zou het eigenlijk anders willen. Hiermee is het eerste ontwerp, de eerste idee geboren. Uit die idee ontwikkelt zich langzaam maar zeker een lichte beheersing van die drift, een wat minder fel optreden misschien, een wat meer nadenken of zelfs het soms goedmaken. Dat wil zeggen dat de zaak in de tekenkamer is. Want dit is een experiment, u zoekt immer naar de juiste vorm van leven. Dat is het einde van deze dingen altijd. Wij zoeken naar de juiste vorm van leven. De beleving en de bewustwording die eruit groeien, kunnen wij ook nooit geheel overzien, voordat het leven ten einde is. Wat wij wel kunnen doen? Wij kunnen streven naar een actief zijn op aarde of in de geest of waar wij dan ook leven. En in deze activiteit vormen wij voor onszelf een steeds grotere perfectie en komen wij tot een voor ons eigen idee steeds harmonischer leven. Hoe harmonischer de mens is in zijn leven, hoe minder ontevredenheid hij kent. Hoe minder verzet en dit zonder dat de rede daarbij teloorgaat, hoe gelukkiger hij is. Hoe meer zijn gevoelswereld is afgestemd op de impulsen, die wij noemen “licht” en “kracht”, hoe sterker ongetwijfeld de mens daaruit zal kunnen putten en daardoor het proces van het volledig bewust leven aanmerkelijk versnellen.

  • Vierde probleem. De probleemstelling luidt hier als volgt: gezien de stellingen van de Rozekruisers‑ kosmologie gaat de goddelijke vlam, afgescheiden van het Goddelijke, uit via verschillende vormen van bewustzijn eerst onder leiding van groepsgeesten ‑ komt zo tot de ontwikkeling van een ik‑begrip en komt vandaar, na zich eerst van het Goddelijke verwijderd te hebben tot het Goddelijke terug. De stelling van de Orde daarentegen stelt dat het ik‑begrip in feite fictief is. Vraag: hoe is dit te rijmen? Hoe gebeurt dat?
  • Deze vraag gaat ongetwijfeld een tikje verder dan de cursus zelf is gegaan, maar ik acht haar belangrijk genoeg om haar te beantwoorden.

In de eerste plaats wil ik stellen, dat het ik‑begrip onmiddellijk bestaat na de afscheiding van het Goddelijke. Eerst wanneer het begrip van begrenzing t.o.v. de kosmos bestaat, is het mogelijk dat wordt deelgenomen aan onverschillig welke manipulatie, handeling of uiting, zelfs onder leiding van de meest machtige groepsgeest. Het gevolg is dat men dus het ik‑zijn aan het begin moet stellen en niet als een fase die eerst bv. bij de menswording wordt verworven. Elk dier, elke plant, alle bewustzijn bezit een zekere mate van ‘ik”, van ego, maar dit ego is niet opge­bouwd uit een erkenning van feiten. Het is niet een erkenning van een feitelijke toestand maar van de begrenzing t.o.v. het Goddelijke. Toch is het wezen zelf direct deel van het Goddelijke en de goddelijke vonk – zij het tijdelijk afgesplitst van de Grote Godheid ‑ blijft daarmee voortdurend verbonden en kan daarvan niet volledig gescheiden worden. Wanneer wij die goddelijke vonk met haar functie,  haar werking in de schepping erkennen, weten wij wat wij zijn, delen van God. Wij scheiden ons dan niet van God af, maar worden ons bewust van een functie, die wij binnen de goddelijke Per­soonlijkheid en schepping gelijktijdig betekenen. Vandaar dat de Orde het logischer vindt om te stellen dat het “ik” teloorgaat, althans zich zozeer wijzigt, dat het niet meer als een ik‑begrip volgens de bij mensen geldende normen kan worden beschouwd.

Toch is er een verschil tussen het begin‑ en het eindpunt. Het verschil kan misschien het gemakkelijkst worden duidelijk gemaakt door een kleine vergelijking. Stel dat wij een machine bouwen. In deze machine be­vinden zich lagers en in die lagers bevinden zich kogels. Nu slijt een lager uit, waardoor de kogel eventueel (dus a.h.w. door een toeval) uit het lager kan komen en eventueel bij de as bv. verbrijzeld kan worden. Dit zou de machine kunnen scheiden. Het betekent dus dat de kogel, onbe­wust als hij is, schade aan zijn omgeving kan aanrichten. Hij kan een fac­tor zijn van disharmonische verschijnselen die misschien in het totaal berekend zijn, maar die voor het onderdeel zeer storend zijn. Geef nu deze kogel een denkend vermogen plus een bewustzijn van zijn taak en een vreug­de daaraan, dan zal deze kogel ten koste van alles trachten te voorkomen dat hij meer dan normale belasting draagt, dan wel een meer dan normale belasting van zich afwijst op ogenblikken dat dit noodzakelijk is. Die ko­gel zal trachten te voorkomen dat hij uitloopt uit het feitelijke lager en zijn eigen krachten en werkingen zo goed mogelijk richten tegen elk ver­schuiven dat hem bedreigt. Daardoor wordt die kleine kogel nu plotseling een zeer belangrijk deel in het geheel omdat hij mede door zijn bewustzijn in staat is vele ongelukken te voorkomen.

Natuurlijk is deze vergelijking onvolledig. Maar stel u nu een Goddelijke schepping voor, die ook kosmos en directe uiting is van God, maar waarin alle delen nog door God en door goddelijke wetten moeten worden geregeerd en stel daarnaast dan de voltooide schepping waarin elk deel zijn eigen plaats kent, zijn eigen taak, zijn eigen inhoud en niet meer zichzelf ziet als een eenling maar als een deel van het geheel met een bepaalde functie. Dan hebben wij een volkomen reflex gekregen van de goddelijke scheppingsgedachte die door het bewustzijn van de onderdelen zelfstandig bestaat. Wanneer u deze analogie beschouwt, dan zal het u duidelijk worden dat het een groot verschil uitmaakt, of wij alleen door een drang van buitenaf of door een bewust realiseren van binnenuit tot eenheid met de kosmos komen. Ik meen dat dit het verschil is waar het om gaat. Dit is het einddoel van het bewustwordingsproces.

Ondertussen geloof ik niet dat een mens zich voorlopig over dat verlies van “ik” veel zorgen behoeft te maken. Want de menselijke weg zelf is pas gekomen op het punt waar de geest in de menselijke vorm zich kan realiseren dat zij in een vaste relatie staat t.o.v. haar wereld (dus verplichtingen en rechten heeft) en dat zijzelf deze kan wijzigen. De zelfbeschouwing maakt voor het eerst een erkennen van oorzaak en gevolg als een beheersbare factor mogelijk. Door het wijzigen van de oorzaak wijzig ik alle daaruit voortkomende gevolgen en oorzaken. Zo is het pas het begin van een “ik”, dat zich weer naar God ontwikkelt. Mij dus baserende op het gestelde omtrent de Rozekruisersfilosofie, zou ik willen zeggen: Kosmologisch gezien zou volgens ons de fase menszijn de buiging betekenen, waarin de lijn van God af gaande ‑ vormend zich tot “ik” ‑ voor het individu langzaam worden omgebogen tot een bewust zichzelf als individu en “ik” naar God streven, waardoor het ik‑zijn met zijn belangrijkheid en scheiding van de wereld teloorgaat om daarvoor een kosmische eenwording weer toe te laten.

Wanneer wij deze niet zeer rijke oogst van problemen zien, dan valt ons een zekere tendens daarin op. In de eerste plaats de vraag: hoe zit het nu eigenlijk met die praktijk? In de tweede plaats een poging om de stellingen van de Orde te vergelijken of in harmonie te brengen met andere stellingen. Ik geloof dat beide soorten van problemen hun dienst hebben en dat ze het u mogelijk maken door zelfstandig denken de benadering ook van andere problemen duidelijk te maken. Want ik ben ervan overtuigd, dat velen niet gestelde problemen hebben die ongeveer zullen luiden: ja, maar hoe moet ik hiervan beter worden, hoe kan ik hier iets mee doen, hoe kan ik hier krachten uit putten? Het antwoord ligt dan verborgen in de beantwoording van vraag 1, 2 en 3. Wanneer u zich afvraagt: hoe kunnen wij de denkwijze van de Orde in overeenstemming brengen met de denkwijzen die wij geleerd hebben of de verschillende kosmologische theorieën die wij kennen, dan ligt ook hier het antwoord. De Orde heeft haar eigen en speciale zienswijze. Zij vraagt u niet deze te accepteren. Zij stelt: vanuit ons standpunt doen de dingen zich als volgt voor. En wij laten u volledig vrij uw eigen denkwijze te volgen. Het meest belangrijke blijft voor ons niet de aanvaarding van een bepaalde stelling maar wel het bereiken van een groter innerlijke harmonie voor iedere mens, omdat alleen van deze innerlijke harmonie onzes inziens de ware kosmische eenheid bereikt kan worden en de bewustwording van het geheel bevorderd.

  • Kan de geest die incarneert, zich bewust worden van de mogelijke bezwaren (o.a. door erfelijkheid) in een stoffelijke omgeving? Wanneer zij die erfelijkheid niet beseft, kan ze zich dan van die bezwaren be­wust worden?

Het is het bewustzijn van de geest dat bepalen zal in hoeverre de geest kan doordringen in de mogelijkheden van de stof. Een bewuste geest kan dus inderdaad alle erfelijke factoren nagaan, kan verder alle tendensen van de omgeving aflezen en zo van tevoren precies weten welk leven wordt gekozen. Wanneer die geest echter minder bewust is, zal zij niet in staat zijn bv. de erfelijke waarden af te lozen en zich alleen met de tendensen van de omgeving bezighouden. In een dergelijk geval komt zij dus voor onverwachte moeilijkheden te staan krachtens het voertuig dat zij zich met onvolledige kennis heeft gekozen. Een derde mogelijkheid is dat de geest zich niet bekommert om de omstandigheden van het milieu en zich er niet om kan bekommeren door onwetendheid omtrent de omstandigheden van de erfelijkheid. In een dergelijk geval is het een begeerte‑element dat een dergelijke geest tot incarnatie beweegt en zal deze geest dus komen te staan tegenover zeer vele door haarzelf dus niet voorziene moeilijkheden die een ongetwijfeld zwaar en vaak moeilijk leven veroorzaken.

Hierbij wordt bovendien naar voren gebracht, de idiotie als een van de belangrijke punten die bij een minder bewuste incarnatie kunnen optreden. Idiotie kan zelfs gekozen zijn, omdat de idioot nu eenmaal op een andere wijze een beperkter gebied veel intenser beleeft dan de doorsnee mens. Soms kan juist deze factor voor de bewustwording van zeer groot belang worden geacht en dus vrijwillig worden gekozen. In andere geval­len kan idiotie ook het resultaat zijn van een onbewuste keuze, waar men dus niet heeft nagedacht over eventuele mogelijkheden van erfelijkheid en factoren van milieu. In een dergelijk geval zal de idiotie ongetwijfeld een grote reeks van ervaringen betekenen die echter zeer onaangenaam zijn voor de geest, die zich onthouden ziet van een volledige uitingsmo­gelijkheid. Dit is dan voor haar een aanleiding om de volgende keer bewus­ter te kiezen.

  • Dus als iemand je de vraag stelt wat het nut is van idiotie, dan is dit absoluut voor tweeërlei uiting vatbaar. Als een geest bewust ge­kozen heeft, dan kan het voordeel zijn voor de geest, heeft de geest on­bewust en met onvolledige kennis van omstandigheden gekozen dan moet zij toch ook iets doormaken, waaruit zij leren kan.

Kort geformuleerd: het nut van idiotie voor de geest is onaantastbaar. Wordt het bewust gekozen, dan maakt het in een korte periode een zeer grote reeks van bewustwordingen mogelijk, waarbij de geest dus sneller maar zeer eenzijdig haar bewustzijn kan aanvullen. Wordt onbewust gekozen, dan zal hierdoor een veel groter kennis van de noodzaken bij incarnatie ontstaan en dus de mogelijkheid tot een veel juister en nauwkeu­riger keuze in een volgend leven dan anders normalerwijze zou plaatsvin­den. Geestelijk word je door alle dingen bewuster, tenzij je vrijwillig je bewustzijn beperkte.

  • Is het mogelijk dat een geest vrijwillig haar bewustwording of bewust­zijn beperkt?

Deze mogelijkheid bestaat inderdaad. Wanneer een geest, nl. niet wil aanvaarden wat uit haar eigen bewustzijn voortvloeit, dan zal zij in staat zijn voor een gedeelte kunstmatig doof of blind te zijn. Dit betekent dat zij alle consequenties van dit afgesloten gedeelte evenzeer ontkent en zo komt tot een beperkte, bovendien vaak foutieve opvatting omtrent het le­ven en al wat daarmee verbonden is. Wij zien een dergelijke reeks van ver­werpingen optreden bij het zgn. pad naar de duisternis, waarbij de geest niet in staat zijnde haar eigen ongelijk te erkennen, steeds andere de­len van haar leven vervangt door een droomleven of wel geheel tracht uit te schakelen om zo een zekere innerlijke bevrediging te krijgen zonder daarbij een kosmische relatie (met kosmische krachten dus) te behoeven accepteren. In een dergelijk geval wordt het bewustzijn zozeer verengd en verkleind dat het op de duur praktisch nul is. Het laat­ste bewustzijn is nl. “ik ben”. Vanuit dit “ik ben” echter begint dan een nieuw bewustwordingsproces. Dit is wat wij noemen de gang door de duistere sfeer, een pad dat door sommigen wordt gekozen, maar dat voor elke mens kwaad is. Er zijn echter andere wezens, die juist eerst moe­ten komen tot een negatie van de in het “ik” bestaande voorstellingen, voordat zij kunnen komen tot een aanvaarding van een kosmische gebondenheid. Dit zijn dan vanuit het menselijk en ook geestelijk standpunt, zo­als wij dit beleven, demonen, demonische krachten, duivels etc.

  • Is bij bereiking van een zekere graad van bewustwording nog regres­sie mogelijk?

Dit is inderdaad mogelijk, mits het bewustzijn nog niet is gekomen tot een contact met de kosmos. Zolang het bewustzijn zichzelf beschouwt als staande tegenover de kosmos en niet als deel daarvan, is het nl. mogelijk dat men zich voor bepaalde contacten met de kosmos afsluit, wat dus een tijdelijke regressie van bewustzijn betekent. Zelfs het doven van bewustzijn (als bij de vorige vraag en probleemstelling behandeld) kan dan optreden. Wanneer echter eenmaal een bewustzijn van de band met de kosmos is ontstaan, kan wel het bewustzijn, tijdelijk zichzelf gelijkblijvend, zodat de bewustwording stilstaat, maar het is dan niet meer mogelijk dat een regressie optreedt, omdat hiervoor te veel banden bestaan met een kosmische werkelijkheid die niet meer verloochend kunnen worden, waar zij deel zijn geworden van eigen leven en beleven.

  • Dus de kosmische binding van de geest is eigenlijk het essentiële, waaruit alles mogelijk is.

U moet het zo zeggen: De bewuste binding met buiten het “ik” staan­de kosmische waarden betekent dat de geest haar ontwikkeling kan kiezen in elke richting van kosmisch bewustzijn en elke weg kan volgen die bin­nen de kosmos voor haar krachtens haar bewustzijn openstaat, maar nooit en te nimmer het verworven bewustzijn meer zal kunnen verlaten of verwer­pen. Rust zij, dan is er geen uitbreiding van bewustzijn, maar de band met de kosmos blijft bestaan. Deze kan niet blijvend verworpen worden.

  • Ik kan mij niet voorstellen dat er een kwestie is van keuze, omdat oorzaak en gevolg alle dingen regelen.

Onder verwijzing naar het voorbeeld dat mijn voorganger gaf omtrent een kogeltje in een kogellager, zou ik de opmerking willen maken. Dat waar het bewustzijn niet de volmaaktheid van de dingen registreert, doch slechts de eenzijdige aanblik daarvan verwerft, het mogelijk is dat wij ook in oorzaak en gevolg op een gegeven ogenblik mogelijkheden zien, die niet ontstaan door ons eigen gedrag of eigen wil, maar door gedrag en af­wijking van gedragsnormen misschien van onze omgeving. In een dergelijk geval is er dus een keuzemogelijkheid. Wij kunnen nl. met die afwijking meegaan en ons daarmee solidair verklaren of het door ons als juist er­kende pad blijven volgen. Anders gezegd: Zolang het kogeltje in een goed lager zit, moet het zijn weg gaan. (Geleidegeest.) Op het ogenblik dat het lager echter voor zichzelf kan uitmaken of het losser of vaster wil gaan of er misschien wil uitdraaien, zal de wijze waarop het lager rea­geert, invloed hebben op het kogeltje, ofschoon het dit niet begeert. Het verlangt het niet. Hoe meer nu het kogeltje zich bewust wordt van de eigen juiste baan, hoe meer het zich zal verzetten tegen elke afwijking van het lager. Dientengevolge zal het de normale toestand langer handha­ven. En dat betekent weer dat de wet van oorzaak en gevolg voor het ko­geltje niet ingrijpt, maar wel voor het lager, want dan maakt het lager zijn onvolmaaktheid reeds kenbaar voordat het kogeltje het slachtoffer is geworden.

  • Naar aanleiding van een discussie over soorten problemen, een definitie van een mens.

Een mens is een wezen dat leert van zijn problemen en zelfs wanneer het geen problemen heeft zich een probleem maakt uit het feit, dat het geen problemen heeft. Dat is de kern van de zaak. Maar dat is logisch, omdat de mens nu eenmaal niet leeft in een volmaaktheid. En elke onvolmaaktheid met een aanvoelen van volmaakter toestanden schept een probleem. Dus het bestaan van een probleem is inherent aan het bestaan van de mens of omgekeerd. Zolang er sprake is van een bewustwordingsgang zal er steeds een probleem blijven bestaan, ook in sferen. Zelfs in sferen die voor u onvoorstelbaar Licht zijn, zijn er nog bepaalde problemen. De oplossing van het probleem, betekent nl. de harmonisering van het “ik”; dus het uitbreiden van het bewustzijn en daardoor evenwichtiger contact krijgen met de hogere kracht die je je realiseert. Laten we daarom maar blij zijn dat de mensen altijd problemen hebben, want als ze geen problemen hadden, zouden ze eigenlijk voor niets op de wereld zijn. Waarbij wij natuurlijk wel kunnen vaststellen dat ‑ als problemen noodzakelijk zijn ‑ je vanuit menselijk opzicht gezien een zo klein mogelijke dosis wel prefereert. Bij voorkeur zelfs een homeopathische dosis, zwaar verdund met stoffelijke genoegens.

  • Hoe kun je eerlijk zijn zonder in conflict te komen met je omgeving?

Eerlijkheid op de juiste wijze uitgedrukt zou geen direct conflict betekenen. Eerlijkheid zonder rem betekent in feite een oneerlijke zelf­-uiting. Als je eerlijk bent tegenover jezelf, kom je al een heel eind. Dan weet je dus, wanneer je eventueel een deel van de waarheid als het ware onderdrukt of beperkt. Dit is ‑ dat geef ik toe ‑ in de mense­lijke wereld noodzakelijk, vooral omdat je eigen eerlijke overtuiging en eerlijke mening lang niet altijd de enig juiste of de enig goede is. Indien je dit beseft, zal je trachten zo eerlijk mogelijk te handelen en slechts waar nodig ‑ maar dan ook zo eerlijk mogelijk‑ te spreken. Wanneer je handelingen eerlijk zijn en oprecht, zal je daardoor voor je­zelf een zuiverder inzicht krijgen van wat je zelf bent en wat je zelf bedoelt. Het conflict in de omgeving wordt dan vanzelf beperkt, omdat je juist door die eerlijkheid van handeling een eerlijke en dus een meer rechtstreekse reactie van de omgeving verkrijgt en als gevolg daarvan je juister op de werkelijke inhoud en waarde van je omgeving kunt afstel­len.

  • Gebruikmaken van kosmische krachten. ­

U kunt niet leven zonder kosmische krachten, met ander woorden de kosmische krachten zijn ten dele althans, in u tegenwoordig. Op het ogenblik dat u deze krachten overeenstemming met en harmonisch met de kosmos zou gebruiken of richten, zullen zij zich dus in u aanvullen. Dat wil zeggen dat de kracht van jezelf moet uitgaan. Om dit te bereiken, moet je je in de eerste plaats natuurlijk bewust zijn van de kracht. Je kunt geen geld uitgeven als je niet weet dat je het hebt. En doe je dat toch, dan deug je niet. Met die kracht is het zo: je moet je ervan bewust zijn dat het feit alleen dat je leeft, kracht en kosmische kracht betekent. Verder dat de wil om deze kracht over te dragen aan anderen die evenals jij binnen het kosmische bestel beleven, een gericht overdragen van kracht mogelijk maakt, waarbij je zelf een aanvulling van deze kracht vanuit de kosmos verkrijgt, zolang het niet vanuit een zelfzuchtig belang gaat. Op het ogenblik dat je zelfzuchtig bent, sluit je je nl. af t.o.v. de kosmos. Want je streeft voor jezelf tegen de kosmos. De kosmische kracht kan dan niet in voldoende mate tot jezelf terugkeren en doordringen. Het gebruik maken van kosmische krachten bestaat dus in de eerste plaats uit het erkennen van de kosmische krachten in jezelf en het gelo­ven daaraan. In de tweede plaats, wetenschap dat deze kracht gericht kan worden door concentratie van de gedachten, eventueel met handelingen en daden onderstreept. In de derde plaats uit de eerlijke zekerheid dat elke kosmische kracht, die zonder eigenbelang wordt afgegeven, te allen tijde wordt vervangen. Wanneer dat bewustzijn scherp en sterk in je leeft, dan kun je kosmische kracht gebruiken. De wijze waarop is afhankelijk van de wijze waarop je denkt en jezelf instelt.

  • Wanneer je wordt uitgedaagd tot een tweegevecht en die ander heeft een grote knots en jij hebt alleen een lucifer, wat doe je dan?

Dan draai je je om en gaat er vandoor. U zegt zelf: Ik heb niet voldoende argumenten. Als je geen argumenten hebt, dan is het niet erg verstandig om op te trekken tegen een ander van wie je verzekerd bent dat hij wel argumenten heeft. Verder zegt u: Ik heb een innerlijke onzekerheid. Wanneer u die innerlijke onzekerheid hebt, dan vloeit daaruit al voort dat u nooit voldoende kunt argumenteren en dat u zich te allen tijde zult ergeren over de ‑ zeg maar ‑ sarcastische afbraak die anderen plegen te plegen, want hierdoor voelt in uw innerlijke onzekerheid uzelf getroffen en u zou graag zeker willen zijn. Het is dus evenzeer een verzet tegen uzelf als tegen de ander, wat hieruit voortkomt. Dat kunt u begrijpen. En zolang je in een dergelijke toestand verkeert (als je eenmaal op het slappe koord staat in een zeer wankele balans), dan moet je niet proberen met een ander een robbertje te gaan boksen, tenzij je heel erg zeker bent van jezelf. Dus argumenteer in een dergelijk geval niet. Zeg: Nu ja, ik geloof dat nu zo en ik vind het mooi, “basta.” En dan laat je hem rustig verder praten en zeg je: God, als je dat nu zo vindt, ik vind het best. Dat is van jouw kant, maar ik voor mij zie het anders. Zolang je zo blijft, ben je tamelijk onkwetsbaar. Per slot van rekening, dit werk, deze wijze van denken en geloven ‑ of je dit nu spiritisme, spiritualisme of wat anders wilt noemen ‑ is in feite niet iets waar missiewerk mee kan worden bedreven dan door eigen voorbeeld en eigen daad. Dat in hetzelfde als met het Christendom. Ze zijn al 2000 jaar aan het preken en kijk eens naar de gevolgen … En toch zijn er heel veel goede mensen gekomen door het Christendom. Weet u waarom? Omdat er hier en daar een Christen is, die niet preekt maar die leeft volgens zijn ge­loof. En dan gaat een ander zich afvragen: “Hé, wat zit daarachter?” Dat overtuigt. Daarom zou ik zeggen: Als je erover praten wilt, praat er rustig over, maar dwing het niet op. Je komt er nooit verder mee. En valt men het aan … nu ja, als het erge domme argumenten zijn, kun je ook wel eens laten zien dat je knap bent. Maar bedenk één ding: Op het ogenblik dat iemand het niet wil geloven, gelooft hij het niet. Het is een geloofskwestie. Dan kun je van eeuwigheid tot amen praten en hij ge­looft het toch niet.

Definities:

Harmonie.

Innerlijke eenheid die zich buiten het “ik” uitbreidt, zodat het “ik” verrijkt wordt met waarden die buiten het “ik” bestaan.

Idealisme.

De kunst om te dromen over toekomstige mogelijkheden en reeds nu te streven naar de verwerkelijking daarvan, niet beseffende dat die verwerkelijking op zichzelf de vernietiging van het ideaal betekent. Het ideaal is een droom en een droom die gerealiseerd wordt, heeft niet meer de flux, de vloeibaarheid, de handelbaarheid van de droom en is dus altijd teleurstellend.

Beproevingen

Wanneer wij zeggen “beproevingen” dan nemen wij aan dat er iemand is, die ons een proef oplegt. Over het algemeen zal je die beproevingen wijten aan God, Die ons beproeft of wij rijp zijn voor een volgende fase, ofwel aan de geest. Zelden zullen wij ons realiseren dat de beproevingen die ons worden opgelegd, in feite niets anders dan erkenningen zijn. Een beproeving is een erkenning van een misstand in jezelf, die ‑ eenmaal gerealiseerd ‑ in zich de mogelijkheid draagt tot correctie. Het is dan ook in deze zin dat ik beproevingen wil beschouwen.

Beproevingen. Laster, haast niet te dragen hindernissen, op mijn weg gelegd, rechten, mij ontzegd en eeuwigheid, steeds vol van duistere vragen. Ik weet niet waarom ik de last moet dragen. Ik weet niet waarom ik de weg moet gaan. Ik vraag mij af: is het noodzakelijk zo te lijden in het bestaan? Moet ik dit alles ondergaan?

Maar eeuwige wetten zijn het, die mij regeren. Eeuwige krachten schuilen in mij. Volg ik die wetten, benut ik die krachten, dan ken ik beproevingen niet meer, ben ik vrij.

Zodra ik de goddelijke wet erken, zal ik mijzelf weer gaan richten naar het erkende recht, de noodzaak en de plichten, zo mij geopenbaard. Maar in mij zijn de oude fouten, gedachten, altijd nog bewaard, als waren zij een eeuwigheid. En zo ontstaat in mij de strijd, die ik beproeving heet, maar die Ik bij verder denken weet te zijn: de pijn van de geest, die langzaam wel ontgroeit aan een beperkt beeld van ’t bestaan. De pijn van ziel, die langzaam breekt, de eierschaal van de waan en reeds ‑ al is het stamelend ‑ zijn eerste woord van werkelijk leven spreekt: Ik ben het, die de proeven legt op eigen weg. Ik ben het, die aan ’t “ik” ontzegt soms mogelijkheid tot leven. Ik ben het, die leed mijzelf baar, omdat ik krachten mij gegeven niet heb gebruikt, zoals ik weet dat het moet gaan. Ik heb mij een web van dromen geweven, een beeld van onvolkomenheid en heb het genoemd: het gulden leven, de waarheid, de weg en de eeuwigheid.”

Terwijl ik voortga daarheen te streven, erken ik: ’t Is niet God, die hier in mij spreekt. En zo is het ’t eigen erkennen dat zich als beproeving op de onjuistheden wreekt, die leven in mij. Maar proef na proef zal ik doorstaan. Beproevingen moet ik ondergaan, tot eindelijk ik vrij geworden besef: ik ben een deel van de eeuwigheid. De eeuwige Kracht in mij doet eeuwigheid in mij bestaan.

Dan van het lijden wel bevrijd, bevrijd van persoonlijk zijn en van waan, heb ik bereikt, ben ‘k ingewijd en het Koninkrijk Gods ingegaan,

Ik kan mij voorstellen hoe deze zienswijze verschilt van hetgeen men u vaak predikt. De grote fout die velen maakt is, dat hij zich steeds maar weer aanmoedigt om de lasten te dragen, die God hem te dragen geeft in plaats van zich af te vragen: Welke fout in mij is het die deze last deed ontstaan? Ik geloof dat voor degenen die zich zwaarbeproefd weten, het een aansporing zal zijn. Want wij vragen vaak dingen of menen dingen te bezitten, die nooit werkelijk kunnen zijn. Je kunt nooit werkelijk een mens bezitten. Je kunt nooit werkelijk recht hebben op een plaats in de wereld of de erkenning van anderen. Het enige recht dat je hebt, is gelijktijdig je plicht: het functioneren in de goddelijke eenheid zo goed als je kunt op de plaats, waar je volgens die eenheid behoort. Als u dit beseft, zult u ‑ misschien ‑ de vrijheid vinden, die ik zo zou willen omschrijven.

Het begrip van God is het verbleken van alle wereld. Erkennen van God is het ware gebed dat eeuwigheden openbaart. Leven met God is de kracht, waarin het heelal zich openbaart in ons en wij één zijn met alle dingen. En dit is het einddoel van alle leven.

Vrienden, aan het einde van deze avond moet ik u allen danken voor de grote en warme belangstelling, die u gedurende dit gehele seizoen, dit gehele jaar hebt getoond. Wij hopen, dat wij u iets hebben mogen geven. En wij vragen van u daarvoor geen loon. Maar we durven wel de hoop uitspreken dat u door hetgeen we u trachten te leren misschien zo ver kunt komen, dat u iets minder aan uzelf denkt en wat meer aan een ander. Daarmee is het principe van de kosmische eenheid versterkt in u en de kracht van het Licht in de hele wereld.

In deze hoop wens ik u allen een goede avond. En hopelijk ontmoeten we elkaar bij een volgende cursus en bij een gezamenlijk werk voor de bevrijding van de geesten.

Definities

Humor

Het vermogen het bespottelijke zozeer te zien, dat je lacht om jezelf en je eigen fouten, als je ze in anderen herkent.

Zelfverwijt

Een erkennen van de gemaakte fouten, waarbij men zichzelf niet vrijpleit van het ontstaan daarvan en dus zichzelf verwijten maakt omtrent omstandigheden, waaraan men weinig, of niets meer kan doen. (Een nutteloze bezigheid.)

Geduld

Het vermogen om te wachten op de loop der gebeurtenissen en niet te trachten tegen beter weten in gebeurtenissen te wijzigen, voordat daartoe een werkelijke mogelijkheid bestaat.

Positiviteit

Het erkennen van alle daadwerkelijke en gunstige factoren met een verwaarlozen van datgene, wat op dit ogenblik niet als daadwerkelijk erkend kan worden, daardoor een streven in de werkelijkheid en een verwaarlozen van alle irreële waarden in het leven. (Positiviteit betekent dus, dat je alleen die waarden neemt, waar je werkelijk iets mee kunt doen.)

Problemen

Datgene, wat iedereen heeft niemand wil hebben en slechts weinigen kunnen oplossen. Een probleem is de stelling van een vraag, waarop je het antwoord wel weet maar door een poging te redelijk te zijn een zo ingewikkelde verklaring zoekt, dat je het werkelijke antwoord voorbijloopt.