Milarepa

image_pdf

23 december 1970

Toespraak van Gene Zijde voor Vrijmetselaars Loge.

 

Milarepa

Kerstmis is nabij en het zou mij niet verwonderen, als u zich zou hebben afgevraagd, waarom ik u juist hedenavond iets ga vertellen van een Tibetaanse yogi, die circa 800 jaar geleden heeft geleefd en ogenschijnlijk met het kerstfeest niets heeft te maken.

Maar dat is inderdaad slechts schijn.

Wij vieren Kerstmis om de geboorte te herdenken van een grote Verlichte, Jezus van Nazareth, die wij beschouwen als de personificatie van de Christus, de Liefde Gods. En daarom is de achtergrond van Kerstmis een kosmisch, een universeel gebeuren, en toch tegelijkertijd iets dat ons persoonlijk uitermate raakt. Angelus Silezius heeft dit zo treffend gezegd:

Al ware Christus duizend maal in Bethlehem geboren

En niet in uwe ziel, zo waart gij toch verloren.

Wanneer wij nagaan, welke betekenis de uitdrukking “kosmisch” heeft, dan geeft de volgende uitspraak daarvan een goede omschrijving:

Eén zijn alle dingen, omdat zij uit één Kracht leven.

Eén is elke tijd, geboren uit de gedachte van de eeuwigheid

En één zijn alle werelden: zij zijn één Licht en één Wezen

Deze universele eenheid ligt besloten in de Liefde Gods. Eerst het ontwaken tot dit inzicht en vervolgens het streven het stap voor stap waar te maken, vormen de elementen van de menselijke bewustwording en zijn m.i. de reden van het bestaan.

Wanneer wij deze gedachten terugvinden in de Dharma: de leer van de Shakya prins Gautama Siddharta, die de titel van Boeddha, de Verlichte, heeft verworven en hen herhaald vinden in de beschouwingen van zijn trouwe volgeling, Milarepa, dan meen ik dat ik hedenavond wel enige aandacht aan deze laatste mag besteden. Misschien wel juist, omdat wij met onze gedachten reeds bij het kerstfeest zijn, bij de geboorte van het Nieuwe Licht. Op de keper beschouwd kunnen wij niet spreken van het “nieuwe” Licht. Want het gaat om het Waarachtige Licht, dat, zoals Johannes 1 : 9 stelt: “iedere mens verlicht, komende in de wereld”. Bij onze geboorte bestaat het reeds in ons, weliswaar in meerder of mindere mate versluierd, al naargelang wij zijn gevorderd op de weg naar de verwezenlijking van het “Ken U Zelf”.

Met andere woorden naar het besef dat wij gewonnen hebben, van onze verhouding tot de in ons bestaande “Alomtegenwoordigheid” dat is van de Kracht, waardoor en waaruit wij leven…   en van onze verhouding tot de wereld buiten ons…

Het is deze eeuwige, want eindeloze vernieuwing van het menselijk bewustzijn, welke door de viering van het kerstfeest wordt herdacht en wij verzinnebeelden haar door het eeuwig frisse groen van de verlichte kerstboom.

Enkele maanden geleden hebben wij op een blaadje van de maçonnieke scheurkalender als joodse wijsheid, kunnen lezen:

In wie “het” is, die heeft alles,

In wie “het” niet is, wat bezit hij?

Die “het” heeft verkregen, wat ontbeert hij?

Die “het” heeft gemist, wat heeft hij verkregen?

Nadenkend over wat met dit “het” werd bedoeld, geloof ik dat het slaat op het contact, dat de mens kan verkrijgen met zijn diepste Zelf, waar het Licht is, zodat hij dan voortdurend beseft hoe hij behoort te handelen in gegeven omstandigheden.

Maar, om zo ver te komen, is stage beoefening van de  K.K. noodwendig en vooral het aankweken van zelfbeheersing, waardoor wij in staat worden de “struikelblokken” en “grepen in het hart” te overwinnen. Niet zo lang geleden stond eveneens op een blaadje van die waarlijk onvolprezen scheurkalender de volgende uitspraak van de Deense schrijver en mysticus Anker Larsen:

Ik geloof niet in God,

Ik ben in contact met God, Die steeds in mij werkt.

Er gebeurt iets in mij: ik “word” in dit contact.

Tenslotte lezen wij, dat de grote Duitse sterrenkundige Kepler, die ongeveer in 1600 leefde, heeft gezegd:

Ik zoek in mijzelf God,

Die ik buiten mij overal vind.

In al deze uitspraken hebben wij te maken met de innerlijke communicatie van de persoonlijkheid met de Goddelijke kern van eigen wezen. De geestelijke vernieuwing van het bewustzijn, welke wij met Kerstmis vieren, is van deze communicatie het gevolg.

Nu teruggaande naar Milarepa en Tibet, herinner ik u eraan dat er in deze loge enkele jaren geleden iets van het Tibetaanse Dodenboeken vernomen werd van dr. Pott, directeur van het Rijksmuseum van Volkenkunde te Leiden. In dit boek wordt o.a. beschreven, hoe de juiste wijze is van het sterven. Er wordt in gesproken van de ervaringen, welke men in het hiernamaals, ons “eeuwig Oosten”, kan opdoen. Hoe de daar optredende symbolische verschijningen dienen te worden begrepen en wat men moet doen, om juist bij dat ouderpaar te worden herboren, waarbij men tijdens het komende aardse bestaan de beste mogelijkheden kan krijgen, voor een verdere ontplooiing van het geestelijk bewustzijn.

De gegevens voor dit werk werden door de lama Kazi Dawa-Samdup die de goeroe of leermeester was van de Amerikaanse geleerde Evans-Wentz uit de oorspronkelijke Tibetaanse teksten in het Engels vertaald. Evans-Wentz heeft deze vertaling bewerkt, van vele commentaren voorzien en uitgegeven als eerste deel van een serie van vier werken, handelend over Tibetaanse wijsheid. Het 2de deel daarvan bevat de levensgeschiedenis van de yogi Jetsun Milarepa, zoals deze door zijn leerling, Rechnung, na zijn dood is te boek gesteld. Deze tekst is eveneens door Dawa-Samdup vertaald en door Evans-Wentz bewerkt.

In tegenstelling tot het Dodenboek leert de biografie van Milarepa hoe men de levenskunst kan beoefenen, opdat men bevrijd worde uit de cyclus van wedergeboorten op aarde. Als zodanig zou men deze biografie een boeddhistische handleiding der Doden kunnen noemen.

De laatste Boeddha leefde ca 500 v.C. in India en heeft evenmin als Jezus schriftelijke verhandelingen over zijn leer nagelaten. Toch zijn zijn toespraken door zijn volgelingen opgetekend en er zijn twee scholen ontstaan, het hinayana, of het kleine voertuig of de smalle weg en het mahayana of grote voertuig of de brede weg. Het hinayana houdt zich minder met esoterische bespiegelingen bezig en wordt vooral in Zuid-India, Ceylon en Achter-India gevolgd. Het mahayana heeft zich meer op de innerlijke leer gericht met onnoemelijk veel bespiegelingen en beschouwingen en wordt in Noordelijk-India. Nepal, Sikkim, Bhutan, Kashmir en Tibet betracht, terwijl in China en Japan een aan de volksaard aangepaste variatie, het zenboeddhisme, wordt beoefend.

Tantrisch boeddhisme is een sterk van de oorspronkelijke leer afwijkende vorm van mahayana boeddhisme door het gebruik en een overmatige waardering van magische werkwijzen als die van mantra’s, yantra’s, mandala’s en mudra’s en magische krachten. In dit denksysteem zoekt de boeddhist niet alleen zichzelf vrij te maken van de waan, maar bovendien in te grijpen in de waan van anderen.

Milarepa volgde nu dit tantrisch boeddhisme en werd reeds tijdens zijn leven als een heilige vereerd. Hij leefde ongeveer 1100 na Chr. De bijzonderheden uit zijn leven heb ik gedeeltelijk van de biografie door Rechnung in de vertaling van Evans-Wentz ontleend en overigens uit het voorwoord van een bundel van Milarepa’s gezangen vertaald door sir Humphrey Clarke en uitgegeven in 1958.

De herinnering aan Milarepa leeft tot nu toe in het volk voort. Elk Tibetaans kind kent de geschiedenis van de grote zondaar, die een groot yogi, heilige en wijze werd. Zijn levensbeschrijving door Rechnung is in elk Tibetaans gezin aanwezig.

Wij vernemen daaruit dat, na de vroegtijdige dood van Milarepa’s vader, zijn moeder en haar twee kinderen door machinaties en kuiperijen van een slechte oom en tante hun erfdeel kwijt raakten, Jetsun, die een jongen was, waar wat in zat, liep van huis weg en leerde magie van een plaatselijke tovenaar. Hij riep tenslotte een hagelstorm op, welke de oogst van zijn oom en het dak van diens huis vernielde, juist toen men daar het oogstfeest vierde, met het gevolg dat velen van de aanwezigen omkwamen.

Maar Jetsun kreeg berouw. Hij trok het land in, om de waarheid te zoeken en ontmoette bij zijn omzwervingen de goeroe Marpa.

Hij stelde zich onder diens leiding, maar moest om zijn schuld te boeten; zwarte magie te hebben gepleegd, eerst zeven jaren lang zware, ja zeer zware arbeid verrichten zodat zijn geestkracht tot het uiterste de proef werd gesteld. Maar hij hield vol en kreeg tenslotte instructie in de leer van de Kagyüdpa’s, het tantrisch boeddhisme van Marpa.

Na enkele jaren trok hij de bergen in en verbleef daar lange tijd in eenzaamheid, welke hij in meditatie en schouwing doorbracht, tot hij uiteindelijk de innerlijke verlichting deelachtig werd en door Marpa tot zijn opvolger werd gewijd.

Milarepa heeft de mensen het boeddhisme geleerd, heeft hen in hun moeilijkheden bijgestaan en genezingen en andere wonderen verricht.

Hij stierf op hoge leeftijd in de geur van grote heiligheid.

Zijn leermeester of goeroe, Marpa, stond bekend als de “vertaler”. Hij had nl. als Tibetaan aan de beroemde Indiase hogeschool te Nalanda Sanskriet gestudeerd en talrijke boeddhistische geschriften en verhandelingen in zijn moedertaal vertaald. Hij was op zijn beurt de beste leerling van de Meester Naropa en deze weer van een yogi Tilopa. Naropa was een van de meest bekende geleerden uit die dagen en zond Marpa naar Tibet terug met de opdracht daar zijn leringen te verspreiden.

De methode van Tilopa en zijn opvolgers was in wezen een ritueel systeem, gebaseerd op spreuken (mantra’s) en diagrammen (yantra’s of mandala’s). U zou dus kunnen denken aan onze ritualen, woorden, werktuigen en het tableau als meditatie objecten, wat zij m.i. in wezen ook zijn.

Om dit systeem op de juiste wijze te kunnen toepassen, moest men onderricht hebben ontvangen, wat slechts mondeling en rechtstreeks door de goeroe aan de aangenomen leerling kon worden gegeven.

Daarom wordt deze boeddhistische scholing “Die Der” genoemd, hetgeen “de volgelingen van de mondelinge traditie” betekent. Deze wordt thans nog in Nepal, Sikkim, Bhutan en Tibet gevolgd.

Ten einde zich waardig en geschikt te maken, deze overdracht van geestelijke macht te ontvangen, moet de leerling een langdurige intellectuele studie volgen en daarnaast een uitermate inspannende scholing in yoga ondergaan, door het uitvoeren van oefeningen, welke ten doel hebben een beheersing van de lichaamsfuncties te verkrijgen. Om te bewijzen dat hij deze bekwaamheid is machtig geworden, waartoe behoort een beheersing van de lichaamstemperatuur, moet de leerling tonen dat hij een grote koude in de hoge Himalaya kan doorstaan met niet meer kleren aan dan een katoenen kleed, dat “repa“ wordt genoemd. Slaagt hij hierin, dan is hij gerechtigd de titel te voeren.

Hoe onze Jetsun deze proef doorstond, zal ik u zo dadelijk laten horen.

Er bestaat nl. een wisselwerking tussen het zich op een wijze in meditatie concentreren op de hogere bewustzijnswerelden en de opvoering van de lichaamstemperatuur, door het opgewekt worden van de “kundalini” of “slangenvuur”. Tegelijker tijd stelt de beheersing van de ademhaling de yogi in staat zijn levenskracht eveneens te beheersen en haar manifestaties op hogere vlakken van bewustzijn waar te nemen. Soms ontstaan er verschijningen van goden of demonen, die al naar hun aard en wezen lieflijk of gewelddadig zijn. Door zijn tantrische verworvenheden is de yogi in staat hen op te roepen, aan zijn wil te onderwerpen en weer in zichzelf te absorberen. Immers zij bestaan slechts in zijn bewustzijn en dit wetend, mag hij zich door deze verschijningen niet laten bekoren, of schrik  doen aanjagen. Om zich in deze bekwaamheid te volmaken, heeft hij aanvankelijk de bijstand van zijn goeroe nodig.

Door onafgebroken bezinning op het grote symbool van de “Leegte” moet hij leren, zich te verwezenlijken. Dat al deze verschijningen ijl zijn en geen eigen bestaan voeren, doet niet ter zake. Niets bestaat voor de mens, dan wat zijn bewustzijn als bestaand erkent.

Zo-even werd van de leegte of sunyata gesproken. De boeddhist denkt aan dit begrip, wanneer een westerling het over “GOD” zou hebben. De leer van de leegte bevestigt de bovenzinnelijke dus verstandelijk onbegrijpelijke aard van de grond der dingen, dus van de ware werkelijkheid. In aanleg bevat de “leegte” alles, maar onbegrensd, dus ongevormd, ongeboren, ongedifferentieerd. Als westerling denk ik hierbij aan de oer-energie, waaruit bij de schepping door de kracht Gods, in Johannes 1 het Woord genoemd, het Heelal, de oneindigheid van het Zijnde, ontstond. Het Zijnde, dat elk bewust wezen op eigen wijze voortdurend anders beleeft.

In de Engelse vertaling van de Tibetaanse teksten noemt men de leegte dikwijls “the universal mind”. Mij is het liever te spreken van het Zelf, want dit woord vertolkt beter de associatie, welke iedere mens afzonderlijk kan – en bij voortgaande ontsluiering van het innerlijk Licht ook m.i. zal – beseffen, het bestaande en  de Bron daarvan.

Wanneer de yogi de innerlijke verlichting is deelachtig geworden mag hij zich vol mededogen wijden aan de dienst der mensheid.

De oorspronkelijke godsdienst van de Tibetanen noemen zij “Bön”, een geloof aan geesten en demonen. De priesters waren (en zijn) sjamanen die op mediamieke wijze met deze onzienlijke wereld contact hadden (en nog hebben). Het boeddhisme is ca 750 n. C. door Padmasambhava in Tibet ingevoerd. Diens priesters behoefden slechts grotere kennis en macht dan de Bön sjamanen te tonen, om de bijgelovige bevolking tot het boeddhisme te bekeren. Op deze wijze won deze leer in korte tijd het ganse land.

De gezangen van Milarepa, als volgeling van de Boeddha en als leermeester van zijn volk, beschrijven de voornaamste voorvallen uit zijn leven, zijn gedachten en zijn leringen aan de hem toegewijden. Hij maakt daarbij gebruik van een veelzijdige beeldspraak, welke uitgaat boven alles, wat een westerling daarbij zou bedenken.

Voor zover die gezangen voorkomen in Clarke’s bundel, heb ik ze in het Nederlands vertaald en zal u nu het eerste gezang voorlezen, waarin Milarepa  zichzelf bij zijn gehoor introduceert:

Wanneer men mij spreekt , ben ik de alleenstaande

Ik ben de Wijze van Tibet: Ik ben Milarepa.

Ik hoor weinig, maar geef veel raad.

Ik berisp weinig, maar blijf bij mijn mening.

Ik slaap weinig, maar blijf lang in meditatie verzonken.

Door één ding te kennen (het Zelf, vert.) beleef ik alle dingen.

Alle dingen kennend, begrijp ik, dat zij Zen zijn. “Ik heb de ware werkelijkheid beleefd”.

Hier wil ik even onderbreken, om u eraan te herinneren dat het wederom onze scheurkalender is, die de engelse dichter Francis Thompson (1859-1907) aldus aanhaalt:

All things by immortal law, near and far, hiddenly.

To one another linked are, so that thou mayst not stir a flower. Without thine troubling to a star.

U hebt het gehoord, de Tibetaanse yogi, die 800 jaar geleden heeft geleefd en de Engelse dichter, die bijna onze tijdgenoot is geweest, zij beiden getuigen van hun besef, dat in wezen alle dingen één zijn en slechts in de wezenheid verschillen.

Wij maçons, kennen het symbool van de eenheid in de Orde en bij uitbreiding van de band, die alle vrijmetselaren op aarde verbindt, de broederketen. Maar ik wil u wijzen op de cirkelvorm van het symbool, dat op de oneindigheid duidt en daarom beschouw ik, ten rechte of ten onrechte, de broederketen ook als het symbool van de wezenlijke eenheid van al het geschapene, waarover niet alleen Milarepa en Francis Thompson, maar alle mystici uit alle tijden, spreken. Ik denk bv. aan de middeleeuwse Italiaanse mystica Angela di Foligno, die na één harer bovenzinnelijke ervaringen deze woorden sprak: “Het ganse Heelal gaat zwanger van God”.

Milarepa’s gezang gaat dan verder:

Mijn nauwe bed is breed genoeg om krom te liggen en lang genoeg om mij erin uit te strekken.

Mijn dunne kleding houdt mijn lichaam warm.

Mijn karig maal is genoeg om mijn honger te stillen.

Allen, die veel mediteren, zijn op mij gericht. (nl. omdat Milarepa zich met hen allen verbonden voelt)

De gelovigen komen allen tot mij,

Ik ben de spiraal van geboorte, verval en dood.

Voor geen enkel land koester ik voorkeur.

Nergens heb ik een tehuis.

Ik hou geen voorraad mondkost aan.

Aan stoffelijke dingen hecht ik geen waarde,

Ik maak geen onderscheid tussen rein en onrein voedsel.

Door lichamelijk lijden word ik niet gekweld.

Gevoelens van eigen waarde zijn mij vreemd.

Menselijke banden laten mij koud.

Ik heb de vrijheid van het Nirwana gevonden.

Ik ben de trooster van de bejaarden en de speelmakker van kinderen.

Ik ben de wijze, die door de koninkrijken der wereld zwerft.

Ik bid, dat het jullie Allen, mensen en goden, wel moge gaan.

In een ander gezang geeft Milarepa een beeld van zichzelf, van zijn innerlijk leven. U zult horen, hoe hij zijn ervaringen in de bovenzinnelijke werelden in beeldspraak weergeeft. Hij begint weer met hulde te brengen aan zijn leermeesters:

Diepe eerbied koester ik voor de Heren, Meesters. In het bijzonder bid ik, om hun genade mijn steun te willen zijn.

Wanneer u naar mij kijkt, ziet gij een leegloper, een leegloper. Wanneer ik mijzelf beschouw, heb ik het druk, zeer druk.

Daar ik in de sferen der ongeschapen oneindigheid bezig ben, de toren van de verrukking op te richten, op te richten. Heb ik geen tijd huizen te bouwen.

Daar ik op de steppe van de leegte van de Waarheid bezig ben, de barbaarse ketenen van het lijden te verbreken, te verbreken.

Heb ik geen tijd, het land van mijn familie om te ploegen.

Daar ik aan de bron van de onuitsprekelijke eenheid mij bezig houd, de duivelse vijand van het eigen ik (de zelfzucht) te knechten te knechten,

Heb ik geen tijd verbolgen tegenstanders te bestrijden.

Sinds ik in het paleis van het inzicht, dat alle tegendelen te boven gaat, blijf wachten, blijf wachten op de mystieke ervaring als mijn bruid. Heb ik geen tijd, een gezin te stichten.

Sinds ik in de kring van de Boeddha’s van mijn wezen bezig ben, het kind van de wijsheid op te voeden, op te voeden. Heb ik geen tijd, grienende baby’s te verzorgen.

Sinds ik in het geestelijk lichaam, alle verrukking wordt ervaren bezig ben, kostbare lering op te doen, op te doen, en de vruchten van diepe overpeinzing deelachtig word.

Heb ik geen tijd aardse rijkdommen te vergaren.

Sinds ik bezig ben, op de berg van de oneindige waarheid het wilde woord van het zelf bewustzijn te temmen, te temmen. Heb ik geen tijd , schapen te hoeden.

Sinds ik bezig ben, uit de klei van vlees en beenderen (het lichaam) het wonderbaarlijke relikwieën schrijn van het bewustzijn op te bouwen, op te bouwen,

Heb ik geen tijd, heilige beeldjes te boetseren.

Sinds ik bezig ben, de botervlam van helder licht aan de top van de driehoek van mijn hart aan te blazen, aan te blazen.

Heb ik geen tijd aan het heilige vuur offers te brengen.

Sinds ik in de tempel van de universele Leegte van de gelukzaligheid voortdurend bezig ben, offers te brengen aan het beeld van het verstilde denken,

Heb ik geen tijd voor de vormelijke ere dienst,

Sinds ik bezig ben, op het blad van het zuivere zelf, de lettertekens van begeerteloosheid te schrijven, te schrijven,

Heb ik geen tijd, heilige voorstellingen te schilderen.

Sinds ik bezig ben in de schedelkap van de leegte zelf, het vergif der hartstochten

te karnen, te karnen,

Heb ik geen tijd heilige boter te maken.

Sinds ik bezig ben, in de besloten afzondering van goede voornemens de zes soorten bezielde wezens als vrienden lief te hebben, lief te hebben ,

Heb ik geen tijd , mij met mijn familie te bemoeien.

Sinds ik in het bijzijn van de Vaders, de Meesters, bezig ben, mijn geest met hun raadgevingen te doordrenken, te doordrenken.

Heb ik geen tijd, mijn leven met wissewasjes te slijten.

Sinds ik in de eenzaamheid van mijn spelonk bezig ben, de verlichting van mijn hart te volmaken, te volmaken,

Heb ik geen tijd, mij aan de vergetelheid van de slaap over te geven.

Sinds ik met de driehoekige schelp van mijn mond bezig ben, het geestelijk lied te zingen, te zingen,

Heb ik geen tijd rustig met anderen over koetjes en kalfjes te praten.

Om de persoonlijke invloed van een mens als Milarepa te ondergaan, moet men hem ontmoeten. Tijdens zijn leven zei een andere bekende yogi, doelende op Milarepa, tot zijn volgelingen:

“Zoals de Dharma te vergelijken is met het licht van de zon, dat uit een heldere plek tussen de wolken doorschijnt, weet o volgelingen, dat er thans zulk licht aanwezig is. Maakt wijselijk van deze gelegenheid gebruik”

Nu zal ik u laten horen, hoe Milarepa zijn ervaringen bezingt, welke hem het recht hebben gegeven, de titel van “repa” te voeren.

Toen het Tijger jaar voorbij was en dat van de Haas begon (de Tibetaanse kalender, welke een cyclus van 12 jaar omvat, benoemt elk jaar en elke maand naar een dier) , op de 6de dag van de maand van “het blaffen van de vossen” kreeg ik genoeg van de wereldse dingen en, hevig verlangend naar de eenzaamheid, bereikte ik het heiligdom der wildernis “Lapchi Kang” (de Mt Everest).

Toen staken hemel en aarde de hoofden bij elkaar en zonden de storm uit als hun boodschapper.

De elementen van water en wind zieden van toorn en donkere wolkenmassa’s rolden dreigend aan uit het zuiden.

Het weergaloze tweetal van zon en maan werd gevangen genomen en de 28 fasen van de maan aan elkander geboeid.

De 8 planeten werden in hun boeien gekluisterd en de wazige Melkweg in zekere bewaring genomen.

De kleinere sterren verdwenen geheel in de mist en toen alle dingen in nevel waren gehuld, viel de sneeuw. Onafgebroken negen dagen en nachten lang viel de sneeuw, gedurende de 18 fasen van dag en nacht.

Toen zij het zwaarst viel, waren de vlokken zo groot als klonten wol en vielen dwarrelend omlaag als gevederde vogels.

Toen de sneeuwval minder werd, waren de vlokken dunner en wervelden omlaag als zwermende bijen.

Daarna werden zij zo klein als erwten en tenslotte als mosterdzaad en vielen neer warrelend als spinnenwielen.

Nog nimmer had de sneeuw zo hoog gelegen.

De besneeuwde top torende omhoog tot in de hemel en de bomen van het woud, heel in de diepte, bogen onder de last van de sneeuwlaag. De donkere heuvels waren nu wit bekleed, ijs vormde zich op de rimpelende meren en de blauwe Tsangpo (Brahmaputra) was dicht bevroren. De aarde werd tot een vlakte zonder heuvels of dalen en door de hevige sneeuwval, konden de mensen hun huizen niet verlaten.

Het viervoetig vee leed honger en vooral het kleinere wild kon geen voedsel meer vinden.

De vogels in de bergen kwamen alles te kort en de marmotten en veldmuizen in de dalen hielden zich in hun holen verscholen. De kaken der roofdieren waren op elkander geklemd.

In deze vreselijke omstandigheden overkwam Milarepa, het volgende, vreemde gebeuren.

Deze drie waren aanwezig; de gierende sneeuwstorm, die van de hoge toppen loeide.

De ijzige koude in het hart van de winter.

En het katoenen kleed, dat ik, de yogi Milarepa, droeg….

En tussen hen begon een strijd op die witte sneeuwtop.

De vallende sneeuw versmolt tot uitstekend water…..

De wind nam af, ofschoon het nog hard bleef waaien….

En het katoenen kleed……….. dat gloeide als vuur…

Leven en dood worstelden daar met elkaar als kampvechters en de zwaarden kruisten zich met het overwinnende lemmet……

Dat ik daar dit heroïsche gevecht heb geleverd zal het alle gelovigen tot voorbeeld strekken en alle grote zieners ter navolging blijven.

Meer in het bijzonder zal het de uitzonderlijke waarde bevestigen van dat ene katoenen kleed en van de innerlijk verwekte lichaamswarmte.

Want alle verborgen oorzaken van disharmonie werden met elkander verzoend en daardoor hield ook de strijd op tussen innerlijke en uiterlijke omstandigheden.

De beide adems (krachten) zowel de hete als de koude, wisselden hun mogelijkheden uit en ik overwon volkomen de demon in de gedaante van de sneeuwstorm, die mij beloofde van nu af mijn bevelen te zullen gehoorzamen.

In stilte stelde ik orde op zaken en zonder de hulp in te roepen van wereldse machten, was ik, als wijze, de overwinnaar in de worsteling van die dag, Milarepa eindigt dan dit gezang met een toespraak tot de luisterende Tibetanen aldus:

Wanneer jullie de woorden van deze oude man onvoorwaardelijk aannemen, zal het onderricht in de toepassing van bezweringen veel meer ingang vinden en zullen er talrijke heiligen verrijzen.

En ik, Milarepa, de yogi, zal in alle koninkrijken der wereld bekend worden. Gij leerlingen, tot inkeer gekomen, zult diep gelovig worden en uw goede naam zal overal luide weerklinken.

Om het gebeuren in de spelonk van de Mount Everest tijdens de sneeuwstorm beter te kunnen beseffen, is het, meen ik, goed te bedenken dat – zoals professor D.T. Suzuki, de grote kenner het zenboeddhisme, schrijft – voor de oosterling de natuur niet iets is dat dreigend of onheilspellend tegenover hem staat. Daarom behoeft hij zelf tegenover de natuur evenmin een vijandige houding aan te nemen. In feite zijn mens en natuur op dezelfde wortel gestoeld. Alle stemmingen van de natuur worden in de mens weerspiegeld en de gevoelens, welke hij koestert worden op de hem omringende natuur overgedragen. Beide zijn met elkaar tweelingzusters verbonden en kunnen op dezelfde wijze worden beïnvloed.

De grootsheid, de onmetelijkheid en de onuitputtelijkheid van de natuur bestaan in de mens en de gevoeligheid en mystieke ongenaakbaarheid van de ziel liggen ook in de boezem van de natuur.

Multatuli heeft eens geschreven: “In de bergen is de mens zijn God het meest nabij”. Men kan dit ook zo zeggen: Wanneer ik in de natuur verstil, wordt mij door de stilte in en om mij het Goddelijke duidelijker kenbaar. Het is denkbaar, dat toen de storm woedde, Milarepa ook innerlijk door deze uiting van de Kracht Gods in de natuur werd beroerd. Men zou kunnen denken aan een overdracht van het gebeuren in de natuur naar zijn innerlijk leven. De rust en de schoonheid van zijn wezen, maar ook de kracht en het geweld van de elementen bestonden dan in hemzelf. Door zijn tantrische, dat is magische meditatieve en mystieke verworvenheden daartoe voorbereid, is Milarepa, zoals hij in zijn gezang nadrukkelijk naar voren brengt, in staat geweest de beide aspecten van het Goddelijke te ondergaan en innerlijk te verzoenen, waardoor hij de diepste verstilling deelachtig werd.

Hierbij werd het slangen- of kundalinivuur gewekt, waardoor zijn lichaamstemperatuur zodanig opliep , dat hij de uitzonderlijke koude kon doorstaan.

Op deze wijze kunnen wij ons een voorstelling maken van het gebeuren, dat Milarepa zijn overwinning op de demon van de sneeuwstorm noemt. Een mystieke ervaring, zoals hij daar in zijn spelonk op de helling van de Mt Everest heeft beleefd, kan nimmer juist worden omschreven. Woorden zijn daartoe niet bij machte. Daarom gebruikt Milarepa daarvoor het beeld, dat in overeenstemming is met de denkwijze van zijn gehoor. Niemand is in staat zich van het goddelijke een voorstelling te vormen en dus evenmin van de goddelijke kern van eigen wezen, de ziel. De zenmeesters trachten dit aan hun leerlingen duidelijk te maken door hun zinloze en onsamenhangende antwoorden aan dezen, wanneer zij naar de innerlijke betekenis van het boeddhisme vragen. Dit laatste spreekt in zijn oorspronkelijke vorm ook nimmer over God of over bovenzinnelijke fenomenen. Als reeds vermeld wordt wel het begrip “leegte” genoemd, wanneer de westerling het over het “goddelijke” heeft. Misschien is dit ook de reden, waarom de maçons hun “heilige” woorden niet uitspreken of neerschrijven.

Ons klinkt in dit verband het woord “leegte” vreemd in de oren. Maar is het niet zo, dat wanneer wij aan het goddelijke denken, wij het met “volmaaktheid” associëren en onmiddellijk bewust worden van het hiaat dat er tussen ons bewustzijn en gedrag enerzijds en de goddelijke volmaaktheid anderzijds bestaat? Dit hiaat is zo immens, dat wij het met volmaaktheid ervan vereenzelvigen. Vandaar dat het mij voorkomt, dat het begrip “leegte” in verband  staat met het “goddelijke”.

Vooral ook, omdat de boeddhist zich voorstelt dat in Sunyata (leegte) wel degelijk alles aanwezig is, maar onbegrensd, dus ongevormd, ongedifferentieerd en ongeboren. Dit doet ons denken aan de energie waaruit wij aan het altaar der waarheid belijden, dat door het Woord alles is gemaakt, dat gemaakt is enz.

Ook hier treedt de analogie tussen het moderne denken over het wezen der materie en het oosters denken aan de dag. Maar het eerste gaat van het extraversie over naar de introversie en bij de evolutie van het oosterse denken is de gang omgekeerd.

Bij Milarepa’s belevenis speelden zelfbeheersing en besef van het oneindige een grote rol. Dit nu zijn de elementen van inwijding, want door hen komt de vernieuwing van bewustzijn tot stand, omdat zij ons in staat stellen de nauwe begrenzing van het persoonlijkheidsbesef te doorbreken en een beleving van grotere samenhorigheid met het “niet-ik” te meer wij dit reeds gesteld zien in de Upanishads door de woorden “tat twam asi”, dat zijt gij. Ik geloof dat wij Jezus woorden ‘Die zijn leven zal willen verliezen in Mijn naam (dat is die der liefde, de eenheidsbeleving), die zal het herwinnen tot het eeuwige leven”, ook in deze zin moeten wij het begrijpen.

Het “eeuwige leven”, dat wij westerlingen associëren met het Koninkrijk Gods en de boeddhisten met het nirvana.

Kort voor zijn verscheiden uit deze wereld heeft Milarepa zijn volgelingen bijeengeroepen en aan hen zijn geestelijk testament overgedragen. Als gewoonlijk heeft hij dit in een gezang gedaan, waarin hij de levenslessen, welke hij hun als goeroe op het hart had gebonden nog eenmaal samenvatte.

“Ik buig mij neer aan de voeten van de Leraar, de Boeddha, moge Hij de harten van de hier aanwezigen openen voor Zijn Leer.

Het leven is als een verdampende waterdruppel en het hartsverlangen naar een leermeester is voorbijgaand.

De jeugd is als een bloem in de zomer. Zal zij niet verwelken en zonder meer verdwijnen!

Geboorte en dood zijn als het opgaan en ondergaan van de zon.

De Boeddha zegt dat dit herhaalde, herhaalde malen zal gebeuren.

Kwaad is als een waterval, die zich in een ravijn stort. Nog nimmer heb ik haar zien omkeren.

Het betrachten van het Geloof is als het bearbeiden van de akker. Een ieder, die dit met toewijding doet, plukt daarvan de vruchten.

O gij gever van aalmoezen, betoon uw welbespraaktheid, maar betracht het heilige geloof.”

En met deze laatste terechtwijzing, welke ik mij ter harte neem, buig ik mij eerbiedig ten afscheid voor Milarepa.

Voor hem en zijn volgelingen is het boeddhisme het pad geweest, dat zij hebben gevolgd, om zin en inhoud aan hun leven te geven. Het is het 8-voudige pad, dat de tegenstellingen vermijdt en waarop men tot inzicht komt, dat voert naar innerlijke vrede, naar hogere wijsheid, naar het nirvana. Het is het pad van het juiste inzicht, van het juiste motief of doel, van de juiste daad en van het juiste woord, van de juiste wijze om zijn brood te verdienen, van de juiste poging, de juiste zelfbeheersing en de juiste inkeer.

Zo ontkomt men aan lijden en verdriet, door de verlichting deelachtig te worden.

Wij maçons volgen eveneens de lijn van het midden, van het Westen naar het Oosten, de weg der schoonheid, om gesteund door innerlijke Kracht en wijsheid betrachtend het Waarachtig Licht uit ons te doen schijnen.

In die geest mogen wij dan het kerstfeest vieren als symbool van ons streven naar vernieuwing van besef en groeiende zelfbeheersing, om éénmaal, als Milarepa, het “Ken U Zelf” te verwezenlijken.

image_pdf