Moderne filosofie

13 november 1956

Ons onderwerp – Moderne Filosofie – is een onderwerp, dat vooral door het woord “modern” wel zeer scherp omschreven wordt. Er zijn mensen op deze wereld, dat weet ik wel, die tussen de moderne en de oude filosofen weinig verschil zien. Zij zeggen: “Al deze mensen filosoferen over het leven. Want het leven is – direct of indirect – de kern van elke filosofische beschouwing.” Toch zou ik op het ogenblik graag van mijn zijde uit eerst een verschil vaststellen.

De oude filosofen dachten in de eerste plaats soms aan het leven als een eeuwigheidsbegrip, dat zij materialistisch wel verklaarden, in materialistische termen wilden zien, dat zij in direct verband brachten met hun eigen stoffelijke belevenis maar waarbij de geestelijke achtergrond toch wel de voornaamste was. De filosofie, die modern heet in deze dagen, is eigenlijk het omgekeerde. Zij houdt zich zeer vaak in de eerste plaats bezig met de geest, maar zij komt vandaar altijd weer tot het stoffelijke. Een verschil van richting dus, dat ongetwijfeld een ieder, die de beschouwingen van de modernen en de ouden naast elkaar legt, zal moeten opvallen.

De vorm, die deze moderne filosofie heeft aangenomen, zien wij het duidelijkst in de verschillende existentialistische beschouwingen.

Existentialisme, bestaansleer.

Wij zien het bestaan als een continuïteit, waarbij de stoffelijke uitdrukking door zijn tijdelijk aspect tenslotte van weinig belang is. Een aards filosoof kan dit niet begrijpen en niet bevestigen. Wij zien een uiterst pessimisme staan naast een poging om op grond van geestelijke waarden het stoffelijk leven met al zijn verschijnselen te rationaliseren.

De pessimist zegt: “Leven is geboren worden voor de dood. In dat leven moet je beleven, wat je kunt. Niet het vrolijke, ‘Pluk de dag’, maar eerder een somber: ‘Stop vol je hele leven met al, wat er maar gebeuren kan.’ Zoek alles, kwaad en goed door elkaar, want zo dadelijk zul je sterven. Dan blust het licht en blijft er niets meer over.”

De optimistische filosoof zegt: “Er is een goddelijke kracht, die ons allen leidt. Deze goddelijke kracht zal doelmatig inrichten elke wereld, die zij schept. Het is onze taak om datgene, wat deze goddelijke kracht ons opdraagt, te verwerkelijken in onze eigen wereld. Vandaar, dat wij ons leven moeten vullen met al, wat wij als goddelijk erkennen.”

Het verschil tussen deze beide is zeer groot. Vandaar ook, dat ik deze extremistische richtingen stel als begrenzing van het terrein, dat ik met u ga bespreken. U moet niet van mij verwachten, dat ik u nu allerhande boeken en filosofen ga citeren. Ik zal trachten, voor u de grondtendens van de gemiddelde moderne filosofie te ontplooien.

Het leven op zichzelf is een reeks van verschijnselen waarbinnen de mens zich machteloos gevoelt. Hij is niet in staat om tot een volledige beheersing van zichzelf – laat staan van het leven en de omstandigheden daarvan – te komen. Dit betekent, dat de mens zich gevangen voelt in het web van het leven. De gevangenschap kan aangenaam zijn; maar het feit alleen, dat je niet vrij bent, dat je gebonden wordt, is de oorzaak, dat je het leven gaarne zou verwerpen, althans zou willen bespotten en onbelangrijk maken.

Deze theorie wordt dan gesteund door de termen der causaliteitsleer. Men zegt: “Alles is causaal, oorzaak. Elk gevolg wordt door zijn oorzaak bepaald. Er was een oorzaak, die ons geboren deed worden. En door dit geboren worden alleen is ons verdere leven bepaald. Het heeft geen zin te spreken over een vrije wil. Het heeft geen zin te spreken over een mogelijkheid om te leven, zoals je dat zelf nuttig vindt. Er blijft ons alleen over het aanvaarden van al, wat ons wordt gebracht en te trachten zoveel mogelijk vreugde te vinden in het bestaan en een innerlijke vrede te bewaren.”

Sommigen gaan zelfs nog verder. Niet lang geleden is er een beschouwing uitgekomen, wier ontstaan wij met grote belangstelling hebben gevolgd. Ook hier meen ik een pessimistische ondertoon te ontdekken.

“Wanneer ik leef is de wereld buiten mij door mij niet te beïnvloeden. De beïnvloedingen, die ik meen te kunnen stuwen in deze wereld, zijn immers uiteindelijk slechts mijn reactie op die wereld. Zo ben ik in de wereld buiten mij gebonden. Gebonden zijnde, zou mij misschien nog een innerlijke vrijheid overblijven. Maar wanneer wij de menselijke ziel ontleden, wanneer wij doordringen in de geheimen van het menselijk denken en de rede, dan blijkt ook daar voortdurend een zware band met ketenen aanwezig te zijn, die ons ook in het ik alle vrijheid neemt.”

De schrijver – na een uitbarsting van lyrisch pessimisme — vervolgt dan: “Immers, ons redelijk denken wordt gevormd door de ervaringen, die wij opdoen in de wereld. Deze ervaringen nu liggen reeds vast en zijn gebonden. Zo wij al menen vrij te denken, zijn wij in werkelijkheid het slachtoffer van de waan, dat de beelden, die de wereld in ons wekt, door onszelf nog geregeerd kunnen worden.

Indien wij dieper gaan, vinden wij het onderbewustzijn, een geheimzinnig gebied, eveneens volgepropt met ervaringen, die de wereld ons heeft doen ondergaan. Al zijn we de ervaring vergeten, in ons is een kracht, die voortdurend deze prikkels weer wekt en zo onze daden maakt tot onredelijke, niet meer aanvaardbare handelingen.

En wanneer dit alles voorbij is, dan zoekt men nog dieper en meent men een ziel te ontdekken, een geheimzinnig wezen. Maar dit wezen staat niet in een direct verband met de rede, noch kan het redelijk benaderd worden. Wat blijft ons dan over dan de gevangenschap in de denkbeelden, die de wereld ons heeft opgelegd, de gevangenschap in de wereld zelf, die ons ketent met zijn schijnbare vrijheid?”

U zult wel begrijpen, dat ik dit beeld van modern pessimisme zeker niet aanhaal, om hiermede mijn instemming te betuigen. Integendeel. Er zijn gelukkig andere denkers, die tot een geheel andere beslissing komen. De beschouwing, die ik nu citeer, is al weer een jaar of zeven oud, maar toch nog actueel en belangrijk genoeg om hier aangehaald te worden: “Wanneer een mens meent, dat hij gebonden is door het lot, dan vergeet hij één ding: elke mens is vrij om te handelen, mits hij de moed heeft zich die vrijheid te kopen door de gevolgen ervan te aanvaarden. Wanneer men zegt, dat deze wereld een dwang is, dan is dit slechts ten dele waar. Want niemand dwingt u uw wereld te accepteren. Wanneer gij zegt, dat uw gedachtebeelden gebonden zijn, is ook dit niet waar. Want indien gij zelf de vrijheid zoekt ten koste van alle dingen, zo zult gij u die vrijheid ook in uw denken verwerven.”

Het lijkt, of het antwoord op de vorige pessimistische filosoof reeds jaren van tevoren geschreven is, zoals u merkt. Ja, men gaat nog verder.

“Wanneer wij ons houden aan het betoog, dat deze wereld werkelijk is, reëel, zo moeten wij ook erkennen, dat aan de hand van de moderne wetenschappelijke ontdekkingen, o.a. door onze hoogvereerde leraar Einstein gedaan, wij moeten aannemen, dat er een extensie bestaat van het universum in een richting, die wij nog niet kennen. In deze richting zullen wij dus niet bewust vrij handelen. Maar niettemin zou juist deze nieuwe dimensie, deze nieuwe afmeting van stof en alle andere waarden, voor ons de vrijheid kunnen betekenen. Indien wij ons vrij kunnen maken van ons denken in de gebondenheid van onze eigen wereld, zullen wij de moed vinden om in onze handelingen datgene uit te drukken, wat noodzakelijk is: De vrije handelingswijze.”

De moderne denker zal zich in deze eeuw der techniek moeten baseren op de nieuwste ontdekkingen der wetenschap. Dat wil ook zeggen, dat de filosoof zich niet kan verliezen in abstracties zonder meer. Immers elk waar filosoof bouwt op de feiten der werkelijkheid een gedachte omtrent de uitbreiding daarvan, die nog niet erkend wordt. De moderne denker zal zich dus veel meer aan feiten vastklampen dan een ander. Onverschillig of hij denkt over de menselijke geest en de menselijke ziel, of hij zich te buiten gaat aan beschouwingen over het Al, of zoekt naar een goddelijke waarde in dat Al, steeds weer is zijn basis wetenschap; en een wetenschap die concreter is dan zij in vroegere tijden veelal was. Dit wil ook zeggen, dat de gedachtegang van de filosoof noodzakelijkerwijze juister moet zijn volgens het huidig wereldbestel.

Het is noodzakelijk dit te constateren, omdat men maar al te gaarne vergelijkingen maakt met oude wijsheden, en dan bv. Aristoteles eert, Pythagoreeërs naar voren brengt, kortom al deze oude mystici, die ofwel foutieve stellingen verdedigden, dan wel zich eerder op een ethisch-esoterisch vlak bewogen dan op een terrein, dat aan de werkelijkheid verwant was. Ik geloof, dat we dan een grote fout maken. Wij mogen de denker om zijn denken als groot erkennen, maar dat wil nog niet zeggen, dat wij zijn gedachtegang verder kunnen aanvaarden en formuleren. Integendeel, een nieuwe tijd vraagt een nieuwe formulering van de oude problemen der mensheid. Om u een bloemlezing te geven uit de mogelijkheden op dit gebied wederom enkele aanhalingen. In de eerste plaats iets over God. “Wanneer men het woord God spreekt, wordt het mij onaangenaam te moede. Want God is een naam, die een begrip dekt, dat niemand kent. Laten wij dan reëel zijn en zeggen: ‘Het Onbekende’. Ik begrijp niet, waarom wij God een persoonlijkheid moeten toekennen, alsof Hij een mens ware. Want al wat in menselijke vorm zou leven en bestaan, heeft zeer zeker niet de volmaaktheid, die men aan een God toeschrijft. Wij hebben de keuze: een onvolmaakte God, Die menselijk is en Die wij kunnen benaderen, of het Grote Onbekende, het Geheim, waarin wij onszelf verliezen zonder Het op te lossen.” Moderne filosofie.

“Waarom het Onbekende? Juist omdat de mens, steeds meer begrijpende van de geheimen der natuur, steeds verder doordringende in het wezen der materie en aarzelend op de grens van het rijk van de geest niet meer kan komen tot een personificatie van een of andere God, ja, misschien de deïficatie van een of andere persoonlijkheid. Dat is onmogelijk geworden. Er blijft hen geen keus. Of misschien één slechts: Ofwel zichzelf bedriegen, ofwel zijn eigen onvermogen erkennen. Toch moet hij een uitweg vinden. Het probleem God is voor hem stoffelijk belangrijk. Want het moet in verband worden gebracht met zijn wereld. Wij kunnen zonder een begrip omtrent het Onbekende of het Goddelijke niet leven. Want er is voor ons een kracht nodig, die doel geeft aan al ons leven en streven. Een leven zonder doel is niet levenswaard. De lusten zelf worden fade en ijdel. Het genoegen wordt het leven ontnomen, wanneer er geen drijfveer achter zit, groter dan wijzelf; wanneer ons geen doel wordt gesteld, verder dan wat wij op het ogenblik kunnen overzien.”

Filosofie van de zuiverste school zou ik zeggen. Inderdaad, en waar ook. In elke filosofische richting – of wij gaan tot de meest pessimistische existentialisten, of wij gaan tot de religieuze existentialistische richtingen, ofwel tot degenen, die uitgaande van de wetenschap hun stellingen omtrent het Al opbouwen – steeds vinden we als achtergrond hetzelfde: een mens heeft een doel nodig.

Vreemd. Bij de oude filosofen was het doel niet zo belangrijk. Het kwam wel ter sprake, maar het was eerder een begeleidingsverschijnsel. Bij de modernen wordt meer en meer het doel, waarnaar ze zoeken, een noodzaak. Zij komen er toe om in het heden het leven zelfs te verwerpen, als ze het doelloos zien. Zij komen er toe stellingen op te bouwen, die haast verwerpelijk zijn – tenminste in onze ogen. U een voorbeeld gevende van de filosofie, die wij niet goed achten, waar zij afbreekt en daarvoor niets in de plaats stelt: “In deze wereld gaat de religie hand in hand met mysticisme. Spiritisten spreken met geesten. Esoterische groepen en  bewegingen beweren de geheimen des levens te kunnen ontsluieren. Maar wat doen al deze mensen in werkelijkheid? Zij vluchten voor het feit van de dood. Zij willen niet sterven. En daarom verkiezen ze de droom boven het leven. Daarom houden zij zich bezig met stellingen, die dwaas en onaantastbaar zijn; goochelen zij zichzelf feiten voor, die niet bestaan. Hun vlucht is hun godsdienst.”

Er zit een zekere waarheid in. Er zijn mensen, die vluchten in een godsdienst of die vluchten in een of andere ethische of spiritistische richting. Maar dat neemt niet weg, dat deze richtingen op zichzelf toch meer betekenen. Dat je het ook van de andere kant kunt beschouwen, toont ons een denker van de laatste jaren. Het is een jong filosoof, die nog niets geschreven heeft en zijn eerste bekendheid pas begint te verwerven door lezingen en redevoeringen, die hij geloof ik sinds twee jaar houdt. Toch wil ik uit een van zijn betogen graag citeren: “Wanneer wij spreken over spiritisme, over mystiek of esoterische scholen, dan drukken wij ons eigen verlangen uit volledig te zijn. De mens voelt zich onvolledig. Wanneer hij tot een godsdienst vlucht, dan zoekt hij buiten zich een middel om de volheid van “zijn” te bereiken. De esotericus tracht dat in zich te bereiken. Wel degelijk hebben al deze dingen zin en doel. Zij brengen de mens dichter tot zijn ware wezen en maken het hem mogelijk uiteindelijk zijn ware persoonlijkheid te kennen.” Ik vind deze stelling zeer juist. Zij past in het beeld, dat wij onszelf maken van de wereld. En nu is dit misschien onze filosofie en niet die van een denker op de wereld, maar ik hoop toch voor u evenzeer interessant en aanvaardbaar. Ze is ook modern, omdat zij uiteindelijk leeft in deze tijd in ons, en door ons in anderen:

Ieder mens heeft een doel nodig. Dit doel kan nooit gesteld worden in het materiële. De mens echter heeft in het materiële leven zoveel wonderen gezien, dat hij in de verleiding komt te denken, dat de materie hem de uiteindelijke bevrijding kan geven. Hierdoor verdraait hij de waarden van zijn eigen wereld voortdurend. Hij tracht zijn stoffelijke voorstellingen, zijn stoffelijke belangen, stoffelijke mogelijkheden om te bouwen tot iets, dat beantwoordt aan zijn verlangen naar volmaaktheid.

In feite is dit echter niet mogelijk. Slechts door de werelden, die in de mens bestaan – en dat zijn er vele – plus de wereld, waarin de mens meent te leven, tot eenheid te maken, kan die mens voor zichzelf werkelijk komen tot een vervulling van zijn bestaan.

Wanneer de wereld spreekt over leed, over rampen en nood, dan zijn wij geneigd te antwoorden: “Zij zijn dit slechts, indien gij ze zelf zo ervaart”. Want niet de omstandigheden vormen onvrede of ongeluk. Het is uw denken, dat al deze dingen beheerst. En uw denken achten wij vrij, in tegenstelling tot menige filosoof, die beweert, dat de gedachte door de omgeving wordt gevormd. Wij poneren het tegenovergestelde: de gedachte vormt de omgeving. Niet misschien de ware omgeving, maar het beeld, dat u daarvan in u opneemt, de wijze, waarop u die omgeving verwerkt. Dus: uw wereld.

Dat wij hierin niet kunnen zonder God of een Opperste Macht, is een feit. Want wij moeten het onbekende verklaren. In de wereld, in het Al, zijn zoveel dingen, die wij niet kunnen verklaren of begrijpen – en wij willen toch zo graag geloven in een rationeel bestel – dat wij juist daarvoor het Goddelijke of het Grote Onbekende nodig hebben.

Wij kunnen daaraan allerhande namen geven. Dit gaat van Natuur tot (met name) God, of Jezus zelfs, of hoe dan ook. Deze figuren zijn projecties van de mens. Het is niet een werkelijk wezen, wat een mens beleeft. Het is zijn eigen verlangen naar een verklaring voor de dingen, dat daar lichaam en gestalte krijgt in het antwoord, dat niet neer redelijk is, maar dat als van God komende of van hogere, niet te benaderen krachten, aanvaardbaar wordt.

Het doel van het leven – het onderwerp van menige overpeinzing, van menige gedachtegang.

Voor ons is het doel van het leven makkelijk en eenvoudig uitgedrukt. Wij zeggen: Het doel van het leven is jezelf te vinden. Want zelf ben je eeuwig, je werkelijk wezen. Al wat je beleeft, al wat je wereld uitmaakt – onverschillig waar – is slechts het middel om wat in je leeft te kennen. Want slechts wat in je leeft, zul je in de wereld buiten je ontdekken.

Degene, die op de wereld bestaat en gedragen wordt, ofwel door een nauw omschreven religieus geloof, danwel door een atheïstisch zoeken, heeft het moeilijker. Daar moet men het doel van het leven trachten te verklaren door de natuur, de krachten, die in de natuur werken.

Het verwondert ons dan ook helemaal niet in de moderne tijd stellingen te horen verkondigen als: “De drang tot zelfbehoud, een ieder ingeschapen, doet de mens geloven aan het eeuwig leven. Het is zijn drang tot zelfbehoud, die hem een maatschappij doet opbouwen op fictieve waarden. Zijn angst voor ondergang, zijn zoeken naar een voortzetting van eigen wezen, o.a. in nageslacht, continueert de wereld, die in zichzelf doel is voor zichzelf. Wij zijn de begeleidende verschijnselen, het decor, waarin de wereld zich hult t.o.v. de andere.”

Dergelijke filosofen gaan verder. Zij zeggen bv.: “De wetenschap met haar kennis omtrent atomen en sterren dwaalt. Want deze dingen kunnen niet reëel zijn. Wanneer werkelijk de wereld uit atomen is opgebouwd, wanneer werkelijk de afstanden in het Al onmetelijk zijn en de sterren hun vreemde banen trekken, kunnen wij niet meer aanvaarden, dat ons doel – “leven” – inderdaad gerealiseerd kan worden en kan blijven worden op deze kleine wereld.”

Een terugval eigenlijk. Een terugval naar de oude denker, die de aarde wil bezien als het centrum van het Al. Desnoods omgeven door 47 kristallijnen sferen, maar ….. het middelpunt.

Anderen zijn duidelijker en beter. Ze zeggen: “Ons egocentrisch denken” – iets waarin ze het dus met ons volledig eens zijn – “maakt het noodzakelijk, dat wij onszelf, onze wereld, ons bezit, ons land, enz. steeds het middelpunt achten van alle beleven en alle gebeuren. Slechts door vanuit onszelf te denken zijn wij in staat in de wereld iets tot stand te brengen.”

Ik geloof, dat dit waar is. Ik geloof, dat dit de verklaring is voor vele onregelmatigheden in de wereld, voor vele ongenoeglijke toestanden. De mens kan en wil slechts vanuit zichzelf zien.

Hij kan het standpunt van een ander niet innemen, hoezeer hij dit ook probeert. Hij kan tijdelijk met die ander het bewustzijn delen. Dat is het grootste, wat hij bereikt. Maar in feite is dit een extensie van het ego naar een ander, die met een groot gedeelte of met al zijn eigenschappen tijdelijk daarbinnen wordt opgenomen. Handelen en denken blijft dan uitgaan van dit gemeenschappelijk ik, welke waarden anders zijn dan die van elk der ik-heden, waaruit het tijdelijk is samengesteld, op zichzelf.

Dit denken vanuit het ik betekent voor ons verder een noodzaak om ook het werelddenken te reguleren. Want wanneer een ieder egoïstisch en egocentrisch denkend is, is de enige mogelijkheid – en nu citeer ik hier weer een aards filosoof – “om steeds grotere ik-heden te bouwen op deze wereld, waarin de individuen met hun kleine ik kunnen vluchten. Waar zij – zich deel daarvan wetende, zich geborgen voelende in deze grote eenheid – hun aansprakelijkheden tegenover bestaan, leven en mensheid van zich kunnen afschudden, en daarvoor in de plaats een voldoening krijgen, die geen redelijke verklaring eist, noch iets anders dan een emotioneel meeleven in het superbewustzijn, de supermentaliteit van een groep of een volk.”

Dat ik het persoonlijk daarmee niet eens ben, dat ik de noodzaak hiervan niet inzie, betekent nog niet, dat ik deze stelling als een feitelijke verklaring onjuist moet achten. Ik voor mij echter zou hier toch willen amenderen en zeggen: Zolang echter het ik blijft vluchten in een pseudo-ego, gevormd door vele ik-heden, zal geen van deze kleine ik-heden tot een ware ontwikkeling komen. Want elk pseudo-ego, dat wordt geschapen door een groep, vertegenwoordigt de gemiddelde plus de slechtste eigenschappen. De beste eigenschappen blijven buiten beschouwing. Een werkelijke vooruitgang – hetzij op geestelijk of stoffelijk terrein – wordt daardoor onmogelijk gemaakt.

In alle denken schuilt altijd één grote fout. Namelijk: alle denken aanvaardt de beperktheid van alle buiten het ik staande dingen, maar is niet in staat zich de eigen beperkingen volledig te realiseren. Dit is de grootste fout van de moderne denker. Zich gesteund wetende door wetenschapsmensen en onderzoekingen, zich vastklampend aan statistieken en de bergtoppen der grafiek beklimmende, voelt de filosoof zichzelf zeker en in staat een overzicht te gewinnen over de wereld.

Deze eigenschappen van de moderne denker doet hem soms zeer pedant schijnen. Hij doceert met een zekere zwaarmoedigheid over ’s levens problemen, alsof hij alle raadselen ontsluierd heeft. Hij doet dit op elk terrein. Want er zijn zeker ook denkers als bv. de u allen meen ik bekende Brunton, die hierin hun eigen zoeken omzetten in een doceren aan anderen. Zolang wij het zoeken erkennen in de betogen, die de filosoof opbouwt, is dat goed. Maar op het ogenblik, dat hij zijn eigen onzekerheid omzet in een bewering, die anderen als waar aannemen, wordt het gevaarlijk.

Ik zou er meerderen kunnen aanhalen op hetzelfde terrein, bv. Mevr. Bailey. Al deze mensen zijn in hun geaardheid en wezen niet zozeer de esoterici, die zij schijnen, of de ingewijden, die zij willen zijn, dan wel de zoekers naar waarheid. Maar zoekers, die voor zichzelf de overtuiging van meerderwaardigheid moeten stellen, omdat het hun anders onmogelijk wordt de wereld met haar raadselen verder te dragen en te aanvaarden.

In negatieve zin vinden we dat precies hetzelfde. Sartre’s sarcastisch pessimisme is uiteindelijk ook niets anders dan een verdediging van het ik en de superioriteit van het ik tegenover de wereld. En dat is begrijpelijk. In een maatschappij als de uwe is elke mens geneigd te lijden aan minderwaardigheidscomplexen. U meent dat u snel bent: Een machine is sneller dan u. U meent dat u correct handelen kunt: Een machine handelt meer correct dan u. U meent goed te kunnen rekenen: Een machine presteert het duizendvoudige en beter. Kortom het niet-menselijk element, het kind, dat u hebt geschapen uit gedachten en metalen, begint zo langzaam maar zeker de mensheid in haar innerlijke bewustwording te bedreigen.

De mens voelt zich onzeker Hij droomt soms – en dat zou ik ook haast filosofie willen noemen – met een zekere angst in zichzelf van een wereld, waarin de machine dicteert. Waarin de minister-president een grote rekenmachine is en de acoliet aan het altaar een technisch-ingenieur. Het weten, dat hijzelf zo weinig presteert in een wereld, die schijnbaar zoveel goede prestaties levert, doet hem zichzelf minder achten binnen de mensheid. Vandaar dat we de pessimisten ook kunnen begrijpen. Dat we aan de andere kant ook de streng docerende kunnen begrijpen. Zij allen lijden aan één euvel: minderwaardigheidscomplex, die door een schijnbare superioriteit wordt gecompenseerd. Maar zo drukken zij hun eigen raadselen uit als zekerheden voor anderen.

Een voorbeeld: beschouwing over het leven. “Het leven is als een sfinx. Slechts wie antwoord geeft op de vragen, die het stelt, kan het werkelijk bezitten en behouden.” Dat is waar. Maar wanneer dan zo iemand verder gaat en zegt: “Ik heb het antwoord gegeven,” dan zeg ik: “Stop, vriend. Hier houdt je filosofie op, en hier begint je opschepperij.”

Ik kan voelen voor enkele Oosterse denkers uit deze dagen. Zo is een Japans geleerde kort geleden aan het filosoferen gegaan voor een aantal studenten van een universiteit in Tokio.

Wat hij vertelde was wel zeer eigenaardig. Hij zei tegen zijn studenten: “De ware wetenschap is het niet-weten. Hoe meer dingen ik leer kennen, hoe minder ik van al deze dingen afweet. Zo vergroot ik mijn kennis en verheug mij in mijn onkunde. Want zij, die veel te onderzoeken hebben en veel na te streven, zullen nooit ledig zijn. Wie onderzoekt om wille van het onderzoeken heeft een doel, dat heel het leven vult, dat geluk geeft en kracht. Maar zij, die denken, dat wetenschap en denken tot een instrumentarium worden, waarmee een modern hoog-gesalarieerd werkman zo dadelijk voor zich en zijn familie weelde gaat verdienen, die zullen falen in het leven. Want menende te begrijpen zullen zij door hun onbegrip hun eigen leven en dat van anderen bedreigen.”

Die lezing was bedoeld om de studenten te wijzen op de ernst van het wetenschappelijk onderzoek, de verantwoordelijkheid van een wetenschappelijke studie. Maar zoals het spreekwoord zegt: Steeds weer laat de duivel zijn gespleten hoef zien. De aanmoediging van de leraar is tevens zijn verklaring van eigen onvermogen. En hij accepteert het.

Ik geloof, dat daar het raadsel ligt van deze tijd. Je moet in staat zijn je eigen onkunde en onvermogen te accepteren. Niet je er bij neerleggende, maar ze nuchter vaststellen en ze gebruiken om een doel te vinden in je leven, om richting te geven aan al je zoeken en streven.

Juist dit bewustzijn kan een steun worden, wanneer wij niet meer menen, dat wij door onze onkunde tegenover anderen falen.

In verband hiermee een aardig citaat van een geneesheer in Duitsland: “Wanneer ik een zieke benader en een diagnose stel, bid ik God, dat deze juist is. Want ik weet, dat mijn kunnen alleen vaak niet voldoende is. Maar het feit, dat ik streef naar beste kunnen en dat elk geval opnieuw mij geheimen onthult van het menselijk lichaam – en ook niet te vergeten van de menselijke geest – maakt mijn werk tot een voortdurende vreugde. Elk falen van heden zal mij beletten morgen te falen. Elk slagen van nu is het loon van een vroegere teleurstelling. Daarom is het zo schoon om arts te zijn.”

Filosofie, zuivere filosofie. En ach, die filosofische ader loopt eigenlijk door alle rangen en alle standen. Wat zou u zeggen van een fabrieksarbeider, die zegt: “Ik doe hier steeds hetzelfde. En toch is het altijd weer nieuw voor me. Want het gaat mij niet om de handelingen, die ik doe, maar de wijze waarop. En de wijze waarop kan ik steeds wijzigen en variëren, steeds beter maken. En wanneer ik volmaakt ben op deze plaats van de band, dan ga ik naar de volgende.”

Is dat geen ware filosofie? Hij klaagt niet over eentonigheid. Hij klaagt niet over de voortdurende herhaling. Hij heeft zich een doel gesteld: volmaaktheid op één plaats. En – voelende, dat hij die misschien bereiken zal – stelt er meteen een tweede doel achteraan: “Heb ik hier volmaaktheid bereikt, dan is er niets meer voor mij te vinden. Dan wordt er verveling geboren. Dan ga ik verder.”

Of wilt u misschien filosofie uit een kindermond? Ook die is modern. “Wat vreemd, dat grote mensen altijd vechten, zonder dat zij er plezier van hebben. Waarom zouden de grote mensen toch altijd dingen doen, die zij zeggen niet leuk te vinden? Je leeft toch maar één keer.” Een kindermond, acht jaar oud. Ik geloof, dat dit een beeld is, dat wij aan menige hedendaagse pessimist kunnen voorhouden. Staatslieden, ondernemers, priesters, waarom zo strijden, wanneer je het niet prettig vindt? Let wel, het kind zegt niet: “Er moet niet gevochten worden.” Maar het zegt: “Waarom zou je vechten, als je het niet prettig vindt? En als je het prettig vindt, waarom zou je dan doen, of het anders is?”

Dit is een logica, die tussen al die grote denkers, die u ongetwijfeld bestudeerd heeft en bestuderen zult, misschien wat fel afsteekt door zijn eenvoudigheid. De moderne filosoof vermijdt vaak de eenvoud. Hij zoekt zelfs het ingewikkelde, omdat hij niet kan ontkomen aan een veroordeling van zichzelf, wanneer hij te eenvoudig is. Hij vlucht soms in de lyriek.

Wat dat betreft, denk ik aan een dichter-filosoof van heden: Frederik van Eeden, die u allen kent; die met de ontroerende schoonheid van een sprookje zijn eigen verlangen naar eenheid met het leven – ook met de mensheid – uitschreeuwt. Dezelfde mens, die door een misverstaan van eigen innerlijke stem komt tot sociale experimenten, die op mislukking moeten uitlopen, omdat het niet anders kan.

Ik hoop, dat u begrijpt, wat ik bedoel. De meeste filosofen brengen wel schone gedachten voort, maar ze zijn te eenzijdig. Ze zijn niet eenvoudig genoeg en niet duidelijk genoeg. Ook wij laboreren daaraan. Ook wij zullen soms in onze gedachten te ingewikkeld blijven, omdat wij voor onszelf nog waarheden hebben, die wij niet erkennen willen.

Ik spreek op deze avond als invaller, dat weet u. Dus niet als filosoof van de eerste rang. Sta me toch toe filosofisch te zijn op mijn manier; simpel.

Waarom zouden wij vragen, wat het leven is, wanneer wij het leven hebben? Waarom zouden we vragen wat God is en of Hij bestaat, wanneer wij leren in het leven zelf voldoening te vinden voor onze eigen ziel, ons eigen streven, ons eigen bestaan? Wat zouden dan die verdere vragen betekenen? Waarom zou een mens vragen naar leven op verre sterren, wanneer hij de mens nog niet begrijpt? Waarom zou een geest uitgrijpen naar onbekende sferen, wanneer hij nog niet in staat is zijn eigen sfeer voldoende te beschouwen? Waarom ontvluchten wij onszelf?

Mijn antwoord daarop is: Omdat wij vrezen onszelf te kennen. Het schijnt, dat elk wezen, dat een menselijk of misschien een iets hogere trap van bewustwording heeft bereikt, zichzelf beschouwt als een Medusa. Een wezen, dat je moet aanschouwen en dat je doodt. Wie het ik kent, doodt het ik. Het ik, dat zichzelf aanschouwt, vernietigt zichzelf in de zin, waarin wij het kennen. Daarom vluchten wij naar verre werelden, naar problemen, die zo ver buiten ons bereik liggen. Daarom filosoferen we, debatteren we, discussiëren we. We willen onszelf niet ontmoeten.

Er blijft ons maar één ding over te doen, wanneer we dit erkennen. Onszelf opzoeken, daar kunnen we ons niet toe dwingen. Het is haast onmogelijk een mens te dwingen zichzelf geheel te zien, zoals hij werkelijk is. Wij kunnen onszelf zeker die dwang niet opleggen. Laten wij dan genoegen nemen met wat wij zijn en trachten in ons eigen leven, onze eigen omgeving met alle middelen, die wij vinden kunnen, vooral onszelf te leren kennen.

Ik zou daaraan voor u willen toevoegen: Wanneer u luistert naar onze woorden, probeer dan uw eigen denken, uw eigen wezen daarin te zien – niet een lering van hogere geesten. Wat interesseert het u tenslotte, wat wij zijn. Het gaat er om wat u zelf bent. En het leven heeft in de materie de spiegel geschapen, waarin alle geest zich weerspiegelen kan.

Het is eigenlijk het: “Ken uzelve”. En dat is oude filosofie en geen moderne. De moderne filosofie kan er echter veel aan toevoegen: Een begrip omtrent de werkingen in uw wezen.

Maar ja, wanneer je een mens spreekt over interne secreties, over complexen en psychosen, dan zoekt hij ook daarin weer een verontschuldiging voor eigen daden, die hij anders bij zichzelf en anderen niet zou willen tolereren. Mij lijkt dat een dwaasheid. We moeten weten, dat die dingen bestaan. Maar we moeten ze voor onszelf verwerpen als verontschuldiging. Een verklaring, ja; maar een verklaring, die ons schuldig maakt tegenover onszelf.

Dit is mijn gedachtegang: Maak het leven eenvoudig. Zet de grote problemen, de onvatbare problemen een beetje uit je hoofd. Bepaal je tot je eigen wereld en al, wat er bij hoort. Zoek jezelf in alle dingen. Zoek in jezelf te wekken, wat je bent. En zoek niet iets te worden, wat een ander misschien is en wat je nooit zal kunnen zijn, omdat het beeld, dat je je daarvan vormt, ook niet zuiver is. Dit is dan ook een stukje recente filosofie.