Moderne inwijding

uit de cursus ‘Inzicht 1’ (hoofdstuk 9) – juni 1963

Moderne inwijding

In de laatste lessen hebben wij getracht om de psychologische achtergronden van de mens enigszins te belichten. Al deze dingen op zichzelf zijn echter van weinig belang. De menselijke inzichten, de denkwijzen, de psychologische spanningen, enz. krijgen pas zin, wanneer ze voor de mens ook geestelijk ‑ en niet alleen maar materieel ‑ een bevordering en een verbetering betekenen.

De moderne tijd kan niet volstaan met de oude, geheime inwijdingen, zoals die eens bestonden. We hebben dat reeds eerder besproken en duidelijk gemaakt. Aan de andere kant is er de behoefte aan een steeds grotere selectie, omdat nu eenmaal in een wereld met zoveel mensen een al te gemakkelijk toegankelijke inwijdingsprocedure tot resultaat zou hebben, dat zeer veel mensen die geestelijke krachten zullen kunnen hanteren, terwijl er maar zeer weinigen in staat zullen zijn om dit op verantwoorde wijze te doen. Het verkrijgen van bv. paranormale gaven wordt door menigeen nagestreefd. De moderne inwijding kan natuurlijk geen rekening houden met de voorkeur van vele mensen om iets paranormaals te beleven; om desnoods ook normaal te blijven indien ze wel geschikt zijn; kortom, ze kan geen rekening houden met de mensen en hun wensen. Zij kan slechts uitgaan van het totaalbeeld van deze tijd (men zou kunnen zeggen de “total‑Gestalt” van de mensheid) en zij kan daarin proberen een tendens te scheppen, waardoor alleen de meest bewusten en de meest standvastigen in staat zullen zijn hun doel te bereiken.

U zult beseffen, dat het mij niet mogelijk is u precies te vertellen hoe die inwijding door u kan worden bereikt, want dan zou ik alle moeite, die men heeft gedaan, daarmee eigenlijk ongedaan maken. Toch zijn er een aantal punten die we kunnen beschouwen. En het eerste punt is dan wel: de grondwaarden, die in de mens noodzakelijk zijn voor inwijding; die dus noodzakelijk zijn en voor een inwijding in deze moderne tijd geschikt te zijn.

In de eerste plaats: diep godsdienstig beleven.
In de tweede plaats: vrijheid van alle dogmatiek, van alle vooroordeel.
In de derde plaats: een inzicht in eigen wezen, zij het beperkt.
In de vierde plaats: een voldoende begrip van de mensheid, om in die mensheid gebruik te kunnen maken van de krachten waarover men kan beschikken.

Aan deze voorwaarden zit voor u misschien wat eigenaardigs, n.l. een diepe godsdienstigheid. Men brengt dit al te vaak in verband met zuivere geloofszaken en kerkelijke gedachtegangen. Dit wordt uitdrukkelijk niet bedoeld. Maar een mens, die in zich niet een diepe eenheid met zijn God kan voelen, die niet kan beseffen dat alle dingen uit God zijn voortgekomen en dat hij met alle dingen kan werken, omdat God erin leeft, zal niet in staat zijn om de moderne inwijding te aanvaarden. Hij zal te veel tegenstellingen op zijn pad ontmoeten; hij zal te eenzijdig blijven in zijn denken. Daarom is noodzakelijk: een diepe godsdienstigheid, die vrij is, maar ook geen aarzelend aanvaarden van God. Want je moet werken met een groot-kosmische Kracht. En deze Kracht kun je alleen werkelijk gebruiken, als je met geheel je wezen erin gelooft; daaraan geen voorwaarden stelt, maar jezelf daarin a.h.w. opnieuw beleeft. Om dit te kunnen doen moet je jezelf, je meningen, je verwachtingen en al wat erbij komt, soms terzijde schuiven. Dat kan moeilijk zijn, maar het is noodzakelijk. Want de eerste voorwaarde is en blijft een gevoel van diepe verbondenheid met God. De wijze waarop deze oorspronkelijk tot stand is gekomen, doet niet terzake. Men kan dus uit elk geloof, ja, zelfs uit een verwerpen van elk geloof, komen tot dit contact met God. Maar het is de meest noodzakelijke basis.

Dan hebben we verder te maken met enkele grondwaarden, die de mens zelf direct betreffen. Want de basis van de inwijding is het vermogen van de mens; deze maal niet uitgedrukt in stoffelijke termen maar in geestelijke bereiking, in een zekere geestelijke evenwichtigheid, ja, zelfs in wat u zou noemen noodlots‑ of karmaverhoudingen. Een mens, die bv. een absoluut onevenwichtige geest heeft en daardoor dus in zijn leven eerst een evenwicht moet vinden, kan niet voor een inwijding in aanmerking komen. Want een zekere evenwichtigheid is noodzakelijk. Een absoluut evenwicht is echter niet vereist. Men kan met een redelijk innerlijk evenwicht over het algemeen de inwijding wel bereiken.

Wat de achtergronden betreft, kunnen we hier slechts een algemeen gemiddelde weergeven. Maar doorgaans zal degene, die in deze dagen een inwijding werkelijk kan doormaken, een mens zijn, die:

  1. verscheidene levens op aarde heeft doorgemaakt;
  2. in één of meer van die levens kennis heeft gemaakt met occulte kracht en met mystiek;
  3. iemand zijn, die in staat is zijn vroeger wezen ‑ ofschoon hij het zich niet herinnert ‑ mede tot uiting te brengen in zijn hedendaags leven en streven, en die verder de bekwaamheid heeft en het zelfvertrouwen om zijn instincten te volgen in de richting van het paranormale, van de geloofsuiting en de geloofsbeleving.

Absoluut niet bruikbaar is de mens, die geen ander verleden heeft dan bv. een krijgsman verleden of een zuiver handelsverleden. Wanneer meer levens van die geaardheid zijn geleefd, zonder dat daarbij de mystiek of het occultisme de mens onmiddellijk hebben beroerd, zal het voor die mens zeer moeilijk zijn in deze tijd al het noodzakelijke aan te leren; en dientengevolge komt hij pas op het laatste moment eigenlijk in aanmerking.

Verder zal hij niet in aanmerking komen, wanneer hij tot een te sterk egocentrisch leven en denken komt, een te groot egoïsme.

Ook is een mens, die te gevoelig is ‑ voor anderen zowel als voor zichzelf ‑ niet aanvaardbaar. Zelfbeklag evenals het voortdurend beklagen van anderen is niet aanvaardbaar, omdat men zich daardoor te sterk bindt aan de uiterlijke omstandigheden en zo geen beroep kan doen op de innerlijke krachten.

Nu we ook dit hebben gedefinieerd ‑ althans enigszins omschreven – lijkt het me goed om de moderne inwijding zover mogelijk even verder te ontrafelen in:

1. haar methode van werken­;
2. haar organisatie (want die is er);
3. haar krachtgebruik en haar overdracht van krachten.

De organisatie zelf kan worden gezien als een soort voorscholing van de Witte Broederschap (het Geheime Priesterrijk, de Grote Loge of hoe u ze noemen wilt). De ingewijden daarvan zenden voortdurend gedachten uit, die in deze tijd ‑ verenigd met de gedachten van zeer hoge en lichtende geesten ‑ de aarde a.h.w. voortdurend beroeren. Daarbij wordt geen enkele rekening gehouden met wat op aarde gebruikelijk is, maar alleen met een tendens. Deze tendens kunt u beschouwen als een afstemgolf. De mens, die daardoor wordt beroerd en erop antwoordt, gaat meer en meer delen in deze gedachtestroom. Het resultaat is, dat hij een zekere herscholing van zijn persoonlijk denken doormaakt; daarnaast een vergroting krijgt van inzicht – meestal in zijn medemensen maar ook in zichzelf – en gaat leren zoeken.

Het eerste dat noodzakelijk is, is het zoeken. Want deze algemene uitzendingen kunnen natuurlijk pas resultaat opleveren, indien een persoonlijke leer daaraan kan worden gekoppeld. Dit te doen via geestelijke Meesters is praktisch niet mogelijk. Een zuiver geestelijke Meester n.l. kan u alleen beïnvloeden, indien u in staat bent zijn instigaties ook inderdaad te begrijpen. Dit is vaak heel moeilijk. En daarbij zal de mens heel vaak iets op rekening van de geestelijke Meester schrijven, wat in feite uit hemzelf is voortgekomen. Dientengevolge geldt:

De inwijdingswaarden worden vastgelegd in geschriften of lezingen, stoffelijk worden gehouden; ze worden verder bevestigd ‑ ook in de persoonlijke leringen ‑ door contacten met mensen, die daartoe bekwaam zijn. Dezen behoeven zelf niet volledige ingewijden te zijn, maar zij zijn in staat om de medemens te helpen zijn denken te oriënteren en eventueel ook diens gedrag, diens wijze van leven te corrigeren.

De doorsnee‑mens zal niet eens beseffen dat hij met dergelijke mensen in aanraking komt. Het zijn gewone mensen als ieder ander. Sommigen van hen zijn medium; anderen zijn priester of dominee; weer anderen zijn misschien alleen maar vriendelijke oude heertjes of oude dametjes. Misschien ook jonge mensen. Een ding hebben ze echter gemeen: wanneer u met een geestelijk probleem komt, dan helpen ze u dit probleem te vereenvoudigen en er zelf een oplossing voor te vinden; maar zij leggen u niets op, zij dwingen u niets op. Zij geven u slechts de gelegenheid om u te uiten. Wanneer u echter in uw uiting een fout maakt, dan geven ze u in overweging uw denkwijze enigszins te wijzigen. Indien u daarop reageert, ontstaat er een vergrote gevoeligheid, die het u mogelijk maakt onder de mensen a.h.w. de harmonische, de sympathische elementen te herkennen. Dan kan er een ogenblik komen dat u iemand ontmoet ‑ in de stad, in de trein, in de tram, in een auto, waar dan ook ‑ die voor een kort ogenblik met u spreekt en in die tijd a.h.w. een geheel nieuwe stelregel bij u achterlaat. De mensen verdwijnen weer. Je kunt niet precies zeggen wie of wat ze zijn (soms zijn het niet eens werkelijk stoffelijke mensen), maar ze zijn in staat u een stap verder te helpen, totdat het stadium is bereikt, dat de mens bewust tot uittreding komt.

Dat men deze waarde in deze dagen beslissend stelt, is begrijpelijk. Want eerst de mens, die zijn geest een zekere vrijheid kan geven, kan aan het onderricht werkelijk deelnemen. Het is niet mogelijk overal kleine groepen te vormen met een aparte ingewijde of leraar. Men kan slechts een soort netwerk opbouwen, waardoor een ieder in staat kan worden geacht zichzelf verder te ontwikkelen.

De mens, die de bewuste uittreding gaat beheersen (in het begin herinnert hij zich daarvan weinig, later steeds meer) zal ontdekken dat hij vele belevingen heeft. In het begin zijn dit hoofdzakelijk avonturen. Men ontmoet mensen, men betreedt vreemde plaatsen. Langzaam maar zeker nemen echter de symbolen toe. Deze symboliek is in het begin misschien wel gewone droomsymboliek, maar langzamerhand ontwikkelt zij zich tot een zuiver geestelijke symboliek. Zo leert men om in een enkel beeld een complete gedachte te ontvangen en ook te begrijpen. Is dit begrip eenmaal gevormd, dan kan men deelnemen aan wat men zou kunnen noemen: het gemeenschappelijk denken van enkele Meesters en van een groter aantal mensen in de stof. In deze gedachten vormt men zich wederom eigen beelden, maar wordt men zich ook bewust van eigen capaciteiten.

Wanneer deze fase voorbij is, dan zal men heel vaak in contact komen (geestelijk, soms een enkele keer ook stoffelijk) met iemand, die met u de mogelijkheid van een taak en een taakvervulling bespreekt. Wordt die taak direct aanvaard, dan bent u meestal niet goed; d.w.z. dan moet u nog een tijdje scholing doormaken. Het is juist degene, die leert een taak alleen dan te aanvaarden, als die in overeenstemming is met zijn wezen, die aan de volgende fase deelneemt.

Hij is nu geworden tot iemand die, volgens de normale termen, helderziend is. Hij ziet aura’s en kan ook bepaalde tekens daarin waarnemen. Tot op zekere hoogte is hij ook helderhorend, d.w.z. hij heeft auditieve hallucinaties, die berusten op geestelijke krachten en die het hem mogelijk maken in het dagelijks verkeer bepaalde boodschappen op te nemen en haast ongemerkt de daaruit voortvloeiende consequenties te trekken.

Heeft men ook dit bereikt, dan is men ingeschakeld in de grote keten. En nu volgt meestal ‑ maar niet altijd ‑ het samenkomen met anderen (vaak in de stof), waarbij ook weer besprekingen en soms ook rituelen plaatsvinden. Wanneer die rituelen plaatsvinden, dan is dat altijd symbolisch. Daarnaast kennen we de geestelijke samenkomsten, heel vaak ook wat u noemt “de Wessac‑vallei” de mogelijkheid om een bijeenkomst van de Grote Witte Broederschap in mei mee te maken. Dit geschiedt meestal in de geest.

Daarna zal de mens zelf zijn richting moeten kiezen, maar krijgt hij én uit de geest én in de stof alle steun, die noodzakelijk is. Hij kan op deze wijze dus zijn inwijdingsprocedure vervullen. Hij zal problemen moeten overwinnen (wat niet altijd prettig is). Hij zal zich door een rijstebrij berg van verveling heen moeten werken. Hij zal met allerhande verliezen moeten afrekenen. Hij zal zijn visie op zijn leven en op wat voor hem noodzakelijk is dikwijls moeten wijzigen. Hij zal daarnaast, ook in de droom of in de uittreding, bepaalde beproevingen moeten ondergaan. Maar indien hij ze op de juiste wijze doorstaat, dan kan hij er zeker van zijn dat hij a.h.w. in een telepathisch geheel is opgenomen en daardoor voortdurend voelt – niet weet – voelt, wat de gemeenschap doet en wat de gemeenschap is. Hij wordt steeds intenser deel ervan en neemt nu uit het geheel ook alle kennis op die hij nodig heeft. Hij kan dus onder omstandigheden over redelijk gespecialiseerde kennis beschikken, ook wanneer hij deze meestal moet uitdrukken met zijn eigen beperkte woorden en termen. Hij zal niet direct de vaardigheid bezitten om bv. een operatie te leiden, maar hij zal kunnen opereren, al zal het wat langer duren dan wanneer een geoefend chirurg dat zou doen. Hij zal iemand geestelijk genezen, al is hij geen geestelijke genezer. Het zal misschien wat langer duren, de nawerkingen zullen misschien anders zijn, maar hij kan geestelijk genezen.

Hiermee heb ik u een beeld gegeven van wat de moderne inwijding de mens biedt.

Nu de organisatie.

De kern ligt op het ogenblik in het Andes-gebied, waar men nog steeds bezig is om de zaak a.h.w. verder vrij te maken. Dit centrum kunt u zich het best voorstellen als een meditatief centrum. En voor degene, die het ooit uittredend bezoekt, heeft het veelal de vorm van een ronde tempel. In een geschakeerde vloer (meestal een zwart‑wit vloer; het doet voor de meesten een beetje oosters aan; rondom is nl. een lage, rondlopende bank) bevindt zich in het midden een symbolische figuur een sterfiguur; in deze ster een vlam of soms water, het ligt er aan wat voor lering er wordt gegeven. Een meditatief samenzijn in de geest kan daar dus plaatsvinden.

Rond dit centrum wonen een aantal entiteiten, die niet helemaal in de stof leven, maar vaak gematerialiseerd optreden. Rond hen bevindt zich een klein en select groepje van stoffelijke ingewijden waarvan de meesten speciaal voor dit doel zijn geïncarneerd. Zij vormen gezamenlijk een soort geestelijk centrum van de wereld, van waaruit zowel het bovenbewustzijn van de gehele mensheid als ‑ via telepathie ‑ de speciale bewustwording van enkele mensen kan worden bevorderd.

Rond dit centrum zien wij dan allerhande kleinere groepen, meestal bestaande uit een drietal of een zevental personen, die dus niet op één kluitje wonen, maar Nederland bv. zou drie personen, in een driehoek opgesteld, ongeveer kunnen zien als zijn aandeel ‑ ruimtelijk. In andere plaatsen zijn er zeven personen, soms zijn het verscheidene groepen van zeven personen; maar het zijn altijd kleine groepen. Deze groepen kennen een betrekkelijk sterk onderling contact ‑ soms stoffelijk, meestal geestelijk. Zij hebben een gezamenlijk streven, een gezamenlijk doel en a.h.w. een onbewust weten. Daardoor zijn zij in staat om zich te realiseren wat uit de centrale wordt uitgezonden, terwijl ze de waarde ervan aan elkander kunnen toetsen. Zo hebben ze dus de zekerheid, dat ze het goed begrijpen en verwerken. Zij op hun beurt zenden ook weer gedachten uit (ze werken dus sterk met gedachteconcentratie en meditatie), terwijl ze daarnaast trachten om de minder bewuste mensen te benaderen.

Rond deze centra (stercentra) krijgen we dan de kleinere groeperingen, die heel vaak het karakter hebben van een Loge, een geestelijke vereniging e.d.. Daarin wordt een reeks leringen gegeven, waardoor de mens kan komen tot een voldoend contact om ook de geestelijke lering te ontvangen, zoals zo even is beschreven.

Daarnaast zijn in de geest een zeer groot aantal entiteiten als helpers aangesteld, om de mens te inspireren wanneer hij op de goede weg is en hem ook tot op zekere hoogte te helpen. Die hulp kan soms ook materieel zijn.

Het geheel is in deze dagen natuurlijk in het bijzonder afgesteld op de grote krachten, die de wereld beroeren. En dat wil zeggen dat de levende kracht, die op het ogenblik om deze aarde is plus alle daarin werkzame levende Meesters, een stempel drukken op de inwijdingstermen zelf. Daarbij is opvallend, dat altijd weer deze invloed uit de geest positief is en niet negatief. In de kleine leringen vinden we ook het negatieve, dus het afbreken. In de grote tendens vinden we alleen het bouwen.

Dan kan ik u verder nog vertellen, dat natuurlijk heel veel mensen zich er niet eens helemaal van bewust zijn, dat ze ergens op het punt van inwijding staan of dat ze een gedeeltelijke inwijding hebben doorgemaakt. Deze mensen treden dan op als magnetiseurs, als mediums, als priesters soms ook als sociale werkers en humanisten; kortom, mensen die iets doen voor hun medemens en daardoor half bewust een groter plan nastreven, dat echter niet kan worden vastgelegd in politiek of in godsdienst alleen.

Daaronder vinden we de grote massa. De massa die van uit zich de groep van de strevende moet aanvullen en vernieuwen. En uit deze groep van strevenden moeten dan weer degenen, die de eerste trap van inwijding doormaken, voortkomen.

De organisatie hebben we hiermee dus zo’n beetje bezien, terwijl ik ook over de werkwijze al heel wat heb gezegd. Toch lijkt het me goed er de aandacht op te vestigen, dat vroeger de inwijder naar de mens kwam. In deze moderne tijd echter gaat de mens tot hem. Dat is een heel groot verschil, maar het kan haast niet meer anders. Want wanneer de ­inwijder nu moet gaan zoeken, dan heeft hij een te grote keuze uit mogelijkheden, terwijl degene, die zelf zijn inwijder zoekt, daardoor a.h.w. van uit zichzelf steeds de positieve krachten geeft, waaruit zo snel mogelijk een inwijding kan voortkomen.

De duur van een inwijding is in deze periode aanmerkelijk verkort. Vroeger rekende men dat een volledige inwijding ongeveer 30 tot 40 levensjaren vergde. Na de tweede wereldoorlog werd deze periode al beperkt tot 15 jaar. Op het ogenblik zal dit voor de meesten niet meer dan 10 jaren bedragen. Iets wat vooral voor degenen, die op geestelijk terrein dus redelijk ver zijn gekomen, een mooie aansporing is; want zij kunnen in betrekkelijk korte tijd bewust gaan deelnemen aan het grote werk.

Nu hebben we over de moderne inwijding zo het een en ander gezegd. Maar nu de vraag: Wat vloeit er uit voort?

Wat er uit voortvloeit is in de eerste plaats: een zich afwenden van de moderne maatschappij, zoals deze zich probeert vast te zetten in één vorm, waaraan iedere mens moet beantwoorden. Degene die een inwijding zoekt, streeft naar persoonlijke vrijheid. Hij zal trachten deze op elke wijze te bereiken en is daarbij ‑ bewust of onbewust ‑ een rebel. Deze rebellie is noodzakelijk.

Wanneer we nu verder nadenken, begrijpen we ook heel goed, dat deze mensen dus in verweer zijn, niet alleen tegen de politiek of tegen de kerk, maar vaak tegen alle dingen. Wanneer ze in hun agressie bijzonder negatief zijn, dan kunnen we wel aannemen dat zij geen inwijding bereiken. Maar zodra hun agressie een positieve tendens krijgt (dus niet is een vernederen van anderen of een wegnemen van de waarde van anderen, maar een erkennen van anderen, zonder dat men daarbij zichzelf a.h.w. verliest; een erkennen van de juistheid van sommige regels, zonder zich onvoorwaardelijk daaraan te houden), dan komen we in de goede richting. Want de moderne ingewijde heeft een moraal, die veel hoger staat dan de modern‑menselijke, maar die is gebaseerd op totaal andere maatstaven. Hij heeft een andere filosofie, want hij kan zich niet baseren op waarschijnlijkheden; hij moet zich baseren op zijn innerlijk weten. Daarom gaat hij uit van hetgeen hij innerlijk voelt en bouwt van daaruit een filosofisch beeld op, dat dan enigszins in de wereld past. Hij zal in de politiek over het algemeen ook een onprettig element zijn. Hij heeft nl. kritiek op alles wat oneerlijk is; en dat is in de politiek heel veel. Het resultaat is dat hij daar niet graag gezien is en dat hij er ook niet toe komt om aan de politiek actief deel te nemen, want op dat ogenblik zou hij zich moeten verlagen tot dezelfde processen en procedures; en die kan hij juist niet aanvaarden. Dus blijft hij buiten de politiek en is ‑ van háár standpunt uit ‑ negatief. Hij probeert echter wat hij juist acht te bewijzen aan zichzelf en zijn medemensen. En als zodanig is hij dus wel degelijk positief.

Economisch gezien toont hij een zekere onverschilligheid. Hij is over het algemeen bereid alles weg te geven, indien het noodzakelijk is. Aan de andere kant is hij helemaal niet bereid iets onnodig weg te geven. Hij gaat uit van het standpunt: wat ik heb, komt me toe; en wat een ander heeft en wat hij nodig heeft, dat komt hem toe. Zolang ik het uiterst noodzakelijke heb, heb ik dus wat mij toekomt. Maar zolang een ander niet in grotere nood verkeert dan ik of meer behoefte heeft dan ik, ben ik helemaal niet verplicht om voor die ander te gaan leven of te werken. Ik moet het voor mezelf doen.

Hij gaat dan ook niet over tot het bevorderen van sociale maatregelen en een al te grote liefdadigheid, maar hij zal over het algemeen zijn steun meer persoonlijk verlenen en meestal in het geheim.

De houding van die mens is overigens voor de wereld een beetje onplezierig, omdat hij niet gelooft in de wetenschap. De wetenschap is een geloof. Degene die de inwijding begint te aanvaarden – en zeker de vol ingewijde – kan echter geen genoegen nemen met een geloof dat is gebaseerd op onvolledige feiten. En dus zal hij alles aanvallen, wat ook hier weer vastloopt in een zeker obscuriteit; een verduisteren van alle met de eigen theorie of stellingen in strijd zijnde elementen.

Het eindresultaat kunt u zich denken: de ingewijde van de moderne tijd is voor de wereld lang niet altijd een plezierig mens. Hij wordt over het algemeen gezien als een excentriek, zal zelden worden erkend voor wat hij is, maar doet voor zijn omgeving onnoemelijk veel en bereikt voor zichzelf een steeds juister begrip van wat in het leven wel en niet kan.

De volgende vraag is: Wat is het doel van de inwijding in deze tijd?

Het doel van de moderne inwijding is in de eerste plaats: de mens in staat te stellen terug te keren tot het oude contact met het Hogere. Wij horen over de tijd vertellen in vele heilige geschriften. De bijbel bv. zegt, dat de mens toen wandelde met God. Adam wandelde met God. Elke mens, die de innerlijke verbondenheid mét God kent, wandelt met God. Niet in een beperkte zin, maar door een voortdurend onttrekken van kracht en weten aan God, waar dit noodzakelijk is; een voortdurende overgave aan die Godheid enerzijds, maar ook een voortdurende vervulling van zijn wezen en zijn vanuit die Godheid. Hierbij mag dus wel worden gesteld, dat het wandelen met God op aarde de oplossing zou zijn van vele problemen. Als ik wandel met God (als ik dus in mij de zekerheid heb van de hogere Kracht), dan hoef ik voor niemand bang te zijn. Dan is er voor mij ook geen dood die ik moet vermijden. Er zijn geen verliezen, waarvoor ik hoef te vrezen. Ik ben dus werkelijk vrij. En daarom kan ik mijn medemensen aanvaarden zoals ze zijn en hoef ik me niet tegen hen te verdedigen uit angst dat ze me iets zouden ontnemen.

Dit kan in de gehele ontwikkeling van de mensheid in deze dagen van enorm groot belang zijn. In de eerste plaats: omdat daardoor de mensen in staat worden gesteld werkelijk vrede op aarde te scheppen.
In de tweede plaats: omdat ze vooropgezette meningen, vooroordelen en geloofswaarden, die niet passen in deze tijd, terzijde kunnen stellen en deze kunnen vervangen door een werkelijk geloof, dat uit God komt en dat ook feitelijk wordt bewezen. Terwijl ze verder in staat zullen zijn om degenen, die dan met alle geweld nog een houvast nodig hebben buiten deze innerlijke kracht, dit houvast te verschaffen op een verantwoorde wijze. En daarmee is deze moderne inwijding dus ergens een werkelijke vernieuwing.

Het aantal ingewijden op deze wereld neemt op het ogenblik sterk toe. Over het algemeen verkeren die mensen op het ogenblik in de eerste of de tweede fase; enkelen zijn al zo ver, dat ze als volledig adept kunnen worden beschouwd. Het aantal moet toenemen in de komende tijd; maar het kan nooit toenemen aan de hand van alleen lesjes, leringen of bepaalde ceremoniën. Een ceremonie kan een mens geen inwijding geven. Want in deze tijd is de ceremonie zo sterk gescheiden van de werkelijkheid, dat de mens de realiteit ervan niet meer in zich kan beseffen. Het resultaat is, dat hij dus een dubbel leven gaat leiden; hij moet echter juist leven als een bewuste, die a.h.w. in elke wereld zich gelijktijdig bewust is van zijn wezen, zijn verplichtingen en zijn mogelijkheden.
Nu zou ik willen proberen om enkele van de grondregels, die over het algemeen bij de inwijding worden gebruikt, uiteen te zetten. Want dit systeem, dat ik u nu heb uitgelegd is maar de buitenkant. De kern is datgene wat we in onszelf begrijpen. En nu schermen we heel veel met het woord God. Dat heb ik vanavond ook gedaan. Voor de mens, die de bewustwording nastreeft, is God de bevestiging van zijn wezen, dat daardoor tijdloos wordt. Het begrip van een tijdloos bestaan, dat gelijktijdig toch in de tijd normaal kan leven, maar dat weet, dat er geen einde komt aan de dingen, is een van de belangrijke waarden.

Dan is er altijd weer het begrip wijsheid. Alle wijsheid, die noodzakelijk is voor de inwijding, bestaat uit het vermogen om elke dag, elk moment en elk verschijnsel op zijn eigen waarde te zien en te aanvaarden zonder terug te grijpen naar het verleden of vooruit te grijpen naar een toekomst, die niet bepaald is. Het “pluk de dag”. Maar dan een “pluk de dag”, waarbij je zoekt naar de emotie, naar de spanning, naar de instemming in jezelf met het leven, waarbij dat leven meer is ‑ al is het maar voor een kort ogenblik ‑ dan normaal.

Dit “pluk de dag” wordt onmiddellijk gevolgd door het inzicht in anderen. En de vele psychologische tips, die we hebben geprobeerd te geven, zijn ten slotte alleen maar een handleiding.

Wanneer ik een medemens zie, dan moet ik in staat zijn mijzelf en mijn oordelen te vergeten of bijna te vergeten en het denken van de ander te begrijpen, zonder dat dit dus ooit een veroordeling of een beoordeling kan inhouden. Wanneer ik een moordenaar zie, dan moet ik weten, dat ik onder omstandigheden ook die moord zou kunnen begaan. Ik moet aanvoelen wat er leeft in die mens. En pas wanneer ik dat heb begrepen, kan ik die mens eventueel helpen, ook al kan ik hem in de maatschappij misschien niet voor zijn straf redden. Maar ik kan hem redden om zijn zelfrespect terug te vinden. Ik kan hem leren ‑ en soms met heel geringe middelen ‑ om a.h.w. voor zich het evenwicht, dat hij door zijn daad heeft verstoord, te herstellen.

Wijsheid is ook: in staat zijn om behalve deze verplaatsing ook jezelf in alle dingen te zien. Dus niet: als ik in die plaats was, zou ik zo en zo handelen. Maar aanvoelen wat je zou zijn in die plaats. Ik zal een voorbeeld geven.

Een minister. Als ik de minister was, zegt de gewone mens, dan zou ik zus of zo doen. Maar nu zeggen: Ik ben de minister. Ik laat alle invloeden van die minister op me toekomen en ik voel hoe deze mens wordt gedwongen tot een compromis. Hoe zou dat compromis bij mij luiden, gezien de omstandigheden? Dus niet “wat wens ik?”, maar “wat zijn de feiten?” Een keren van de realiteit.

Dan krijgt men ook de kwestie van recht en rechtvaardigheid. Die spelen bij een inwijding altijd een grote rol, omdat het evenwicht tussen oorzaak en gevolg noodzakelijk is voor iemand die de volledige inwijding heeft bereikt; die dus de aarde en alle sferen van onevenwichtigheid en disharmonie verlaat. En nu geldt er voor de rechtvaardigheid onder meer dit:

  1. Rechtvaardigheid is het helpen van anderen om een recht te vinden dat voor hen past.
  2. Alle rechtvaardigheid is het erkennen van Gods wil, zonder deze wil aan anderen op te leggen, maar haar slechts zelf te beleven. (Hier komt dus ook bv. het vervangend offer of de symbolische handeling in het geding, waardoor men evenwichten tracht te herstellen, die door anderen werden verstoord.) Dan vinden we verder: een scherp begrip voor onrecht, zonder dat daaruit een veroordeling voortkomt; een absoluut gebrek aan medelijden (ja, daar zult u van opkijken, maar het is nodig) met anderen die hun karma beleven, maar een medegevoel voor een ieder, die een mogelijkheid heeft om zijn evenwicht te vinden. Dus niet het teniet doen van karmische gevolgen of het tenietdoen van gevolgen die werden veroorzaakt door een mens, maar het aanpassen van die gevolgen aan de mens voor zover mogelijk, opdat ze voor hem vruchtdragend mogen zijn, is een van de taken van de ingewijden.

Dan hoort er verder bij: begrip voor de sferen. Elke sfeer of wereld is verbonden met de aarde, omdat in elke sfeer of wereld wezens leven, die eens op aarde hebben bestaan. Deze banden worden hoofdzakelijk gevormd door wat wij noemen “harmonie” of “liefde” en “disharmonie” of “haat”. Dit zijn de hoofdbanden.

Begrip voor de sferen houdt in, dat men in staat is in elke sfeer (dus ook in de meest lichtende) te erkennen wie naar eigen streven en werken, volgens de God, Die men in zich erkent, harmonisch is en wie niet. Bij deze gave des oordeel, die zeer belangrijk kan zijn, komt men er dus toe om zich uit de lichtende sferen aan te sluiten bij diegenen met wie men harmonisch kan zijn en via deze beperkte harmonieën vindt men over het algemeen ook de grotere harmonie.

De materiële zijde speelt ook een grote rol. De materie is er om de mens te dienen. De mens moet de materie werkelijk beheersen. Alleen zo kan hij verder groeien. Daarom zal deze inwijding ook de nadruk leggen op een beheersing van de materie en een absoluut verzet tegen een beheerst worden door de materie. Het resultaat is over het algemeen, dat men in zichzelf zoekt naar nieuwe wegen, die de mens een grotere onafhankelijkheid van materiële processen kunnen geven, terwijl men gelijktijdig leert om heel veel materiële processen te vervangen door geestelijke processen, die ‑ uit de mens komende ‑ geheel deel zijn van de mens en hem een meesterschap verschaffen over de materie, die niet kan worden aangevochten.

U hebt dus gezien wat er al zo gaande is met de moderne inwijding. U zult het onderwerp misschien wat minder interessant vinden dan de voorgaande. Maar u moet wel begrijpen, dat dit eenvoudige werkschema het werkschema is voor de volgende jaren ‑ ook voor u. Wat er wordt gesproken – of het nu is door een Meester of door een hofnar – kan voor u bedoeld zijn. U moet daarin zelf uw weg zoeken. U moet zelf zoeken naar het grote begrip der waarheid. En onthoudt u één ding: de waarheid kan slechts worden beseft, indien men de beperktheid van het menselijk voorstellingsvermogen allereerst ervaart. Slechts de mens, die wéét dat hij beperkt is en gelijktijdig deze beperkingen tracht te maken tot een van de voordelen van zijn leven, kan binnen de beperking zo volledig mogelijk werken en door het erkennen der beperking een aanvulling van buitenaf toelaten. Dan zal die mens in deze dagen het ergste kunnen voorkomen, in de eerste plaats op aarde; in de tweede plaats gelukkiger kunnen worden; in de derde plaats vrij zijn.

Elke Meester die u ontmoet, elke stem die tot u spreekt, heeft u op het ogenblik iets persoonlijk te zeggen, iets wat speciaal voor u is. Leer die dingen erkennen. Leg datgene wat niet harmonisch is, wat niet bij u past, terzijde. Leer overal – en niet alleen op een avond als deze – te luisteren naar die woorden, naar die impulsen, die speciaal voor u bestemd zijn. U zult dan al heel snel een beeld krijgen van datgene wat u kunt doen, van de krachten die in u schuilen, van de mogelijkheden die uw leven biedt. U zult ook beseffen waar u te beperkt bent geweest of wat u – volgens uw eigen inzichten – niet kunt bereiken. U zult begrijpen waar te persoonlijke opvattingen schadelijk worden of waar meer algemene opvattingen beter zijn. Dit besef wordt u in deze dagen gegeven. En daardoor kunt u zich richten op deze geestelijke kracht, deze geestelijke achtergrond, die dan weer in staat is u allereerst in een zekere harmonie te brengen, waardoor u lering ontvangt; door die lering in een zekere groep te passen – eerst op geestelijk niveau, later op materieel niveau – en u zo te doen deel hebben aan het werkelijke inwijdingswerk aan de ene kant en aan de volledige bewustwording van het groot-geestelijk werk, dat op deze wereld op het ogenblik wordt gedaan aan de andere kant.

Werelden

Ik zou deze keer met u willen spreken over de verschillende werelden die er bestaan.

Elk huis wordt begrensd door twee buurhuizen. Soms liggen ze dicht naast elkaar en soms ver van elkander. Hoe dichter de huizen naast elkaar liggen, hoe meer men weet hoe de buren leven. Maar wanneer er een grote heg of een schutting tussen staat, dan hoort men soms de geluiden, zonder precies te weten wat ze betekenen. Een verstandig mens tracht dan zijn buren te leren kennen.

Zo gaat het met de mens op de wereld. Hij leeft tussen twee werelden die hem onmiddellijk omringen. De eerste wereld is er een van fijne materie, dat is de z.g. astrale wereld. De tweede wereld is er een van iets hogere geest. Hij noemt deze vormwereld vaak “Zomerland”. Hij weet over beide werelden iets, maar niet veel. Allerminst begrijpt hij, dat alles wat van uit deze beide sferen naar zijn eigen wereld overdrijft, eigenlijk het gerucht is, het geluid van hetgeen zich bij de buren afspeelt.

Een mens die te maken krijgt met deze verschijnselen, weet zelf dus niet precies wat er gebeurt. En wat meer is, wanneer een menselijk wezen – dat dus ook andere voertuigen heeft – zich voor een ogenblik bv. op astraal gebied beweegt of zich – wat ook mogelijk is – in een Zomerlandsfeer een ogenblik verpoost, dan kan dit wezen dus ook kenbaar worden in zijn eigen wereld; en wel zonder dat dit direct de bedoeling is van degene, die zich naar die sfeer of wereld heeft begeven. Ik zou u daarom willen vragen enige aandacht aan het volgende te besteden:

Alle verschijnselen, die uit andere werelden tot uw wereld komen, zijn slechts de echo van een werkelijke gebeurtenis. Ze zijn nooit de gebeurtenis zelf.

Alle krachten, die uit een bepaalde wereld of sfeer naar u komen, kunnen worden vergeleken met een speeltuig, dat door kinderen een ogenblik over de schutting wordt gegooid. Het is iets dat terug moet naar die andere wereld. Wanneer u het behoudt, dan is het voor uw eigen wereld schadelijk.

U kunt niet van uit uw eigen wereld volbrengen in die andere wereld, tenzij u het eerst in uw eigen wereld realiseert. Daarom komen wij voor de problemen te staan van een mens die in verscheidene sferen gelijktijdig vertoeft en daardoor én in zijn eigen wereld én in die andere werelden voor anderen kenbaar wordt, zonder dat hij dit zelf beseft. Zijn handelingen, zijn werkzaamheden worden dan in de eigen wereld opgemerkt, maar hijzelf ziet daarin iets anders. Zou men zo iemand bv. door middel van helderziende waarnemingen willen aanspreken, dan is er een zeer grote moeilijkheid. Want men kan niet zeggen; “Ik heb u gezien” of “ik heb u gesproken” of “ik zag uw schim” of “hebt u aan mij gedacht?” Het is lang niet zeker dat dit het geval was. Mogelijkerwijze heeft het geheel zich afgespeeld in een andere wereld of sfeer en hebt u zelf daarvan geen herinneringen, of hebt u daaraan tijdelijk geen deel gehad. Alle verschijnselen, die van uit een andere wereld naar de uwe overkomen, moeten eerst in uw wereld gecontroleerd zijn. Zij moeten passen in uw eigen wereld. U moet ze omzetten in uw eigen stoffelijke werkelijkheid. Dan eerst krijgen ze elders gelding.

Nu is er echter een regel die zegt dat alles wat in de stof eenmaal is bevestigd (aan de hand van een gebeuren in verband met andere werelden), in die andere wereld blijvend is bevestigd; omdat door de in uw wereld geschapen werkelijkheid alle invloeden, die daarmee in verband staan, voortdurend kunnen terugkeren naar uw wereld en – zich beroepende op het daar eenmalig verschijnsel – volledige geldingskracht hebben. Op deze wijze is dus het contact met de naaste buren voor de mens soms verwarrend maar vaak ook vruchtbaar, want hij kan zeer vaak krachten lenen van een andere wereld, mits hij in zijn eigen wereld deze tot werkelijkheid weet te maken. Hij kan uit andere werelden weten, gegevens betrekken. Hij kan uit andere werelden vaak ook arbeid verkrijgen; de andere wereld kan voor hem werken. Maar er blijft de eis bestaan, dat de mens zelf, dit in zijn eigen wereld openbaart. Zolang dat niet het geval is, is elk verschijnsel voorbijgaand en kan het geen werkelijke invloed uitoefenen.

Indien wij echter te maken hebben met buren die verderaf wonen (nemen wij aan in een rij woningen ), dan is het duidelijk dat een geluid van bv. de derde buur rechts eerst de tweede en de eerste buur rechts moet passeren. Het is enigszins vervormd, het is niet zo duidelijk, niet zo kenbaar meer. Het kan echter wel van wereld tot wereld worden doorgegeven, maar dan moet het ook in elke wereld eerst kenbaar gemaakt zijn. En nu mag ik mijn voorbeeld misschien laten rusten.

Wanneer iemand uit een sfeer van lichtende kracht zich wil manifesteren in de menselijke wereld, dan zal hij allereerst zijn wezen moeten bevestigen en kenbaar maken in de wereld van vormen; daarna in een wereld, die met de menselijke wereld in verband staat, zoals Zomerland (dus in een bijna menselijke vormwereld), en daarna pas kan hij zich openbaren en uiten in uw eigen wereld.

Natuurlijk is dit voorbeeld niet helemaal juist. Want, mijne vrienden, vóór de huizen loopt een weg; daarachter liggen tuinen of velden. Door over de weg te gaan of langs de tuinen of de velden kan men dus ook, zonder de tussenliggende buren eerst in te schakelen, een bepaald huis bereiken.

Er zijn twee krachten in het Al, die het mogelijk maken om zonder met andere werelden in contact te komen direct van de hoogste tot desnoods de laagste wereld te gaan. En zo er nu maar de mogelijkheid is om een uiting te geven aan het “ik” (het wezen in die andere wereld) en die andere wereld daardoor dit wezen bevestigd, is het contact tot stand gebracht.

Hierbij zijn de moeilijkheden voor de mens over het algemeen de kwestie van de weg of het pad. Want een pad of een weg is voor de mens iets, dat hij alleen menselijk kan zien. Maar op zichzelf ligt het buiten zijn woning, buiten zijn sfeer, buiten zijn leven. De wei, die ik bv. het achterpad zou willen noemen, gaande langs tuinen en door velden, is het pad van de tijd. Door de tijd, die ergens ophoudt om “tijd” te zijn, kan elke sfeer elke andere sfeer bereiken. Maar zij kan zich daarbij niet specialiseren. Zij kan zich niet op één bepaald moment uitdrukken. Zij kan slechts een bepaalde era bestrijken. Als ik u een voorbeeld mag geven:

Uit de hoge werelden van licht wil men een kosmische levenskracht op uw wereld manifesteren. Dan kan men dit niet doen op één bepaalde dag. Men kan het hoogstens doen over een periode, die misschien zelfs honderd jaren omvat. Want men is niet in staat in de tijd zo fijn te kalibreren, dat men een precies tijdsmoment in een bepaalde wereld of sfeer bereikt.

Aan de andere kant hebben wij de weg, die wij harmonie of liefde noemen. Harmonie of liefde zal in elke wereld een enigszins andere betekenis en uitdrukking hebben, welke aan die wereld is aangepast. Maar de liefde of de harmonie zelf is een kracht, die alle werelden vereent. Wanneer hier in de harmonie iets wordt geprojecteerd en elders wordt die harmonie uitgedrukt, dan is de andere sfeer onmiddellijk en zonder tussenpersonen, in uw bestaan, in uw wereld verwerkelijkt.

Dan staan wij hier dus voor de grote moeilijkheid, dat het wel eenvoudig is om de directe uitingen van de buren (van de aangrenzende sferen) in je eigen wereld te kennen, maar dat het steeds moeilijker wordt om verderaf liggende sferen te ondergaan. Want hoe verderaf de sfeer ligt, hoe concreter de uiting zal moeten zijn in verband met deze harmonie en natuurlijk in verband met de kracht in de eigen wereld. En dit concrete verliest dan de kenbaarheid. Het is niet meer een geluid dat tot ons overkomt, het is een wereld of sfeer, die wij eigenlijk niet kunnen erkennen, die zich toch in ons of rond ons openbaart, waaruit wij zekere impulsen en zekere leiding ontvangen. Wij kunnen dan proberen op onze eigen wijze deze leiding om te zetten in stoffelijke praktijk. Maar wij hadden een praktijk nodig om te beginnen. Elke volgende praktijk is overbodig. De kracht is er. En wanneer zij eenmaal is geschapen, behoeven wij haar niet nogmaals te bevestigen. Een eenmalige bevestiging is voldoende om de andere sfeer langs deze weg voortdurend tot ons te laten komen.

Op deze wijze was het dus voor de Boeddha voldoende om zijn leringen te geven en zich daarna terug te trekken, om alle krachten uit de hoge wereld, die hij eens openbaarde, te allen tijde tot de wereld toegang te geven. Op deze wijze kan de christen zeggen dat de dood en de wederopstanding van Jezus voldoende is om tot in eeuwigheid die zelfde kracht in zijn wereld kenbaar te maken. Dit is volledig juist. Maar alleen indien deze kracht wordt erkend. En die kracht wordt zelden erkend.

Wanneer u moet proberen een onzichtbaar wezen te vangen, waarvan het bestaan u niet eens helemaal duidelijk is, laat staan de wijze van werken, van bewegen, zijn mogelijkheden, dan staat u voor een zeer moeilijke opgave. Wanneer u de Christuskracht of de grote rust, de vrede van de Boeddha wilt ontvangen in uw eigen wereld, dan staat gij tegenover iets dat voor u onzichtbaar is. En deze onzichtbaarheid kunnen wij alleen verminderen, wanneer wij in de plaats van het direct-kennen, het ontvangen, de vrijwillige aanvaarding van het ongekende zetten. Want nu kan het ongekende, het onzichtbare ons benaderen. En dan weten wij alleen dat wij zijn beroerd, maar niet door wie of wat. Wij kunnen slechts aan de hand van deze beroering rond ons tasten om zo de vorm vast te stellen van hetgeen zich aan ons openbaart.

Op grond hiervan zijn langzaam maar zeker een aantal procedures ontstaan. Zo bestaat er een bepaalde trilling voor een bepaalde sfeer. Die trilling is vaak een geluidstrilling; soms is het ook een trilling, die op andere wijze tot stand wordt gebracht. In enkele gevallen is het een emotie. In andere gevallen zal het eerder een vorm van concentratie, een gedachte-uitstraling zijn. Altijd weer zal het uitzenden van de juiste trilling betekenen – mits de juiste gesteldheid aanwezig is – dat wat onzichtbaar was tijdelijk zichtbaar wordt. Een onzichtbaar wezen kunt u zichtbaar maken door er bv. rook omheen te blazen. Waar de rook niet is, daar is het onzichtbare wezen. Het tekent zijn vorm af door het contrast met de omgeving. Op dezelfde wijze is het kenbaar maken van onzichtbare krachten in uw eigen wereld dus een kwestie van contrastwerking. U moet er a.h.w. iets omheen scheppen, dat niet de kracht zelf is, maar wat het mogelijk maakt die kracht te kennen. Is het voorstellingsvermogen eenmaal gewekt, is er een innerlijke aanvaarding van die kracht aanwezig, dan pas is het contact tot stand gekomen.

Zo mogen wij dus stellen, dat wanneer de Meesters, de grote krachten, de wereld benaderen, zij voor de doorsnee‑mens onzichtbaar en onmerkbaar zijn. Slechts de mens, die door zijn eigen gedrag of door het gebruik van de daarvoor bestemde procedure, die krachten voor zich kenbaar maakt, zal in staat zijn ze volledig te erkennen. Door die erkenning is een directe samenwerking, een contact mogelijk, en is de entiteit, de kracht, die eigenlijk tot een andere wereld behoorde, nu een direct en voor u hanteerbaar deel geworden van uw eigen wereld. Maar vergeet niet, dat diezelfde kracht voor alle anderen onzichtbaar blijft. Zij krijgt voor de mensen rond u niet het karakter van een onzichtbare, die kenbaar wordt, maar het lijkt een extra eigenschap te zijn, die aan uw eigen wezen is toegevoegd.

Op deze wijze gaat dus de gehele wereld voortdurend langs de werkelijkheid van hogere sferen, die in haar bestaan.

Nu zijn er op het ogenblik een groot aantal z.g. hogere sferen die met uw wereld contact zoeken. Zij zoeken dit contact, omdat zij menen een taak te vervullen. Men weet, dat het bij de buurman thuis niet goed gaat en men zou willen helpen om het huis op te ruimen. Maar daarvoor is het nodig dat buurman zegt, ten eerste: “Ik wil geholpen worden”, ten tweede: “Ik erken dat gij mij wilt helpen” ten derde: dat hij deze hulp voor zichzelf kenbaar maakt. En dit is heel moeilijk. Want de grote krachten, die op deze wereld zijn, hebben een middel, een procedure nodig, waardoor zij zich kunnen manifesteren. Die procedure kan dus een geluidstrilling zijn, zij kan ook een handeling of een vorm van meditatie of concentratie zijn. Dit is niet voor elke kracht hetzelfde. Wij kunnen dus niet met bv. meditatie alle krachten uit andere werelden kenbaar maken, maar alleen van die werelden, die harmonisch zijn met de gedichtentrilling, ontstaande bij de concentratie. Wij kunnen niet alle werelden met zuiver stoffelijke daden kenbaar maken, maar alleen die sferen, die voor bepaalde emotionele uitstralingen of voor bepaalde handelingskrachten gevoelig zijn. Wij kunnen ook niet elke wereld oproepen met de trilling van het geluid.

In de oudheid heeft men dit erkend. En daardoor zijn o.m. die rituele dansen, de rituele gebaren, enz. ontstaan. Men heeft toen de kracht van de handeling en van het woord gevonden (de offersdans en wat daarmee verder samenhangt; daarnaast de incantatie, de aanroeping).

Een derde weg, de weg der gedachte-uitstraling, werd slechts door enkele wijzen gevolgd. Deze wijzen hebben altijd wel een contact kunnen maken met hogere sferen. Maar nu komen die andere werelden niet alleen meer tot u in deze directe vorm, maar zij proberen daarnaast een benadering, waarbij zij van huis tot huis gaan. Zij worden dus van sfeer tot sfeer uitgedrukt; in elke sfeer worden zij eerst werkelijk, voordat zij weer verder kunnen gaan. In deze zin kan worden gezegd dat de krachten, die op het ogenblik rond deze aarde aanwezig zijn en die zich reeds in sterke mate tot u proberen te wenden, in steeds grotere schare en in steeds grotere mate kenbaar zullen worden, naarmate zij erin zijn geslaagd zich eerst te verwezenlijken in dichterbij liggende sferen.

De Groot-krachten, die deze weg altijd hebben gevolgd (waaronder Boeddha, Mohammed, Jezus, Kong-fu-tze, Lao-tze en nog enkele anderen) zijn hierbij de pioniers. Zij zijn de krachten, die onmiddellijk op deze wereld werkzaam zijn, ook nu. De anderen zijn meer schaduwachtig. U moet hen eerst zelf leren erkennen en definiëren.

Nu lijkt het eenvoudig te zeggen: Stel u dan in op Jezus, op Boeddha, Kong-fu-tze, Lao-tze, de grote Meesters die de aarde nog steeds beroeren. Maar dezen vertegenwoordigen niet het geheel. Zij zijn niet de gehele scala van de Kracht die zich hier ontlaadt. Zij zijn slechts een betrekkelijk klein deel ervan. Zij geven op het ogenblik een voor de mens kenbare uitdrukking eraan. Dat is hun grote betekenis en waarde. Maar zij geven niet de volledige uitdrukking ervan.

Indien u dit alles begrijpt, dan zult u ook beseffen, dat wij nimmer moeten uitgaan van alleen één bepaalde Meester met eventueel zijn leerlingen, zijn helpers of volgelingen, of van de Meesters, die zich op een bepaalde manier manifesteren. Wij moeten uitgaan van de totale kosmische Kracht.

Uitgaan van de totale kosmische Kracht wil zeggen: uitgaan van het onbekende. Dat wil zeggen: experimenteren om ergens het onbekende, dat aanwezig is maar dat voor de mens niet kenbaar is, door het contrast kenbaar te maken. Het leven van de mens moet in deze dagen gericht zijn op het erkennen van steeds meer levende en hoge krachten, zonder daarbij de eigen wereld te verlaten. Niet: u gaat ergens anders die kracht zoeken, dat moogt u alleen doen in noodgevallen. Maar: u moet erkennen wat zich in uw eigen wereld op het ogenblik probeert kenbaar te maken. En dan zult u tot uw grote verbazing ontdekken, dat in uw hele leven een bepaalde lijn ligt. Want wie eenmaal begint met een bepaalde Meester te erkennen en daarbij stilstaat, leeft onevenwichtig; die heeft geen werkelijke vrede. Hij weet niet welke wegen hij moet gaan. Hij wordt op bepaalde punten geremd; of hij weet de juiste weg niet te vinden. Maar degene, die ook naar het onzichtbare durft grijpen, die durft proberen dit kenbaar te maken, zal ontdekken dat elke uiting van die grote kracht door een bepaalde Meester of een bepaalde sfeer wordt gecompenseerd door een andere. Deze kracht is niet een vergroting van innerlijke spanningen, zij is in wezen een vergroting van potentie, van mogelijkheid. En het is dit wat voor de wereld noodzakelijk is.

Het is voor u in deze dagen niet belangrijk, dat u precies weet wat Meester Jezus vertelt; of dat u precies weet hoe de weg van de Boeddha is. Belangrijk voor u is, dat u evenwicht vindt in uzelf; dat u dit evenwicht niet baseert op de uiterlijke feiten alleen, maar dat u erkent dat alle uiterlijkheden alleen maar dienen om die evenwichtige kracht voor u regel te maken. En deze realiteit, mijne vrienden, is dan gebonden aan een groot aantal verschillende wegen en verschijnselen, dat ben ik met u eens.

U kunt dus niet eenzijdig streven. U kunt niet zeggen: alleen in de meditatie vind ik mijn kracht. U kunt niet zeggen: alleen in de stoffelijke handeling vind ik mijn kracht. Of: alleen uit de openbaring verwerf ik mijn kracht. Of: uit de magie geef ik en ontvang ik mijn kracht. Want een ieder, die eenzijdig is, heeft wel een deel van die werkelijkheid of van die kracht, maar hij kan het grootste gedeelte niet bereiken. En daardoor zal het voor hem zijn of die grote macht zich tégen hem keert.

U kunt een zeer goed mens zijn. U kunt proberen anderen te helpen, om goed te doen. U kunt alles doen om een medemens gelukkiger te maken; en toch loopt het telkens tegen, toch wil dit telkens niet meer gaan. U denkt misschien: dit is de fout van de mensen! Neen, het is de fout van uw wijze van helpen. Uw wijze van helpen is goed, maar zij is eenzijdig gebaseerd. Uw opvattingen, uw denken bij dit helpen, uw realisatie, ze zijn niet voldoende geweest.

U wilt de wereld zoveel geven. De wereld antwoordt u niet meer; of de wereld antwoordt onverschillig; of de wereld wijst u af. U zult zeggen: dat is dan misschien mijn fout of het is de fout van de wereld. Neen, u hebt u te eenzijdig gebaseerd. En in uw eenzijdigheid hebt u een groot gedeelte van die kracht tegen gekregen. Want u wilt met het weinige dat u hebt het geheel overvleugelen. En dat kan niet.

Zo zal elke mens in deze dagen moeten zoeken naar een contact met de levende krachten rond hem, door in de eerste plaats te leren: de juiste vorm van concentratie. In de tweede plaats: de juiste handeling, het juiste symbool of de juiste rite. In de derde plaats: het gebruik van de juiste trilling, van de juiste incantatie. Wanneer hij deze drie beheerst en gezamenlijk weet te gebruiken, dan zal hij de grootste krachten, die op aarde zijn en die voor hem kenbaar of ervaren kunnen worden, gezamenlijk in zich dragen; niet afzonderlijk en daardoor voor hem als gedeeld en misschien zelfs strijdig.

Alle dingen zijn één. Alle dingen voeren tot één doel. Alle dingen zijn tezamen de levende kracht.

En dan kunt u zeggen: Ik dank u. Maar u kunt niet danken. U kunt alleen leven of niet leven. U kunt zeggen: Heer, geef mij die kracht. Maar u kunt niet roepen om kracht. U kunt slechts deel zijn van kracht. U kunt niet zeggen: Geef mij alleen in dit deel van mijn leven een taak of een werk. Het moet steeds het geheel zijn. Alleen in het geheel kunt u werken. Maar indien u in staat bent om dit geheel voor uzelf te verwerkelijken op een juiste, op een aanvaardbare manier, op een wijze, waardoor uw meditatie en concentratie, uw handeling, uw incantatie, niet met elkaar in strijd zijn maar één geheel kunnen vormen, dan hebt u ook de grenzen weggehaald, dan bent u in contact met alle krachten. U bent in direct contact met uw buren, met de werelden die dicht bij u liggen. Wat meer is: u leert met uw geest uitreiken naar werelden die verder weg zijn. En dan behoeft u niet meer te dreigen; dan hebt u geen wapen nodig; dan behoeft u niet te verlangen en te hunkeren. Dan kunt u zeggen: In mijzelf ben ik, en zijnde vind ik vrede. Dan groet u het Al en het Al groet u.

U zult begrijpen dat de Meesters, die in deze dagen optreden en die ook ik tracht te dienen, vele moeilijkheden ervaren, juist door deze vreemde verdeeldheid. Niet iedereen zal precies begrijpen wat ik wil zeggen. Niet iedereen zal begrijpen waar het om gaat. Maar ik mag niet méér zeggen dan ik nu doe. Indien u echter beseft, dat alle dingen naast elkaar nodig zijn (en dan niet als afzonderlijke waarden maar als dingen die in elkaar kunnen overvloeien), dan pas komt u in deze dagen waar u wezen moet. Want in deze tijd is er grote kracht, een levende kracht.

Het is in deze dagen niet moeilijk die kracht manifest te maken, om haar te doen rondwervelen en haar te doen zijn: een licht. Het is niet moeilijk voor iemand, die in die werelden leeft en ze kent. Maar voor u is het vaak moeilijk. En toch heeft u meer behoefte aan die kracht dan degenen die haar zo gemakkelijk kunnen openbaren. Die anderen hebben misschien meer behoefte aan uw medewerking dan u aan de hunne, dat is ook waar. De Meesters willen de kracht, die op het ogenblik op aarde is, niet alleen maar zien als een vergroting van werkzaamheid en vitaliteit. Zij willen dit zien als het bouwen van een weg der harmonie, waaruit de hoogste sfeer voortdurend met uw wereld en met alle omliggende werelden kan spreken, kan zegenen, ze kan doen rusten.

Zo ligt dan voor u vandaag het probleem. U zult dus moeten nadenken over de vraag in hoeverre voor u meditatie, incantatie en handeling kunnen samenvloeien tot één geheel. Hoe u een aangevoelde harmonie kunt uitdrukken. Hoe u eeuwigheid kunt uitdrukken in uw tijd. En zoals altijd zal de mens zeggen: Goed, zeg mij welke weg te gaan en ik zal haar gaan. Maar wanneer u wordt gezegd welke weg te gaan, dan is het geen weg meer. U kunt niet leven naar de regels die uit een andere wereld komen. U kunt de regels van uw eigen leven echter wel zo omsmeden, dat de andere wereld zich daarin uit. Het is alsof u vraagt aan de vissen om ijzer te smeden onder water. De zeegoden kunnen dat, maar de vissen niet. U vraagt aan de geest om uw stof te smeden. Maar zij leeft in een wereld, waarin die stof niet bestaat en waarin die stof niet kan worden gehanteerd. Ja, die stof kan misschien een klein beetje worden gewijzigd, maar dat is alles. En dan vraagt dat enorm veel kracht. Terwijl u beschikt over de smidse van de wereld. Bij u is alles te hanteren. En omdat u alles kunt hanteren, kunt u werken met die kracht. U kunt a.h.w. vervaardigen.

De geest kan echter niet de opdracht geven om te vervaardigen – zelfs indien zij aan u is gebonden – doordat zij zich heeft gewijd aan uw, of heeft geleefd op uw wereld. Zij kan u niet de opdracht geven die juist is. Want zij heeft niet het vuur van het stoffelijk ervaren, van het stoffelijk denken, van de materiële emotie. Zij is slechts beperkt in staat om de incantatie te gebruiken, die door u zo eenvoudig kan worden gesproken en kan worden voortgebracht. Daarom moet u het zijn die het werktuig maakt. U bent het, die – wat de geest rond u brengt -moet ontvangen.

Ik weet dat dit een groot probleem is. En ik kan mij voorstellen dat u haast moedeloos zegt: Is dit dan de onbekende weg? Moeten wij dan gaan zonder te weten waarheen of hoe? Wij weten niet eens of die gevaarlijk is of niet, of we hem mogen gaan of niet mogen gaan. Wij weten niets; wij moeten gaan.

En dan is het antwoord: Ja, gij moet gaan. Men kan u heus wel enige aanwijzingen geven. Men kan voorkomen dat u in een diep ravijn stort. Men kan u, indien u dwaalt, weer op de goede weg brengen. Maar men kan u niet het geheel geven als een uitgewerkt schema; want u bent het zelf, die met uzelf werkt en niemand anders. Degenen die de krachten, die op het ogenblik bij u in de gehele wereld tot uiting komen, willen maken tot iets waaruit zij direct kunnen leven, waarmee zij direct kunnen werken zonder eenzijdigheid, zonder strijd, volledig, zullen mijn woorden goed moeten overdenken. Want ik heb u hier de sleutel gegeven van deze kracht. En dat deze kracht er is, dat hebt u, mijne vrienden, meermalen kunnen ervaren.

Wanneer wij hier op het ogenblik samen zijn, kan ik voor een deel ook die kracht uitdrukken. En u kunt die kracht ten dele absorberen. Maar blijvend kunt u haar eerst uit uzelf maken. U kunt die kracht zelf bezitten; of u kunt haar soms ontvangen van een ander, wetend dat zij vergaat als het schijngoud, dat ‑ eens gemaakt ‑ voor het zonlicht weer verbleekt. De kracht, u gegeven, verbleekt voor de werkelijkheid van uw leven. Ze zegt u wat kan zijn, maar zij is geen blijvend bezit. Laat mij dan trachten als besluit van deze bijeenkomst u iets van dat vliedend goud te geven, omdat ik u erbij heb gezegd, dat u het tot uw eigendom kunt maken. Ja, dat u het goud der lichtende kracht zelf kunt leren putten uit de onmetelijke Bron. Dat u de gehele kracht, die in deze tijd bestaat, zelf in u kunt ervaren en zelf van uit u kunt verwerken.

Drie zijn de krachten.
Dat de kracht van het licht hen beroere, die de kracht van het licht kunnen ontvangen.
Dat de energie van de kosmos hen beroere, die in staat zijn die energie te ontvangen.
Dat de kracht der harmonie, die alle werelden vereent, voor een ogenblik kenbaar moge worden voor hen, die deze kracht in zich kunnen ontvangen, deze harmonie van uit zich kunnen beloven.

Drie zijn de krachten, die op het ogenblik uw wereld hoofdzakelijk beroeren.
Dat het u gegeven moge zijn uit de leringen, die u nog gegeven worden en uit mijn onvolmaakte woorden, deze drie krachten in uzelf werkzaam te maken, opdat u mag dragen het lichtende teken van deze tijd en mag vervullen het lot van de bewuste mensheid.