Moderne leringen uit oude oosterse filosofie

24 februari 1961

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Wij verwachten, dat u zelfstandig na zult denken over alles, wat wordt besproken. Mijn onderwerp voor heden luidt: Moderne leringen uit oude oosterse filosofie.

De oosterse filosofie is ouder dan de bekende westerse filosofieën en denkwijzen. Zij is zeker ouder dan het christendom en zeer waarschijnlijk zelfs ouder dan alle grotere georganiseerde godsdiensten. De oude Indische filosofen baseerden zich bij hun stellingen op het erkennen van gelijkwaardigheid of evenwichtigheid in stoffen en metalen, later astrologie en voor alles: de bezieling van de natuur. Hierdoor lijkt het, dat deze filosofie voor deze tijd niet veel te zeggen kan hebben. Wanneer wij nagaan, tot welke, verbluffende conclusies men reeds in het verre verleden wist te komen, rijst de vraag, of wij hier van oud, dan wel van tijdloos moeten spreken. In deze leringen en uitspraken waart een moderne geest rond, die hen ook voor uw tijd toepasselijk maakt. Wel vraagt zij een herwaardering van vele waarden, die u kent, maar is in overeenstemming met vele geestelijke en haast alle materiële ontwikkelingen, die u kunt constateren op aarde.

Nemen wij als voorbeeld een bekend gezegde: “De blinde droomt een wereld, die schoner is, naarmate hijzelf blijmoediger blijft. Hij, die zien kan en bedroefd is, woont echter blijvend in een hel.” Deze spreuk heeft overigens een dubbele betekenis. Wanneer je blind bent, maar het leven blijmoedig opneemt, biedt dit leven je zoveel goeds, dat je vrolijk kunt zijn. Wanneer je droefgeestig bent, zal het schone, wat de wereld je kan bieden, je veelal niet troosten of helpen, maar eerder kwetsen door de tegenstelling met je eigen wezen.

Om de tweede betekenis, die de belangrijkste is, te kunnen begrijpen, dient men te beseffen, hoe men in de dagen, dat deze uitspraak werd gedaan, dacht. De blindheid, waarover de denker spreekt, is niet in de eerste plaats de stoffelijke blindheid, ook al kwam in zijn dagen blindheid door trachoom veel voor. Men was aan de stoffelijke blindheid zo gewend, dat men deze haast niet meer opmerkte. Belangrijker was de geestelijke blindheid. Wie geestelijk blind is voor de waarheid, maar toch gelukkig weet te zijn, leeft nog in een wereld, die voor hem goed is. Wie de waarheid ziet, wetend en bewust, maar in droefgeestigheid leeft, leeft in een zelfgeschapen hel. Harmonisch leven was in de ogen van de Indische wijsgeren een van de belangrijkste dingen. Zij stelden dan ook in feite dat de mens, die de kosmische waarheid niet ziet, zal – indien hij slechts gelukkig weet te zijn – vanuit een geestelijk standpunt veel beter leven dan een bewuste, die door zijn droefgeestigheid en het verwerpen van de wereld, negatief gaat handelen.

Dit lesje uit de oudheid lijkt mij in het bijzonder voor de moderne jeugd toepasselijk. Een negativisme, in welke richting dit zich ook uit, elke ontkenning van de zin van het leven, of het ontkennen van eigen band met het leven, betekent altijd een duister en ongelukkig bestaan, dat nergens door goedgemaakt kan worden. Het is beter een dwaas te zijn, maar tenminste evenwichtig te leven, want dan zul je in het leven tenminste nog iets goeds vinden en er dus ook iets goeds uit mee kunnen nemen.

Overigens kan ik mij voorstellen, dat niet ieder het er mee eens zal zijn, wanneer ik dit zo stel. Men doet immers alles, wat men maar kan om bewust en meer ziende te worden. Dit “ziende worden” mag men – en dit vergeet men wel eens – niet als een stoffelijk Weten omschrijven. Dit “ziende worden” heeft men in de oudheid vele malen omschreven. Een van de duidelijkste omschrijvingen luidt: “Leren zien betekent allereerst: weten, wie je bent in het oog der Goden. Gelukkig zijn met wat je bent. Daardoor wordt je machtiger dan de Goden, daar dezen het geluk van een mens, die zichzelf kent, niet kunnen verstoren”. Vroeger ging men van het standpunt uit, dat men niet noodzakelijkerwijze van alles het fijne diende te weten. De geestelijke persoonlijkheid is het enige ware aan de mens, zodat dit meer telt dan alle stoffelijke mogelijkheden, bereikingen en verschijnselen.

Wanneer men begint de werkelijkheid van het leven te beseffen, dient men ook te beseffen, wie men zelf is, waar men thuis hoort. De mens dient te begrijpen dat hij een taak heeft in die wereld. Volgens de denkers was de taak op zichzelf onbelangrijk. Je kunt nooit zo belangrijk worden, dat de wereld, of zelfs maar een deel daarvan, geheel om jou draait. Door de taak te vervullen, krijg je een zo grote innerlijke vrede, een zo groot innerlijk licht, dat geen enkele kracht buiten het groot Goddelijke Zelf je aan kan tasten in leven en geluk. Alle Goden, alle machten, die rond jou maar kunnen bestaan, zullen in dit geval dus niet in staat zijn je eigen wezen aan te tasten.

Ook deze les kan menigeen in uw dagen zich ter harte nemen. Want wanneer u in deze rumoerige wereld de werkelijkheid probeert te zien, wordt u zich uw eigen onbelangrijkheid vanzelf wel bewust. Dit blijkt wel uit de vragen, die men ons pleegt te stellen, wanneer wij over het wereldgebeuren spreken. Haast allen zeggen ons dan: “Wat kunnen wij hier aan doen? Wij zijn zo machteloos, zo klein!” Indien u de gedachten van de oude denkers begrijpt, zult u beseffen, dat het hierom niet gaat. Belangrijk is, dat u juist handelt en in dit juiste handelen de bevrediging voor eigen wezen vindt. Dit klinkt misschien egoïstischer dan de moderne stelling dat je moet leven voor je naasten. Wanneer je voor je naasten leeft en alles doet om hun geluk groter te maken, is hun geluk ook het jouwe. Al is de benadering van het probleem wat anders, de stelling blijft aanvaardbaar.

Ten laatste geldt nog: wanneer je in jezelf het besef hebt, dat je goed handelt, doet, leeft, kan niets en niemand je innerlijke vrede breken. Je bent dan innerlijk voortdurend met je God verbonden, waardoor de uiterlijke verschijnselen in het niet zullen vallen in vergelijking met de innerlijke vrede, die je geniet. Dit blijft gelden, ook wanneer u aan de wereldpolitiek niets kunt doen en niets kunt veranderen aan de vele rampen die overal ter wereld plaats vinden, of de mensen, die in uw ogen zo dwaas zijn, niet tot een juiste overtuiging kunt brengen. Het feit, dat men beseft onbelangrijk te zijn, doch een taak te hebben, houdt ook in, dat alleen het vervullen van die taak naar beste weten en kunnen het enige doel wordt van het bestaan. Ook wanneer dit alles geen enkele kenbare betekenis heeft, is het vervullen van eigen bestaansdoel het enige, waar het op aankomt. Wanneer men dit doel vervult, kent men als het ware God in zich, wat gelijk staat aan de grootste, op aarde bereikbare innerlijke vrede.

Ook voor de moderne wetenschap en de gedachtegangen, die daaruit voort kunnen komen, treffen wij al in de oudheid parallellen aan. Wel zal men even naar de overeenkomst moeten zoeken, maar heeft men het uitgangspunt eenmaal gevonden, dan is de overeenkomst onloochenbaar. Zo stelt een denker in de oudheid: “De mens is een dier, maar dan met een ziel… Het Al, waarin wij leven, is ook een dier, ook daarin is een ziel. Maar binnen dit Al leven wij. Vandaar dat de ziel van het Al de enige kracht is, die het diepste wezen van de mens beroeren kan en hiertoe kan spreken”. Modern gezegd klinkt dit zo: Het Al bestaat uit atomen en andere kleinste delen. Deze delen hebben een momentum, ontstaan door een explosie van het oeratoom. De mens is uit dezelfde kleinste delen en samengestelde elementen gebouwd, die ook in het Al voorkomen. In de mens speelt zich, evenals in het Al, voortdurend een proces van wording, verandering en verval af. Mens en Al zijn hierin gelijk. In de mens woont iets, wat hij niet helemaal kan definiëren binnen de termen van atomen, velden en stromen. Dit noemt hij geest en ziel. Wanneer dit in u leeft, zo zal dit analoog ook in het Al kunnen bestaan. Daarom gelooft de mens in een God.

De magische analogieën, die in de oudheid zo vaak gebruikt werden, blijken ook in het heden nog hun nut te hebben. Het gebruiken van en geloven aan magische analogieën geeft het aanzijn aan de gelijkenis. Een voorbeeld hiervan is het volgende verhaal. Een man weet niet, wat hij moet doen, of welk besluit hij zal nemen. Hij gaat uit om een teken te zoeken. Hij handelt hierbij als de moderne mens, die geen beslissing weet te treffen en blijft wachten, tot er iets gebeurt, dat hem het treffen van een beslissing gemakkelijker zal maken. Onderweg treft hij een man, die twee vruchtbomen – zijn enige bezit – met veel te weinig mest aan het verzorgen is. Deze man gaf aan beide bomen de helft van de mest. De bezoeker merkte op: “Wanneer u beide bomen zo weinig mest geeft, zullen zij beide weinig vruchten geven. Waarom neemt u niet één boom, en geeft u die alle mest? Dan hebt u tenminste één boom, die een goede opbrengst zal geven”. De boer antwoordt: “Dit jaar zal het jaar waarschijnlijk slecht en de oogst arm zijn. Indien ik één goede boom heb, maar deze door de storm wordt geveld, of door de bliksem wordt getroffen, zal ik niets meer bezitten en van honger omkomen. Wanneer ik twee bomen heb, die matig dragen, zal ik wel met minder genoegen moeten nemen, maar is de mogelijkheid groter, dat tenminste één van hen mij behouden blijft, zodat ik niet hoef om te komen. Zo vergroot ik de mogelijkheid in leven te blijven door te verdelen”.

De zoeker beschouwde dit als een teken en keerde reeds naar huis terug, toen hij een vrouw met twee geiten zag. Dezen vormden haar enige bezit. Nu gaf zij een van beide geiten veel voedsel, terwijl het andere dier slechts een weinig kreeg. Op een vraag vertelde het vrouwtje, dat het een slecht jaar was, want alle gras was door de hitte verbrand. Nu gaf zij de beste geit haast alle voedsel, zodat deze tenminste gezond zou blijven en melk zou blijven geven. De zoeker dacht aan hetgeen hij bij de bomen zo-even had gezien en meende: “Wanneer u beide geiten evenveel voedsel zou geven, zou er kans zijn, dat beiden de zomer en winter overleven. Nu is het wel zeker, dat uw slechtste geit zal sterven”. Het vrouwtje antwoordde: “Indien ik beide dieren evenveel voedsel geef, komen beiden te kort en bestaat het gevaar, dat beiden sterven. Geen van beiden zal mij dan melk geven. Door één voldoende voedsel te geven, ben ik er zeker van, dat deze in leven zal blijven en mij melk zal blijven verschaffen voor mijn voeding. Zodra het andere dier te mager wordt en geen melk meer geeft, zal ik het slachten en met het vlees mij ook nog enige tijd kunnen voeden”.

De zoeker wist nu nog niet, welk van beide voorvallen het juiste teken was, zodat hij niet tot een beslissing kwam. Hier maakte hij zijn fout. In deze gelijkenis komen ook nu bestaande waarden naar voren: de zoeker ziet het verschil niet tussen bomen en geiten. Hij wil elke regel voor alles gelijkelijk van toepassing verklaren. Erkennende, dat beide voortekenen logisch zijn, zoekt hij niet naar een voor hem juiste weg, maar besluit af te wachten. Hierdoor ontgaat hem de mogelijkheid voor zich het juiste te doen en zijn doel te bereiken.

Modern zou je een dergelijk verhaal kunnen vertellen: Er waren eens twee landen, die beiden de vrede zochten. Beide zochten naar de raad van Goden en wijzen. Nu werd hen door sommigen gezegd: “Bewapen u met zo machtig mogelijke wapens, dan zal niemand u aan durven vallen en zo zal de vrede behouden blijven”. Andere raadgevers stelden: “De grootste macht is niet in het geweld gelegen, doch in de eerbied en genegenheid, die men in de wereld weet te verwerven. Tracht dus de genegenheid van de volkeren der wereld te verwerven”. Beide staten meenden, dat beide raadgevingen waar zijn. Daarom trachtten zij zich gelijktijdig te bewapenen en door hulp aan anderen de wereldvrede te kopen. Maar zij, die de hulp der beide landen ontvingen, spraken: “Men doet, alsof men ons helpen wil, maar gemeend is het niet, want de beide staten bewapenen zich met wapens, die ook voor ons gevaarlijk zullen blijven. Wanneer de tegenstander van een van deze rijken zag, hoe zeer men zich bemoeide om vrede te kopen en de achting der volkeren te verwerven, zo meende deze: “Die wapens zullen wel niet echt zijn, de dreigingen zijn bluf. Want wie een macht bezit als mijn tegenstander voorgeeft te bezitten, zal geen aanzien willen kopen, maar het afdwingen. Uit zijn zoeken naar genegenheid en achting in de wereld blijkt wel, dat hij van eigen macht niet overtuigd is”.

Dit nu geschiedde in het jaar 1961 onzes Heren. U zult, naar ik meen, wel inzien, dat de gelijkenis voor de moderne politiek duidelijk is en zin heeft. Zij is dit ook voor de moderne mens. De mens van heden beseft, dat hij, om hetgeen hij in deze wereld verworven meent te hebben, offers zal moeten brengen. Daarnaast meent hij macht te bezitten. Zo neemt hij enerzijds genoegen met voorwaarden, die zekerheid bieden, maar zijn eigen mogelijkheden beperken. Verblind door zijn macht gaat hij anderzijds voorwaarden stellen, die toch weer de begeerde zekerheid aantasten. Kortom: men erkent vele mogelijkheden in het heden, maar is niet geneigd zijn eigen persoonlijkheid tot een van die mogelijkheden te beperken en eigen leven en wezen daarop geheel te baseren. Zelfs in het dagelijkse leven vinden wij hetzelfde. Mensen wensen iets te bereiken, maar doen daarom van andere wensen geen afstand. Hoe juist is dan niet de uitspraak van een oude wijze, die uitroept: “Mens, hoe dwaas zijt gij, waar gij uzelf vereenzelvigt met uw gewoonten en daardoor uzelf bestrijdt, terwijl gij meent uw eigen belangen te verdedigen… ” Een mens moet weten te kiezen, leren te zijn, wat in hem leeft, leren te leven, zoals het voor hem noodzakelijk is. Niet alleen stoffelijk, maar vooral ook geestelijk geldt dit. Daarbij bedenke men steeds, dat het niet mogelijk is een koek te behouden en haar gelijktijdig te eten.

De oude denkers brachten in hun beelden over de gevolgen van deze verlangens nogal eens de hellesferen te pas. Overigens is opvallend, dat deze hellesferen overeenkomen met veel, wat de proefpersonen van kunstmatig opgewekte krankzinnigheid in deze dagen als ervaringen noemen. Voorbeelden hiervan zijn o.m.: het krimpen van de ruimte, waarin men zich bevindt, vervorming van alles, wat rond je is, tot de meest gedrochtelijke vormen enz. Indien wij aan moeten nemen, dat hier alleen over geestelijke sferen gesproken wordt, volgt dus de vraag, of men de ervaringen van psychopaten tot deel van een godsdienst heeft gemaakt. Uit vele citaten blijkt, dat men reeds in de oudheid de hel zocht in de mens zelf. Even voor Christus geboorte geeft een abt lering aan zijn kloosterlingen en stelt: “Gij begeert de hemelen en vreest de hellesferen. Ik weet, dat velen onder u de wetsregel slechts dan volgen, wanneer zij menen daardoor aan helse straffen te ontkomen, of groot geluk te zullen verwerven. Uit de waarheid, die mij gegeven is, zeg ik u: er bestaat geen hel buiten u. Slechts in u leeft zij. Telkenmale wanneer gij u van onrecht bewust zijt, schept gij een nieuwe hel in uzelf, die zal blijven bestaan, tot gij het onrecht hebt uitgewist. Zo raad ik u: leer geen onrecht te kennen in het leven. Doe al, wat gij doet, als recht”. Op het eerste gehoor is deze lering wat dubieus. Men zou haar namelijk kunnen verstaan als: leer alles, wat je begeert, ook het kwade, goed te noemen. Je komt dan niet met jezelf in strijd, zodat geen ervaren van een hel hierdoor mogelijk wordt.

Nu weten wij tegenwoordig wel, dat de werkelijke hel inderdaad in de eerste plaats in de mens gelegen moet zijn. Daarnaast beseffen wij, dat men iets niet als onrecht zal gevoelen, indien het een natuurlijk deel van eigen wezen en lotsbestemming uitmaakt. Alleen zo komt men niet in strijd met hetgeen voor het Ik Goddelijk en juist is. Zodra men iets erkent als niet in overeen- stemming zijnde met eigen wezen, is het voor het Ik kwaad. Men kan dit niet wegpraten, voor zover het de innerlijke wereld betreft. De leer moet dan ook worden gesteld: leer, dat alle dingen goed zijn, wanneer je ze op de juiste wijze beleefd en daarbij jezelf niet verloochent. Naar ik meen is een deel van deze leer tot uw dagen doorgedrongen en komt dit nog niet openlijk erkende besef tot uiting in veranderingen van leefwijze, gewoonten en zeden. Voorbeelden daarvan vinden wij in het gedrag en de leefwijze van de jongeren in de USA, maar ook in Nederland, de jonge Kibboetsiem in Israël enz. Soortgelijke opvattingen worden ook in Rusland, China e.d. aangetroffen en vaak zelfs nog aangemoedigd. Er is hier sprake van een beginnende, maar uiteindelijk totale, verandering van zeden. Vreemd genoeg ervaren deze mensen de verandering van maatstaf niet als kwaad, zoals de ouderen, maar gevoelen zich bij deze nieuwere en minder strakke maatstaven gelukkiger en weten daaruit verbluffend veel goeds naar voren te brengen. De les, die wij voor ons allen hieruit kunnen trekken, luidt: wanneer je eerlijk overtuigd leeft en handelt, kan het oordeel van geen enkele mens iets veranderen aan je innerlijk geluk. Ook al zou iedereen je loven en prijzen, zo zul je, indien jezelf niet van de juistheid van je gedrag overtuigd bent, jezelf een hel van twijfel en verwijt scheppen, waaraan je niet kunt ontkomen.

Sommige spreuken uit de Indische wijsbegeerte gaan veel verder dan het tot nu toe aangehaalde. Een wijsgeer schreef: “Ik ging in mijzelf, waarin ik vele poorten vond. Ik sprak tot mijzelf: Ik wil deze poorten doorschrijden. Voor elke poort stond een onzichtbare wachter, die mij de doorgang weigerde. Ik keerde daarom naar de wereld buiten mij terug en zocht een leven lang, tot ik een middel vond, waardoor ik onzichtbare tegenstanders voor mijn ogen zichtbaar kon maken. Ik keerde terug in mijzelf. Weer werd ik aan de eerste poort de toegang geweigerd door een onzichtbare kracht. Ik gebruikte nu mijn tovermiddel en zie: voor de poort stond ikzelf en verweerde mijzelf de toegang. Ik vroeg mijzelf: waarom belet gij mij door de poort te gaan, en ik antwoordde mijzelf: omdat ik u niet wil verliezen”. Wanneer je als mens een inwijding, of zelfs alleen maar een bewustwording zoekt, kom je op een gegeven ogenblik voor poorten te staan, die je onbewust weigert door te gaan. Want je vreest het beeld, dat je in je wereld van jezelf gevormd hebt, daardoor te moeten verliezen. Het is immers volkomen waar, dat wij, door ons steeds weer en boven alles vast te klampen aan morele, sociale en geloofsvoorstellingen, aan begrippen van eigenwaarde, beletten verder te gaan op het innerlijke pad.

In de moderne wereld rijst nu de vraag, hoeveel mensen met een werkelijk innerlijk verlangen tot een esoterisch verdergaan, zoekers naar een contact met het hogere, zichzelf beletten dit te volbrengen. Bijvoorbeeld weigert men vaak onze stem aan te horen, omdat men vreest door anderen voor dwaas gehouden te worden. Toch zouden voor velen onze leringen een doorschrijden van de poort der bewustwording mogelijk kunnen maken. Zij weigeren zichzelf de toegang, omdat zij bewust de wereld boven de waarheid stellen. Vele mensen zouden een belangrijke, stoffelijke, of geestelijke vernieuwing in de wereld kunnen brengen voor zichzelf en anderen, maar durven dit niet te doen, omdat hun vindingen en ervaringen niet in overeenstemming blijken te zijn met de belangen of denkwijzen van mensen, waarvan zij afhankelijk zijn. Ik spreek nu eens niet van de mensen, die alle vernieuwing weigeren uit gemakzucht, waar het leven hen te zwaar voorkomt, indien je zonder God, kerk en geestelijke leiding in de stof zelf voor alle beslissingen verantwoordelijk zou moeten zijn, zelf zou moeten zoeken en werken. Ongeteld vele mensen weigeren verder te gaan op het innerlijke pad, omdat dit tevens zou betekenen, dat zij andere mensen moeten gaan steunen in plaats van de steun van anderen als een recht voor zich te kunnen opeisen.

De wijsgeer, die deze vertelling neerschreef, wist zekerlijk veel omtrent zijn medemensen. Een collega van hem riep eens leerlingen toe, die hem tegen zijn wil in afzondering waren gevolgd: “Beseft gij dan niet, dat een mens altijd mens is? Er is geen verandering en geen verschil. Gij zijt als de dieren, die uw voorvaderen zijn en uw nageslacht zal zijn als uw voorvaderen. Want mens-zijn is beperkt-zijn. Volgt mij dan niet om een beter mens te worden, maar tracht uit het gebonden mens-zijn te ontkomen en te geraken tot en beheersen van de menselijke waarde. Daardoor zult gij uzelf kunnen plaatsen onder de Goden”. Deze verklaring klinkt bitter, maar is waar. Want geen enkele mens die in de eerste plaats mens tracht te blijven in de stoffelijke zin, zal het ooit verder brengen dan een dier met verstand. Bezie de wereld van het ogenblik en zie de mensen, die handelen volgens menselijk denken en menselijke rede: alleen dezen brengen de wereld en zichzelf niets buiten een dierlijke strijd om buit en voordeel. Alleen de mensen, die trachten de stoffelijke factoren ondergeschikt te maken aan hogere belangen, komen verder en helpen de wereld tot verbetering te komen. Degenen, die in dit streven slagen, vinden een inwijding, waardoor zij boven de mensheid komen te staan, eigenschappen verwerven, die men heden paranormaal noemt, maar die vroeger als kenmerk van de lagere Goden werden beschouwd.

Ook deze woorden zijn nu nog toepasselijk. Ik kan mij voorstellen, dat het u soms moeilijk zal vallen de parallellen te vinden in de oude wijsheid. De volgende uitspraak is hiervan een voorbeeld: “In uw bewegen, spreken, de gebaren van uw hand en uw daden tekent gij uw innerlijke werkelijkheid.” Men is dan geneigd te zeggen: wat voor innerlijke werkelijkheid zullen rock ’n roll dansers dan wel uitdrukken? Of misschien zegt u: dit past misschien voor tempel- dansers, maar lijkt mij voor de gewone mensen, zelfs in de oudheid, als iets te filosofisch om waarde te hebben. Toch zal de geschoolde psycholoog van heden toe moeten geven, dat je, hetgeen je werkelijk bent, altijd weer uit, zelfs indien je het tracht te verbergen. Elk gebaar, elke houding, elke handeling geeft een doel van je innerlijke Ik weer. Naarmate je meer tracht je werkelijke wezen te verbergen zal zelfs, dank zij deze uitingen, voor de wetende dit bedrog duidelijker tot uiting komen. Er zijn in uw tijd vele mensen, die andere woorden spreken en andere gebaren maken, dan zij krachtens hun innerlijke wereld zouden moeten doen. Zij kunnen zichzelf niet geheel verloochenen, ook al menen zij, dat zij hun uiterlijk geheel voor anderen kunnen verbergen. Men kan het eigen innerlijk ook niet verbergen door een hogere leer tot de uwe te maken, een geestelijke meester te volgen enz., indien men niet tevens zijn innerlijke wereld daaraan aanpast en zo in feite het innerlijke Ik verandert.

Zo geldt voor ons niet alleen: in ons ligt de weg, maar ook wel degelijk: niemand dan wijzelf kunnen de in ons liggende weg geheel gaan. Ieder van ons is voor eigen innerlijke weg geheel zelf aansprakelijk, en in de eerlijkheid van handelen en beleven, de ware uiting van eigen innerlijk leven alleen, is een werkelijke vooruitgang op het pad, een werkelijke innerlijke bewustwording mogelijk. Zo blijken de oude denkers dicht te liggen bij de moderne esoterie en psychologie. Een voorbeeld is de tovenaar, fakir en wichelaar, die in de dagen van Jezus geboorte in Indië rondtrok. Zijn spreuken, vaak aan voorspellingen toegevoegd, zijn wel buitengewoon interessant. Eén daarvan luidt: “Gij, die juicht, gij juicht niet, omdat gij de vorsten mint, maar omdat gij hun vertoon begeert. Gij haat, wat gij bewondert, omdat gij het bewonderde voor uzelf verlangt en het anderen in feite misgunt. Zo zult gij noch de vorst, noch uzelf geheel recht kunnen doen”.

Ook in uw dagen kennen wij de mensen, die overal kritiek op hebben. De stuurlui, die aan de wal staan, weten alles beter en hebben voor alles een oplossing. Wanneer het er op aan komt, blijken deze mensen een grote bewondering tot uitdrukking te brengen voor de verantwoordelijke taak van de staatslieden, het geestelijk gezag enz. enz., maar tevens dit gezag voor zich op te eisen. Indien de bewonderden hun wil niet doen, haten zij hem met buitengewone felheid. Ook in uw dagen blijkt haat en nijd voornamelijk achter bewondering en toejuichingen verborgen te zijn.

Aan het hof van Abkar de Grote – een van de eerste Indische vorsten, die een christelijke missie op zijn gebied toeliet en met de christelijke leer kennis wilde maken – was een hofzanger, die elke morgen een lied voor de vorst moest zingen. De tekst van een zijner liederen luidde:

“Indien gij op de troon des rechts zit en oordeel spreekt, o vorst, bedenk, dat de krachten des hemels en het besef van uw onderdanen tevens recht spreken over u.   Groot zijt gij, vorst Abkar. Uw wil is de wil der Goden zo gij, o Abkar, niet slechts eigen wil, doch ook de wil der Goden weet te volbrengen.

Groot zijt gij, Abkar, indien gij uzelve vergeet, uw volk dient in rechtvaardigheid als maatstaf der gerechtigheid zonder toorn”.

De muziek zou uw oren waarschijnlijk beledigen, maar de waarheid, die in de tekst verborgen ligt, geldt voor elke mens ook heden nog. Denk nimmer: Ik heb het ver gebracht. Sla daarom uzelf nooit op de borst, zeggende: “Ik heb een meesterschap bereikt, ik ben dokter, ik ben dom e.d.” Deze verklaringen zijn schadelijk voor uw geestelijke bewustwording, zowel als voor uw verder streven in de wereld. Roep ook niet uit: “Maar ik ben dom en maar een eenvoudig mens.” Daarin tracht gij uzelf dan, onder het mom van een veelal valse nederigheid, te onttrekken aan hetgeen gij weet in feite te moeten zijn en doen. Denk niet aan uzelf.

Wanneer de mensen niet zoveel aan zichzelf hadden gedacht, zou er bv. minder ellende en een minder groot probleem in Congo bestaan. Indien sommige mensen minder aan mogelijke eigen belangen hadden gedacht, zou er in Indonesië niet zoveel ellende zijn geweest en zouden, zoals elders toch ook gebeurt, de staten van de wereld tijdig ingegrepen hebben. Menige crisis uit het verleden, ja, zelfs het nazirijk zijn te danken aan een teveel naar eigen voordeel streven van mensen, die zeggen door God en hun volk gezonden te zijn, maar de wil van die God en dat volk weigeren te volbrengen, wanneer die ook maar één ogenblik de eigen belangen zouden kunnen schaden, of uitschakelen. Degenen, die hiervoor aansprakelijk zijn, verdedigen zich door te zeggen, dat zij toch ook het recht hebben voor zich te zorgen. Wanneer u beweert maar een dom en onwetend mens te zijn, verontschuldigt u zich ook. Het feit, dat een verklaring of verontschuldiging noodzakelijk wordt geacht, impliceert reeds, dat men zeer goed weet dat eigen handelingen enz. niet juist zijn. Daarom moet u steeds weten wat u doet, maar tevens beseffen dat op bepaalde ogenblikken de Goddelijke wil boven alles gesteld moet worden. Wie Gods wil niet volledig zal kunnen erkennen, dient toch steeds weer te trachten, volgens eigen beste weten, een volvoeren van de Goddelijke wil zo goed mogelijk te benaderen. Het zou voor velen in uw dagen wel goed zijn, indien een zanger, evenals eens aan het hof van Abkar de Grote, de mens dit alles voor zou houden, in plaats van met wilde kreten een “van het dak afkomen” aan te bevelen enz. De mens van heden zou meer begrip voor de wijsheid van het oude oosten moeten bezitten.

Dichters, als bv. Omar Khayyám, zijn in wezen filosofen en geven lessen, die ook heden hun betekenis nog niet verloren hebben:

“Ik plukte een roos en zij was mij een vreugde. Ik plukte twee rozen en haar doornen bevlekten mijn vingeren met bloed. Ik wierp de rozen weg en dronk, een bokaal fonkelende wijn. Ik trachtte mijzelf te verdrinken in twee donkere ogen, die waren als diepe, kolkende meren, maar mijn vingers waren bevlekt met bloed. Ik plukte 2 rozen!”

Zo luidt een lied van deze Perzische dichter. Zijn probleem is altijd nieuw. Hoe vaak komt het niet voor, dat de mens een keuze moet doen. Men heeft iets belangrijks gevonden. Noem het vriendschap, liefde, taak, roeping. Daarin geef je jezelf. Er komt in je leven iets anders, dat je evenzeer aanlokt. Toch wil je het oude niet prijsgeven. De mens, die twee dingen gelijkelijk als roeping erkent en, na eenmaal gekozen te hebben, wil veranderen, moet wel beseffen, dat hij dan zijn eerste keuze prijs moet geven. Wie beide dingen tegelijk wil behouden, werpt uiteindelijk beide roepingen van zich. Geen enkele roes kan hem dan nog beschermen tegen het gevoel misdaan te hebben. Daardoor zal men geestelijk en stoffelijk hieronder moeten lijden.   In uw dagen zijn er vele mensen, die mislukken door een taak, die zij eenmaal aanvaard hebben, wanneer deze niet gemakkelijk genoeg volbracht kan worden, door een tweede aan te vullen, zonder de eerste daarom prijs te geven. Een pogen twee dingen gelijk te doen en te zijn, is de oorzaak van de vele mislukte mensen in uw dagen. In vele gevallen zal de maatschappij hiervan minder bemerken, of zelfs deze mensen redelijk in het leven geslaagd noemen. Hun maagzweren enz. maken wel duidelijk, dat zij, zover het henzelf betreft, mislukten. Een mens die een innerlijke taak heeft, zo merkt een oude wijsgeer op, heeft een gift, die kostbaarder is dan de sieraden der Goden. Deze gift is magisch, opent hem alle hemelen. Wie een tweede sleutel zoekt naast de eerste, ontdekt, dat beide gaven tezamen alleen de rijken der onderwereld voor hem ontsluiten. De bedoeling is niet, dat de mens een zeer eenzijdig leven moet lijden, of zich in heel het leven tot één waarde alleen moet beperken, maar wel, dat slechts één waarde in het leven je werkelijke vreugde, je kracht, je innerlijk evenwicht kan geven.

Daarop moet het leven gebaseerd zijn, en alles, wat er verder bestaat, moet als bijkomstig worden beschouwd. De fout ligt niet in de belangstelling voor vele dingen gelijktijdig, maar in het verlangen deze allen evenzeer te bezitten, doel van het Ik te weten. Zelfs Omar plukt in zijn vers twee rozen, terwijl hij met één had kunnen volstaan. Aan de tweede had hij kunnen ruiken, hij had haar kunnen bewonderen. Hij mocht alleen niet plukken. Uit het plukken ontstaat de smet op het Ik. Deze daad alleen neemt de innerlijke vreugde weg. Wanneer men dit beseft, zal men geen twee taken gelijk op zich willen nemen, maar ook degene die te snel en te ongedurig het een steeds weer voor het andere prijsgeeft, schept in zich altijd weer verwarring. Deze verwarringen uiten zich in lichaam en denk-leven en kunnen zelfs tot krankzinnigheid voeren. “Ken jezelf en kies je eigen weg”. Dit roepen u de denkers van het oude Indië ook heden nog toe. Kies uw eigen weg en ga deze, zo zij u goed lijkt, ongeacht het oordeel van anderen, de schijn van uw wereld. Volg geen enkele weg, indien gij niet geheel overtuigd zijt, dat zij goed is, opdat gij niet in twijfel uzelf ten gronde richt.

Het begrip voor het eigen Ik, maar besef tevens, dat eigen gemakzucht, behoudzucht e.d. voortdurend u een verder gaan op het voor u juiste pad onmogelijk dreigen te maken. Overwin deze dingen en zie in, dat het vooral de luiheid is, die u tracht van alle veranderingen afkerig te maken. Leef zo goed en zo gelukkig, als u mogelijk is, maar baseer alles steeds weer op hetzelfde doel en kies tot dat doel één enkele weg. Zie het geheel van de wereld als een vreugde, waarin u op moogt gaan. De wereld is een tuin, waarin u moogt vertoeven, zo roept een oude meester uit. Weet wel, dat u alleen in de Tuin der Vreugden moogt vertoeven, wanneer uw arbeid volbracht is…. Met andere woorden, elke mens heeft een innerlijke plicht, die boven alles in de wereld gesteld dient te worden. Heeft men deze plicht volbracht, dan bestaat de wereld voor u alleen, om u gelukkig te maken, u vreugde te schenken. Bedenk, dat de mens alleen gelukkig kan zijn wanneer hij het innerlijke Licht en de band met zijn God in zich kent.

Hiermede ben ik aan het einde gekomen van de les, die zo hier en daar misschien de gewoonten en denkwijzen van uw maatschappij aantast. Letterlijk heb ik immers gezegd, mij daarbij zowel baserende op de wijsheid uit vergane dagen, als op de feiten van het heden: beste mensen, denken jullie nu werkelijk, dat al jullie pretenties ook maar één enkele cent waard zijn? Jullie pretenties van braafheid, zedigheid, naastenliefde en rechtvaardigheid zijn weinig of niets waard. Bezie deze dingen eens eerlijk en oprecht. Besef, hoeveel egoïsme in dit alles verborgen is, hoeveel men in deze begrippen allereerst voor zichzelf zoekt en vraagt. Besef, hoe weinig in deze waarden naar voren pleegt te komen, dat uit een innerlijk weten, een taak, een hoger doel, voortkomt. Mensen, besef toch, hoe hol en leeg veel van de waarden zijn, die jullie zo hoog stellen en zo onmetelijk respecteren. Mijn onderwerp is in feite een verwijt aan de moderne mensheid, die, met alle vernieuwingen en alle schijn van vrijheid of libertinisme op velerlei terrein, nog niet tot de conclusie wilde komen, dat de mens zelf zijn pad moet bepalen. De moderne mens schuift de verantwoording voor alle dingen zo ver mogelijk van zich. Zo kan men geen wereld bouwen, die beantwoordt aan de komende tijd, aan de leer van de nieuwe wereldleraar. Dit is niet mogelijk, wanneer men niet eerst besluit zelf verantwoordelijkheid voor eigen leven en daden te dragen.

Voor ik mijn betoog geheel beëindig, wil ik nog een vroegere profetie herhalen, die ook de nieuwe wereldleraar gebruikte om er een les over te geven. Het verhaal stamt uit het Sanskriet. De held van het verhaal is achtereenvolgens held, krijgsman, monnik, tovenaar. Hij huwt en trekt weer weg, betreedt de onderwereld, zowel als de wereld der Goden. Deze spreekt op een bepaald moment in het verhaal tot zichzelf: “Ik vraag mijn voeten niet: streelt u het pad? Ik vraag mijn ogen niet: kent gij de vreugden van het leven? Ik vraag mijzelf slechts: is mij het verder gaan een vreugd? Is het mij een antwoord en verklaart dit verdergaan de last, die mij is opgelegd…? Na enige tijd filosofeert de held verder op een slagveld. Rond hem liggen doden en stervenden. Hij heeft zich een held getoond, maar is niet geheel tevreden. Hij vraagt zich af: “Is het de monnikspij, die mij de grootste vrijheid gaf? Of is het de vechtstaf en het schijfmes, dat ik zo goed weet te werpen? Is het werkelijk een koningsmantel, die ik begeer?” Het antwoord, wat hij zichzelf geeft, was het hoogtepunt van een les die de nieuwe wereldleraar gaf: Is het niet genoeg mijzelf te zijn en in mijn lot een hogere kracht, een hoger Licht te weten? Hier in de dood en tussen doden ben ik als een tuin, maar in de tuinen der wellust is mij soms, als was ik te midden van de dood. Niet dat, wat is in het leven, maar wat mijn schreden leidt, bepaalt, of zich in mijn hart verheugt en slechts uit de vreugde, die er in mij laait, vind ik de kracht steeds voort te gaan en toch in vreugde te leven.

Mijn vertaling is zeer vrij en het oorspronkelijke ritme gaat ten dele teloor, maar in deze laatste verklaring vooral ligt de essence van deze nieuwe tijd. Het is niet de vraag: “Hoe ben ik t.o.v. anderen? Wat verwachten anderen van mij? Ben ik rijk genoeg? Ken ik weelde genoeg?” Deze dingen bepalen het geluk van de mens niet. Om gelukkig te zijn, dient men zich alleen af te vragen: “Wat leeft er in mij? Welke kracht leidt mij voort?” Beschouw dit laatste niet in de zin van het lied: “Bij het vallen van de nacht, o Heer, leidt gij mij voort”, maar eerder als: “In mij voel ik een bestemming, in mij is er iets, dat mij tot handelingen, daden en gedachten, aanzet. In mij leven verwachtingen en ik weet: ergens kan ik mijn wezen en leven sublimeren. De sublimatie zelf is de grootste vreugde, die de mens beschoren kan zijn. Zij blijft dezelfde in stoffelijke ellende of rijkdom. Deze alleen maakt uiteindelijk het leven goed, licht en gelukkig. Zodra de mens aan zijn innerlijke roeping veroorzaakt, tracht zich het leven gemakkelijker te maken, zal hem daarvoor de prijs gevraagd worden in verliezen, zwaarmoedigheid, verveling, een voortdurend protest tegen het leven. De wereldleraar wijst zijn volgelingen hierop.

Passende bij zijn leer, vind ik een citaat uit vergeten tijden: “Hij, die hier leeft, droomt. Doch zij, die sterven, dromen niet meer, maar leven. Want leven betekent de werkelijkheid erkennen. Erken de werkelijkheid en wees uzelf, zo goed en zo edel, als u kunt, opdat u vergunt zij te erkennen, hoe de hoogste en lichtste Kracht u geleidt tot in het eeuwige leven”. Ziedaar de slagzin voor deze dagen. Veel zal er veranderen. Veel zal u ontstellen, of u de schouders doen ophalen, omdat u het te dwaas acht. Meer dan ooit zult u in de komende tijd voor een keuze komen te staan en u afvragen: hoe moet dat? Maakt u zich daarover geen zorgen. Laat u niet verblinden door bijkomstigheden en kleinigheden. Vraag uzelf niet af: hoe kan ik er het beste afkomen met mijn bezit, mijn status, mijn gezondheid? Vraag u alleen steeds weer af: kan ik beantwoorden aan de taak, die ik in mij erken? Indien het antwoord op die laatste vraag “ja” luidt, zal u blijken, dat de komende jaren, die u zo vaak als vol moeilijkheden en verwarringen worden geschetst, voor u juist jaren van vreugde en intens beleven worden. Wie beantwoordt aan de God in hem, kent niets anders dan vreugde. De tijdelijke verwikkelingen doen niet meer ter zake, daar het tijdelijke geen werkelijke weerklank kan vinden in een ziel, die in zich eeuwige waarden kent.

——————————————-

ESOTERIE

In de laatste tijd hebben wij onze esoterische lessen meer in praktische richting gegeven. U zult dit gemerkt hebben. Er zijn nl. in de esoterie vele verschijnselen – of innerlijke belevingen – aan te duiden, die een zeer praktische zijde hebben en – al behoren zij tot het innerlijke pad – wel degelijk ook vanuit een meer redelijk en zelfs materieel standpunt bezien mogen worden. O.m. hebben wij de kwestie van harmonisch zijn met bepaalde vlakken besproken en de daaruit voortvloeiende werkingen van de wet der causaliteit. U zult begrepen hebben, dat hiermede de kous nog lang niet af is. Op het ogenblik, dat ik in een bepaald leven sta – onverschillig of dit stoffelijk dan wel geestelijk is – wordt mijn omgeving door mij beïnvloed, zoals ikzelf de invloed van deze wereld onderga. Buiten oorzaak en gevolg spelen dan ook in elke fase van het bestaan ook andere factoren een grote rol. Ik denk hierbij aan de uitwisseling van krachten, die tussen het Ik en die wereld zal ontstaan.

Op uw menselijke wereld is dit eenvoudig weer te geven. U gaat bv. iemand geestelijk genezen, komt tot uittreding, gaat in contemplatie e.d. Om een dergelijk doel te kunnen bereiken, zal men moeten voldoen aan voorwaarden, die juist binnen uw wereld als zeer concreet gesteld kunnen worden. Het gaat daarbij niet alleen om hetgeen men innerlijk is, maar ook om de wijze, waarop men reageert binnen zijn wereld. Het zal u bekend zijn, dat de yogi een systeem heeft ontworpen, dat zijn reacties en acties in de wereld binnen zijn beheersing moet brengen en o.m. zijn lichaamsstromen op de meest juiste wijze reguleert. Deze, op zich lichamelijke, training wordt dan voor de yogi het fundament, waarop het, het bouwwerk van zijn geestelijk pogen opricht.

Het zij verre van mij de yoga hier als esoterisch systeem geheel te gaan behandelen. Enkele punten daarvan zijn voor eenieder even wel bruikbaar. Stel, dat ik behoefte heb aan een bepaalde geestelijke beleving. Een dergelijke beleving is afhankelijk van de wijze, waarop men zelf met het Goddelijke, of met een bepaald deel van het Goddelijke, in harmonie verkeert. Zo men al tot de gewenste beleving komt, weet men, dat dezelfde beleving zichzelf nooit geheel gelijk zal kunnen herhalen. Om tot een beleving te komen, zal men allereerst de relatie, waarin men tot eigen wereld verkeert, moeten regelen. Natuurlijk, kan ik nu eenvoudigweg stellen: zorg er voor, dat alle bewuste banden met uw eigen wereld geheel verbroken worden. Voor een mens, die door contemplatie zover is gekomen en zich van alle stoffelijke werkelijkheid zover weet te verwijderen, dat geheel de stoffelijke wereld in eigen bewustzijn geen werkelijke rol meer speelt, zal hij echter een heel leven aan oefeningen moeten wijden.

De praktijk leert ons dat er ook andere mogelijkheden bestaan. Dan geldt: regel eigen lichaamsstromen op een zodanige wijze, dat deze elke invloed van buiten zoveel mogelijk uitsluiten. De ideale houding van het lichaam is dan wel de lotushouding, terwijl ook varianten daarop dienstig kunnen zijn. Een voor leken goed werkende houding is: kruis de benen, zodat de enkels elkaar raken en leg de handen op de knieën. Buig het hoofd zover mogelijk naar voren. Dit laatste is belangrijk. De wereld denkt en beïnvloedt uw wezen en wel vooral daar, waar het eigen denkvermogen zetelt. Voor de mens zijn dit de hersenen. Blijft men nu met opgeheven hoofd vooruitzien, dan zal, zelfs al is het veld der levensstromen verder geheel van de wereld afgesloten, het hoofd als ontvanger voor invloeden uit de wereld blijven reageren. Eigen gedachten worden de wereld ingeslingerd en ondervinden een antwoord vanuit de wereld. Vandaar dat bij een goede houding men in het oosten stelt, dat men de navel moet beschouwen. Voor de westerling kan je beter zeggen: laat het hoofd met ontspannen nekspieren ontspannen op de borst rusten. Het voorhoofdchakra en de delen van de hersenen, die bijzonder gevoelig zijn voor invloeden van buiten, de voorhoofdshersenlobben, zijn dan binnen eigen uitstralingen geboren; eigen denken wordt hoofdzakelijk op eigen wezen gericht en een afgezonderd zijn van de wereld is ook voor het denkvermogen, gemakkelijker mogelijk.

Bedenk verder, dat bij al deze pogingen bepaalde krachten een rol spelen. Deze krachten kunnen nimmer alleen uit het innerlijk geestelijk wezen geput worden. Vergelijking: het is onmogelijk een raket gericht te lanceren, wanneer deze raket geen basis heeft, waarop zij eerst kan rusten. Als basis voor elk gericht geestelijk werken en streven zal de mens dan ook de eigen levenskrachten moeten gebruiken. Deze levenskracht blijft in het gegeven voorbeeld en de gegeven houding binnen het ik besloten, omdat wij zijn uitgegaan van een contemplatief bereiken. Welk doel wij ook nastreven, steeds zal gelden, dat wij de krachten, die in ons zijn, moeten uiten op een wijze en via de chakra en geestelijke voertuigen, die voor het bereiken zelf het beste geschikt zijn.

Het inschakelen van geestelijke voertuigen is niet zo gemakkelijk voor de mens, zijn chakra daarentegen kan hij veelal met weinig moeite juist activeren. Voor alles, wat hoofdzakelijk met gevoelens samenhangt, zal de doorsnee mens het beste gebruik kunnen maken van het chakra, dat bij de zonnevlecht ligt. Voor het bereiken van een hoger doel, dat tevens bewustzijn vergt, bv. God, zal het hoogste chakrum de beste resultaten geven. Het kruinchakra kunnen de doorsnee mensen niet bewust bereiken, daar dit nog niet open geplooid is. Wel kan men meestal het voorhoofdchakra – dat bij de doorsnee mens tenminste een weinig actief is – gebruiken. Ik denk mij vandaaruit een band met de kracht die ik bewust wil bereiken.

De voorstelling, die men zich van deze kracht maakt, berust op eigen wezen, geloof en weten. Weten en bewustzijn zullen de voorstelling, die wij ons maken van Goddelijke, zowel als van wereldse dingen steeds bepalen. Waar wij voor ons bereiken uitgaan van een harmonie t.o.v. de kosmos, zullen dergelijke denkbeelden en voorstellingen – die met ons wezen harmonisch zijn – ook kosmisch geheel bruikbaar blijken. Stel u een lijnrechte verbinding tussen uzelf en de kracht, die u wilt bereiken, voor. Het gevolg is, dat alles, wat in deze kracht werkelijk is – en gezien de wijze van bereiken met uw wezen harmonisch – in uw eigen wezen werkzaam zal worden. Er is dan geen sprake van wonderlijke openbaringen. Eerder kan men spreken over een geladenheid, die ontstaat, een in jezelf opkroppen van steeds meer emoties en krachten. Wanneer deze toestand enige tijd heeft geduurd, is daardoor niet alleen het stoffelijke lichaam verzadigd, maar zijn ook de laagste geestelijke voertuigen verzadigd. Deze laatsten zullen dan, volgens hun eigen aard en wijze, vanuit die geestelijke kracht bepaalde waarden kunnen waarnemen, beseffen, overzien. Eerst nu treedt het begrip, het weten dus op. Voor de stof houdt dit in, dat de grootste bewuste waarden steeds zullen optreden na het beëindigen van de toestand, niet tijdens de toestand zelf. Het is goed uzelf te realiseren, dat u bij elk geestelijk contact ook zelf veel te doen hebt.

Bij esoterie gaan wij meestal uit van een eenheid, die in de Schepping bestaat en al het geschapene omvat. Ergens komen alle dingen samen. Men spreekt hierover als: Tempel, die God Zichzelf uit Zijn Schepping bouwt, maar ook als het harmonische Al, of de ware Kosmos. Van een werkelijk verschil tussen deze termen is geen sprake. In de esoterie zijn alle dingen gericht op en afhankelijk van deze eenheid in de Schepping, de kosmische Harmonie. Hoe intenser en werkelijker wij die eenheid kunnen maken voor onszelf, hoe beter dit voor ons geestelijk bereiken is. Let wel: bij een stoffelijk streven naar een dergelijke eenheid kan deze eenheid alleen bereikt worden op een wijze, die, zowel volgens ons stoffelijke als geestelijke begrippen, voor ons geheel aanvaardbaar is. Het heeft weinig zin naar oude en heidense gebruiken terug te grijpen, wanneer je als christen leeft te midden van een christelijke maatschappij, waar deze gebruiken, hoe doelmatig op zich, zij ook zullen zijn, dan niet meer met uw wezen harmoniëren. U zou door het gebruik van dergelijke middelen dan ook zeer waarschijnlijk een innerlijke disharmonie veroorzaken en zo uw doel niet kunnen bereiken. Eenheid is een belangrijke factor in de esoterie.

Men kan ook nog gaan stellen: ik wil vanuit mijn wezen in contact komen met een zo groot mogelijk aantal harmonische mensen, geesten en krachten. Dit kan ik dan het beste bereiken door een eenvoudige definitie te geven van mijn doel. In dergelijke gevallen is het gevaarlijk het doel te zeer omschreven te stellen. Wanneer u bv. naar waarheid wilt gaan zoeken volgens deze methode, heeft het geen zin daarbij het gebied, waarop die waarheid moet liggen, aan te duiden. Gebruik makende van de concentratie, waarin men werkt, zich baserende op de  lichaamsstromen, eigen levenskracht vanuit eigen wezen stuwende in het Al, opdat deze in het hogere gesublimeerd moge worden en veredeld tot het Ik moge terugkeren, stelt men: Ik zoek niet een bepaald deel van de waarheid, of zelfs maar de waarheid. Ik zoek alleen waarheid. Deze waarheid brengt u dan in contact met het z.g. bovenbewustzijn. Dit is het totale denken van de mensheid, verrijkt met de gedachten van alle geesten, die met die mensheid harmonisch zijn.

In de eerste plaats volgt dan ook binnen het ik een hergroepering van gedachten, waar de invloeden, die mij bereiken, mij de samenhangen en mogelijkheden van de werelden van geest en stof anders tonen. Ten tweede zal de vraag naar waarheid weerklinken in het z.g. zomerland gebied. De kern der waarheid is daar altijd lering. Het Ik zal dan harmonisch zijn met alle lering gevende krachten, die op dit terrein werken en welker leringen voor het Ik nog te begrijpen en aanvaardbaar zijn. Zo ontvangt men dus geestelijke rijkdom. Ten derde is de hogere reeks van geestelijke voertuigen binnen het Ik, zoverre deze ontwaakt zijn, eveneens waarheid aan het zoeken. Voor deze voertuigen betekent waarheid over het algemeen harmonie met een of meer van de krachten in de kosmos. Hier wordt de waarheid wel geestelijk gedefinieerd en uitgedrukt, maar op een wijze, die u stoffelijk nooit tot stand zult kunnen brengen en verstandelijk niet zult kunnen verwerken. U verkrijgt zo innerlijk ook de hogere geestelijke waarheid, die voor u aanvaardbaar en nodig is. De leringen van de lagere lichtsferen kunnen als onderbewuste werking en impuls tot het waakbewustzijn doordringen. Dit maakt een aanpassen van eigen leven en werken, aan de normen van een hogere geestelijke sfeer mogelijk. Gelijktijdig is men bovendien deelgenoot in het met het Ik harmonische weten der mensheid.

Wij mogen niet uit het oog verliezen, dat in de esoterie bewustwording en vorderen op het innerlijke pad niet alleen afhankelijk zijn van een voortdurende geestelijke verrijking van het ik maar tevens een grote innerlijke evenwichtigheid vergen. De persoonlijkheid van de mens kan worden vergeleken met een wiel, dat in perfecte balans horizontaal moet draaien. Wanneer wij de stand van de as ook maar iets af doen wijken naar links of rechts – de as staat hier voor ons innerlijk wezen – zal het rad – ons leven – kenbaar en merkbaar een afwijking vertonen. Daardoor zullen alle belevingsmogelijkheden geen vorderende en stabiliserende invloed meer uit kunnen oefenen op de innerlijke bewustwording. Anders gezegd: wanneer de as van het ik verkeerd gericht is en dus scheef staat, zodat het rad van het leven uit evenwicht draait, wankelt de gehele innerlijke mens mee. Er ontstaat een slingering, waardoor het onmogelijk is een vaststaande waarde te constateren, zodat het innerlijk geen werkelijke maatstaven meer kan vinden, waardoor het Ik zuiverder kenbaar wordt.

Ik bemerk, dat dit voorbeeld niet geheel duidelijk is. Ik zal uitvoeriger moeten zijn.  Het innerlijke pad zal altijd tot God voeren. Om bewust tot God te komen dient een realisatie van het eigen ik in de Goddelijke werkelijkheid plaats te vinden. Deze realisatie kan nooit optreden, wanneer wij in opvolgende korte ogenblikken nu eens deze, dan weer gene invloed ondergaan, zeker wanneer deze wisselingen rond het hoogste niveau van bewustzijn merkbaar worden. Juist op het hoogst bereikbare geestelijke niveau, zal men zich eerst bewust moeten worden van een kosmische kracht, die men kosmische meester, of zelfs Elohim pleegt te noemen. In deze kracht dienen wij door te dringen en deze kracht moet op het hoogste niveau van bewustzijn erkend worden. Eerst indien wij tot eenheid en harmonie met deze kosmische meester zijn gekomen, mogen wij verdergaan en wij kunnen ons tot een volgende kosmische kracht wenden. Hieruit volgt, dat ons innerlijk beleven en zelfs ons uiterlijk leven in verband tot het doel, dat wij nastreven, evenwichtig dient te zijn. Wij kunnen namelijk dit evenwicht niet missen, daar wij anders onder teveel verschillende invloeden tegelijk zullen kunnen staan.

Neem nu als voorbeeld een fietswiel; dit draait en rust met de as los op een steunpunt. Dit wiel is uit evenwicht. Nu kunnen wij door bv. aan de velg van het wiel iets te schuiven, het tot een wenteling brengen, die geheel waterpas ligt. Dan is daarmee de as recht omhoog gericht. Zolang het wiel zo blijft wentelen en voldoende snelheid heeft in gelijkmatige aandrijving, blijft de as op eenzelfde punt boven het wiel gericht. Zou ik het wiel uit het evenwicht brengen, dan zal de afwijking van de horizontale richting, ook de as een steeds andere richting geven, waardoor deze zelf een soort trechterbeweging maakt, daarbij een cirkel, die wij boven het wiel tekenen, punt na punt beroerend.

Nu geldt in het leven, dat uiterlijk wel de harmonie kan bevorderd worden, maar dat het werkelijke contact met hogere krachten slechts via het innerlijk – voorgesteld door de as – bereikt kan worden. Dan volgt hieruit, dat wij uiterlijk het evenwicht wel bijna, maar nooit geheel zullen kunnen herstellen. Een kleine afwijking bij correcties aan de buitenkant van het rad, blijft onvermijdelijk. De laatste correcties van het wezen moeten daarom vanuit het innerlijk geschieden, nadat eerst uiterlijk alles zoveel mogelijk tot evenwichtigheid is gebracht. Deze corrigerende factor binnen het Ik noemen wij wel harmonie met hogere kracht. Hoe belangrijk een betrekkelijk kleine afwijking van de asstand van het levensrad kan zijn, moge blijken uit het feit, dat een afwijking van de rechte lijn gemeten op de as van 1 mm geprojecteerd op 100 km reeds vele honderden meters zal bedragen. De afstand mens – kosmische kracht – is vergelijkbaar groot.

Zonder een voortdurend corrigeren van het innerlijk evenwicht vanuit de stoffelijke wereld, plus een zoeken naar steeds grotere innerlijke harmonie, zal de mens zelfs bij een bijna juist leven en denken een grote cirkel beschrijven rond het eigenlijke levensdoel, zonder dit doel werkelijk te beroeren en zo met de kosmische heerser, die voor dit leven belangrijk is, niet in een werkelijk goed en blijvend contact kunnen komen. U zal misschien duidelijk geworden zijn, dat de evenwichtigheid van het uiterlijke zeer belangrijk is voor de innerlijke bewustwording, maar dat de laatste stabilisatie alleen vanuit het eigen innerlijk plaats zal kunnen vinden.

Wanneer wij harmonie zoeken, zullen wij reeds, mits dit zoeken intens genoeg is, bij een eerste pogen in contact komen met de grootste geestelijke kracht, waarmee wij harmonisch kunnen zijn in het huidige bestaan. De consequentie, die hier aan verbonden is, luidt dan ook: via de verschillende geestelijke voertuigen naar de stof, onze impulsen overbrengende, verkrijgen wij als geheel een inhoud van geestelijke – hoge en lage – onderbewuste en bewuste impulsen, die onderling harmonisch blijken en bovendien geheel in overeenstemming zijn met de kracht, die wij moeten dienen, en de inwijding, die wij moeten ondergaan. Wanneer de wereld teveel invloed krijgt op uw leven en denken, kan zij dit evenwicht weer verstoren, tenzij wij boven alles de hand met de hoogste kracht stellen en ongeacht de gevolgen, deze steeds in stand blijven houden.

Bij het bewuste zoeken naar een band met deze band, projecteren wij een denkbeeldige lijn vanuit het ik naar bv. de in het ik levende Godsvoorstelling. Deze lijn zal dan vanuit het voorhoofdchakra tot in het doel lopen. Zolang deze band bestaat – dit is onbeperkt, indien zij voortdurend bewust vernieuwd wordt – zal dezelfde harmonische kracht in u werkzaam blijven tot het eigen Godsbeeld zich aanmerkelijk veranderd heeft. Deze harmonie houdt tevens in, dat het vermogen, de potentie, van het gestelde Godsbeeld binnen het ik tot uiting zal komen. U beschikt dus ook over de geestelijke vermogens, die aan deze harmonie ontleend kunnen worden. In de hoogste vorm is dit zielskracht. Een wat lagere vorm geeft u een weten,  terwijl een nog lagere vorm u doet beschikken over levenskracht en astraal vermogen. Zo is het mogelijk door jezelf tijdelijk van de wereld af te sluiten, zo goed je kunt en een eenvoudig punt van uitgang te nemen, niet alleen harmonie te bereiken met de hoogste geestelijke waarde, die voor u denkbaar is, maar tevens het vermogen van het ik aanmerkelijk vergroot wordt in alle geestelijke en vele stoffelijke facetten.

Herhalingen van een dergelijke oefening voorkomen een afflauwen van dit effect en versterken de te bereiken resultaten veelal aanmerkelijk. Het verschijnsel, dat vanuit deze toestand in uw eigen wereld tot uiting zal komen, verandert voortdurend, omdat eigen innerlijk vermogen met elk ogenblik van goede harmonie met het Hoogste zich zal wijzigen en zich meer aan de kosmische waarheid aan zal passen. Wanneer al innerlijke verschuivingen als gevolg van dergelijke oefeningen ontstaan, zullen deze steeds in de richting van een meer bewust beleefde kosmische waarheid ondergaan.

De mens heeft de gewoonte volgens een eigen systeem te denken. Alle stoffelijk denken, dat nog redelijk kan worden geheten, is immers gebaseerd op een systeem. Daarin vinden wij een correlatie van feiten, een mogelijkheid tot het coördineren van pogingen en impulsen. Dit systeem geeft uitdrukking aan het stoffelijke wezen, maar is niet op het werkelijke Ik gebaseerd. Het vloeit eerder voort uit de wereld, waarin wij bestaan. Voor een stofmens zal dan gelden: U bent reeds grotendeels gedefinieerd door uw stoffelijke afstamming. Deze afstamming, plus uw milieu, zullen dan ook het door u aanvaarde denksysteem en de ontwikkelingen daarvan bepalen.

Leer, wanneer het gaat om innerlijke waarden en het esoterische pad, het eigen systematisch en redelijk denken terzijde te stellen en eerst na afloop van de proef of concentratie zo goed mogelijk de inspiratief ontvangen impulsen op meer redelijke wijze voor uzelf uit te drukken en te omschrijven. Op deze wijze wordt de stoffelijke rede tot een hulpmiddel, waardoor de innerlijke weg ook stoffelijk redelijk voor een groot deel bewust beleefd kan worden.

Het is onmogelijk de innerlijke weg alleen aan de hand van het stoffelijk redelijke denken te bepalen of te veranderen. Alle krachten, die in u werkzaam zijn, komen van bovenaf. Alle krachten van bovenaf, waarvan je je bewust bent, verhogen tevens de mogelijkheden, die in het eigen wezen gelegen zijn. Door dit geheel te begrijpen, kunt u een grote schrede voorwaarts doen, zowel op het gebied der esoterie, als op het gebied van praktisch gebruikte geestelijke vermogens.

Naarmate het innerlijke ik hoger komt te staan, zult u minder redelijk aanvaardbaar gaan handelen en denken. Wel zult u in alle handelen en denken een steeds groter wordende harmonie met hogere krachten beleven. Deze harmonie nu is bepalend voor het slagen van uw leven en de geestelijke werkingen en mogelijkheden, die binnen dit leven tot uiting kunnen worden gebracht.

De verschijnselen van de stof dienen ons, wanneer wij in de stof leven, als impulsgevers. Zij geven een soort mechanische prikkel aan ons af, waardoor eigen bewustzijn in werking wordt gezet. Het is niet belangrijk, waar die prikkel vandaan komt, mits de werking ervan begeerlijk is voor het geestelijke leven. Eenvoudig voorgesteld: voor de één kan tandpijn deze waarde hebben; een ander vindt hetzelfde door in een spijker te trappen en een derde door het hoofd te stoten, wanneer hij even niet kijkt. Wanneer de pijn eenzelfde werking in allen tot stand brengt, is het vanuit geestelijk standpunt niet verder belangrijk, op welke wijze deze tot stand kwam.

Er zijn ook mensen, voor wie lichamelijke pijn nietszeggend blijft, maar wel door middel van een teleurstelling een dergelijke prikkel kunnen ervaren. Hieruit volgt, dat, wat u uiterlijk beleeft, eigenlijk onbelangrijk is, zover dit met het innerlijke pad samenhangt. Het is alleen bestemd op prikkels af te geven. Het leven geeft meer belevingen en mogelijkheden, dan geestelijk noodzakelijk is. Daarom wordt het voor de mens belangrijk alleen de voor een geestelijke bewustwording belangrijke prikkels te aanvaarden of te zoeken, doch alle andere prikkels terzijde te stellen.

Dit brengt mij tot een volgend belangrijk punt. De prikkels, die voor de mens werkelijk geestelijk belangrijk zijn, kunnen bijdragen tot vergroting van de geestelijke bewustwording en het juistere gebruik van geestelijke vermogens en sneller bereiken van innerlijke harmonie en vrede.

In de eerste plaats zijn van belang alle prikkels, die – ongeacht hun verdere stoffelijke betekenis – het ik losmaken van zichzelf en het dwingen de standpunten van anderen mede te beschouwen. Ten tweede: Alle prikkels, ongeacht hun oorzaak en stoffelijke uitwerking, die ons tot een werkelijke geestelijke eenheid met anderen kunnen voeren. Ten derde: Voor u belangrijk zijn alle stoffelijke prikkels en gebeurtenissen, die innerlijke rust verschaffen, het denken eenvoudiger en rustiger maken, of ons in staat stellen verder, en minder persoonlijk, het ik in te stellen op de meer positieve aspecten van het leven rond ons.

Daarmee bedoel ik dus bovenal positieve uitingen, uitingen van Lichtende kracht. Er zijn in het leven veel meer prikkels dan deze voor ons belangrijke. Wij moeten leren alles, wat niet onmiddellijk voor het geestelijk ik belangrijk is, zoveel mogelijk te negeren. Slagen wij daarin, dan is de wereld voor ons een school geworden, die alleen de voor ons noodzakelijke leerstof verstrekt. Hierdoor wordt verbrokkeling van inspanningen voorkomen en zal in kortere tijd meer van de belangrijke leerstof verwerkt kunnen worden, terwijl zij beter begrepen en verwerkt zal worden door het ontbreken van de schijnbare tegenstellingen, die ons zo vaak verwarren. Ten laatste vloeit hieruit voort, dat de vorderingen, die wij zo zullen maken, sneller merkbaar zullen worden en de vreugde van de studie – het leven – aanmerkelijk verhogen.

Tussen haakjes: de ware levensvreugde komt voort uit het doelmatig leven, ook wanneer de doelmatigheid van het leven niet in redelijk praktische termen omschreven kan worden, doch slechts uit innerlijke ervaringen en gevoelens. Innerlijke vrede is evenmin afhankelijk van redelijk besef, maar van een juist samengaan van streven en aanvaarden. Dit alles kan voor de doorsnee mens het beste bereikt worden op de vooromschreven wijze:  het zich alleen baseren op prikkels uit de wereld, die directe betekenis in het eigen bestaan hebben en het negeren van alle andere prikkels.

Velen, die dit horen, zullen opmerken: Om zo te kunnen leven, moet ik mijzelf wel heel erg veranderen. Die verandering is niet zo feitelijk, als u misschien meent: bewust handelende en denkende kan de mens zijn geest niet veranderen. Hij kan slechts meewerken, zodat zij haar doel sneller bereikt en het gewenste contact kan opnemen met de Godheid of een deel daarvan. Daarom mag men wel stellen, dat veranderingen van het stoffelijke ik, slechts een bijkomstige betekenis hebben, zover het de geestelijk bewustwording betreft. Dezen immers vloeien niet voort uit de behoefte om anders te zijn, maar uit de behoefte evenwichtig te leven. Alle andere veranderingen in de stof zijn nutteloos. Alle belangrijke veranderingen in de stoffelijke persoonlijkheid moeten dan ook vanuit het innerlijk voorkomen, willen zij voeren tot een aanpassen van het uiterlijke leven aan het innerlijke leven, weten, of aanvoelen. Alleen zo kunnen stoffelijke veranderingen dienstig zijn voor de geest, alleen zo kan men het innerlijke pad op stoffelijk verantwoorde wijze gaan.

Op het ogenblik, dat u er innerlijk in slaagt u tijdelijk van eigen wereld af te zonderen en haar zowel wat krachten betreft als in haar prikkels en invloeden uit te schakelen, zult u verder leven op het voor u eerstvolgende geestelijke niveau, dat voor uw persoon harmonisch is. Hierbij is het niet wel mogelijk de bereikte geestelijke niveaus met de stof te vergelijken, zodat het niet redelijk mogelijk is te spreken over een hoger of lager zijn daarvan. Elk innerlijk niveau is anders. Begrippen als hoger en lager kunnen alleen gebruikt worden, indien wij daarin aan trachten te geven, in welke meerdere of mindere mate daarin een harmonie optreedt tussen stoffelijke wezen, innerlijk wezen en de Godheid. Alle kracht, die wij uit deze harmonie putten, ongeacht van welk niveau deze afkomstig is, zal altijd weerkaatst worden door elke deel van ons wezen. Altijd, wanneer wij van binnen uit tot een wijzigen van gedrag of wezen komen, of door een innerlijk aanvoelen en een behoefte aan vergroting van innerlijke evenwichtigheid, tot bepaalde handelingen worden genoopt, zullen dezen, plus hun uiterlijke gevolgen, in overeenstemming zijn met ons contact met het Goddelijke. Als zodanig houden dergelijke waarden dan ook altijd voor ons een verdere openbaring van de Godheid in.

De kern van uw streven is een vergroten van innerlijke harmonie en evenwichtigheid. De gevolgen van de daden, zowel als de daden zelf, zullen voor u altijd aanvaardbaar blijven. Dan kan alles voor de wereld nog zo vreemd schijnen, voor u zal het uiteindelijke resultaat altijd een vergroting van innerlijke vrede en innerlijk geluk zijn. Voor de wereld, betekenen dergelijke dingen een duidelijker kenbaar worden van hetgeen blijvend in de Goddelijke werkelijkheid – dus buiten de tijd – bestaat. Dit zal u duidelijk maken, waarom juist in het volgen van een geestelijke richting, zovele onredelijke of onverklaarbare factoren een rol spelen. Eveneens verklaart het, hoe het komt, dat u – na lange tweestrijd en zoeken naar de juiste weg – in het volgen daarvan een zo grote innerlijke kracht kunt vinden, zodat u meer kunt presteren dan voordien.

Ieder, die de innerlijke weg tracht te volgen zal weten, dat zich op deze weg een aantal afgronden en kloven bevinden, die men niet zo gemakkelijk kan overschrijden. Een mens heeft uit zijn bestaan de behoefte tot zelfhandhaving, voortbestaan, drang tot zelfbehoud, meegekregen. Die drang wordt stoffelijk uitgedrukt in een behoefte elke verandering, die voert tot onoverzienbare consequenties, of ongunstig zou kunnen zijn, te voorkomen. Daarnaast tracht men steeds de verkregen voordelen, maar ook bekende en daardoor voor ons schijnbaar beheersbare gevaren te behouden. Kortom: de mens is bang voor het onbekende. De kloven, die de mens op het esoterische pad ontmoet, zijn niets anders dan de noodzaak vanuit een wereld of leven met bekende waarden, over te gaan naar een wereld of leven met onbekende waarden.

Indien u nu goed nadenkt, is de volgende conclusie ook de uwe: elke grote verandering in mijn leven, stoffelijk of geestelijk, zal met een innerlijk geestelijke verandering gepaard gaan en kan, wanneer ik mij weer vanuit mijzelf harmonisch tot mijn God durf richten, een direct verhogen van mijn innerlijk niveau van bewustzijn betekenen. Zelfs wordt het hierdoor mogelijk een zogenaamde poort van bewustwording of inwijding door te trekken.

Hoe meer ik leer het onbewuste en onbekende te aanvaarden, zo en waar het zich openbaart, hoe minder ik zal hechten aan de nu voor mij bestaande vormen van geloof, wereld, enz. Hieruit volgt, dat ik ook gemakkelijk antwoord zal kunnen geven op alles, wat vanuit de kosmos tot mij komt. Indien ik op een pad het doel bereikt heb, in een kosmische kracht verzonken de waarheid daarvan geheel in mij draag, volgt van daaruit vanzelfsprekend en volgens een kosmische regel, een voortgaan naar de volgende kracht, waarmee een harmonie voor mijn innerlijke weg noodzakelijk is. Alle verworven mogelijkheden en krachten zal ik daarbij kunnen behouden, zover zij niet aan de kosmische kracht zelf waren ontleend, krachtens de bestaande harmonie alleen.

Iemand, die zijn angst voor veranderingen heeft overwonnen, wisselt niet alleen zijn waarderingen voor het leven af en wijzigt niet alleen het innerlijk beleven, maar zal ook op voor hem geheel juiste wijze de krachten, waarmee hij harmonisch is en de manier, waarop gestreefd wordt in stof en geest, afwisselen. De basis van al deze veranderingen zijn de krachten, die binnen het ik, op het bestaande niveau van bewustzijn, het sterkste tot uiting komen. Zo dit geschiedt, is er niet alleen sprake van een inwijding, maar ook van een vergroting der kenbare kosmische waarheid, zover deze in en door ons wezen wordt geopenbaard. Hierbij gaan wij dan verder uit van de stelling, dat alles, wat microkosmisch voorstelbaar is en gedacht wordt, macrokosmisch reeds waar is. Zij scheppen dus niets nieuws. Het harmonische pad der bewustwording toont ons uit het totaal van het geschapene, de juiste volgorde van beleving en waardering, waardoor het beseffen van een voor ons totale wezen, eeuwig juist Godsbeeld, mogelijk wordt.

Geloof speelt altijd een rol in elke geestelijke bewustwording. Hoe minder een mens tot geloven komt, hoe meer de mens zich op het redelijke denken wil baseren, hoe kleiner de mogelijkheid ook, dat deze mens gebruik zal kunnen maken van de paranormale eigenschappen, die hem ingeschapen zijn, hoe kleiner de kans, dat deze mens – al is het met een enkele kleine kracht – werkelijke harmonie zal kunnen bereiken.  Hieruit volgt weer, dat de mogelijkheid groter zal zijn, dat deze mens innerlijke onevenwichtigheden niet weet te beheersen en daarvan lichamelijk of geestelijk het slachtoffer wordt.